I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Van waarheydt"""
"""Van waarheydt"""


Van Waarheydt

Eerste Capittel.

Van Natuyren is elck Mensch gheneghen om Waerheyt te weten.

Dit speurtmen inde kinderen, als sy eerst beginnen te spreken: daar is vragens mate noch eynde: wat dit? wat dat is? watmen hier, watmen daar mede doet? met sulcx meer: alles sterckende tot der dingen kennisse. Ende is sulcke vragherie meest een voor-teecken eens goeden verstandelijckheyts.
1. De weetghierighe Menschen werden oock meest bedrogen. Die bedrieghen dan mede veeltijts anderen, die sy daar door meynen nut te wesen; doch onwetens, als Eva Adam dede. So komen de Menschen in een onsaligh leven: om welcks voorkomen alle Wetten ende Leeringhen voortkomen.
3. Want het eynde alder Wetghevers gheboden ende verboden, ende van alder Leeraren onderwijsinghen streckt tot der Ondersaten of Leerlinghen wel-doen, dat tot wel leven, t’welck Saligheyd of Heyl is.
4. Tot wat te doen, behoeft Wil ende Macht, sonder welcke beyde te samen, gheen werck en wort. Want al heeft yemant Wil om wat te doen, maar gheen Macht, daar en wort gheen werck uyt. Soo mede niet, al heeft yemandt Macht om wat te doen, maar gheen Wil.
5. Maar om eenigh werck, wat het oock zy wel te doen, moet noch Verstandt wesen by Wil ende Macht. Dat is daar toe soo noodigh, dat alle werck sonder Verstandt gheschiedende, een quaadt werck is.
6. So is ghebreck van Verstandt (te weten Onverstandt) van alle quaat-doen: ende daar tegen Verstandt van alle wel-doen: dats van qualijck ende wel leven, van Onsaligheyt ende Saligheydt of Heyl der Menschen, de grondt, oorsake, elck in ’t sijne.
ij. Capittel
Vander Menschen Saligheydt ende Onsaligheydt, ende waar inne elck is gheleghen.
1.
Des Menschen Heyl, dats heel, of Saligheyt, is goetheyt in Lijf ende Ziele: des Lijfs goetheyt, stercke ghesondheyt: maar der Zielen, is vereeniginghe met Gode, die self de goetheyt is.
2. Tot des Lichaams goetheydt behoeftmen Voedtsel en Decksel, maar tot der Zielen goetheyt ware Deughden: dese word by weynighen, die van veelen benaarstight ende verkreghen.
3. Ende wort de Rijckdom, voedtster van de lijflijcke nootdruft, by veelē overvloedelijck verworven, sonder dat sy daar door rijck zijn, dat is ghenoegh hebben: maar Deughde en krijght niemant of hy en komt daar door tot Godt, dats tot goetheyt, die al haar verkrijghers altijdt goet maackt.
4. Wederomme is des lichaams quaat-
heyt, Sieckte ende Kranckheydt, verselt met ghebreck, ghequel ende pijne. Die wert meest veroorsaackt door noodtdurfts ghebreck, of misbruyck des lichaams, of der dinghen die totten lichame behooren. Dit is des lijfs Onheyl ofte Heyloosigheyt.
5. So mede is der Sielē Onheyl of Heyloosigheyt, quaetheyt, t’welck is zonde, altijdt verselschapt met droefheyt, verdriet, onghenoeghen, ende ancxtigh wroeghen.
6. Maar die der Zielen ghesondtheyt hebben, derven de voorsz. quaatheydt met hare heyloose vruchten: ende hebben daar tegen de voorsz. goetheyt met desselfs Heylsaam geselschappe: namentlijck Ghenoeghte, Ruste en Luste, die in geen rouwe en verandert, t’ welck is der Zielen heel of Heyl, daar af men seyt, Heyligheyt dats Saligheyt.
7. En hier toe streckt alder Menschen doen en laten. Namentlijck tot het vermijden van dat haar quaat is, te weten Onsaligheyt, ende tot het verwerven van alle dat haar goedt is, te weten Saligheyt: ende dit op dat haar wel zy, waar toe men niet en mach komen dan door wel-doen: t’ welck gheleghen is in ’t laten van ’t quade, ende doen van t’ goede.
8. Hier toe behoeft men noodtlijck gewisse kennisse van t’quade, om dat te vlieden, ende van ’t goede, om dat te bejaghen. Nu vindtmen van alle saken ware en valsche kennisse. De valsche lieght en bedrieght, maar de ware handelt ghetrouwelijck.
9. Dit maackt dat niemandt de valsche, maar elck de ware kenisse begeert: want niemandt en wil tot sijne schade bedroghen zijn, oock de bedrieghers selve niet.
10. Loghen wert dan van elck in sijn meyninghe ghevloden, maar Waarheyt na ghespeurt. Hier opent sich nu een swarigheyt, wel de meeste zijnde onder ’t Menschelijcke gheslachte, ende is al over elf hondert Jaren by een wijs Man wijsselijck op dese wijse ghesonghen:
11. Hoe draaght de domme Mensch soo heete minne.
Om weten VVaarheyts heymelijcke sinne?
In dien hy weer, daar hy na speurt onrustigh.
VVie is, na’t gheen hy weet, om weten lustigh!
VVeet hy ‘t? dan niet, wat soeckt doch d’arme blende?
Begeert oock yemant t’geen hy noyt en kende?
VVat Mēsch mach soeckē dingē hem onkondich?
VVaar vindt hy’t? vindt hy’t schoon, hoe mach hy grondigh
Verstaan, dat dit het ding is, dat hy sochte?

