I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Of men waarheyt mach weten."""
"""Of men waarheyt mach weten."""



Of men Vvaarheyt mach weten.

Men vint Luydē, die mettē Academeynen allen dingē in twijfele stellen, 1 1 Siet Aug. cont. Academicos e n ad Laurentium tom. iij. fol. 36. loochenen datmen hier yet sekers mach weten: daar teghen vintmen andere die als Hippias met vermetele seeckerheydt hun Waarheyts wetenschappe van allen dinghen beroemen, de welcke (mijns oordeels) beyde zondighen, somen sal moghen mercken in dese mijne bewijsinghe, dat sommighe Waarheydt van sommighe personen door eenighe middelen gheweten mach werden. Maar want men niet so volkomentlijck uytspreken en mach als van t’ghemoet wel verstaan wert, ende de gemeen Menschen listiger zijn om t’gunt wel geseydt is ten quaden te beduyden dan selfs wat stichtelijcx te seggen, sult ghy Leser weten inder Waarheydt mijn ghevoelen te wesen, dat gheen Mensche sonder d’alghemeene ghenade Gods leven, noch veele min yet goedts dencken, willen of doen kan, ende dat oock sulcke alghemeene genade Gods in’t bysondere meer innevlietens heeft (hoewel met gelijcker ende onpartijdiger aanbiedinghe) by den genen die met naarstigheydt in vlijtigher opmerckinge, d’ontfangen ghenade getrouwelijck te wercke stellen, dan by den onachtsamen ende roeckeloose versuymers der selver. Daar beneven moet oock verstaan zijn, dat ick hier by dat woordeken Waatheyt meyne een verstant, dat het verstaan dinck ghelijck is, niet inde substantie, waar inde ghedaante des selven. 2 2 Waarheydt is Logen contrarie. Die Logen bedrieght, want sy is den dinghen onghelijcx. Waar Logē is, is een onverstandt, recht anders vā ghedaante, dan de dingen zijn. Soo danighen verstant alder gheschapene dingen is van eewigheyt geweest in Gode, voor ende al eer de selve sichtbaarlijck gheworden zijn. Want soo menighvuldige, verscheydene ende onderlinghe wederwertige dingen, haast verwert, d’een van d’ander vernielt ende verdwenen moesten zijn gheweest, ten waar sy tot eenen eendrachtighen loope gheordineert waren van een eenvuldigh verstant, elck dincx aart behelsende, ende voor de Scheppinghe ende beschickinghe der selver al in de Godlijcke alsienigheyt, voor-ooghentheyt ende voor-sienigheyt wesende. Soo sietmen oock daghelijcx dat de Timmerluyden, Schilders, ende Schrijvers de gestaltenisse vanden Huyse, het maacksel vanden Beelden, ende den sinne der Schriften in haren verstande hebben, voor ende al-eer syluyden t’huys ghetimmert, de beelden gheschildert, ende de woorden gheschreven hebben. Daar is dan Godlijcke ende Menschlijcke Waarheydt. De Godtlijcke is een eeuwigh verstant alre dinghen, der selver aart, wesen ende gedaante, niet voor ende na, huyden dus, morgen also, maar met een voor-oogentheyt alle der selver, die geweest zijn, nu zijn en noch worden sullen in een simpel aanschouwen onveranderlijck teenemalen bekennende. Van dese Godtlijcke Waarheyt werdt by weynigh Menschen yet wat ghelooft, ende by noch minder luyden yet wat geweten, door t’behulp vande redelijcke nature ende t’Godtlijcke Beeldt in ons. Maar de begrijpinge van dien in’t geheel, is het deelken in ons so onmo-
gelijck, alst mogelijck is een ure d’eeuwigheyt een druppelken de heel ze te begrijpen. Daaromme ick van dese Godtlijcke Waarheydt of verstant, als my te hooge zijnde, swijghe ende kome op de Menschelijcke en Tijtlijcke Waeheyt, d’welcke sulcx hier ghenoemt wert, over mits sy bestaat in ’t verstant van Menschelijcke dinghen, ende oock metter tijt voortkomt end einder tijt bestaat. Want de Menschelijcke Wetenschap is een ghewisse bedenckinghe, of van bevonden dingen, of van bevonden dinghen, of van dinghen diemen bevindt, of van dinghen diemen bevinden sal. Dese Menschelijcke Wetenschap der Waarheyt is ghelegen in tweereley saken, daar af d’een gheestelijck ende mette vleeschelijcke ooghen onsichtbaar, en d’ander vleeschelijck ende metten ooghen sichtbaar is, na dat de dinghen zijn die daar gheweten