I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Hert-spiegel godlijcker schrifturen."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1632."
"""Hert-spiegel godlijcker schrifturen."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1632."


HERT-SPIEGEL
Godlijcker Schrifturen,

Vertoonende

Een clare, corte, ende sekere wegh, om in dese werre-tijden de H. Schrift vruchtbaarlijck ende veylighlijck, sonder dolings angst te lesen.

Gheschreven inden Jare 1589. door

D. V. Coornhert.

2. Tim. 3. 16.

Alle Schriftuere van God inghegheven, is profijtelijck om te leeren, om te berispen, om te straffen, om te onderwijsen inde rechtvaardigheyt, op dat een mensche Godes, mach volmaackt zijn, tot alle goede wercken onderwesen.

Ioan. 7.17.

Ist datter yemant sijnen (Godes) wille doen wilt, die sal verstaan vande leeringhe oftse uyt Gode is.

[afbeelding]

Te Amstelredam,
By Jacob Aertsz. Colom, Boeck Verkooper op’t Water by de Roozen Beurs, inde Vierige Colom, Anno 1632.



[leeg]


Voorreden des Boecx

Sprekende totten Leser.

IN de wegen dijnre ghetuygenissen (seyt de Psalmist totten Heere) hebbe ick my verlustight, als in rijckdomme. 1 1 Psa. 118. 14 Die ghetuyghenissen, zijn de H. Schrift de welcke van Christo ghetuyght, die selve de wegh is ten len leven: buyten de welcke veel andere tuygnissen der menschen zijn, welcker eynde ter doot leydet. Die zijn stemmen; allen schapen Christi onbekent zijnde. 2 2 Pro. 14. 12 Daarom sy haar in de selve niet en verlustighen, noch de selve na en volghen. 3 3 Joan. 10. 5. Want sy kennen alleenlijck haars eenighen ende waren Herders stemme: die sy na t’bevelen van des Vaders Hemel-stemme navolghen, uytgaande ende ingaande weyde vinden, 4 4 Joan. 10. 9. ende met verlustinge singhen:

Mijn Godt voedt my, als mijn Herder ghepresen. 5 5 Psa. 22. 1. Want de Mensche en leeft niet alleen by den broode, maar by allen woorde, komende uyten monde Godes. 6 6 Mat. 4. 4. Al wie haar waarlijck na hongheren, worden inder waarheyt versaadt. 7 7 Mat. 5. 6. Want hy is self de waarheyt.

Maar dit en gheschiet niet in alle die hongheren ende sich verlustighen inder verckenen draf van de Opinie der Menschen, die meest al loghenachtigh zijn. Soo werden dese verleyde schapen; weydende buyten de Godtlijcke tuyghenissen; niet ghevoedt metter waarheydt: maar worden self een spijse des aardt-etenden Serpents, de loghen, 8 8 Gen. 3. 14. die sulcke aardtsche nde loghen-lievende bocken eet, ende haar verslindt door sijne valsche herders, 9 9 Ezech. 34. 8. 18. die haar self weyden, de goede weyde vertreden met haar voeten: ende loghenen preken, die sulcke bocken met lusten hooren en navolghen. Wie dan selve niet en wil worden een spijse des loghens tot sijn eeuwigh verderven: die keere sich af van aller Menschen leere, door waarheyts ondervinden van sijnre zielen quellijcke onversaadtheydt tot de leere Godes: ende worde alsoo een spijse des ware Serpents dat daar honghert na der Menschen saligheydt. Wie is dat? De waarheydt self Jesus Christus, die niet den schapen maar haar hongher, uyt het bevinden van des logens ydelheydt; verslindende, haar voedet met sich selve, dat is met sijnen heylighen woorde. Wat Christen; al waar hy’t noch maar metten name; twijfelt of desselfs tuyghnissen inder heyliger Schrifturen oock al t’samen waar zijn, ende ghenoeghsaam tot onser saligheyt. Wat Christen mach daar teghen twijfelen, dat der Menschen woorden, tuyghenissen, glosen, of uytlegginghen, niet al t’samen waar zijn, oock niet ghenoech, ja meest hinderlijck, tot onser saligheydt. Dit broot des levens biedt ons Godt self om niet aan. Dat kaf kooptmen duyr, al waar’t maar met versuymenisse der waarheydt. willen sy dan niet bedroghen zijn die Godes trouwe waarheyt in desselfs sekere ende suyvere tuyghenissen der heyligher Schrift, als daar van


walghende, verlaten: ende sich daar teghen inder menschen ontrouwe ende onreyne glosen mondeling of schriftelijck verlustighen, ende die begheerlijck hooren ende lesen? Wat is dat anders dan perijckelen te beminnen? Wat moghen sy anders wachten (bedaren sy hen niet) dan daar in te vergaan? Des boecken makens heeft gheen eynde, die maken veele om u, Leser, af te leyden van de heylsame Bybelsche boecken, die eynde ende mate hebben ende al dat ter saligheyt noodigh is, tot haar oneyndelijcke ende heyloose gloos-boecken, die de waarheydt ter saligheyt noodigh zijnde, verduysteren. Maar ick ben ter noot ghemaackt, omme u, van my ende van alder Menschen schriftlijcke of mondtlijcke glosen af te wijsen tot het eenighe boeck der ware, klare, ende heylsame ghetuyghenissen Godes, op dat ghy daar eens de zieldadighe smake van de ware tarwe ghesmaackt hebbende, den rugghe meught keeren aller Menschen onversadelijck ende ydel kaf, met waarheyt na der zielen ghespijst ende versaadt meught worden, dat gubbe u de Vader, in wiens wooninghe oock de knechten ende huyrlinghen overvloeyen van broodt door sijnen Sone die selve is het broodt dat van den Hemel is ghekomen uyten monde Godes, die dat alleen, ende niet der Menschen woorden te hooren, u heeft bevolen. Amen.


Hert-Spieghel
Godtlijcker Schriftuyren,

Vertoonende
Een klare, korte ende sekere wegh, om in dese werre-tijden de H. Schrift
vruchtbaarlijck ende veylighlijck, sonder Dolings
ancxt te lesen

j. Hooft-stuck.

Om wel te leven behoeftmen wil, macht ende verstandt.

Al ons leven bestaat in doen of laten. Men doet ende laat wel of qualijck. Sonder wil ende macht te samen en wort geen doen of laten. Want derft de wille om wat te doen macht, daar wort gheen werck af. Soo mede en wert niet gelaten, maar gedaan, t’gheen men wil laten: indien’t in onser macht niet en staat om dat te laten.
So zijn wille eñ macht te samen genoech om de doen t’geen men wil ende mach doen: insgelijcx om te laten, t’geen men mach eñ wil laten: sulcx dat waar dese beyde zijn versaamt, ghedaan of gelaten wert, al datmē wil doē of laten.
Maar om yet wel te doen of te laten, behoeft daar by een derde, namentlijc Verstant. Want sonder dat is geē ware Kennisse der dingen, diemen wil doen of laten: ende sonder ware Kennisse en doet of laatmen gheen ding wel.
Want sonder Verstant en kentmen goet noch quaat. Door dese Kennisse vliedt de wille altijt van t’bekende quaat: ende jaaght altijdt na t’bekende goet. Daar dan macht is by sulck Verstant ende Wille, wort altijt het quade gelaten ende t’goede ghedaan: dat is wel leven. Soo zijn Wil, Macht eñ Verstant noodigh eñ oock ghenoeghsaam om altijdt wel te leven.

ij. Hooft-stuck.

Der menschen onverstandt behoeft d’onderwijsinghe des Goddelijcken wijsheyts.

Godt is alleen wijs (Rom. 16. 27.) ende des wijsheijts born. (Baruch 3.12.) Maar alle Menschen worden sonder alle Kennisse gheboren. Hier uyt komet dat wy alle in veelen dolen.(Jac. 3. 2.)
Want sonder Kennisse der dinghen moetmē in’t verkiesen der selven missen, Dit maact den Mensche onsaligh. Want dat blint verkiesen doet het begheerde ontbeeren ende het ghevreesde hebben: het welck beyde zijn droefheyts vruchtbare wortelen.
Onmogelijck ist den Mensche niet droevigh te zijn, die wat heeft dat hy gaarne soude ontbeeren, als pijn, armoed’ of wroeghen, of die wat ontbeert dat hy gaarne soude hebben, als wellust, rijckdom ende rust des ghemoedts.
Hier inne bestaat voorneemlijck der Menschen qualijck leven ende onsalicheyt: t’welck is liefs derven ende leedts verwerven. Dit quelt den onverstandighen, vermits sy self gheenen goeden raadt en hebben: 1 1 2. Timot. 2. 22. Godes heylsamen raadt niet en willen volghen: ende jaghen na t’volbrenghen van haar jeughdelijcke sotte ende quade Lusten.
So vervalllen wy meest al uyt onse ware onnooselheyts soete Hert-ruste ende genoechlijcke rijckdom des ghesontheyts, in de strafwaardighe schulde, quellijcke onrust des herten, ende de ghebreeckelijcke sieckte des ghemoets, oock veel tijdts der lichamen.

iij. Hooft stuck.

Vyt liefde voorkomt Godt den dolendē mensche, om hem opten rechten weghe te helpen.

Sulck ons onverstandigh dolen heeft de Heere Jesus ons eyghentlijck voor ooghen ghestelt in den verloren sone. 2 2 Luc. 15. 12. Die was mede jongh ende onbedacht, verachte sijns vaders wijsen raat, volghde sijn jeughdelijcke onwijse lust, verloor sijn rustige onschult, viel in schuldigh ghebreck, in onversadighen honger, ende onder de lastighe dienstbaarheydt der pijnlijcke ende zwijnlijcke zonden.
Dit jammerder de lieve Vader, die sach des Soons rechtsinnigh leedtwesen, sijn nedere ootmoet ende sijn naackte schultkenninge. Also voorquam hy barmhertelijck den verdoolden Sone, dewijle hy noch verde van hem was. Want Godt ghenaackt oock den ghenen die hem ghenaken. 3 3 Jac. 4. 8. Wat sietmen oock anders in onse eerste vaders gheschiedenisse? Quam Godt hem meede niet soecken met sijn woort: Adam waar zijdy? 4 4 Genes. 3.
Niet anders en handelt Godt de Hemelsche Vader met ons sijne verlooren schepselen. Want hy sijne a verloren schapen, 5 5 a Mat. 18. 12 b Mat. 5. 4. b die over hare zonden rouwe draghen, 6 6 c Mat. 5. 3. c arm van geest zijn, 7 7 d Mat. 5. 6. d hongheren na sijne gherechtigheydt, 8 8 e Mat. 11. 28 ende e belast oock beladē zijn, door sijnen Soone het woort des Levens komt soecken, vertroosten, rijck maken, versaden, verlichten ende verquicken.

iiij. Hooft-stuck.

Om ons recht te leyden ende verstandigh te maeken, seyndt Godt ons tot sijn woort.

Soo handelde oock de barmhertighe Vader met sijnen sone Israel, als die verloren scheen te zijn, in den diensthuyse Ægypti: daar hy swaarlijc verdruckt zijnde, uyt dieper noodt versuchtede, ende riep totten Heere: 9 9 Exo. 30. die hem verhoorde, sijn woort tot hem sandt, ende hem daar door; als door sijnen krachtigen Arm verloste.
T’is waar, dat Moyses noch Aaron, door welcker bedieninge Godt dat heerlijcke werck wrochte, selve niet en waren dat woordt: maar ghetrouwe Dienaren ende ghetuygen des waren levendigen ende Almachtigen woorts selve, in welcks kracht alle sulcx geschiede, de welcke hy eerst sandt als voorboden ende ghetuygen van t’betuyghde woordt: namentlijck Christo sijnen Sone.
Soo en waren oock mede het woordt selve


niet gheen van alle navolghende Propheten ende Sentboden Godes, maar getrouwe Dienaren ende Ghetuygen, door welcke het woordt veele groote ende wonderbaarlijcke daden heeft bewesen aan den Joodtschen volcke: tot op de verschijninghe toe in den vleesche Jesu Christi: 1 1 Joan. 1. 1. die daar selve is het levendighe Woort des Vaders, dat al was in den beginne, ende waar door het alles is gheschapen, ende t’welck door alle Propheten betuyght ende voorseyt was.
Des niet te min heeft dit levendighe woordt voor sijne openbaringe in den vleesche van aanbeginne sijne gheestelijcke werckinghe al ghehadt: oock inden Oudtvaderen selve: namentlijck in Adam, Abel, Seth, Noe, oock in Abraham, Isaac: Jacob, Joseph, ende d’andere gheloovighe mannen Godes.
Hoe wel sulcx geschiede op een anderwijse, te weten sonder het uyterlijcke middel des betuyghden woords, 2 2 a Gen. 15. 1, 46. 2. Exod. 3. 3. Num. 12. 6. etc. door Menschen ghesproken of gheschreven: maar door a ghesichten, door b droomen, 3 3 b Gen. 20. 3, 26. 4, 28.12, 38. 12. e3. door verschijninghen van c Enghelen ende anders, mits t’welcke sy nochtans aanghewesen, ende opghevoert zijn gheweest tot ware kennisse Godes, 4 4 c Gen. 17. 1, 18. 1, 26. 2. etc. in den welcken sy door’t middel sijns levenden woordts ghelooft hebben ende saligh zijn gheworden.

v. Hooft-stuck.

Onderscheyt tusschen het betuyghende ende het betuyghde woort Godes

Te kennen dat de Vader Jesu Christi alleen is een ware Godt, 5 5 Joan. 17. 3. is het eeuwighe leven. Tot dese kennisse komtmen warachtelijck door sijn levendigh woort; sijnen Sone Jesum Christum; den welcken hy daar toe heeft ghesonden.
Maar want niemant oyt Gode en heeft ghesien: 6 6 Joan. 1. 18. Matth. 11. 27. soo en kent hem niemandt dan de Sone, ende dien hy’t wil openbaren. Dese openbaringhe is gheleghen in de ware kennisse Jesu Christi des Soons Godes Want die hem siet, 7 7 Joan. 14. 9. die siet oock den Vader, 8 8 Hebr. 1. 3. wiens levendigh woordt ende ware Evenbeeldt de Sone is.
Soo en ist niet met het gheschreven woordt Godes. Daar inne soecken veele het leven, dat sy daar wanen te vinden: maar dat qualijck. Want de Schrifture en is Christus selve niet, 9 9 Joan. 5. 39. maar sy is die van hem ghetuyght.
De tuyghe en mach selve niet wesen het ghene datter betuyght wort: soo weynigh als de schaduwe eenigh dings het dingh selve daar af de schaduwe komt. 10 10 Joan. 1. 20. Soo ghetuyghde oock Joannes de Dooper van Christo, maar hy en was selve Christus niet, so hy oock self van sich self ghetuyghde.
Het beschreven woort dan is een ware tuyghenisse van’t levende woordt Godes. Dit, maar niet dat, is Godt selve. 11 11 Joan. 1. 1. Dit was al in den beginne van eeuwigheydt: maar het gheschreven woort niet, dat tijdtlijck is, ende door Moysen eerst is begonnen. 12 12 2. Pet. 1. 19. T’een is het vaste Prophetisch woort, als een Lantaarne in den duysteren hoeck der vleeschelijcke herten schijnende: maar t’ander is de dach selve, dats onse Morghen-sterre; Christus Jesus; inder gheloovighen herten lichtende.
Het woort des levens is self ongeschapen, ende zijn alle dinghen daar door a geschapen: 13 13 a Joan. 1. 3. maar t’geschreven woort is self door een schepsel geworden, ende en is niet altoos daar door geschapen. Het levendigh woort Godes is self het b wesen, het c licht ende de d waarheydt: 14 14 b Hebr. 3. 14. c Joan. 1. 4. 8. 12. Maar het gheschreven woordt is des wesens e beelde, des lichts f lantaarne, 15 15 d Joan. 14. 6 e Hebr. 10. 1. ende des waarheyts g tuyghenisse. 16 16 f Psal. 118. 105. Moghen sulcke verscheyden dingen oock met waarheydt een selve ding gheseyt worden te wesen? 17 17 g Joan. 5. 37 Psal. 118. 2.

vj. Hooft-stuck.

Wat het beschreven woort Godes is.

De voorsz getuygenisse van Gode ende van sijnen eeuwighen woorde noemen wy de Godtlijcke Schrift. Die begrijpt in haar het Oude ende Nieuwe Testament: ende is beschreven door den Propheten, Euangelisten ende Apostelen: ende oock door anderen Godtvreesende Mannen: waar van men d’eerste noemt Canonijck, maar d’andere Apocrijph.
De Canonijcke Bybelsche schriften houden wy ontwijfelijck in allen warachtigh. 18 18 2. Pet. 1. 21. 2. Timot. 3. 16. Alsoo wy vastelijck ghelooven die gheschreven te wesen door ingheven des H. Geests. Daaromme ghebruycken wy die oock niet alleen tot leeringhe, maar tot vaste bewijsinghe.
Soo en ist niet met d’Apocryphe Bybelsche schriften: diemen wel tot stichtinghe ende leeringhe ghebruyckt, maar niet met sulcken aansien als de Canonijcke schriften tot ontwijfelijcke bewijsinghe. Want men van dese niet soo seker en is, als van de Canonijcke, datse door des H. Geests inne-gheven zijn gheschreven:
Daaromme is de Canonijcke Schrifture een vaste proeve, sekere wage en gewisse Toetsteen van alle andere leeringhen of schriften, oock mede van de Apocryphen selve. Doch is deser gheloofwaardigheydt meerder dan alle andere menschelijcke schriften: derhalven sy oock is ghevoeght by de Goddelijcke Canonijcke Schrifture.
Die wort ghedeylt in beyden Testamenten; Oudt ende Nieu. Het Oude houdt inne wettelijcke, vertellijcke ende Prophetelijcke of voorseggelijcke schriften ende leeringhen, maar het Nieuwe behelst Euangelische ende Apostolische gheschiedenissen, voorsegginghen ende leeringhen.
Onder alle welcke voor Apocryphen werden ghehouden de twee laatste boecken Esdre, de boeckē van Tobia, van Judith, van Esther, het boeck der Wijsheydt, Syrach, een deel in Daniel, mette boecken der Machabeen.

vij. Hooft-stuck.

Onderscheyt tusschen de Goddelijcke ende de menschelijcke schriften.

Godt alleen, ende gheen natuyrlijck gheboren mensche is alwetende. Soo en mach dan Godt in sijnen woorde nerghens, maar moghen alle Menschen in haar woorden missen: te weten als sy haar eyghen, niet Godes woort spreken of schrijven.
Van den geschreven woorde der Propheten. Euangelisten ende Apostelen, zijn wy versekert (soo gheseyt is) t’selve gheschreven te zijn door ingheven van Godes Geest, ende niet uyt haar selfs duncken. Daarom wy t'selve houden niet voor menschelijcke, maar voor Godtlijcke ghetuyghenissen ende loutere waarheydt in allen.
Maar want wy van gheen andere schriften


soodanighe sekerheydt en hebben: en moghen wy die niet houden voor Godtlijcke maar voor menschelijcke ghetuyghenissen, 1 1 2. Joan. 10 woorden ende schriften, dats voor twijfelijcke waarheydt: diemen niet sonder bewijs ende prove van de Godtlijcke Schrift en moet ghelooven.

viij. Hooft-stuck.

Datmen niet van noode heeft menschelijcke schriften of woorden, daar men de Godtlijcke Schrift mach lesen of hooren lesen.

Hier uyt volght, dat alle de ghene, dien’t mach ghebeuren de Godtlijcke Schrift self te lesen, of te hooren lesen, wel moghen ontberen de schriften of predicatien van alle Menschen, sy zijn dan soo heyligh of gheleert als sy willen.
Want in de Godtlijcke Schrift en is niet ghebreck altoos, dat ons ter saligheydt om weten van noode is. Soo opentlijck ghetuyght d’Apostel Paulus seggende alsoo: 2 2 2. Timo. 3 16. 17 Alle Schrifture van Gode inneghegheven, is nut om te leeren, om te berispen, om te straffen, om te onderwijsen in de Rechtvaardigheydt, op dat een mensche Godes mach zijn volmaackt: onderwesen tot alle goede wercken.
Die woorden des Apostels begrijpen in sich alle leeringhe, onderwijsinghe ende kennisse, die ons ter saligheydt is van noode. Soo behoeftmen dan gheen ander noch meerder kennisse of leeringhen boven dese sekere kennisse der waarheydt. Waar toe souden dan doch noodigh zijn der menschen leeringhen mondelijck of schriftelijck? Nerghens toe, immers niet ter saligheyt.
Want so de Menschen yet segghen of schrijven t’welck men niet en vindt in den waren Toetsteen der Godtlijcker Schriftuyren: soo moghen wy t’selve haar toe voeghsel soo weynigh veylighlijck betrouwen, als sy sulcx geensins moghen segghen of schrijven: 3 3 Deut. 4. 2. 12. 32. Pro. 30. 6. Apoc. 22. 18. sonder sich te bezondighen ende haar te onderwerpen de vloeken der Godtlijcker Schrifturen.
Maar vindtmen dan oock het ghene de menschen segghen of schrijven, alsoo verklaart in de heylighe Schrifture selve: wat behoeftmen dan der Menschen woorden of schriften; nadien men alle de selve kan vinden in de Godtlijcke Schrift selve, daar uyt sy die ontleent hebben?

ix. Hooft-stuck.

Godt beveelt ons niet menschelijcke, maar sijne Goddelijcke schriften te lesen.

1 Nerghens en leestmen dat Godt bevolen heeft menschelijcke schriften te leesen, maar van sijn Wet staat alsoo gheboden te zijn van Gode. 4 4 Deut. 31. 11
2. Als alle die van Israel t’samen komen sullen, om te verschijnen voor des Heeren uwes Godes aansichte, ter plaatsen die de Heere sal hebben verkooren: so suldy de woorden van dese Wet lesen voor alle die van Israel daar sy’t hooren, ende daar t’volck al t’samen vergadert sal wesen, so wel de Mans als de Vrouwen, kinderen ende vreemdelinghen die binnen uwe poorten zijn, op dat sy’t hoorende moghen leeren, &c.
3. Soo vertelde oock Moyses (niet sijne) 5 5 Exo. 24. 3 maar alle des Heeren woorden ende Vonnissen: ende alle t’volck heeft met eenre stemme gheantwoort: Alle de woorden des Heeren (niet Moyses ofte eenigher Menschen woorden) sullen wy doen.
4. So a las ooc Moyses het Wet-boeck voor den volcke, 6 6 a Exo. 24. 7. Hebre. 9. 19. dat beval Godt oock den Coninghen by haar te hebben, 7 7 b Deut. 17. 18 ende t’selve te b lesen alle de daghen haars levens: ende dat beval Godt c Josue van sijnen monde niet te laten wijcken, 8 8 c Josue. 1. 8. maar dagh ende nacht daar op te dencken.
5. Welck bevelen Godes in’t lesen van sijne Wet ende Gheboden selve, wy lesen, 9 9 a Josue. 8. 34. 35. dat oock hebben ghehoorsaamt a Josue voor al den volcke, b Josias de Koning, 10 10 b 4. Reg. 23. 2. de Propheet c Esdras: 11 11 c 2 Esdr 8. 2. 3. d Baruch de Schriften des Propheten d Jeremie, 12 12 d Jere. 36. 6. 8. 10. uyt den mondt des Heeren geschreven zijnde, 13 13 e Acto. 13. 27. 15. oock die tot e Jerusalem woonden op alle Sabbathen der Propheten stemmen, ende soo beval Paulus sijne Brieven te lesen in de vergaderinghen. 14 14 f. Col. 4. 16. 1. Thes. 5. 27
6. Sonder datme t’eeniger der voorsz. plaatsen eenigh verhaal (swijghe bevel) vindt van de selve schriften te gloseren, uyt te legghen of breeder te verklaren: Soudet nu dan al gheoorloft, ick swijghe noodigh moghen zijn de H. Schrift met toevoeghsel van duijsentreleye menschelijcke glosen te verwerren ende te verduysteren, soomen nu daghelijcx siet ghedaan te worden.

x. Hooft-stuck.

Dat het Wet-boeck beschreven door Moysen in sijnen tyden sonder Glosen verstaan mochte worden, nopende t’ghene ter saligheydt noodigh is om weten.

Dat de Wet bevolen was te lesen voor alle den volcke, is hier naast voor ghebleken. Mocht die uyt sulck bloot lesen van den Text sonder glosen niet verstaan worden; soo waar sulck ghebodt vergeefs gheweest ende spotlijck. Want het lesen of hooren lesen dient alleenlijck om het ghelesen te verstaan. Mocht het volck de ghelesen Wet niet verstaan: wat was dat anders dan te singhen voor den dooven, ende keerssen te ontsteecken voor den blinden? Soo is oock het lesen sonder verstaan, verloren werck ghedaan, soomen recht seyt.
Nu en diende het lesen des Wts niet alleenlijck om de Wet te verstaan, die oock daar toe alleen niet en was ghegheven van Gode, maar om die te a doen ende te volbrenghen, 15 15 a Deut. 4. 1 13, 5. 31, 7. 11 8. 1, 3. 1. rc ende b dat beveelt Godt oock. Dit en was niemant mogelijc sonder die te verstaan. 16 16 b Deut. 4. 6 10. 12. 13, 26. 16. 11. Josue. 1. 7. Wie kan recht gehoorsamē of doen, t’gene hy niet en verstaat. Men kan immers niet gelooven al gantsch Israel soo puyr sot te zijn gheweest, dat sy gheseyt souden hebben eendrachtelijck als met eender stemmen: 17 17 Exo. 24. 3. Alle de woorden die de Heere tot ons ghesproken heeft, sullen wy doen: Waart soo dat Moyses haar de Wet hadde voor gheleesen, niet in Hebreeusche tale die sy verstonden, maar in Griecksche sprake, of een ander die sy niet en verstonden.
Laat den meesten hoope (alst meest valt, al gheweest zijn ongheloovigh, die niet Godes maar haar eyghen wille doen wilden: soo waren daar onder eenighe waare Gheloovighen, dien’t ernst was Godes wille te doen, de selve verstonden ende oock ghehoorsaam waren.
Daar door sy oock alle een Gheestelijcke spijse ghegheten, 18 18 1. Cor. 10. 3. 4 ende alle een Gheestelijcke dranck gedroncken hebben. Want sy droncken van den Gheestelijcken steen die haar volghde,


ende die steen was Christus, Wert de Salighmaker Christus oock ghenoten sonder hem te kennen ende in hem te ghelooven?
Mocht dan doe de Wet Mosi ende t’Oude Testament, 1 1 2. Cor. 3. 6. 7. ect. voor welcx lesinghe het duystere voorhanghsel was; als wesende inde bedieninghe des dootslaanden letters; van den geloovigen sonder uytlegginghen voor’t hooren lesen recht verstaan worden: veel meer mach nu het Nieuwe Testement in de bedieninghe des levendt-makende Gheests door’t lesen, oock sonder alle glosen; van den gheenen dien’t ernst is Godes wille te doen; verstaan worden.

xj. Hooft-stuck

Of men nu, het Nieuwe Testament vooorhanden wesende, oock noodtlijcke glosen of menschen uytlegginghe der H. Schrift behoeft ter saligheyt.

Men is hier ghewoon te segghen, dat Christus self in d’Euanghelien oock sijne Apostelen in hare wercken eñ oock brieven, de heylighe Schrift uytgheleydt hebben: t’welck soo’t niet noodigh of nut en hadde gheweest, by den Heere selve ende sijnen Apostelen een vergeefs werck soude ghedaan zijn gheweest,
Antwoorde: Wat Schriftuyre hebben die uytgheleydt: het Nieuwe Testament? Gheensins, want dat en was doe noch niet beschreven. Wat dan? Het Oude Testament moet ghy segghen. Also, dat heeft dan Christus ende sijne Apostelen self uytgheleydt met het inhoudt des Nieuwen Testaments selve. T’welck was ende noch behoort te wesen een volkomen uytlegginghe van den Ouden Testamente.
Wie sal nu de man zijn die t’oude Testament sekerder ende klaarder sal konnen uytlegghen dan Christus (die self de Waarheyt is) ende sijne Apostolen door sijnen Geest der Waarheyt nu al uytgheleydt hebben?
Wie sal ons oock moghen versekeren, dat; na Christum ende zijnen Apostelen yemant sulc bestaande, de selve den Gheest der waarheydt hebben ghehadt, of nu hebben: als wy al t’samen wel sekerlijck houden dat Christus de Waarheyt is, ende dat d’Apostelen sijnen Geest der Waarheydt ghehadt ende daar uyt alleenlijck ghesproken ende gheschreven hebben.
Na dien dan die uytlegginghe des Ouden Testaments al ghedaan is in den Nieuwen Testamente: na dien sy door de Waarheyt ende zijnen Gheest selve is ghedaan: ende na dien sy daaromme op’t alder volkomenste daar oprechtelijck, wel ende so veel om te verstaan noodigh is, is ghedaan: Wat mensche, wat menschen vernuft, ende wat onbekende sentbode Godes, mach daar na zijn gheweest of sal noch komen, uyt den welcken wy andere, oprechter ende sekerder glosen opten Ouden Testamente hebben verkreghen, ofte noch hebben te verwachten?
Seytmen dan dat in den tijden vanden Nieuwen Testamente self, wert ghesonden Petrus tot Cornelium, Philippus totten besneden Kamerling, ende Ananias tot Paulum selve om haar de Schriftuyre uyt te legghen: t’welck Godt niet en soude ghedaan hebben, soo daar gheen uytlegginghe behoeft en hadde op de H. Schrifture.
Ick sal wederomme segghen dat Godt op verscheyden wijsen den Menschen vordert tot de kennisse sijns Christi, ende door hem tot de kennisse Godes. Wie anders dan Godt selve heeft den gheloovighen Voorvaderen aanghewesen tot Christi kennisse (sonder de welcke niemant gheloovigh noch saligh en is) al voor de beschrijvinghe des Ouden Testaments, ende daar na mitsdesselfs bloote lesinghe sonder glosen, alleen door’t middel van sijne innegeestinghe die haar Christum openbaarde?
Nu hevet Godt ghelieft sulcx den Kamerling, Cornelium ende Paulum te betuyghen door’t middel sijnre ghesondene ende met sijnen Gheest begaefde Apostelen: ende dit al mede ten tijde als het Nieuwe Testament noch gheen Schriftuyre en was, dat is: als het noch niet en was beschreven door den Euanghelisten ende Apostelen.
Lieve segt ons, ist nu in onsen tijden alsoo? Hebben wy nu: behalven het Oude Testamente desselfs uytlegginghe, niet in gheschrifte? Wat is daar meerder in verklaart, dan dat Jesus is de Sone Godes, eñ Christus of Messias, die in den Ouden Testamente was belooft tot een Verlosser ende Salighmaker van den volcke Godes, met sampt van den Heydenen?
Dit was door de voornoemde drye Apostelen den voorseyde drye Mannen bewesen ende verklaart uyt den Ouden Testamente alsoo te wesen met mondelijcken gesprake: Dit hebben sy nu overvloedelijck betuyght inde Schriften van den Nieuwē Testamente. Wiens mondelijck of schriftelijcke glosen zijn ons daar van nu meer van noode?
Nu segge ick, als wy boven het Oude Testament, dat doe; sonder uytleggingen van menschen; den waren gheloovighen genoegh was ter saligheydt; noch hebben het gantsche Nieuwe Testament in gheschrifte, wesende een volkomen uytlegginghe ende verklaringhe van’t Oude?
Ende of daar aan noch wat mochte ghebreken (als neen) wie sal ons met sekerheydt wijsen eenen Petrum, eenen Philippum, of eenen Ananiam: van welcker Gheest wy nu so weynigh moghen twijfelen: als men doe mochte aan den Gheest der voornoemde drye Apostelen? Ende wie sal ons helpen aan sulcke sekere aanwijsers als Christus ende de ware Enghelen Godes zijn, die dat deden?
Men doolt dan met het invoeren van die eñ van dierghelijcke exempelen, in’t niet houden, of niet willen onderscheyden der tijden Alsoo men doe noch niet en hadde de Schrifturen des Nieuwen Testaments; het Oude verklarende; d’welck wy nu door Godes ghenade immers hebben, en die sodanigh is, dat wy gheen beter, klaarder, noch sekerder uytlegginghe en mogen verwachten, sonder Godes soo groote weldaat te verachten.
Immers seydt Paulus naacktelijck, dat de Heydenen die de Wet niet en hebben, natuyrlijck doen des Wets saken: ende dat sulcke de Wet niet hebbende, haar selven een Wet zijn: ende betoonen dat des Wets werck in haar herten is gheschreven, Rom, 2. 14. 15. 27.
Wat werck des Wets is dit anders, dan dat sy een ander souden doen ende deden, dat sy wilden dat de Menschen haar deden? Wat gebrack haar meer? Is daar inne niet begrepen Wet ende Propheten? De Heere self seydt Ja daar toe. Mat. 7. 12. Wie mach hier Neen toe segghen?
Wat Wet anders hebben sy gehadt, daar sy ghetrou in wesende, metter daadt bewesen dat de Wet in haar herte gheschreven was? 2 2 a Gen. 27. 10 a Abimelech, 3 3 b Exo. 10. 7. sommighe b dienaren Pharaons


d’Egipsche c Vroede-vrouwen die den Heere vreesden, 1 1 Exo. 1. 17 Ja oock d Job, 2 2 d Job het ware voorbeelt des ghedults, ooc e Cornelius, 3 3 e Act. 10. 2 die al voor Petri by-komste Gode vreesde ende barmhertigheyts wercken hanteerde, niet veel meer andere Godtvreesende Heydenen voor, neven ende na de Wet in’t leven gheweest zijnde?
Hebben dese dan niet alleen sonder alle uytlegginghen, maar oock sonder de H. Schrift selve moghen verstaan t’gheen haar om weten noodigh was tot saligheyt: met wat schijne machmen nu doch segghen, dat wy hebbende soo wel de voorsz Wet der natuyren als sy hadden: daarenboven t’gantsche Oude Testament, ende behalven al dat noch het Nieuwe Testament, dat het Oude volkomelijck verklaart, ende mitsdien oock selve klaar moeste zijn (men verklaart d’eene duysterheydt niet met d’ander) noch d’onsekere menschelijcke glosen, verklaaringhen ende uytleggingen souden behoeven.

xij. Hooft-stuck.

Dat niet ghelooflijck en is, dat na der Apostelen tijden eenigh mensch heeft konnen den menschen duydelijcker ende beter Godes wille verklaren. dan die van Gode self door sijnen Gheest is verklaart in de heylighe Schriftuyre.

Somen der menschen liefde totter menschen saligheyt, ende der menschen wijsheydt, om den menschen den wegh daarwaarts te onderwijsen niet jonstigher totten menschen, eñ konstigher om haar sinne duydelijck uyt te spreken, niet grooter ende wijser wil maken, dan die Liefde eñ wijsheyt Godes; die self de Liefde eñ Wijsheyt, ja der selver eenighe oorsprong eñ Borne is, men sal moeten segghen dat sulcx in gheens Menschen vermoghen en is, maar dat Godt sulcx op’t alderbeste het doenlijck was heeft ghewilt, vermoghen ende gedaan.
Ick sie hier teghen segghen by eenighe, dat Christus sijnen Jongheren noch veele hadde te segghen, 4 4 Joan. 16. 12. 13. dat sy noch niet en mochten draghen: maar dat haar de Gheest der waarheyt, als hy gekomen soude wesen, alle waarheyt soude leeren. Eñ hier uyt besluyten sy dat de H. Schrift niet en soude inhouden alle waarheyt ter saligheyt om weten noodigh zijnde: Derhalven de uytlegginghen der H. Schrifturen gheen menschelijcke toevoeghselen, maar noodighe verklaringhen der selver souden zijn.
Tegen sulck menschelijck vernuft betuyght ons de Goddelijcke Schrift, 5 5 2. Timio. 3. 16. 17. dat die ghenoeghsaam is om den Mensche tot volmaacte Rechtvaardigheyt te onderwijsen, soo voor breeder is verhaalt. Zijn daar menschelijcke glosen, uytlegginghen of verklaringhen van noode, daar niet en ghebreeckt tot onderwijs des volmaackte Rechtvaardigheyts? Machmen hier menschen glosen boven, ja tegen de klare Text der Godtlijcker Schrifturen self ghelooven?
Aangaande die belofte Christi, ist voorwaar een quaat besluyt, te segghen: Doe sijn Jongheren te swack waren, om met hem te lijden, en konden sy sodanighe waarheyt niet dragen, daar uyt volght dat sy die oock niet en mochten draghen daarna, als sy soo versterckt waren, dat sy haar in’t lijden om Christi namens wille verblijden, Acto. 5. 41.
Oock en machmen niet loochenen, sonder Christum de waarheydt self te loghenstraffen in sijne voorghemelde belofte, den Apostelen self persoonlijck ghedaan: dat hy sulcx opten Pincxterdach ende daar na, niet trouwelijck en heeft gehouden ende metter daat volbracht: dat die beloofde Gheest der waarheydt niet in haar selve by haar leven en quam, ende haar niet alle waarheyt, ter saligheyt noodigh zijnde, en leerde. Maar dat die na haar overlijden quam in anderen, ende die alle waarheydt leerde.
Dit hebben al te vrymoedelijck in dese onse tijden dorven segghen David Jorissen, oock Hendrick Niclaas, stoutelijck voor-ghevende dat sulcx ware geschiet, niet in den Apostelen, maar in hen David Jorissen eñ Hendrick Niclaas. Ende wort oock by d’ander Secten niet seer bedecktelijck metter daat betoont, sulcx haar verstandt te wesen.
Stoutelijck segghe ick, want haar namen niet bekent en zijn in de voorsz belofte Christi, die uytdruckelijck is gheschiet den Apostelen die met hem hadden ghewandelt, om sijn afscheyden bedroeft waren, ende haar self den Trooster, den H. Geest, soude senden eñ in alle waarheydt leyden. Ende daarom niet geseyt en mach worden dat sulcx niet en is volbracht inden Apostelen: sonder te segghen dat Christus niet warachtigh en is gheweest in sijn voorsz. belofte, ende volghens dien dat Christus niet en is de waarheyt.
D’Apostelen selve hebben in haar leven volghens Christi belofte voorsz. selve den H. Geest ontfanghen: die heeft haar oock alle waarheydt (oft schoon niet en was op eenen dach) gheleert: ende door desselfs inne-gheven hebben sy den Menschen stemmelijck ende schriftelijck betuyght t’ghene wy in hare wercken ende brieven lesen van de Godtlijcke wille ende Christo beschreven ende verklaart te wesen.
Yemant brenghe schriften voort van d’oude of nieuwe Schrijvers na der Apostelen tijden, die der Apostel schriften beter ende klaarder hebben konnen beduyden of voor oghen stellen, dan Godt selve door sijnen Gheest der wijsheydt uyt den monden of pennen heeft willen uyt spreeken ende schrijven: ende versoecke of hy sulcx segghende, ghehoor sal krijghen, by yemant anders dan by sinneloose, weetsuchtige, nieus-gierige eñ Godt-verachtende luyden.
Ick vermoede wel neen, immers gheensins by den ghenen die Joannis Calvini schriften niet voor valsch en willen schelden. Want die op Isaie woorden Capit. 8. versu. 20. rondt uyt schrijft alsoo: Hier by bekennen wy, dat alle dat toeghevoeght wert tot Godes woort, te verdoemen ende te verwerpen is. Want Godt heeft ghewilt dat wy hanghen sullen aan sijnen woorde, ende ons daar mede vernoeghen. Ist dan dat wy na anderen hooren, soo doen wy hem groote injurie. Dat schrijft Calvinus.
De Glosen dan, diemen schrijft of predickt, zijn selve oock Godes woort eñ loutere schrift, of sy zijn’t niet. Het eerst waar Schrifture met klaarder Schrifture te verklaren, ende daaromme gheen toevoeginghe uyt s’Menschen vernuft, ende daarom oock gheoorloft. Maar t’laatste waar toevoeginghe, ende daaromme ongheoorloft, ja verdoemelijck ende verwerpelijck na Calvini naackte woorden selve?
Ten tweden toonen de Lesers ende Hoorders van den gheschreven of gepredickte Glosen met haar sien op sulcx, dat sy aan Godes woorde niet en hanghen, ende daar mede niet en vernoeghen, ende doen daar mede teghen Godes wille na Calvijns segghen self. Immers sy hooren na anderen, te weten na Menschen ende


niet na Gode alleen in sijne woorde, als of daar ghebreck aan ware, dat menschen souden vervullen of verbeteren: doen sy Gode (soo Calvijn oock recht seydt) daar aan met grove injurie of smaatheyt?
Daar na schrijft Calvijn noch alsoo: 1 1 Comment. Isa. 48. 17. Ist dit (te weten dat Godt sijn volck nutbaarlijck leert) dan gheseyt van de VVet: VVat sullen wy seggen van’t Euangelio, daar inne ons alle dat nut is op’t alder volste wort verklaart? Hier blijckt nu hoe vervloeckelijck daar zy der Papisten lasteringhe, die daar seggen dat het lesen der H. Schrift periculoos ende schadelijck is, om d’eenvuldighen van desselfs lesinge af te schricken. Merckt Leser, Ist lesen der H. Schrift oock den eenvuldighen niet periculoos: Waar toe behoeftmen dan sijne ende andere Schrijvers of Predicanten glosen of uytlegginghen?

xiij. Hooft-stuck.

Of de heylighe Schrift duyster is;

Nochtans schrijft Petrus opentlijck, 2 2 2. Petri. 3. 16 dat in Pauli brieven sommige dinghen swaarlijck zijn om te verstaan. Also. Maar seyt Petrus datse onmoghelijck zijn om te verstaan. Swaarlijck ist een rijck mensche te komen in’t Rijck der Hemelen: seyt de Heere. Maar is dat onmoghelijck? Voorwaar neen, want wat by den Menschen onmogelijck is, dat is licht by Gode.
Maar segt doch, seydt Petrus daar dat al Pauli brieven, ja al de H. Schrift swaarlijck zijn om te verstaan? Neen hy, maar seyt alleen van sommighe dinghen in Pauli brieven. Zijn dan maar sommighe dinghen daar inne swaar om verstaan: soo volght nootlijck dat alle d’ander dinghen Pauli brieven, niet swaar, maar licht zijn om verstaan. Weest ghetrou in’t leeren doen van t’selve dat ghy daar inne hebt moghen ende leeren verstaan: u en sal gheen verstant van de andere dinghen; u om verstaan noodigh zijnde, onthouden worden. Want die Godes ghebodt doet, die gaat voort opten weg, die Christus is, ende die voort is gegaan, siet verder dan hy te vooren sach, want hy is nu verder opten wegh ende naarder in’t licht dat Christus self is, soo kent hy oock de waarheydt die Christus mede self is, beter dan te voren.
Maar van wat dinghen Petrus daar spreect die in Paulo duyster zijn, sietmen licht uyten dingen daar Petrus op dese plaatse af spreect. Van welcke? Van den laatsten toekomste ons Heeren. Hier af handelt oock Paulus in sommighe sijne brieven, maar dat soo duysterlijck. T’is waar: datmen qualijck daar uyt kan verstaan wanneer die dach sal wesen.
Merckt noch eens leser. Al seydt Petrus dat sommighe dinghen in Pauli brieven duyster zijn: daar uyt machmen niet sluyten datse te duyster zijn, of datmen die niet mach verstaan sonder menschelijcke uytlegginghen, Ja dat al de H. Schrift te duyster is omme te verstaan: waar dat, waar toe waar sy ons nut? of wat sekerheydt moghen wy nu hebben wie de ghene is, die ons uyt Godes Gheest (niet uyt sijn menschelijck vernuft) beter wil ende mach verklaren, dan Christus, d’Euangelisten ende d’Apostelen hebben ghedaan?
Wel aan, laatter yet duysters inne zijn van t’ghene ons om weten onnoodigh is: soude daarom het noodighe om weten mede duyster moeten zijn? Onnoodigh is ons om weten den tijdt, wanneer de Heere sal komen ten Oordeele: daarom en ist ons niet onnoodigh, maar hooch noodigh om weten, dat hy eens komen sal om levenden ende dooden te oordeelen, den quaatwilligen tot een af-schrick ende den goetwillighen tot een troost. Dit is ons nut ende noodigh om weten, daarom openbaart dat de H. Schrift. Maar dat waar ons schadelijck, dats meer dan onnoodigh om weten, daarom verberght ons Gods Gheest dat in de heylighe Schrift. 3 3 Matth. 24. 42. Matth. 26. 41. Marc. 13. 35 Luc. 12. 37. Acto. 1. 6. 7.
Immers des tijdts duysterheydt voorsz. is ons hoochnoodigh om niet roeckeloos te zijn, maar altijt te waken ende te bidden, waar toe wy soo dick vermaant worden by den Heere. Die heeft sijn Jongeren selve den tijt niet willen openbaren, maar ghewilt dat de ure voor ons soude verborghen zijn ende onseker.
Want dese onsekerheyt dient ons sonderlingen om ons seker te maken, mits het toerusten onser Lampen met Olie: op dat wy t’lijnder onvoorsienigher toekomsten niet en souden onbereydt ghevonden worden, om metten vroeden Maaghden inne te gaan, 4 4 Matth. 25. 10. ende niet metten dwasegghen eeuwelijck buyten ghesloten te worden.

xiiij. Hooft-stuck.

Dat de H. Schrift niet duyster is, maar klaar, bewijs uyt de H. Schrift selve.

