I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Of de deughde selfstandigh, dan door een toeval is."""
"""Of de deughde selfstandigh, dan door een toeval is."""


Of de Deughde selfstandigh is, dan door een Toeval is.

Is sy zelf-standigh, zoo en is zy in den Mensche niet gheworden, maar was oydt van self buyten ende sonde dē mensche, ghemerckt de Mensche niet self-standigh en is, dat is, dat hy niet van selfs, maar in Godes kracht bestaat. Oock is de mensche begonnen, ende moest daaromme de self-stanghe Deughde (die eeuwigh moet zijn) mede begin gehadt hebben, by aldien zy in den begin hebbende Mensche eerst geworden ware.
Dese selfstandige Deugde, altijt geweest sijnde voorden mensche, moet dan dē mensche inder Gheboorten inne gheplant, ofte namaals inne gestort syn, by aldien sy inden Menschen is.
Is dese selfstandighe Deughde die volkomen ende ondeylbaar is, dē mensche inne geplant, so moet de mensche ooc eerst geborē en noch kints zijnde, hebben niet alleen mogelijcheyt ter deugden, maar ooc de ondeylbare volkomen Deughde selve, ghemerckt de volkomen dinghen geen aanwas of vermeerderinghe en mogen lijden.
Indien nu sulcx waar, so mosten alle menschē niemant uytgenomen, deugdelijc wesen vander kintscheyt aan, ende oock deugdelijck blijven al t’leven deure sonder immermeer ondeugdelijck te werden, overmits in allē menschē vandē dag der geboorten aan, of van des Leven beginne af, geplant soude wesen de volkomen Deughde, want dat volmaacktse niet afnemen, ende de Naetuerlijckheyt van haar inplantinge (so luttel als t’Vuyr sijn Lichtigheyt of dáarde haar zwaarheyt) niet vervreemden en mach.
Maar datter onder Jongen ende ouden vele Quaede Menschen zijn, blijct al te waarachtig. De selfstandighe Deughde en schijnt dan den Mensche niet inne geplant te zijn.
By aldien dese Deughde den Menschen inne ghestort wert, soo moet dat oock gheschieden niet inde Kintscheyt, want die gheen Wijsheyt, Sterckheydt &c. en heeft, maar in der manheyt ofte Outheyt.
Oock mede want zy ondeylbaar is, soo en soude zy niet aan deelkens, maar t’eenemaale ende volkomelijck in den Mensche gestort mogen zijn, en moesten also de menschen in een oogenblick uyt Zotten in Wijsen, uyt Onrechtvaardighe in Rechtvaardige &c veranderen.
Boven alle dat, soo moest zulcke innestortinge buyten of met des Menschen bewilliginghe geschieden.
Geschiet die buyten smenschen verwilligen, wie sal dan om sijn deughtsaamheyt te prijsen, ofte om zijn ondeughtlijckheyt te lasteren of te straffen zijn voorwaar niemant. Want deugtlijck of ondeuchtlijck te zijn, en is dan niet willigh, maar een nootlijckheyt.
Indien dese instortinghe der self-standighe Deughde inden Mensche, dan oock gheschiedt met zijnen wille, zoo wil de Mensche alsdan wijslijck in sulck verkiesen ende ontfangen van t’alderbeste: dits Wijsheydts werck, so heeft de Mensche dan oock de wijsheydt al eer hy de Deughde heeft. Dit en mach niet wesen, ghemerckt hy dan de Deughde soude moeten hebben al eer hy de Deughde hadde, wandt Wijsheyt Deughde is.
Wt alle t’welcke schijnt te volghen dat de Deughde dē Mensche noch inne geplant, nochte inne gestort en is, ende eyndtlijck mede dat de Deughde die Inden Mensche is niet self-standigh en is, Maar een Toeval, te weten gheen wesen, maar een Ghedaante of gestaltenisse des Ghemoedts of der Zielen.
Aanghesien men Oock gheen Verstandighe kintscheyt en vindt, soo is licht te mercken (als voor inde selfstandighe Deught geseydt is) dat ons dese gedaante niet aangeboren en is.
Dese Deughde moet dan metter tijt haar gestaltenisse gekrijgen in sMenschen gemoedt, ende dat of door Leeringe, of door Oeffeninge, of door beyde.
Eerst is de Leeringe sonder Oeffeninge een ydel, onnut en onvruchtbaer beelde, van d’Apostel wel by de gedaanten-Spieghel geleken, zy ontsteket Herte wel wat, ende maeket wat lustigh, maar ten zy sake dat zy in een hongerigh gemoedt komt, t’welck de Leeringhe niet alleen en ontfangt, maar oock gade slaat, nae-denckt, erkauwet, ende den Mensche door’t dicmaal lustigh verbeelden vander Deucht, oock tot hare oeffeninghe, ondervindinghe ende wellustighe smaack van haere aldersoetste Vruchten brenget, so is sy’t Zaet op eene steen gevallen, dat in d’eerste aanvechtinghe verwelckt.
Dits d’oorsaecke daar door eenighe schijnen vander Deughden af te wijcken ende die te verlaeten, t’welck nochtans (soo volghen sal) inder Waarheydt niet en magh gheschieden.
Voorwaar alle Jonckheyt (so voorsz is) is onwijs, alle Zotheyt doolt ende misbruyckt den dingen want zy die haren aart ende eyndē daar toe die dienen, niet en kent.
Sotheyt is in des kints Hert tsamen gebonden.
Onverstant doet dolen in sVVerels paden:
Dolinge pynigt het gemoet met droefheyts wonden
Pyne soeckt genesinge tot allen stonden,
De soeker vint Gods VVaarheyt bereyt om raden
VVaarheyt doet Godt boven al beminnen.
Liefde Gods wandelt gehoorsaam in Godspaden
En bemint den Broeder met herte, met sinnen,
Tis een Christen, die dit in hem kan vinnen.
Soo komt elck door onverstant in’t quaede ende gewoonte van dien, d’een van Hoerderye, d’ander van Gulsigheydt, de derde van Ghierigheyt, en elck vā t’gunt hem meest aanlacht.
Dese onverstandighe hoorende der Deughden Leeringhen met haar Loon ende lieflijcke Vruchten, gelooven by-wijlen sulcx waarachtigh te wesen, en souden der Deughden vruchten wel willen maeyen sonder arbeydt van de uytroedinge der Ondeughden te ghedoogen, en beginnen wel vromelijck ghelijck oft henluyden met Herten ernst waar.
Maar bemerckende dat sy niet tot die suyvere Kuyscheydt en konnen komen sonder de Hoerderije te verlaten, niet tot de gesonde Soberheyt sonder vander Gulsigheyt te scheyden, noch niet tot de loflijcke Miltheyt sonder van de Gierigheyt te wijckē, beginnen sy terstont te slappen in haar voornemen, want sy noch onverstandigh zijnde, yet goets en lustighs in de voorsz zonden wanē, daar door henluyden t’begeven van dien swaar schijnt, en oock vermits