worden. Alsoo kan de timmerman sekerlijck weten, indien dat sijnen wille niet en verandert, ende hy t’vermoghen heeft dat binnen sekeren tijdt op sijne voorghenomen plaatse, t’huys by hem in’t verstant voorsien, 3 3 T’onverganckelijck en mach door’t verganckelijcke, dat is d’eeuwighe Waarheyt, door de tijtlijcke dingen nier verkregen werden. Plato de summo bono. 102. staan sal, ende als’t soo daar staat, dat het sulcx daar staat, ende werdt het namaels afgebrokē, dat het sulcx daar gestaan heeft. Maar t’verstant van gheestelijcke saken is een vast-bedenckinghe vande werkinghen ende ghevolghen der zielen krachten. Daar wordt verstaan wat des Menschen luste, begheerte, wille, ende ghenoeghen is: waar uyt die luste voortkomt. watter begheert of geweilt wert ende waar inne het ghenoeghen is gheleghen. Voorwaar, nadien elck Mensche van sijne lusten tot sijne wercken dagelijcx wert ghetrocken, soo dat niemandt sonder de selve yet uyt vryen willekeure begint te doene, vermagh elck door sulcke menighvuldighe versochtheyt licht verstaan, dat luste is een behagelijcke verbeeldinghe der dingen, ende d’eerste aanlockinghe tot alle vrywillige wercken, die veroorsaackt wert uyt het bedencken ofte ghedachtelijck aanschouwen van yet dat schoon ende aangenaam is ofte schijnt. Den genen, dit verstaande, mach niet verholen blijven, wat begeert is, die hy terstont, als sy uyt de voorsz. luste gheboren is, bevoelt te wesen een sweepe, spoor of prickele vande krachten sijnder zielen, ende een verlanghen om verwerven t’ gunt de luste voor soo behaghelijck verthoonende is. Maar elck Mensche verneemt wel dickmaal een hertelijcke begeerte om t’gheluste te bekomen, sonder nochtans het verwerven van dien te willen of te bestaan, ende dit overmits andere bedenckingen ofte voorbeeldinghen van groote quaden hem uyt sulcx te doene te beduchten staande. Recht of yemant begheerlijck waar met een schoone vrouwe sijn lustē te koelen, daar hem of de vreese van onyentlijcke lastige dienstbaarheyt, of van weygeringe te lijden met beschaamtheyt, of van des overspeelderssen man doorsteken te werden afschrickt. Hier mercktmen licht dat begeerte sonder wille, so luttel als wille sonder macht, een werck mach worden, ende datter groot onderscheydt is tusschen begeerte ende wille: want begeerte sonder wille en mach niet wercx bestaan, maar


so haast het begheren bewillight is, arbeydt de wille om te doen t’gunt daar door men t’begeerde meynt te verwerven. Soo verstaatmen hier dan mede wat de wille is, te weten een voornemen of toeghelaten begeerte om yet dat behaghelijck is of schijnt te verwerven, ofte om yet dat mishaghelijck is oft schijnt te ontkomen. Nu is kenlijck dat by gheenen Menschen eenigh werck gheschiedt (ten waar yemandts leden van een vreemde kracht met gewelt beweeght waren) dan deur toedoen van desen wille. Ende wanter niet en mach ghewilt werden dan uyt een voornemen of begeerte om yet lustighs te verwerven ofte yet haetlijcx te ontgaan, so moet in allen Menschelijcke wercken geschiedē een van vieren, te weten, men moet het begeerde vercrijgen of derven, of men moet het gevreesde ontgaan of daar inne komen. Dan openbaart sich t’genoegen ofte ongenoegen wat elck wat elck is ende waar uyt sy voortkomen. Want verkrijginghe van’t begheerde ofte ontkominghe van’t gevreesde baart ghenoeghen, dat is een lustighe ruste: daar teghen veroorsaeckt het derven van t’begheerde ofte t’hebben van t’ghevreesde een onghenoeghen, t’welck is een verdrietighe onruste. Dit zijn de twee gevolgen, dochteren ofte effecten van alle Menschelijcke lusten, begheerten, willen ende wercken, so dat gheen wil noch werck op aarden in eenigh Mensche en is, daar en volght of onghneoeghen of ghenoeghen uyte: Hier af wil ick breeder spreken, na dat hier eerst van den middelen, door welcke deser dinghen kennisse inden Mensche ghebooren wert, eerst wat gheseydt sal zijn, hoewel op t’cortste, soo daar van op een ander plaatse breet genoech by my gheschreven is.