1. Sanct Paulus schrijft also. 5 5 1. Cor. 14. 8. VVant ist dat de Trompet een onseker gheluydt gheeft: wie sal hem ten strijde bereyden? 6 6 1. Cor. 14. 9. Alsoo oock, ten zy dat ghy door de tonghe een bescheydelijcke sprake geeft: hoe salmen verstaan t’gene dattergheseydt wort? VVant ghy sult zijn als in de Lucht sprekende.
2. Daar verhaalt d’Apostel van de verscheydenheyt der talen inder werelt, welcker geen zijn sonder stemme, die niet verstaan zijnde, d’een d’ander niet en verstaat. Soude een Jode Hebreeusch tot een ongheleerde Nederlander sprekende, oock in sijn meeninghe van den selven verstaan moghen worden. Sijnder woorden stemme soude hy mogen hooren, maar der selver sinne gheensins verstaan. Het soude hem (so men seyt) Hebreeusch wesen ende vergheefs ghesproken.
3. Desen onderscheyt tusschen stemme ende woort, vindt men oock merckelijck tusschen Sanct Jan Baptist ende tusschen Christum. De a tuyghe van sich selve sprekende, 7 7 a Joan. 1. 7. 8. noemt sich selven maar een roepende b stemme, 8 8 b Joan. 1. 33 maar Jesum dien hy betuyght, noemt hy het c woort selve. 9 9 c Joan. 1. 1. 2. 14. De stemme mach een slapende wecken, maar sy en gheeft sonder het woort gheen kennisse noch der dinghen onderscheyt. Maar het woort gheeft der dinghen kennisse, verstandt ende waarheyt.
4. De Psalmist seydt uytdruckelijck dat des Heeren ghebodt klaar is, 10 10 Psal. 18. 9. ende d’ooghen verlichtende. Dit is t’geen dat ons aan gaat ende noodigh om weten inde H. Schrift. Soude dat duyster zijn ende d’oogen benevelende? Dit segghen nu veele om haar blinde Glosen mondelijck of schriftelijck te verkoopen. Is haar segghen waar, soo lieght de H. Schrift: maar seydt die waarheydt, soo is haar segghen onwaarheyt.
5. De H. Schrift tuyght ter voorsz. plaatsen 11 11 Psal. 18. 8. dat des Heeren Wet onbesinit is, de zielen bekeerende: kan dat de duysterheydt doen? Dat des Heeren tuyghenis ghetrou is, wijsheydt


gevende den kleynen kinderen. Dat en vermach de Duysternis niet. Soude daar het Licht der wijsheyt uyt komen? Is de Schrift dan selve oock duyster, die den kenners van haar eyghen duysterheydt ende kintsch onverstandt, het licht der verstandenissen toont ende openbaart?
6. D’Apostelen waren by Christum ghenaamt des werelts Licht. 1 1 Mat, 5. 14. Twee van dese hebben Euangelien ende d’andere Brieven geschreven. 2 2 2. Cor. 1. 7. Nu en hevet Licht gheen ghemeenschap met de Duysternissen; oock mach een goede Boom so weynigh quade vruchten draghen als Duysternisse van den Lichte soude mogen komen. Haar schriften en mogen dan oock niet duyster, maar moeten nootsakelijck klaar zijn.
7. Godt heeft oock tot sijnder tijt sijn woort verklaart, 3 3 Tit. 1. 3. schrijft d’Apostel. Ten mach immers niet duyster zijn dat van Gode, die selve het Licht is, wort verklaart. Immers Lucas heeft sijn Euangelie gheschreven, op dat Theophilus, de waarheyt der woorden, daar inne hy was onderwesen, verstaan soude. Soude sulcke verklaringhe dan self duyster zijn? Machmen met d’oude, d’ander nieuwe duysterheyt verklaren.
8. De Godtlijcke Schriften zijn der Gherechtigen voet-paden. 4 4 Pro. 4. 18. Dese zijn als een glantsende Licht. Wat duysterheydt mach daar inne wesen. Christus self is het Licht ende oock den Wegh, 5 5 Joan. 14. 6. die daar op stadelijck wandelt, van d’eene klaarheyt in d’ander komt, en mach voorwaar op desen wegh niet duyster vinden, noch alsoo in den Dagh wandelende; dewijle hy het Licht heeft; sich niet stooten.
9. Van dit Licht des werelts tuyght de klare Schrifture soo klaarlijck den goetwilligen, dat sy is een Lanteerne sijnre voeten, 6 6 Psal. 119. 105. ende een Licht zijnre voet-paden, dat is sijns doens ende latens, handels ende wandels. Daar en mach immers gheen duysterheydt van self inne wesen.
10. Men leest Moysi van Gode bevolen te zijn gheweest: 7 7 Deut. 27. 8. Eñ ghy sult schrijven op de steenen, alle de woorden deser VVet plat ende klaarlijck. Waren Moysis schriften duyster om den sinne te verstaan: wat baten dan de klare woorden? Waren de woorden klaar, hoe moght der selver sinne duyster zijn? Wilde Godt sulcx in de Wet Moysis, die maar een duystere schaduwe der dinghen en hadde: soude hy bewimpelt ende duysterlijck door sijnen Apostelen ende Euangelisten hebben doen schrijven het Nieuwe Testament, niet dan een verklaringhe van t’Oude ende ontdeckinghe vander dinghen Waarheydt selve wesende? Dats qualijck om ghelooven. Want dat waar gheen verklaren, maar duyster laten blijven ende verloren werck Dat machmen de Wijsheyt Godes niet opdichten.
11. Mocht oock niemant der Gheloovighen ende wilvaardighen in Moysis tijden door bidden ende opmercken des Wets meyninghe verstaan soo veele hen ter saligheydt nodigh was: wie sal niet segghen, dat de Wet vergheefs was gheschreven? Dat d’alwijse Godt een vergheefs werck dede? Dat hy d’overtreders des Wets t’onrecht ende tyrannighlijck strafte?
12. Tot wat eynde was de Wet voor’t eerst gheschreven? Was’t niet om te lesen of hooren lesen? Men moet immers segghen ja. Van sulcx lesen of hooren, was het eynde om verstaen te worden. Het verstaan was oock om daar na te doen of te laten het gheboden of verboden.Als des Wets sinne dan niet verstaan en mochte worden van Hoorder noch Leser: hoe mochten die, de selve overtredende, rechtelijck ghestraft worden.
13. Men neme dat de Keyser in Duytschlandt een Wet op lijf-straf dede verkondighen; niet in Hooghduytscher, maar in Slavonier of Hebreuscher spraken, ende eenighe overtreders der selver Wet; gheen Slavonische, noch Hebreusche sprake verstaande; metter doot dede straffen: Soude oock yemant met eenighe schijn van redene (swijghe met redene) sulcken Keyser van openbare ongherechtigheyt, moordelijcke bloetgierigheydt ende grouwelijcke tyrannije moghen ontschuldighen?
14. Wilmen dan soo felle saken den barmhertighen Gode niet lasterlijck op-dichten: men sal moeten bekennen (volghens de voorsz. ende ontallijcke meer andere spraken der H. Schrfturen) dat alle rechtgheloovighe ende wilvaardighe om Godes gheboden in Moysis Wet te volbrenghen, gheen kennisse ghebreck en hebben gehadt om die Wet sekerlijck te verstaan, voor soo veel haar om weten nodigh was: Hoe veele meer de Wet Christi, die een klare uytlegginghe is van Moyse ende de Propheten, ende in plaatse van die Lantaarne een klare Sonneschijn is, tot naackte verthooninghe van t’ghene Godt van ons wil ghedaan hebben? Die Leser ghedencke hier, of sulcx oock niet klaarlijck gheschreven te zijn by Calvinum, aanghewesen is hier voor in de laaste scheydinghe des xij. Hooft-stucx.

xv. Hooft-stuck.

Dat de H. Schrift niet duyster doch ghebrekelijck, maar klaar ende ghenoechsaam in alle dat ons ter saligheyt noodigh is, bewijs uyten voornaamsten Schrijvers der Ghereformeerden.

VVat ick meer uyter H. Schrift tot bewijs van t’ghene voorsz. is, ende nu noch in dit opschrift is vermeldt, soude moghen voortbrenghen, heeftmen moghen sien in mijn schrift, ghenaamt Kerck-gangh, wesende een breeder verklaren van mijnen Sendtbrief, buyten mijn weten ende wille in Druck uytghekomen, ende nu al twee of dryemaal vergheefs aanghevochten zijnde.
Oock soude ick sulckx noch breeder betoont hebben uyter H. Schriftuyren, soo icks noch elwaart niet overvloedigh en hadde ghedaan, dat; ist noodigh; ghesien sal werden: ende soo der ghener Hooft-leeraren, die nu hier teghen zijn, sulck selve al voor mijnē tijden niet krachtelijck en hadden wederghesproken teghen de Roomsche Kercke.
Daaromme ick hier om lanckheydts vermijdinghe wil ophouden meer schrifts tot tuyghenisse in te voeren, maar het schrijven van de selve hare gheleertste Schribenten. Also sy die selve; sonder haar leere verwart ende onwaar te doen blijcken, niet en moghen wederspreken: Die dit mijn voorstel nu op’t hevighste wederspreken, om t’welck onwaar te doen blijcken, ick sulck haar wederspreken hier nu met haar eyghen woorden wederspreke.
Calvinus schrijft: 8 8 By Marlo. Luc. 16. 29. Soo ghy my yet anders voortbrengt dan gheleert wort in de VVet ende Progheten, soo zijdy my verdacht, ende ick oordeele u te zijn een Enghel Satans. VVant dat Gods woort by Abram was gedistribueert in VVet ende Propheten, streckt sich op’t Oude Testament:


maar na dien nu daar by is ghekomen de volder verklaringhe des Euangheliums: soo is onse godtloosigheydt noch minder te verdragen, indien wy noch door een walginge dier leeringe herwaarts ende derwaarts werden gherucket, ende (metten korsten) soo wy ons niet en laten regeren van den woorde Godes.
VVaarom (sal dan yemandt segghen) hooren wy dan Lucam, Petrum, of Paulum, alsmen op Moyses ende der Propheten schriften sal staan? D’antwoorde valt licht, te weten, dat wy van Luca, Petro ende Paulo niet anders en hooren, dan t’gheen dat de Propheten hadden gheleert VVant wat is het Euangelium doch anders, dan een volder leeringhe, die van de Propheten al was gheleert?
Is hy dan voor een Enghel Satans te houden, die wat voortbrengt buyten de leeringhe van de Wet eñ Propheten: ist een onverschoonlijcke godtloosigheydt nu noch na de bykomste des volder verklaringhs van den Euangelio, sich niet daar van te laten regheren, maar daar van walghende sich daar af herwaarts ende derwaarts te laten verrucken, (te weeten tot menschelijcke glosen: wie schrijft ofte predickt uytleggingen alleen met loutere Schrift, sonder sijn goedt duncken daar by te doen?)
Wie mach nu na dit voorsz. seggen Calvini: de ghene, die met de volder verklaringhe des Euangeliums van’t Oude Testament die daar noch by is ghekomen, daar van walghende of niet mede vernoeghende, noch loopt herwaarts eñ derwaarts totter Menschen glosen in Boecken of Predicatien, die men weet niet geschrevē te zijn in de Godtlijcke Schrift, doch eenighsins verschoonen van walginghe van Godes woort, van Satans Enghelen te hooren ende van godtloosigheyt?
Hy doet immers den hemelschē Vader groote laster aan, die niet vernoeghende met sijnen Godtlijcken woorde ende Hemels brode, in de H. Schrift betuyght, sich daar af keert tot menschelijcke glosen ende draf: recht of de menschen ons liever hadden ende wijser waren dan Godt, ende mitsdien ons uyt haar vernuft Godes wille naackter wilden eñ beter konden verklaaren, dan Godt selve heeft ghedaan door sijnen Goddelijcke Gheest in de Godtlijcke Schrift. Sonderlinghe na dien daar niet inne en ghebreeckt, dat ons ter saligheydt noodigh is.
Dat sulcx is, betuyghen selve naacktelijck, de ghene welcker Jongheren de mensch nu bestaan vroedt te maken, dat de H. Schrift soo duyster is of ghebreckelijck, datmen die alleen door’t lesen of hooren lesen, niet en magh ghenoeghsaam ter saligheydt verstaan, sonder hare glosen of schriftelijck of mondelijck daar op te lesen of te hooren.
Dat ende hoe Calvinus schrijft teghen sulcke sijne Jongheren is hier nu ghesien, sal noch meer ghesien worden; siet nu wat Bullingher teghen sulcke navolghers der Roomsche Catholijcken in desen, schrijft in sijne tweede Decade ff. 7. te weten alsoo:
VVy hebben nu geseyt het woort Godes te dien eynde gheopenbaart te wesen: om ons ten vollen te onderwijsen in de weghen Godes ende onses saligheydts. Nu sal ick u L. in’t kort betoonen dat in’t woort Godes; ons ghelevert door de Propheten eñ Apostelen? overvloedigh is begrepen de gantsche middel ter Godtsaaligheyt, ende alles soo watter noodigh is, om recht ende salighlijck te leven.
VVant het is van noode dat die leeringe vol zy, ende volmaeckt in alre wijsen, den welcken niet altoos toeghedaan of afghenomen mach worden. Soodanigh dan is de leeringhe die door den woorde Godes ons ghelevert is, soo daar af ghetuyghen Moyses Deutro. 4. ende 12. oock mede Salomon in de Proverbijs 30 VVie sal dan niet belijden dat alle ware Godtlijckheydt ons voor ghestelt is in de H. Schrifture?
Boven dien en sal niemant ontkennen een volmaackte leeringe te wesen: waar door de mensche ten vollen volmaackt werdt: soo dat hy hier inder tijdt voor rechtvaardigh wert ghehouden: ende in’ toekomende eeuwelijck wert aanghenomen in de ghemeynschappe Godes.
Nu werdt hy rechtvaardigh ghenaamt ende een erfghenaem des eeuwighen levens: die den woorde Godes, dat de werelt door den Propheten ende Apostelen is verkondight of ghelevert, ghelooft ende daar na leeft. Die leeringhe is dan een volmaackte leeringhe: t’welck Paulus volder ende breeder verklarende, seyt. 1 1 2. Timot. 3. 16. Alle Schrifture; van Gode inne ghegheven; is nut om te leeren, om te berispen, om te straffen, om te onderwijsen in de rechtvaardigheydt: op dat een mensche Godes mach volmaackt zijn; tot alle goede wercken onderwesen.
Daar hebdy broeders, een overvloedighe tuyghenisse vande volheydt des woorts Godes: daar hebdy een leeringe die volmaackt is in allen deelen: ende daar hebdy d’alder volmaackste vrucht des woorts Godes, namentlijck dat uyt dese leeringhe de mensche Godes, of de Godtsvruchtige Eerder ende ware Dienaar Godes, volkomen zy, niet alleen tot sommighe goede wercken, maar bequaam tot alle goedt werck. VVat begeerdy nu meer? Dat zijn Bullingers woorden.
Of nu yemant soo gantsch bot ware, dat hy die woorden Pauli wilde duyden ghesproken te zijn, niet van’t Nieuwe, maar van’t Oude Testament: die sal Bullingher daar inne wederspreken, want die beantwoort daar sulcken teghenworp, ende bewijst die ydel te wesen.
Maar ick sal hem sulcx noch al gaarne toe gheven, ende segghen alsoo: Het Nieuwe Testament is ten minsten so klaar alst Oude om verstaan te worden, of klaarder. Segdy t’eerst, na dien ghy moet belijden datmen het Oude soo mach verstaan als Bullingher seyt, ende dat het sulcx werckt als Paulus seydt: soo moet ghy t’selve oock bekennen van’t Nieuwe Testament, dat soo klaar is alst Oude. Maar is het Nieuwe Testament dan oock veel klaarder dan t’Oude, soo ghy Ghereformeerden dat houdt: Hoe mooghdy loochenen dat het Nieuwe klaarder, niet ten minsten soo veele soude vermoghen als t’Oude minder klaar heeft vermoghen?
Wie meer van sulcx te sien begheert, die lese Rodulphum Gualterum Homilia j. in Act. Apostolorum. Musculum Dusanum in Gen. explanatio. Cap. 1, versus 4. Item in exposit. Ecclesi. Augustini Marlorati Calvini Dicta. Luc. 16. 29. Iohan. 3. 14. 2. Petr. 3. 16 1. 19. Luc. 24. 27. 2. Cor. 3. 18. Act, 20. 17. Act. 5. 20. 18. 28. Daar Calvinus schrijft alsoo:
Daar en boven is dese plaatse een tuyghe, dat de Schrifture niet alleen tot onderwijsen, maar oock mede om te breken de hartneckigheydt der geener die niet willigh en volgen. 2. Timo. 3. 16 So en soude ons gheloove niet vast genoegh zijn: soo daar niet klaarlijck en bleeck der dinghen bewijs, die ter saligheydt noodigh zijn.
Voorwaar nadien de VVet ende Propheren soo veele lichts hadden, dat Apollo daar uyt soo klaarlijck bewees Iesum te wesen Christum, als of hy sulcx metten vingher aanwees: soo behoort oock


ten minsten des Euangeliums by komste soo veele te doen, dat de volle kennisse Christi ghesocht werde uyt de gantsche Schriftuyre.
Daaromme is der Papisten smaatheydt, die sy Gode aan doen, vervloeckelijck: dat sy de Schriftuyre duyster ende twijfelachtigh te zijn verzieren. VVant waar toe soude Godt gesproken hebben, soo haar de waarheydt niet klaar ende onverwinnelijck en hadde vertoont in sijnen woorde? 1 1 Marl, Luc. 26. 30. Item noch seyt hy, dat Godt in sijnen woorde heeft behelst, al wat ons om kennen nut was. Siet meer Institu. Calvini viiij. 143. 151. &c. Men lese oock by den selven Marlorat, uyt Bullinger ghestelt, 2. Cor. 11. 4. daar hy seyt: Dese plaatse strijdt teghen de Pauschen: die daar by willen segghen dat ons van den Apostelen niet al en is over gelevert, dat ons noodigh is ter saligheydt: op dat de Menschen sulcx vroedt ghemaackt ende bestrickt zijnde met dese Godtloosigheyt, des te lichter souden mogen bedrogen worden van haar, die haar selve proncken ende groot maken metten schijn vander Apostelen overleveringe, VVee die bose bedriegers.
Daar is een Euangelium, een Heere; Christus; een Geest; der Gheloovigen arrapenning. Ende Christi Apostelen hebben met vollen ende alder beste ghetrouheyt uytgheleydt niet alleen met woorden, maar oock met schriften, als d’alder overvloedighste ghetuyghen, alle des Religions ende des wandels handelinghe.
Dats nu heel anders, dan hare jongheren doen, by Calvijn, Bullinger, &c. ghekalt, te weten dat de heylige Schrift niet duyster, maar klaar is in den dinghen, ons om verstaan ter saligheyt noodigh zijnde.
Maar ghenomen of yemandt noch al mochte duysterheydt wanen in eenighe sake, hem om verstaan noodigh zijnde, ende ghy hem die wilde verklaren: Hoe sal dat zijn, soo dat hy u duydinghe sal moghen of moeten aannemen?
Segdy t’eerst, hoe sal hy konnen oordeelen of u uytlegginge recht is, na dien hy de plaatse niet en verstaat? Of hoe suldy hem konnen versekeren, dat ghy, als d’Apostel hadden, den H. Gheest hebt? Lieve hoe sal hy dan van uwe Glose seker moghen wesen, ende sich op verlaten?
Soo hy dan oock uwe duydinghe sal moeten aannemen voor waarheydt: sal hy sulcx doende, 2 2 Rom. 14. 23. maar niet uyten gheloove, sich niet moeten bezondighen? Maackt ghy u selve dan oock niet heeren over eens anders gheloove? Dat en wilde Paulus niet doen, betamet u dan? 3 3 2. Cor. 1. 24.
Ist niet hooghelijck te verwonderen, dat dese jongheren Calvini, Bullingeri, Petri Martyris ende anderen meer nu soo heftigh arbeyden te bevestighen dese meyninghe van de Catholijcke; nopende dat de H. Schrift duyster, ende sonder uytlegginghen der Menschen niet ghenoeghsaam soude zijn ter saligheydt, teghen de welcke hare heylighe Vaderen voorsz (so noemen sy die selve) so heftigh hebben gheschreven ende ghestreden? 4 4 Comment. Isa. 5. 13
Men lese noch Calvijn seggende De VVet mochte zijn ghenoeghsaam om haar (t’volck) overvloedelijck te onderwijsen. VVant sy was het ware Licht. dat den VVegh aanwees: maar het volck en wilde die niet ter herten nemen. ende verwierp d’aangheboden ghenade. De schulde moet haar dan geweten worden, van dat sy Gode die haar trouwelijck wilde leeren. haar ooren niet en wilden verleenen. 5 5 Comment. Isa. 45. 19.
Item oock op die woorden: Ick en heb in’t verborghen niet ghesprocken: schrijft Calvijn: Nu roept hy t’volck tot de leere des VVoordts: want metten sinnen en mach Godt niet beghrepen worden. Maar alsoo hy voor des vleeschs sinnen verborghen is: soo openbaart hy sich ghenoeghsaam in’t VVoordt, ende komt ons daar in te hulpe. Dat ons dan ghebrack, vervult hy met sijnen woorde. VVat moghen wy meer begeeren?
Ende noch een weynigh daar na:
Hier uyt blijckt nu hoe Goddeloos dat de stemmen zijn der gheenre die daar segghen, datmen niet sekers en mach trecken uyt het VVoordt, ende dichten dat eenen wassen neuse te zijn, om van des selfs lesinghe anderen af te schricken.
Soo blasphemeren die boose menschen, om dat sy haar dolinghen bemercken alleen door des VVoorts leere ontdeckt ende verwonnen te worden. Maar wy antwoorden met David: u VVoort Heere is een Lantaarne voor mijne voeten, ende een Licht op onse paden: VVy antwoorden met Isaia ende d’ander Propheten, datter niet duysters, niet twijfelijcx, niet bedrieghelijcx van den Heere is ghelevert, &c.
Volght daar noch: Na dien dit nu is gheseyt van de VVet ende Propheten: wat sullen wy segghen van den Euangelio, daardoor ons het alder klaarste Licht is gheopenbaart? Sullen wy niet met Paulo seggen: Soo het Euangelie duyster is, soo ist duyster voor den ghenen die verderven. den welcken Satan; de Vorst deser werelt; heeft verblindt.
Ende Pettrus Martyr in sijn Locis Communibus schrijft hier af: 6 6 Clas. 3 lib, 9. ff. 12. Dat den H. Gheest oneere soude gheschieden, soomen vermoede dat hy ons schriften soude hebben ghegheven in de welcke niet en waar volkomentlijck, al wat tot onser saligheydt behoeft. Men lese hem oock Clas. 4. loco. 4. ff. 15.
Die selve Petrus Martyr was selff mede in’t Jaar 1561. tot Poyssi in de groote vergaderinghe daar Theodore de Besa in sijne lange redene voor den Coning hier af stelde dusdanighen besluyt: Wy ontfanghen of nemen aan de H. Schrifture voor een geheele verklaringhe van alle t’ghene datt’onser saligheydt van noode is. Lieve segt doch, ghebreeckt daar yet aan? Menschelijcke glosen? vernuftighe verklaringhen? of twijfelijcken ja verwerrende uytlegginghen.
Ende noch: Maar zijn dese duysterheyden der Schriftuyren so groot, dat sy haar selven ons niet en moghen verklaren: hoe komet dat Iesus Christus ons niet erghens anders en sendt, als hy seyt, Ondersoeckt de Schriftuyre? Ende een weynigh daar na: Behalven dat: Hoe soudent ghemaackt hebben de ghene die gheen andere schriften en hadden dan der Apostelen schriften, voor datter eenighe Glosen van den Ouden waren gheschreven?
Ten voorsz. eynde haalt Besa ter voorsz. plaatsen oock voort de woorden Basilij, 7 7 In’t. 9. tal van sijn Moral. cap. 22. houdende aldus: Na dien het alles zonde is, dat niet en gheschiet uyten gheloove, soo d’Apostel seydt: Ende het gheloof komt uyten gehoor, ende t’gehoor is door’t woort Godes: soo is zond alle t’gheen daar is buyten de Schrift, die Goddelijcken is inne ghegheven.
Ende om eens te enden, seydt noch Joannes Calvinus alsoo: 8 8 Instit. iij. 21. ff. 2. Ist dat dit ghedachte plaatse by ons heeft, dat het VVoort Godes is eenighe VVegh, waar door wy moghen gheleydt worden, om te ondersoecken al wat ons gheoorloft is van hem te weten: ende dat het dat eenighe Licht is, waardoor wy moghen ghelicht worden om te doorsien al wat wy moeten van hem sien: soo sal


dit ons wel lichtelijck van alle lichtvaardighe stoutheyt wederhoudē eñ verhinderē. VVant wy sullen weten, dat, soo haast als wy buyten de palen des VVoorts getreden zijn, onsen loop buyten de wegh ende in duysternisse is, waar wy moeten dickmaals dwalen, vallen ende stooten. Dat zijn Calvijns eyghen woorden al t’samen.
Soo ick nu yemant vraghe of de Glosen van Calvijn, van Bullinger, van Beza, of van eenigh ander mensch selve mede Godes woort zijn, wat salmen my anders moeten antwoorden, dan neen. Sy moeten dan mede bekennen dat die sulcke menschen Glosen of schriften lesen, buyten de palen des Woorts zijn ghetreden: dat haar loop buyten de wegh ende in duysternisse is: ende dat sy daar dickwils moeten dwalen, vallen ende stooten. Blijckt dit nu niet naackt uyt Calvijns eyghen klare woorden selve? Die dan wil dolen, verlate de waarheyt ende volghe waan: verlaat de Wegh ende trede den onwegh, verlate het Licht, ende zwerve in’t doncker, ende verlaat de Godlijcke Schrift, ende lese der menschen Glosen.
Siet so blijckt noch al tot de voorsz. ende ontallijcke plaatsen meer, dat de voornaamste Hoofden, Leeraren ende Schrijvers der Ghereformeerde doorgaans niet min klaarlijck dan waarlijck ghetuyghen, dat de H. Schriftuyre niet gebrekigh of duyster, maar ten vollen so genoeghsaam ende klaar is, in allen saken ons ter saligheyt noodigh zijnde: dat wy gheen menschen uytleggingē noch Glosen mondelijck noch schriftelijck van noode en hebben,(t’welck nu haar jonghers opentlijck metten Catholijcken wederspreken.) Ende dat het lesen of hooren lesen van de loutere Schrift selve, nu niet min dan in Moysi tijden, sonder alle beduydinghen; dan uyt haar selve; ghenoech is (soo d’Apostel schrijft) om te leeren, 1 1 2. Tim. 3. 16 17. om te berispen, om te straffen, ende te onderwijsen in die Rechtvaardigheydt, op dat de mensche Godes mach volmaackt zijn tot alle goede wercken onderwesen.

xvj. Hooft stuck

VVaaromme de heylighe Schrift op sommighe plaatsen duyster schijnt, ende wien.

1. Dat de milde Godt sijne goede gaven (onder welcke de waarheydts kennis de minste niet en is) ons van self om niet aanbiedet, ende self begheerlijcker is, om ons die te gheven: dan wy zijn om die te ontfanghen, tuyght de gantsche heylighe Schrift.
2. Maar die tuyght mede doorgaans, dat hy die niemant en gheeft; dan die daar na begheerigh zijn, hongerigh zijn eñ dorstigh zijn: ende mitsdien daar na soecken, daarom bidden ende vorlherdigh daarom aankloppen. Want soodanighen hebben beloften van vinden, verkrijghen ende op ghedaan te worden.
3. So nu de Paarlen ende Roosen des suyveren ende schoone waarheyts soo heel naackt in de H. Schrift ghestroyt laghen oock voor zeughen ende honden: wie soude Gode met bidden aansoecken om kennisse der waarheydt te hebben, die in de H. Schrift oock voor den Godtloosen open stonde, gereedt om vinden ende om verkrijghen? Soude niet elck met verachtinghe Godes eenen Afgodt maken van de heylighe Schrift, als daar hy des waarheyts kennisse, na wil mochte verkrijghen, sonder Gode om te bidden?
4. Is lesen sonder verstaan niet verloren werck ghedaan? Sonder te verstaan moeten wy noodtlijck ons werck qualijck doen. Leert Godt ons dan sijn wil soo duysterlijck inde H. Schrift, dat wy die niet en moghen verstaan: hoe sal waar moghen zijn t’geen Godt self seydt door Isaiam? Ick ben dijn Heere Godt, leerende dy nuttelijcken. Isa. 48. 17.
5. Watmen niet en mach verstaan, dat en baat ons niet: ende watmen lichtelijck verstaat, en achten wy niet. 2 2 Aug. de Doctr. Christ. lib. 2. cap. 6. Waar de H. Schrift nerghens klaar waar toe soude sy ons nut zijn? Scheen de Schrift oock nergens duyster voor eenighe, hoe souden sy Gode konnen dancken? Want sy souden bidden noch soecken om t’gunt sy nu al hebben, ende sonder haar voorgaande ghebreck gheproeft te hebben, niet mogen weten wat weldaat haar waar gheschiet.
6. Ende dat ist oock dat het ware verstandt der H. Schriftuyren verborgen blijft voor den Wijsen deser werelt, 3 3 Mat. 11. 25. 1. Cor. 8. 2. Luc. 1. 53. dats voor den waan-wijsen, die daar wanen te weten eer sy weten wat weten is, ende die rijck en sadt van sulcke hare waan-wetenschappe zijnde, hongerigh ende ydel blijven van de kennisse der waarheyt.
Wel is waar, dat de lief-hebbende Godt door ende door in de gantsche Schriftuyre den Menschen noodet, aanlockt ende radet tot kennisse ende wijsheyt: eñ in’t algemeyn oock aanbiedet sonder onderscheydt allen Menschen in Jesu Christo sijnen Soon, 4 4 Joan 8. 12. Joan. 1. 9. Joan. 12. 46 die daar is het ware Licht des werelts, ende daar inne is ghekomen om allen Menschen te verlichten, te weten die in hem ghelooven.
Oock en mach in dese a Sonne der verstandenissen in dit woordt der waacheydt, 5 5 a Sap. 5. 6. in dit lichte Godts dat b Godt self is, 6 6 b 1. Joa. 1. 5. geen duysternisse wesen (wat c ghemeenschap hevet Licht met de Duysternissen?) 7 7 c 2. Cor. 6. 14. Maar in den quaatdoenden duysterlingen, 8 8 d Isa 5. 20. die d t’Licht voor Duysternis, 9 9 e Joan. 1. 5. Eph. 5. 8. Eph. 4. 16. 18. eñ de Duysternis voor t’ Licht achten, ende self e Duysternissen werden genoemt, is de Duysternissen, vermits haar ooghe duyster ende schalck is, ende daaromme oock alle haar lichame duyster.
Dese a Duysternissen en zijn des Lichts niet ontfanckelijck. 10 10 a Joan. 1. 5. Want sy b lieven de Duysternissen meer dan’t Licht. 11 11 b Joan. 3. 19 Verlaatmen oock gaarne datmen lief heeft? Of machmen in’t Licht komen, soo lange men noch blijft schuylende inde duysternissen? Maar waarom worden die ghelieft van sulcke duysterlinghen? Om dat sy wanen dat die haar schandtwaardighe boosheyet bedecken. Want haar wercken zijn quaat.
Soo a beminnen die quaatdoenders de Duysternisse 12 12 a Eccle. 23. 26. Jere. 3. 24. Pro. 2. 13. Johan. 3. 20. om haar wel verschulde schande ende straf te moghen ontvlieden: ende haten daar teghen het Licht om des zondt-beschamende waarheyts wille. Die baart altijt inden schijn deughden hate. Hierdoor ist dat sy niet en komen aan den Lichte, op dat haar wercken niet en souden bestraft worden.
Dit zijn de ghene die de a Liefde des waarheyts verwerpen, 13 13 a 2. Tessa. 2. 10. 11. ende daaromme de loghen ghelooven: dit zijnse die moetwilligh tot Gode seggen: 14 14 b Job. 21. 14 b Wijckt van ons, de Kennisse uwer weghen en willen wy niet. Ende dit is t’volck dat niet en heeft willen c verstaan, 15 15 c Psal. 35. 4. op dat het wel soude doen: 16 16 d Psal. 75. 5. dat als een d Serpent sijn ooren stopt, om niet te hooren: 17 17 e Judi. 6. 10. Deut. 28. 15 Psal. 49. 17. Isai. 30. 9. Jere. 6. 17, 17. 23, 32. 33. Sach. 7. 11. 12. dat met opset na Gode niet en wil e hooren: 18 18 f Isai. 42. 20 ende dat wel hebbende open f ooren om te hooren niet en hoort, ende ooghen om te sien niet en siet.
Ist dan Godes schuldt of der heylighet Schriftuyren, dat sulcke verharde dooven


ende moetwillighe blinden, die self haar ooren tot Godes roepende stemme stoppen, ende haar ooghen sluyten tot het clare licht inde Godtlijcke Schrifture, die selve hoorende niet en verstaan, ende leesende niet en begrijpen? Voorwaar neen. Niet inde clare Schrifture, maar in sodanigher blinden ooghen is de duysterheyt.
De Goddelijcke Schrift is voor den kinderen waardt ghenoegh, ende voor den mannen diep ghenoegh: 1 1 a Isa. 55. 2. 1. Cor. 3. 2. Hebr. 5. 12. de kinderen vinden daar a melck ende b moes, 2 2 b Rom. 14. 8. de mannen c wijn ende d spijs. 3 3 c Isa. 55. 2 d 1. Cor. 3. 2. Heb. 5. 14. Soo gaf het Man elck den e smake die hy begheerde of behoefde: 4 4 e Dap. 16. 3 die veel f vergaderde hadde niet t’over, ende die luttel vergaarde en hadde niet ghebreck. 5 5 f Exod. 16. 17 18.
Soo is een kints handt so licht met een weynigh als een mans handt met veel ghevolt. De strandt van dese Zee der Godtlijcker kennisse is ondiep ghenoegh om een g licht ghenoeghent schaapken in te waden: 6 6 g Eccl. 7. 17. maar des selfs afgront is oock diep ghenoegh voor een h weet-suchtighe Elephant die al te wijs wil zijn, 7 7 h Pro. 25. 27. ende de Majesteyt doorgronden wil, om in te verdrincken.
Dat niet de Schrift van self duyster en is, maar alleen den quaatwillighen, hovaardighen, ende boosen menschen met haars ghelijcken, segghen oock in hare schriften, Musculus, Dusanus, Ioannes Calvinus, Bullingherus, ende soodanighe meer anderen in de voorghemelde Expositie Ecclesiastica van Augustino Marlorato.
Te weten, Musculus schrijft, 8 8 Marl. Ioan. 3. 19. Dat Christus niet naectelijck, maar bedecktelijck antwoorde den Pharizeen, die met een quaatwilligh herte sochten, niet om gheleert te worden, maar om den Heere valschelijck te wroeghen.
Ende Calvinus: 9 9 Marl . Mat. 13. 11. Dat blijft nochtans altijdt vast, dat het woordt Godes niet duyster en is, dan voor soo vele als de werelt selve door haar eyghen blintheyt dat verduystert. Ende noch: 10 10 Marl. 2. l tri. 3. 16. Daar beneven zijnder vele blindt, die sich inden dagh selve stooten, andere zijn hoovaardigh door onweghen swervende, ende over alle hooghten vlieghende, sich selven ter neder storten.
Ende Bullingerus: 11 11 Mar. 3. Corint. 4. 4. Godt hadde haar wel een ghemoedt ende sinnen verleent, hy port haar oock aan door sijne heylighe vermaninghe: maar sy sluyten haar herte door hare boosheyt.
Ende hiermede ter nooddruft gesproken hebbende vande heylighe Schrift, waar toe die van Gode ons is verleent, van’t suyghende ende betuyghde woordts onderscheydt, vande menschelijcke schriften: die men wel magh ontberen daarmen de Godtlijcke heeft, om te lesen ende hooren lesen, soo men in Moysi oock in der Apostelen tijden heeft ghedaan: Welcke Goddelijcker Schriften door gheener menschen uytlegginghen en moghen verbetert worden, alsoo de heylighe Schrift niet duyster maar claar ghenoegh is ter saligheydt, hoewel duyster voor den quaatwillighen duysterlinghen: soo wil ick den menschen die de Schrifture lesen, van haar ghedaante, meyninge, ende eynde, waar om sy die lesen eñ hoe men die behoort te lesen, om tot de beloofde vrucht daer door te gheraken.


Hert-Spieghel
Het tweede Boeck.
Vander Lesers ghedaante.

Eerste Hooft-stuck.
Handelende vander personen vescheydenheydt, die de H. Schrift lesen of hooren lesen.

Op dat menschen de H. Schrift souden lesen, of hooren lesen, is het woort Godes beschreven: daarom dat van vele nyet qualijck wort ghenaamt het beschreven woort Godes: tot onderscheyt van’t levendigh ende eeuwighe woort, daar af het beschreven woort ghetuyght.
Nu is alle mensche; reden ghebruyckende; een Zondaar of een Heylighe: maar de zondaar is een Godloos ofte boetvaardigh mensche; de Godtloos is verhardt ende verduyvelt, soo dat hy onbekeerlijck is, of hy is noch nyet heel verhardt ende verduyvelt, maar mach sich noch bekeeren, doch noch onboetvaardigh: maar de boetvaardighe zondaar, dat is, die sich nu al eenighsins heeft bekeert totten Heere, is een slaghvreesende Knecht, of een loonsuchtigh Huyrling, dat beyde de trappen zijn tot heyligheydt ende Heylighen moghen worden, maar nyet en zijn: want gheen deser twee zijn kinderen Godes. Die zijn alleen heyligh ende nu al saligh, ghemerckt dese t’quade laten ende t’goede willen of doen; nyet uyt vreese van straf, maar uyt hate des quaats: nochte oock nyet op hope van loon, maar uyt liefde des goets, welcke Heylighen of Kinderen Godes oock zijn drierleye: namentlijck Kinderen, die nu al zijn van goede wille, maar ontberen noch de manlijcke cracht om laten of doen al dat sy willen: volwassen Mannen die cracht hebben om t’gewilde in alles te volbrengen: eñ Ouders van soo volcomender kennisse Christi, dat sy daar door bequaam zijn om kinderen Christo te telen, derhalven sy oock Vaders werden ghenaamt.
Welcke Heylighen Godes, in Christo zijnde, die des werelts licht is, in dat selve licht Godes licht sien. Daar inne kennen sy nyet alleen haar selven, wat ende hoe sy zijn: maar sy kennen oock Gode self alleen een ware Godt te wesen, 1 1 Joan. 17. 3. ende sijnen ghezante; Jesum Christum; sijn levendighmakende woort, als een eenigh middel daar door men comt tot Gode en sijne ware kennisse.
Dese Heylighen ende kinderen Godes alsoo van Gode self door middel sijns levenden woordes ende des selfs gheest der waarheydt gheleert ende in alle waarheydt gheleydt zijnde, en behoeven gheender menschen onderwijs, als door des gheests salvinghe gheleert wesende. 2 2 1. Joan. 2. 27. Behoeft hy oock het twijfelijcke sterlicht die de clare Sonne heeft voor ooghen?
Wort oock yemant herboren sonder te hebben een waar Geloove? Dat is nerghens vande beloften Godes sonder een vaste Hope: soo is oock gheen kindt Godes sonder de Liefde. De kinderen Godes zijn dan onderstut, 3 3 1. Cor. 13. 7 met het ware Gheloove, met de vrolijcke Hope, ende met de salighe Liefde die’t alles ghelooft ende hoopt.
De kinderen Godes hebben dan de Liefde Godes: 4 4 a Ro. 13. 11. Gal. 6. 2. die is des Wets a vervullinghe ende der gheboden b onderhoudinghe. 5 5 b 1. Joa. 5 3. Joan. 14. 21. Nu en mach nyemant Godes geboden wel onderhouden sonder die recht te verstaen, dat is sonder te weten inde waarheydt wat de wille Godes is, dat wy doen ende laten sullen: soo weten dan de kinderen Godes, als van Gode haren Vader selfs gheleert zijnde, wat sy behooren te doen of te laten.
Dese en behoeven dan nyet alleen, nyet dat eenigh mensch haar leere, maar sy en behoeven oock nyet de tuyghenissen der heyligher Schrifturen, om te weten, t’gheen sy nu al seker weten. Dit heeft oock gheschreven Augustinus met dese woorden: De mensche dan, die onderstut is met Gheloof, Hope ende Liefde, 6 6 Au. de doct. Christ. li. 1. cap. 33. ende die vastelijck behout, en behoeft de Schrifture nyet, dan om anderen te onderwijsen.
Maar anders ist mette eerste drie, namentlijck, metten godloosen Knecht ende Huerling, want dese en zijn noch nyet Christo door de wedergheboorte inghelijft, ende derven daaromme oock het licht des Hemels, dat Christus is, wanderende nyet in den claren dagh, maar inde donckere nacht des ongheloofs, 7 7 2.Pet. 1. 19 of inden nevelighen hoecke des gheloofs, van waar sy’t ooghe hebben op het Propheetsche woort der Schriftuyren ghetuyghenissen.
Daaromme dese tot een wegh-wijsende sterre, lanteerne der dolende voeten, ende tuchtmeester om tot Christum te leyden ghegheven is, ende soodanighe duystere benevelde ooghen boven alle menschelijcke schatten op aarden, hoogh-nut ende voorderlijck is, om hooren staat, dats haar self te kennen, sonder welcke kennisse haar onmoghelijck is haar self, dats de duysternissen te verlaten, ende totten licht, dat Jesus is, te keeren; van haar quaadtheydt verlost, met Christi goedtheydt begaaft, ende also goet, dats saligh, te worden.
Nu houdt de heylighe Schrift ontwijfelijck nyet altoos inne, dan dat ons om weten nut is. Nochtans suyghen de spinnen uyt dese suyvere bloeme schadelijck venijn. Dit comt door haar verkeertheydt, die d’eenvuldighe Schrifture misbruyckt, want d’oprechte Godt selve is metten verkeerden verkeert, soo is Christus oock self een steen des aanstootens, ende soo is oock de H. Schrifture een valstrick.
Neemt dat die zy een Apotekers winckele, daar inne vintmen genesende ende dootbarende cruyden, als oock inde Schrift goede ende quade exemplen, de goede tot navolginghe, maar de quade om te mijden. De gheleerde Doctoren wetens alles ten goeden, dats tot ghenesinge, te ghebruycken, oock de dootlijcke venijnen selve.
Soo ist oock inde Apoteeke der Schrifturen den reynen alles reyn, ende dient den goeden alles ten goeden, want dese goeden zijn vanden goeden ende alwijsen Gode selve te recht gheleert, ende connens daaromme alles recht ghebruycken. Immers sy connen venijn drincken sonder dat het haar schadelijck is.
So en ist nyet met d’andere noch van Gode nyet geleert zijnde, men brenge sulck een in een apoteke, hy kent hem self, noch sijn siecte, noch oock de cruyden nyet. Sonder een ding te kennen, ist onmoghelijck dat wel te ghebruycken. Soo hy dan vermetelijck eenighe cruyden of drancken inne swelght, sal hy nyet so licht venijn als medecijn inne nemen?
Dat argher is, het ghene anderen, recht ghebruyckt zynde, medecijn soude zijn, sal hem venijn verstrecken, ende in plaatse van


de begheerde ghesontheydt, de ghevreesde Doodt baren. So veele vermach het vermetele onverstandt, met het verderflijck misbruyck.
Zijn de dreyghende Straf-kruyden inder heyliger Schriftuyren Apoteecke niet alsoo nut, ja noodigh tot morteringhe vander hardtneckighen Zondaren: als de aanlockende beloftens Kruyden nut ende noodigh, tot Troost ende verquickinghe van de weemoedighe ende verslaghen Hertgens? Men moet hier Ja toe segghen.
Wel aan. Men neme nu dat sulck troostbehoevende ende kleynmoedighe Herten inder heyliger Schriftuyren Apoteecke vindt de schrickelijcke Donderslaghen den hardtneckighen Zondaren, ende niet hen, ghedreyght zijnde, ende dat kruydt voor den hardtneckighen medecijn, maar voor hem venijn zijnde, tot sich neemt, dat in swelght, ende dat alsoo uyt onverstandt misbruyckende, sich selven toe-eyghent: Is hier oock anders uyt te verwachten, dan dat hy de wanhopelijcke Bast neme om sijn ellendigh Leven te verkorten (daar in hy noch dolende, een tijdtlijcke om een eeuwighe Ellende verwisselt) ende alsoo aan dat kruydt; hem venijn zijnde, dan Doot inne slockt?
Men neme wederomme aan d’ander zijde, dat een verhardt Zondaar die de dreyghende straffinghen noodigh zijn, in die selve heylige Schriftuyrlijcke Apoteecke vindt eenighe Ghenade-sproken of Troost-kruyden niet hem, maar den kleynhertighen nut zijnde, die sich aan-neemt, toe-eyghent, ende sich op de Ghenade Godes t’onrecht verlaat: wie en merckt niet dat hem die doodtlijck venijn verstrecken moeten, hem in sijn boosheyt verstijven, ende in sijne Goddeloosheyt doen blijven, tot sijn eeuwighe verdoemenisse?
Ist dan soo gantsch sorghlijck onder’t lesen der heyligher Schriftuyren, sich eenige sproken der selver toe te eyghenen of aan te nemen, voor ende al eer men ten minsten sich selven ende sijne sieckte kent, swijghe de Kruyden die daar teghen gheneselijck zijn, t’welck niet gheweten en magh worden, sonder eerst sijn quale te kennen: Wie en merckt niet hoe noodtsaeckelijck het is, datmen hem selve, sijnen state, ende ghebreck leere kennen: al eermen sich selven blindelijck aanneme eenighe sproken, als of die tot hem gheseydt waren?

ij. Hooft-stuck

Van de Godtloose, sijn aardt ende werckinghen, ende hoe hy die, lesende de heylighe Schriftuyre, waarlijk sal moghen kennen.

