I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Vande wedergheboorte, hoe die gheschiet,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1632."
"""Vande wedergheboorte, hoe die gheschiet,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1632."


Vande Wedergheboorte,
Hoe die gheschiet, ende waar by de Mensch sekerlijck weten of die in hem is gheschiet of niet.

Ioan. 3. 3.

Voorwaar, voorwaar segghe ick u, ten sy dan dat yemant Wederboren zy, hy en mach het Rijcke Godts niet sien.

D. V. Coornhert totten leser.

Ioan 12. 24.
Ist soo dat het Terwen Korentgen goet
Gheen Vrucht altoos en voet.
Maar alleen blyft, tot dat het verrot en bederft:
Wat salmen doch goets hopen naar wensche.
Vande Quaden Mensche.
Joan. 3. 31
Soo langh hy zijn Quaatheyt niet inder Waarheyt Sterft
VVat baat na tRycke Godts veel te Sporen
Die niet wert herboren.
1 Petr. 2. 24.
Tquaat moetmen Sterven eermen tgoey Leven verwerft.
Isai. 65. 20.
Want gheen blyvende Zondaar Godts Rycke be-erft.


Tot Amsterdam ,
By Jacob Aertsz Colom. Anno xvjc.xxxij.


Aen den eer-achtbaren ende voorsienighen Nicolaas van der Laan, Burghemeester tot Haarlem.

DIe Vrundtlijcke kennise tusschen u E. waarde Heere ende vrundt, ende my, en is niet jong, So en is oock u E. jonste, aan my bevvesen niet kleyn. T’vvelck vvel is tusschen meer anderen van eenerleye ghesintheyt zynde: maer selden tusschen Luyden die in saken des Gheloofs niet heel eens en zyn. Dit is tusschen ons beyden sulcx: Ende dit toont dat u E. gheen ding minder is dan partydigh. VVelck bevinden, beneven andere vvichtige redenen, my heeft veroorsaact u E. toe te schrijven dit mijn gevoelen van de VVedergeboorte: vvesende sodanighen sake, dat in’t hebben van dien Saligheyt, ende in’t derven Verdoemenisse is gelegen. Soo hier inne nu vvat mochte sijn dat u ten goeden vordert, het sal my hertelijck lief sijn, als die dan mijn Vrunt nut ben. Maar is dat niet, ende bevindt u E vvat onrechts daar inne, het aanvvysen ende bevvijsen van dien sal my nut te sijn, hoe vele te meer uvve Vrunden, onder den vvelcken u E. my oock telt. Ende sal u bescheyden bericht my hooch aangenaam sijn, als komende van mijn Vrunt in vvien ick vinde groote onpartijdigheyt, met geen kleyne kennisse van Godtlycker saken, Leest daaromme, Vrunt, met opmerckinghe, Oordeelt met kennisse der vvaarheyt end bericht van dolinghe (vindyse hier inne) met bescheydenheyt.

V. E. Dienstwillighen Vrunt
D. V. Coornhert


Aan den Goethertighen Leser.

Overmits alle natuerlijcke gheboren Menschen onverstandigh ter Werelt komen, door onverstandt van der Jonckheydt aan, jammerlijcken dolen, ende door sulck dolen verde ontweghen van Christo Jesu, den waren Wegh ten Leven-waart. Hebbe ick altijt voor’t eerste, om Saligh te werden, noodigh gheacht, dat die verdoolde Mensche ware kennisse mochte krijghen van zijne dolinghen. Want het even soo onmoghelijck is dat yemant zijne onweghen, sonder die voor sulckx te kennen, met ernst soude verlaten: als dat yemandt in zijne onweghen volherdende gheraken soude moghen opten rechten Weghe, buyten welck niemant ter Saligheyt en mach komen. Dit is d’oorsake gheweest, dat ick tot noch toe meer om die dolinghen kondt te maken, dan om ten rechten Weghe aen te wijsen, ghearbeyt hebbe ghehadt, achtende dat de afbreck van’t Quade ghebou noodtlijck voort wel bouwen den voortganck behoorde te hebben. Maar vernemende dat eenigh t’zelve ten Quaatsten beduyden, als of ick meer lusts hadde een anders doen te berispen, dan middel om aan te wijsen tot verbeeteringhe van t’selve, hebbe ick mits desen sodanighe henluyder eyghen, aanghenomen arghernisse (soo veel in my is) voorkomen, ende elcken voor Ooghen stellen willen mijn ghvoelen vande Wedergheboorte, sonder welcke niemant het Rijcke Godes sal sien. Hier af hebbe ick weynich schrijvens ghelesen, t’welck soo’t my hadde vernoeght, ick nu noch geswegen soude hebben. Elck die der Wedergeboorte in Christo deelachtigh is, sal oprechtelijck van dit mijn ghetuygenisse mogen Oordeelen, maar niemant anders Soo nu yemandt wat beters ier af verstaet, die mach sulcx (duncket hem goet) in’t licht geven. Soo wil icks, versta icks oprechter dan dit mijn seggen, met blijder Herten aan-nemen, ende allen anderen van mijn Naasten geschiet dit mijn Schrijven. Twelck ock als een kleyn Sterreken in dese duystere Nacht des Onwetenheydts hertelijck wensche verdonckert te moghen worden door yemandts oprijsenden Sonne-ghetuygh. Saligh zijnse, dien de Sonne der Gherechtigheyt schijnt, die in den Lichte wanderen, ende in dat Licht (t’welck Christus is) Gode zien. Dit alles moet de Vader des Lichts u (O ghy Licht-ghierighe Lesers) dpoor’t ware Licht des Werelts Jesum Christum onsen Heere verleenen, ende oock mede my u alder
Dienstschuldighe
D. V. Coornherts.
Die dit schreef Anno 1581.