Staet daeromme te wetē, dat om dese voorsz geestelijcke dinghen te kennen van noode zijn verscheyden saken, maar sonderlinge dese, als te weten, de dinghen diemen wil kennen, ghesicht, licht, opmerkinghe, overweginghe van t’eene teghen t’ander, verkiesinghe ende werckinghe. Want t’gunt niet en is, en machmen inder Waarheydt niet kennen, als het dinck dan noch al voorhanden is, moet het geaanschoudt zijn, salmen sijn gedaente weten. Maar t’aanschouwen met open ooghen op eenigh dinck in’t doncker en kan gheen onderscheydt geven, dus moet daar oock licht zijn, om t’gesien dincx ghedaante in’t ooghe des gemoets, als in eenen spiegele te verbeelden. Ontbreecter dan noch opmerckēde aandacht ende vlijtigh achtneminghe inde bedenckinghe des dincx, te vergheef sist aanschouwen in’t licht met open oogen van eenigh dinck. Desghelijcx ist mede als dit tegen dat vande redene niet overwegen en wort, welck meer goetheyts in heeft, maar dit al ghedaan zijnde ist noch altsamen onnut, indien t’oordeel dan niet en verkiest het meerder boven t’minder goedt, dit valt mede noch al verlooren moeyte, by soo verde de wille t’verkoren goedt metter daadt niet en benaarstight.
Wilmen nu sien of alle dese dinghen ter kennissen vander Waarheyt nootlijck zijnde, oock zijn in elck redelijck Mensche, men neme voor oogen een gheldtsuchtighe. Dese wert gheport door vreese van gebreck, tot de vergaderingh van veele gheldts. Die vergaderinghe is het dinck daar sijn ooghe op siet. Nu mercktmen dagelicx dat sulcken gierigen gheen ghebreck altoos en heeft van ghesicht om profijt te sien, gheen licht om die uyt schade te onder-
scheyden, gheen opmerckinghe om te weten waar inne die is gheleghen, geen vernuft om meerder voor minder profijt te bejagen, gheen oordeel om t’profijtelijckste te verkiesen, ende gheen naarstigheydt om t’profijtelijckst te bkomen. Want in allen desen mitsgaders sijnen aancleven is de Gierige een cloecke Vosse ende alder schalcken Meester. Soo dit metten geltgierighen is, soo ist oock metten Eergierigen, Staatgierigen ende Wellustigen, alle de welcke hen elck in’t sijne vernuftigh bewijsen, verstaande op een aasken t’vermoghen, den aart en t’gevolge der dingen die sy hanteren. Nu is warachtigh dat alle de voorsz en dierghelijcke geen ware, maar schijnende ende valsche goeden zijn. Want de selve inden oogen van meest elck schijnen te wesen ende oock den luyden toe te brengen, beloven een volkomen ghnoeghen haarder begeerten. Dit geven sy nochte oock eenighe van hem niemandt op aarden, ten is oock in hare machte niet. Onmoghelijck ist dat eenigh verganckelijck dinck vernoeghen mach t’gunt dat eeuwigh is. Ghemerckt hondert duysent jaren tijdts teghen d’eeuwigheyt soo luttel ghelijckenisse heeft, als een druppel waters teghens de zee, ende een puncte teghen de oneyndtlijcke circulen des Hemels. Nu zijn rijckdom, weelde, macht eere, ende diergelijcke dingen verganckelijck, daar tegen is t’ghemoet des Menschen eeuwich. Soo en moghen dese dinghen het ghemoet oock geenderleyewijse vernoeghen. Men siet oock ende elck bevind by experientie dat gheen begeerders deeser dinghen daar inne vernoeght worden. Dat meer is, men siet dat rijckdoms verkrijginghe door meerderinghe van begheerten arm (soo’t ghenoeghen, dats niet begheeren, alleen rijck is) ende door vermeerderinghe van sorge en voorstant sijnre goeden behoeftich maeckt, soo siet men oock dat verkrijginghe van moghentheyt dienstbaar ende onveyligh maackt. Overmits hy veelen moet dienen oft vreesen die over veele luyden regeert. So mede niet anders gaat het oock met de wellust, eere ende ander dierghelijcke dinghen, overmits de wellustigheyt door’t onmatighe misbruyck na een korte keteling in langer smertē, verdriet ende pijne blijft. Desghelijcx d’eersuchtighe hem door s’volcx eerbiedinghe verwanende, in d’alder schandelijckste verachtinghe gheraken. Want sotheyt en kan gheen mate houden, nu zijn sy altsamen zot die de lichaamelijcke boven der zielen, de verganckelijcke boven d’eewige, ende de valsche boven de warachtighe goeden verkiesen. Dit doen alle dese luyden, so zijn sy oock al sotten, connen geen mate ghebruycken, ende comen so door ’t misbruyck der dingen in schade, quetsinge ende ghequel.