Van de Zondaren, diemen in de heylighe Schriftuyre oock vindt a Godtloos bywijlen genaamt sonder onderscheydt, 1 1 a Psal. 1. 5 36. 20. 72. 3. Isai. 55. 7. Rom. 5. 8. Is nu mijn voornemen te spreken met onderscheydt, niet min warachtigh, dan seltsaam zijnde by den ghemeenen Boeckenmaeckers: ende oock niet min nut zijnde om weten, dan weynigh gheweten zijnde by den ghemeenen Menschen.
Want niet min ist een Godtloos inder waarheydt, die sich noch tot Gode mach bekeeren, als die sulcx niet en vermach, als yemandt Gode niet voor ooghen en heeft, maar sonder Goedt, sonder goedt voornemen Goddeloos, dat is goedeloos moedtwillighlijck den Duyvel dient: als de ghene die mede soodanigh is in allen stucken, uytghenomen alleenlijck dat hy soo volkomentlijck metten Duyvel is vereenight ende verduyvelt door sijn lust tot quaat-doen, dat hy soo weynigh wil, als magh, den Duyvel verlaten om sich tot Gode te bekeeren.
Dese laatsten sijn soodanighe venijnighe spinnen gheworden, dat sy oock venijn suyghen uyt de Zielgheneselijcke welruyckende kruydekens der Goddelijcker Schriftuyren selve. Die is haar een valstrick gheworden, soo dat sy (door haar willighe verkeertheydt) lesen niet tot haar beterighe, maar tot haar verderven ende vermeeringhe haars verdoemelijcx wroeghen ende onophoudelijck knaghen. 2 2 Isai. 66.
Voor dese en wordt hier niet gheschreven, vermidts sy oock niet en lesen om haar quale te kennen ende beter te worden, maar voor d’andere, die of sy al schoon nu niet en willen beter worden, dan sy zijn, noch namaals van goede wille moghen worden: op dat sy komende te lesen ende te mercken den aardt van de voorschreven verduyvelde Godtloosen, ende sy daar by vermerckende dat sy in der Waarheydt noch soodanigh niet en zijn: noch eens souden moghen verstaan, dat de hope met haar noch niet gantsch en is verloren, maar dat der Ghenaden-deur noch voor hen open staat, ende dat sy sich; soo langhe alst noch soo huyden met haar heet; tot Gode moghen bekeeren.
Des verduyvelden ende onbekeerlijcken Godtloosen aardt vindtmen in de heylighe Schriftuyre beschreven te zijn dusdanigh: Hy seydt in sijn Herte: Daar en is gheen Godt, Psal. 13. 1. Ende dat Godt hem niet en siet, Psal. 93.7, Isa 29. 15. Hy verblijdt sich in’t quaat doen, Pro. 2. 14. eñ heeft begheerte tot moorden, Joan. 8. 44. Wie in sich vindt die stucken of eenighe van die, is; hy weet het dan, of hy en weet het selve niet, vermits hy sich selven pluym-strijckt ende bedrieght; een verharde ende onbekeerlijcke Godtloos, verduyvelt, uyt den Duyvele gheboren, ende metten Duyvel vereenight na der Heyligher Schriftuyren ghetuyghenisse, die soodanighe seydt Ooghen te hebben sonder te sien, ende Ooren sonder te hooren.
Na der heyligher Schriftuyren ghetuyghenisse segghe ick noch, Want soo yemandt wilde seggen dat de voorschreven Godtloos een Mensche is ende gheen Duyvel, dat Godes Barmhertigheydt streckt over alle sijne wercken: dat der Menschen zonden eyndelijck, maar Godes Ghenade oneyndelijck is, ende dat sulcks alle meer is gheschreven tot soodanigher Godtloosen af-schrick, dan tot haar vertwijfeltheydt, en wil ick, die gaarne van Gode (die oock des Godtloosen doodt niet en wil) in’t goede ghevoele, 3 3 Ezec. 18.* 33.* in desen Godes schepselen niet veroordeelen, maar wel met ernst een yeghelijck met Her-


ten waarschouwen voor soodanighen staat, want sy is boven al ghevaarlijck ende vervaarlijck.
Soo is mede de staat des anderen aardts der Godtloosen. Wie heeft hem een ure levens verseeckert, om sich te bekeeren totten Heere, al ist schoon in sijnder machte gestelt van Gode? Sterft hy in sulcke sijne Godtloosigheydt, wie mach met waarheydt sijn Saligheydt hopen? Die mach hy seeckerlijck hopen, soo hy sich huyden met ernst bekeert tot Gode. Ende dit mach hy ontwijfelijck seecker zijn, dat hy door Godes Ghenade noch vermach, soo langhe hy noch niet in sich en bevindt de voorsz met andere dierghelijcke stucken, die de heylighe Schrift betuyght te wesen den aardt van des Duyvels kinderen, maar daar teghen die heylighe Schrift seydt te wesen in d’ander aardt van Godtloosen, dat eyghentlijcker genoemt souden mogen worden onboetvaardige Zondaren.
Ghy verdoolde Menschen, die soodanigh zijt, maar u self niet recht en kent, ende daar door u selven soudt moghen te vroegh wanen (ende midts dien vertwijfelende worden) verduyvelde Godtloosen: sult sekerlijck moghen weten dat, tot u noch goede hope is, ja beter dan tot de waanheylighe Schijndeughden, soo ghy lesende in de Heylighe Schrift den aardt van de onboetvaardighe woeste Godtloosen, met waarheydt uyter Herten toe-stemt, dat ghy mede soo boos zijt, ende mede rechtelijck verschuldet hebt d’eeuwighe verdoemenisse, soodanighen daar ghedreyght.
Ende dat ghy daar door bevindt een vreeselijcke schrick voor de Helsche straffe, met-gaders een schaamte ende droefheydt over uwe bedreven boosheyden, die ghy haddet moghen laten, soo dat ghy wel soudet willen dat het niet gheschiedt en ware, immers soo’t noch te doene stondt, dat ghy’t niet en soudt willen doen.
Gheloofdy dat de heylighe Schrift van Gode is ende Waarheydt? Gheloofdy metten Duyvelen dat Godt is, dat hy Rechtvaardigh is, ende beefdy daar voor, om dat hy den Godtloosen in d’eeuwighe Doot sal werpen, soo hy sich niet in tijdts en bekeere: dit gheloof dat ghy metten Duyvelen ghemeen hebt, sal in u, die noch niet heel verduyvelt, maar een Mensch zijt (die noch in den lichame leeft) van den Duyvelen moghen afscheyden, soo ghy’t ter Herten neemt, ende oorsaecke uwer bekeeringhe tot Gode eñ uwer Saligheydt moghen wesen.
Want van natuyren is den Mensche (als oock alle ghedierten elck na sijnre aart) aangheboren een onafscheydelijcke gheneghentheydt tot haar behoudenissen, ende een grouwel van haar verderven, als ghy dan voor seecker ghelooft dat die in’t quaat-doen volharden tot haren sterf-dagh toe, eeuwelijck verderven sullen in’t oneyndtlijck stervē sonder sterven: ende seeckerder dan seecker weet (wie mach sijn eygen gheweten verborghen zijn?) dat ghy een quaatdoender zijt: suldy niet aangheport, ja ghedronghen, immers genoegh genoodtsaackt worden, voor sulck u eeuwigh verderf te grouwelen, ende u van’t quaat doen (dat de gang nae t’verderf is) af te keeren?
Als ghy daar toe dan noch leest ende ghelooft waar te zijn, dat Godt (soo gheseydt is) oock des Godtloosen doodt selve niet en wil, maar dat hy sich bekeere ende leve, dat om goede daghen te sien Godt selve ons raadt, 1 1 Psal. 33 dat wy het quaat-doen sullen laten, ende het goeden sullen doen, 2 2 Hebre. 11 dat Godt is een Belooner der goeder wercken, Soo dat die goedt gedaan sullen hebben, 3 3 joan. 5. 29. gaan sullen in’t eeuwigh Leven ende Saligheydt, waar henen anders sult ghy van’t quade afwijckende door uwes verdervenissens grouwel, u anders moghen wenden dan tot het goedtdoen, dat den wegh is ter Saligheydt, dats tot u behoudenisse, daar toe ghy van Natuyren zijt gheneghen, welcke gheneghentheydt u daar toe van selfs moet aanporren ende onaflatelijck toe dringhen.
Ist voor den Mensche swaar om doen daar hem de Natuyre so van selfs toe drijft, prickelt ende voordert?
Merckt ghy daar en boven noch int lesen, hoe vriendelijck de barmhertighe Godt doorgaans den onboetvaardighen Zondaren van selfs voorkomt, haar sonder alle onderscheydt sijn Ghenade mildelijck aanbiedet, haar zonden niet en wil ghedencken, sijne Gerechtigheyt om niet wil schencken, t’welck ghy vindt doorgaans in de heylighe Schrift ghedaan te wesen, oock in Godtloose selve, midts dat sy sijne aangheboden Genade niet en verwierpen, maar uyt bekende noodt begheerlijck ontfinghen ende aan namen: Hoe suldy moghen ontkennen, dat het soodanighen Godtloosen, licht ende lustigh valt een voornemen in Gode te maken om t’quade te laten ende t’goede te doen, dat is van sijn verderf te vlieden, om sijn behoudenisse te benaarstighen, sijn quade in een goede wille, ende uyt een onboetvaardighe Zondaar te veranderen? Vallet swaar, ick swijge onmogelijck, daar d’aangeboren Natuyre noodtsakelijck self toe aanport, van’t bekende verderf tot sijn behoudenisse te vlieden?

iij. Hooft-stuck.

Van des Knechts aardt, veranderinghe uyt een Godtloose in een Knecht, ende hoe hy de heylighe Schrift vruchtbaarlijck leest.

En vint onder meer andere voorneemlijck tweederleye aart van Knechten: daar van eenighe willigh ende andere vrywilligh hare Heeren dienen. Dese laatste naamtmen oneyghentlijck, maar d’eerste eyghentlijcke Knechten ende dienstbaar. Want de Knechtlijcke Dienstbaarheydt is een bedwonghen Vryheyt, daarom oock die vrywillighe Dienaren nemmermeer eyghen Knechten moghen zijn, ghemerckt vryheydt ende Knechtschap, of Eyghenheydt strijdighe saecken zijn, ende niet by een en moghen bestaan. Van dese vrye Dienaren Godes sal in’t handelen van den Kinderen Godes wat werden ghesproken.
De willighe Knechten Godes, daar af


ick hier spreke, hebben die onderscheydt van de Vrywillighe, voor nu vermeldt, dat sy niet vrywilligh uyt Liefde, maar uyt ghedronghen noodt dienen, in’t laten van haar eyghen, ende in’t doen van haars Heeren wille. Welcke laatste oock tweederley van aardt zijn: daar af d’eene uyt vreese van Straf, maar d’ander op hope van Loon alles laat of doet: dese werdt een Huyrling, die een slave of lijf-eyghen eyghentlijck ghenaamt.
Al hoe wel dees Dienstbaarheydt van aardt wat verscheyden is, soo komt sy nochtans uyt een selve oorsaecke, te weten ghebreck. Want die sich selfs niet voeden en mach noch ghenoeghsaam en is, moet een anders Dienaar worden, of verderven. Maar natuyre vliedt, daar sy mach, haar verderf.
Daar door quam’t dat d’Egyptenaren spraken tot Joseph: 1 1 Genes. 47. 19. Waarom sterven wy voor uwen ooghen? Wy ende onse Landen sullen dy toe-behooren. Koopt ons tot Coninghlijcke-dienst, ende gheeft ons koorn. Sy hadden mogen het sterven boven de slavernije verkiesen, soo veele hooghmoedelijck ghedaan hebben, daarom men sulcke lijf-eyghenschap te recht willige Dienstbaarheydt naamt: Maar want sy dit aanghinghen, ghedronghen zijnde uyt Honghers noodt, om haar verderven te vlieden, soo en machmen sulcx gheen vrywillighen Dienstbaarheydt noemen, gemerckt de noodt haar drong, of de Doodt, of de slavernije te verkiesen, die sy sonder noodt niet verkoren en souden hebben.
Wie soo eyghen is, die is niet sijn selfs, maar eens anders eyghendom. Die is soo danighen knechts Heere, den welcken de knecht met alle dat hy heeft ende vermagh, soo toebehoort, dat sijn Heere met hem magh doen al dat hy wil. So moet die knecht alles doen ende laten dat sijn Heer wil, ende niet sijn eyghen wil, of anders straf lijden die hy niet en wil.
Nu ist natuyrlijck dat de Mensch haat al die hem belet te doen ‘tgheen hy niet en wil doen. Soo haten dan natuyrlijck alle slaven, welcker lust tot quaat-doen streckt, hare goede Heeren, die haar quaat doen beletten, ende t’goede dat sy haten, dwinghen te doene, door de ghedreyghde straffe.
Van natuyren waren wy vry, hadden onsen Schepper tot een Heere die ons rijckelijck van alle nootdruft besorghe, ende zijn Heeren over alle schepselen soo langhe wy den Schepper over ons Heer laten wesen ende hem ghehoorsaam blijven.
Maar soo haest wy metten verloren Sone ons eygen Heere willen wesen, ende Godes ghehoorsaamheydt verwerpen: soo komen wy, zijn wijse bestieringhe ontloopende, door’t quaat bestier van onse jeughdelijcke lusten in ghebreck, soo dat wy, die vrye Heeren waren, eyghen slaven worden, ende ons uyt Honghers noodt begheven in den dienst eenes Vreemden ende soo onbarmhertighen Heeren, dat wy noch ghelijckewel in den Zwijnighen dienst der zonden ghebreck lijden.
Waaromme dat? Wy volghen ons waan, die ons, meynende wat goedts te krijghen ende vernoeght te worden door der zonden dienst, ydelheydt toebrengt met onghenoeghen ende wroeghen. Wat kan de nietighe loghen oock anders gheven, dan een wesentloose schijn, niet, ende verdriet? Waarheydt is der zielen broodt: Loghen meel-loos kaf ende draf.
Noodt soeckt broodt (so men recht seydt.) Die dan merckt dat hy’t niet en vindt by de Loghen, die’t hem onder valsche schijn beloofde, vindt sich bedroghen, mis-trout de Loghen, keert hem de rugghe, ende denckt: De Heere bestroyt uyt barmhertigheyt mijnen Onwegh met Doornen, 2 2 Ose. 2. 5. 6 maackt mijn zonde sijn eyghen boet, laat my niet vinden t’gheen ick qualijck soeck. Ick wil mijne bedrieghelijcke Boelen verlaten, ende gaan tot mijn voorige Man, daar my beter was dan nu. Hier lijde ick ghebreck, en soude hier blijvende sterven ende bederven.
Siet Leser, bevindy lesende in de heylighe Schrift, dese ende deser ghelijcke dinghen, door’t stil-houden ende na-dencken, alle sulcx in dy selve warachtigh te wesen: suldy t’selve met aandacht betrachtende ende met ernst op achtende; niet noodtsaeckelijck moeten bekennen dat dy, dijnen state daar inne du teghenwoordelijck staatste, als in eenen klaren spieghel dijns Herten, dy daar soo klaarlijck als waarlijck is voor ooghen gestelt?
Sal de bekende noodt dy niet noodtlijck dringhen dien valschen Heere te verlaten, ende dy noodtsaecken dy te begheven in den Dienste van den ghetrouwen Heere, die sijnen Dienaren gheen ghebreck en laat lijden, maar van alle noodtruft overvloedelijck besorght, ende niemanden Dienst by hem versoeckende, en weyghert in sijnen Dienste ende Huyse te ontfanghen? Voorwaar Ja. Want sulcks moet de noodt, in Waarheydt bekent zijnde, noodtlijck wercken.
Wel-aan. Weest nu aanghenomen in des Heeren huyse voor een Knecht, daar hoordy sijne Woorden, of leest die in de heylighe Schrift, daar mede hy de onboetvaardighe Godtloosen den Eeuwighen Doodt dreyght, soo langhe sy sich niet en begheven in sijnen Dienste, den knechten die nu al zijn in sijnen Dienste van ghelijcken, indien sy haar quaadt-doen niet en verlaten, ende den Huyrlinghen die sijn bevelen ghehoorsamen, belooft Loon te geven na haren arbeydt.
Segt doch lieve, suldy dy selve nu een Knecht Godes wesende, in des Heeren huyse woonende, ende uyt vreese van de straffe het quaat-doen allencxkens latende, die schrickelijcke Dreyghementen den volhardighen Godtloosen ghedaan in des Heeren Woordt, oock toe-schrijven konnen, ende daar door in vertwijfelinghe mogen vallen? Dat is u onmoghelijck.
Wederomme, over d’ander zijde, nadien ghy weet dat ghy uws Heeren eyghen Knecht zijnde, self niet eyghens en mooght hebben, ende daarom het quade laat, niet op hope van Loon, maar alleenlijck uyt vreese van straf soo ghy’t dedet: soo sal dy sulcke ware kennisse van dijnen state noodtlijck beletten dy self toe te schrijven het Loon dat den Huyrlinghen in des Heeren huyse,


die gheen lijfeyghens en zijn: wordt belooft, dy selve toe te schrijven, maar dy vernoegen van straffe te ontgaan door’t mijden van quaat doen.
Soo maackt ware kennisse sijns staats, dat is sijns selfs aardt ende doen, veyligh van die schadelijcke Dolinghe, daar door men sich te luttel of te veele toe schrijvende, sich selfs niet hoogher noch lagher en stelt dan’t behoort, gheene sproken in de heylighe Schrift tot anderen, dan hy is ghesproken, sich zottelijck of vermetelijck toe-eyghent: maar niet tot sich en treckt dan dat eyghentlijck tot hem ende sijns ghelijcken is gheseyt, dat is sproken tot den slaghvreesenden Knechten ghesproken zijnde ende anders gheene. Die dan oock als de eyghentlijcke plaasteren, op soodanighe zeerighe Herten dienende, haar werck eyghentlijck wercken, ende ter ware ghenesinghe bequaam maken.
Neemt hy sich uyt Waarheydts ondervinden dat hy een Knecht is, des Huyrlings hooger state niet verwaandelijck aan, hoe veele minder den state der vrye Kinderen Godts, ongelijck eelder ende hooger zijnde? Dan bevindt hy hoe veylighlijck dat Waarheydt bevrijdt van de sorghlijcke verwaantheydt.
Die doet het hooghe, dat hem niet toe en komt, vermijden, sich selve in’t alder nederste stellen, met dancksegghinghe sijns Heeren, dat hem die uyt Ghenade ghewaardight heeft voor een Huysghenoot te ontfanghen, die het eeuwigh verderven hadde verschuldt.
Ende wel wetende dat sijn Heere sijns diensts niet altoos en behoeft, noch daar af en gheniet, maar dat hy meer (om recht te segghen) sich self dan sijnen Heere dient, diens Broodt hy eet, ende self sijns arbeydts gheniet: soo ist hem oock (hem die sulcx in sich waarlijck bevindt) onmoghelijcken immermeer in dat laat-duncken te vallen, dat hy wat aan sijnen Heere verdient, of dat hem die eenigh Loon schuldigh is.
Daaromme hy komende te lesen die woorden des Heeren: Als ghy alles ghedaan hebt dat ghy schuldigh zijt te doen, soo segt: 1 1 Luc. 17. 10 wy zijn onnutte Knechten: Soo verstaat hy; op die woorden ende op sijnen state inder Herten merckende; sulcx eyghentlijck van hem ghesproken te zijn, ghemerckt de Heere van sijnen dienst niet altoos, maar hy self alles van den Heere gheniet. Als die waarlijck bevindt dat hy sijnen Heere gantsch onnut is, maar niet sich selve, alsoo hy, niet de Heere, alle zijns dienstes nutbaarheydt, selve alleen gheniet: ende is alsoo den Heere, maar niet sich selve een onnut Knecht.
Ick ben buyten mijn voornemen, lieve Leser, langhe ghebleven in’t beschrijven van de twee Staten, namentlijck der Godtloosen ende der Knechten. Vermidts ick wete aan der selver ware Kennisse immers soo veele te zijn gheleghen: als ick de selve met haar soo merckelijcken onderscheydt gantsch seltsaam by den Menschen mercke ghemerckt te wesen.
Door welcke onkunde sich selfs ende van sijnen state het ghemeyne volck sich soo jammerlijck ende soo verwaandelijck stelt elck boven sijnen state, dat niet alleen de loonsuchtighe Huyrlingh, maar oock mede den slaghvreesenden Knecht vermetelijck derf achten een herboren Kindt Godes te wesen.
Nu ist onmoghelijck dat yemandt mach met ernst bestaan te worden, tghene hy sich nu al waant te wesen. Soo blijftmen vast Knechten ende Huyrlinghen: Dit maackt datter weynigh Kinderen Godes zijn: ende hierom is de Liefde seltsaam op Aarden: daar hate, nijdt, twist ende vyandtschappe meest alle de herten besitten.
Doch sal mijne breder verklaringhe in dese twee deelen, my korter maecken in de naast volghende viere. Daar in ick dan oock licht verstaan sal worden van de ghene, die deser twee maar een, wel heeft verstaan. Want dese saken al t’samen ghemeenschap hebben met malkanderen.

iiij. Hooft-stuck.

Van de Huyrling ende sijnen state.

Alsoo wie dan in sich bevindt een begeerlijcke lust ten quaden, ende daar teghen een hatelijcke afkeer van t’goede: soo dat hy t quade altijdt ende t goede nemmermeer doen en soude, soo hy de ghedreyghde straf niet en vreesde: die magh wel ghewisselijck verseeckert zijn, dat hy niet alleen gheen Kindt Godes, immers oock gheen Huyrling en is, maar houde sich voor een slaghvreesenden Knecht in’t Huys des Heeren: daar inne hy een Knecht blijvende, 2 2 Joa. 8. 15. geen blijvende plaatse en heeft metten Kinderen ende Erfghenamen. Want hy onbeert den aardt der Kinderen Godes, sonder welcke te hebben alles vergheefs is, namentlijck de salighe Liefde. 3 3 1. Cor. 13. 1. 2. 3. Joan. 13. 35. Matth. 5. 45.
Die en heeft de Huyrlingh mede niet, die mede niet alleen soo wel als de Knecht, liefdeloos is, maar oock ghemeenlijck nijdigh, die niet en mach zijn daar de Liefde is. Ende en heeft oock daaromme de Huyrlingh soo weynigh deel metten Erfghenaam als de Knecht. Want deser beyde gheen is Kindt in den Huyse, maar zijn beyde vreemdt daar inne, eñ moeten daar uyt verhuysen, soo lange sy niet en komen inder Kinderen gemeenschap door de Liefde>
Nopende der Huyrlinghen nijdigheydt, die een anders voordeel, daar sy gheen schade by en heeft, met treuren aansiet: die liet sich opentlijck mercken in de Huyrlinghen, 4 4 Matt. 20. 12. die misgonstelijck preutelden: als sy saghen die later ontfanghen als sy hadden ontfanghen: niet teghenstaande sy daar door gheen afbreck haars bedonghen Loons en leden.
Daaromme de liefdeloose, ja nijdighen Huyrling oock moeste hooren, dat hy metten Kinderen ende Erfghenamen geen blijvende plaatse in den Huyse des Heeren hadde, die tot hem seyde: Neemt dat dijn is, 5 5 Matt. 20. 14. ende gaat henen. Wel te recht sullen sy moeten henen gaan uyt den Huyse des Heeren, daar alleen de Kinderē eeuwelijck sullen woonen. Want


wat ghemeenschap heeft de eyghensoeckelijcke nijdigheydt met de alghemeyne Liefde, 1 1 1 Cor. 13. 5 Rom. 14. 7 die niet en soeckt dat haar is, maar eens anders nut ende heyl.
Neen, het Rijcke Godes is den Kinderen Godes onderlinghen ghemeen, ende niet den Vreemdelinghen, want het is daar alles soo ghemeen door de Liefde die in haar allen ghemeen is, ende alle dinghen soo ghemeen maackt, dat niemant daar yet eyghens heeft in der Herten, noch en seydt: dat is mijn, daar af men een uytwendigh voorbeeldt heeft ghesien in de oprechtinghe van Christi uyterlijcke Kercke ten tijden der Apostelen.
Alsoo wie dan noch in sich ghevoelt sulcke eyghentschap eenigher dinghen in sijn Herte, dat hy de selve, t’zy dan Have of wat het zy, sijnen behoeftighen Broeder niet wilvaardelijck en soude ghemeen maecken: die mach wel seecker wesen dat hy noch niet en leeft na de wet der Natuyren, in’t doen aan een ander, dat hy soude willen hem te gheschieden: Ick swijghe dat hy in sich souden hebben ware Liefde. Wie die niet en heeft, die en is niet herboren. Wie niet en is herboren, 2 2 Joan. 3. 3. die en mach het Rijcke Godes niet sien, dats verde van daar inne te wesen. Mach oock yemandt daar hy niet inne en is, inne blijven?
Dit zijn, ick weet het, sware, maar ware, oock klare redenen: ende daaromme oock waardigh om ernstlijck ter herten te nemen. Wonder ist boven wonder, dat Menschen sulcx in den Euangelio lesende, eñ wel merckende dat sy de Liefde niet en hebben, sich selve noch vroedt konnen maken dat sy kinderen Godes zijn, ende mitsdien sijn Erfghenamen sullen wesen: daar sy niet altoos in sich en vinden dat ghelijck is den aart van de kinderen Godes, ja nauwelijcx van de slachvreesende Knechten, Ick stelle der Loonsuchtigher Huyrlinghen aardt noch ter zijden. Ist niet sorghlijck te rusten in soo vreemden staat een eenighe Nacht, dien sy niet en weten of sy over leven sullen, ende in hazaart staan, om met de vijf dwase Maeghden, der Liefden vuyrighe eñ lichtende Olye ontbeerende, eeuwelijck buyten het Rijcke Godes ghesloten te worden?
Want die gheen kindt Godes en is, die mach’t worden, soo langhe het noch huyden heet. Die een naarstigh Knecht is in’t laten van’t verboden quaadt, uyt vreesen der Hellen, die is al op d’eerste Trappe om tot de Kindtschappe te komen. Want hy ghelooft des Heeren Woordt in sijn ghedreyghde straffe waar te wesen. Hy vreest den Heere, t’welck Wijsheyts beginne is, want hy wijckt af van t’quade. Dat ist begin om goedt ende saligh te worden, sonder dit beghin van’t quade gantsch te laten, en wort niemandt goedt, noch sonder goedt-worden saligh.
Des Knechts meeste vlijte streckt dan om t’quade te laten, niet om dat het quaat is ende onrechtvaardigh, of dat hy t’quade haat, maar om de strafs willen die hy haat, niet teghenstaande dat die goedt is ende rechtvaardigh. Maar daar teghen arbeydt de Huyrling vlytlijck om t’goede te doen, ende dat mede niet om dat het goedt is of dat hy’t lievet: maar om het Loons willen dat hy lief heeft, recht of het Loon beter waar dan t’goedt selve is, dats Godt de beloonder ende Ghever aller goede gaven. Siet soo en kent hy Godt self niet, maar sijnen Loon ende Gaven. Onkunde maackt onminne, daarom en heeft hy Gode niet lief, maar het sijne. Soo heeft de Hoere den Boel niet lief, maar het sijne: sijn buydel lieft sy, niet den Man.
De Knecht latende uyt vreese van de straf het quade, doet wel: want hy doet in sulck laten t’ghene dat hem sijn Heere beveelt, ende dat oock tot sulcken eynde als de Heere hem dat beveelt te doen, te weten om de eeuwighe ende tijdtlijcke straf te ontvlieden. Wie mach segghen dat hy qualijck daar aan doet? Wie moet niet bekennen dat hy wel daar aan doet? Wat vindtmen overvloedigher in den heelen Bybel, soo wel in’t Nieuwe als in’t Oude Testament geboden, dan dat wy t’quade sullen laten om des Heeren Rechtvaardige straf te ontvlieden?
Nu en ist niet ghenoegh datmen t’quade late ende voortaan ledigh blijve sonder t’goede te doene. Neen, het laten van’t quade dient om t’goede te moghen doen, want die altijdt quaat doet, en doet nemmermeer goet. Soo en doet hy mede niet die altijdt ledigh zijnde niet en doet, immers niet goedts doende doen wy quaat in’t laten van’t doen, dat hem te doen is bevolen, dats te winnen woecker tot de Hooftsom.
Het en is niet ghenoegh datmen zy opten wegh des Heeren: maar men moet daar stadelijck op voort gaan. Stille staan, is daar achterwaarts gaan. Soo ist mede als yemandt nu al verandert ende voort ghegaan is, soo dat hy van een Knecht is gheworden een Huyrling: ende dat hy het quade latende, met grooter naarstigheyt Deughde hanteert. Men moet bekennen, na dien in’t Oude ende Nieuwe Testament mede doorgaans wordt gheboden datmen het goede sal doen; tot wat eynde? Om het Loon te ghenieten van de eeuwighe Saligheydt. Die is belooft den ghenen die goedt doen, moghen sy dan oock zondighen die t’goede doen om t’beloofde Loons willen? Dat maghmen niet segghen: sonder oock te segghen datmen zondight in’t doen van t’ghene Godt ghebiedt, eñ dat tot sulcken eynde als Godt dat te doen ghebiedt.
Wat meer? Ist dan ghenoegh datmen in die staat blijve, een Huyrling blijve, ende op die tweede Trap des Ladders ruste, ende staan blijve, sonder voorder opwaarts te stijghen. Ist ghenoegh datmen om den Hemel tot Loon te verkrijghen, stadelijck de wercken der Barmhertigheydt hanteere, die voornamelijck ende uytdruckelijck belofte hebben van d’eeuwighe Saligheydt, 3 3 Matt. 25. 34. tot belooninghe sulcker goeder wercken? Dat moghen sich vroedt maken die sonder aandachtigh op-mercken de heylighe Schift lesen: niet lettende op Godes wille daar naacktelijck uytghebeeldt: noch op de ghedaante sijnre zielē hem in sijns gewetens Spiegele, naackt voor sijnen ooghen staande.
Want daar moet ghy, O naarstighe Huyrling bekennen te sien een Liefdeloos herte, dat die goede wercken doet, niet Gode te lief die ghy niet lief en hebt: oock niet u Naastē te


lief, die ghy mede niet lief en hebt: maer u selve te lief, die ghy alleen in allen dinghen lief hebt, bovē al eñ in alle uwe werckē soeckt ende dient, recht of ghy het alderopperste goet selve waart, datmen boven al behoort te lieven, te dienen ende te eeren om sijn selfs wille, eñ niet om sijn loons wille, dat goet is, maar minder goet dan de fonteyne daar uyt het vliedet, noch veel min om u self, die noch niet goet en zijt, als noch niet vereenight wesende met het opperste goet, sonder ende buyten het welcke niet goets en is.
Neen vriendt, die uwe trap, staat, of wegh en is noch niet d’opperste, beste ende vertste of t’eynde niet, al is sy een middel om verder ende hoogher te komen. Die altijt opte lagher trap, in’t minder goet, ende opten wegh blijft staan: en komt nemmermeer in den Hemel, tot het beste goedt, noch in de stadt Godes, daar toe het middel van trap ende wegh alleen is streckende, maar blijft eeuwelijck daar buyten, so de wegh ter stede-waart oock selve altijt buyten de stede blijft sonder immermeer daar binnen te komen. Hoort hier af d’Apostel spreken.
Ick wijse u noch een beter of hoogher wegh. 1 1 1. Cor. 12. 31. Welcke? t’Gheloove? Dat is wel t’begin, maar niet het eynde. Want des Gheloofs wercken, hoe wonderlijck, hoe mildt, hoe standvastigh die oock zijn, en helpen niet sonder de Liefde. Die is der zielen leven, sonder haar zijn oock al de wercken doot in den Onherboornen mensche. Die mach door afwenst van’t quade uyt vreese voor straf, ende uyt aanwenst van’t goede op hope van loon, bequaam wordē tot eē levendigh wercktuygh der Liefden: maar blijft daar uyt de levendmakende Gheest der Godtlijcker Liefden, de wercken sulcker liefdeloose daden blijven oock doot eñ van onwaarden voor Gode. Die is alleen het leven van alle goede wercken, niet anders dan de ziele het leven is van alle des lichaams wercken.
Hoe sal ick weten moghen sekerlijck of ick de Liefde hebbe dan niet, suldy moghelijck vraghen? Dat vraghen, dat twijfelen self zy u genoeghsame antwoorde, dat ghy die Liefde niet en hebt. Mach ooc eē Vryer die een Vrijster van hertē lief heeft, met ernst twijfelen of vraghen, of hy sijn Lief oock lief heeft? Mach t’vuyr der Liefdē oock in yemandē wesen sonder haar brandt te ghevoelen? Soo weynigh als yemandt vuyr in sijn bloote handt mach dragen sonder des vuyrs hitten te ghevoelen. Ghevoeltmens niet, soo is daar gheen vuyr in de handt, of t’is doot ende uytghebluscht, of t’is een gheschildert vuyr, een waan-vuyr ende gheen waar-vuyr.
Sal een rechtschapē Ghierigaert met ernst moghen twijfelen of niet weten dat hy t’ghelt lief heeft? T’ghelt segghe ick, daar hy nacht ende dagh op denckt, afdroomt, na loopt ende draaft, sonder hem immermeer in rusten te laten? Sal hy niet noodtlijck moeten weten, dat sijn herte is daar sijn schat is,
Leest ter voorsz plaatsen by d’Apostel, daar suldy vinden onder anderē, 2 2 1. Cor. 13. dat de Liefde niet en soeckt dat haar eyghen is, Lieve, soo ghy twijfelt, of ghy de Liefde hebt ende een kindt Godes zijt, dan of ghy een Huyrling zijt: Houdt hier stil ende ondersoeckt u selve. Ghy sult bevinden dat ghy in alle dinghen, oock in Gode self, niet en soeckt dat Godes is of uwes Naastens, te weten Godes eere, of u naastens Heyl, maar alleen u selve, u selfs eer, u selfs nut, ende dat al u doen ende laten alleen streckende is, om wat te krijghen dat ghy niet en hebt. Sal u O naarstige Huyrling, dan swaar vallen om weten: immers suldy dit aandachtelijck betrachtende, niet noodtlijck moeten weten, dat ghy de Liefde niet en hebt, maar noch een loonsuchtigh Huyrling zijt?
Laat het noch al goet zijn ende niet altoos quaadts dat ghy soeckt te verkrijghen, als te weten het ware Leven, der zielen Saligheydt, Deughde, ende al dat sijnen hebbere beter maackt, ende voornamelijck de Liefde selve. Men mach niet ontkennen dat het goede begheerten zijn, die t'ghene dat goedt is begheeren. Men moet oock bekennen, dat de Huyrling sulcke ware goeden begheerende, wel doet: Maar wat helpt altijdt sulcx te begheeren, alsmen t’begheerde noch altijdt moet ontbeeren? De Huyrling ontbeert sulcx noch altijt, soo langhe hy een Huyrling blijft. Want die sulcx heeft verkreghen en is gheen Huyrling meer, want hy heeft het ware Leven, Saligheydt, Deught, ende de Liefde selve. Die dese dinghen inder Waarheydt heeft, die en begheertse niet te verkrijghen. Wie mach begheeren te verkrijghen t’ghene hy nu al heeft? T’ is onmoghelijck.
So veele hier geseyt hebbende vã de Godtloosen onbekeerlijck, eñ oock van die noch bekeerlijc is, als die noch niet gantsch verhardt ende verduyvelt en is: oock van de bekeerde Zondaren, te weten van de slaghvreesende Knechten, ende loonsuchtighe Huyrlinghen, die gheen van allen noch niet en zijn kinderen ende Erfghenamen Godes, maar sulcx noch moghen worden, te weten de vijf laatsten, (d’eerste beveel ick haren Rechter Gode) na t’ghetuygenisse der heyligher Schriftuyren: Ende maar aanghewesen hebbende de drye verscheyden hoedanigheydē der Kinderen ende Erfghenamen Godes, namentlijck Kindt, Jongheling ende Man, die men mede klaarlijck elck na sijn ghedaante vindt in de Heylighe Schrift uytghebeeldt, ende dat (behalven tot veel meer andere plaatsen) oock eyghentlijck nopende de Kinderkens in Christo, (1. Joan. 2. 1. 12. 14. Philip. 2. 13.) de stercke Jonghelinghen, (1. Joan. 2. 13. 14.) ende Ouderen of Vaderen, (1. Joan. 2. 13. Joan. 15. 27.) &c.
Soo achte ick daar mede soo veele als hier ter saken noodigh was, ghestelt te hebben: sonder my te bemoeyen met meer hier te schrijven, of u met lesen, van dese drye oudtheyden der kinderen Godes, ende dit om deser oorsaken willen. Eerst om dat den kinderen Godes niet noodigh en is uyt des Godtlijcke Schrifts ghetuyghnis self, veele min uyt my (diens ghetuyghenis daar by niet waardigh is ghenomt, swijghe ghelesen te worden) te hooren dat sy kinderen Godes zijn, want sy’t al tsamen ontwijfelijck in bevindtlijcker waarheyt selve weten, uyt welcke sekerheyt bestaande in des heyligen Gheests levende tuyghnisse selfs, sy tot Gode roepen Abba Pater. Ende want sy alle van den heyligen Gheest selve bestiert werden in't licht der Waarheydt, soo wetet ende kent elck inder Waarheyt sijnen staat, ende en mach daarom een kindeken in Christo sich niet des Mans, noch oock de Man des Ouden of Vaderen staat aannemen, maar elck binnen sijn mate blijvende kent, houdt ende draaght sich in sijnen state voor dat hy is. Dit en is soo niet


metten ghenen die noch niet verlicht en zijn metten heyligē Geest, als noch niet uyt Gode herborē zijnde, daar sich de godtloose Schijndeught; anderen meer dan hem self van sich selven geloovende, wel eenighsins vroedt kan makē, dat hy eē kint Godes sy, ick swijge van de Knechten eñ Huyrlingen. Welcke drye ick haar selven (om sulcx so veel in my is, te helpen voorkomen) hebbe willen soo breedt voor ooghen stellen: dat sy lichtelijck sullen mogen inder waarheyt weten, dat sy noch gheen kinderen Godes en zijn, maar onboetvaardighe Godtloosen, of Knechten, of Huyrlinghen, die gheen van allen, sulcx blijvende; ende noch tans tot meerder voordering middel hebbende; gheen deel moghen hebben noch ghemeenschap in de erfnisse Godes, metten Kinderen Godes. Want soo sy in de H. Schrift komen te lesen van Godloos, Knecht of Huyrling, sy sullen daar by oock mogen sien aan der selver gheneghentheyt, oordeel, lust, begeerten, wil, doen of laten, mede aldaar beschreven, wat elcks haarder eyghentschap ende aart is. Die dan daar stille houden, t’ooghe vande spiegel der H. Schrift inwaarts keeren op haar gheweten en de herte, ende op haar eyghen gheneyghtheyt, oordeel, lust, begheerten, wil, doen ende laten: die dit doen; seg ick; onmoghelijck ist, of sy sullen sich self alsoo met aandacht inder Schriftuyre, ende haars herten spieghele spieghelende, moeten vinden te wesen van ghedaante een Godtloos, Knecht, of Huyrling ghelijck. Machmen ontwijfelijcker kennisse der waarheyt vinden, dan uyt sulck aandachtigh ondervindē uyt des H. Schrifts ghetuyghenisse ende sijns selfs gheweten of Conscientie van sijn gheneghentheydt, lust, wil, handel ende wandel? Komen sy dan oock te lesen van den aart der Kinderē Godes, mede in de H. Schrift ons klaarlijck voor oogen uytghebeeldet zijnde, ende sy haar ooghe daar na van de H. Schrift op haar herte slaan, ende dat innerlijck met aandacht doorsien: wat swarigheydt sal’t haar meer vallen, dan’t metten lijflijcken ooghen valt by daghe swart uyt wit te kennen ende te onderscheyden, te kennen ende onderscheyden haar self vanden Kinderen Godes, welcker aart den haren soo onghelijck is, als die witte de swarte verwe onghelijck is.

Het Derde Boeck.

Dat het lesen der H. Schrift is bevolen, tot wat eynde
ende hoe die wel ende qualijck wordt ghelesen.

j. Hooft-stuck.
Dat het nutter is Gode self, dan Menschen te hooren spreken.

Dat alle Menschen van self zijn onwijs, en behoeft geē bewijs. So mede niet dat Godt selve de Wijsheyt is. Die is ooc de Liefde: welcx aart is elck te helpē. De menschen dooldē door onverstandt, die t’quade voor goet ende t’goede voor quaat oordeelden, ende moesten alsoo int verderven swerven.
Daar toe en hadde Godt den Mensche niet gheschapen, maar tot sijnen beelde, dats tot saligheyt. Alsoo heeft sijn Wijsheyt uyt liefde haar self ons willen openbaren, ende als een licht onser paden willen voor ooghen stellen: ende dat in geschrifte, eerst door Moysen ende den Propheten, ende daar na door den Euangelisten ende Apostelen: waar inne hy ons aanwijst sijnen wille ende wegh ten leven: ende daaromme ghebiedt dat wy die sullen lesen, Deut. 31. 12, 17. 19. Josue 8. Psalm 1. 2. Joan. 5. 39. 1. Thess. 5. 27. Tot de H. Schrift wijst Godt ons over al, maar nerghens tot menschelijcke schriften, glosen of uytlegginghen.
Men moet het dan belijden te wesen een openbare verachtinge Godes ende zotte vermetelheyt, datmen zondelijck verlaat Godes woort selve, dat Waarheydt is, ende niet en mach bedrieghen: om met authoriteyt te lesen Menschen schriftē die waan zijn ende mogen, ja erghens inne moeten bedrieghen. Ist niet sekerder Godt self te hooren spreken in de H. Schrift, dan Menschen in hare glosen?
Godt self spreeckt door sijnen Gheest der Waarheyt in sijnen beschreven woorde; een ontwijfelijcke tuygenisse der Waarheyt. Als wy die met aandacht lesen, soo spreeckt Godt oock self tot ons. Tot ons spreeckt Godt inde H. Schrift, maar soo niet in eenighe andere schriften. Daar sprekē Menchē die veele dinghen niet en weten, veel al loghenachtigh zijn ende die alle in veelen missen; 1 1 Jaco. 3. 28 maar niet Godt selve die niet en mach missen, als wesende alwetende ende self de Waarheyt. Willen sy niet bedroghen zijn, die meer tijdts te kost legghen ende naarstiger zijn om Menschelijcke schriften te lesen dan de Godtlijcke? Immers die de Godtlijcke selve hebbende Menschen schriften lesen? Kaf voor koorn soecken?
Ick spreke hier Leser van’t lesen om den wille Godes te verstaan, die te doen, ende van quade in goede menschen te veranderen: ende niet om nu in dese tijden nutbare waarschouwinge te verstaan voor der Menschē schriftē: die t’volck af-locken van de Godtlijcke tot haar schriften ende Predicatien: onder t’decksel datmen sonder haar uytlegginghen eñ glosen de Godtlijcke Schriften niet en mach verstaan. Mach het naackt aanwijsen van grouwelijcke Dolingen inde Menschelijcke schriften, op dat sy die verlaten ende de Godtlijcke Schriften souden lesen, oock yemant schadelijck zijn? Sulcke afwijsinge tot de Godtlijcke Schriften zijn nu ter tijdt hooghnoodigh, ick swijghe nut, geworden (Godt betert) door de menichfuldigheydt der menschelijcke Dolingē nu loop hebbende, die meest al van de Godtlijcke tot haar schriften aanwijsen: daar door meest elck begeerlijck de Menschelijcke schriften leest: ende daar tegen selden de Godlijcke, ende dat noch niet na t’behooren.
So veroorsaken de nieuwe ende onbekende Doolzieckten die daghelijcx opkomen, het naspeuren van nieuwe ghenees-drancken ende zalven: diemē doch nergens beter eñ gewisselijcker en mach vinden, dan in den heylsamen ouden Apoteke des beschrevē woorde Godes.


Daar toe ende niet tot Menschelijcke lapsalverijen wijse ick elcken aan, oock niet tot mijne schriftē die mede een Mensche ben, dickmalen ghedoolt hebbe, ende noch mach dolen. Acht my (omsichtighe Leser) te zijn maar een stemme, die roepende wel gheluydt sla, om u wacker, maar gheen woort voort brenge om u verstandigh te maken, dat Godes werck alleen is: soo dat ick beneven mijn stemmelijck roepen maar metter handt u aanwijse opten heylsamen Apoteecke des beschreven Woorts Godes.
Daar op wijse ick niet alleen van andere Menschen, maar oock voorneemlijck van my selve ende van mijne schriften, dats van mijn duyster Lampgē tot die klare Middagh-sonne, over al voor allen Licht-begeerders schijnende, ende vol alder gheneselijcke kruyden wesende, sonder yet fenijnighs in sich te hebben. Wildy sien waar ghy gaat, daar is het ware Licht te vinden: begeerdy ghenesinge, daar vindt ghy niet alleenlijck heylsame beschreven raadt teghen uwe qualen, maar oock ware gheneesdrancken, heelende plaasteren al ghemaackt, ende ghesondtmakende kruyderen bereydt voor alle qualen, sieckten eñ wonden der zielen.
Want daar, daar seg ick, ende niet inder Menschen dichten, glosen ende Predicatien, vendtmen ontwijffelijck ende nergens anders het beschreven Woort des eenigen eñ waren Medecijnmeesters der zielen, het welcke, 1 1 Luc. 5. 31. ende niet der Menschen woorden, God self ons allen uyten Hemel roepende, bevolen heeft te hooren, segghende: Hoort hem: 2 2 Mat. 17. 5. want hy self is het woort des Levens, dat levēdigh maact, het ghesonde Woordt dat ghesondt maackt. 3 3 Tit. 2. 8
Laat varen de bedriegelijcke Lapsalvers, die t’ghelt van u nemen sonder u ghesontheyt te gheven. 4 4 Joan. 7. 17 Roert maar des waren Medecijnmeersters zoom, ghy wort ghenesen. Want al wie de H. Schrift leest met ernst om Godes wille te doen, die sal verstaan dat Christi leer niet en is als ander menschen leer uyten menschen, maar uyt Gode. Die dit verstaat, die walght van aller Menschen woordē, die verlaat hy eñ volght voorts aan alleenlijck Christum na, als nu wetende inder waarheydt, dat hy heeft de woorden des eeuwighen Levens.
Immers hy self is het Woort, daar de ziele alleen by wort verzadet. 5 5 Mat. 4. 4. Dit wort u allen om niet aangebodē vanden mildē Vader in sijnen beminden Sone: waarom bestedy u silver om broodt dat geen broodt en is, 6 6 Isa. 55. 2 maar alleenlijck schijnt, ende uwen arbeydt om versadinghe dat gheen versadinghe en is: ende zijt ghelijck als de gene die hongherigh zijnde droomt dat hy eet, maar als hy wacker is geworden, 7 7 Isa. 29. 8 zijn ziele ydel vindt.
Verlaat sulcke tooversche droomē, verwerpt dat dierghekochte menschen-draf, eñ omhelst het om niet geschonkē Hemels broot, 8 8 Isa. 55. 2 hoorende hoort den Heere, eet het goede, eñ uwe ziele sal in vetheydt verlustigē. 9 9 Isa. 55. 3 Neyght u oore (niet meer onder menschen, maar onder Gode self) die roept: Comt tot my, hoort ende uwe ziele sal leven.

ij. Hooft-stuck.

Tot wat eynde men de Godtlijcke Schrift sal lesen.