Vande Wedergheboorte, hoe die gheschiet, ende waar by den Mensch Mach sekerlijck weten of die in hem is geschiet of niet.

Eerste Capittel.
Wat die Wedergheboorte is.

Dat de Wedergheboorte niet anders en sy dan een ware Doodinge van s’Menschen quade, ende Levendmakinghe van Godes goede Leven inden recht boetvaardigen Mensche, en behoeft geen bewijs, gemerct elc den Evangelium maar eenmaal doorlesen hebbende, sulcx gaarne zal belijden. Dese gheschiet hier inder tijt, ende heeft daaromme oock drye tijden, als een die voor is, een die teghenwoordich is, ende een die na is. Welcx niet verstaan allen onderscheyt wech neemt, ende hier inne sorghlijcke verwerringhen ende dolinghen veroorsaackt in veelen die te recht vanden Propheten eñ Christo berispt moghen werden, dat sy hier inne den tijt niet waar en nemen, nochte op en letten.

ij. Capittel.
Vande Onboetvaardight Zondaar.

VOor die Wedergheboorte is de Mensch een Godtloos of een 1 1 Eerste tijdt voor de Wedergeboorte Prov. 2. 13. Sondaar. De Godtloose verblijt hem als hy Quaat ghedaan heeft, ende is vrolijck in die alder quaatste dinghen. Alsoo ist niet metten Sondaren die met wroeghen droef zijn over t’Quade by hen bedreven. Nu is oock alle Sondaar boetvaardigh of onboetvaardigh. 2 2 Luc. 18. 13. Desen Staat die alghemeyne ghenade Godes noch al mede open, soo langhe sy inder tijt zijn. Oock heeft dese Onboetvaardighe Sondaar noch ghevoelen van’t onghenoeghen zijns ghemoets, dat ontberende het woort des Levens 3 3 Matth. 4. 4 (d’welck der Zielen voetsele is) hem onophoudelijck quelt met eenen onrustighen honghere ende knagende wroeginge, 4 4 Esai. 57. 21. 48. 22. want dese als oock de Godtloose geenen vrede en heeft: oock quelt hem de smertelijcke quetsinghe van’t misbruyck alder dinghen, ghemerckt men sonder ware kennissen der dinghen, de selve niet recht en mach ghebruycken, ende alle misbruyck nooftsaeckelijck den misbruyckere moet quetsen. Nu wandelt den Sondaar, als oock de Godtloose in duysternissen ende op onweghen: 5 5 Prov. 2. 13. kent daarom oock niet den dinghen die hy handelt, misbruyckt die ende Quetst hem selve aan den goeden Wijn, aan Vrouwen, aan Ghelt ende aan allen goeden Schepselen. De Sondaar dan dit onghenoeghen, dit wroeghen, desen onvrede ende smerte met treuren bevindende, mach zich bedaren ende verstaan, dat die goede Godt hem tot zulcken ellende niet en heeft gheschapen, ende dit noch al door’t middel ende recht ghebruyck van zijn Natuerlijcke redelijckheyt in deser wijsen: datter een is die alle dinghen geschapen heeft wijselijck, ende de selve noch eendrachtelijck beheerschapt, overtuyghen my de gheschapene dinghen ende der selver eenparighe ordeninghe klaarlijck: nu moet de makere oock beter zijn dan’t maacksele: soo is Godt mijn Schepper oock beter dan ick. Nademaal ic dan geen kinderen soude willen teelen, ten eynde de zelve in ellenden souden leven: hoe veel min soude God, die beter is dan ic, sulcx willen doen? Also mach hy mede dencken, nademaal ick mijn kinderen niet ongestraft en late, als sy tegen my misdoē: hoeveel te min sal Godt my van mijne sonden teghen hem ongestraft laten. Siet daar blijct dan moghelijckheyt in den Onboetvaardighen zondaren, om te komen tot hope van een saliger leven ende tot de vreese Godes, 6 6 Prov. 1. 7. die van alle wijsheyt het beginne is. Hier opent hy zijne oogen, verstaat zijne duysternissen, eñ neemt voor, 7 7 Eze. 2. 6. Jere. 4. 18, 2. 19. sich te begeven onder t’gebiet vanden Heere, wiens voorkomende genade zulck ongenoegen, wroegen, 8 8 Luc. 15. 17, 18. onrust eñ swerte als doornen is stroyende opten onweghen der verdoolden Ziele, 9 9 Sap. 11. 13. 14. 17. etc. omme alsoo oock den Sondaren tot hem te trecken.