Het verkrijgē van dit verstant of dese Waarheydt is dan gheen redelijck Mensch te hooghe nochte onmoghelijck, te weten, dat dese voorsz dingen niet en zijn de waere goeden, maar alleen valsche schijn, ende bedrieghlijcke schaduwen van dien. De mensche mach dan oock licht bekennen dat hy een maacksel is, t’samen ghevoeght van twee onghelijcke dinghen als van Ziel en Lichaam, ghemerckt daar een deel is dat beweeght en een deel dat beweeghdt werdt. Het deel datter beweeght werdt is het sichtbaar lichaam, ‘twelck verscheyden sijnde vande levendighe ziele (die ‘tbeweghende deel is) sich selfs geensints bewegen en mach. Bekent wesende dat hy soo van twee deelen t’saamen ghevoeght is, valt niet moeyelijck te verstaan dat



dese twee deelen van ghelijcker goedtheydt of waarde zijn, ofte dat t’ een deel beter is dan t’ ander. Desghelijcx dat het eene deel van selfs doot, onverstandigh, onderworpen, ende verganckelijck, daar teghen het ander deel levendich, met redelijckheyt verciert, daar door de Heere oock als sich selfs beweghende, sonder vreemde hulpe, eeuwigh ende daaromme oock het edelste, waardighste, en beste deel is. Maar want dese twee t’samen wesende een gheheele mensche zijn, heeft elck van dien, als van verscheyder aart zijnde, oock verscheyden goedt, daar toe elck uyter naturen gheneghen is: het goet des lichaams is een gesont leven, dat onderhouden wort door vereeniginge van goede spijse ende dranck matelijck ghebruyckt met decxele, de welcke ick hier dē Medecijns bevelende verlate om te segghen van t’goedt der sielen. Dat is saligheyt door vereeniginge van ’t eenighe ware goet alleen te verkrijghen. Aanghesien verstaan werdt de ziele t’lichaam in waardigheyt te boven te gaan, volght noodtlijck de kennisse, dat der zielen goeden beter zijn dan des lichaams ende daaromme oock als het beste meest te benaarstighen, oft ten minsten dat der zielen schade grootste en daaromme oock meer dan des lichaams te vluchten is. Der zielen schade werdt bevonden met een verdrietigh onghenoeghen ende wroegen. De bevinders van sulck onghenoeghen (die ontallijck zijn) moghen weten waardoor sy in sulck onghenoeghen zijn, te weten door’t hebben van’t ghevreesde, of door ‘t derven van t’ gehoopte, so voorsz is. Ende want elck t’ gequel vande verdrietige ongenoeghte uyter naturen vyandt is ende vliedet, daar teghen de luste van een stadigh ghenoeghen begheert, so is te mercken datter een recht vlieden ende begeeren, ooc een onrecht vlieden ende begeeren van dien is, overmits men siet dat sulcx van den eenen ontkomen ende verkregen, ende van den anderen niet ontkomen nochte verkregen werdt, hoewel sy beyde ghelijckelijck daar toe gheneghen zijn. Maar om te vinden datmen soeckt, behoeftmen kennisse van’t ghesochte, vande plaatse daar’t is ende vande wegh om tot dier plaatse te gheraken, met oock vermoge om daar te wandelen. Nu is warachtigh dat minder moeyten is op eenen effen rechten wegh in ’t licht, dan op een cuylighe cromme onwegh in ’t doncker te wandelen. De gemeene Menschen vermoghen alle de dagen haars levens op ten moeylijcken onwegh in duysternissen te dolen, so is geen twijffele de selve souden oock wel macht hebben omme den arbeydt vande wandelinghe des rechten weeghs in het licht te ghedooghen. Daar uyt dan volght dat gheen redelijcke Mensche