iii. Capittel.

Van Waarheyts wesen.

1. 1 1 a Psal. 9. 5. Rom. 1. 18. b 2. Cor. 11. 10 c Gala. 2. 5. Coloss. 1. 3. d Psa. 48. 14 e 2. Cor. 6. 7. Ephes. 1. 13. f Psa. 24. 5. 2. Petr. 2. 2. g 2. Esdr. 9. 13. h 2.Thess. 2. 10 i Joā 16. 13. k Deut. 13. 14. Jud. 16. 17.
Van t’ ghene niet en is mach loghen zijn, mach waan zijn, maar gheensins Waarheyt. Want die is alleen van den dinghen, die in wesen of wesen zijn. Soo leestmen in de H. Schrift van de Waerheyt Godes a Van de Waarheyt Christi b. Van de Waarheyt des Euangeliums c En des Saligheyts d. Daar leestmen mede van’t Woort e. Van de Wegh f. Van de Wet g. Liefde h. Gheest der Waarheyt i. Ende van des Waarheyts dinghen k.


iiij. Capittel.

Van’t wesen der dinghen ende der selver onderscheyt.
1.
Der dingen wesen is menighvuldigh, vermits haarder ghedaanten menighte ende verscheydenheyt: blijvende des niet te min alder dinghen Waarheyt eenvuldigh, vermits hare ondeylbare Eenheyt. Ghelijck de dingen menigvuldigh zijn die vander Sonnen licht beschenen worden, hoewel der Sonnen lichte self blijft eenvuldigh ende ondeylbaar.
2. Alle ding of wesen is Geestelijck of Lichamelijck. Het Gheestelijcke is selfstandigh, als hebbende sijn wesen van sich self: of het is niet selfstandigh, maar gheeft sijn wesen van een ander.
3. Selfstandigh naamtmen het Eeuwighe ende onsichtbare Wesen, dat baart, gheboren wort, en dat voort komt. Maar niet selfstandigh ist wesen dat van ’t selfstandighe Wesen is gheschapen. Sodanighe zijn d’Enghelen ende redelijcke Zielen, mede wesende al t’ samen Gheestelijck ende onsienlijck, ende daaromme oock mede onsterflijck. 2. Corinth. 4. 18.
4. Maar al d’andere lichamelijcke dingen zijn al t’same mede gheschapen ende niet selfstandigh, Gheestelijck, noch onsichtbaar (d’onredelijcke Zielen uytbesondert) maar sichtbaar of vernemelijck mt d’ uyterlijcke sinnen, ende daaromme oock verganckelijck. 2. Corinth. 4. 18.
5. Sommige deser hebben niet dan wesen, als een Steen, eenige wesen met leven, als een, Boom: andere wesen, leven, ende ghevoelen, als een Paardt: ende sommighe wesen, leven ghevoelen ende weten, als een Mensche.
6. Onder alle dinghen die wesen hebben, heeft elck sijn sonderlinghe ende eyghen ghedaante ofte vorme. Hier door wert alleen elck van ander onderscheyden. Anders souden alle dinghen een selve ding wesen.
7. Wie en verstaat niet dat het sichtbare krancke schepsel, gheen onsichtbare Almogende Schepper en is? Dat een steen geen boom, een boom gheen paardt, een paardt gheen Mensch, ende dat Aaron geen Moyses en is?