iij. Capittel.
Vanden Slachvresende Knecht.

SOo wert uyt een onboetvaardighe een boetvaardige sondaar, te weten eerst een knecht, ende voorts een Huyrling inden huyse Godes. Dese Knecht haat de straffe die Rechtvaardigh ende goet is, ende lieft de zonde die onrechtvaerdich ende quaat is, ja hy haat oock in sijn herte de strafdreygende Wet ende Wethever selve, als een hinder van’t volbrenghen zijns gheliefden quaats. Ende want hy quaat doet, 10 10 a Mala. 1. 6. a vreest hy sijnen Heere, 11 11 b Rom. 8. 15. heeft den gheest der b dienstbaarheyt inder vreesen, vliet den Thoorn Godes, weet c niet wat zijn Heere doet, 12 12 c Joa. 15. 16. ende en blijft d een knecht blijvende! 13 13 d Joa. 8. 36. niet eeuwelijcken metten Kinderen inden Huyse Godes. Want hy ontbeert Liefde, 14 14 e I Cor. 13 e sonder welcke niemant en mach Salich zijn. Maar het is mogelijck, ja het ghebeurt dickmaal, dat hy na zijn misdaat, bevindende zijns Heeren goedigheyt, so in’t genadelijck straffen als in’t bermhertich vergeven, de selve sijnen Heere begint soo vele toe te betrouwen, dat hy t’ quade latende eñ t’goede doende, van den Heere genadelijck met vereeringe van loon beschonken soude mogen werden, al niet tegenstaande hy wel weet dat hy zelve met alle t’zijne des Heeren eygendomme is, eñ dat sijnē Heere niet goets van hem gheschieden, of te yet nuts van zijnen handen ontfangen mach. Door welcke ondervindtlijcke kennisse, met duysentreleye beloften inder H. Schrift van belooningen onderstut zijnde, hy op sijns Heeren goedigheyt begint te gekrijge een vast toeversicht van gheloont te werden, indien hy voorts aan wel doet. Also stijcht hy allencxkens uyt den knechtelijcken state opwaarts, ende wort verandert uyt een Slachvreesenden Knecht in een loonsuchtich Huyrlingh.

iiij. Capittel.
Vande Loonsuchtighe Huyrlingh.

DEse en laat niet alleen het quaadt uyt vreesen vander Hellen, maar oock uyt vreesen vande ghehoopte Hemel te missen Also is inden Huyrlingh noch oock vreese soo wel als in den knecht maar minder. Desghelijcx was inden Knecht oock hope, maar minder dan in den Huyrling. Want des Knechts hope sach eerst niet hogher dan om de straf te ontgaan. Dese is noch mede inden Huyrling, maar daar by is hope van loon ghekomen die inden Knecht niet en was, ende is mitsdiē hier de vrese gemindert