vermoghen en ontbreeckt omme de rechte bane te salicheydt te wandelen. So ontbreeckt elck die in’t onghenoeghen blijft kennisse ende verstandt vande saligheydt, waar inne die is gheleghen ende hoe men daar toe komt. Hier door ist dat sy dolende oordeelen dat sy het verdrietighe onghenoeghen ontvlieden ende dit lustighe ghenoeghen verwerven moghen, door verkrijginghe van rijckdomme, s’volcx eere, machte, weelde ende dierghelijcke hier vooren verklaarde valsche hoeden, overmits syluyden verkeerdelijck wanen dat het gheldt vermach alle ghebreck, oock des ghemoets, te verdrijven ende volkomen genoegheyt te geven, dat des volckx lof vermach haare schuldighe schande te bedecken ende henluyden onwaardighe eere toe te brenghen, dat
de slaven vermoghen haaren snooden dienstbaarheyt der zotte begheerten verdrijven ende henluyden warachtighe moghentheyt gheven, ende dat het gheoorloft misbruyck van Vrouwen ende leckerheyt vermach henluyden droefheyt te verjaghen, haar hitte te verkoelen ende ghedurige vreuchde te verleenen. Alle t’welcke onmoghelijck te zijn by elck van henluyden licht bevonden wert in’t verkrijghen vande gewenschte Rijckdom, Eere, Staten ende Weelde met smertelijck onghenoegen.
Siet, so mach de Mensche, wetende wat hy begeert, te weten een lustigh ghenoeghen, ende wetende dat hem ‘tselve by de gemeente Opinie door de valsche goeden, als Rijckdom, Weelde, &c. belooft werdt, door ‘tbevinden dat hem t’begheeren ende benaarstighen van Rijckdomme, Armoede ende van Weelde, verdrietigheydt toebrenght, warachtelijck weten dat hy, het begheerde niet, maar ‘tcontrarie ghevreesde verwerft ende daar uyte oock, dat sulcke syne Opinie valsch, bedrieghelijck, ende loghenachtich is. So mach hy oock die bedrieghende Opinie haten ende hare valsche logen mistrouwen, ende by hem selven met redelijcken verstande dencken aldus: Men vindt dinghen gants contrary van aart zijnde, als Doot ende Leven, sieckte ende gesondtheydt, vande welcke indien ‘teene den Mensche quaadt is, het ander hem goedt moet zyn, als dien sieckte ende doot quaat zyn, moet oock ghesondtheyt ende ’t leven goedt wesen. Nu zijn d’inwendige goeden, wijsheyt ende Waarheyt recht van wederwertiger aart dan d’uyterlijcke goeden, zotheyt ende logen zyn. Het mach dan wel zijn, so’t begeeren vande uyterlijcke goeden my quetselijck valt, de zotheyt my verleyt ende de loghen my bedrieght, dat daar teghen oock t’verachten vande selve ende t’begheeren van de innerlijcke goeden my soude verlustighen, dat my het verlaten mynder zotheyt ende ‘tnaavolgen vander wijsheydt te recht soude brenghen, ende dat my het ongeloof vande loghen ende ’t geloove van der Waarheydt getrouwelijck soude handelen, en in somma dat deuchde s’menschen warachtighe goet is. Wat grooter behulp dese redelijcke bedenckinghe is om willigh te ghelooven t’gunt de Waarheyt den Mensche voorhoudt, of door innegheeftinghe, of door den raat der versochte wijsen, oft door vernuftige beradinge mach lichtelijcker door’t ondervinden gheweten, dan door’t hooren segghen ofte lesen ghelooft werden. Want al is sodanighen Mensche geen Waarheyt altoos bekent van haar ghetrouheydt in’t volkomen van t’gunt sy belooft? Overmits hy haren raat noyt gelooft noch gevolght en heeft, soo is hy hem nochtans bekent daar’t bevinden vande zotheyt, valscheyt ende ydelheyt sijnre voorgaande Opinie, in’t weten dat alle t’selve niet dan loghen, bedrogh ende verdrietig gequel en is. In desen state, als tusschen Hemele ende Aarde hanghende, en rust noctans geensins des Menschen onvernoeghde natuerlijcke genegenheyt totter Saligheyt maar blijft hem aanporrende sonder ophouden omme uyt sulck ongenoegen in’t genoegen te gheraken. Ende overmits hy wel kan begrijpen dat tusschen Waarheydt ende Logen geen middel altoos en is, so dat elck voortstel of Waarheyt moet wesen, of logen, ende hy nu t’gunt voorsz staat bevonden hebbende te wesen logen, deselve niet meer ghelooven, nochte door hare middelen de begheerde saligheydt niet meer benaarstighen en mach noch en wil,