8. D’ eerst gheboren kinderkens en hebben noch noyt steen, boom, paardt of Mensch, Jan noch Pieter ghesien, ende en moghen daaromme gheen onderscheydt deser dinghen hebben. Want sy van hare verscheydene ghedaanten gheen verbeeldinghen ofte ghelijckdanigheyden in haar onversochte ende jeughdelijcke verstandelijckheyt; noch wesende als een suyver onbeschreven papier; inghedruckt en hebben.
9. Anders ist metten bejaarden ende veele dinghen ghesien ende versocht hebbende Menschē. Want haar verstandelijckheyt, is nu beschildert met d’onderscheydene gedaanten van veele verscheydene dinghen. Daar op sy dan siende in ’t licht der memorien ofte ghedencnissen, wanneer henluyden gelijckdanige beelden verschijnen voor den spieghele haars ghesichts, de selve soo waarachtelijck voor sulcx kennen: dat hem onmoghelijck waar, siende een steen, die voor een boom, of een boom voor een paardt, of een paardt voor een Mensch, of oock Jan voor Pieter aan te sien of te kennen: maar souden noodtlijck elck voor dat het is, na sijn ghedaante moeten kennen, al waren die oock onder duysent andere, hen onbekende dinghen, voor ooghen.
10. So souden oock die jarighe Israelijten die nu xx. of xxx. Jaren de ghedaante haars Hertoghen Moysis ghekent hebbende, ende over sulcx de ware ghelijckdanigheydt of het evenbeelde van ’t ghedaante sijns wesens in haar verstandt ende gedenckenisse draghende, ontwijfelijck wel ghekent hebben ghehadt, of sy schoon hem onder hondert duysendt ander Mannen, ja onder soo veele Aarons selve in ’t licht van na by ghesien hadden.

v. Capittel.

Wat de Waarheydt is.
1. Hier opent sich nu wat Waarheyt is. Namentlijck een verbeelde ghelijckdanigheydt des wesens in den verstande. Dese is van ’t wesen alder dinghen, vander dinghen werckinghen, grootheyt, kleynheyt, ghelaat, woorden der Menschen, ende is somma, van ’t evenbeelde alder ommestanden, aan ’t wesen der dinghen klevende.
2. Na desen sinne wert oock de Sone Godes de Waarheyt selve genaamt, Joan. 14. 6. Het evenbeelde des onsienlijckē Godes, Colos. 1. 15. 2. Corinth. 4. 4 Roma. 8. 29. Dat is sulcken oprechten ghelijckdanigheydt des Godtlijcken wesens (het welck van sich self seyde: Ick ben die ick ben, Exod. 3. 14.) dat oock de Waarheyt selve van sich selven heeft ghesproken: Wie my siet, die siet den Vader. Joan. 14. 9.
3. Waaromme dat? Overmits in Christo so volmaackten ghelijckdanigheydt sijns Vaders is, dat hy met sijn Vader een is, Joan. 10. 30, 17. 21. so hy mede selve seyt. En houde hier mede ghenoegh aanghewesen ende bewesen wat de Waarheyt is: welcx kennisse meer in den Roem dan inder Waarheyt is, by veele onder alderleye ghesindtheyden.

vj. Capittel.