ende de hope vermeerdert. Nochtans en bemint dese Huyrling oock niet den Heere selve, maar wel des Heeren loon. Mochte hy maar dē Heemele verwerven, so hadde hy zijn wensche, al en waar daar oock (dat niet zijn mach) gheen Godt inne, want niet de Salighmaker, maar de Saligheyt is zijn opperste goedt ende Godt. Dees dient hy vlytelijc, maar zijn arbeyt wert hem suyr, want hy ontbeert (soo wel als de Knecht) Liefde, die alleen allen arbeyt licht maact, ja oock het Juck Christi selve, 1 1 Mat. 15. 42 dat in alder knechten eñ Huyrlingē oogē zwaar schijnt.
Wil nu yemant weten of hy Knecht of Huyrling zy, hy vrage hem selve maar, waarom hy t’quade doet? Ist straf ofte loon: daar blijft gheen twijfel meer, te min noch als hy bevinft (soo nu elck meest antwoort) dat hy t’quade laat eñ t’goede doet om dat Gode dat verbodē eñ dit gebodē heeft. Die dit antwoorden, meynen al wat verder te zijn, eñ mercken niet dat dese gewaande deckschande haar schãde ontdect. Want laten eñ doen sy’t om dat het bevolē is, so bekennē sy selve dat sy t’quade niet en latē uyt hate, noch t’goede niet en doen uyt Liefde. Sy ontberen dan de Liefde, voorneemlijck inder Wet ghe-eyscht zijnde, eñ want dese luyden onder de Wet zijn, 2 2 Rom. 3. 19.de wet spreect tot den ghenen die onder de wet zyn, soo ist henluyden onmoghelijck te volbrenghen des Wets eysche, t’welck Liefde is, die sy ontberen.
Des niet teghenstaande moetmen hier niet vertwijfelen, vertraghen ende staande blijven, maar ordentlijck inde Heere arbeyden om hooger te stijgen vā desen trappe. Want dit al mede een trappe is om tot Gode te komen, so geschreven staat: Die tot Gode wil komen, 3 3 Hebr. 11. 6. moet geloovē dat God is, eñ een beloonder der geenre die hem soecken. Niemant en verachte noch en verwerpe dan desen middele, maar niemant en blijve ooc altijt daar inne staan. Dit doet geen getrou ende vlijtigh Huyrlingh. Maar bevindt Godes goedigheyt soo mildt, dat hy oock dickmaals beloont het ghene noch nergens na wel gedaan en is, eñ t’gunt wel gedaan schijnet altijt 4 4 tekening vingerwijzing rijckelijck beschencket boven zijne beloften. Daar begintmē dan t’ooge op te beurē vander gavē tot des gevers goedigheyt, die hy metter tijt so overvloedigh, hooghwaardigh, schoon eñ edel verneemt eñ kent in de ondervindtlijckheyt dat der gavē waardigheyt in zijnē Oogen verduystert, eñ des gevers waardige goetheyt zijn gezichte so verklaart eñ tot zich treckt, dat hy zijnē gevere (Godt) begint te lieven bovē zijne gavē, eñ dat nu niet meer om zijnder gaven wille, maar om zijn selfs schoonheyt, edelheyt ende onwaardeerlijcke hooghwaardigheyt.
Sodanighe Menschen also het snoode van’t dierbare recht onderscheydende, 5 5 Jere. 15. 19. werden als een mondt Godes, want sy werden aangename getuygen zijnder Waarheyt. Dan beginnen sy elck ding na waarde te beminnen. 6 6 Catic. 2. 4. Want Godt in dese Ziele de Liefde soo wel ordonneert ofte schicket, ofte hem met zijn Liefde soo leydet, dat hy den Scheppere boven al, eñ den Schepselen om des Scheppers wille beghint lief te hebben. Hy lieft verganckelijcke dinghen met verganckelijcke, eñ eeuwige dingen met eeuwighe Liefde. Daar dit inder waarheydt is, verdwijnt alle rouwe. Want sterft het geliefde, t’zy kint broeder, man, of vrundt: de Liefde sterft met het vergancke’ijcke gheliefde: sulcx datter gheen Liefde meer levendigh blijft na sterven van’t geliefde, die door’t ontberen van’t geliefde den liefhebber mach quellē Eñ want Godt nemmermeer en mach sterven, soo en sterft oock nemmermeer zijn Liefde inden Mensche daar sy eenmael recht levendigh is gheworden, ende heeft mitsdien sulck Liefhebber in dese Liefde eñ het eeuwigh ghenieten van dit hooghwaardighste, edelste eñ alderschoonste geliefde goet, dat allen zijnen Liefhebberen altijt tegenwoordigh is, een eeuwighe, onsterflijcke eñ oneyndtlijcke vreugde, int beginne van welcke Liefde zich eyndet de eygen-soeckelijcke Huyrlingschap ende misdien oock d’eerste tijt, te weten, de tijdt, voor de Wedergheboorte.

v. Cappittel.
Van de tweede tijdt, te weten van de Wedergheboorte. Ende eerst van de ontfanckenisse.