Ghelijck nu de Godtlijcke Schrift door des heylighen Gheests in-gheven by den
mannen Godes is gheschreven, ten eynde datmen die soude lesen, d’welck ons daaromme oock van Gode werdt bevolen, soo nu hier voor is gheseydt ende bewesen: 10 10 iij. 1. 5. 2 Soo is sulck lesen oock niet vergheefs allen menschen soo ernstlijck bevolen, maar heeft sulck ons lesen niet min dan der Godtlijcker mannen schrijven mede sijn eynde daar toe dat behoort te strecken.
Vraaght yemandt wat dit eynde is, daar toe lesen der Godtlijcker Schriftuyren behoordt te strecken? Dien sal d’Apostel antwoorden datmen die sal lesen om daar uyt te leeren, wantse tot dien eynde is gheschreven. Want seydt hy, al watter is gheschreven, 11 11 Roma. 15. 4 1. Cor. 9. 10. dat is tot onser leeringhen gheschreven.

iij. Hooft-stuck.

Van tweederley leeren, namenlijck leeren verstaan ende leeren doen, ende eerst van’t eerste.

Niet anders ooc dan het lesen des Schrijvens ende het leeren lesens eynde is, soo is mede het verstaan leerens eynde. Want alsomen schrijft, op dat het soude worden ghelesen, so leest men om dat men door’t lesen soude wat leeren, ende soo leert men, om t’gheleerde te verstaan.
Daar is noch een ander leeren, te weten leeren doen: dat is, datmen leere doen, t’ghene men nu al heeft leeren verstaan. Merckt Leser, ick handele nu van deughde te leerē, t’welc strect tot goet worden. Nu bestaat alle deughde in verstandt ende oeffeninghe: soo dat het gheen deughde en is, daar een van beyden ontbreeckt.
Al watmen nu al wel verstaat en kanmen daaromme niet terstondt wel doen: maar al watmen wel kan doen, dat verstaat men oock wel. Het verstandt is snel, maar de oeffeninge niet: Want dese eyscht dickmaal eē selve ding te hanteren of doen, dat niet en mach zijn sonder tijdt: maar t’verstandt komt alleen door een bloot aanschouwen met aandacht van de waarheydt.
Dese kennisse dat verstant is, heeft dē voorgang.Want gheen werck of oeffeninghe sonder verstandt mach goedt zijn. Eerst moetmen verstaan daar na wort het wel ghedaan,sal’t werck goedt zijn. Daarom sal hier oock dē voorgang hebbē het leeren verstaan; omme daar na oock op sijn plaatse te handelē van’t leeren doen, om t’welck men leert verstaan.
Verstaan is kennen met onderscheydt, van der dinghen ghedaante of van der woorden meyning eñ dit waanlijck, of waarlijck. Van beyde seydt Lucas: 12 12 Luc. 1. 4 op dat ghy sout mooghen kennen de waarheydt der dinghen, van welcker woordē ghy zijt onderwesen. Lichter verstaat elck de woorden die van Godt selve die alder dinghen wesen is.
Dit verstaan verstaatmen ghemeynlijck voor weten, maar dat oneyghentlijck. Want daar is verstandt dat uyt lesen, hooren seggen of uyt redenen alleenlijck komt, t’welck meest niet en is dan wanen of vermoeden, eñ en verdient sulcx den name niet van weten? Dat een ontwijfelijcke kennisse is uyt ondervonden Waarheydt veroorsaackt zijnde. Weynigh menschen hebbē desen onderscheyt, ende daar door bedrieghen veele menschen sich selve: 13 13 1. Cor. 1. die te vroegh wanende te weten, noch niet en weten soo sy weten souden. Van elck wil ick wat segghen ende van dit leste lest.


Dat het lesen dient om datmen het gelesene soude verstaan, sietmen inde H. Schrift daarmen leest al dit: 1 1 2. Esd. 8. 5 Eñ sy lasen in het Wet-boeck Godts klaarlijcken ende verstandelijcken, soo datment verstondt doe ment las: so seydt oock Salomon sijne sproken te dienen om verstant te leeren, 2 2 Pro. 1. 2 daar toe dient dan ooc het lesen vande selve, ende zijn die oock ten selven eynde geschreven.
Eñ seyt mede de Heere: 3 3 Mat. 24. 15 Die het lesen die verstaan het, als willende segghen, men leest om t’gelesene te verstaan, want lesen sonder verstaan, is (somen recht seyt) verloren werck gedaan. 4 4 Mat. 13 19. Dit wast oock dat Christus seyt: als yemant het woort des Rijcx hoort eñ niet en verstaat: so komt de boose, eñ nemet wech dat in sijn herte is gezaayt: dat is de ghene die by de woordē na des geluyts klanc indē ooren, sonder de selve na haar rechte sinne te weten in hare hertē. 5 5 Mat. 15 16. T’welck niet seldē voor den Pincxter dagh is gheschiedt inde Apostelen selve. 6 6 Mat. 16 9.
Anders ist met het sekere weten uyt ondervinden. Soo wist Godt nu in Abraham, of (wilmens recht segghen) 7 7 gen. 22. 12 Abraham in Gode dat hy den Heere vreesde, om dat hy sijnen eenighen Sone niet en hadde gespaert: t’welck d’alwetende Godt te voren wel wiste: maar en mocht het Abraham voor sulck versoecken ende ondervinden niet sekerlijck weten.
So wist Jethro dat de God Israels groot is boven alle Goden, 8 8 Exo. 18. 11. vermidts het ondervindē dat de Heere sijn volck uyt Pharaons hant hadde verlost: 9 9 Joan. 9. 7 25. So wist de ghenesen blinde dat hy blindt was gheweest, ende dat hy nu sach: eñ so wiste Petrus in ondervindelijcke waarheyt 10 10 Act. 10. 34 dat Godt gheen uytnemer en is der persoonen.
Let hier wel op in al u woorden ende wercken. T’is geen kleyne wijsheyt te konnen onderscheydē wat ghy weet, of wat ghy waant. De waan mach bedrieghen, immers die bedrieght meest: maar het weten en mach niet bedrieghen. Waan is een twijfelijcke toestemminghe van t’gheen dat soo schijnt te wesen: maar weten is een ontwijfelijcke kennis des dings soo’t inder waarheydt is. Waan bestaat in een vermoedelijck gissen: maar weten bestaat in vaste redeneringh ende opmerckigh ondervinden. Vierdy dan altijdt van yet te doen uyt waan, ende doedy niet dan uyt weten, soo mooghdy nemmermeer dolen, veel min qualijck doen. O hoe saligh is de mensch die in allen weet of rust!

iiij. Hooft-stuck.
Watmen eerst sal leeren verstaan.

Men verstaat dingen die daar zijn of wesen hebben: ende niet t’ghene dat niet en is. Hier af maghmen wanen datmen wil, maar niet weten wat sy zijn. Hoe soude tghene niet en is geweten mogen worden wat het is? Alle wesen heeft sijn eyghen ghedaante of forme: maar t’gene niet en is en magh gheen forme of gedaante hebbē. Maghmē oock waarlijck seggen dit of dat is niet, eñ tis sodanigh?
Nu werden alle dinghen die daar zijn, elck van anderen onderscheyden: door elcx eyghen ende sonderlinghe ghedaante, die elck op sich selve buyten alle andere dinghen heeft: eñ daar door elck ding na sijn wesen wat anders is dan een ander ding.
So heeft een steen na sijn wesen een ander gedaante na sijn leveloose hardigheyt dan, een groeyende Boom die wesen ende leven heeft: ende een Boom een ander ghedaante dan een dier dat wesen, leven ende daar by oock ghevoelen heeft: ende wederom een dier een ander dan een mensche, die wesen, leven, ghevoelen ende weten met reden heeft.
Nu verstaatmen de dingen wel of qualijck, dat is so sy zijn, of anders dan sy zijn. Dit lest is gheen verstaan, maar wanen. Het wanen is twijfelijck verstaan ende menighvuldigh, want men mach van alle dinghen soo wel loghen als Waarheydt wanen: maar het wel verstaan is seker weten ende eenvuldigh, want men mach van elck ding niet dan waarheydt weten.
Een ding wordt wel op menighvuldigher wijse ghewaant: als Godt, die elck mensche na sijn verscheyden inbeeldinghen op sijn verscheyden wijse verscheyden van ghedaante te wesen waant: maar Godt als een eenvuldigh wesen zijnde, en magh niet dan op eenreley wijse ende hoedanigheydt inder waarheydt worden ghekent, verstaan ende gheweten, so hy in sich selven is.
Dit wordt al te veel, leyder, bevonden aande menighvuldighe twisten van Godes hoedanigheyt, so in sijne wesen, als in sijne wercken: die nergens anders uyt en worden gheboren dan uyt het blindt ende vermetel toestemmen van des waan-wetens menighvuldigheydt: daar in’t teghendeel onder den genen die de dingen wel verstaan, geen twist altoos en magh wesen: gemerckt sy niet onbekents uyt waan toe en stemmen, ende van den dinghen die sy wel verstaan, dat is, die sy inder waarheydt weten, eens gesint zijn, eenderley kennisse hebben,eñ eenderley spreken van allen dinghen.
Hoe soude onder sodanige oneenigheyt, twist of tweedracht mogen zijn? Niemant van sulcke rechtverstandighen, en spreeckt boven sijn verstandt, ende en mach daaromme gheen onwaarheyt van eenighe dinghen spreken: ende alle sie spreken t’gene sy recht verstaan, moeten sy nootsakelijck over een stemmen: want elck ding mach maar eenreley na der eenvuldiger waarheydt verstaan worden: ende spreken mitsdien sy alle, van’tgunt sy verstaan eenreley: ende van t’gunt elck weet dat hy niet recht en verstaat, en spreeckt niemandt van hen allen. Soo spreekt niemandt onder alle dese rechtverstandigen anders van de dingen dan ander. Mach daar om kennisse vande dinghen, oock eenighen twist rijsen, ick swijghe blijven?
De vermetele waan is dan alleen alder twistigheyden oorsaack, maar de sekere kennisse der waarheyt maackt gelijckheyt, eendracht, vrede, ende brengt de soete rust onder dē menschen. O hoe saligh zijn de menschen die haar sorghlijcke waan verlaten, omme de veylighe: ende heylige waarheyt alleen aan te hangen

v. Hooft-stuck.
Wat Waarheydt is.

Hier sal moghelijck yemandt met goede reden my mogen segghen aldus: Hoe salmen sekerlijck moghen weten wat Waarheyt is? waar by salmen haar in haar selve, dats inder waarheydt moghen ontwijfelijck kennen? Der Kerckē zijn veele, der Leeraren ontallijck, elck leert anders dan ander, elck seyt dat hy de waarheyt heeft eñ leert. Verscheyden saken mogen niet een selve sake zijn. Daar


mach maar van allen een ghesintheyt de ware zijn, maar wel mogen sy al tsamen onwaarheydt leeren, vermidts sy de Waarheyt selve niet en kennen, swijghe in alles (so sy wanen) hebben. Wat is dan de Waarheyt? Wat is haar ghedaante of werck daar aan mense sekerlijck mach kennen?
Dits wel ghevraaght: is mijn antwoorde die vraghe nu ghelijck, sy sal waar zijn. De Waarheyt selve Jesus Christus, seyt self van. sich selve: 1 1 joan. 14. 6 Ick ben de Waarheyt. Gheloofdy nu des Waarheyts woordt, so gelooft mede, dat sijn leven ende wandel d’eenighe wegh ten leven is, t’welck Christus beyden mede selve is, soo hy self alle dese drye van sich selve teffens uytspreeckt met dese klare woorden: Ick ben de Wegh, de Waarheyt ende het Leven. 2 2 joan. 14. 6.
Dat ick nu Jesus wandel de wegh noeme te wesen, is kenbaar dat by dit wordt, Wegh, doorgaans in de heylighe Schrift wordt uytghesproken des menschen wijse van leven, gewoonte, handel ende wandel so wel in’t quade als oock in’t goede. 3 3 Gene. 6. 12 Int quade leest men: Ende alle vleesch hadde sijnē wegh verdorvē (Judic. 2. 19. 3. Reg. 15. 26. 34, 16. 2. Prov. 2. 13. 15. Psal. 1. 6. Pro. 4. 14. Isa. 8. 11, 47. 15. Jere. 2. 23. 33, 3. 21, 26. 3. 18. 11, 23. 22, 25. 5, 4. 18 Ezech. 13. 22, 20. 44. Sach. 1. 4. Eph. 2. 2.) Eñ wert sulcx mede in’t goede also genoemt: De recht vaardighe sal sijnen wegh houden. 4 4 Job. 17 Item die sal u van mijne wegen vermanen, die daar zijn in Christo Jesu. 5 5 1. Cor. 4. 17 Eñ Gen. 18. 19. Job. 17. 4, 23. 10. Exo. 32. 8. Psal. 1. 6. Pro. 4. 13. Jer. 18. 11, 7. 3. Mat. 7. 14, 21. 34. &c.
So is dan oock de rechte wegh het Leven, de zeden ende wandel onses Heeren, dits de wegh sijnre voetstappen, 6 6 1. pet. 2. 21 dese beveelt hy ons na te volghen, 7 7 Mat. 11 29 dat is sijn ootmoedigheydt, sijn sachtmoedigheyt ende sijn weldadige goedigheyt, liefde ende gedult tot allen menschen stadelijck ende dadelijck (niet waanlijck) hier ter Werelt (niet hier na, daar’t eynde is ende gheen wegh meer) te bewijsen.
Dit is de ware ende rechte wegh tot Godewaart, 8 8 Isa. 35. 8 een heylige ende veylighe wegh, daar op niemandt, oock de zotten niet, en mach dolen. Bevindy Leser dat ghy in dese wegh zijt, ende daar sonder stille staan altijdt op voortgaat, soo weet ghewis dat ghy de Waarheyt ghelooft, eñ dat ghy soo doende, in sijne woorden blijft. 9 9 joan. 8. 31. Wat is anders het blijven in Christi woorden, dan te doen dat hy ghebiedt.
Die soo in Christi woorden blijft, 10 10 joan. 8. 32. sal de Waarheyt die hy eerst gheloofde, dan te recht bekennē. Want hy sal inder daat bevinden dat hem die wegh brengt in’t Leven, want derwaart streckt sy, eñ daar moet de volherdighe navolger van des Heeren voetstappen eñ stadighe voortgangher op desen wegh ontwijfelijck komen. Want de Waarheyt en lieght niet, die oock selve het leven is, daar hy, die oock de Wegh is, alleen ende altijt toe brengt.
Dan weet hy dat de Waarheydt hem heeft vry gemaact van de Logē, eñ des selfs valch bedrogh, die hem te voren door’t navolghen vã sijn valch waanlustē eñ begeerlijckheyden ende door’t hanteren der zonden, 11 11 Jac. 1. 15. die den wegh ten doode is, ghebracht hadde inden doot, in’t helsche wroegē eñ in’t quellijcke ongenoegen.
Overlegt dit nu eens, goedighe Leser, by u selve: als ghy indē Euangelie leest van Christi willigh derven aller wellusten, sijn geduldigh lijden voor onse zonden, dat hy noyt mensch quaat en dede, alle Menschen goet dede, dat hy nerghens sijn eygen, maar over al sijns Vaders eere sochte, ende dat hy altijdt van sijnen wille vierde, maar in allen sijns Vaders wille dede, daar toe hy oock was gekomen. Overlegt segghe ick noch, als ghy sulcx leest, in welcke ghy dese stucken gelijckformigh, of onghelijck zijt.
Doedy dit met rechten ernst, sal’t oock mogelijck zijn, dat u in desen de Waarheyt verborgen mach blijven, het zy dan of ghy sulcke Christ-ghelijckheyt bevindt, dan niet? Voorwaar gheensins. Want dat evenbeeldt Christi en mooghdy buyten u weten niet in u hebben: t’welck ghy dan siende inden spiegele des levens Christi, niet anders en mooght kennen dan Christformigh, ende moet mitsdien die Waarheyt ontwijfelijc kennen ende sekerlijck weten, dat ghy uyt ghenaden zijt gheworden een levendigh lidtmaat, broeder ende mede-erfghenaam Christi.
Maar bevindt ghy’t anders, bevindy die wandel-wegh ende leven Christi niet in u, soo dat ghy u lusten noch volght, in lijden ongheduldigh zijt, hooghmoedigh, ongoedigh, wraackgierigh, soo dat ghy niemandt goet doet dan om u selfs willen, velen quaat doet, nergens Godes, over al u eyghen eere soeckt, ende nemmermeer Godes, maar altijdt u eyghen wille doet: suldy niet, oock uwes ondancx, moeten weten de sekere Waarheyt, dat ghy noch gheen Christen, maar veel eer een Antichrist, dats een weder ofte teghen-Christ zijt in al u handel, wandel ende leven? Ghewisselijck ja ghy.
Soo suldy over beyden zijden de Waarheyt vinden, kennen ende weten, het ga dan oock niet u soo’t wil. Ende dal dit weten ende dese waarheyt, dat ghy gheen ding minder en zijt dan een Christen, dan noch mede al krachtelijck haar werck werckē, dat u noodtlijck eñ heylsaam is. Vraaghdy wat? Sy sal u vrijen van de Loghen, die u dede wanen dat ghy een Christen waart. Hy is naast opte wegh om een Christen te worden, die daar inder waarheyt weet dat hy’t niet en is.
Soo wederomme niemant een Christen en mach worden, die daar waant dat hy’t nu al-is, want men wordt gheen Christen, sonder begheerte om een Christen te worden. Eñ ten is niemandt moghelijck te begheeren wat te worden, die nu waant dat hy’t is. Dat was’t daar Christus seyde: 12 12 joan. 9. 41 Waart ghy blindt, so en hadt ghy gheen zonde, maar nu ghy segt dat ghy siet, so blijft u zonde. So blijven de waansatten ydel ende hongherigh als de rechte hongherighe versaadt worden.
Dit soude ick houden ghenoegh te zijn tot aanwijsinge vande Waarheyt ende des selfs kennisse: Maar want ick sie dat de selve soo weynigh menschen recht bekent is, als sy van veelen hoogh beroemt wort, eñ als oock haar kennisse boven allen dingen elckerlijck hooghnoodigh is, soo en hebbe ick niet konnen laten dit korte toewerpsel hier by te stellen.
Waarheyt is een evenbeeldt of ghelijckdanigheyt in den verstande. Na dese meyninghe wert oock de Sone Godes de Waarheyt ghenaamt, 13 13 a Colos. 1. 15. 2. Cor. 4. 4 Rom. 8. 24 eñ het a Evenbeeldt des onsienlijcken Godes: dat is sulcken oprechten ghelijckdanigheyt des Goddelijcken wesens (dat van sijn selfs wesen sprack: 14 14 b exo. 3. 14 b Ick ben die ick ben) dat oock de c Waarheydt self van sich selven 15 15 c Joan. 14 6 heeft gheseyt: d Wie my siet, die siet oock den Vader. 16 16 d Joan. 14 9
Waaromme dat? Om dat in Christo soo volmaackte gelijckdanigheyt sijnes Vaders


is: dat hy met sijnen Vader een is. Eñ daar mede zy hier nu ghenoegh, 1 1 Joan. 10 30. 17. 21. na mijns voornemens eysch alhier, van de Waarheyt, om te weten wat de Waarheyt, is. Ghemerckt sy haar selven klaarlijck openbaart in de Godtlijcke Schrift, ende den ghenen die de selve te recht leest, over al van self int gemoete loopt.

vj. Hooft-stuck.
Wat Waarheydt, of van wat saken men Waarheyt sal leeren kennen.

De tijdt is hier kort, die doot is snel, maar hier na salmen eeuwelijck saligh leven of oneyndtlijck sonder sterven sterven. Die dit ter herten neemt, besteedt de snelvluchtige tijt aan’t leeren verstaan des heylsamen Waarheyts.
Ghy segt, al is de Waarheydt eenvuldigh ende niet dan een, soo hebben nochtans alle dinghen die zijn of recht mogen bedacht worden, elck haar bysondere Waarheyt van haar ghedaante, die oock elck ding sijn bysondere heeft. Ghelijck maar een eenighe Sonne zijnde, ende niet dan een eenigh Licht, dat in de Sonne onverscheydelijck is, ende nochtans op elck ding daar op het schijnt of straalt, sijn eyghen Licht te recht mach gheseydt worden te hebben. So seyt dagelijcx d’een mensch wel tot d’ander tsamen in de Sonne staande: staat uyt mijn licht, t’welck nochtans niemandts eyghen, maar elck een ghemeen is van naturen. Na dien dan de dingen veele ende menigvuldigh zijn, ende de selve op dese wijse elck haar bysondere Waarheyt hebbē, wat waarheyt ist van allen, die men sal benaarstighen te verstaan?
Ick antwoorde die nut ende noodigh is. Nut is de Waarheyt gheweten, die voordert: ende noodigh, sonder welcx kennisse niemant en mach komen tot goetwordinghe: te weten dat elck die Waarheydts kennis hoort te bespeuren, die elck in sijnen state nut ende noodigh is om weten, ende gheen ander: oock soo veele hem daar af nut ende noodigh is, ende gheen meer dan noodturft.
So is dan godtloosen niet alleen hoogh nut, maar oock noodigh de Waarheyt der schrickelijcke Donderslaghen, die soodanighe in de H. Schrift vreeslijck den toorn Godes dreyghende, moghen wacker maken uyt den roeckeloosen slape vander zondē gewoonte, want die eyghentlijck voor hem zijn gheschreven ende sich moet toe eyghenen, waar hy sodanighe leest, doch t’ooghe by wijle oock slaande opte sproken, dat Godt niet en wil der godtloosen doot, maar dat hy sich bekeere ende leve.
Want soo nut als voor den Godtloosen de wanhoop is van saligh te mogen worden; indien hy volherdigh blijft in sijne godtloosigheyt: so noodigh is hem het voncxken hoops van noch te moghen saligh worden, soo hy in ernstelijck voornemen quame van sijne godtloosigheyt te verlatē, ende een Knechte te worden in den huyse Godes, daar hy nu niet alleen buyten ende vreemt is, maar daer tegen hy sich nu oock bevindt een vyandt te zijn.
So is oock de Knecht, nu al boetvaardigh, ende in des Heeren huyse wesende, noodigh de Waarheyt te verstaan ende stadelijck voor ooghen te hebben, die Waarheyt der H. Schriftuyren, die den quaatblijvenden knechten, dat is die haar quaat niet en laten, maar telcken metten ghewasschen zeughe weder wentelen inder zonden slijcke, haar mede knechtē slaan ende stadelijcken te hanteren t’gheen de Heere haar verbiedt, ende soo blijvende, niet anders te verwachten dan een onghenadighen Heere, die sulcke quade knechten uyten huyse sal verstooten in d’eeuwighe verdoemenisse, omme deel te hebben metten vervloeckten Godtloosen.
Sulcke Waarheyts kennisse is den slaghvreesenden Knecht hooghnoodigh, op dat de stadige vreese voor’t eeuwigh verderven hem af-schricke van sijn aangewendt quaat doen: mits daar by oock al somtijdts t’ooghe wat hebbende opte Waarheyt, inde H. Schrift betuyght zijnde van de vriendelijcke goedtheydt des Heeren, die minder straft ende meerder loondt, dan na verdienste. Daar door in hem oock soude mogen verschijnen een kleyn Sterlichts hoopken, soo hy t’quade heel verliet ende niet meer en dede: dat sijns Heeren over groote goedertierenheyt, hem wel soude moghen van de knechtschap, die; so sy self eygen is, oock niet eyghens en mach hebben; dan een ghevryede Huyrling soude moghen worden, ende mitsdien mede deelachtigh zijn, de belooninghen die de Heere in sijn gheschreven Woort, den naarstigen Huyrlinghen belooft.
Op gelijcker wijse; elck in’t sijne; gaat het oock te wercke metten Huyrling in den huyse des Heeren. Want al hoe wel de knecht een weynigh hoops heeft tot verbeteringhe van sijnen state, niet teghenstaande hy min hoops heeft dan vreesen, daar na hy oock een Knecht is ende gheacht wort: so is de Huyrling oock niet gantsch vry van vreesen, van uyten huyse verstooten te worden, ende metten Godloosen verworpen te zijn, indien hy quaat dede. Des niet tegenstaande nadien hy meer hoops heeft dan vreese, niet alleen om wel gheloont te worden, maar oock mede in de Kindtschap aanghenomen ende een Erfghenaam ghemaackt te worden uyt ghenade, indien hy trouwelijck ende naarstelijc volherdigh blijft in’t goede te doen, alsoo hy vindt in de heylige Schrift, dat veele uyt vreemde Huyrlinghen ghetrou in haren dienst gheweest zijnde, totte Kindtschappe ende tot Erfghenamen aangenomen zijn gheweest door des Huysvaders overvloyende ende milde vryghevigheydt, so wort hy; na dien sijn Hope meerder is dan de Vreese, seg ick een Huyrlig, ende wert sulcx oock in de heylighe Schrift ghenoemt.
Daaromme hy gheen hoogher Waarheydt voor sich noodigh en acht in der heyligher Schrift dan die daar betuyget van des Huyrlings Vreese eñ Hope, sonder sich noch seer te bemoeyen met het naspeuren van de Waarheyt die der Kinderē aart eñ wesen betuyght, ende sonder oock die selve tot sich te trecken, alsoo hy voor seecker weet dat hy noch gheen Kint Godes en is, die alles uyt Liefden doen ende niet altoos uyt knechtelijcker Vreesen: eñ dat hy’t niet altoos noch en doet uyt Liefde, maar alles uyt loonsuchtigheydt, latende t’quade uyt vreese.
Soo veele hebbe ick moeten segghen van de Waarheyt die den Godtloos, Knecht, ende Huyrling om te leeren verstaan noodigh is. Maar nopende de Waarheyt voor den Kinderen, Jongelinghen ende Ouderen in den huyse Godes noodigh zijnde, en is mijn dincx niet om haar hier voor te schrijven, dewijle sy alle als uyt Gode gheboren zijnde, van Gode self daar inne onderwesen zijn, of sonder middel door de salvinghe sijns Gheests, of door middel der Godtlijcker Schriftuyren.


Die is haar nu een open (gheen besloten) Boeck, sy hebben suyvere open ooghen, ende zijn nu in Christo, die selve t’licht is. Daerom elck deser drye yet lesende in de H. Schrift dat hem aangaat, die Waarheyt tot sich treckt, sich die ter herten laat gaan ende die soo wel verstaat: dat gheen deser drye sich aan neemt dat tot een ander, maar elck dat hy verstaat tot sich te zijn ghesproken.
So neemt het Kindt sich niet aan, noch ten ondersoeckt niet te leeren verstaan de Waarheyt, die den stercken Jonghelinghen betreft, noch oock dese niet de Waarheydt die totten wijsen Grijsen of Vaderen is gesprokē: maar bemoeyt het Kindt sich met de Waarheyt die totten Kinderen, de Jongheling met die totten Jonghelinghen, ende de oude Vadere met die totten ouden Vaderen is ghesproken, die elck in’t sijne oock licht kan verstaan als door den Gheest der Waarheyt na elcx begrijp bescheydelijck ghematight wesende.
So is onder den Kinderen Godes die gheschicktheyt, dat niemandt eenighe Lessen der Waarheyt en bestaat te leeren, die boven noch oock die beneden sijnen begrijpe zijn. Want daar elck nu al Waarheydt af verstaat en mach hy niet begeeren te leeren soomede niet, dat hy siet niet tot hem ghesproken eñ boven sijnen begrijpe te zijn, maar vernoeght ende bemoeyt sich elck van dese in’t sijne, Kinderen met melck, ende Mannen met spijse ende wijn, ende dit al navolghende elcx haare aart der Godtlijcker natuyren, waar door elck weet wat hem noodigh is.
So weet een eerstgeboren lammeken uyter natuyren, dat hem melck, niet gras, van noode is, daarom het des Oyen mammē suyght, sonder t’gras te eten dat voor hem leydt. So verlaat een jarigh Schaap de melck ende eet gras, ende soo biedt de Oye ghelamt hebbende, haar Lammeken de mam.
Als dan Godtloos, Knecht, Huyrling, Kindt, Jongheling ende Man, om hare zielen te weyden door’t middel van’t lesen der heyliger Schrifturē, in desselvens vruchtbaer weyde gaan weyden in’t naspeuren of leeren verstaan van de Waarheyt omme die te kennen: ende elck sijnen staat of aart te recht kennende, oock mede wat sijn eygentlijck voedtsel is, na gheen ander Waarheyts kennisse en speurt dan hy nu weet hem na sijn aardt noodigh te wesen: mach oock yemant dese Waarheydt, die eyghentlijck sijn voedtsel is, ontbreken, in die weeldighe ende Godtlijcke weydevan waarheyden ende voedtsel voor alle dese ses staten over al overvloeyende? Mach oock yemant van allen, elck tsijne kennende, ende dat alleenlijck tot sich nemende, dolen, sich vergrijpen of bedervē in’t lesen vande Godtlijcke Schriftuyre?
Dit wil d’Apostel daar hy schrijft: Want door de ghenade die my ghegeven is, ghebiede ick eenen yeghelijcken, dat niemandt en ghevoele, boven het ghene dat hy behoort te. ghevoelen, maar dat sijn gevoelen zy tot matigheyt, na dat Godt eenen yeghelijck na de mate des Gheloofs gedeylt heeft, Rom. 12. 3.
Katten eten kattekruyt, Honden gras, elck Dier t’sijne dat hem nut is, of tot sieckts verdrijvinge, of tot voedtsel elck na sijnder aart: ende soude de Mensch met de Godtlijcke redene boven alle Dieren begaaft zijnde, niet konnen mercken (so hy op sijn aart ende t’geschreven Woordt aandachtigh merckende, Gode daarom uyt noodt wilde bidden) hoedanigh hy is, ende wat Waarheyts kennisse noodigh is in sijnen teghenwoordighen state? Hoe soude Godt den rechtbiddendē sulcx moghen weygheren die sijne Woorts ghetuyghnissen als een Spiegel van smenschen herte tot dien eynde voornaamlijck in gheschrift voor Menschen van alreleye staten voor ooghen heeft doen stellen, op dat elck sijn behoefte kennen, ende desselfs verkrijghen benaarstighen soude moghen, ende saligh worden?

vij. Hooft-stuck.
Noch van dryerleye saken, daar van men de Waarheyt te recht leert kennen.

In de H. Schrift vindtmen onder verscheyden andere saken, oock drie saken die de Leser met goede oorsake mach benaarstigen om Waarheyt, die daar staat, te mogen verstaan: 1 1 j. ij. iij. namentlijck die hy ontwijfelijck merckt niet te zijn boven sijn begrijp: die den niet-weter in sijn quaatheyt doet blijven ende verstijven: ende die den weter beter ende tot hooger kennisse bequaam maackt.
Aangaande t’eerste, Ick en meyne niet datter eenigh Mensche leeft boven de twintigh jaren gekomen, ende sijnder zinnen machtigh zijnde: die nu niet al dickmalen heeft ondervonden, dat het volghen van sijn goedtduncken, lusten ende eygen wille hem altijt brengt tot zonden, in verdriet ende in onrustigh ghequel. Want dat niet en mist, of zonde brengt onvermijdelijck sijn eygen boet ende straf met sich.
Als dese dan komt te lesen inde H. Schrift, d’eerste lesse, allen zondaren te leeren bevolen, van ons self te verlaten: soo mach hy niet alleen lichtelijck merckē dat die lesse Waarheyt is, ende dat hyse voor sulcx verstaat: maar hy moet die oock sijns ondancx verstaan Waarheyt te wesen, ende hem die tot een lesse ghegheven te wesen.
Want na dien hy uyt ondervinden met reden nu weet, dat hem quaat is sijn lusten ende eyghen wille, dats hem selve te volghen: hoe mach hem verborgen blijven dat sulcx te laten hem goet soude wesen? Heeft hy met redene bevonden dat sijn Toornigheyt ende Hovaardigheyt sijn herte, als hy die toe laat in hem, altijt verstooren ende treurigh ontrusten, ende dat Duyvels juck bitter is eñ lastigh om draghen: sal hy in’t lesen van Christi woorden: 2 2 Matt. 29. 11. 12. Neemt mijn juck op u, ende leert van my, dat ick sachtmoedigh ben ende ootmoedigh van herten, ende ghy sult uwer zielen ruste vinden, want mijn juck is soet ende mijn last is licht: niet moeten merckē dat hy die woorden Christi wel mach verstaan, ja moet verstaan?
Hoe mach sulck een dan noch verholen wesen, sulcx oock tot hem ghesproken te zijn? Dat hem die Waarheydt niet alleenlijck nut maar oock noodigh is? Dat het verstaan is om te leeren doen, t’welck, soo dat daar niet na en volght, sulck Waarheyt kennen hem schadelijck is, als te meer wroeghens ende slagen toebrenghende, door’t niet doen, van des Heeren wille die hy nu eenighsins weet.
Wel aan, die sulcke ende meer andere diergelijcke Waarheyden der Schriftuyren nu verstaat, maar noch niet dadelijck en kan volbrenghen: t’welck hy mede moet leeren, sal hem de kennisse nut ende niet schadelijck zijn: wat behoeft die na meer andere kennissen van Waarheyt te wroetē voor dat hy dese bekende


Waarheyt oock heeft leerē doen? Waart hem niet nutter dat lesse eerst in beyden deelen wel te konnen eer hy gaapte na eenigh hoogher les, voor hem noch niet open of verstaanlijck wesende?
Het tweede stuck was van Waarheyt, die den niet weter in sijn quaatheyt doet blijven ende verstijven. Onmogelijck ist dat yemant ernstelijck opset soude maken omme te verlaten (ick swijghe dat hy soude verlaten) het quade, soo langhe hy t’selve door sijn verkeert oordeel goet voor sich waant te wesen: Insgelijcx dat yemandt magh benaarstigen met rechten ernst om te verkrijghen, t’gheen hy quaat voor sich waant te wesen.
Nu volgt alle Zondaar begeerlijck de zonde, ende dient die willigh om dat hy die goet voor hem waant ende lustigh: eñ vliedt daar teghen afschouwelijck van de Deughde ende is daar toe onwilligh, vermidts hy die oordeelt quaat te zijn voor hem ende verdrietigh.
So gaat het den zondaar mede met Gode ende sich selve, wanende dat Godt hem quaat is met het verbieden sijnre lusten, te weten de zonden ende ghebieden van t’ghunt hem af grouwelt, namentlijck de Deughden: ende acht daar teghen sich selve voor’t beste goet, daar door hy alle dat hy sich self waant goet te zijn, vlytelijck benaarstight te verwerven, ende het teghendeel op’t hooghste arbeydt te ontvlieden.
Dit komt alles uyt der zondaren verkeert oordeel die t’goet seggen quaat ende het quade seggen goet te wesen: 1 1 Isai. 9. den welcken so lange sy daar inne so staan begrepen, Wee wort gedreyght, ende nu al den voorsmaack van’t eeuwighe Wee in sich bevinden.
De Zondaar in sodanigen verkeerden ende verdoemelijcken loghen staande: is dan boven eñ voor allen dingen noodigh te leeren verstaan Waarheyts kennis van de Zonde ende Deughde, oock van haar selve ende van Gode. Haar is noodigh te weten der zonden dootlijcke venijnigheyt, met ooc der Deughden heylsame genees-kracht: ende daar beneven Waarheydts kennis van sijn eyghen overgroote quaatheyt met Godes onghemeten goedtheydt, dat is een oprecht oordeel na der Waarheyt van goet ende quaat.
Nu en is gheen ding in de H. Schrift overvloedelijcker eñ klaarder uytghebeeldet, dan Godes goetheyt, ende der Menschen quaatheyt, so mede der Deughden goetheyt, Edelheyt ende eeuwighe belooninghe: oock daar teghen der zonden quaatheyt, snootheyt ende eeuwighe straffe.
Dit magh over weder zijden dan licht verstaan worden, soo daar elck met sijn aardt, werck, ende ghevolghe door ende door werdt beschreven. Hier inne hoort de Zondaar sijn Hert te spieghelen, soo doende, sal hy over al vindē der zondē verderflijckheyt, der Deugdē heylsaamheyt, eñ sijn quaatheyt met Godes goetheyt, die sulck sijn verdorven schepsel soo lijdsamelijck ghedooght, dat hy hem niet alleenlijck terstont niet en werpt in’t eeuwich rechtverschult verderven; maar dat hy hem daar en boven noch so goedtlijck in sijn lieve Soons doodt het eeuwigh Leven aanbiedet om niet uyt loutere ghenade.
So gereedt als dese Waarheyden nu door de gantsche Schrift leesbaar ende open staan als in eenen klaren spieghele, licht om te leeren verstaan: so noodtsakelijck zijn die om te leeren verstaan voor allen Zondaren in de voorsz. loghen noch begrepen staande: ende soo ontwijfelijcken moeten sulcke Waarheyden recht verstaan wesende, in haar baren een ware afkeer van de verderflijcke bekende Zonde, oock toekeer tot de heylige bekende Deughde: eñ oock een ware hate tot haar selven, ende haar quaatheyt, met een ware Liefde tot Gode ende sijn eeuwige goetheyt.
Ende dit is de Waarheyts kennisse die elck aandachtigh Leser der Godtlijcker Schriftuyren licht mach verstaan: die niet verstaan wesende dē ellendigē Zondaar in sijn quaatheyt laat blijven ende verstijven: ende die verstaan zijnde, haar kenner noodtlijck beter, ja van quaat goedt maackt ende bequaam, of ontfanckelijck van hooger eñ meerder kennisse van de Waarheydt door’t stadelijck opstijghen van minder tot meerder klaarheyt.

viij. Hooft-stuck
Van datmen de heylighe Schrift sal lesen om te moghen verstaan de Waarheydt van Godes wille.

De Heere Jesus seydt: 2 2 Matth. 7. 13. Al wat ghy wilt dat de Menschen u doen, dat doet oock haar. Want dit is de Wet eñ Propheten. So strecken dan alle Wetten eñ Vermaninghen tot dien eynde, eñ dit is dan oock het eenigh Ghebodt, dat al d’ander Gheboden in sich begrijpt: sulcx dat het recht volbrengen van t’selve niet anders en is, dan Gode volkomelijck te ghehoorsamen.
De Leser van den geschreven woorde Godes met aandacht op dese woorden merckende, moet, ick swijge magh, by sich dencken aldus: Mijn dienaar of dienstmaarte, die ick kost ende loon gheve, behoort in mijnen tijdt ende dienste, mijnen ende niet sijnen wille te doen, eñ is daarom oock mijn wille dat mijn Dienstboden my sulcx doen, alle den tijdt dat sy in mijnen Dienste zijn.
Wil ick dan dat anderen my sulcx doen, soo waart immers wel billigh dat ick een ander oock so doe. Immers wil ick dat Menschen mijns gelijck van Natuyren zijnde, my sulcx doen: behoore ick dan mede, niet alleen mijn evē mensche, maar den Schepper aller menschen, ende daarom oock mijn Schepper ende rechte Heere, diens Eyghendom ick ben, ende niet mijn selfs, die my oock voedt ende kleedet, al veel meer te doen, dan ick wil dat mijne even Mensch my doet: Dat is, ick behoore in allen dingen ende altijdt niet mijnen, maar alleen sijnen wille te doen.
Daar dese Waarheyt so door’t ghetuygh van de heylige Schrift als van de Wet der natuyren te recht eens wordt verstaan ende bewillight, is nu al eenrehande goede wille, om te doen, niet meer nu; als tot noch toe is geschiet; sijn eygen, maar Godes wille. Die magh niemant doē sonder die te wetē. Want na Menschen goetduncken en wil Godt niet ghedient zijn, maar na sijnen wille, die hy te dien eynde in sijnen geschreven Woorde ons uyt ghenaden, op dat ons wel soude wesen, heeft gheopenbaart.
Hier openbaart sich nu oock de Hooft-oorsake, waarom wy de H. Schrift behooren te lesen. namentlijck om te mogē verstaan wat de wille Godes is, 3 3 De Doct. Chris. lib. ii. Cap. 9. dat wy sullen doen eñ laten. Dit is oock by Augustinum verstaan, daar hy seyt: dat de Godvreesende eñ sacht-


moedigeMenschen in ale de boecken der H. Schriftuyren, den wille Godes soecken. 1 1 Confes lib. 12. Cap. 18 Ende noch elwaarts: wy alle die daar lesen, pogen na te speuren ende te verstaan wat de gene ghewilt heeft, den welcken wy lesen. Hy spreect van de heylige Schrift en van Gode. Dta dient oock tot het gene ons voor al noodigh is, soo d’Apostel oock seyt: 2 2 Rom. 12. 2. Op dat ghy mooght beproebven wat de goede ende welbehaghende, ende volmaackte wille Godes zy.

ix. Hooft-stuck,
Wat Godes wille is dat wy sullen laten.

Ghy zijt een Godt die gheen a boosheyt en wil. 3 3 a Psa. 5. 5. b Psa. 5. 6. By dy en mach gheen boose b woonen, seyt de Psalmist. Soo blijckt mede Godes wille derhalven te wesen dat wyt quade sullen c laten, d haten ende daar af e wijcen. 4 4 c 1. Pet. 3 11 Isa. 1. 16 Tit. 2. 12
Hier sal de Leser der H. Schrift sulcx daar lesende, 5 5 d Amos. 5 15 vermits der Leeringen verscheydentheyt deser tijden noodtsakelijck; 6 6 e Psa. 33. 15 2. Tim. 2 19 soo hy met ernstighe aandacht leest; moeten vallen in dit twijfelijck bedenckē: Hoe salmē t’quade hier ter werelt laten: in’t geheel, of in’t deel? Ist genoegh datmens voor een deel laat en somtijts: oft moetmens in’t gheheel laten, ende dat stadelijck?
Op dese twijfele sal de Leser der H. Schrift daar na speurende dese Waarheydt vinden: dat het quade der zielen sieckte, ja doodt is: en daar teghen het goede der zielen ghesontheydt ende leven is. Komt hy dan te dencken op den aart van de lijflijcke sieckte, hy sal licht konnē merckē; dat die siecken niet voor een deel ten halven, maar gantschelijcken verlost begeerē te wordenvan haar lijflijcke sieckte, en dat de Sieckt-ghensers haar ere met der Menschen heyl daar inne soeckēde, haar uyterste konst ende vermoghen daar toe doen. Soude dan Godt; die beter is dan de Menschen; door sijnen Sone, onser zielen a Gheneesmeester, 7 7 a Lucas 4 18 Isa. 30. 26 58. 8 niet willen of niet moghen onser zielē sieckte gantschelijck ghenesen, die tot dien eynde is in de werelt ghekomen?
Die heeft noyt yemant na den lichame ten halvē, maar altijt volkomentlijck ghenesen. Het lichaam is snooder dan de ziel. Om de zielen, niet om de lichamen te ghenesen is hy van dē Hemele gecomen: soude hy het snootste deel, om welcx genesinge hy niet en is gekomen, gantschelijck, maar t’edelste deel, om welcx ghesondtmakinghe hy is ghekomen, maar voor een deel of ten halven hebben willē verlossen van de sieckte, dats van t’quade, van de Zonde ende van de Doot?
Maar wat behoeft hier redeneringhe of menschelijck bewijs, daar wy Godtlijck bewijs hebben naackt en klaar in het beschreven Woort Godes selve? Die seyt Godes wil te zijn dat wy t’quaat sullen laten ende daar af wijcken. Wat is dat anders gheseyt, dan dat wy al sullen laten dat quaat is? Of vindt men quaat dat niet quaat en is?
D’Apostel wil dat a alle boosheyt uyt ons 8 8 Eph. 4. 31 worde wech ghenomen. Wat segghe ick van de boosheyt selve? Hy wil dat wy ons oock sullen onthouden van allen b boosen schijn. 9 9 b 1. Thes. 5 22 Of wilde hy ons Schijndeughden maken, so dat wy ons wel souden onthouden van den schijn van’t quaat, dats van’t uytwendigh ghelaat, maar niet vander daat van’t quaat selve, dat verborghen inder herten soude blijven ende sijn werck daar heymelijck doen als voor.
So en leert ons de Meester selve niet, daar dese heylige Leer-jongher niet teghen, maar volkomelijck eens mede was. Die wilde het inwendighe voor al ghereynight hebben van alle quaden, ende het ooge gantsch reyn, suyver ende eenvuldigh. Dat wil oock Godt selve, daar hy door den Propheet seyt: 10 10 Ezech. 18. 21 Soo de Godtloose boete doen van alle sijne zonden die hy heeft ghedaan, etc..
Daarmen al seyt, wort niet uytgesondert. Die zonde doet, is een knecht der zonden: wie een knecht der zonden is, die is geen knecht Godes: want sulcke twee Heeren en magh niemant dienē seyt de rechte Heere, daar mede (als in allen) over een stemmende met sijnen Vadere, uyt wiens name Elias sulck hincken teghensprekende roept: 11 11 3. Reg. 18 21 Hoe langhe suldy over twee zijden hincken? Is de Heere Godt, soo volght hem, Ist oock Baal, soo volght hem. 12 12 Mat. 12 30 Wie niet met my en is die is tegen my, spreeckt de Waarheyt selve.
Sullen sy dan alle verdoemt en van Christo verscheyden blijvē die noch alle dat quaat is, niet volkomentlijckē magh laten? Dat en volght niet uyt t’gheen nu gheseydt is: want het zijn oock al Christenen, en door Christum met Gode een gheworden, door den goeden wille die Godt in sijn Kinderkens heeft gheschapen, al en hebben sy, noch niet ghekomen zijnde tot de volle Ouderdomme Christi, de macht niet om te volbrenghen dat sy willen, te weten t’quade gantschelijck te laten, ende t’goede alles te doen.
Die de wille in haar heeft gheschapen, sal oock (tot sijnre tijt, als aan Petro ende d’andere Apostelen is ghebleken) het volbrengen wercken. Daar en tusschē en eyscht Godt van den Kinderkens niet boven vermogen, het willen vermoghen sy, dat hebben sy van hem ontfanghen, dat zijn sy Gode schuldigh, dat eyscht Godt van haar, vernoegende met het willen van soodanighe, dat hy neemt voor’t werck,
Godt wil dat wy t’quade in’t gheheel sullen laten al ons leven lang, so Christus ock beveelt: Gaat, ende en zondight niet meer. 13 13 Joan. 8 Dese goetwillighe, maar noch swacke Kinderkens, gheloovende dat Godt na sijne beloften sulcx wil ende mach gheven en in haar wercken, willen t’quade gantschelijck ende altijt laten. Hier is haar wille nu eens met Gode door Christum vereenigt ende saligh: al quamen sy terstont te sterven, al eer sy de macht hadden om al t’quade te laten metter daat dat sy nu al metten wille gantschelijck hebben verlaten: twelck sy nochtans langer hier levende, en in Christo tot een volkomen Man op ghewassen zijnde, ende macht na wille verkregen hebende, ghewisselijck sullen laten.
Maar Leser, anders ist met anderen, die noch niet een-willigh en zijn met Godes wille dat wy hier t’quade heel sullen laten. Souder yemandt zijn (suldy vraghen) die t’quade niet gantsch en al en soude willē laten? T’is waar, dit schijnt onghelooflijck, bysonder onder die den Christen name voerē, ja die in Christi name (so sy seggen) den volcke leeren. Nochtans zijn’t dese meest die t’quade minst willen laten, ende t’volck af weeren van t’opset om dat te laten.