syluyden door de algemeē Erfzonde en Helsche opinie de verlatinge van dien onmogelijck achten, ende daaromme gheen verlooren moeyten (soo henluyden dunckt) bestaan en willen.
Doch vindtmer sommighe die niet allen volstandigh schijnen in eenighe Deughden, maa dat nochtans tot een onrecht ende onverstandigh eynde ofte valsche meeninghe, blijvende niet te min in ander zonden.
Want die des volcx Eer boven allen bemint, sal mildelijck geven, die een oneyndtlijcke vermeeringhe zijns ghelts soeckt, sal soberlijck leven, ende die eenen deughdelijcken Name begheert, dal d’Ootmoedigheyt aankleven.
Maar om mildt te mogen schijnen, sal sulcke Gaafrijcke geē valscheyt ontzien int verkrijgē, de Gierige sal ooc liever zijn Broeder latē vergaē dan zijn gelt minderen, en die Hypocrijt sal niet schromē der vromē Name met achterklap te bevleckē om zijn schijn meeren. Daar zietmen dat sy den schijn boven t’wesen der Deugden beminnen en verkiesen, soo en kennen zy ooc de Deugde niet, soo en begeren, zoecken, vinden noch vercrygē sy die niet, so en verlatē sy die ooc niet als zy de schijn al verlatē, so voor geseyt is.
Sulcke geloovers hebben dan niet dan een onnutte, onvruchtbaere ende ydele opine of waan vander deught, zonder eenighe waere werckinghe van dien.
Ten tweeden blijckt dat de Deughde door oeffeninghe sonder eenige uyterlijcke Leeringe in den Menschen mach zijn, ende dat by d’Apostels woorden totten Romeynen, daar hy zeydt: Dese geē wet hebbende, zyn henselvē eē wet, &c. 1 1 Rom 20
Ten denrden vindtmen oock Menschen die door uyterlijcke Leeringhe begheerlijck ter Deughden ontsteecken zijnde, vuyrighlijck daar nae arbeyden in gestaedige oeffeninghe, komende ten laatsten door’t Gheloove in’t versoecken tot waerachtich weten.
Dese leeren meer met oeffeninge in een ure, dan al de Werelt door Duysent Predicatien in Duysent Jaeren, want die uyterlijcke Leere baart maar een twijfelijcke Waan, maar dese bevintlijcke een zeker weten.
Dit zijnse die bevinden dat oodtmoedigheydt veylight, dat Rechtvaardicheydt bevredight, ende dat Waarheyt bevrijt: en genieten also met weelden henluydē vruchtē, welcker lieflijcke soetheyt henluydē doet walgē vā alle de schijnlusten der sondē, die zy al te voorē bevondē hebben te wesen Galle met Honingh overstreecken.
Wat zoude zulcke ondervinders dan van de bekende lustige minnelijke getrouwe ende schone deuchde, weder tot de bekende verdrietighe, haetelijcke, valsche ende lelijcke Sonde moghen trecken? Voorwaar niet altoos, niet isser dat des vermach, maar sy stijghen altijdt met Vreuchden voorts van d’eene klaarheydt ende Deughde in d’andere, ende gheraken alsoo door de Deughde tot d’onsterflijckheyt.
Hier openbaart sigh de gront-twijfele deser questien, te weten hoe dat dese Deughde in den Menschen door oeffeninge begonnen zijnde, den Menschen onsterflijck kan maken, t’welck noch tans door haar moeste geschieden, gemerckt (so voor schijnt) d’eeuwige self-standighe Deughde inden Menschen niet en is.
Mach dan tijtelijck Deughde eeuwigh loon en een wesētloose gedaāte eeuwig wesen geven?
Dit schijnt nochtans de Schriftuere ende ooc der Philospohen Leringe te betuygen.