INt korte wat (soo veele hier noodigh is) gheseyt hebbende van den dinghen die daar zijn ende gheschieden in den Mensche hier inder tijt voor de Wedergheboorte, d’welck d’eerste tijdt des Menschen is, wil ick nu komen op het gheschieden van de Wedergeboorte, dat de tweede tijt is, namentlijc de tegenwoordighe tijt vande Wedergeboorte. Dese behelst twee geschiedenissen, te weten d’Ontfanckenisse ende de Gheboorte Ick versta wel datmen d’Ontfanckenisse eenighzins oock soude mogen stellen onder den eersten tijt, gemerct die mede geschiet voor de Wedergeboorte. Maar want alle de geschiedenissen vallende inden Godtloosen, Huyrlingen ende Knechten (soo lange sy sulcx noch zijn) vreemt zijn eñ verscheyden van de Wedergheboorte, d’welck niet so, maar geheel anders is met d’Ontfanckenisse, hebbe ick de selve oock willen stellen onder den tweeden tijt.
Eñ wanter verscheyden meeningen zijn van den personen inder Wedergeboorten werckende (daar af ick nu handele) so dat eenige seggen Gode alleen sonder alle Menschelijck werck, anderen den Mensche met Gode gesamentlijck hier inne doende te weten, waar af ick by gheen van beyden partijen so vele recht onderscheyts tot noch toe en hebbe konnen bemerckē, dat ick d’een of d’andere geheelijck mach toestemmen. Is mijn voornemē daar af hier te stellen t’gunt den Heer genadelijck gelieft heeft my daar af te openbarē onder verbeteringe van verstandiger, die middel in zich bevinden omme desen Gheestelijcken eñ by na onbewoordelijcken handele klaarder uyt te spreken. Also houde ick in dese geschiedenisse vander Ontfanckenisse te zijn een werckinge Godes sonder, eñ ooc een werckinge Godes met des Menschē mede-werckinge. De voorneemlijckste Werckingen Godes in desen zijn drye, te weten Soeckē, Onderwijsen, eñ Vereenigen, geschiedende in de beschenckinghe ofte medeelinge zijns salighmakenden levens.

vj. Cappittel.
Van’t soecken Godes.

HEt soecken Godes ist eerste werck Godes in desen. Hier toe, namentlijck tot dit soecken, en doet de Mensche gheheelijck niet. Want de Mensche soo wel als een steen of bloc mach ghesocht werden, sonder eenigh zijn toedoen D’oorsake van dit soecken Godes, is oock niet des ghesochten Menschens Gesondtheyt, hoogheyt ofte deughde (dier geen altoos en is in den verloren Mensche) maar alleenlijck Godes ontfarmende Liefde, die den ghewonden nederen ende sondigen Mensche soeckt omme hem te genesen, te verhevē ende deuchtlijck te maken. Al ist nu soo dat de Mensche niet altoos en doet tot dit soecken van de voorko


mende ghenade Godes, soo wert hy nochtans niet ghevonden gheheel sonder zijn toedoen als die niet voordts wechloopende, hem willigh laat vinden van Gode zijne soeckere: Des neemt een ghelijckenisse, niet tot bewijs, maar tot uytbeeldinghe mijnder meeninghe.
De mensche sittende in een duystere keldere, die een Venster heeft dat inwendelijck is gesloten, mach door’t smertelijck ghevoel zijns blinde vallens ende stootens, oock door’t ghetuyck of hooren seggen datter een Sonne schijnt die licht gheeft inden open Vensteren, ende dat hy macht heeft om de Grendel des Vensters op te schuyven ende dat te openen, wel soo verde komen dat hy de moghelijckheyt van dese redene (een Godtlijcke gave in hem) ghebruyckende, het Venster openen, op hope van’t licht te ghenieten, ende door dien van’t stoten, vallen ende quetsen bevryet te werden. Maar al opende hy Duysent Vensteren, hy en sal gheen licht sien, indien de al-verlichtende Sonne niet en komt boven der Aarden. Alsoo zijn Venster openen niet altoos en voorderdt tot het Oprijsen der Sonnen aan den Hemele. Wederomme en kan die altijt schijnende eeuwighe Sonne der Ghenaden (die nemmermeer als de geschapen sonne onder gaat) geensins laten haar licht te stralen inden Vensteren ende Spleetjens (hoe kleyn oock) die hy open vint, ende die openen plaatsen te verlichten: Daar weder in’t tegendeel haar licht geenzins en mach komen inde plaatsen die gesloten zijn eñ blijven, namentlijc indē quaatdoenden Duysterlingen, die de duysternissen lieven, 1 1 Joan. 3. 19. 20. het beschamende licht haten, moetwilligh uyt-sluyten, eñ den Vensteren ofte oogen haarder Zielen hartneckelijck gesloten houden.
Het soecken Godes na t’verloren Schaapken, is dan alleen een werck Godes, sonder des Menschen toedoen. Maar so en ist niet met het vinden Godes, gemerckt niemant sonder sijnen wille eñ toestemminge en wert gevonden. Wāt dat Godt straft, dat is, doornen stroyet opten onweghen der verdoolde Zielen, 2 2 Eze. 2. 6. Sap. 11. 17. Spr. 7. 9 Rom. 2. 9. soo dat hy alle Sonde zijns zelfs Beudel ende boete maackt te wesen, als de Gierighe bevint met zijn onghenoeghen, de Minnaar met Herteloosigheyt, de Hoereerder met Cranckheyt, de Gulsighe met kort Leven, ende de Nijdighe met Hertknaginghe, is alles sonder twijfele een ghenadigh werck Godes, sonder alle Menschelijc toedoen. Desgelijcx mede dat Godt eeuwige verdoemenisse dreycht, ende aanlocket door beloften van loon, soo van’t Eeuwighe Leven, als van hiet inder tijt zelfs metter Deuchden komende als namentlijck de Gesontheyt met de Soberheyt, de ruste met de sachtmoedigheyt, de Vrede met de Gheduldigheyt, ende des ghelijcx meer. Maar doch is mede warachtich, dat (soo voor van’t soecken is gheseyt) sulck straffen, dreyghen, beloven ende lonen Godts gantsch onvruchtbaar blijft, soo de Mensche roeckeloos ende onachtsaam alle sulcx liet door-gaan, sonder het zijne daar toe te doene, te weten aandacht ende Opmerckinge, ende den tijt zijnder heymsoeckinge versuymt. Daaromme de Schrifture den mensche soo ernstlijck door-gaans is vermaenende tot Aandacht, Waarnemen ende opmerckinge, seggende: So hoort nu na mijn woorden, let op mijn Redenen, merckt op mijne Wetten eñ Geboden, Opent, Buyght, Neyght u Ooren, onthoudt, denckt ende bewaart mijne Gheboden, met duysent andere dierghelijcke vermaningen, die alles te vergheefs mosten gheschreven zijn, soo zulck Menschelijck doen vergeefs ende ter saken voorschreven onnoodigh ware.