so wert hy genoegh genoodtsaact de waarheyt te ghelooven ende door de middelen by haar voorgehouden, zijn gewenschte ghenoeghen te verwerven. Het is ooc niet swaar om verstaan datmen t’ ghenoeghen niet en mach hebben, so lange daar ongenoegen is inder herten, ghelijck niemant sieck blijvende gesontheyt mach verkrijghen. Het is den Mensche dan noodtlijck eerst van ’t onghenoeghen bevrijt te worden. Dit valt sulcken als voorsz is, niet met allen moeyelijck. Want ghemerckt het ondervinden hem gheleert heeft, dat het onmatigh misbruyck van leckere spijsen en schoon vrouwen hem door zatheyt quetste ende door mergheloosheydt crenckte, ende dat hem t’ verkrijghen vande begheerde Rijckdomme door vermeerderinghe van nieuwe begheerten armer maackte, soo kan hy sulcke oorsaken sijns onghenoeghens inder Waarheyt wetende lichtelijck, als t’ venijn sijns genoegens, vermijden, haten ende laten, t’ welck hem de Waarheydt leert, belovende hem door t’latē van dien, van sijn onghenoeghen ende verdriet te verlossen. Als de Mensche dan door dit gheloove des Waarheyts raat volghende, sijn begeerten tot wellust, rijcdomme, &c. selfs weygert, ontseyt ende tegen is, soo dat hy sijnen mondt na ’t natuerlijck ghenoeghen sijnder maghen gheen slicker-beetkens meer en biedt, ende boven t’ hebben vanden nootdruft der naturen gheen rijckdommen en begeert, werdt hy terstont ghewaar minderinghe sijns onghenoeghens ende verdriets, na de beloften vander Waarheydt, des hy nu daar inne warachtigh ghetrou ende oprecht in haar toeseggen bevindt: Is dit niet een verstant dat den dinghen ghelijck is? Men vint wel veele die uyt lesen ende hooren seggen schijnen te ghelooven, dat ondeuchde van ghenoeghen, maar weynigh, Ja met allen weynigh Menschen vindtmen die sulcx inder Waarheyt ghelooven ende bevinden. De
voorsz. bevonden Waarheyt en mach dan niet langhe ledigh sonder woecker ofte onvruchtbaar blijven, maar sy maackt den Mensche door daghelijcksche onthoudinge ende wederstant sijnder zotte lusten en begeertē, van dage te daghe minder Gulsigh, minder Oncuysch, minder Gierigh, minder Hoovaardigh ende minder Toornigh, want hy alle dese als bevonden voedtsters en oorsaken sijns onghenoeghens vyandt is. teghen staat, ende uytdrijft. Maar wanter niet ledighs en mach wesen, en mach des Menschen gemoet oock niet ledigh zijn, daar uyte gaan de voorsz sonden, so moet daar wat anders weder inne komen. Wat mach dit anders zijn dan het contrarie? Comter niet even soo veele gesontheyts inden lichame ende lichts inde lucht, als daar siecte ende duysternissen uytgaat? So begint dese Mensche dan allencxkens metter tijdt door een wackere oeffeninge de ghestaltenisse van Soberheyt, Cuyscheydt, Mildtheyt, Ootmoedigheydt, Lanckmoedigheydt ende van andere diergelijke deuchden, in ’t ghemoedt te verkrijghen, ende de lustige ruste, hem daar door vander Waarheydt noch Menschelijck noemen, overmidts des Menschen ooghe in ende door t’ ghebruyck van dese deuchden, noch stuckwerck zijnde, alleen op sijn eyghen baat, ghemack, ruste ende luste siet, sonder yet beters, waardighers of Godtlijckers te weten. Maar hier uyt mach hy allencxkens gheraken tot de Godlicke, in, deur ende met Gode. Twelcke hoe’t geschiedt ende hoe verde het streckt, niemant uyt ander verstaan en mach, soo ‘t alleenlijck in ’t bevinden is gelegen. Dit zy dan ghenoegh tot verclaringhe vande Menschelijcke Waarheyt, die oock van een ongeleert Heyden, so veele ter saligheyt noodtlijck is ghewislijck gheweten mach werden.