Tot wat eynde Godt den Mensche heeft gheschapen.
1.Men vindt nu Menschē die leerē, dat Godt den Mensche van den beginne heeft gheschapen eenighe ter eeuwigher Saligheyt, om sijn Barmhertigheyt, ende eenighe ter eeuwigher Verdoemenisse, om sijne strengheyt te toonen. 1 1 In’t boeck Ad Sycoph fol. 67. Item dat Godt den Mensche goedt heeft gheschaapen, maar dat ten verderve. Sycoph. 39.
2. Ja eenige hebben oock geleert dat Godt Adam heeft geschapen, 2 2 Calum. Nebulo. 41. omme door sijnnen Val alle de werelt te verderven, met veele meer derghelijcken. Welcke opinien het platte teghendeel met-brenghen van de Lief-hebbende aart des Scheppers, ons naacktelijck betuyght zijnde door Godes Waarheyt selve in de H. Schrifture.
3. Daaromme ick die hier voorby lijde, als wat anders voor hebbende: sonderlinghen overmits ick die nu al openbaarlijck valsch te sijn heb bewesen: als luydende teghen de Lief-hebbende Natuyre des Scheppers, ons gheopenbaart in de God delijcke Schriftuere.
4. Behalven haar uytdruckelijck getuygh, dat Godt den Mensche heeft gheschapen hem tot een Beelde, ende tot een gelijckenisse. Dat en is waarlick niet tot verderffenesse of tot quaatheyt: Want die is niet in Gode, die self de Saligheyt is ende Goedtheyt. Wat ghe-



lijckenisse hebben dees doch met het verderf ende quaadt? Dit dencke ick breeder te laten sien in seecker mijn gheschrifte vande Oorsaeckene ende Middelen vander Menschen Saligheyt ende verdoemenisse.
5. Maer al waarachtigher ghevoelen hebben hier van ghehadt d’oude Vaderen, segghende metter heylighe Schrift, de Menschen gheschapen te zijn van Gode, om haar sijnre goedheyt deelachtige te maecken, waar toe hem niet ander en heeft beweghet (soo een van den nieuwen dat selve heeft moeten segghen teghen sich selve, Institu. 1. 14.) dan sijn eyghen goetheydt ende mildicheydt. 6. Daar toe heeft Godt willen scheppen (soo d’Oudste segghen, Irenae. advers. Her. lib. 4. cap 28 &c.) vaatgens die sulcks ontfanckelijck mochten wesen, ende sich self ale een uyt-vloeyende Borne alder goedtheydt daar inne te doen vlieten, op dat sy mochten komen tot kennisse Godts, (sonder welck men Godes niet en mach ghenieten) tot onbevleckter suyverheydt (soo oock van de nieuwen schrijven) ende om te wandelen in goede wercken, die Godt daar toe bereydt heeft, Ephes. 2. 10.

vij. Capittel.

Waar toe Godt den Menschen sijn Waarheyt heeft willen kondt maken
1. De Mensche en vermagh uyt sich selfs, als van sich selve, niet goedts dencken (veele minder doen): sonder dat het goede kennen. Sonder t’goede te kennen magh’t niet verkreghen worden. Sonder dat te verkrijghen, mach niemant goedt worden, en sonder goedt te wesen magh niemandt Godes deelachtigh noch saligh wesen.
2. Ende wanter gheen goedt en is sonder Godt, die alleen slefs goedt is (Luc. 18. 19) ende des goedtheydts oorsprong : oock mede nadien Godt onsichtbaar is (Coloss. 1. 15 1. Joan. 4. 12.) ende een verborghen Godt (Isai. 45. 15.) soo wast van noode souden wy totte kennisse Godes komen, goedt ende Saligh worden: dat hy sich selve ons openbaarde, ende dat door’t middel van sijn eeuwighe Waarheyt.
viij. Capittel.
Dat Godt de Waarheydt leert ende betuyght
1.
Dat is oock Godes wille, dat alle Menschen saligh worden, (1. Timoth. 2. 4.) ende dat wy (te dien eynde) tot Waarheyts kennisse komen: namentlijck alle die’t begeeren, ende na sijnen wille bidden. (Matth. 7. 7. 1. Joan. 5. 14.
2. Godt selve openbaart dan sijn Waarheyt, die hy in de Schole des heyligen Geests sijne kinderen onderwijsende leert, door gheen ander middel dan door de Waarheyt self, of die hy betuyght door sijne Schepselen of aart der selver.