vij. Capittel.
Van’t Onderwijsen Godes.

HEt onderwijsen Godes datmen hier recht mach nemen voor’t Vryen, Boelen ofte aansoecken Godes, waar inne Godt den mensche openbaart zijn Godtlijcke goetheydt ende des Menschen quaatheyt, moetmen ontwijfelijck al mede bekenne te wesen een bloot werc Godes sonder eenich Menschelijck toedoen, het gheschiede dan met Schriftuerlijcke ghetuygenissen van buyten, of door zijn gheests verlichtinghe inder Herten van binnen. Maar wantmen geen steenen noch blockē en bestaat te lerē ende het onmoghelijck is dat eenich onderwijs Vruchtbaar sy sonder t’Ghehoor, Aandacht, ende opmerckinge vanden onderwesene, so datmen niet met Waarheyt mach segghen dat yemant een ander leert, daar niemant gheleert en wert, soo geschiet dit onderwijsen Godes niet sonder des Menschen mede-werckinge, gelegen in’t luysteren, opmercken, hooren ende leeren.
Van dit hooren seydt de warachtighe Meester 3 3 Joan. 6. 45. also: Alle die’t vanden Vader gehoort heeft die komt tot my. De Vader treckt dan met zijn Godtlijcke Leeringhe, soo dat niemant magh komen tot Christum, dan die dit zijn Menschelijck werc daar oock toe doet, te weten horen ende leeren. Want soo’t onderwijsen Godts werck is, soo ist horen ende leren des menschen werck ende niet Godes werck. Van wie mach die wijse alwetende Godt doch yet leren? Die dan oock des Vaders onderwijsinghen leert, die doeter sijn Menschelijc werc toe, ende dese comt doort middel van sulck zijn werck tot Christum.
Moyses sodanighe luyden beschrijvende, seydt dat sulcke Godes Leeringe ontfanghen die sijne 4 4 Deut. 25. 3. Voeten genaken. Dit dede ootmoedelijck die’t beste deel verkieseñ, den woorden Christi hoorde. Eñ dit zijn de Dooden (te weten die nu den 5 5 Joan. 5. 25. Logen ende haar eygen wijsheyt doot zijn, eñ niet meer gelooven) die hare ooren neygen, 6 6 Apoc. 3. den 20. Heere hooren eñ hem aankloppende inlaten.
Dat dese meninge van’t voorsz trecken Godes de rechte is, betuygen klaarlijc allen d’ommestanden van de selve woorden ons Heeren, so men daar oock maar aandacht toe doet. Immers een Hooch-geleerde dit Menschen doen hooghlijck boven allen anderen wedervechtende, eñ dit trecken des Vaders op eenen geweldigen sinne gheweldelijc treckende, hevet selve naacktelijck bekent op een andere plaatse daar hy op desen twist niet lettende, schrijft aldus: ist dan noodigh dat Godt ons Leere, so ist wederomme ons officium (ofte ampt) te hooren den Heere die ons is roepende.
So waar dan God onderwijst, eñ de mensch aandachtelijck hoort, vlijtelijck opmerckt, ende begeerlijck leert, wert de Mensche sulcx geleert van eñ inde Waarheyt, dat niet noodigh en is tot desen van Gode geleerdē Mensche te seggē, 7 7 Hebr. 8. 11. Bekent de Heere. Want God selve leert hem in den gront sijnder Zielen alle dat hem ter Saliheyt noodigh is, Namentlijc hoe quaat, zot, logenachtigh eñ bedrieghlijck dat des menschen geest is, eñ daar tegē hoe goet, wijs, waarachtigh eñ getrou dat God is So dat de Mensche dan in ondervindtlijcker Waarheyt verstaande dat sijn selfs Oordeel geheel blint is int verkiesen eñ sijn eygen geest (ic meyn de Logen-geest) bedrieghlijck int handelen, als die altijt voor’t valsch beloofde Lief, luste, ruste, ende saligheyt, niet anders en geeft dan warachtich leer, ver-