Want sy leeren dat het onmoghelijck is. Wat meer? Dat niemant wille mach hebben noch opset, om te doen t’gheen hy onmoghelijck gelooft dat mach geschieden. Die gheen wil en heeft om t’quade gantsch te laten, is niet alleē niet eēs met Gode inder daat, maar oock oneens mette wille. Want Godt wil dat hy t’quade gantsch sal laten: maar hy en wilt niet gantschelijck laten: want sijn ongeloof belet hem sulcx te willen. Mach hy oock saligh zijn die niet alleen inder daat, maar oock in de wille self oneens is, ende blijft met Christo ende met Gode?
Die t’quade dan niet gantsch wil laten, ende met Godes wille en is vereenight door Christum, die is buytē en vreemt van Gode. Nu en isser buytē en vreemt van Gode. Nu en isser buytē en sonder Gode niet goets. Soo en heeft sulck een dan oock niet goets in sich. Wat heeft die anders, ende wat is sulck een doch anders, dan ydelheyt ende quaat?
Het wesentlijcke goedt dat Godt selve is, mach sich nemmermeer vereenighen met het nietige quaat, dat ydelheyt is. In sodanigen komt God dan niet blijvelijck met sijn goetheyt. Sy blijven dan ydel ende quaat. Want de quade Mensch mach niet waarlijck goet worden, sonder haar quaatheydt waarlijck (niet waanlijck) te willē ontwerdē en voorts te ontworden. Sodanighe zijn en blijven dan goedeloos, dat is Goddeloos ende onsaligh, totdat sy Christi woorden gheloovende goet worden ten minsten in de wille: daar worden in’t vermoghen, ende de daat op moet volghen, soo sy in’t leven bljven.

x. Hooft-stuck.

Dat Godes wille is, dat sy alle saligh sullē worden: te weten die de genade Godes begeerlijck ontfanghen, standvastelijck bewaren:ende ten eynde toe volharden.

Tot dit waarlijck latē van’t quade, komt gheen Mensche sonder Godes voorkomende genade. Die behoeven wy al tsamen. Want wy verloopē ons meest al op d’onwegen onser jeughdelijcker lusten, in de blinde begheerten der Dolinghen.
Of dan noch al yemant na sijn bekeeringe totten Heere stadelijck snoer-recht opten wege Christi wandelde: waar mede sal hy sijne voorighe slimme gangen boeten en stoppen? Doet hy nu recht wandelende een hayrken meer dan hy al sijn geheele levē te doen schuldigh was? Wat loopt hem dan doch over omme sijne voorghemaackte schulden mede te betalen?
Niet altoos, hy blijft ghelijckewel schuldigh, als hem de Heer soude willen betalinge afeysschen, ende in allen ghevalle een onnut knecht (doch niet onnut voor sich self, maar) voor Gode. Die laat ons sijne Schatten mildelijck ghenieten, maar hy en ontfangt niet met allen vander Menschen handen.
Wy, wy Bedelaars genietē Godes Rijckdommen in onse Armoede: wy behoeven sijne Ghenade, om onser overtredinghen willen: ende wy moeten, bidden: Heere en treedt met uwe Knechten niet in’t Oordeel.
Daaromme moet dan eeuwelijck vast ende waarheyt (waardigh om van elck verstaan te worden) blijven: dat niemandt het quade mach laten (sonder twelck oock niemant het goedt noch saligh en mach worden, soo nu is aanghewesen ende bewesen) sonder de gheschoncken ghenade Godes.
Die a voorkomt ons Zondaren alle. 1 1 a Ende dat niet als een noodt-dwang, maar als een vrye gave. De welcke in’t alghemeyn b allen Zondarē mildelijck ende ernstlijc uyt Liefde werdt aangheboden, maar niemant en wert aanghedwonghen. Daar door ist dat sy oock van alle menschen niet en wert aangenomen ende ghenoten. Want veele de kennisse der Waarheyt c roeckelooslijck versuymē, 2 2 c moetwillighlijck d weygerē, 3 3 d ja oock die al ontfanghen hebbende, weder e verwerpen. 4 4 e
Ick roepe huyden Hemel ende Aerde tot ghetuyghen, 5 5 a Deut. 30 10 dat ick u hebbe voor ghestelt het Leven ende den Doodt, Seghen ende Vloeck, verkiest daaromme het Leven. Deu. 30. 15. 16. 17, 11. 26. 27. Isa. 1. 19, 55. 1. 2.
Daaromme gaat opte schey-weghen, 6 6 b Matt. 22 9. ende roept ter Bruylochten al wie ghy vindt, 1. Joā. 22. Psa. 144. 8. 9. Mat. 5. 45. Marc. 16. 15. Joā 1. 9, 3. 16, 6. 51. 7. 37. 12. 46. luc. 23. 34. Rom. 11. 23. Actor. 17. 30. 1. Timoth. 2. 4. Tit. 2. 11. 2. Pet. 3. 9. Rom. 10. 21. Job 24. 23. Isai. 50. 1. 2. Jerem. 8. 4. 6. Ezech. 2. 4. 5. etc. Mat. 21. 37, 22. 3. 4. 6. Joan. 1. 5.
Hoe sullen wy ontvlieden, 7 7 c Hebr. 2. 3 ist dat wy de groote Ghenade versuymen? Exod. 9. 21. Levit. 20. 4. Mat. 22.5.
Ghy hebtse ghestraft tot beteringhe, 8 8 d Jere. 5. 3 ende sy en hebben de straf niet willen ntfanghen, Job 21. 14, 34. 27. Psa. 35. 4. Acto. 7. 39. etc.
Israel heeft het goede verworpen, 9 9 e Ose. 8. 3 Joan. 6. 66. Psal. 2. 3. Mat. 13. 20. 21. 2. Pet. 2. 22.
De Leser, die nu inder Waarheydt overtuyght is van de heylighe Schrift, dat hy is zondigh, quaat ende doodt na der zielen, dat is Liefdeloos, ende mitsdien oock onsaligh: ende volgens het aanwijsen van de Tuyghspieghel der Schriftuyren, sulcx waarlijck spieghelt ende in sijn Herte siet en bevindt sich sodanigh te wesen: dese sal wel eenige Euangelische vertroostinghe ghevoelen in sijn bedroefde Ziele, wanneer hy komt te lesen in de H. Schrift, dat Godt der Zondaren doodt niet en wil, ende sonderlinghen de uytghenomē Troostsproke Pauli, houdende, dat Godt wil dat alle Menschen saligh worden. 10 10 1. Timoth 2. 4
Ghemerckt hy licht kan verstaan dat de Zondarē, daar hy een af is, mede Menschen zijn: ende dat hy daarom self oock daar onder is begrepen, so niemandt, daar Al wort gheseyt, en is buyten ghestoten.
Want de kennisse die hy nu heeft vande waarheydt der Schriftuyren (die hy nu vastelijck ghelooft) brenght mede dat Godt sulcx wil: ende daar beneven oock, dat Godt; als wesende a Almachtigh, b al doet dat hy wil. 11 11 a Gen. 17 1 Wat mach hy daar anders uyt besluytē, dan Godt doet al dat hy wil. 12 12 b Psa. 134. 6. 113. 3 Job 23. 13 etc. Godt wil dat alle Menschen saligh worden: soo worden oock alle Menschen saligh.
Maar de Troost-tijdinge verslapt wederomme gantschelijck, als hy komt in de H. Schrift te lesen, datter een a Hel is, datter een eeuwige b Verdoemenisse is, 13 13 a Mat. 11 23 Isa. 28. 15 en datter een eeuwigh c Vuyr is, daar die onbarmhertige Liefdelose menschen eeuwelijck sonder sterven sullen. 14 14 b Rom. 3. 8 1. Cor. 11 32.
Want hier veroorsaecken in den onwijsen, Leser, 15 15 c Mat. 25 41, 18. 8 die weet ghierighlijck boven sijn verstandt sulcx te verstaan, en verder te sien dan sijn ghesicht noch mach bereycken, sulcke en


meer diergelijcke sprokē, die strijdigh schijnen in sijne stick-siende, maar volkomentlijck eens blijcken in klaar siende oogen, aldusdanighe twijfelijcke raminghen wordem eenighe Menschen verdoemt eeuwelijck, soo de Schrift ghetuyght: hoe mogen alle Menschen saligh worden, t’welck mede de heylige Schrift seyt d’Almoghende Godes wille te wesen? Worden alle Menschen dan oock niet saligh, hoe mach waar zijn dat d’Almogende Godt wil dat alle Menschen saligh worden, t’welck oock beyde sulcx mede werdt betuyght in de heylighe Schrift?
Wat sal men sodanigē onwijsen Leser hier op raat vragende, antwoorden? U vraghen, vriendt, meldt u twijfelen, ende dat u onverstandt, ende dat u vermetelheydt, van te willen verstaan boven u verstants begrijp. Ghy merckt self alle sulcx. Ghy bevindt dat ghy des strandts grondt hebt verlaten, u selfs in een slorp die ghy niet en mooght gronde, hebt begeven: ghy zijt driftigh sonder gront, kondt sonder grondt des letters noch niet swemmen, ende zijt in ancxten van besincken ende verdrincken.
Waarom en keerdy u niet flucx vande diepte weder na de vlacke strand die ghy mooght gronden om verdrinckens gevaarlijckheydt te ontgaan? Waarom bestady te leeren verstaan t’ghene u noch ter tijdt onmogelijck is tot u verderven, ende verlaat te leeren verstaan t’gheen u ter Saligheydt noodigh ende voorderlijck, oock mede licht voor u om begrijpen is.
Ghy die noch nergens na, uwe eygen wercken recht verstaan kondt ende oordeelen: bestaat hier vermetelijc Godes werckē te oordeelen: dit is u onmoghelijck, verboden ende verderflijck voor dese tijt: maar dat is u moghelijck gheboden ende boven al heylsaam: ende dit en gaat u niet aan, die gheen Rechter gemaackt en zijt over de werckē Godes met allen Menschen: maar dat roert u bysonder, te wetē, wat en hoe Godt werckt met u selve.
Ghy weet dat ghy een Zondaar zijt, dat ghy een Zondaar blijvende, quaat bijft, ende dat ghy quaat blijvende so weynigh saligh mooght worden, als een Siecke soeck blijvende, ghesondt mach worden. 1 1 Ezech. 18. 20. Jac. 1. 15. Gen. 2. 17.Ghy leest mede in de heylighe Schrift, dat den Zondaer den doot wordt ghedreyght, dien ghy uyter natuyren vliedet. Daar mede dat den Zondaar sijn zondighen en t’quade verlatende het leven wordt belooft, 2 2 Ezech. 18. daer ghy uyter natuyren toe zijt gheneghen, 3 3 Ezech. 18. 21. ende dat allen Zondaren niemanden uytghenomen, oock wort geboden (tot haar eyghen Saligheydt) het quade te laten. Dit alles gaat dy oock selve aan, als mede een Zondaar zijnde. Hebdy dit u Lesse al wel gheleert verstaan? Kent ghy al uwe zondelijcke eyghen wercken al te recht, met haren ommestanden? Kendy inder Waarheydt de rechte oorsaken al van uwe eygen zondige wercken? Segt dan, haat ghy uwe zonden ook recht vyandelijck? Ondersoeckt uwe eyghen (niet Godes) wercken die quaat zijn, ende u daar op acht slaande, neit en moghen verborgen blijven. Onmogelijck ist voor den Mensche willigh (veel min met lusten) te doen dat hy haat. Doet ghy noch uyt lusten dagelijcx zonde, teghen het bekende verbodt van Godes Wet: so mooghdy sekerder dan seker zijn, dat ghy uwe zondige wercken noch niet waarlijck en kent.
Godes rechtvaardige ende daarom goede straf mooghdy kennen, want die voeldy ende haatse: maar uwer sonden quaatheyt en kendy niet, want die hebdy lief ende doetse met lusten. Ist niet een hooge vermetelheyt te willen verstaan die Godtlijcke wercken tot allen anderen Menschen u so onbegrijpelijck zijnde, als u noch onnoodich ende te versuymen uwe eyghen wercken te leeren verstaan, die u. so ghy daar op merckt, niet en moghen onbekent blijven ende boven al om verstaan noodigh zijn?
Ic soude hier afscgeydende voort gaē, so my niet nut en dochte wat verder van die voorgemelde sproke Pauli te handelen. 4 4 1 Tim. 2. 4 Men leest van’t voorseyde verderf der Stadt vā Ninive dese woorden: 5 5 Jonas 3. 4 Daar zijn noch veertich Dagen, so sal Ninive onder gaan. Ten geschiede niet. Was Godes Woordt onwarachtigh? Neen. Waarom? Onder die woorden Godes was een ghedinghe of conditie verstaan: te weten soo die Stadt gheen Boete en doet.
Dat staat daar niet by uyt gedruckt. T’is waar, maar dat staat elwaarts klaarlijck uytghedruckt, namentlijck by Jeremiam. 6 6 Jere. 18. 8 Haast spreke ick tegen een Volck ende Rijck, dat ick het uyt roeyen, breken ende verderven wil. Soo het daar teghen bekeert van sijn boosheydt, 7 7 Jere. 18. 8 daar ick teghen spreke, soo sal my oock berouwen van het ongeluck dat ick hen dachte te doen.
Soo mede seydt Godt hier door Paulum sijnen wille te zijn dat alle Menschen saligh worden. Is daar oock by ghestelt die voorwaarde of conditie, ten waar dan saecke dat yemant niet en gheloofde? Neen. Mach oock yemant sonder te ghelooven saligh worden? Christus selve seyt wel uytdruckelijck Neen daar toe: 8 8 Marc. 16. 16. Die niet en ghelooft sal verdoemt worden.
Welck is dan die conditie die onder dese woordē des Apostels noodtlijck moeten verstaan worden en hier nochtans niet uyt ghedruckt en staat? Die Christus selve erghens klaarlijck heeft uytghedruckt: 9 9 Matt. 10. 22. Maer die ten eynde toe volhardet, dees sal saligh zijn. 10 10 Matt. 24. 13. Want alle die ghelooven, en volharden niet ten eynde toe, ende dese en moghen niet saligh zijn. 11 11 Joa. 6. 66.
Is oock ergens een ander wegh ter saligheyt dan Christus is, 12 12 Joa. 14. 6 die selve de Wegh is? Men moet bekennē neen. Moeten sy dan niet altijt alle ter saligheyt komen die in’t bewanderen van desen Wegh ten eynde toe volharden? Men moet bekennē Ja. Maar sullen sy oock saligh wordē die de hant aan de ploegh gheslagen hebbende, 13 13 2 Pet. 2. 22 te rugghe sien, niet voort en gaan, wederom achterwaarts keeren, 14 14 Exo. 16. 3. Nu. 14. 29 30. Luc. 9. 62. ende niet ten eynde haars levens toe en volharden in’t wanderen op desen Wegh ter saligheyt? Wie mach met waarheyt Ja daar toe seggen, daar der Schriftuyren Waarheyt so opentlijck neen toe seyt?
Wat salmen nu hier uyt besluytē? dat God warachtich is ende Almachtigh, en dat oock de heylighe Schrift recht verstaan zijnde, in allen warachtigh te zijn blijckt, en dat Godes wille is, dat al die volhardelijck bewanderen den Wegh ter saligheydt, die Christus selve alleen is, altijt ontwijfelijck saligh worden. Soo wederomme daar teghen nemmermeer yemant saligh en mach worden, sonder desen Wegh volhardelijck te bewanderen.
Hoe souden sy tot des Weeghs eynde komen, die te rugghe keerende, niet en komen tot het eynde daar de Wegh toe leydet, dats


tot Liefde, tot a vereenigingh door Christum 1 1 a Joan. 17 21. 23. met Gode die onse Salicheyt is? Dats onmogelijck. Christus is t’eynde des b Wets; 2 2 b Rom. 10 4. alder dinghen c beghin ende eynde. 3 3 c Apoc. 1. 8 De d Liefde is eynde des Wets, 4 4 d 1. Tim. 1 Sonder die verkreghen te hebben, en is gheen Saligheydt. Want Godt self is de e Liefde, 5 5 e 1. Joan. 4. 16. sonder in Gode te zijn, en heeft niemandt Liefde, noch Godt, die alleen onse f Saligheyt is. 6 6 f Psa. 26. 1
Hoe souden sy over d’ander zijde, 7 7 a Heb. 3. 14 die a Christi deelachtigh zijn gewordē, so sy het beginsel sijns vertrouwens totten eynde toe vastelijck houden, in sijne b Woorden blijvē, 8 8 b Joa. 8. 32 sijne c voetstappen volstandelijc na treden, 9 9 c 1. Pet. 2. 21. op den d rechten ende heylighen Wegh; 10 10 d Isa. 35. 8 daar oock de zotten niet en moghen dolen; niet rechts weghes moeten komen door Christum tot Gode ende in hem, die de e Liefde selve is, 11 11 e 1. Joan. 4 16. f gescheyden moghen worden van de Liefde Godes, 12 12 f Ro. 8. 38. ende van de Saligheyt?
So staat dan vast de onveranderlijcke wille Godes te wesen, die als Almachtigh zijnde altijt ende in allen geschiet, dat alle Menschen saligh worden die Christo standtvastelijck ten eynde haars levens toe aenkleven: en dat niemant van alle die sulcx niet en doen, immermeer saligh worden.

xj. Hooft-stuck.
Hoe men de heylige Schrift ghemeenlijck, ende qualijck leest.

Op verscheyden wijsen lesen verscheyden Menschen de H. Schrift qualijck: daar door sy meest wetender worden in’t verstandt, dan deughdelijck in de handt. Soo vindtmer veel die wel konnen klappen, maar weynigh die wel konnē doen. Dit komt meest overmits sy niet wetende na welcker saken verstandt sy behooren te sporen (daar af nu veel is geseyt) 13 13 j. meest bejagen kennisse der dinghen, die j. onnut, of ij. onnoodigh, 14 14 ij. iij. of haar te iij. hooghe zijn om te weten, ende dat noch ten quaden eynde, ende verkeerdelijck.
Onnut is alle kennisse, 15 15 j. die al schoon wel gewetn zijnde, den weter niet met allen beter en maackt dan hy voor’t weten was. Van sodaniger aart is het na-speuren of des verboden 16 16 Gen. 3. 6. Gen. 3. 21. Booms vruchte een Appel was of een Peer: of de vellen, daar mede Godt onsen eersten Ouderen bekleede, van Schapen waren, dan van Wolven, met duysendt derghelijcke anderen. Wat nut sal de Mensche ghenieten, of hy al schoon na lang na-speuren ende twisten de Waarheyt hadde gevonden ontwijfelijck, dat de Moeder onses Heeren na sijn geboorte voorts eeuwelijck Maaght is ghebleven dan niet?
Souden dat niet wel zijn de sotte twisten, 17 17 Tit. 3. 9. die onnut zijn en ydel, die d’Apostel ons ghebiedt te mijden? 18 18 1 Tim. 6. 4. De woort-kampen, daar nijt ende veel andere quaden uyt voort komen? 19 19 Eccl. 7. 30 Ende d’oneyndelijcke kibbelingē, daar inne sich verwerret d’oprecht gheschapen Mensche?
Wat ons om verstaan onnut is, dat is ons sulcx na speurende schadelijc. Want het is een sotte verquistinge des kostelijckē, korten ende onsekerē tijdts, die ons van den Heere wordt verleent, om ons Pondekē des Redelijckheyts te besteden aan den besten dinghen: dats aan kennisse van onse Quaatheyt en van Godes Goetheyt: die de moeder is van’t hatē en verlaten onses selves, en van’t verkrijgen Godes met alle sijne schattē der eeuwiger Deughdē.
Dit noemen de Rechts-gheleerden Lucrum cessans, dats winst ontberinge. So yemandt keure ware gegevē te kiesen, en een dach lang tot sijn eygendom te mogē tellen uyt menichte vā voor gestelde Hungersche Ducatē of schoone bloemen, end ehy die tijdt bestede in’t tellen en verkrijgen van bloemen: soude elck die beyder waarde kondt waar, niet te recht moghen, ja moeten segghen, dat sulck verkiesen en tellen van bloemen niet alleen onnut, maar oock schadelijc ware voor den teller, vermits de ontbeerde winste van, soo menigh duysendt Hunghersche Ducaten?
Wat gelijckenisse mach deser snoode waarde doch hebben, te rekenen by de Goddelijcke Deughden, trappen wesende tot de salige onsterflijckheyt en vereeniginge met Gode self? Dit is dan niet alleen een onnutte, maar oock een schadelijcke Weetsuchtigheyt, diemen anders naamt Curieusheyt. So is mede het naspeuren en de begeerte om weten van de saken die ons om weten onnoodigh zijn. Onnoodigh segghe ick elck in sijnen staat daar hy nu in staat, of hem die al sullen noodigh moghen worden als hy verder sal ghekomen wesen.
Al watmen sonder hinder om beter te wordē mach ontberen, 20 20 ij. is elc op die tijt onnoodigh om weten. Elck is onnoodigh om nu te weten of de Zielen der gestorvenen nu slapen, waar sy zijn en wat sy doen: die noch niet en weet of sijn ziele nu teghen woordelijck slaapt, of sy voor Godes oogē doot is, waar sy is, met of tegen Christum, en wat hy doet inde Nacht sijns onverstants. Want sonder dit sekerlijck te wetē, en mach hy niet komen te weten of t’ander hem om weten noodigh is dan niet, swijge de Waarheyt te weten van die andere sakē. Immers sonder sijnen tegenwoordigen staat in der Waarheyt eerst te weten, moet hy in den eeuwighen Doot blijven.
So is dan oock sulck bestaan van’t onnoodigh wetē, op’t hooghste verderflijck: vermits men daar door versuymt na te speuren de kennisse der dingen, die voor en boven al noodigh zijn om te wetē: en sonder de welcke eerst te wetē de mēsche niet nuts, heylsaams, noch nootlijc om weten, immermeer mach komen te weten.
Jesus sprac tot Martha: Martha, du biste in vele dingen sorghfuldigh ende bekommert: meer een ding is noodigh: Maria heeft het beste deel verkorē, t’welck van haar niet en sal worden genomen. Lieve Leser, bedenckt hier doch met my, oft niet te recht al onnoodighe dingen zijn te namen, daar mede de weetsuchtige of curieuse Menschen sich bemoeyen, ende haar levens tijt onnuttelijck mede door brenghen, alsmens houdt teghen de heylighe bekommeringhe van Martha.
Wat was die anders, dan om dē Heere Jesus self met sijne Jongeren lichamelijck te spijsen? Mocht dat eē onnutte bekommeringe wesen De Heere self sal in’t laatste Oordeel saligh spreken al de gene die sulcke Dienst gedaan 21 21 Matt. 25. 40. sullen hebben een van sijne minste broederen. Hoe veele te meer Martha, die sulckx aan hem selve ende sijnen Apostelen dede?
De Heere en seyde ooc niet dat Martha bekommert was met onnoodige dingen: maar hy wijst aan eē noodiger becommeringe ende beter, sonder welcke die lijflijcke self oock niet aangenaam voor dē Heere, noch oock niet nut voor den doender en mach wesen, namentlijck dat een , t’welc het best is vā allē, dat oock eeuwelijc by blijvē sal dē genē die’t eenmael heeft verworvē, en dat alleē vā noode is, so oock dat sonder dat te hebbē ooc geē werckē der barm-


hertigheyt en mogen geschiedē, noch oock met waarheyt so genaamt wordē. Wat is dat Eē suldy seggē? Dat ist sonder t’welcke te hebben alle werckē, oock des Geloofs, selve, vergeefs zijn, al gaefmen oock al sijn have den armen: 1 1 1. Cor. 13 namētlijc deLiefde, die der Barmhertigheyts en aller goede werckē Levē is en de selve levēdigh maackt, als de ziele den lichame, en sonder de welcke alle wercken der Menschē; hoe heyligh sy oock mogē schijnen voor den Menschen; doot zijn voor Gode.
Dit is het Eē dat de slach vreesendē Knecht, oock de loonsuchtige Huyrling noch ontbeert, als noch onherborē en geē levendige kinderen dese levendē Godes wesende. Dit Eē is alleē van noode, dit moet elck poogen, bespeuren en na-jagen. Dit te hebbē maackt eeuwelijck saligh, en t’onbeeren eeuwelijc onsaligh. Dit te benaarstigē wort versuymt by allen den genē die onnoodige wetenschap of kennisse benaarstigen, die niet en baat haren hebbere. Is dan sulck benaarstighen niet wel de alderhooghste schade der Menschen?
Wel is waar, 2 2 Gene. 3. 6. dat dē Boom des wetens goet schijnt om af te eten, schoon voor dē oogē, ende lieflijc om te aenschouwē: t’welc niet minder en is voor allen weetsuchtigē of curieusen, den Boom der H. Schriftuyrē, 3 3 Pro. 24. 13 vol ware Godlijcke wijshz, soet inde kele der geenre diese nu smakelijck valt: maar alle dingē hebbē haar mate, die te bovē gegaen zijnde, niet en voedet, maar beswaart, en na het innemē voor lust, last wort.
Daar voor waarschouwet ons Salomon, 4 4 iij. seggende: 5 5 Pro. 25. 16 27 Vindt ghy honigh, so eet so vele voor dy ghenoegh zy, op datsu niet te vele en eetste, en die weder moetste uytbraken. Dit valt oock met allen weetgierigē Adamijten, want sy een korten soeten ingang besuyren, met een langduyrigh en bitterlijc uytbrakē: vande opgeblasen en lang-geleerde wetenschap, die sy (sullen sy den eenvuldigen kinderkens gelijck wordē) met langhe moeyten weder ontleeren moeten.
Best waar te vorē gevolgt dē raat Syrachs: 6 6 Eccl. 3. 22 Staat niet na dingē die dy te hooge zijn, ende en ondersoect niet t’gene boven dijn vermogen is maar dat Godt dy heeft bevolē, denct altijt: en en weest niet curieus in vele sijnre wercken. Dijne boose werckē betracht, Godes genadigh werc met dy neemt acht: wat gaan Godes werckē met anderē, dy onverstandige aan, diense meest al te hooghe zijn. Du en verstaatste noch dijn eygen werckē niet: en du wilste de wonderlijcke wercken Godes ondersoeckē en verstaan? 7 7 Rom. 11. 20 Pro. 25. 27
Weest niet hoogh wijs, maar vreest. Vreest dat Godt dy onderdrucken sal met sijn Majesteyt, die du meynste te doorgrondē. So komt hy tot schanden, verwerringhe en verderf, die sijn toorn uyt hooghvaardighe weet-sucht met de Babelsche timmerluydē bestaat te bouwē, eer dat hy de daar toe behoevende kostē en sijn vermogen wel over gheleyt, ende eenen diepen gront van Ootmoedigheyt gheleyt heeft. Het neder is veyligh en heyligh: maar het hooghe vlieghen sietmen veele bedrieghen.
Waar toe is dan; denct yemant, so vele hooge Wijsheyt in de H. Schrift ons voor gestelt, alsmē die niet en moet ondersoeckē? Waar toe leestmen de hooge lessen in den Scholen, daarmen oock den A. b. c. leest? Die zijn niet voor den kinderen, maar voor den Mannen: soo is dit niet voor den Mannē, maar voor den kinderē. So sprac Christus sijnē Jongeren na haar kimtsch begrijp, dingē die sy doe mochten verstaan: maar namaals door sijnen H. Geest dingē die sy te voren niet, maar namaals wel mochtē dragē. 8 8 1 Cor. 3. 1 Hebr. 5. 14 1. Cor. 2. 6 En so gaf d’Apostel dē kinderē melck, en mannē vaste spijse die dē volmaactē betaamt, mettē welcken hy Wijsheyt sprack.
En so spreect God: die immers so wel als Paulus, sich self weet yegelijc gelijc te makē, om van yegelijck te mogē verstaan wordē en yegelijck te winnē; metten menschē menschelijcker wijse, tottē Godloosen dat haar, totten knechtē dat haar, tottē Huyrlingē, Kinderen, Jongelingen, ende Ouderē dat haar, nut is, en dat elck int sijne mach verstaan, maar niemant van allen, dat boven sijn begrijp is.
Maar segdy hier, daar staat gheschreven, 9 9 Jaco. 1. 5 Dat so yemandt Wijsheydt van noode heeft, datse die van Gode sal begeerē, die yeghelijck overvloedelijck gheeft. Also wie uyt noot met betrouwē bidt, die verkrijgt sijn bede. Maar bidt de Weetsuchtige of Curiose ooc uyt noot? Is yemant oock een nieuwe lesse van noode, die d’oude noch niet en kan? Behoeft hy een lesens lesse, die sijn lesse inden A. b. c. noch niet en kan? Ende of sulcken A. B. naar van den Schoolmeester begheerde een Lees-lesse te hebben, soudet hem oock gheworden?
Somede, Of een Adamijtsche weetsuchtige sijn eygen sotheyt noch niet kennende (dat des Wijsheyts A. b. c. is) Gode bade om dē onderscheyt der persoonē inder Godtheyt te kennē: soude Godt hem die hooghste Lesse oock gevē? In sulcke oude vatē en stort Godt sijnē sterckē Wijn niet, tot verderf der vaten selve. Dit is geen wijs-geerigheyt, maar een Gheestelijcke verwaande gierigheyt: geen noodruft, maar onnootdruftighe, ja verderflijcke kennisse voor hem, so sottelijck als vermetelijck begeerende.
O hoe noodigh is het weten wat elck na sijnen state noodigh is om te weten: so soude noch Knecht, noch Huyrling, noch niemāt kennisse, hem onnoodigh waar, ende die in de H. Schrift als in een open Boeck hem voorgeschreven vinden, ende door Godes ingheefting licht verstaan.
Maar neen, meest elck leest om veel te wetē, niet om wel te doen: om anderen te konnen berispen, eer sy haar eygē gebrekē kennē: en om van de luyden voor wetende te worden gepresen, daar sy noch maar waanwijse sotten zijn. So soeckē sy altijt om hooger dingē te verstaē die noch de nederste niet en wetē. En van dese seyt d’Apostel, dat sy altijt leeren, maar nemmermeer en komen tot Waarheyts kennisse.
Vraaghtmen my na d’oorsake: ick sal antwoordē, der mensch Ongheloove. Wat is Ongeloof? Het twijfelen of Godt in sijnē Woorde tot ons sprekēde, warachtigh is Veel meer is dan sulcx te wedersprekē Ongeloovicheyt. Nu gebiet Godt in sijnē Woorde uytdruckelijc, dat wy het quade sullē latē, en t’goede sullē doē so hy dat gebiet: dats niet ten halvē, maar gantschelijc, ooc niet namaals, maar hier. Alle het lesen der H. Schriftuyren streckt oock voorneemlijc om de wille Godes te verstaan, ende dat om te doen t’ghene men verstaat. Nu leert meest elck dat men die wille Godes, soo hy dat gebiedt, niet mach doen, so int latē van’t quade als int doen van’t goede. So en gelooven sy daar inne Godes woort niet, maar loochenent opentlijc, seggende sulcx onmogelijc te wesen.
Watmen onmogelijc houdt om laten of om doē, dat en bestaat niemāt, noch mē mach ooc geen opset of voornemen makē met ernst sulcke Leeraren self opentlijck. Moeten sy dan oock niet bekennen, dat de gheloovers van haar maar


ongeloovige van Godes Leer geen Wil noch Opset en hebben om Godes wille te doen? So ist dan oock niet wonders dat sy de Schriftuyre lesen, sonder de wille Godes te verstaan.
Want sy en lesen die niet tot haar rechte eynde, namentlijck om die verstaan zijnde, te mogen doen. Soude Godt selve sijne Paarlen voor sulcke Hondē, en sijn Roosen voor so vuyle Swijnē stroyen? Sy lesen de Schrift en hoorē prediken: maar wat baat het lesen sonder verstaan, en het hoorē sonder t’gehoorde te doen?
Mach hy de Schrift ooc verstaan, dese leest om haar na sijn Opinie, maar niet om sijn Opinie na haar waerheyt te buygē? Wat baat oock het hooren vande Waarheyt der Schriftuyren selve: alsmē die hoort met ongeloovige, ja wederbassende oorē? Sy hoorem de Schrift om anders dā Godt door haar spreect daar af te konnē kallē: maar niet om na haar seggē te doē: So hoorē sy veel, maar doē niet: t’gehoorde rust in een vruchteloos herdencken, maar ten komt niet voort tot eē vruchtbaar belevē.
Dit zijnse die haar beelde in een spiegel, sien dat blijft niet lang in’t gesicht, want sy latens niet komen in de handt, waer toe sy oock geen Wil en hebbē. So genakē sy Gode met de herteloose lippen, hebben gheen ware, maar niet dan een waangerechtigheyt, een Spiegel-gehoorsaamheyt met schoone woorden geschildert na t’leven inden schijne, maar sonder wesen en leven, en niet dan een doode schijn hebbende. 1 1 2. Tim. 3 5 Sy hebbē een schijn van Gods-vruchtigheyt, die sy nochtans inder kracht versakē, en zijn so vol woorden als de volbladige Vijgeboom, maar ydel van de soete vruchten des barmhertigen Liefde, ende mitsdien ydel van goetheyt ende Saligheyt.

xij. Hooft-stuck.
Van’t wel-lesen der heylighet Schriftuyren.

So breedt gesprokē hebbende van’t qualijck lesen der H. Schriftuyren met sijnē ommestanden, dat daar uyt selve licht kan worden gemerckt hoemen de selve wel soude lesen, sal ick van sulcx te korter mogen vallen, ende des niet te min wel verstaan konnen worden van de aandachtighe Leser.
Dat de Godtlijcke Schriftuyre gheleken 2 2 a Mat. 15. 27. wort by een a Tafel, daar op den kinderen Godes wert aangedient onder des b Letters 3 3 b Joan. 5 39. sinne het ware c Hemel-broodt, heeft hy, 4 4 c Joan. 6. 41. die selve is het Broot dat van dē Hemele was gedaalt, selve betuyght. Dit Broot des Levens d versaadt dē hongerigē, 5 5 d Luc. 1. 53 maar laat den satten ydel. 6 6 e Mat. 4. 4 En dit ist levende e Woort, komende uyt dē monde Godes, daar de Ziele alleene by leeft.
Tot desselfs tuyghnisse dan, namentlijck de Tafel Godtlijcker Schriftuyrē, 7 7 j. komen om te eten Menschen die wanen of droomē dat haar 8 8 Isa. 29. 8 hongert, die niet en hongeren, 9 9 ij. ende die waarlijck hongheren na het Hemelsch Broodt der 10 10 iij. heylsamen verstandenissen.
De waan-hongerigen, 11 11 j. die sich self eenē valschē honger gemaact hebbē vā onnoodige wetenschappē, daar sy begeerlijc na speurē, en so walgelijc sadt zijn van de ware kennisse haar noodich zijnde, dat sy de selve, onder t’lesen der Schrift, haar vā selfs int gemoet comēde, niet en achtē: en haar mitsdiē vande kennisse haar noodigh zijnde, self uyt sluytē, en so altijt lesen sonder vstaē, is nu hier naest voor af gesprokē.
D’andere zijn Menschen, 12 12 ij. die nu by wijlen wel ledighe tijdt hebben om in de Godtlijcke Schrift te lesen: sonder nochtans eenē honger in haar gevoelē of gebreck van eenige kennisse der Waarheyt haar so noodigh zijnde (so haar dunckt) dat sy een begeerlijcken Herts-tocht vernemen om die te leeren verstaan.
Des niet tegēstaende wetē sy uyt ondervindē, dat haar int lesē sonder groote lust, voor is gecomē d’eē of d’ander sproke die haer gemoet so hertelijc trefte, dat sy met vuyriger begeerte om sulcx haar heyl aangaende, te mogē beter verstaan, onstekē warē, en met begeerlijcker aandacht voort lasen, het gelesenen erkaudē, na trachtedē, en daar uyt gesticht zijn geweest: en maact dit herdenkē in sulcke niet hongerigen en lauwen Menschen een opset tot lesing der Schriftuyrē om harē slaperigē honger en trage koelheyt te wecken en vyerigh te maken.
Wie sal sulc opset, al komt het niet uyt tegenwoordigh bevondē gebrec en hongers noot, om tot desen heyligen Tafele der Godtlijcker Schriftuyren te gaan lesen, met reden mogen misprijsen, oft schoon het beste niet en is? Salt niet lichtelijck mogē gebeuren, dat sijn handt swervēde door veelreleye gerechtē der Hemelscher spijsen, die daar vol op van alreleye aart aangedient werdē, geraact in een schotel met Lamoenē, of eenige andere wel gesouten kost, die hem sijn gebrekē so smertelijc doet gevoelē, dat hy honger krijght na versachtinghe sijns ghequels, ende begeerlijck verlangen om dien onghenoeghlijcken hongher te verzaden?
Ja voorwaar, dat hebbē veele sulcx onder’t lesen der Schriftuyren ondervonden, en dese nut weder hopende, doet so noch dagelijcx veelen het Schrift lesen met koelheydt beginnen, die door d’een voncke of d’ander op haar tintel hart vallende, t’selve so vuyrighlijc doet branden, datmen daar na den brant meer en meer ontstekende, niet weder en mach blusschen: 13 13 Eccle. 24 29. ende van die spijse der Wijsheydt eet, noch altijdt meer ende meer honghert, ende van haar Wijn drinckt, noch meer ende meer dorstet.
sodanigh Boot eetmē int Rijck Godes, 14 14 Luc. 14. 25 wel saligh zijnse dien ’tgebeurt. Dit staat elck Leser opē, en dit gebeurt ooc dē genē, die daar sijn tijt toe besteet, of hy noch al geen grooten honger en gevoelde, als hy maar int algemeyn verstaat dat hē verstant gebrect, gelooft dat hē sijn gebrec daer so ontdect mach ordē, dat hy begeerich sal wordē na kennisse der Waarheyt, die hy nu sijns onwetens gebreck heeft.
Dan hongert sodanigh Leser waarlijck en 15 15 iij. vuyrigh na Waarheyts kennisse. Hoe sy meer lesen, hoe die kennisse grooter werdt van haar gebrekē, die werdē mede door die vergrooting der kenniss voor ’teerst daar inne, dā vā haar eygē quaatheyt, op dat sy die daar door souden mogē vyandelijc hatē, en warachtelijc blatē.
Also en latē sy onder t’lesen niet sonder ernstlijck aanmerckē en stille houden voorby lijden, t’geen daar sy meest na soecken. Wat is datte? Alle t’quaat en zonden, dat sy verboden te zijn bevinden van Gode, bedrevē sien te wesen van Menschen, de oorsaken waar door die daar inne zijn vervallen, ende de straffinghen die haar daar door op zijn ghekomen, of hier na haar noch op-komen sullen.
So houden sy, segghe ick noch, voor desen spiegele stille telckēs met opmerckē op haars Hertē-spiegel of gewetē: en ondersoeckē daar scherpelijck, of sy die selve niet mede en hebben bedreven, of ten mindten oock mede niet en souden bedrijven de selve zonden, indien haar de selve gelegenheydē voor quamē, die sy daar bevindē by anderē gedaan te wesen. Die sulcx met ernstigen aandacht aanmerckt, ende sijn


Herte also wackerlijck spiegelt inder Schriftuyren spiegele, al eer hy telckē voort gaat om wat anders te lesen en te verstaan: ist ooc mogelijc dat hem een eenige zonde of yet quaats, dat in sijn Herte schuylt, verborgē mach blijvē
So vindt hy sijn Herte vol quaden met treuren, hy verstaat inder Waarheydt des quaatheyts snoode en grouwelijcke leelijckheyt en verderflijcke schade, en moet dat ten laatsten verwinnen, doodē en gantschelijck laten. En dit is des vruchts ghenietingh inder kracht van d’alder eerste belofte: 1 1 Gene. 3. 15 Ick sal vyantschap setten tusschen dy ende den Wijve, ende tusschen dijnen zaden ende haren zade.
Want niemant en doet quaat dan onder een schijn vā dat hem sulcx doen goet zy. De logen en al die inde logen staan, 2 2 a Isa. 5. 20 a seggē of wanen het quade goet te wesē. So dede ooc het Serpent, eggende: 3 3 Gene. 3. 5 Ghy sult wordē als Goden, wetende goet en quaat. So bedrieght de logen, ende maact den Mensche, in des logens woort blijvende, een ghevanghen ende slave der zonden.
Dit is des logenachtigē Serpents zaade en vruchte in den Zondaar. Als die daar na de Waarheyt, Christum, komt te hooren, 4 4 Joan. 14 16 en hy die gelooft, so openbaart die opte voorsz wijse dē Zondaar des Serpentijnschē logens valsch bedrogh, die in plaatse vā beloofde alwetende Goden, onwetende Duyvels maackt, thoont hem sijn quaatheyt en Ellende, hem door’t geloof van de logen opgekomen: dan kent hy de Waarheyt vā des Logens helsch en dootlijck bedroch. 5 5 Joan. 8. 32 Ende want weldaadt natuyrlijcke vriendtschap baart tot den weldoener: wat mach des bekende Logens, so dootlijcke misdaadt doch anders baren dan vyandtschappe teghen de bedrieghlijcke Loghen.
Siet Leser, daar baart der Vrouwen zaadt, Jesus Christus, hatelijcke vyandtschappe tegen de Logen, t’Serpent ende sijnen zade, de Zonde, 6 6 Joan. 8. 32 so maackt dan de Waarheydt door’t verdrijven van de Logen dē Mensche vry van de Zonde en desselfs quade lusten, begeerlijckheyden, dienstbaarheydt der zonden, en zijn de ghene, 7 7 Joan. 8. 36. die soo van den Sone vry zijn ghemaackt, waarlijck (niet waanlijck, alsmen nu waant) vry.
Sy zijn so vry van de Zonde, dat sy nu niet meer en mogen zondigen: 8 8 1. Joan. 36. 9 want dit Zaadt der Vrouwen, Jesus Christus, de Waarheyt self, blijft in sodanigen Jonger Christi, die in sijn woorden, dat is in de Waarheyt blijft, en die de Waarheyt eens te recht heeft vry gemaact van de Logen, van de Zonde, en van de quade begeerlijckheyden. 9 9 Roma. 6. Gal. 5. 24. Die is hy nu oock niet meer des Duyvels eyghen, maar Christi dien hy toe behoort.
Die soo de H. Schrift lesen, niet om de ongrondelijcke Wijsheyt Godes te doorgrondē, maar om te verstaan haar selfs zotheyt ende kenbare zonden, lesen de Godtlijcke Schriftuyre heylichlijck en veylighlijck, dat is tot haar verbeteringe sonder eenich perijckele oft ghevaarlijckheyt voor dolen.
Soo doen sy mede die haar armoede van Wijsheyt en Deughden noch niet te recht en kennen, de Schrift lesen om die te kennen: en doorgaans vondende voor haar Oogen te komen, of in den raadtslaghen, of in den wercken, Godes sijn wonderbare Wijsheyt, tegen de selve (eer sy voort lesen) aller Menschen, maar voorneemlijck haar eygē wijsheyt soiegelen, Wat ghelt het, of sy en sullen die niet daar by te rekenen vinden, dan puyre zotheyt: en te recht verstaan de woordē Pauli: 10 10 1 Cor. 1. 29 Dat de dwaasheyt Godes wijser is dan de Menschē.
Doet hy so mede in’t lesen vander Heyligen Deughden, en die van Gode zijn geboden: onmoghelijck ist, dat sy van de spieghel der H. Schrift ghewesen zijnde op haar Herte, niet en souden in de selve innerlijcke Spieghel ontwijfelijck sien, mercken ende verstaan, wat Deughdē haar noch ontbreken, omme te moghen voor Godt en voor haar geweten te wesen inder Waarheyt t’gene de Schijndeugden meer bearbeydē geacht te zijn voor den Menschen, dats deughdelijck ende heylich, dan dat die sulcx poogen inder Waarheyt te wesen.
En gelijck nu de gene die sijn quaatheyt niet inder Waarheydt en kent, die hy in sich heeft, ingelijcx mede niet sijn ghebreck van Deughden, die hy niet en heeft, niet met ernst mach begeerē van sulck sijn quaat verlost, noch met sulcke Deughdē begaaft te wordē, so lange hy sulcke ware kennisse ontbeert: soo moet hy nootsakelijck soodanige Waarheyts kennisse vā t’quade, dat in hem is, indē genen daar sy komt veroorsaken een hertelijcke begeerte omme te kennē de ware middelen, omme van’t bekende en gehate quade te laten dat noch in hem is, verlost, en met het bekende goedt of Deughde die niet in hem en is, van den Heere begaaft te werden. Want kennisse van’t quade doet daar af vlieden, ende kennisse van’t goede, doet dat begheeren, bejaghen ende soecken.
Dese hatelijcke af-keer van’t quade en begeerlijcke toe-keer tot het goede, die doet haar veel inde H. Schrift lesen, t’ghelesen ernstlijck betrachten, het betrachte verstaan, 11 11 Psal. 1. 2. het verstaan nacht en dach met lust herdenckē en het bedachte navolgen, oeffenen, en t’selve gelijck worden. 12 12 Isa. 34. 16 Dit zijnse die (na des Propheets bevelen int Boeck des Heeren (niet in Menschen boecken) naarstelijck soecken en lesen: ende dit zijnse die met gantscher aandacht de Schriftuyre lesen, en overvloedelijck van den Heere, diese ons te dien eynde heeft ghegheven, vertroost worden: soo Augustinus wel heeft geschreven. 13 13 Epist. 122
Want sy lesen (sohy mede seyt) al biddende 14 14 De trinit lib. 15, cap. 27, al soeckende, ende wel levende: Hoe waart de ware Godt mogelijck, die mildelijck heeft belooft in en door sijnen lieven Sone, sulcke bidders, soeckers ende wellevens, dats blijvers in sijnē Woordē, en mitsdien sijne ware Jongers wesende, 15 15 Joa. 8. 32 de beloofde kennisse der Waarheyt te weygheren? Haar entlijcke meyninge streckt om des Heeren wille te doē. 16 16 Joa. 7. 17. Dat mach niet zijn sonder die te verstaan: Soude Godt sodanighe sijn Leere ende wil verberghen?

xiij. Hooftstuck,
Van sommige noodtlijcke ende ware middelen om de H. Schrift na der Waarheyt te verstaan.