ix. Capittel

Dat Godt selve sijne kinderen Waarheyt leert.
1. In den kinderen Godes vermits des Waarheyts kennisse van sijn Woort des Levens
in de Wedergheboorte wert gheboren een goede Wille, (Philip. 2. 13) Sodanighe ist recht ernst Godes wille te doene (Joan. 7. 17) door de verlichtinghe des heyligen Gheests. (Psal. 17. 29 2. Corinth. 4. 6. Ephes. 1. 17)
2. Daar door sy haar eyghen onwijsheydt verstaan (1. Corinth. 3. 18.) nat’verstant, als na Schatten, begerelijck soecken, (Prov. 1. 4.) Gode ghenaken (Deut. 33. 3) die het Licht is. (1. Joan. 1.5.) In wiens licht sy’t Licht sien (Psal. 35. 10.) ende alsoo sijne Leeringhe van hem ontfanghen. Deut. 33. 3.
3. De kinderen Godes leeren dan de Waarheyt van Gode, haar Vader, self door sijnen Sone Christum; de Leeraar des Rechtvaardigheyts; haar Leermeester (Joel. 2. 23.) die selve de Waarheydt is (Joan. 14. 6.) in sijnen Gheest der Waarheyt.
4. Dit zijn de kleynen, die hy verstant gheeft, (Psal. 118. 130.) de goedertierenen, den welcken hy sijnen Weghen leert, (Psal. 24. 9.) den wijsgierighen dien hy Wijsheyt gheeft, (Prov. 2. 4. 5. 6.) ende de Salighen, dien hy alsoo sijne Wet leert. Psal. 39. 2.
5. Die en schrijft hy niet in harde steenen Tafelen, omme haar te overtuyghen alleenlijck: maar in ghevooghsame vleschen Herten, omme die te doen, (Jere. 31. 33.) Want hy maackte sijnen Name kondt (Joan.17. 26.) die haar alle Waarheyt leert.
6. Soo is Godr self alleen de Leermeester in sijne kinderen, ende alleen der Waarheyt Doctoor, (Aug. Conf lib. 6. cop. 6.) ende dat in sulcker wijsen, dat het niet noodich en is, dat yemandt anders ondeerwijse dese Waarheyts Leerlinghen: die alsoo van de Salvinghe gheleert zijn. 1. Joan. 2. 27.)

x. Capittel

Vruchten der Waarheyts onderwijs van Gode in sijne kinderen.
1.
Want Godt niet alleen warachtelijck leert verstaan, wat hun nodich is om weten: maar hy leertse oock gesamentlijcken inder daadt krachtelijck volbrenghen t’gheen sy behooren te doen: wanneer hy haar sulcken Herte gheeft, dat hem kent (Jerem. 31. 34.) ende weet. (Jerem. 24. 7.)
2. Want dan maackt hy oock selve door sijnen Gheest, dat sy in sijne Gebooden wandelen, (Ezech. 36. 27. sijne Rechten onderhouden ende die doen, so dat sy hem van gantscher Herten ende Zielen liefhebben (Deut. 30. 6.) ende hem dienen in Heyligheydt ende Gherechtigheydt, die hem behaaghelijck is, alle die Daghen haars levens. Luc. 1. 74. 75.
3. Sodanigh is d vrucht der krachtigher werckinghe van de Godlijcke Leeringhe in de Leeringhen die van de Meester self alsoo zijn gheleert. Want dat sy gheleert hebben, konnen sy uyt Liefden doen: soo dat het niet ledig en blijft in’t spieghelen van’t vernuftighe verstant: maar werckt altijt dadelijck door een wil-vaardighe ende wel-gheoeffende handt.
4. Neen. Sy bouwen niet dwaaslijck op het driftige zandt, maar wijslijck opden vasten Steenrots Christum, (Matth. 7. 24.) Want het zijn sijne vrienden die sijn beveelen doen, (Joan. 15. 14. Ja sijn Broeders, Suste rende Moeder self, die sijns Vaders wille


doen, (Matth. 12. 50) ende also rechtvaardigheyt doende, zijn sy rechtvaardigh so hy (Christus)) rechtvaardigh is (1. Joan. 3. 7.) dats niet in eer toereeckentlijcke Waan, maer in een wesentlijcke Waarheyt.

xj. Capittel.