driet, moeyten ende ellendigheydt, ende sulcx nu met open oogen aansiet, ende met wackere smerte ondervindtlijcken smaket, daar (segghe ick) dit gheschiet, moet de Mensche noodtsakelijck sijnen valschen geest den rugghe bieden, dat duystere Adamische ooghe des Vernufts uyt steken, ende soo vyandtlijck de Loghen haten, dat hy sijn Oore dicht toe stopt voor dit bedrieghlijcke Serpent ende niet meer en wil noch mach hooren· Dan eerst, dan segghe ick, wort sijn Oore recht open voor’t Metalen Serpent, d’welck niet alst valsche Serpent een valsch leven den recht-levenden, maar een waarachtighen Doot den valsch-levenden Mensche verkondight. Het valsche Serpen beloofde Adam, die goet ende levendigh was, een Godt eñ levendigh te maken: maar dit ware Serpent belooft den Mensche die quaat is ende doot, een Duyvel in sijn selfs ooghen, doodt in sich selfs ende levendigh in Gode te maken. Somma de Loghen beloofde het Leven om te doen sterven: De Waarheyt stelt dē Doot voor oogē om te doen leven.
Voorwaar de Mensche moet noodtlijck volghen de Logen of de Waarheyt. De bekende, ghehate ende dootbarende Loghen mach hy nu niet meer volghen: Wien anders mach hy dan volghen dan de Waarheyt? Dit betuyght hem de goedheyt Godes soo krachtelijck, dat hy willigh t’Oore voor haar opent, begheerlijck na haar luystert ende vastelijck haar segghen betrout. Want sy houdt den Mensche naackt voor oogen sijne ontallijcke moedtwillighe mis-handelinghen teghen sijnen Schepper, sulcken goeden Godt wesende, dat sijn Almoghende Majesteyt dit alles niet alleen langmoedelijck van hem gheleden, maar hem oock ghenadelijck in zijnen Sone vergheven heeft, ja hem, noch Godes vyandt wesende, soo liefheeft ghehadt, dat hy den Zondaar in den onnooselen bitteren Doot zijns beminden 1 1 Rom. 5. 10. Joan. 3. 16. Soons gesocht heeft, om hem te ghenesen ende saligh te maken. Dit alles by den Mensche voorschreven verstaan ende geaanmerckt zijnde, oock mede daar teghen hoe vyandtlijck hy zijnen even Mensche (welcx Schepper hy niet en is) om een kleyn misdaat soude handelen, soo zijne wraackgierigheydt gheen vermoghen en ghebrake, soo begint hy meer ende meer van zijne selfs boosheydt te grouwelen, van de ongrondelijcke goedtheydt Godes te verwonderen, ende sodanighen goeden, lieven ende ghetrouwen Godt te betrouwen, eñ zijnen Woorden vastelijck te ghelooven.

viij. Capittel.
Van de Godtlijcke vereeniginghe metten Mensche.