Om yet, wat het oock zy, recht te kennen, zijn onder meer anderē voorneemlijc noodigh vier dingē: wetē Gesicht, Licht, Ding en Opmerkinge. Want sonder Gesicht en siet men noch en kentmen niet. So mede een wert sonder licht niet gesien noch gekent. Wat baat oock Gesicht en Licht, sonder het Ding dat men wil kennen? Noch zijn al dese drye te samen vergeefs, sonder wackere Opmercking des gheens, die het Ding wil kennen.
Men spreeeckt hier niet van kennisse der dingen diemen siet mettē lichamerlijcke Oogē; die lichamelijck zijn: maar van dingen die geest-


lijck zijn, en met het innerlijcke Ooge ghesien moetē wordē, namentlijc met de verstandelijcke kracht des Gemoets. Daar toe behoeftmē oock eē geestelijck Licht, en niet het licht deser gheschapen Sonnen, 1 1 a Sap. 5. 6maar het Licht van de a Sonne des verstandenissen, 2 2 b Joa. 1. 9. namentlijc Christus het b Licht des werelts, 3 3 c Psa. 35. 10. in wiens c Licht men siet het oorspronckelijck ende eeuwigh Licht dat God self is; de d Vader des Lichts. 4 4 d Jac. 1. 17.
Maar het ding vā welcx kennisse hier wort gehandelt, is Godes eyghentlijcke sin van de H. Schrift, die van geenen Menschē en mach worden recht verstaan: soo lange zijns verstants ghesichte, noch door eenigh partijdigh voor oordeel is verblint, en op d’aertsche duysternissen met zijn Herts-tochtē noch nederwaerts ghebogen staande, 5 5 Tob. 5. 12 het Licht des Hemels derft, Godt uyt genaden hem door Christum zijnen wille niet en openbaart, als door’t geloovigh navolgen nu zijn vrient geworden 6 6 Joan. 15. 14. zijnde, ende hy daar op niet met gantscher aandacht en merckt ende acht neemt.
Het is halve genesinge zijn blintheyt wel te kennē, want die siet nu zijn blintheyt. Hy sietse segghe ick, vermits het ondervinden van zijn moeyelijck dolen en pijnlijck stooten, hem ontwijfelijck doende verstaan: dat hy niet en siet waar hy gaat, maar met handen ende voeten tast na sijnen wegh.
Het selve bevindt sich mede in’t derven des Lichts. Want sy oock gelijck dolen en stootē onderworpen zijn die in’t doncker wanderen, of haar Oogen al schoon open waren. Behalven dat des eenen blintheyt dubbelt, ende des anders maar enckel is, als sy beyde in duysternissen zijn: ghemerckt om te moghen yet recht kennen; d’een, niet alleen gesicht, maar daar toe noch Licht behoeft, ende d’ander niet dan het Licht.
Seneca hadde een jong Meysken in zijn gezinde dat zot was. Dat wert op een Nacht schielijck blint: t’welck tot zijn voedtster, di’t wilde metter handt leydē, sprack: sorght voor dy selve, want het is nacht, de Lucht is doncker, niet mijn Ooghen. Soo gaat het met de waansiende blinden oock toe. Sy achten eer elck blindt te zijn dan haar selve. Ende soo sy struyckelen en vallen, schrijvē sy’t der Schriftuyren duysterkeyt, niet haar selfs blintheydt toe. Dat in haar is, seggen sy nuyten haar te zijn. De duysterheyt die in haar oogē is, wijten sy het klare Licht des Euangeliums.
Sodanigh is der waansienders en Schijndeughden blintheyt, die d’alder sorghlijckste is. Sulcke verschuldē vandē Heere te hooren: Waardy blindt, so en haddet ghy geen zonde: 7 7 Joa. 9. 42. maar nu ghy segt wy sien, soo blijft u zonde.
Dat zijn dubbelde en moetwillige blinden; dubbelde, om dat sy door haar verwaantheyt het gesicht haars gemoedts, en daar by oock het Licht der Waarheyt derven: en moetwilligh, om dat sy met willige vermetelheyt sich achten wijs te wesen daar sy dwaas zijn: en daar en boven oock het Licht vlieden, overmits haar wercken quaat zijn, ende t’onrecht gaarne goet soudē geacht wesen. 8 8 1. Cor. 8. 2 Dese so wanende te weten, en segghende sich selve wijs te wesen: 9 9 Rom. 1. 22 en weten noch niet so sy weten souden, ende zijn zot gheworden. 10 10 Matt. 21. 31.
Al heel anders ist metten openbaren Zondaren, die voor sodanige Schijn-heyligen sullen inne gaan door dien Godt sodanigen t’gesicht haarder zielen gheeft en wijsheyt: Daar d’andere in haar blintheyt so worden gelatē; dat sy met sienden oogen (die sy haddē mogen openē (niet en siē, en dat Godt haar verbergt zijn Wijsheyt, 11 11 Matt. 13. 13. sonder welcke het alles niet en is dan loutere dwaasheyt: 12 12 Matt. 11. 25. en daar teghen de blindē t’gesicht wert gegevē, en den kleynē of onwijsē zijn verholentheyt wert geopenbaert. 13 13 Luc. 7. 21. Marc. 10. 47.
Want sulcke wijse blindē die ootmoedelijck blint zijnde, haar blintheyt ootmoedelijck blint zijnde, haar blintheyt ootmoedelijc voor den volcke bekennen, en desselfs ellendigheyt met pijnlijck verdriet gevoelen, roepen uyt bekende noot met luyder stemmē haars treurigen herten. Sy begeeren gheen loon van haar waan-verdiensten, maar barmhertigheydt haarder ware misdaden. 14 14 Marc. 10. 50. En gevraaght zijnde wat sy begeeren dat de Heere haar sal doen, en begeeren sy geen aertsche have, al zijn’t arme bedelaars voor Gode, maar bidden om gesicht, om te moghen sien. Wat baat al des werelts have, alsmen t’verstandt ontbeert, sonder t’welck men die moet misbruycken tot zijn selfs bederven? Blindt man, arm man, al hadde hy bonte kleederen an.
Wat wort van sulck bidden? Hy verkrijght terstont het begeerde ghesicht, ende bevindt de Waarheyt inder daat van des belovers toeseggen: Bidt en u sal worden gegevē. Waarom dat? Hy bidt uyt noot, hy bidt met betrouwen, en hy bidtom t’geen dat tot Godes eere en tot zijn saligheyt strect. Daarom verkrijgt hy meer dan hy begeert. Hoe dat? met het verkrijgen van’t gesicht, verkrijght hy oock teffens het Licht. Dat siet hy dan voor sich, te weten Christum het Licht des werelts, die volght hy nu na, sonder sich meer van Menschen, die veel al self blint zijn, te laten leyden.
Het waar ooc een blinde zotheyt, Menschen na te volghen, die Christum kent en voor sich heeft tot eē Hemelsch en ware leydtsman. Niet minder zijn’t onwijse blindē, die voor sich hebbende de sekere en clare tuygenissen vā Christi Woort ende wandel, het selve verlaten om der menschē onsekere en duystere glosen na volgē.
In Christi licht, 15 15 Psa. 35. 10 niet inder menschen duysternissen sietmen het lichte Godes. Wat behoeftmē het twijfelijck licht der Sterren, die vā self geen licht hebbende, haar licht moetenontleenen van de Mane, en dese so mede vande Sonne: 16 16 Isa. 26. 20 daarmē het licht Godlijcker Sonnē; Jesu Christi; mach hebben, dat sevenmaal klaarder is dā der Sonnē licht vā sevē dagē?
Menschen licht en leere, dat meest bedriegelijcke ende nachtlijcke Stalkaarssen zijn, laat varen, die nu niet en mogen recht leyden, maar verleyden. Dese verduysterē met haar beroocte glosen den Lanteerne der H. Schrift: 17 17 Isa. 42. 10 maar Godt door zijns Woorts tuyghenisse maackt onse duysternissen (als wy die maar bekennē) tot een Licht. 18 18 Joan. 12. 46. Dit Woort is in de werelt gekomen, op dat alle die ghelooft, niet in duysternisse en blijve. Dit woort is self het Licht. Dit verlicht het self alles: soudet licht der duysternissen verlichten behoeven? Souden der Menschen duystere uytleggingē Christi klare Waarheyt verlichtē? Souden Menschē beter konnen Waarheyt naact uytsprekē
dan Christus? of soude Christus ons die niet soo wel gonnen, als de Menschen die met haar glosen zijn Woorden bestaan te verklaren.
Leest des eenighen Leermeesters woorden self. Begeert hongherigh het Broot des verstandenisse; u nu noodigh zijnde; maar niet daar boven. Bidt van vrymoedelijck metten Psalmist (118. 125.) Heer gheeft my verstant op dat ick dijne tuyghnissen macht wetē. Betrout des Heeren goetheyt: die sal u Broodt gheven. U daghelijcx broot dat ghy voor elcke


dagh op die tijt behoeft. Sorght niet voor den morgen, dat waar te willen weten meer dan u nodigh is, immers dan u nu noodigh is.
Die en sal u oock gheen Steen voor Broot gheven. Hy weet dat ghy Broodt van noode hebt, oock kent hy Broot uyt dteenen. Menschen die dē onderscheyt van beydē niet wel en verstaan, of die valsch zijn doē sulcx, of self uyt misverstant bedrogē zijnde: of uyt list om u tot haar gewin te bedriegen. Laat varē het menschelijck kaf, soeckt koorn, al suyver gedorscht liggēde inde koornschuyre der H. Schriftuyrē.
Daar, 1 1 August. de doct. Christ. lib. 2. cap. 9 niet by der Menschen beduydinghen soecken de Godvruchtighen en Hongerigen na de kennisse van Godes wille, die der Zielen rechte Broot en ware voedtsel is. Daar leest om te verstaan t’gheen u noodigh is, ende dat Godt self heeft doen schrijven, 2 2 August. confes. lib. 12. cap. 18. t’ghene hy wil dat wy lesen, ende niet Menschen schriften, die hy u niet bevolen en heeft te lesen.
Dese mogen, immers veele menschē willen oock bedriegē: maar Godt wil niet bedriegen om dat hy ons Saligheyt selve soect, noch hy en mach niet bedriegē om dat hy getrou is, en sijn woordē niet anders en zijn dā waarheyt.
Waarom koopt ghy logens om gelt, 3 3 Isa. 55. 2 daar ghy de Waarheydt te gheef mooght krijgen? Waarom steldy u waanwijselijc in sorgē van dolen, 4 4 Pro. 14. 8. Isa. 35. 8 daar ghy seker mooght gaan? Waarom volghdy d’onbekende stemmē der Menschen, 5 5 Joan. 10 daar wy Christi stemme indē Euangelio kennē, en met veylicheyt mogē hoorē en na volgē?
Wijckt vande bedriegelijcke Menschen, en genaackt den getrouwen Gode. Wijckt voor van u selven, van u goetdunckē en wanē, dits den wegh tot weten en ter Waarheyt. Want van sich self afwijcken is Gode genaken: en zijn selfs duysternissen te verlaten, is tot het Licht komen ende Christum te ghenaken.
Gaat tot Gode, 6 6 Psa. 33. 6 en ghy sult verlicht wordē. Hy gaat tot Godt, die vā sich selve scheyt: Hy wort verlicht, diē zijn duysternisse mishaagt, en hy wort bequaam om goet te wordēdat hy niet en is: die sijn quaatheydt haat die in hem is. Ghenaackt ghy Gode, so sal Godt u genaken: 7 7 Jaco. 4. 8. Deut. 33. 3 sullen zijne Leeringe ontfangen. Ist niet heyliger en seeckerder van Gode uyt zijnen geschrevē Woorde, dā van Menschē uyt m,enschelijcke woorden ende Schiften, gheleert te worden?
Wie mach aan die keure twijfelē? Schickt u dan Leser liever met vernederinge aan Godes voetē om zijn Wegen te verstaan, 8 8 Luc. 10. 9. 42. en aan Christi voetē, om uyt zijn Woordē te verstaan, wat zijne voetstappē der Liefdē zijn, om die te leerē na volgē. Dat alleē is van noode, dan dat ghy swervēde, totter Menschē schriftē en woordē, die u verhoovaardigē, maar niet vernederen, verbitteren, maar niet verbeteren en mogen.
Hebdy Ooren, dat is hebdy begheerte om Godes wil te weten om die te doen, soo hoort na Godes beschreven Woort inde H. Schrift, niet na Menschen woorden, sy zijn dan ghesproken of gheschreven. Want niet der Menschen, maar Godes wil wildy doen. Wat noot ist u dan der Menschen sinne te hooren met versuym terwijlen van’t ghehoor van Godes woorden? Zijn der Menschen woorden, glosen ende Predicatien niet dan loutere Schriftuyre, sonder eenigh toevoeghsel van haar eygen woordē: so mooghdyse lesen of hooren lesen in de Bybel. Ist anders, so mooghdy haar woordē die sy daar byvoegē, niet betrouwen.
Nu ist anders in schriftlijcke glosen of Predicatien der menschē. Want tot een woort uyt de H. Schrift mengen sy wel thien vā haar eygē woordē. Ist niet pure dwaasheyt mengde Tarwe met kaf, mengt Gout met schuym, ja mengde genees-dranck met fenijn te soeckē en koopē, daarmē suyvere Tarwe, louter Gout en enckele Medecijn sonder alle mengsele van arger dingē al op sich self mach hebbē om niet

Het Vierde Boeck.

Van’t leeren doen met sijne oorsaacken, middelen, ende vruchten.

j. Hooft-stuck,

Datmen eenighe dingen leert verstaan, die men selfs nemmermeer en mach doen.

Van’t leeren verstaan dat ons ter Saligheyt noodigh is, ende t’gheen daar toe voordert met zijnen ommestanden, heb ick t’geen my nut dochte gheseyt. Nu ist tijt ten laatstē oock yet te verhalē van’t leerē doen (daar van ick mede hadde geroert)ēē met sijnen aanklevē: als wesende het naaste eynde waar toe het leeren verstaan is streckende, ende den Menschen, soo haar dat eynde ontblijft, niet voorderlijck, maar schadelijck is.
My is onverholen, datmen oock sommighe saken leert verstaan, die wy nemmermeer selve sullen doen, als dat Godt is Almachtigh, Alwijs, alleen goet: daar door hy de werelt heeft geschapen, schickelijck bestiert, en alles besorght met voedtsel en nootdruft: Welck scheppen, bestieren ende onderhouden gheen Mensch immermeer mach doen, ende daarom niet en mach leeren doen.

ij. Hooft-stuck.
Wat werck eenige Menschen leeren Gode so na doen, dat sy’t oock wel konnen doen.

Maar daaromme en is het leeren verstaan van sulcke Godtlijcke ende: op die wijse: onnadoenlijcke wercken niet soo heel onnut: of het dient ons noch heylsamelijc tot twee groote saken, namelijck tot ware Vernederinge en onderdanige Gehoorsaamheyt Godes: en tot een begeerlijcke Lust om sodanighe weldaden Godes, oock tot ons even Mensche; ons behoevende; te betoonen: en so alle ons vermogen, verstant en goedigheyt getrouwelijck tot haar hulpe bestedende, ons self vā Godlijcker aart te zijn aan elck, oock aan onsen vyanden te bewijsen.
Dit was’t oock dat de Heere Jesus ons te doen heeft bevolen als hy seyde: 9 9 mat 6. 48 Weest volmaact, als mijn Hemelsche Vader volmaackt is. Hoe? Ghedenckt hier yemant, ghebiedt Christus ons dan een Almachtighe, Alwijse, ende volmaackte goedtheyt te wesen? Sulck ons wesen van niemandt anders, maar van ons selfs te hebben? Niet te moghen veranderen in’t vermeeren, bverminderen noch an-


ders? Ende metten kortsten, dat wy elck selve een eenige self-standige en eeuwige Godt, die beghin noch eynde heeft, sullen wesen? Dat is sonder twijfel onmoghelijck. Ghebiedt Christus ons dan onmoghelijcke dinghen?
Neen geensins. Christus gebiedt daar niet altoos, of hy self en mach ende wil dat in alle de ghene die sulcx met hem willen, namentlijck de recht-gheloovigen, volbrengen: Immers hy volbrengt al t’ghene hy daar gebiedt in allen herborenen: 1 1 Eph. 4. 13 Die tot de eenigheyt des Gheloofs, ende der kennissen des Soons Godes, tot een volkomen Man, totter mate des volkomen ouderdoms Christi zijn opghewassen.
Want dese zijn Godtlijck, dat is, sy hebben van Godes genade, niet van haar self, daarin sodanigen Godtlijcken aart ende ghelijckheyt met Gode, dat sy niet alleen niemanden schadelijck en yederman, goeden ende quaden; behulpelijck ende goetdadigh zijn, maar oock mede daar inne, dat sy oock selve mede, als Godt in Christo heeft ghedaan, haar vyanden so uyter herten liefhebben, so dat sy geven, of bereydt zijn te gheven haar leven voor haare vyanden.
Dit heeft Godt in Christo ghedaan doe wy 2 2 Rom. 5. 6 10. noch vyanden waren. Wat is oock Christi leven en sterven anders gheweest dan een doorgaande en voorgaande wandel en handel, dan ware Liefde tot zijne vyande? 3 3 1. Petr. 2 21. Die heeft oock sich self ons tot een voorbeeldt ghestelt, op dat wy zijne voetstappen souden na volghen.
Wat is het navolghen der leerlingen anders, dan sulcx na-doen, als hy siet dat hem zijn Meester voor doet. Die heeft in zijn bitterstelijden aan den Cruyce ghebeden voor zijnen Cruyssers. Dat quam uyt ware Liefde die het leven wenschte zijnen vyande die hem den Doot aan-dedenmaar segdy, konnen Menschen dat na doen dat Christus, die Godt is, haar voor dede? Christus was oock een Mensch na zijn Menscheyt, niet na zijn Godtheydt, heeft hy den innerlijcken Doodt voor zijn Vyanden gheleden. T’is waar segdy, maar die Godtheyt was ooc in die Menscheyt, die vermoght dat in zijn Menscheyt. Also, die is mede in de gene die in Waarheyt door Christum in Gode een zijn (ende in de welcke Godt met Christo
sijn wooninghe heeft ghemaackt.
Daar is Emanuel, dats Godt met ons. Is Godt met ons, wie mach tegen ons zijn? Godt was met Paulo, die vermoght daarom alles in Christo, die hem versterckte. Paulus was eē Mensche als ghy. Wort een met Gode als hy was, ghy sullet mede alles vermoghen in hem, die selve d’Almoghende Sterckheydt is, ende die den zijnen met onoverwinnelijcker sterckheyt versterckt.
Of waandy dat Christus die ons den vyanden leert lief te hebben, self gheen waarachtigh Leermeester en is? T’is niet ghenoegh om een Leermeester eeniger konsten te wesen datmens self kan doen; ten zy sake datmens oock een ander so kan onderwijsen, dat des Leermeesters Leeringh sulcx mede kan doen, dit bekenne ick waar te zijn.
Maar hevet Christus niemandt zijnder Leerlingen so gheleert, dat sy’t self mede hebben konnē doen? Voorwaar ja hy. Segt dan, Wat dede d’eerste Martelaar Christi onder den dootlijckē en harden Steen-regen? Badt hy niet voor zijn Steenigers? Heeft die Leerling niet daatlijck bewesen dat hy de Godtlijcke Const van zijn vyanden lief te hebben, volkomelijck konste? Dat hyse volmaacktelijc hadde geleert? Dat de eenige en volmaeckte Meester hem die ten vollen hadde gheleert?
Was Stephanus een Godt als Christus? Was hy niet een mensche als wy zijn? Waarom soude die lieve en ware Leermeester ons, dat niet so gaarne ende volmaacktelijck leeren als Stephanum: so wy ons so begeerlijcke geloovighe en standtvastige Leerlinghen bewesen te wesen, als de salighe eerste Martelaar sich heeft bewesen?
Van wie oock anders dan van de selve eenige en ware Leermeester hadde oock Moyses die selve konste soo volmaacktelijck gheleert, dat hy oock om zijnre vyanden verderfnisse te verbidden, om zijn eyghen eeuwige verdervenisse Gode heeft ghebeden. Is Christus niet self het Woort. Was het dat niet dat hem soo hadde leeren lief hebben, dat hy begeerde uyt des Levens Boeck ghevaaght te zijn, om dat God sijn vyanden; die hem steenigen wilden, daar uyt niet en soude vaghen?
Moyses konste mede de selve Const dan van zijn vyandt lief te hebben. Daar inne heeft hy tot een met-leerling ghehadt d’Apostel Paulum, die wenschte sich van Christo verbannen te zijn, op dat zijn vyanden niet en souden verbannen zijn. Wat is zijn vyanden liefhebben, soo’t dat niet en is?
Immers dese laatste twee thoonden niet alleen dat sy volmaacktelijck haar vyanden lief haddē, maar oock dat sy haar vyanden boven self lief hadden. Dees waren gheen van beyden oock selve Godt, maar Goddelijcke menschen bewesen sy sich in desen te zijn, ende volmaackte onderhouders van dit Ghebodt Christi: Weest volmaackt, als mijn Hemelsche Vader is. Doch waren’t Menschen als wy zijn, de selve Meester leeft noch, ende is so willigh om ons de selve Const volmaackteklijck te leeren als haar. Laat ons maar die selve Leerghierigheyt, Gheloove en volhardigheyt in ons bewijsen te wesen die in haar is gheweest. Daar is niet aan te twijfelen, de Meester sal t’zijn so wel tot ons doen als hy tot haar heeft ghedaan.

iij. Hooft-stuck.

Van leeren, ende wat het is, wat het doen is daar men hier af handelt, wat leren doen is, ende van Deughdelijcke Ionckheyt.

VVt het geseyde wort licht verstaan dat het woort Leerē in Neerduytsch tweesinnigh is. Want het ghesproken zijnde van een Leeraar, beteeckent het onderwijsen, of een ander zijn konnen te leeren. Maar als het ghesproken wordt van een Leerling, meyntmen daar mede self wat te leeren datmen niet en konde. So leert de Schoolmeester den kinderen haar letter kennē die hy wel kan, maar sy niet, dit eerst noemen de Hooghduytschen als wy Leeren, maar t’laatste Lernen. Dit leeren dan der Leerlinghen is om yet self te konnen, datmen niet en ka.
Het Woordt Doen neem ick hier voor een willighe beweginge daar wat uyt wordt, te weten veranderinge van gedaante die te voren niet en was. Want van Athemen, wassen, kripmen ende dergelijcke beweginghen buyten of met ons wetē geschiedende en wert hier niet ghesproken, oock niet van t’geen yemant ghedwonghen zijnde doet, dat eygentlijck des dwinghers, ende niet des lijders doen is.


Van ghelijcken mede niet van ghemeen wercken daar niet af en wort dat de Mensch noodtlijck argher of beter maackt, als gaan, staan, sitten, slapen, ende dergelijcken meer: maar alleē wort hier gehandelt vander Menschen doen, dat haar hoedanigheyt verandert van onnoosel in quaadt, of van quaadt in argher: van t’quade in goedt, of van goedt in beter, ende van beter in’t alderbeste, of van argher in’t alderquaatste.
Het leeren doen is dan, so dickmaal een selve werck te pleghen, datmen sulcx lichtelijck kan doen. Het quaadt-doen leert meest elck sonder begheerte, wil of voornemen: maar het goede sietmen meest leeren doen uyt begeerte, wil ende opset om sulcx altijt te doen: so datmen elck goet werck na wille kan wel doen, dats soo elck behoort gedaan te worden. Men leert goedt doen als men volhardt in’t hanteren van goede onderwijsinghe. Maar daar af te wijcken, is leeren quaat-doen. het quaat-doen leeren de Menschen lichtelijck uyt onverstandt, onachtsaamheyt, ende uyt so ghemeene als quade Voorschriften haarder Ouderen, speelghenoten ende ghemeen Landts verdorven zeden, die dit onkruydt zaeyen in de onverstandighe Jeught, t’welck van selfs overvloedelijck wast ende vermenighvuldight.
Soo mach mede d’onbesaeyde Jeught van goede Ouders ter Deughden of tot wel-doen aanghevoert, gheleert ende gewendt worden, t’welck oock gheschiet in sommighen, so dat sy van kindts been op het goedt hebben leeren doen, al eer sy t’quade leeren. Maar dit gheschiet seltsaam, om dat de deughdelijcke Ouders seltsaam zijn.
Want men vindt meer luyden die selve geltrijck zijn, de const hebben om ghelt te winnen, ende gheldtghierige gheldighe kinderen hebben, dan luyden die selve Deughde-rijck zijn, de const hebben om Deughden te winnen, ende Deughdghierige en Deughdelijcke kinderen hebben. Waarom dat? Meest elck acht het gheldt voor beter goet dan Wijsheyt, daarom benaarstighen sy t’gheldt meer dan Wijsheydt. 1 1 Pro. 2. 2. Dit sien haar kinderen, dit gheeftmen haar in heur pap t’eten, met leeringhe van woorden ende wercken.
Anders doen d’Ouders, welcker herte des Wijsheyts deughde soeckt als na ghelt, ende daar na graaft als na schatten: na schatten die veyligh zijn voor dieven en matten. Sulcx sien ende hooren de kinderen van haar. Leeren dat haar Ouderen begheerlijck na doen, ende konnen alsoo het goedt doen eer sy’t t’quade oyt gheleert hebben. 2 2 a Gen. 27 11. 12
Soodanighe wel gheleerde jonckheyt leestmen te zijn gheweest in a Jacob, 3 3 b Gen. 39 12. b Joseph ende c Samuel, 4 4 c 1. Reg. 2 26. ja oock de Heyden d Job Sulcke jonckheydt was in e Josia, 5 5 d Job. 31 18. f Ezechiel ende g Daniel. 6 6 e 2. Par. 34 1. 2. 3 Was h Joannes de Doper niet van deughdelijcke Ouders so deughdelijc opghevoedt, 7 7 f Ezech. 4. 12 ende midts haar Voorbeeldt ende Leere so deughdelijck van joncx op, datter van vrouwen gheen Mensche natuyrlijcker wijse 8 8 g Dan. 13 45. 49 geboren zijnde, em is op ghestaan. 9 9 h Luc. 1. 80. Mat. 11. 11. Wat deughdelijcker jeught ons de heylige Schrift thoont in i Paulo, in k Petro, in l Timetheo ende meer anderen, 10 10 i Act. 26. 4 5. soude my te langhe hier verhalen. 11 11 k 2. Timot 1. 3. Act. 10. 14
Wel is waar, dat d’opvoedinghe van goede Ouderen gheen noodtlijcke oorsaecke en is van goede kinderen. 12 12 l 1. Timo. 4 12. 2. Timo. 3 15. Want men oock daghelijcx bevindt, t’welck men niet seltsaam inden Bybel leest, dat van goede Ouderen seer quade kinderen zijn ghekomen: ende wederomme van quade Ouders seer goede kinderen: want de kinderen der Ouderen voorgang of onderwijs, t’zy dan dat die goet of quaat zy, niet noodtsakelijck moeten, maar vrywilligh moghen navolghen ende aannemen.
Maar daar beneven is oock waar, dat het soo grooten behulp is om een deughdelijcke Ouderdom te bekomen, van deughdelijcke Ouderen in Deughden gheleert ende opghevoedt te worden van joncx op, dat nauwelijcx yemandt soo quaat ghevonden en mach worden, die niet liever en soude willen dat zijne kinderen van goede Meesteren, door haar wel voor-gaan in goede zeden, ende door goet onderwijs tot een goet leven op ghevoedt worde dan anders. En blijckt mede uyt de voorghenoemde heylige Mannen, datter soodanighe heylighe ende deughdelijcke jonckheydt mach wwesen.

iiij. Hooft-stuck.

Dat Godt ons ghebiedt, niet alleen het goede te verstaan, maar dat oock te doen.


God is goedt. So is oock zijn wille. 13 13 1. Daarom wil hy dat alle menschen die zijn wille verstaan ende onophoudelijck doen, goedt sullen worden. Dit geschiet oock altijt in alle soodanighe. Daar toe openbaart hy oock alle Menschen (om haars Heyls willē) zijnen wille in zijne Gheboden: die hy ons geeft niet alleen om die te verstaan, maar op dat wy die metter daat sullen volbrengen: Ende nu Israel, hoort de Gheboden ende Rechten, die ick dy leere, op dat du die soudste doen ende leven, Deut. 4. 1. Mat. 19. 17. Deut. 4. 13, 5. 31, 6. 1 3, 7. 11, 8. 1. etc.
Immers, 14 14 2. nadien het verstaan van Deughde, sonder de selve te hanteren, gheen Deught en is: soo maackt sulck dadeloos verstaan den Menschen soo weynigh goet, als het sien van goede spijse, sonder die te eten en verdouwen, des Menschē hongherige maghe niet altoos en versadet noch sijn lichaam voedt. Daaromme ons oock geboden is zijne Gheboden; 15 15 Mat. 4. 4 dat zijn Woort ende onser sielen voedtsel is; metter daat te volbrenghen ende doen.
Nu Israel, 16 16 3. War eyscht de Heere uwe Godt van u; Dan dat ghy den Heere uwen Godt vreeset, 17 17 Deut. 10 12. dat ghy in alle sijne weghen wandelt, ende hem liefhebt, ende dienet den Heere uwen Godt van gantscher herten ende van gantscher sielen, dat ghy de Gheboden des Heeren houdet, ende sijne Rechten, die ick u huyden ghebiede, opdat het u wel ga.
Daar mede stemt oock des heeren Christi 18 18 4. Ghebodt 19 19 Mat. 28 20 Leerende haar onderhoudē al wat ik u hebbe bevolen. Item, 20 20 Mat. 7. 21. niet al die tot my seyt, Heere Heere, en sal komen in’t Rijck der Hemelen: maar die daar doet mijns Vaders wille die in de Hemelen is. Meer mooghdy sulcx lesen Deut. 26. 16. 18. Josu. 1. 7. Mat. 7. 21. 1. Timo. 1. 5. 2. Timo. 3. 16. 17. etc.
Weest doenders des Woorts, 21 21 5. ende niet allenlijck hoorders, 22 22 Jaco. 1. 22 bedrieghende u selven. Bedrieghen sy haar selven niet kinderlijck, die hoorende datmen door Christum ten eeuwighen Leven komt, Christi voetstappen niet na en treden, maar met het hooren alleen sich vernoeghen? Wat is dit anders dan voor den wegh ten Leven te staan, sonder die inne te gaan, maar vernoeghen met het hooren dat-


men dien Wegh moet betreden? Sullen dese oock komen daar de Wegh ons aanbiedt te leyden? Gaat hy voort, die altijdt blijft daar hy is.
Qualijck dede de soon eerst, 1 1 6 die zijn Vaders bevelen te doen met woorden weygerde: 2 2 Mat. 21 28. maar daar na verbeterde hy zijn qualijck segghen met zijn wel-doen. Maar argher was des Schoonpraats doen, die zijn wel ghesproken Ja, met eē qualijck gedaan neen verarghde: wat baat het Ja-woort, als de daadt Neen seyt? Niet in de woorden, maar in de wercken bestaat de ware onderdanigheyt Godes. Wie onser soude vernoeghen met een Dienstbode, die ons bevel altijdt metten monde alleenlijck, maar nemmermeer metter handt dede?
Men hoort immers Gode niet te doen, dat wy van Menschen; ons ghelijck; niet willen lijden. Soodanighe onderdanigheydt en leert Godt den zijnen niet, want die en behaaght hem niet, noch sy en voordert den menschen niet, maar hindert ter Saligheydt. Als Godt leert, soo leert hy verstaan t’gheen ons noodigh is om verstaan, midts dat hy de Waarheyt openbaart: 3 3 Phil. 3. 13 ende hy leert ons doen t’geen wy behooren te doen, midts dat hy in ons het vermoghen daar toe scheyt.
Wy en hooren ons oock niet te draghen totten 4 4 8. Menschen, so wy niet en souden begeeren dat Godt met ons handelde. Wie soude gaarne hebben dat Godt hem niet lief en hadde, ende noodtdruft weygherde. Dit doet meest elck. Meest elck besit overvloedt te leen van Gode in lijf-tocht, 5 5 1. Joan. 3. 17. niet in eyghendom; daar af teert men verde boven noodtdruft, met sluytinghe van des barmhertigheydts ingheweydt, teghen zijnen even Mensch, diens ghebreck hy siet, maar en helpt hem niet.
Ende noch konnen sulcke Naam-christenen 6 6 9. sich self vroedt maken dat sy Christenen zijn en de Liefde hebben. Die vast selve voor een gaft, ick swijghe dat sy met t’gheen sy t’over heeft, haar Naastens ghebreck stopt. Soo niet Broeders, soo niet. Laat ons niet Lief hebben metten woorde alleenlijck, 7 7 1. Joan. 3. 18. Laat ons niet Lief hebben metten woorde alleenlijck, noch metter tonghe: maar met de wercken ende inder Waarheyt.
Niet schoone woorden, maar leive daden: 8 8 10. niet lief kosen, maar lief doen thoont eens Christens aart. Niet al die daar roepē Heere, Heere, 9 9 Mat. 7. 21 maar die daar doē mijns Vaders wille (seyt Christus) die in de Hemelen is, sullen daar inne gaan. Woorden en gelden niet daar wercken gheeyscht worden. En niet in woorden, maar in de kracht bestaat het Rijcke Godes, seyt d’Apostel. 10 10 1. Cor. 4. 20. Der Menschen woorden brenghen windt ende ydelheydt voort: maar der liefden kracht brengt daadt ende baat voort.
Ende ghy Leser, dese ende ghelijcke dingen inde heylige Schrift lesende, acht u die oock gheseyt te zijn. Merckt op u daghelijcx doen in desen, ghy sult vinden dat ghy meer verteert in kleederen ende spijsen dan’t u noodigh is, ende daarom uwen Naasten oock minder met deylt, dan hem noodigh is, ende dit van eens gemeenen Heeren, miet u have. So zijdy een Dief in u selfs besittinghe.
Want ghy steelt ende verdoet onnuttelijck 11 11 12. uwes Naastens nootdruft, ende noch soudy met sulcke onbarmhertighe Liefdeloosigheyt een Christen wesen? Wat baat den schijn, sonder sulcx te zijn? Speent u wat van’t willen meer weten, leert wat meer doen t’gheen dat
ghy nu al hebt leeren weten, ghy nu al hebt leeren weten, tot dat ghy al u weten hebt gheleert in’t werck brenghen, soo leert men doen datmen weet. Dit ghebiedt u de Heere, segghende door Moysen:
So behoudt het nu ende doet het, 12 12 13. want dat sal uwe Wijsheydt zijn. 13 13 Deut. 4. 6 Waarom is het behouden ende het doen van Godes Gheboden onse Wijsheydt? Verstaat, weten wat goet is, sonder t’goede te doen en is noch Wijsheyt noch Deught, maar maackt ons dubbelde slaghen waardigh, so en mach oock niemant Deughde of dat goedt is doen, sonder t’goede te kennen. Maar dan wort het Wijsheyt t’welck Deught is alsmen t’gheweten goet stadelijcken doet: en dan ist Wijsheyt en Deught alsmen het gheweten goet door sulck stadelijck doen soo krachtelijck ghewoon is, datmens na wil kan doen.
U komen Leser in’t lesen der H. Schrift 14 14 14. voor dese woorden: 15 15 Pro. 2. 4. So ghy haar (de Wijsheyt) soeckt als silver, ende daar na arbeyt als na schatten, soo suldy des Heeren vreese verstaan, ende Godes kennisse vinden: Houdt stil, spieghelt u Herte. Waar toe dat? Ghy verstaat die woorden: kondt ghy die soo metter daat doen? Hoe dat, segdy. Is u verborghen dat ghy’t t’ghelt soeckt, ende na rijckdomme arbeydt? Neen moet ghy bekennen.
So mooghdy voorts dencken aldus: 16 16 15. Wat soecke ende benaarstige ick meer en vuyriger, t’ghelt of de Wijsheyt? Ick moet bekennen dat ick meer dagē begeerlijck jaghe om rijck, dan uren (ende dat noch lauwelijck) om wijs te worden. Watmen boven al begheert en bearbeyt, dat achtmen voor’t beste. Want soo ick hondert gouden Portugesers mocht verkrijghen, of hondert Leg-penninghen: ick soude op’t alder spoedighste de gouden penninghen benaarstighen, met verachting der Leg-penninghen.
Waarom dat? Om dat ick weet dat een 17 17 16. sulcken gouden penning beter is dan duysent koperen penninghen. Maackt het ghelts verkrijgē de Ziele beter, en vermeert desselfs goeden. Is de Ziel beter, of t’lijf? De Ziel. Die sal oock eeuwelijck duyren, t’lijf niet. So zijn dan der Zielen goeden oock beter dan des Lichaams. Also.
So benaarstight ende soeckt ghy t’snootste 18 18 17. boven t’beste. Ick moet dat bekennen. Wijsheyts werck is in allen saeckē het beste te kiesen: niet anders dan des vuyrs werck is; al waar het in is; heet te maken: soo noodtlijck, dat al waar het beste niet en werdt verkoren nochte het vuyr niet heet en maackt, dat daar noch wijsheyt noch vuyr en is. Men maghs niet loochenen.
Men magh dan mede niet loochenē, O Ziele, 19 19 18. dat in u de wijsheyt niet en is; na dien ghy niet het beste, maar t’snootste stadelijck soeckt ende bearbeyt. Saaght ghy yemandt keure hebbende, koperen Leg-penninghen voor gouden Portugesers nemen, wat soudt ghy segghen? Dat hy zot ware.
Na dien ghy dan meer soeckt ende jaaght 20 20 19. na des Lichaams dan na der Zielen, dats na t’verganckelijcke snootste, meer dan na het Edelste eeuwighe Goedt: Hoe mooghdy u self vroedt maken dat de Wijsheydt in u is? Die gheen wijsheyt heeft, is onwijs. Wat zijt ghy dan doch anders (ghy schjnt voor den Menschē so wijs als ghy wilt) dan een moetwillighe zot ende ydele dwaas?


Soo ghy leser dese dinghen alsso betrachtet 1 1 20. voor der Schriftuyten ende uwes Herten soieghelen, sal u moghen verholen blijven, dat ghy de Wijsheyt niet en soeckt, dat ghy zot zijt, ende dat ghy gantsch onghelijck zijt den wijsen Koopman, 2 2 Matt. 13. 45. 46 die om een uytghelesen paarle te kooepn aal t’zijn verkochte?
O wat wijser zotheyt ist, 3 3 21. die ons so klaarlijck en waarlijck onse zotheyt leert kennen: dat sy ons alles, 4 4 Philip. 3. 8 oock alle onse Deught schijnende oeffeningen voor dreck doet achten om den Euangeli-paarle; Christum; met zijn hooghe kennisse te moghen winnen. Want die Wijsheyt verkrijght niemandt, hy en moet eerst in zijn selfs ooghen zot worden. Vermits niemant krijght t’gheen hy niet en begheert. Immers soeckt yemandt ernstlijck na dat hy niet en begheert? Wie begeert Wijsheyt sonder te ondervinden dat hy die niet en heeft, ende sonder die niet salighlijck en mach leven?

v. Hooft-stuck.
Voort doen van’t goede, gaat in alle die quaat sijn, het laten van t’quade. Wat het is, of sulck laten oock een doen is, ende dat Godt ghebiedt het quade te laten op dat ons wel zy, want het den menschen quelt ende verderft.

Quaat doen ende goed doen, zijn strijdighe saken. Een selve Mensch mach die niet teffens doen. Want quaat doende, doet niemant goet noch goet doende, doet niemant quaat. Eet de vraat vratigh, soo eet hy niet matigh: maar eet hy matigh, hy en eet niet vratigh. Het vratigh eten voedt, het laten doot des vraten vratigheyt. Het beleven van sulck quaat te laten, is het sterven van sulck doen. Het beleven segghe ick, niet het lesen alleen, van’t quaat laten, doot het quaat doen.
Wat is het quaat laten? Niet te doen, datmen niet en weet goet te wesen, ende al te vlieden datmen weet quaadt te zijn. Het eerst is rustē. Het ander is vlieden ofte afwijckē. Die niet onbekents en doet, en die t’bekende quaat laat, en mach niet quaadts doen. Nu ist onmoghelijck dat de Mensche wakende soude leven sonder wat te dencken, te segghen of te wercken. So moet het dan nootlijck goet zijn, dat die doet, die niet quaats en doet. Daar is tweederley doen, als een doen des ghemoedts ende een des lijfs.
Willen is een werck des ghemoedts, niemandt en laat het doen van’t quade, sonder wil van dat te laten. Dit willen laten is het quaat doen te beletten, dat is te doen, dat het niet meer in ons ghedaan en wordt. Hoe? of door wat middel? Al vierende den Sabbath in niet altoos blindelijck te verkiesen, en door’t dooden van de oude Mensche, dats de quade ghewoonte. T’welck gheschiet alsmen hem af-leydt na d’eerste wandelinghe, die door de begheerten der Dolinghen verderft. 5 5 Eph. 4. 22
Beter ist te sien wat ghy begeert, 6 6 Pro. 14. 20 dan te begeeren dat ghy niet en kent. 7 7 Eccels. 6. 9Het eerst veylight voor Dolinghe en van’t quade: maar t’ander voert in Dolinghen ende in’t quade. Die dolende begheerten veroorsaecken het quaadt doen: ende dat door’t dickmaal doen, en daar inne te wanderen, maackt de quade gewoonte, ende is het leven ende voedtsel des Ouden menschen. Houdt op van hem met quaat doen te voeden ende te verstijven, hy moet sterven ende verdwijnen.
Loghen verdwijnt terstont al teffens, in alle stucken waar af de Waarheydt verschijnt. Maar quade ghewoonte is allencxkens gheworden, ende vergaat oock allencxkens, ende metter tijt. Zijdy hondert tredē van de Wegh afgheweken, met so veele rugghe treden moet ghy daar weder op komen. Met drye malen onthoudens van u quade luste, en sterft die thienmalen bewillighde luste niet. De ingang moet den uytgang, het verhongheren het mesten, ende het afbreken het bouwen ghelijck zijn.
Soo gaat het dooden van t’quade voor’t levendt worden van t’goede, en het rusten van t’quaat doen voor’t goet doen, Isai. 1. 16. teffens en machmens beyde niet doen noch twee Heeren dienen. Mat. 6. 24. Het onkruyt moet uytgherodet werden voor’t planten van’t goede kruyt.
Opdat het vruchtbare koren
Hopelijck werde gheboren.
Des eenens ontworden, is des anders worden. Des eenens uytdrijven, is des anders inkomen. Des eenens uytdrijven, is des anders inkomen. Vast u quade lust, de goede wort ghespijst. Speendy u vratigheyt, so spijsdy u matigheyt. Besnoeydy u toorns woedigheyt, soo spruyt ghedults langmoedigheyt: en betoomdy u klappersuchts onveyligheyt, soo begeert haar des swijghens veyligheyt.
So is dit quaat laten oock inder waarheyt eenderhande goedt doen, in’t weygeren, onthouden ende bedwinghen van’t quaat doen, dat u uyt lust of uyt ghewoonte aanport. Ist niet goet doen den goeden Godt te ghehoorsamen? Dit doetmen in’t laten van t’ghene dat Godt ons ghebiedt te laten. Wat anders is dat, dan het quade? Vreest Gode, ende wijckt af van t’quade, Pro. 3. 7, 4. 27. Psal. 33. 15, 36. 27. Isa. 1. 16. 1. Petr. 3. 11.
Wordy des te begheerlijcker tot het quaadt omdat het u is verboden, waandy’t daarommetten zotten wat soets te zijn? Leest met opmercken de heylighe Schrift, 8 8 Jes. 2. 19 die tuyght dat het bitter is.
Waarom? Godt is a soet, 9 9 a Psa. 33. 9 144. 5 ja self de Born daar des b soetheyts overvloedt uyt vliet. 10 10 b Psal. 144 7 Het quaat c scheydt ons van Gode. Soo derven wy die Hemelsche soetigheydt, 11 11 c Isa. 59. 2 ende bevinden Helsche bitterheyt, die ons als een venijnighe worm bitterlijck knaaght, 12 12 Isa. 66. 24 en sonder ophouden plaaght.
Want onse boosheyt berispt ons, 13 13 Jere. 2. 19 ons afkeeren bescheldt ons, 14 14 Gen. 3. 7. 8 ende weten (uyt ondervinden) hoe quaat ende bitter is, dat wy den Heere verlaten hebben. Wat is bitterder dan den hongher? 15 15 Luc. 15. 16 Wat is bitterder dan het ongenoegen met wroegen door ghebreck van broode, dat wy schuldelijck ontberen, vermits het moetwilligh loopen van onse Vader?
Hier op merckt in’t lesen der H. Schriftuyre, ghy sult dit verlaten van de Godtlijcke soetigheyt eens gherustigen wetens, met een bitter hongherigh onghenoeghen en quellijck wroeghen in u bevinden, ende daar tegen een hatelijcken afkeerlijcheyt vernemen van sulck quaat in u, soo ghy u Herte maar met aandacht spieghelt in de heylighe Schrift. Wie laat ongaarne t’ ghene hem bitter is ende quellijck?
Ghy sult in der waarheyt bevinden, dat de zonde in u heeft ghebaert den doodt des onschuldighen Levens: 16 16 Gen. 2. 17 Jaco. 1. 15 mach sulck alderquaatste quaat vanden ghenen die’t soo kent onder schijn vant t’goede begeert worden? Immers wie mach het quade dat hy weet den Men-


sche te berooven van al dat goet is, begeeren? Dit doen onse zonden. 1 1 Jere. 5. 25
Zijdy ghierigh, soo dat ghy in’t winnen van gheldt u ghenoeghen verliest: suldy lesende dese woorden: Die ghierighe wort met geen gheldt versaadt, Eccl. 5. 9. uwes Herten ghedaante niet moeten bekennen in de klare spieghele? Hebdy niet groote oorsaecke om stil te houden, van t’papieren boeck u ooghen te keeren op het vleesch en boeck uwes Herten? Daar sal u t’ghevoelen self wecken ende doen dencken: Ick bejaghe in allen Rijckdom van gheldt, om eens rijck van ghenoeghen te wordē. Dit valt my averechts. Want hoe ick rijcker worde van ghelde, hoe ick armer worde van ghenoeghen. Dats een schadelijck ghewin, en een arme rijckdom. Want het ghelts vermeeren, doet my’t ghenoeghen ontbeeren, de ware Rijckdom derven en rechte Armoede verwerven. Is dat niet puyre dwaasheyt,
Des dronckaerts soecken is vrolijckheydt: 2 2 Pro. 23. 29 Wat vindt hy? Droefheyt, wee, twist ende wonden. Zijn dit gheen wonden in’t Herte? Sien dit u sotte ooghen niet, O slaperighe dronckaert, van selfs in u gewetē? Hoort eens met aandacht der Schriftuyren tuyghenissen: haar Donderslaghen sullen u wel soo onsacht treffen op u Herte dat ghy’t sult moetē gevoelen. Want een dronckaert sulcx blijvende, en sal’t Rijcke Godes niet besitten. 3 3 1. Cor. 6. 10.
So verbiedt ons oock Godt de Gulsigheyt, de Toorn en de Nijdt. Waaromē De Schrift ghetuyght van d’eerste, 4 4 a Eccles. 5 11. dat sy is een a beroofster van de soete slape: van de tweede, dat sy is b dootlijck: 5 5 b Job. 5. 2 ende van de derde, dat sy is een c etter in’t ghebeente. 6 6 c Pro. 14 Wie sulcke Waarheyt in sich niet en ghevoelt, die is al levende doot. Maar wie noch leeft die moet sulcx met smerten ghevoelen, onder t’lesen inder Schriftuyren spieghele daar zijn Herte met truren spieghelt, en moet door Waarheyts kennisse aangeport worden die zonden ende sulck quaatdoen te verlaten.
Alle sulcx moet hy oock inder Waarheyt bevinden van d’ander zonden, als vande Hoerderije, van de Hovaerdije en alle d’ander, die Godt ons gebiedt te laten en al t’samen haar eygē straffe mede brengē: die aen de selve schuldigh zijnde, daar af met ernstighe aandacht komt te lesen inde H. Schrift, en vā de Schrift also wort gewesen, niet op andere Menschen, maar op zijn eyghen Herte. Die kennisse van zijn eyghen quaatheydt is noodigh ende nut. Want die twee ghetuygen der Waarheyt, namentlijck van de H. Schrift ende des Herten ondervindinge, doen t’quade vyandelijck haten en dadelijck laten;

vj. Hooft-stuck.
Wat de Menschen; noch niet heel verduyvelt sijnde; vermoghen te leeren doen.