Anno 1565.

Abr. Ortel, prees niet doen voor’t beste, in’t stuck van waarschouwen van zonden ende aanwijsen ter deuchden, overmits d’onsekerheyt alder saken: Ick het doen in desen. Maar dat niet vorder, dan int’gheen elck sekerlijck wiste uyt ondervinden of anders, maar niet uyt Waan of Vermoeden, gemerct niemant so doende qualijck doen, dolen ofte een ander verleyen mach. Hy prees die veylighe rust: Ick die salige ende nutte moeyten. Niemant, seyde Coornhert, is hem self gheboren, maar oock voor een ander, als het een lidt voor ’t ander, maar t’ is de beste Mensche die den meesten Menschen nut is, ende niemandt schadelijck. Ortel. Dats soo. Maar in ’t Leeren mach men schadelijck zijn, daar men meynt nut te zijn, so meest geschiedt. C. Soo ist. Maar dat by Waners of Waanweters, maar niet by die waarlijck weten wat sy niet en weten ende wat sy weten, want onmogelijck is desen haar waanvoor weten uyt te geven, ende leerende of betuygende t’ gene sy sekerlijck weten, daar ende soo ’t behoort, en moghen sy niemanden bedriegen noch schadelijck zijn. O. Dat beken ick mede. Maar wie is die gene die sekerlijc weet, wat hy weet, ende wat niet? C. Houdt ghy dan dat men hier niet sekers en mach weten? O. Neen ick, maar wie weet seker, ’t gunt hy weet? C. Die
eenigh waragtigh weten heeft. Want die weter mach niet weten t’ gunt hy weet, maar moet noodtsakelijck self weeten dat hy dat weet. Mach oock yemanden die daar leeft, schrijven kan, schilderen kan, &c. verborgen zijn dat hy leeft? dat hy schrijven kan, of dat hy can schilderen? O. Gheensins, maar mach men t’ een niet wel weten ende t’ ander niet? C. Ja. O. Soo mach sulck weter van ’t eene oock dolen ende anderen doen dolen, als hy anderen leert t’ ghene hy noch niet en weet. C. Soo ist. Maar mach die weter van ’t eene ende onwetende van ’t ander ooc niet, so sekerlijck weten, dat hy t’ ander niet en weet als hy seeckerlijck weet dat hy t’ eene weet? O. Ja trouwen. C. Soo mach hy dan oock onsichtelijck laten of mijden, sijn niet weten of waan voor weten of voor Waarheydt anderen te betuygen, ende mitsdien alleen het gheweten betuygende, veelen nut ende niemant schadelijck zijn. O. Machmen t’eene oock weten sonder t’ander? C. Is ons weten hier volmaackt of stuckwerck? O. Stuckwerck, ende daarom schijnet of niemant hier yet wat warachtelijck mach weten. Want al wat vermeren mach, is niet volmaackt, ende watmen daar inne noch niet en weet, machmen in dolen. Nu is gheen menschen weten hier volmaackt, soo mogen alle menschen noch dolen ende in haar



dolinghe anderen oock doen dolen, soo ist dan oock sorghelijck ende schadelijck te Leeren ende het swijghen veyligh ende nut. C. Onnut. 