Onderscheydt der Leerlinghen des Wets: inden ghenen die onder haar zijn, ende noch niet hoogher dan van haar en zijn geleert. Tis wel waar datse Liefde ghebiedt, maar sy en gheeft de Liefde niet.
2. Sy spreect tot die onder haar zijn (Rom. 3. 19.) ende eyscht, dat niet sy, maar de Wet des Gheest vermagh. Die is Geest ende Leven. Daarom geeft sy Geest ende Leven, inder geenre herten daar sy (so gehoort is) van Godeis ghegheven.
3. Dese zijn door de Wet des Geests ende des Levens in Christo; de Waarheyt; verlost van de wet der zonden ende des doodts (Rom. 8. 2.) dan wordt men vanden geest gedreven (Galat. 5. 18.) sodanige en zijn onder geen Wet, als wesende kinderen Godes (Rom. 8. 14.) ende rechtvaardigh (1. Tim. 1. 9.)
4. Doe zy de Wet niet gehoorsaamden, waren sy die onderworpen. Maar nu de Wet volbrenghende, zijn sy vry vande Wet door de Liefde Godes, die in hare herten vervullinghe is. Ro. 13. 8. 10. Gal. 6. 2. Col. 3. 14. 1. Tim. 1. 5.
5. Somma de Godgeleerde doet met lusten des Wets inhouden, siende in allen op Gode ende sijnen Naasten: maar de Schriftgeleerde bestaat met verdriet de Wet te onderhouden ende heeft sijn ooge opte straf of op’t loon, dats op sich selve, maar niet op Gode ende den Naasten.
6. Dat is een gewis teecken dat ghy van Gode zijt geleert, indien ghy doet, t’gene u is onderwesen. Maer die daar weet wat hy behoort te doen, ende niet en doet, die en heeft noch niet gheleert van Gode na de ghenade, maar na de wet: niet na den Gheest, maar na den Letter.
7. De waarheyt seyt, alle wie’t gheleert heeft, die komt (Ioan 6. 45.) wie niet en komt, die en hevet oock niet geleert, &c. als dan God leert niet door de Letter des wets, maar door de gave des Gheests: dan leert hy alsoo, dat elck t’ghene hy heeft geleert, niet alleen kennende verstaat: maar oock willende begheert, ende doende volbrengt. Aug. de gratia Christi, contra Pela, & Celest, lib . 1. cap . 13 14.
8. Die selve schrift oock, de Doctr. Christ. lib. 1. cap. 39. dit:
Een Mensche die onderstut is metten Geloove, Hope, ende Liefde. ende de selve sonder wancken behoudt, en behoeft de Schrifture niet, dan om anderen te onderwijsen. Daaromme levender oock veele sonder boecken inde woestijne.
9. So vele zy hier gestelt van t’ Leeren Godes sonder middelen anders dan de Waarheyt selve, door sijnen Geest der Waarheyt selve. Ende dat niet om der geenre willen die selve van Gode zijn geleert. Want die geens menschen ghetuyghenisse en behoeven.
10. Maar het dient alleenlijc voor anderen, die noch niet en zijn dan Schrift gheleerde, weters, ende niet doenders, vande wille Godes, ende konnen nochtans sich self vroedt make: of van anderen sich laten overreden, dat sy al
van Gode zijn gheleert ende de Waarheyt verstaan: hoewel sy die in’t minste niet en kennen, maar uyt hooren seggen daar van spreken als de blinde vande terwe.
11. En dit op hoopen dat yemandt der selver voorsz onderscheydt sich met ernst spiegelende mochte leeren verstaan, dat hy niet van Gode self, maar vande Letter gheleert is, sijn Waan valsch te zijn mocht bemercken, sijn onkunde des Waarheydt bekennen, door ghebrecx kennisse: die inden geloove begeren, van Gode leeren ende also de ware kennisse Godes inder Waarheyt verwerven soude moghen.

xij. Capittel.