Alle sulcx kan Godts genade, door’t middel van des heylige Schrifts ghetuyghenisse, van d’ondervindinghe ende des Menschen op-mercken, wercken. Immers hy werckt dagelijcx sulcx, ja oock wel sonder des Schrifts ghetuyghenisse, 7 7 Rom. 1. 19 20. door tuyghnisse des grooten Schepsel-boecx ende der Natuyren Wet. 8 8 Rom. 2. 14 Mat. 7. 12. Wat kan Godt Almachtigh niet doen als hy wil? Vallet hem swaar een Ezel te leern spreken. 9 9 Num. 22 28.
Maar Godt en wil niet altijdt doen dat hy wel soude moghen en konnen doen. Hier spreken wy van Godes onderwijsen of leeren der Menschen, houdende der Natuyren schickinghe by hem eenmaal gestelt. Alle onredelijcke schepselen moeten noodtsakelijck altijt Godes Wetten elck in’t zijn ghehoorsamen. Dit doen sy alle altijt, en dit en is haar gheen Deughde maar noodtdwang. Want sy hebben noch reden, noch keure, noch wille, sonder welck noch deughde, noch zonde in den schepselen en mach zijn.
Hier mede is de Mensche begaaft boven alle sienlijcke Schepselen. Want de Mensche alleen, maar gheen van allen Dieren, is gheschapen tot een beelde ende ghelijckenisse Godes, 10 10 Gen. 1. 26 dat is tot Saligheyt. Niemant mach saligh, dat is blijde wesen eeuwelijck, sonder te weten dat hy blijde ende saligh is: Maar dit en mach niemant oock weten, sonder Gode ende sich self te kennen.
Ende want dese kennisse na Godes schickinghe der Natuyren in niemanden en mach komen, dan in de redelijcke Mensche, die van Natuyren een verstandelijcke kracht heeft, die des verstandts ontfanckelijck of vatelijck is, soo is de mensch alleen leersaam of bequaam om van Gode gheleert te worden: soo langhe hy noch niet en is soo gantsch verduyvelt, dat hy moedtwilligh na Gode niet en wil hooren, maar weyghert van Gode niet en wil hooren, maar weyghert van Gode kennisse te leeren: so de verduyvelde Godtloosen doen, 11 11 Job. 21. 14. seggende tot Gode: Wijckt van ons, de kennisse dijnre Weghen en willen wy niet. Job 34. 27.
Maar alle andere Menschen reden ghebruyckende, hebben in haar Natuyre moghelijckheyt om van Gode, door of sonder middelen, gheleert te worden, al hoe seer sy oock moghen gezondight hebben. So langhe (segghe ick) sy niet als vooren, verduyvelt zijn, in eenen verkeerden sinne ghegheven zijn, ende als Paarden ende Muylen geworden en zijn, hebben sy noch in sich moghelijckheyt om geleert te worden ter Saligheyt.
Soo mach die Zondaar door Godes ghenade, als de alghemeene Sonne, alle Menschen in’t alghemeen voorkomende, 12 12 a vrywilligh sich van’t quade b afkeeren, 13 13 b tot het goede, dats tot Gode c keeren, 14 14 c Godes stemme; hem roepende; d hooren, 15 15 d t’gehoorde ter herte nemen ende e bewaren met f opmercken, 16 16 e f ende door’t g betrachten, 17 17 g ende h sien, 18 18 h om in Waarheyt leeren i verstaan of kennen, 19 19 i zijn eyghen k quaatheyt, 20 20 k l ende daar by oock, Godes goetheyt, ende uyt bekende noodt of ghebreck m bidden, 21 21 m n ontfanghen, 22 22 n ende Gode vermits de ontfanghen gaven o onderdanigh wesen. 23 23 o

A Deuter. 30. 19. 24 24 Vrye willekeure tusschen goedt ende quaat Ick roepe Hemel ende Aerde tot ghetuyghen, dat ick u voor hebbe ghestelt het Leven ende t’Goede, den Doodt ende t’quade. Kiest daaromme het Leven. Josue 24. 14. 15.

B Doet wech uyt mijne Ooghen het quade 25 25 Zondaar mach sich keeren van t’quade. uwer ghedachten, rust van’t quade te doen, Isa. 1. 16.

C Jerusalem, Jerusalem, etc. 26 26 Zondaar mach sich keeren tot Gode. Hoe dickmaal heb ick u kinderen willen vergaderen als een Hinne haar kuyckentgens onder haar wiecken vergadert, ende ghy en hebt niet ghewilt. Mat. 23. 37.

D Ende als sy hoorden de Stemme van 27 27 Zondaar mach Go-


Gode den Heere; wandelende in den Lusthof, Genes. 3. 8. 1 1 des stemme hooren.

E Soo yemant mijne Woorden hoort ende 2 2 Mach t’gehoorde bewaren niet en bewaart, ick en oordeele hem niet, Joan. 12. 17.

F Maar sy en hebben my niet ghehoort, 3 3 met opmercken noch niet op my willen mercken, spreeckt de Heere, Zach. 1. 4.

G Indien u Wet niet en waar mijn betrachtinghe, 4 4 ende door’t betrachten soo waar ick vergaan, Psalm. 118. 92.

H Smaackt ende siet hoe soet de Heere is, 5 5 ende sien Psal. 33. 9.

I Het welcke ghesien hebbende, 6 6 om leeren verstaan nam icks ter herten, ende leerde uyten Voorbeeldt onderwijsinghe, Pro. 24. 32.

K Ick sal dy met Oordeel straffen, 7 7 zijn eyghen quaatheyt. op dat du dy niet onschuldigh en waanste, Jeremie 30. 11.

L Soet en oprecht is de Heere, 8 8 Godes goetheydt Psal. 24. 8. Psal. 18. 11, 118. 113, 30. 20.

M Ick sal op staan, 9 9 ende hem uyt noodt te bidden tot mijnen Vader gaan, ende segghen: Vader ick heb ghezondight, maackt my als een dijnre Huyrlingen. Luc. 15. 18.

N Alle wie bidt, die ontfangt. Mat. 7. 8. 10 10 te ontfanghen,

O Want sulcx doende, 11 11 en om Gode gehoorsaam te wesen. en suldy nemmermeer zondighen, 2. Pet. 1. 10.

Dat alles heeft Godt noch ghelaten in des Zondaars machte, niet min dan’t in Adams machte noch stondt na zijnen valle zijnen Ooren te stoppen tegen de ghena-roepende stemme Godes, of die te hooren, ende soo voorts mede alle t’voorschreven. Dit sal des Lesers aandacht lichtelijck in de H. Schrift lesende, vernemen warachtigh te zijn, soo hy’t niet in een ander buyten, maar in sich selven binnen hem, soeckt ende naspeurt hoe Godes Liefde met hem handelt in’t ghenadigh straffen ende vergheven zijnre zonden, in’t nooden tot zijn Heyl, in’t onderwijsen ende alles, so hy dese dinghen leest met opmerckinghe.

vij. Hooft-stuck.

Wat het eynde is, daarom de Leeringhen Godes het goede leeren doen.

Van’t vermoghen der Zondaren is nu geseyt. Licht mach elc Mensche waarlijck weten, dat hy wat sou moghen doen, soo in’t mijden van’t quade, als in’t hanteren van’t goede, meer dan hy nu noch kan doen: indien hy wilde sijn vermogen gebruycken in’t doen, van’t gheen hy nu al weet quaat te zijn te mijden, en dat hy weet goedt te zijn te doen. Want daar leeft geen Zondaar, die niet meer recht te zijn en verstaat, dan hy noch kan na wil volbrenghen metter daat.
Wat Zondaar en weet niet dat het recht is datmen de zonde vliede? 12 12 Num. 21. 6. Hy is van de vuyrighe Slanghen ghebeten gheweest, hy heeft haar tanden bevondē dootlijck voor sijn ziele, 13 13 Eccl. 21. 1 van natuyren grouwelt elck sijn bederven, wie soude niet vermoghen sich daar af te keeren ende daar van te vlieden als van een fenijnighe slanghe? 14 14 Eccl. 21. 2
Ick spreke van Zondaren die so vast noch niet en slapen in haar zonden, of sy em ghevoelen daghelijcx het wroegelijck bijten haarder scherptandigher Conscientien ofte gewetens, ende die dees dinghen in de H. Schrift lesende, daar af ghewesen worden op het bitter knagen van die onsterfelijcke worm: 15 15 Isa. 66. 24 Isa. 50. 9. Marc. 9. 44. ende daar soo haar ellendighe staat spieghelende, wackerlijck in’t ghevoelen mercken sulcx van der zonden straf in haar, van haar te zijn gheschreven. T’smertigh ghevoelen port, de Wet dreyght noch ergher, de Natuyr self schrickt af: wat soude daar ghebreken aan t’vermoghen om sich van de zonde af te keeren?
Soo moghen sy sich dan oock keeren tot de Deughde, dats tot gehoorsaamheyt Godes. Want dese af-keer van de zonde, is self een toekeer tot de gehoorsaamheyt. Dit sachmen in de Geest-duydung des metalen Serpents, 16 16 Phil. 2. 8. Nu. 21. 9. daar by verstaan werdt het heylsame metalen Serpent; Christus, die totter Doot ghehoorsaam was zijnen Vader: ende altijdt inder Waarheyt van de fenijnige beten der Zondslanghen, ghesondt maackt, alle die sich daar afkeerende, also op hem sien, dat sy zijne voetstappen, navolghende leeren dadelijck voort niet meer haar, maar Godes wille doen.
Het eerste eynde dan, daar toe dees; niet woort, maar; daat-leeringh metter daat wil leeren de zonde te verlaten, is om te moghen ontgaan, hier het wroeghelijcke ende onghenoeghlijcke ghequelle van zijn onverdraghelijcke ende knaghelijcke onruste: ende hier na van de vreeselijcke ende ongheneselijcke pijn in de eeuwighe Helle. Zijn dat kleyne oorsaken om het quaat te leeren laten?
So dat leeren van’t quaat doen in de slaghvreesenden Knecht zijn werckings oorsprongh heeft uyt het ondervinden van’t ghequel der sonden, ende sich streckt om dat te ontgaan: soo streckt sich oock het leeren doen van t’goede in den loonsuchtighen Huyrlinghen om weldoens vrucht te moghen ghenieten; t’welck in hem heeft veroorsaackt de bevonden smake van goet doens ruste ende luste.
Want in’t laten van’t verbodene vindt hy mede eenderhande ruste zijns ghemoedts, soo wel als de Knecht: ende daar boven noch in’t doen dat hem is gheboden eenderhande luste: De rust maackt hem t’vlieden van t’quaadt, waar de lust baart zijn goedt doens daat. So derft hy druck en pijn, ende heeft gheneught, vreught, ende een soet ghevoelen. Want soo misdoen straft, soo loont weldoen.
Dit ist Loon daarom de Huyrling meer ende meer sich benaarstight om te leeren goet te doen: d’welck hy meer en meer rustigh vindt na den ghedaan arbeyt, ende lustigh in’t soete ghenot zijns verdienden Loons. Welcx hope zijn arbeydt licht maackt, ende welcx ontfanghen ghenoeghlijck is ende vrolijck maackt. Want hy verkrijgt altijt het begeerde Loon, overmits zijn Heer rijck ende getrou is: ende dit maackt hem dan oock blijde: overmits de begeerte die vervult wort, de Ziele verlustigt. 17 17 Pro. 13. 19
Het is onmogelijck dat des Menschen gemoedt bevonden hebbende met treurigen gheweten het pijnlijck wroeghen nae de ghedaan zonde, ende het verdrietigh ongenoeghen als hy het goede niet en dede: dat dese (segge ick) ghevoelende dadelijck na het dadelijck laten


van’t quade de soete ruste ende na t’doen van t’goede in’t hebbē van het begeerde Loon niet en soude vernemen in sich eenderhande lustigh ende wenschelijck ghenoeghen sijnre zielen.
Leest met opmercken de heylighe Schrift: ghy sult over al vernemen dat die’t quade laten de rust, die haar werdt belooft, altijdt verkrijghen, ende dat sulck verkrijghen haar rustigh en lustigh valt. Merckt ghy dan mede t’selve in u alsoo te gheschieden altijdt in’t laten van’t quade, ende in’t doen van’t goede: suldy niet moeten, met een vrolijck ende danckbaar gedencken, weten dat Godt in sijn beloften ghetrou is: dat de H. Schrift in al dat sy ghetuyght, (van dat ghy versocht hebt) warachtigh is: ende dat ghy, u selve; met Gode; nut zijt, int ghenieten van’t gheschoncken Loon uwes arbeyts?
Ghy Huyrling so bevindende getrouheyt Godes in sijne beloften van weldoens belooning, hier inder tijt hondertfout, 1 1 Marc. 10 30. vermits het loon van lijfs ghesontheyt of der zielen rust of lust, t’elcken een tegenwoordige steert-Joffer is van Deughde: moet ghy oock niet nootsakelijck in alle uwē arbeyt van goet doen altijt hopen op Godes milde belooninghe der eeuwigher Saligheyt, allen den genen toegeseyt, 2 2 Joan. 5. 24. die hier in desen leven goet gedaan sullen hebben? Wat Mensche, dese dingē met aandacht in de spieghelen der Schriftuyren ende sijns ghemoedts aanschouwende, moet niet dese Waarheyt toestemmen, lust krijghen om goet te doen, alle sijn vermoghen daar toe gebruycken, ende alsoo stadelijck goet doende, goedtdoen leeren?
Daar beneven is wel waar, ghelijck de trouwe Huyrlingh in t’besteden sijnder twee ponden, namentlijck in’t laten van’t verbodene, oock mede in’t doen van’t ghebodene, voorder is ghekomen, ende van meerder aansien in den huyse des Heeren, dan de knecht, die nu al trouwelijck sijn een pondt te wecke stelt in’t laten van’t quade: dat also mede de Huyrling noch verde is beneven den Kinderen in des Heeren huyse, ende nerghens na tē ghelijcken by der kinderen, die Erfghenamen zijn; eerwaardigheyt; om verscheyden oorsaken voren verhaalt.
En voornaamelijck dat der Kinderen weldoen niet en gheschiet uyt vreese van straf, als der knechten: noch op hope van Loon, als der Huyrlingen (t’is self al der Kinderen eygendom) maar uyt loutere lust ter Deughden ende reyne Liefde haars Vaders, sonder alle eygensoeckelijckheyt: sulcx dat der anderen beyder goet doen, als wormsteeckelijck wesende met eygensoeckelijckheyt, geen ghelijckenisse altoos en heeft by de hooghwaardighe Edelheyt vander Kinderē wel-doen, voortkomende uyt haar Goddelijcke natuyre.
Maar daar benevē en suldy, O ghy Knecht ende Huyrling, trouwelijck na u vermoghen arbeydende in’t laten van’t quade ende doen van’t goede, u niet laten wroeghen maken in sulcke uwe arbeydt, van A. B. onbescheyden Leerlinghen, ofte van anderen, om dat ghy sulck u werck noch niet en kondt doen uyt de voorsz beste meyninge, te wetē uyt Liefde, want dat en is noch niet in u vermogen. 3 3 1. Cor. 10. 13. 2 Cor. 8. 12 Isai. 1. 3. Soo en eyscht de barmhertige Godt oock van niemanden yet boven zijn vermoghen.
Lieve Mannen van A. B. is ghesintheyt, of wie ghy anders mooght zijn: antwoordt my hier, hebdy verstandt, met bescheydene Waarheyt: Mach oock yemant zondighen, dats quaat doen, in’t doen dat hem Godt te doen beveelt, ende dat tot sulcken eynde als Godt hem dat te doen beveelt? Daar syldy niet ja toe moghen segghen.
Wat beveelt Godt den Dienstknechten in sijnen Huyse? 4 4 Levit. 26. Deut. 28. 5 Marc. 9. 43. Matt. 18. 18. Het quade te laten. Waarom of tot wat eynde? Om te ontgaan de tijdtlijcke ende oock d’eeuwighe straffe. Wat den Huyrlinghen? Dat sy hier t’goede sullen doen. Tot wat eynde? Op dat het haar hier ende hier na wel ga. Dats t’quade uyt vreese van straf te laten, ende t’goede op hope van Loon te doen. Dat wort Knecht ende Huyrling gheboden.
Dat doen sy so ende tot sulcken eynde. Sy doen dan dat Godt haar ghebiedt. Dats niet quaadt, want Godt ghebiedt gheen quaadt, maar niet dan dat goet is. Hoe souden sy dat doende dan moghen quaat doen en zondigen? Immers sy doen goet int mijdē van t’quade, ende d’ ander in ’t selve, ende oock in’t doen van t’goede. Doetmen goet doende, quaat of zonde?
Dit beyde zijn dan d’eerste twee trappē tot Deughden, totter Kindtschap en tot Liefde, de eenighe ende rechte Moeder van wel doen, ende van d’alder edelste goede wercken, ende zijn in haren voortgang den ghenen diese betreden goedt, als goede middelen om tot het Edelste, vrye en Godtlijcke goet doen te gheraken: als sy maar altijt voortgaan, ende dewijle het huyden heet, haren wegh ter Liefden waart na vermogen vorderen.
Maar anders ist, soo sy uyt verwaantheydt elck op sijnen trap rustende, t’onrecht wanen, dat sy nu al kinderen Godes zijn, niet en leeren beter doen dan sy nu vermogehen te doen en konnen doen, en blijven alsoo altijt Knechten of Huyrlinghen. Want dese en sullen metten Erfghenamen niet blijven in den Huyse, 5 5 Joa. 8. 35. Matt. 28. 14. noch daar deel in d’Erffenisse hebben.
Ist dan soo swaarlijck inder Schriftuyren spiegele te mercken wat een Knechts aart is? Wat een Huyrlings aart is? Wat een Kints aart is? Die ghelooft en vreest staghen: dees ghelooft mede, vreest straf ende hoopt belooninghe, maar de Soon siet op straf noch op loon, maar op sijn Vader die hy liefheeft, ende niet sijn gaven. In hem houden Gheloof ende Hope op, maar de Liefde blijft.
Dit is de hooghste Trap, 6 6 a 1. Cor. 12 31. dits de a hoogher Wegh by d’Apostel ons aanghewesen, ende dits het b een dat alleen van noode is. 7 7 b Luc. 10. 42. Hier na stijght altijt opwaart van d’eene c klaarheyt in d’ander, 8 8 c 2. Cor. 3. 18. reyst uyt de werelt om dese d Paarle om niet te koopen, 9 9 d Mat. 13 46. dats om al dat ghy hebt, dat niet is, als e Dreck te achten, 10 10 e Phil. 3. 4 oock u selve te verlaten, 11 11 f Col. 2. 3. so krijghtmen f Christum met alle sijne Goddelijcke schatten, ende soo wortmen rijck, oock Goddelijck.
Boven Knecht en Huyrling, maar beneven den kinderen Godes, salmen niet t’onrecht oock stellen, de Menschē die uyt natuyrlijcke Redene en der natuyren Wet opset maken om Gode te ghehoorsamen, ende doen al dat Godt ghebedt. Wijst de redene niet selve, dat elck behoort met sijn eyghendom te moghen doen dat hem belieft? De werelt met al dat daar inne is, heeft Godt geschapen, en daarom oock den Mensche. Die is dan Godes eygendom. So waart immers onrecht dat het Schepsel, en voorneemlijcke de redelijcke Mensche sijns


Scheppers beveelen onghehoorsaam waar. Dat verbiedt de reden selve. Sy ghebiedt dan Godes Gheboden te gehoorsamen. So mach hy hier inne de redene bewilligen, voornemen om te laten t’quade dat Godt verbiedt, ende sulcx al doende te leeren.
T’selve opset en dadelijck leeren doen mach mede worden in den redelijcken Mensch uyt aanporren van de Wet der Natuyren (daar voor af is ghesproken) vermits dusdanigh haar ingheven: Ghy wilt dat uwe Dienstboden u wille doen, soo in’t laten dat haar tegen is, als in’t doen dat sy gebiedt. Ist dan oock niet wel billigh dat ghy wilt dat Menschen sich draghen sullen teghen u? Soudy willen van Menschē zijn gehoorsaamt, sonder self te willen Gode; alder heeren Heer; ghehoorsamen?
Die uyt sulcke meyninge, alleen om dat het behoorlijck is, willen ende leeren Gode ghehoorsamen inder daadt, moetmen edeler ende hoogher achten dan Knecht of Huyrling, die haar selfs nut soecken, dat dese niet en doet. Maar boven dese, is noch een hooger Trappe of eynde van te leeren Godes beveelē doen, die nochtans al mede beneven den Trappe is der kinderen Godes, die sonder alle wederhaacke van Eygensoeckelijckheyt alles doen ende latende uyt loutere Liefde die sy draghen tot Gode.

viij. Hooft-stuck.

Van de wercken der Menschen die de schickelijcke middelen zijn om kinderen Godes te worden.

Soo wie benaarstight om een Kindt Godes te worden, die weet inder Waarheydt dat hy’t noch niet en is. Want niemandt mach pooghen te worden, t’gheen hy weet of waant nu al te wesen. Dits een salighe kennisse onses ghebrecks: want sy baant den wegh ter ongebreckelijckheyt, vermits sy begeerlijck ende naarstigh maackt, om van putten daar inne men het water moet dragen, self overvloeyende fonteynen te worden.
Dese zijn mede noch niet al vry van Eygensoeckelijckheyt, al en leeren sy niet doen t’gene Godt haar beveelt uyt vreese van Helle als de Knecht, noch uyt hope van den Hemele, als de Huyrling: want niet Godt, maar sy selve zijn noch het eynde daarom sy Godes wille leeren doen, want al haar doen streckt om beter te worden dan sy zijn, dat is om niet meer alleenlijck van redelijcker, maar om van Goddelijcker Natuyren, dat is om nu niet meer kinderen der Menschen, maar oock kinderen Godes te wesen, ende uyt Natuyrlijcke Godtlijcke Menschen te worden.
Tot dien eynde en is mede geen ander middel dan Godes wille, die sy nu wel verstaan, oock wel te leeren a doen, In wat saecken? 1 1 a Mat. 12 50. Sy leeren so wel door’t ondervinden met opmercken van Godes ghetrouheydt in’t b Licht; 2 2 b Joan. 12 36. Rom. 4. dat Christus is; ghelooven dewijl sy t’Licht hebben, dat sy Gode ten vollen oock tegen den Hope in den Hope geloovē. So leerden d’Apostelen uyt ondervinden ghelooven, daar door haar Gheloove allencxkens so is c gewassen, 3 3 c Mat. 26 56. dat haar na de belofte Christi niet d onmogelijck en was. 4 4 d Act. 5. 29 41. 3. 7
Soo leeren dese vlieden der begeerlijckheyden verderffenisse die in de werelt is, 5 5 2. Pet. 1. 4 om alsoo door de waardighe geschoncken beloften Godes sijnre Godtlijcke Natuyre deelachtigh te worden. 6 6 2 Cor. 5. 17 18. Sy leeren so met des Herten voeten der goeder begeerten gaan uyt het midden der quaden, om den Almoghenden Godt (volghens sijn beloften) tot eenen Vader te hebben, ende alsoo wederomme sijne kinderen te worden.
Soo leeren dese standtvastelijck verkiesen 7 7 Isai. 56. 4. 5. t’ghene dat Godt wil in’t vieren van’t quade, ende in’t houden van sijn Verbondt, om te verkrijghen den name der Kindtschap (met het wesen, want Godt gheeft gheen ydele schaduwe) Godes in sijnē Huyse, 8 8 iiij. vij. daar Knecht noch Huyrlingh gheen blijvende plaatse heeft.
En soo leeren sy door den Gheloove a Christum aannemen, 9 9 a Joan. 1. 12. die de b Wijsheydt Godes is, 10 10 b 1. Cor. 1. 30. ende den c Boom des Levens, daadoor sy uyt Ghenade, die sy niet en versuymen, 11 11 c Pro. 3. 18 levende Kinderen worden des levenden Godes. Dese ende meer andere Trappen leeren sy alsulcx doende, op treden ende haar vander aerden ende desselfs begeerlijckheyden alsoo vervreemdē ende ontaerden, dat sy na den Godt des Hemels aerden, ende Kinderen worden des Hemelschen Vaders.
Dit tuyght Godes gheest in de H. Schrift, al wie’t soo heeft ondervonden, weet dat sy Waarheyt tuyght, ende moet sulcx oock met haar ghetuyghen. Maar wie dit noch niet en heeft inder daat besocht: die mach (soo hy de Waarheyt der heylige Schrift ghelooft) dat nu van deser uren aan bestaan te besoecken, van de woorden tot de daden, ende van’t leeren verstaan tot het leeren doen, voort treden, soo sal hy worden dat hy nu begeert te wesen, ende soo doende, wesem t’gheen hy nu verstaat, dat hy hoort ende in Christo vermagh te wesen. Dit weten de Kinderē Godes dat sy nu al zijn, oock de middelen waar door sy’t zijn gheworden. 12 12 1. Joan. 2. 27. Jer. 31. 34 Joan. 6 45. Daarom sy mijne noch niemandts schriften daar toe en behoeven te lesen, want sy zijn self van Gode gheleert.

ix. Hooft-stuck,

Van zonde te hebben, ende desselfs oorsake met d’onderscheyt tusschen zondighen ende zonde hebben, ende dat Godt den goeden wile voor t’werck neemt, daar macht ontbreket. Die Godt oock in den volhardighen niet altijt en laat ontbreken.

Godes wil verstaan te hebben is noodigh, want die wort niet door Gehoorsaamheyt ghedaan, is sy niet eerst gheweten door’t verstaan. Maar dits noch niet ghenoegh om die te doen, soo wy gheen ernstighe Wil daar toe en hebben. Noch en ist niet ghenoegh om Godes wille te konnē doen, als daar geen Macht by en is om de gheweten ende ghewilde Ghehoorsaamheydt Godes dadelijck te bewijsen. Sy moeten dan alle drye teffens inden Mensche zijn, namentlijck Verstandt, Wil ende Macht, sal men Gode na sijnen Wille ghehoorsamen, want waar een van de drye ontbreeckt, en wert gheen goet werck volmaacktelijck ghedaan.
Soo het allen Menschen onmogelijck ware van kindts been op den Heere te vreesen, ende recht op in sijne Geboden te wandelē, (twelckmen anders vindt betuyghet in de Goddelijcke Schrift) men soude moeten ghelooven dat sulcx gheen zonde en ware, als van Gode den onverstandighen kindtscheydt niet gheboden


zijnde: ofdat Godt haar dat voor geen zonde en sal toerekenen, overmits hy niemanden en sal straffen, om t’gunt hem onmoghelijck was, niet ghedaan te hebben: of ghemerckt Godt van niemanden en sal eysschen, t’gheen hy hem niet en heeft verleent. Want waar geen Wet en is, daar en is gheen overtredinghe: ende Godt geen Tyranne en is die wreedelijck handelt, noch onrechtvaardigh die meer eyscht dan hem toekomt.
Maar want seer selden yemandt werdt bevonden die sich niet en versuymt in sijn jonckheyt: in’t bestedē van sijn redelijckheyts pont, aan de leeringhe der kennissen Godes: ende meest elck sich daar verloopt in onnutte wetenschappē: so hebben wy oock meest al veele minder kennisse van God en van ons selve, dan wy hadden mogen hebben: by al dien wy van eersten aan onse redelijckheydt na behooren ende vermoghen ghetrouwelijck hadden te werck ghestelt.
De wille is altijdt volkomen in’t ghene dat sy wil: die mach van gheen sake ghedeylt noch voor een deel wesen. Want ghebreeckter yet aan, soo en ist noch gheen wil. Maar alle wil, wil gantschelijck doen, of sy wil volkomelijck niet doen t’gheen dat de kennisse heeft gheoordeelt te wesen goet of quaat. De kennisse mach kleyn, groot, heel of half, twijfelijck of seecker wesen, maar niet de wille.
Dat wy dan min ware kennisse hebben; ons noodigh zijnde om Gode na sijnen wille te gehoorsamen; dan wy hadden moghen hebben, moetmen bekennen te wesen ghebreck, en onse schult, oock zonde ende te recht strafwaardigh voor Gode: indiē hy niet ons, sijne knechten, op’t strengste in’t Oordeel wilde treden. Weclk schuldigh gebreck by ons blijft, of wy al schoon namaals op’t alder trouwelijckste ons pondeken totter doot toe recht gebruyckten. Dit is zonde hebben, maar niet zonde doen.
Maar heeft die, mits dat sulck ghebreck in’t verstandt, dat wy meer hadden moghen hebben, al t’leven door by ons blijft (van Godes Almoghentheyt inde sonderlinghe verlichtinghe sijnre Ghenaden, die’t al kan vervullen, en spreke ick hier niet, Godt mach al dat hy wil, maar wil niet al dat hy mach) en daaromme oock minder machts, dan wy hadden mogen hebben: soo wy meer verstandts hadden ghehadt, ende volghens dien meer oeffeninghs; moeder vander Deughden kracht.
Welck ghebreck van verstandt ende machte is het hebben van zonde, der gheenre die nu gantschelijck van zondighen aflaten, het is zonde hebben, niet zonde doen of zondighen. Want zonddighen is een werck, maar zonde is het gewrochte: ghelijck wonden is een werck, maar de wonde is t’ghewrochte. Dat gewrochte werck machmē hebben, al wercktmen sulcx niet meer: maar men machs niet hebben, sonder het voorgaande werck van zondighen of wonden: ende dit hebben van zonde, en werdt sulcke af-laters van zondighen niet toegherekent.
Hier uyt komet oock dat Godt met soodanighe goedtwillighe Menschen handelt, als metten quaatwillighen, so veele die onmachtighe wille aangaat, want Godt neemt in’t quade de wil voor’t werck, 1 1 a Mat. 5. 29. dat by ghebreck van macht onghedaan blijft, niet anders dan oft ghedaan ware. 2 2 b Mat. 5. 23. Dit blijckt in de a Overspelige, b toornighe, c hatelijcke willen, 3 3 c 1. Joan. 3 15. oock anders meer. Nu is Godt Rechtvaardigh, immers traagh ter wraken, ende snel te ontfarmen. Daarom hy oock de goede wille voor t’werck neemt, als daar macht ontbreeckt. Dit moghtmen oock sien aan des Weeukens groote wil ende kleyn vermogen, 4 4 Marc. 12. 42. 43 wecx wille Christus na haar grootheyt rekēt, en niet na des vermoghens Kleynheyt. Soo seydt oock d’Apostel 2. Cor. 8. 12 Ist dat de bereyde goetwilligheyt voor gaat, so ismen aanghenaam na datmen heeft, niet na datmen gheeft.
Maar Godt en laat den macht niet altijdt in den goetwilligeb ghebrecken: maar werckt oock die in den goetwillighen soo wel, als de goede wille. Dit tuyght Paulus, segghende: 5 5 Philip. 2 13. Het is Godt die inu werckt het willen endehet volbrenghen, na sijn welbehaghen. Dit gheschiet altijt in den stercken Mannen die Christi volkomen a Ouderdom bereyckt, 6 6 a Eph. 4 13. ende den quaden b verwonnen hebben, 7 7 b 1. Joan. 2. 13 ende die’t alles met Paulo vermoghen in Christo, die haar sterck maackt. Ghebreeckt sodanighe goede wille dan oock meer macht?

X. Hooft-stuck.

Dat God selve sijnen wille leert doen sijne Leerlinghen, vermits haar begeerlijck bidden.

God selve is de Leeraar der sijnē, die haar ware kennisse leert in t’verstaan, wat sijn goede Wil en welbehagen is: Daar door sijn goedtheyt selve in haar werckt die goede Wille, (soo nu is aanghewesen ende bewesen) Dese sonder macht hebben t’volbrengen niet, 8 8 iiij. viij. dat Godt self mede werckt in den goedtwillighen, (soo nu mede is ghebleken.)
Den Mensche dan die nu den wille Godes heeft leeren verstaan, ende die een goede wille in sich bevint, om in allen dinghen den wille Godes te doen, maar in sich niet en vindt de macht om sulcx te volbrenghen: wat staat hem anders te doene, dan met vast betrouwen ende begeerlijcker Herten te bidden? 9 9 Psa. 42. 10 Heere leert my uwen wille doen.
Leert my uwen Wille doen, seydt hy, niet alleenlijck wetē sonder doen. Sulck weten is al by sulck bidder. Weten en begeert hy niet te leeren, hy kan dat, maar het doen en kan hy noch niet. Om die Leering bidt hy. Kracht, niet Kennisse, ontbreeckt hem nu. Die begeert hy. Leert Godt ons sijnen Wille niet doen: wat mogen wy anders, dan onsen wille doen?
Daar siedy Leser het lesen in de Schrift noch mede al uytghedruckt, en om die konst van wel-doen Gode gebeden. Dat is wat anders dan’t leeren verstaan. Dit is sonder het leeren doen niet dan wroeghens vermeeren, Het doen sonder verstaan is niet dan dolings hanteren: maar dese beyde t’samen, is het volbrengen van de Wille des Heeren, soo dat behoort. 10 10 In Psa. 118. 130
Wel schrijft Augustinus: Wie doet uwe Geboden (Heere) soo die gedaan behooren te worden; dat is uyten Gheloove dat door de Liefde werckt: 11 11 Gal. 5. 6 anders dan in wiens herte de Liefde self wert uytgestort door den heyligen Gheest? Dat ist d’welck dese kleyne belijdt: 12 12 Psal. 118 131 Ick hebbe mijnen mondt open ghedaan, ende den Gheest inne ghetoghen.
Wat begeerde hy anders, dan te moghen doen de Godtlijcke Gheboden? Maar de swacke en hadde niet daar mede hy krachtighe, noch de kleyne, daar mede hy groote dinghen mochte doen, Hy opende sijnen mondt, belijdende dat


hy van sich self niet te doen en vermoghte, ende haaldet in sich waar mede hy’t soude doen. Hy opende sijnen mondt al biddende, al soeckende, al aankloppende; ende dorstende dronck hy eenen goeden Gheest: daar door hy soude doen, t’gheen hy van selfs niet en vermoghte.
Ende noch een weynigh daar na op des Psalmists woorden: 1 1 Psal. 118 133. Stiert mijne ganghen na dijnen Woorde. Wat bidt hy daar doch anders, dan dat Godt helpende wil volbrenghen, de Wet (der Liefden) 2 2 Mat. 22. 37. die hy ons ghebiedende beveelt te doen? Volght noch: 3 3 Psal. 118. 135. Ende leert my dijne Rechtvaardighmakinghen. Leert my dan dat ick mach doen, tghene elwaerts klaarlijcker wordt ghelesen: Leert my dat ick dijnen Wille doe. 4 4 Psal. 142 10.
Want die’t hooren, of sy schoon in de memorie hebben t’gunt sy hooren: soo en machmen niet meynen dat sy’t gheleert hebben, soo sy’t niet en doen. Veele min dan noch die daarom bidden, ende daar beneven loochenen dat het mach gheschieden. Want deser luyden ghebedt en is niet alleen ongheloovigh, maar sy loochenen oock dat Godt ghetrou is in sijn beloften.
Want diens Gheest tuyght ons in de heylighe Schrift, 5 5 1. Joan. 5. 14. dat hy ons verhoort in t’gheen wy bidden na sijnen Wille. Men bidt na sijnen Wille in’t begeeren dat Godes Wille geschiede opter Aerden als in den Hemele. 6 6 Mat. 6. 10 Men bidt na sijnen Wille in’t begeeren dat Godes Wille geschiede opter Aerden als in den Hemele. Dat is: Gheeft dat wy, ende alle Menschen onsen eyghen wille versaken, 7 7 Cate. 124. en uwen Wille die alleen goedt is, sonder eenigh teghenspreken gehoorsaam zijn, op dat alsoo een yeghelijck sijn ampt ende beroepinghe, soo ghewillighlijck ende getrouwelijck mach bedienen ende uytvoeren, als de Enghelen in den Hemele doen.
Vindtmen oock yemant die sulcx min ghelooven, ende Godt in die sulcx min ghelooven, ende Godt in die sijne beloften meer wederspreken, dan die dir Ghebedt self alsoo bidden ende leeren bidden? Soude dat gheloovigh bidden moghen heeten? Souden sulcke bidders geleert hebben Godes wille doen? Gheen ding minder. Want (schrijft Augustinus daar voort) dit is des Waarheyts woordt: 8 8 Joan. 6. 45 Alle die’t van den Vader heeft ghehoort, ende gheleert, die komt tot my. Die’t dan niet en doet, dats niet en komt, en hevet niet gheleert.
De selve noch: 9 9 De gratia Christi contra Pe lang. & Celes. lib 1. Cap. 14. Daaromme wort van den ghenen die noch niet is ghekomen, niet recht gheseydt dat hy’t van den Vader heeft ghehoort. Hy hevet ghehoort, dat is soo, ende gheleert dat hy moet komen: maar hy en wil t’gene hy heeft gheleert, niet doen. Daarom zijnder veele die des Wijsheyts woorden naarstelijck ondersoecken: ende willen die hebben in de praat, maar niet in de daat: niet om door de zeden, die de Wijsheydt ghebiedt, te komen tot het Lichte Godes, dat self de Wijsheyt is; maar om door des Wijsheydts woorden te komen totter Menschen lof, dat ydel roemsucht is.
Volghens seydt hy noch: Dat die komt, van Gode soo is gheholpen of gheleert dat hy niet alleenlijck en weet wat hy behoort te doen, maar dat hy oock doet het ghene dat hy weet.
Ende daarom, als Godt leert, niet na des Wets letter, maar na des Gheests gratie, dan leert hy also, dat elck, t’ghene dat hy heeft gheleert, niet alleenlijck kennende kan sien, maar dat hy’t oock willende kan begheeren, ende doende kan volbrenghen. Daaromme (seydt hy een weynigh daar voor) leert Godt den ghenen die na t’voornemen zijn beroepen, alsoo: dat hy haar teffens gheeft, dat sy weten wat sy sullen doen, ende dat sy doen’t ghene sy weten.
Begeerdy dan seeckerlijck te weten, Leser, of ghy van Gode self zijt gheleert, of van Menschen: van de Waarheydt selve, of van haar ghetuyghenisse inder Schriftuyren? Men magh u niet beter antwoorden, dan de selve doet ter voorsz plaatsen met dese woorden. 10 10 Ibidem, cap. 13.
Als of (ma Pauli woorden) dit het alderseeckerste merckteecken waar dat ghy van Gode zijt geleert: indien ghy doet, het ghene dat ghy hebt gheleert. Op die wijse zijnse al na t’voornemen beroepen, soo daar is gheschreven in den Propheten, van Gode leerlijck. 11 11 Isai. 54 Maar die daar wel weet, wat hy behoort te doen, e n dat niet en doet,die en hevet noch niet van Gode gheleert na de gratie, maar na de Wet; niet na den Geest, maar na den letter.
Daarom Leser, soo ghy Godes wille verstaat die hy u te doen beveelt, ende ghy het vermogen om te doen by u niet en bevindt, maar wel de machteloose wille: wat staat u anders te doen, dan Gode te bidden om macht na wille: wilde Godt u de macht niet gheven, waarom soude hy u het doen ghebieden? Nu hy u dat gebiedt, waarom soude hy u de macht niet willen gheven?
Mochten wy oock uyt onse eygen krachten doen, het ghene wy verstaan dat Godt ons ghebiedt: wat noodt waart Gode om t’vermoghen te bidden? Wie bidt om te moghen doen t’geen hy vermach te doen? Machmens oock door’t bidden niet van Gode verwerven, wat nut waar sulck vergheefs bidden? Mach oock yemant gheloovigh bidden om t’geen hy niet en hoopt te verkrijghen?
Neen, mis-trout dan der Menschen onwaarheyden, betrout de Godtlijcke Waarheyt. Die heeft u bevolen te bidden, die heeft u belooft te gheven daar ghy om bidt, die alleen mach ende wilt u gheven. Wat? Dat u saligh is, dat u van’t quade bevrijdt, dat u met het goede vereenight, ende dat u saligh maackt. Soude de Mensch saligh worden – lievende Godt, die wil dat alle Menschen saligh worden, den Menschen om t’gheen daar toe noodigh is biddende, ende dat hy mildelijck van selfs belooft te gheven, den Mensche die hem met betrouwen daarom biddet, weygheren te gheven? Godt soude eer aflaten Godt, de Waarheyt Waarheyt te wesen.

xj. Hooft-stuck.

Thoont hoe men leert doen t’ghene men nu al heeft leeren verstaan.