Antwoorde. In den Menschen werden bevonden tweederley Aardt van Deughde, d’een Godlijck. d’ander Menschelijck. De een is selfstandich buyten ende sonder den mensche, ooc in allen Menschen, door wiens kracht de Mensche geworden is, ende inden welcken alle Menschen, oock alle Creaturen bestaan, ende en is niet alleen Godtlijck, maar Godt selfs. 2 2 Rom. 11. 36 D’ander is een ghedaante des ghemoedts, niet zonder noch buyten den Mensche bestaande, ende een Menschelijcke Deughde, hoe-wel niet in ons sonder behulp, genade, ende gave vanden Vader des Lichts, die ons mette Redene ende anders verciert heeft. Doch machmen dese eenichsins te recht menschelijc noemē, overmits sy (so voor staat) niet en is sonder noch buyten den Menschen, komt ooc niet sonder bewillinge vandē Menschen ende en is ooc niet in alle menschen.
Dat de Godtlijcke Deughde selfstandich is, als wesende twoort Gods ende Godt zelve behoeft niet bewijsens. Doch op dat dese maniere van spreken niet vreemt en schijne, so leestmē dat de Conincklijck Propheet seyt: Ghy (Heere, 3 3 Psam. 70. 5 zyt myn lijtsaemheydt. 4 4 Psalm. 70. 2 Item, In u rechtvaardigheyt (dats Christus) verlost my. 5 5 a Psal 42. 2 De a Heere is myn sterckheyt. Oock Paulus van Christo sprekende, seyt: Hy,is onse wysheyt geworden. &c. 6 6 1 Cor. 1. 30. Nu Loochent niemant of Lijtsaamheyt, Rechtvaardigheyt ende Wijsheyt en zijn Deugde, so moet oock Godt de selfstandige Deughde zijn.
Dat oock Christus, die Godt, Gods Woort ende alder Deughden Fonteyne is, in allen menschen is, blijckt daar uyte dat oock de Godloose Menschen Christum in henluydē self vertredē, 7 7 Hebr. 6. 60 e n ander werven Kruycen, 8 8 Deut. 30. 14 ende zonderlinge in deut. daar geschrevē staat dat het woort Gods in onsen herten leyt, ende dit meynt de waarheyt ooc, lerende vanden verborgen Schat inden Acker. 9 9 Mat 13, 44 Want die, al leytse in alder Menschen grondt, van alle Man niet gevonden en wert.
Niet dat God die so verborgen ende swaar om gevonden te werden in ons bedect heeft. O neē, het afkerē der kinderen a bederft hem, 10 10 a Prov. 1. 32 onse sondē makē eē b scheydmuyre tusschē gode en ons, 11 11 b Esai. 59. 2 en behinderen ons de vercrijginge c des goets. 12 12 c Iere. 5. 25
Gemerct wy dan al gevallen ende afgekeert zijn, so behoeven wy eerst de Leyt-sterre die by Nacht ons leydet tot de Kribbe vander Menscheyt Christi. Dese Sterre is het ongebluschte Voncxke vande Godlijcke Redene in ons, de welcke haar klaarheydt ontfanget van’t beelde Godts, de klaar-schijnende Sonne in ons, hoewel d’aarde ende aartsche lusten tusschen haar ende ons zijn.
Hoe dit Voncxken of dese Sterre ons leydet tot de Menscheyt Christi in ons, dat is tot de gestaltenisse der Deughden, die in ons allencxkens door oeffeninghe opwast tot de volkomen Ouderdomme Christi, 13 13 Galat. 4, 19 ende ter tijdt toe Christus in ons gheformeert wert:Item hoe wy door t’stuckwerck, dats door benaarstiginghe van ons eyghen Saligheydt in den deelen, ten laetsten gheraecken tot de Liefde van elckx Saligheydt, oock met willighe verkiesinge van d’onse, als in Moyse, Christo, ende Paulo gebleken is in de volkomentheydt, ende hoe wy door desen Middelaar, 14 14 2. cor. 5. 16. die wy eerst naden Vleesch namaals niet meer alsoo,, maar nae zijn Godtheyt kennen, geraecken in Gode de selfstandige Deughde, int eenige Een, dat alleen van noode is, wil niet hier, maar elders gheseyt zijn. ende acht hier genoegh geseyt van d’onderscheyt der selfstandighe ende toevallighe Deughde.

Anno 1565.

EYNDE.

"""Of de deughde selfstandigh, dan door een toeval is."""