1 1 Eccles. Want wien is hy nut die niemant nut is? Beter is die sijn zotheyt dan die sijn wijsheydt verberght, maar ter saken. Laat ons weten stuckwerck en onvolmaackt zijn, alst is, mach oock eenighe sake warachtelijcker gheweten worden dan Warachtelijck? O. Wat meyndy daar mede? C. Neemt dat ick warachtelijckwete dat drie, twee ende een te samen ses maken: ende dat ick na suclk warachtelijck weten negenhondert ende neghen ende taeghentigh malen voor my telle drie legpenningē ooc twee legpenningen, en oock een legpenning, elck op sijn self, die ick dan soo menighmalen telcken t’samen gevoeght hebbende telcken weder telle ende bevinde dat sy te samen uytbrenghen ses legpenningen. Ist oock moghelijck dat ick de duysentste male t’selve weder doende, meer sekerheydts mach hebben, of waarachtelijcker mach weten dan ick te voren wiste, dat drie, twee ende een t’samen ses maacken. O. Neen. C. Neemt nu dat ick myn A. B. C. can, dat ick spellen can en oock lesen can, ende dat ic alsulckx warachtelijck wete. Maar ick en kan noch gheen Grammaticam, veel min Rethoricam, ende noch minder Dialecticam. Neemt oock dat ick deese consten alle drie daar naar leere, sal ick door’t naweten van dese drie consten oock eenichsints warachtelijcker moghen weten, dat ic die Letteren, het spellen ende het lesen (al waar ‘tnu schoon al rasscher) can dan icx te vooren wiste? O. Neen. C. So mede met het voorsz. tellen, want of ick naarmaals schoon leerde weten dat 37½ met 1932/16 ende 18253/8 te samen ghevoeght zijnde, maackte een somme van 2056. het welck ick eerst noch inde cleyne getalen zijnde niet en wiste: mach sulcke toenemende kennisse vande ghetalen die eerst
cleyne maar ooc seekere en ware kennisse, oock eenichsints onseeker ende onwarachtich maacken? O. Neen. C. So blijcket nu warachtelijck dat elck sijn stuckwerck seeckerlijck ende waarachtelijck mach, ja moet weten, of hy schoon ’t gheheel niet en weet, ende oock dat elck daar inne getrou wesende, soo dat hy blijft binnen sijn weten, sonder daar boven te gaan inden Wane die onseecker is, anderen warachtelijck, veylichlijck ende nuttelijck, van sulck sijn stuckwercksche ofte cleyn weten mach onderwijsen. Want ghelijck het weten van dat cleyn tellen maar een stuckwerck is vande volmaackte conste van tellen, also is oock het wel kennen vande Letteren ende van het spellen een stuckwerck van’t lesen, ende het lesen met d’ander twee in sich een stuckwerck ende beginsele van volmaackte geleertheyt alder consten. Ist niet so? O. T’is. C. Segt nu, mach die teller van drie, twee ende een, sulckx anderen leerende sonder daar boven te stijgen, oock dolen in sulck tellen, ende anderen verleyden in dat? O. Neen. C. Soo en mach oock die den A. B. C. het spellen ende het lesen wel can, niemant daer inne verleyden. O. So ist, als hy by ’t lesen blijft ende daar onder. C. Recht, hy mach dan oock veylichlijcken ander Menschen nut zijn in’t voort leeren vande Letteren, van ’t spellen ende van’t lesen. O. Hy mach. C. Die dan anderen nut mach zijn, ende niet en is om sijn selfs nut of veylighe rust, is een onnut lidt aan ‘tlichaam, eet sijn broodt metten Wespen onwaardelijck in dese werelt. Hy doet onrecht ende sonde om sijn eygen nut door ’t versuymen van eens anders nut, en dit was’t dat ick wilde seggen, &c. Dits de sinne van onsen ghesprake gheweest, niet die eygen woorden, daar onder oock waren die Woorden van sijn moeyten met het Caart-boeck, of hy daar met ander luyder nut, dan alleen het sijne hadde ghesocht.

Eynde

"""Of men waarheyt mach weten."""