Onse ware Leermeester seydt: 12 12 Luc. 12. 47 De Knechtdie sijns Heeren wille heeft ghekent, ende sich niet en heeft bereyt, ende niet en heeft gedaan na sijns Heeren wille: die sal veele worden gheslaghen: 13 13 Luc. 12. 48 Maar die sijns Heeren wille niet en heeft ghekent, ende heeft ghedaan dat slaghen waardt is, sal weynigh gheslagen worden.
Hier sietmen al mede noch d’onderscheydt tusschen des Heeren wil te verstaan, ende tusschen die te doen. Al die des Heeren wille doē, verstaan die: maar sy en doense niet al, diese verstaan. Oock blijckt hier, dat het minder quaat is, alsmen niet en doet des Heeren wille, datmen die niet en verstaat, dan datmen die verstaat. Want dees heeft meerder middels om die te doen, dan d’ander.
Maar denckt hier yemandt, hoe mach de ghene slaghwaardigh wesen om de wille Godes niet ghedaan te hebben diese niet en heeft verstaan? Machmen sonder verstant Godes


wille doen? Of eyscht Godt dan van yemande boven sijn vermoghen?
Tot beyden segghe ick neen. Maar dat hy (soo’t gheen ghebooren zot en is, maar t’ghebruyck sijns redelijckheydts heeft) slaghwaardigh is, om des Heeren wille niet ghedaan te hebben, is waarheydt ende oock recht, al ist soo dat hy sijns Heeren wille niet en heeft gheweten.
Want hy hadde die moghen weten, soo hy sijns redelijckheydts Pondt vlijtelijck op winst besteedt hadde, om te weten wat Godt van hem wil ghedaan hebben, als hy dat wel naarstelijck heeft misbruyckt tot Rijckdoms vermeering, tot wllusts ghenieting, ende tot groot-achtbaarheydts verwerven. Elck kent best, dat hy meest hanteert: ende elck hanteert meest, dat hy meest liefheeft of te hebben begheert.
Vindtmer niet meer die haar Reeckenboecken ende den Koop-handel meesterlijck wel verstaan: dan die Bybelsche boecken ende de Const van wel-leven wel verstaan? Voorwaar Ja. Waarom dat?
Sy kennen haar Lichaam beter dan haar Ziele. Daarom hebben sy t’Lichaam oock liever, voeden ende besorghen dat oock derhalven naarstigher om gheldt; des lijfs, dan om Deughden, der Zielen Rijckdommen, te vergaderen.
T’is dan haar zotheydts schuldt dat sy t’snoodtste voor’t edelste goedt verkiesen, ende desselfs kennisse meest benaarstighen, met versuym van de kennis der bester dinghen: welcker kennisse sy hadden moghen hebben: soo sy die niet moedtwillens en hadden versuymt te bekomen.
Ghelijck nu niemandt de wille Godes en leert wel verstaan, sonder sijn gheschreven Woordt (van dat middel werdt nu ghesproken voorneemlijck, te weten van’t wel lesen der heyligher Schrift) daghelijcx te lesen of te hooren lesen, dat selve te erkauwen, dickmaals, ja Dagh ende Nacht om te dencken, ende sijnen lust daar inne te hebben: soo en leert oock niemandt de wille Godes die hy nu al verstaat, ende wel in’t hooft ghevatet heeft, sonder de selve in alle sijnen handel ende wandel altijdt met lusten ende begheerten om die te leeren doen, metter daadt te hanteeren, oeffenen, pleghen, ende soo in’t werck te brenghen, dat hy telcken daar’t is gheleghen, t’verstandt kan brenghen in de handt. Dat is dat hy t’ghene hy verstaat goedt ghelaten of ghedaan te zijn, na wille kan ende mach metter daadt volbrenghen.
Dat badt de Psalmist, segghende: 1 1 Psal. 118. 26 Leert my uwe Rechtvaardighmaackinghen. Hy wilde segghen: Ick hebbe mijne Onweghen beleden, die hebdy te niete gedaan. Leert my uwe weghen. Leert my soo dat ick mach doen, niet alleenlijck weten, t’gheen ick behoore te doen. Soo werdt gheseyt van den Heere, dat hy gheen Zonde en kende, daar hy verstaan wort, dat hy gheen Zonde en dede. Soo wort oock die inder Waarheydt gheseydt de Rechtvaardigheyt te kennen, diese doet.
Soo schrijft Godt sijn Wet, 2 2 Exo. 31. 13 1. Cor. 3. 6. 7. niet in steenen Tafelen, om die maar alleenlijck vastelijck te onthouden, af te spreken, ende versuymen te beleven: maar in vleyschen; 3 3 Jere. 31. 33 dats in ghedooghsame, levende ende Gheestelijcke; Herten, soo dat sy wetende verstaan, ende lief-hebbende doen.
Hier toe dient dit bidden: Leydt my inde weghen dijnre Gheboden, want die hebbe ick ghewilt. 4 4 Psal. 118. 35
Wat baat mijn wille, soo ghy my door u stercke handt niet en brengt daar ick wil wesen?
Wat baat my het verstaan, wort het door u kracht in my niet ghedaan?
Maackt ghy Heere, dat ick door uwen heylighen Gheest doe, t’ghene dat ick door den Letter versta. Doet dat Heere. Wat ghy niet en doet blijft (O Godt) onghedaan. Daarom roepen uwe Dienaren: 5 5 Isai. 26 12 Heere ghy sult ons Vrede gheven, want alle onse wercken hebdy ons ghedaan: ende daarom komt u name, Heere, niet ons, de Eere toe, Psalm 113, 1.
Den ghever komt de Eere toe, den ontfangher gheniet de bate. Hy gheeft liever dan ghy ontfangt, Leser.
Hebdy Godts wil gheleert in u verstandt, maar niet in de ongheoeffende handt: soo bidt, Leert my Heere doen na u bevel, gheeft ghy de macht tot u bevel. Dan verwerft hetGheloof, t’gheen de Wet ghebiedt, namentlijck Macht na Wil. Want soo Godes onderwijsen niet anders en is dan verstandt gheven: soo is sijn leeren doen, anders niet dan macht gheven, om het gheen men verstaat te volbrenghen.
Soo beveelet de Heere te doen: 6 6 Deut. 4. 6 Ghy sullet metter daadt volbrenghen. Want dit is u VVijsheydt ende verstandt voor den Volcken. Soo laatmen al doende dat Godt gebiedt, 7 7 Mat. 5. 17. sijn licht lichten voor den Menschen:op dat sy sien de onse goede wercken, moghen prijsen onsen Vader, die in den Hemelen is.
Dit en mach niet soo’t behoort, gheschieden dan uyt Liefden, 8 8 Rom. 13 11 die des Wets vervullinghe is.
Dit en is niet Lief hebben met Woorden 9 9 1. Joan. 3. 18 ende metter Tonghen: maar metter Daadt ende inder Waarheyt.
Soodanighe met meer derghelijcke sproken, Leser, sullen u in’t lesen der heylighe Schriftuyren veele voor Ooghen komen. Let ghy daar aandachtelijck op, soo dat ghy u Herte daar teghen spieghelt: hoe soude u moghen ontblijven der Menschen voorneemlijcke wijsheyt, namentlijck Kennisse uwes selvens. Want bevindt ghy alle sulcz in u te wesen: soo suldy daar aan kennen, 10 10 1. Joan. 3. 29 dat ghy uyter Waarheydt zijt, dat is dat ghy uyt Gode gheboren zijt, ende een levendigh lidtmaat Christi zijt.
Maar is sulcx niet in u, suldy dat oock niet, al ist ongaarne, moeten bekennen, u waan dat ghy een kindt Godts waart, moeten voor loghen kennen, ende u selve nederwaarts nevens den Huyrlinghen of Knechten, daar ghy behoort, moeten stellen.
Soo doende, 11 11 1. Cor. 11. 13 suldy u selve oordeelen, ende niet van anderen gheoordeelt worden: ende soo wordt ghy uyt een onrechtvaardigh waner een Rechtvaardighe: 12 12 Pro. 18. 17 daar inne dat ghy u selven eerst oordeelt voor dat ghy zijt, ende u voor een Zondaar beschuldight. Want dat is Waarheyt ende recht, ende pleeght sooo doende, Rechtvaardigheydt in dat werck. Want het oordeel der Rechtvaardighen en is niet gheleghen in ydele woorden, daar de Menschen mede proncken: maar in rechtvaardigheydts daden, die Godt ons te doen, niet alleen te klappen, beveelt.


Die dit konnen dadelijck in haer bevinden, sullen met vreuchden verstaan des Psalmisten woorden, luydende: 1 1 Psal. 46. 2. Slaat inde handen alle volcken, ende juychet Gode met vroylijcken gheschalle.
Waarom in de handen? 2 2 Augusti. in Psal. 4. 62.
Om dat het met goede wercken zy, ende niet alleen metten monde en gheschiede, ende ghy metten handen rust.
Wat zijn der Volcken handen?
Der gheenre daden die goedt doen.
Alle Volcken slaat in de handen ende juychet Gode in de stemme des vlolijckheydts.
Dats met de stemme ende met de handen. Ist alleen met de stemme, soo en ist niet wel: want de handen zijn dan traagh. Ist alleenlijck met de handen, dats mede niet wel, want dan is de danck-tonghe stom. Laat handen ende tonge over een stemmen: soo dat die wercken ende dese dancket. 3 3 Philip. 4. 9.
Dan sal Godt met ons zijn, als wy doen (doen seyt hy niet klappen) t’ghene dat wy gheleert hebben, ontfanghen hebben, 4 4 1. Cor. 4. 16. ghehoort hebben ende ghesien hebben in hem, immers oock in Christo selev: wiens navolgher hy was, 5 5 1. Cor. 11. 1 ende ons mede alsoo beveelt sijn navolghers te wesen, Ia oock de Heere self seydt: 6 6 Jpan. 13. 17. Ist dat ghy dit weet, soo zijt ghy saligh ist dat ghy’t doet. Niet in’t weten sonder doen, maar in’t doen dat wy weten, ist al gheleghen.
Eerst moetmen metter herten dencken op 7 7 Psal. 1. 2. Deut. 6. 6. 7. Pro. 7. 2. 3 Pro. 15. 28. Pro. 12. 5. den Heeren Gheboden, ende dan oock de handen opheven tot des Heeren Gheboden: T’eerste om die recht te moghen verstaen, maar t’ander om die wel te moghen doen, ende dat beyde uyt liefde.
Doch moet hier bedacht zijn dat Godt in allen desen sijn billijcke goedicheydt altijdt ghelijck is. 8 8 Mat. 22. 37. Die eyscht in sijn Ghebodt der Liefden van niemanden yet boven, maar na sijn vermoghen, te weten uyt alle, 9 9 Luc. 10. 27 Mat. 25. 20 22. 23 maar niet boven ons Herte, Ziele, Ghemoede, ende Krachten.
Soo versamelden de kinderen Israel d’eene 10 10 Exo. 16. 17. 18 veele ende d’ander weynigh. Die veele vergadert hadde, en liep niet over, ende die weynigh vergadert hadde, en gebrack niet: maar een yeghelijck hadde vergadert soo veele als hy mocht eten.

xij. Hooft stuck.

Van datmen door’t doen ende ondervinden leert doen des Heeren wille, diemen heeft leeren verstaan.

Maackt uwe weghen ende voornemen goet, 11 11 Jere. 7. 34, 26. 13 spreeckt de Heere; het leste siet opten wille, maar t’eerste opten wandel. Die wille wort door de kennisse, de wandel door goetdoens ghewoonte goedt. 12 12 Mich. 6. 8 Ende erghens: Ick sal dy; O Mensche; te kennen gheven wat goedt zy, ende wat de Heere van dy eyscht: namentlijck te doen dat recht is ende billigh, barmhertigheydt te lieven, ende met den Heere sorchvoudelijck te wandelen. Hieromme ist oock dat Godt doorgaens ons ghebiedt goedt te doen. Want al doende, niet klappende, leertmen doen dat goedt is. Matth. 12. 50, 25. 24. 25. 36. Johan. 15. 14. Roman. 2. 18. Galath. 26. Jacob. 2. 20. 24. 26. 1. Johan. 22. 3. 4. 5. 6. &c.
Verstaat my Leser, spinnen leert spinnen, malen leert malen,. Het lesen van spinnen ende malen van duysent Boecken, eens Menschen leven langh, en sal hem het spinnen ende malen niet leeren: noch gheen Vrou een goede spinster, noch Man goede maler maecken, sonder stadelijck het werck te doen van spinnen ende malen. Soo leert het doen doen, niet het lesen alleen, van soodanighe Consten die bestaan, niet alleen in’t vernuftigh verstandt ende raadt, maar oock ghesamentlijck in de gheoeffende handt ende daadt. Meer mooghdy hier af ghesien hebben hier voor int iije. iij.
Soodanigh zijn alle Deuchden die ons Godt leeren doen ghebiedt. Ongheoeffent verstandt en is gheen Deughde, soo mede niet en is onverstandighe oeffeninghe. Kent yemants verstandt de letteren wel, maar heeftse de handt niet gheoeffent, hy sal niet konnen schrijven, soo en kan oock een welgheoeffende handt, sonder Letteren te kennen, mede niet schrijven. Dit bevinden al die schrijven konnen, van haar rechter ende lincker handt, bestiert van een selve verstandt. De gheoeffende sal konnen schrijven, de ongheoeffende niet.
Wat anders, dan Abrahams groote Oeffeninghe met het ondervinden van Godes Almoghentheydt ende Waarheydt, 13 13 Roma. 4. niet aandachtigh opmercken verselt, veroorsaackt in Abraham de Deughde sijns volmaackten Geloofs? 14 14 Jaco. 2. 22. 1. Reg. 17. 37 Wat in David sijn ontwijfelijck betrouwen op Godes bystandt: wast niet het ondervinden van de selve? Wat in Moyse? 15 15 Deut. 7. 17. 18. 19. De versochte trou van de Godtlijcke beloften. Was’t niet uyt ondervinden der Verrijsenisse van Christi Menscheyt? 16 16 Joan. 20. 28. Dat d’ongegheloovighe Apostel gheloofde Christi Godtheydt?
Het Gheloove brengt tot het ondervinden, ende dit tot seeckere wetenschappen van’t gheloofde. Soo bracht het Gheloove des wonderbaren ghesichts Moysen tot het ondervindelijck weten des brandenden Doornboschs.
Den Samaritaneren aan d’ontwijfelijcke wetenschap, dat Jesus des werelts Salighmaecker was: Ende den Herderen aan de ware kennisse dat het Kindeken; de Heylandt; 17 17 Luc. 2. 11. was gheboren, soo d’Enghel haar hadde gheseyt. 18 18 Luc. 2. 20.
Door wat middel? Door’t ondersoecken. Moyses bleef niet staen daar hy eerst was, maar hy ghing voort, ghenaeckte, sach ende verstondt. Soo mede de Herderen: Laat ons van hier gaan, ende sien dit Woort dat daar is gheschiet. Soo ghinghen mede de Samaritaneren door een Wijfkens aangheven, uyter Stadt, om de waarheyt te vernemen.
Ende ghy mede Leser, mooght niet blijven daar ghy waart, wildy de Waarheydt, u ter Saligheydt noodigh zijnde, weten: Neen, uyt u selven moet ghy gaan, uyt u lusten ende goetdunckende duysterheydt, dats uyt u selven, suldy het Vuyr ghenaecken dat de Herten begheerlijck na deughden doet branden, suldy d’Ootmoedigheydt bevinden in’t kribbeken uwes gheestes armoede: ende suldy tot het licht des werelts komen van Christi Leeringhe hooghe vander Aerden verheven zijnde.
Sulck uyt-gaan is het doen van des Heeren wille. Soo ghingh Abraham uyt sijn Landt, uyt Vrienden ende Maghen: Soo moeten sy uyt haar selve gaan die in’t Landt dat Godt ons wijsen sal, begheert te komen: ende soo leertmen doen niet onsen,


maar Godes wille. Dit landt is het Rijcke Godes, daar Godt als Koningh ghebiedt, ende de Mensch vrywilligh gehoorsaamt.
Wat is nu dat Rijcke Godes? Rechtvaardigheydt, Vrede ende blijdtschap in den heyligen Gheest, daar heerschapt de Koning der Gherechtigheyt, door diens ghebieden gheeftmen daar yeghelijck het sijne, 1 1 Mat. 22. 21 Gode dat Godt, den Mensche dat hem toe behoort, namelijck Gode het volle ghebieden, ende den Mensche volle onderdanigheydt. Daar dan niemandt en wort veronghelijckt, wat mach in dat Rijck doch anders zijn dan Vrede? 2 2 Joan. 14. 27. Dan Vrede die ons de Hemel-Koning belooft, niet als de werelt gheeft, namelijck een valsche ende vluchtighe, maar als de Waarheydt gheeft, een trouwe ende eeuwigh by blijvende Vrede, die ons niemandt en mach benemen.
Ghelijck nu de Rust dan eers recht verlustight als sy komt na een groote vermoeytheydt: soo verblijdt oock dan de Vrede aldermeest als sy komt na het treurigh ende ellendigh Oorlogh, dat de Zondaar ghevoert heeft teghen Gode, metten welcken hy nu door desen Hemel-Koning ende Middelaar midts het uytdrijven ende dooden van Godes vyanden in ons, Vrede verkreghen heeft.
Daar bevindtmen dan inde vry gemaackte Ziele de blijdtschappe in den heylighen Gheest, die eeuwigh is, 3 3 Isai. 61. 3. ende in gheen rouwe en mach veranderen. De tranen zijn af gevaaght, de bedroefden zijn vertroost: de Croon heeftmen voor d’assche: de Vreughden-Oly voor droefheydt: ende de Mantel des lofs, voor den gheest des droefheyts.
O ghy salighe Rouwe-draghers over uwe zonden, gaat haastelijck uyt u selven, dats uyt al u eyghen wille, laat hem ,et u maeckem soo’t hem belieft, viert van uwen, volght sijnen wille, 4 4 Isai. 62. 4 ende wordt alsoo met waarheydt ghenaamt; Godes wille in haar: dan suldy bevinden dat de Bruydegom; 5 5 Isai. 62. 5. Godt; over u ziele als sijn Bruydt ende een werder ghevonden Schaapken sal verblijden. Bevinden suldy’t met vreughden, soo ghy dit niet en laat blijven by’t lesen noch by de woorden, maar brengt tot het sien, voelen ende smaken.

xiij. Hooft stuck.

Datmen alsoo door’t doen van des Heeren wille de selve leert meer verstaan, ende soo verstaande, meer leert doen.

VVie leester twintigh Jarigh ende daar boven, die nu al niet ontwijfelijck meer en verstaat wat Godes wille is dat hy sal laten ende doen: dan hy noch wel metter daat na wille kan laten ende doen? Vindtmer oock al veele onder; ich segghe niet jonghe, maar; oude luyden, ja Leeraren: die niet een Gheestelijcke ghierigheydt (soo’t gheen onnutte weet-sucht en is) naarstigher en wroeten in de heylighe Schrift; om meer weyenschap haar onnodigh zijnde; inne te slocken: dan sy vlijtelijck arbeyden om; t’gheen sy nu al hebben leeren verstaan Godes wille te zijn; inder daat te leeren volbrenghen?
Wat is dit anders, dan of yemant van de Schoolmeester in’t letter leeren kennen een Lesse hebbende, sulcx te leeren onghedaan liet, ende sijnen tijdt verquiste in ’t leeren lesen: t’welck hem; sonder die eerste lesse wel te konnen onmoghelijck is? Sulck leeren altijdt, sonder immermeer te komen tot des Waarheyts kennisse.
Zijt ghy, die dit leest, vry van dese zotheydt, soo hebdy groote oorsake om Godes mildtheydt te dancken van soo seltsame wijsheydt: maar vindy na scherpe insicht uwes gronds, sulcke verloren moeyte, oock veele in u, soo hebdy’t u Adamijtsche weetsucht te wandancken: ende meer vlijts doen om te worden dat ghy nu al verstaat, dan om in uwe quaatheydt blijvende, meer goedts tot u wroeghens vermeeringhe te leeren verstaan.
Elck siet verder dan hy is. Ons ghesicht streckt sich voorder, is oock sneller, dan onse voeten, die konnen teffens niet meerder dan een schrede weeghs ons lichaam voorder, dan het was, draghen: maar met een Oogh-opslagh moghen de Oogen etlijcke duysent schreden verde teffens sien.
Soo veele schreden als wy voort-gaan, soo veele, ende oock niet meer, moghen wy verder, dan te vooren sien. Maar blijven wy altijt staan daar wy zijn, sonder voort gaan: wy sullen nemmermeer een schrede weeghes voorder dan wy waren, moghen sien: Wy moghen ons anders met waan-wetenschap vroedt maecken, maar niet moghelijck ist dat wy stille staande, d’alderminste ware kennisse der dinghen meer dan te vooren souden verstaan.
Soo wie dan meer Waarheydts dan hy verstaat begheert te weten, die moet voorder dan hy is, komen ende voortgaan. Dit voort-gaan opten Wegh des Heeren sonder ommesien, is des Heeren wille, diemen verstaat, dadelijck hanteeren: maar daar op stille staan ofte te rugghe sien, is achterwaarts gaan. Dit is sijn eyghen, maar t’eerste is Godes wille doen: dit doet argher, dat beter worden.
Dit doet Christum ghenaecken, in’t Licht wandelen ende meer Christo ghelijck worden. Want soo doende, altijdt d’eene schrede voor ende d’ander na voort gaat in’t navolghen van Christi voetstappen: maar dat doet van Christo ververden, in duysternissen doolen, ende soo langher soo meerder Christo onghelijck; dats Antichrist ghelijck; worden. Vermits men soo doende, altijdt d’eene schrede na d’ander eerselingh gaat, t’welck doet verstijven in’t volghen van ons eyghen wille, dat Antichrist voetstappen zijn.
Een werck dickmaal doen, maackt een ghewoonte, soo dickwijler pleghen, so stercker ghewoonte. Wantmen ghewoon is, dat doetmen licht: daar teghen is onghewoon werck (soo men recht seydt) lede-brekingh of moeyelijck. Licht valt quaat-doens aanwenst, maar niet des selfs afwenst: dit maar te segghen is vol bewijsen, om dat elck sulcx door’t ondervinden weet.
Soo nu yemanden noch sijns ondancks 6 6 Ephe. 4. 22 aanhangt sijn oude Mensche, die door’t dickmaal bewillighen ende volghen sijnre begeerten der dolinghen is verdorven, vermits sijnen voorleden wandel of ghewoonte: die sal sich niet qualijck moghen ghelijcken by eenen die in een Schuytken een Reviere; ghewel-


digh af-stroomende Reviere; op-roeyt, ende t’elcken als hy van roeyen op houdt, nederwaerts drijft.
Want het niet en feylt of allen Ooghenblick, als wy die quade aanwensten niet met afbreeck ende teghen-worstelen, en betemmen of verwinnen: soo nemen sy in krachten toe, worden ons tot haar snoode ende wroeghelijcke zonden.
Maar daar teghen nemen der Deughden oeffeninghen in krachten toe ende wassen op, soo veele als wy de quade ghewoonten teghenstaan, bedwinghen ende verwinnen. Des eenen vasten is des anders mesten: Des eenen krencken is des anders verstercken, ende des eenen sterven des anders leven, af-breck van zonden, is aanwas van Deuchden: Het willigh derven van quade en verstijft ende vermeert de goede lusten, ende het ververden van t’quade, doet het goede ghenaken.
Wat goedt? Godt selve, alder goedtheyts oorsprong. Wat is des ghenaeckens vrucht? 1 1 Psal. 33. 6 Verlicht te worden. Ghenaeckt hem, ende ghy sult verlicht worden Kendy u duysternissen, quelt u het dolen, smert u het stooten, vallen ende quetsen: soo moet ghy het Licht begheeren. Begheerdy dat, soo ghenaackt Gode. Dat mooghdy niet doen, sonder te scheyden van u selve, van u blinde goedtdunckenheydt, ende van u duyster, zot ende quaat verkiesen.
Men ghenaackt Gode niet met stillle staan, in’t doen van Godes wille, dat goedt doen is, noch min met achterwaarts gaan, in’t doen van ons eyghen wille, dat quaat doen is: Maar men ghenaackt Gode in’t hanteeren van Deughde. Die hanteertmen met voortgaan opte Wegh, die men nu al goedt te zijn heeft verstaan. Dit zijn de twee voeten, namentlijck Kennisse ende Oeffeninghe. Kendy het goede, soo doet dit Treden t’elcken beyde dese voeten by beurten niet voort, soo stady stille, soo ghenaackt ghy Gode niet, soo gaat ghy achterwaart.
Wat helpt het voort treden van de weet-voet, als de doen-voet stille staat, ende men t’gheweten goedt niet en doet? Mach yemant met d’een voet oock voorder van een schrede voort gaan: als d’ander voet niet mede voort en treedt, maar altijt sonder t’geweten goedt te doen op sijn oude stede blijft staan? Dat is soo onmoghelijck, als een Mensche teffens twee schreden, veel min hondert wijdt mach schrijden.
Soo onmoghelijck ist dat de Weetsuchtighe sonder t’gheweten goedt te doen, meer waarheydt dan hy nu weet, soude leeren verstaan, als dat een gangher met d’een voet, ende d’ander niet, voort tredende voorder dan hy is opten Wegh soude komen ende verder sien, dan hy te vooren sach. Heeft yemandt t’goedt dat hy wiste nu al ghedaan, dat is, soo met d’ander voet mede voorts is getreden, soo is hy voort ghgaan, mach een schrede voorder sien ende verstaan dan te voren, maar anders niet.
Gaat dan voort Leser, dewijl’t noch huyden heet, ende doende dadelijck t’gheweten goedt, eer ghy na meer wetens soeckt, ghenaackt Gode, ende ghy sult verlicht worden. Van wat licht? Van Christo Jesu selve. Want die is het Licht des werelts. 2 2 Joan. 1. 9. a Slaapt ghy in onachtsaamheydt? 3 3 a Eph. 5. 14. Sijn krachtighe b handt sal u licht wacker maecken, 4 4 b Mat 9. 24 wildy in’t lesen op sijn Ghenade acht nemen.
Ja al zijdy oock doot in zonden, sijn waarschouwende c Stemme kan u licht levendigh maecken, 5 5 c Luc. 7. 14. soo ghy voor hem stille staat. Immers zijdy al begraven in quade ghewoontens graf: sijn roepende e Stemme als een luydt-klinckende Trompet; 6 6 e Joan. 11. 43 d’eeuwighe verdoemenisse dreyghende; kan u, stopt ghy in’t lesen der heyligher Schrift niet moetwilligh Ooghen ende Ooren, van den Dooden doen op-staan: 7 7 Ephes. 5. 14. ende Christus selve sal u verlichten, om te sien, dat u ter Saligheydts voortgang van noode is. Meer en behoordy niet te begheeren.
Maar die t’gheen hy weet niet en doet, die gaat niet voort; hy en komt oock niet voorder, noch en siet oock niet voorder. Soo versuymtmen door te veel willen weten, het begheerde meer weten, ende men blijft buyten Christo in’t doncker in d’oude quaatheydt, dats in onsaligheydt. Daar in’t teghendeel de ghetrouwe doender in sijn weynigh weten, dats de voortgangher door’t doen van t’ghene hy nu weet, meer wetens van selfs voorkomt, al en begheert hy niet meer te weten. Want voort-gaande, dats doende, komt hy naarder dan hy was, aan’t Licht; Christum; dien hy oock meerder kent dat te voren, ende in hem Gode.
Dese sorghen niet voor den dagh van morghen, voor kennisse die sy dan ghebeck souden moghen hebben: 8 8 Exo. 16. 17 18 maar sy vergaderen van’t Man deser Hemelscher kennisse der Waarheydt elck soo veele hy behoeft, d’een meer ende d’ander min: ende en heeft die veele vergaadert niet t’over, noch die min vergadert niet ghebreck. 9 9 Mat. 25. 28 Want de Heere geeft elck min of meer ponden verstands, na elck ontfanckelijck is.
Den ghene, die soo den wille des Heeren te doen lustigh is: dien valt dan de vermeerderinghe der Kennissen mede soet: soo in’t naarder ghenaken des Lichts, als inde naarder by-komste Christi, dat een is. Want volmaacktelijcker kentmen t’ghene datmen doet: ende volmaacktelijcker doetmen t’gheen dat men recht kent.
So leertmen met vreughde, doende Deughde, verstaan wat recht is, ende verstaande met blijdtschap wat recht is, oock dat recht is, doen. Laat het Boeck deses VVets (seyt Godt tot Josue) van dijnen monde niet komen. 10 10 Josue. 1. 8. Maar overdenckt dat nacht ende dach. (Waar toe dat?) Op dat du onderhoudtste ende doetste al dat daar inne is gheschreven. (Siet, het lesen is om t’ghene men verstaat, te doen metter daat.)
Wat sal des lesens vrucht zijn? Dan suldy dijn wegh; spreeckt de Heere; wel bestieren, (dat is recht ende wel leven) ende Godt ghehoorsamende doen (niet alleen praten) dat recht is. (Wat behoeftmen in’t voort gaan; t’welck doen is; om sijnen wegh wel te bestieren? Sijnen Wegh te verstaan. Daarom volght des Heeren Woort) ende du sulste die (Wegh) verstaan. Het doen leert verstaan, ende het verstaan leert doen.
Dat is nu een oprechte, nutte, heylighe, ende veylighe wijse vande heylighe Schrift te lesen, daar door men niet en mach dolen: ende dat is een doende weetgheerigheydt, daar door men gheen ware wetenschap en mach ghebreck hebben. Want het weten maackt lustigh tot het doen, ende het doen wederom lustigh tot het vruchtbare weten.


Soo vaart het metten ghenen, die uyt dit water van dese Wijsheydts klare Borne de heyligher Schriftuyren, met voornemen om daar na te doene, drincket: 1 1 Eccl. 24. 29. dat hem drinckende des noch te meerder dorstet: ende dorstende, des noch te meerder drinckt. Daar ghesonde ende wel smakende spijsen overvloedigh aangherecht worden: soodanig zijnde, dat d’eerste den Eter noch meer hongherigh maken tot eten, ende de laatste telcken smaackelijcker zijn dan d’eerste: Wie soude niet liever met lusten telcken weder eten, dan sadt zijnde van’t lustigh eten op houden?
Wie dorstet; roept Christus; 2 2 Joan. 7. 37. 38 die kome tot my ende drincke VVie in my ghelooft, van sijnen lijve sullen stromen vloeyen des levenden waters. Dese fonteyne; Christus; 3 3 Joan. 4. 7. dorstet self na onsen Gheloove, dats na onsen begheerlijcken dorst met betrouwen van t’verkrijghen t’ghene hy te gheven belooft: wien soude hy dan dat beloofde water des Levens weygheren? Hoe mach oock de dorstighe drincker van dat altijdt dorst-makende water waters ghebreck hebben, diens lijf self daar af overvloeyt?
Soo mede is de Tafel der Godlijcker Schriftuyren vol Gheestelijcker spijsen van Leeringhen, Gheboden, Vermaninghen ende Exempelen der Heylighen, ja vol Hemels Man selve, dat Christus is, 4 4 Mat. 5. welcx recht verstaan den hongherighen Leser na der Gherechtigheydt met lusten versaadt, ende hem door’t verdouwen van’t beleven der selver spijsen versadende, altijdts van nieus weder lust maackt ende hongherigh totte soete spijse die hem van den heylighen Gheest; dese Tafels Hoof-meester; na sijns smaacx bequaamheydt wort voorghestelt.
De Mensche die eerst was als die a droomde dat hy at, 5 5 a Isai. 55. 2. maat ontwaeckende sijnen maghe ledigh vandt ende b hongherigh: 6 6 b Isai. 55. 2. sal met lusten het Hemels Broodt eten, ende sijn Ziele dal in c weelden vet daar af worden: 7 7 c Isai. 55. 2. ende dan sullen sy seggen: 8 8 d Psal. 125. 2 Onse mont is met d blijdtschap vervult. Des Lichaams mondt wort wel met spijs of dranck, maar niet met blijdtschap vervult. Die komt int herte, maar niet inde mondt. 9 9 e Mat. 15. 11 Wat in des Herten e mont is dat besmet ende bedroeft, soo’t f quaat is: soo reynighet oock ende vervblijdt, 10 10 f Tit. 1. 15. soo’t goedt is dat daar inne is. 11 11 Psal. 18. 9. Psal. 36. 30.
Opent dijn g mondt, seydt de Heere, ende ick sal die vervullen. 12 12 g Psal 88. 11 Waar mede anders dan met sijnen h Woorde; Christo; het i Broodt dat van den Hemel is ghekomen, 13 13 h Joan 1. 1. 14 14 i Joan. 6. 41. het woordt des k Levens, 15 15 k Joan. 6. 48 ende met sijnen heylighen l Geest der eeuwigher Waarheydt? 16 16 l Act. 6. 3, 7. 55. Dats niet met Menschen draf, glosen ende dichtselen. O salighe m hongher na de Gherechtigheydt, 17 17 m Mat. 5. 6. ende ernstighe begheerten om Godes n wille te doen, 18 18 n Joan. 7. 17. want die wort versaadt. Saligh zijn sy, die soo aan des o Wijsheydts Tafel sulck Broodt 19 19 o Pro. 92. eten in’t Rijcke Godes, daar Godes, 20 20 Lucas. 14. 15 niet des Menschen, wille gheschiet in de gheloovighe Ziele.
Ick vergheet my selve, Leser, aan dese Godtlijcke Tafel vol Hemelscher spijsen. Hoe lustigh ende hoe saligh soudy u selve moeten bevinden: indien ghy soo hongherigh aan den Tafel der Godtlijcker ghetuyghenissen sittende, begheerlijck die Hemelsche spijse smaackte, van dat u voor ghestelt wort ende anders niet, soo dat ghy na gheen ander spijse en taste, voor dat die in’t beleven metter daat verbouwet waar: ende u van nieus weder hongherde na ander spijse: die u dan in plaatse van de voorighe aangherichtet worde.
Want wy leeren de Deughde uyt hooren of in’t lesen tot kennisse in’t verstandt: maar in’t beleven leeren wy die doen metter handt. Men verstaat die wel in’t stille staan: maar men doet gheen Deughde dan in’t voortgaan opten wegh des Heeren. Dit doende voortgaan in’t beleven, leert de seeckerste kennisse in’t verstaan.
Meester waar woondy? 21 21 Joau . 1. 4. 6. Komt besiet dat seyde de eenighe Meester. Wat doen sy? Beraden sy sich? Stellen sy’t uyt tot morghen? Neen, sy volghen metter daat, alsoo bethoonende dat sy vraaghden, niet uyt weetgierigheydt, maar uyt doen-lusts vierigheydt. Beter leertmens weten metter daadt, dan metter praat. Het navolghen van des Meesters Wandel, maackt ware Huysghenooten ende Jonghers, niet het hooren of lesen van sijne woorden alleenlijck.
Die in sijn woorden blijven, doende sijn bevelen, zijn sijn Jongheren: niet die sijn woorden hooren, sonder sijn daden na te volghen. Die totten Heere gaat, wort verlight ende versterckt: op dat hy uyt blindtheydt niet en soude yet doen dat hy niet en weet: ende hy uyt swackheydt niet en soude onghedaan laten, t’ghene hy nu wel weet des Heeren wille te wesen.
Soo, Leser, soo behoortmen de heylighe Schrift te lesen. Maar t’gheschiedt, leyder minst, dat meest behoort. Veel lesen t’gheschreven Woort Godes wel vlijtelijck: op dat sy’t souden hebben in’t vernuftigh verstant, maar niet in een gheoeffende handt: sy lesen om by den Menschen wetende gheacht te worden, maar niet om in Godes ooghen deughdelijck te wesen. Door sulcke Roemsucht bejaaghtmen by Menschen ydele prijs: maar door ootmoedelijck na Godts bevel te leven, wortmen inder waarheydt wijs. Die soecken wijsheydts name, maar niet de Wijsheydt selver daarom sy die oock niet en krijghen: maar dese der Menschen lof, vluchtende, soecken Wijsheydt door deughts hanteren die sy verkrijghen, ende worden goedt, ende misdien Godtlijck.

xiiij. Hooft-stuck.

Vruchten van’t wel leeren doen.

Al wat lustigh is in’t doen, sietmen elck gaarne doen: al en verwachtmen van sulck lustigh werck oock gheen loon met allen. Immers al vreestmen daar verdrietige straf voor te sullen lijden. Dit weten oock de Hoereerders, de Vraten, de Dronckaerts wel, met al d’anderen die woetwillichlijck haar quade lusten volgen: daar altijt de zonde haar eygen boete mede brengt, tappende een stoope Azijns voor een droppelken Wijns, ende voor een korte vreught een lange ende pijnlijcke ongheneught. Dit weten sy te voren ende seggen gemeenlijcke daarom, dat een soet spelen gaen, een gatslagh waardigh is.
Na dien dit so is in’t gaarne volbrengen der quade lusten, die altijdt loonen met quellijcke end wroeghelijcke onrusten: sal de navolgher sijnre goede lusten de selve mede niet gaarne hanteren? Sal hy niet met vreughden wanderen opten wegh des Heeren? Sal hy niet uyt liefden dadelijck het gheweten goet hanteren, ende door sulcke wenschelijcke oeffeninghe de bekende Deughde vermeeren, die hy boven alle schatten uyt liefde moet begheeren? Wat is lu-


tigher dan t’gewenschte goedt stadelijck te verkrigen? Het begeeren dat vervult wort, seyt Salomon, verlustight de ziele.
Doen dan de Zondaren de zonden met lusten, niet teghenstaande die lusten altijt eynden met pijnen ende rouwe: ist wonder dat dese Deughd-lievers, de Deughde stadelijc met lusten hanteren, daar nemmermeer rouwe, maar stadige vreughde volght na sulck lustigh ende rustigh, deughdelijck ende vreughdelijck volbrenghen van des Heeren Gheboden?
Is dit niet so wel het alder sekerste alst edelste loon datmen mach wenschen, d’welck oock teghenwoordelijck ghenieten alle Menschen, die daar niet min leeren doen als verstaan de liefste wille Godes? Dits dan die hondert foudighe vergheldinghe hier in desen leven, als een voorsmake van het salighe ende oneyndtlijcke leven na desen leven: welcx eeuwighe vreughde ende Goddelijcke blijdtschappe met gheen tijdelijcke sinnen noch bedacht en mach worden.
Maar de Arrapenningh dese eeuwiger Saligheydt, namentlijck het verrijsen uyter zonden doot in’t leven des Gherechtigheyts, ontfanghen ende genieten sy hier al in desen leven van Gode, tot ontwijfelijcker versekeringhe der tweeder Verrijsenissen. Want onder meer andere vruchten, die dese wijse Leerlingen van Godes Gheboden metter daat te leeren doen, ghenieten sy oock; niet als de ydele waanvruchten, maar als trouwe doenders des Woorts na haar vermoghen, dese ware ende wesentlijcke ende heylsame vruchten, na t’getuygh der heyligher Schrift selve. 1 1 Phil. 4. 8.
Voorts broeders, wat warachtigh is, wat eerlijck is, wat rechtvaardigh is, wat reyn is, wat lieflijck is, wat wel luydt: is daar eenige deught, is daar eenige lof, dat bedenckt. 2 2 Phil. 40. Het welcke ghy oock geleert ende ontfanghen, ende gehoort, ende ghesien hebt aan my. Doet, segghe ick, dit, ende de Godt des vreden, sal met u wesen.
Wat is hier de vrucht der doenders der voorsz dingen? Emanuel: Godt met haar. Is Godt met haar, wie mach teghen haar zijn. 3 3 Rom. 8. 31. Mach niemant tegen haar zijn, soo mach daar gheen strijdt meer zijn, Daar geen strijdt en is moet vrede wesen. 4 4 Rom. 14. Die is altijt int Rijcke Godes, dats in de Zielen, daar Godt alleen als Koning heerschapt. Ende dese vrede wenscht ende gheeft de Hemel-Koning Christus altijdt sijne ghehoorsame ondersaten. 5 5 Joan. 8. 31. 32.
Want die zijn, onderdanighlijck zijn gebieden doende, metter daat gebleven in sijne woorden: daar door sy sijnder beloften waarheydt in haar hebben bevonden, daar inne dat haar de Waarheydt heeft vryghemaackt van haar zonden, ende also van den Sone vry gemaackt wesende, 6 6 Joan. 8. 36. 1. Ioan. 3. 9. Luc. 1. 74. 75. zijn sy soo waarlijck vry dat sy gheen zonde meer en doen, oock niet en moghen zondighen, ende also verlost zijnde (volgens Godes besworen beloften) uyt de handen haarder vyanden, dienen sy hem sonder vreese in Heyligheyt ende Rechtvaardigheyt voor hem (niet tot roem voor den Menschen) alle de daghen haars levens. Is dat niet een wenschelijcke vrucht, soo gantsch vry ghemaeckt te worden van zonden, datmen voorts niet meer en zondight, maar Gode alleen in ware Heyligheyt ende Rechtvaardigheyt al t’leven voorts deure, hier na sijn behaghen dient?
Datmen door den Hemel Koning so Rechtvaardigh wordt ghemaackt, 7 7 Rom. 2. 13. vermits sy door sijn genade, licht en kracht, niet en zijn Schijn-deughtlijcke Woort-doenders alleen ende hoorders, maar oprechte doenders ende heylighe belevers sijnre Gheboden. Wat vrucht machmen menschelijcker begheeren, dan dese is?
So mede van te wesen, niet knechten Christi (dat nochtans al wat heylsamers is dan knechten der Menschen te wesen) maar Christi vrienden selve, die alle dinghen tusschen hem ende haar ghemeen maackt, ja oock (uyt ghenaden) sijn Godtlijckheydt selve: Wat isser edelder en grooter te bedencken? 8 8 Joan. 15. 14. Dit worden sy gewisselijck alle die daar hebben leeren (niet na kallen met woorden, maar) metten wercken selve doen, dat hy ghebiedt: Ghy zijt mijn vrienden, seyt de Waarheyt, soo ghy doet, dat ick u ghebiede. Dit doen sy al die sulcx hebben leren doen, maar niet al die’t maar hebben leeren verstaan, of segghen.
Endtlijck, om dese salighe vruchten van’t leeren ende konnen doen des Heeren wille, te besluyten met de Saligheyt selve: so noemtse Christus selve saligh die dese salige conste, niet alleen verstaan, maar diese konnen doen. Want seydt Jesus, 9 9 Joan. 13. 1 Ick heb u een Voorbeeldt ghegheven, op dat ghy oock soudt doen, alsoo ick u gedaan hebbe. Ende noch terstont daar na: Ist dat ghy dit weet, soo zijdy saligh, ist dat ghy’t doet.
Niet seggen, maar wesen: niet schijn, maar zijn maackt saligh. Men mach dat goedt is, weten, sonder datmen goet doet of wort: maar men mach geen goet doen, sonder goet te worden of wesen Christus die dit belooft den doenders sijns Woorts, is selve de Waarheyt, die lieght noch bedrieght niet met schijn voor wesen te gheven: noch hy wort oock niet bedrogen, dat hy Schijn-deughde voor ware Deugde aenneemt.
Maar sy leighen ende bedrieghen jammerlijck sich selven: alle die wanen dat hy haar woordt-schijn van Deughde, voor dadelijcke ende ware Deughde sal achten: ende haar de zondē die sy dadelijck doen ende waarlijck hebben, niet sal toerekenen, maar achten of sy die niet en hadden: ende daar teghen de Deughden die sy waanlijck schijnen te hebben, maar niet en hebben, sal toereeckenen als of sy die hadden.
Neen vrienden. Acht Christum, die Alwetende is, voor gheen duyster siende Isaar, die door een esaus deckmantel mach bedroghen worden: soo ghy u selve hier inne bedrieght. 10 10 Pro. 17. 15. Christus is selve de Gherechtigheyt. Die en sal den Godtloosen niet rechtvaardigh oordeelen: noch oock den Rechtvaardighen verdoemen. Want sulcx is beyde een grouwel voor den Heere.

Eynde.


Tafelken vande maniere van bewijsinghe in Schriftuyrljcke saken, by my Coornhert gestelt voor goet ende daer voor ghebruyckt, tot dat yemant my beters sal toonen.

Alle gheschille in Religions saken, is om die Waarheydt vande H. Schrifture ofte vande Wtlegginge van dien. Om t’eerste is’t niet. Tis dan om d’uytlegginghe vande H. Schrift. want meest alle Secten (die H. Nicolaiten uytghenomen) houden die H. Schrift in allen voor waarachtigh, maar niemandt des anders Wtlegginghen: Daar houdt elck die sijne voor oprecht, ende des anders voor valsch.
Dit bestaatmen te bewijsen met Ratiocinationibus alleen: 1 1 1. met menschelijcke autoriteyten, 2 2 2. als Concilien, Decreten, Leeraren, ouden of nieuwen alleen: of met Ratiocinationibus ende de H. Schrifture te samen: 3 3 3. of mette H. Schrift alleen. 4 4 4. Waar van d’eerste drie twijfelen zijn in groote saken, te weten, d’eerste duyster, 5 5 Jacob. 3. 2.
de tweede onseker (soo alle menschen erghens inne dolen) 6 6 Ezech. 34. ende het derde is een mengsele vanden slijcke des menschelijcken vernufts mette suyvere fonteyne des godlijcke Schrifts: maar de vierde is oprecht, also die godlijcke Schrift nut is (ooc genoeghsaam) om te leeren, 7 7 2. Timot. 3 16. 17. te berispen, te beteren ende te onderwijsen, opdat de Mensche Gods volmaackt zy tot alle goedt werck.
Nadien nu eenige sproken der H. Schrifturen schijnen te wesen duyster, 8 8 Nebr. 6.6. Jac. 2. 20. Mat. 16. 39 Rom 9. 17. Phil, 4. 1. 32. Matth. 5. 30. 31. Rom. 12. 20 eenige strijdigh, ende eenighe ongeschikt: so gebruyctmen noch int verklaren vandien Ratiocinationibus ofte Collectien, somens nu meest noemt. Die duyster schijnen verclaertmen met claerder Schriftuyrlijcke sproken, als: Ick sal dootslaen ende levendigh maecken. Wien of wat? door Christum doodet Godt ons na den Vleysche, 9 9 Deut. 32. 39. 1. Pet. 3. 18 ende maeckt ons levendigh na den Gheest. So gaet het met die verclaringe vande absurd-schijnēde sproken mede te wercken. Maar de contrarie schijnen, moetmen in eenen eenvuldighen geest weten te vereenighen: oock sijn eygen meyninghe waarachtigh ende eens met, ende des wedersaacks meyninge valsch ende strijdigh, tegen die selve en den gantschen sinne der H. Schrifturen te zijn bewijsen: als wesende ghesproken proptie, ofte oneyghentlijck per tropum.
Die Collectien uyter schrifturen belanghende, zijn waarachtigh of valsch: waarachtigh (exempli gratia) alsmen seydt aldus: Nadien de ghene die met drie ponden noch ander drie ponden overghewonnen hadde, so wel gepresen was vanden Heere, als d’ander die met vijf ponden, noch andere vijf hadde verovert: wie mach twijfelen, indien die derde met sijn een pondt noch een ander pondt daar toe ghewoeckert hadde, of die Heere en soude hem mede ghepresen hebben? Maar valsch is dese collectie ende deser ghelijcke, als: Nadien die Heylighen hier inder tijt, vanden menschen ghebeden zijnde (als Moyses voor Pharai Exod. 8. 9. ende voor den volcke Exod. 32. 10. 11. &c.) Gode voor hun baden ende verhoort zijn geweest, dewijle sy noch metten sterflijcken rock becleedt waren: hoe veele te meer ist waarschijnlijck dat die Heylighen na t’aflegghen vanden vleesche by Gode zijnde ende tot voorbiddinghe te doen versocht wesende in hare ghebeden aan Gode voor den menschen verhoort sullen worden?
Collectien werden gebruyct teghen Collectien of teghen Schrifture ende text self: exempel van t’eerste is in Menno ghesien, colligerende aldus: Heeft Christus sijn menscheydt aanghenomen van Maria, ende die hare menscheydt van Adam. die welcke (oock onser alder menscheydt) onderworpen is die quade lusten, die selve sonde zijn, (dit hielt Menno voor vast) soo moet oock Christus self die quade lusten ende sonde onderworpen zijn gheweest, etc. Waar teghen een ander Collectie strijdet in deser wijse: Heeft Christus sijne menscheydt niet aangenomen van Maria, ja van Adam self, soo en is Christus geen waarachtigh mensch gheweest, immers soo en heeft hy onse menscheyt niet, maar een ander, aanghenomen, ende is ons mitsdien niet gheworden Jesus of verlosser.
Maar daarmen Collectie ghebruyct jeghen Schrifture self, daar bestrijdt die Collectie een eensame of veele schriftuyrlijcke sproke of sproken. Ist een eensame, soo brengt die met haar een bysondere of een algemeyne meeninghe der H. Schrifturen; Teghen een bysondere meeninghe in eenighe eensame spreucke ghelden te recht die ghecolligeerde absurda of ongheschictheden. Soo gaat het te wercke met het Hoc est, &c. Want al leestmen nerghens de negatijf, te weten, Hoc non est corpus meum (twelc dan soude vallen sproke teghen sproke) soo laatmen nochtans alhier ghelden die schriftelijcke absurda uyten Phrasi der H. Schriftuyren, als: Ick ben die deure: Ick ben een wijngaerdt, Ick ben een wegh: etc Item andere Collectien die vast zijn: als: Hy is opghevaren, sit ter rechterhandt Godes, sal van daar comen, etc.
Anders gaat het te wercke daarmen Collectien ghebruyckt jeghen menighvuldighe ende eendrachtighe texten, immers te meer, daar die Collectien strijden teghen het gemeyn verstandt der H. Schrifturen. Want hier en behooren gheene Collectien (hoe waarachtighen schijne die oock moghen hebben) gheloove te hebben teghen de menighte der eendrachtigher texten met den alghemeynen sinne der H. Schrifturen over een comende.

Eynde.


[leeg]

"""Hert-spiegel godlijcker schrifturen."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1632."