Onderscheyt tusschen het Leeren Godes, ende ghetuyghen der Schepselen.
1.
Van’t Leeren Godes sonder middelen is nu wat geseyt. Vande getuygen die God ghebruyckt tot onderwijs der menschen, staatnu oock wat te segghen. Na dat eerst ter loop een weynigh verclaart zy van d’onderscheyt in desen handel, tusschen het Leeren Godes ende tusschen t’getuygen der Schepselen: welcx onkunde menigen Mensche jammerlijck doet dolen ende in dolinge volherdē, ende is op’t kortste dese:
2. Waar Godt leert, daar wort de Leergierige Mensche so geleert in Levendighe Waarheyts kennisse, dat hyt’ quade van herten haat, ende t’goede van herten lieft: daar door hy dagelijcx t’quade laat en t’goede doet, ende t’quade inder Waarheydt sterft, ende t’goede leeft. Want God, die also door kennisse der Waarheyt eerst Schept den goeden wille: die Schept ooc voorts door stadige Oeffeninge de Macht na den goeden Wille: so verlicht God niet alleen met kennisse het verstant, maar hy versterckt oock met kracht de handt.
3. Anders ist metter Schepselen getuyghenissen. Want of die al schoon Waarheydt zijn, so en baren sy niet dan een geschilderde of verbeeldelijcke, maar geen levendige kennisse. De tuygnisse brengen wel tot het Geloove, maar niet tot het weten, dits ondervindens werck. Daarom en zijn de tuyghnissen gheen noodtlijcke oorsaken van ware Hate tot het quade ende van liefde tot het goede, als de levende kennisse der Waarheyt nootlijck in alle Godtgeleerden baart, te weten sodanyge, dat sy het quade sterven ende het goede leven, ende mitsdien uyt Zondaren in Heylighen veranderen.
4. De Tuygh-kēnisse of Letter kēnisse, mag wroeghen over’r hebben ende doen van’t quade, ende t’ontbeeren ende laten van ’t goede, maar en can de ziele niet door levendigh, gesont ende goedt maken ghenoeghen. Waarom dat? Sy vermeerdt de weet-lust wel van scherpsinnighe saken: maar sy en verbetert die wille niet om t’quaat te laten ende ’t goede te doen. Sy oeffendt het lesen, maar niet het hanteren vande deughde. Datmen niet en oeffent, en leertmen niet. Daar ontbeert men niet alleen macht om t’goede te doen: maar oock onder-vindelijcke Waarheydts kennisse om ‘tgoede recht te willen.
5. So laat de Letter-kennisse of de getuygenisse, als sy alleen blijft sonder ware kennisse, een bloot Waan-weten indē weetgierigen sonder levendich verstandt ende sonder kracht om t’goede te moghen doen: als de ware kennisse door de Leeringhe Godes altijt is verselt met vyandtlijcke haat ten quaden, die dat doet ver-



laten: ende met minlijcke liefde ten goeden: die datmet lusten doet aancleven.

6. Soo dat elck daar aan sekerlijck magh weten of sijn kennisse is gheboren uyte Leeringhe Godes self, dan uyt de tuyghenissen der Schepselen: indien hy bevindt dat hy t’ quade soo vyant is, dat hy ’t om den Hemel te winnen niet en soude willen doen: ende t’goede hem so
Lief is, dat hy’t om de Hel te ontvlieden niet en soude willen laten te hanteren.
7. Maar die noch bevindt dat hem t’quaat soude lustē te doen, so hy de straffe niet en vreesde: ende dat hem’t goet niet en lust te doen, dan door hoop van eere, of loon: die sal sich self bedrieghen, soo hy waant hoogher kennisse te hebben, dan door de getuygenissen der Schepselen.

Eynde.

"""Van waarheydt"""