NA sulck lieflijck vryen Godes, ende vast betrouwē ende toestemmen des Menschen volght de vereeniginghe van Gode ende Mensche door’t voorschreven tusschen handelen van den heyligen Geest der Waarheyt. Hier wert Godt selve de Man a vande gheloovighe Ziele, 2 2 a Jere. 3. 14 Efe. 2. 16. in de welcke nu gheschiet d’ontfanghenisse van den Godtlijcken Zade des onverganckelijcken Woorde Godes, ende ghelijck te vooren Baal, de Boele wesende vande Ziele, door zijne quade lusten de Zonde eñ die dē Doot in haar baarde: alsoo teelt nu Godt selve, de rechte Man, door zijne heylighe Luste de Gherechtigheydt ende mitsdien het Leven inder Zielen, die nu niet meer als vooren van Gode werdt ghenaamt een Overspeeldersche ofte verlatene, maar Godt noemtse myne b wille in haar. 3 3 b Isai. 62, 4 Want hy heeftse lieflijck in de banden Adams ende in de banden der c Liefden aanghelocket 4 4 c Oze. 11. 4. , inder VVoestynen gehvoert (verde van allen Creatuerlijcken lusten) haar int herte d gbesproken , 5 5 Oze. 2, 14. eñ haar dat met goetdadighet Liefden vrundtlijck af-ghewonnen.
Daaromme wert dese gheloovige Ziele oock 6 6 Cant. 4. 12. ghenoemt een besloten Lusthof ende bezeghelde Fonteyne, die voor den Heere alleen open is, daar sy te vooren den Baal met allen Aardtschen lusten open ende ghemeen was. Eñ want sy nu allen haren Boelen verlaten hebbende, haar alleen houdt aan Godt haren rechten Bruydegom, wert sy, die eerst onvruchtbaar was, te recht vruchtbaar, ontfangt ende bewaart het Zaadt der Beloften, ende wert alsoo swangher met Emannel (Godt met ons) den nieuwen Adam Christum Jesum, nu (in haar) Godt ende Mensche. Dese ist Woordt des Levens ende het Leven selve, 7 7 Joan. 1, 12 levendigh-makende alle die hem aannemen, ende daar inne hy komt.
Dat Godt nu in sulcker wijse dit Leven, in sijn eenighen Sone, die het waarachtighe Leven is, uyt loutere Ghenade, sonder, 8 8 tekening vingerwijzing ja tegen alle voorgaande menschelijck doen eñ verdienst aanbiedet, is ontwijslijcken waar: maar daar by en machmen oock niet loochenen, dat Godt dit selve Leven in sijnen beminden Sone niemanden en schenket ofte gheeft, dan die dat willigh ende begeerlijck ontfanghen. Want so waar wat wert aangheboden, en wert niet altijt ontfanghen: ende mach alsoo dit aanbieden Godes geschieden, ja het geschiet altijt sonder eenigh Menschelijck werck, maar nergens en wert wat ghegeven of daar en wert ontfangen Ende ghelijck hier sulck gheven een werck Godes alleen is, also is oock hier t’ontfanghen een werck des Menschen alleen. Want Godt selve, diet alles is eñ alles heeft, en mach van niemants handen wat ontfanghen. Godt geeft dan ende de Mensche ontfanghet, ende is hier daaromme het geven Godes, maar t’ontfangen s’Menschen werck, ende alsoo verkrijghen dese aannemers ofte ontfanghers Christi macht 9 9 Joan. 1. 12 omme kinderen Godes te werden.
Niemant en wane dat door dit menschelijck werck in dese Godtlijcke handelinge den Mensche eenige verdiensten werden toegheschreven. Want sal’t ghenade ende gave zijn, soo’t waarachtelijc is, ten mach geē verdienst zijn. Maar salmen de ghenade oock hebben, sy moet ontfangen eñ niet gheweygert zijn. Wat bedelaar mach doch wanen dat hy door zijn handt op te houden, eñ met zijn ontfangen van eens milden ghevers Aalmoessen, die Aalmoessen aan den ghevere verdient? Maar mach hy sonder die Aalmoessen te ontfangē, de selve ooc hebben eñ ghenieten? Alsoo’t onrecht is de middelen, van Gode ghestelt, te veele toe te schrijven, soo en ist oock niet recht de selve te verachten ende verwerpen. Eñ gelijck het vermetenheyt is Godes gaven ende werck hem self toe te schrijven: so ist ondanckbaarheyt die niet te bekennen of ghebruycken.

ix. Capittel.
Van de Wedergheboorte self.

GHelijck als de Reghen ende Sneeu van den 10 10 ... 55. 10. Hemel daalt ende niet weder daarwaarts en keert, maar t’Aartryck drencket, vruchtbaar maackt, eñ doet spruyten, soo dat het den zaeyer koorn ende dan eter broodt geeft: Alsoo sal myn


woort (seydt de Heere) dat uyt mynen Monde gaat, niet ledigh weder tot my keeren, maar het sal volbrenghen mynen wille, ende in t’ghene daartoe icks ghesonden hebbe ghedyen. Wat is ny hier Godes Wille? Ende wat wil Godt hier door sulck uyt-senden sijns Woorts volbrenghen? 1 1 a Deut 32. 9 Doot-slaan ende a levendigh maken, hy wil wonden b ende ghenesen, 2 2 b Job. 5. 18. hy wil onsen vleesche (der sonden) wonden ende doot slaan, 3 3 c Pet. 3. 19. ende onsen geeste c genesen ende levendt maken, op dat wy de Zonden ghestorven zynde, 4 4 d 1. Petr. 2. 24. d der Gherechtigheyt souden leven.
So geschieden dan in dese Wedergeboorte twee saken. Want de Mensche wert hier ghedoopt in den Doodt Christi, 5 5 Rom. 6. 3. 4 soo dat de Zonde met sijne lusten ende begheerlijckheyden verdrencken ende vernielt werden. Niet anders dan voormaals de gantsche Godtloose werelt buyten den Arcke zijnde, eñ oock Pharao met alle sijne krijghs-luyden der Duystenissen in den Meyre versoncken eñ verdroncken. 6 6 Prov. 11. 8 Want hier werdt de Godtloosē ghegheven voor den Rechtvaardighen, die nu met Noe ende Israel verlost werdt uyter benautheyt, eñ nu als uyt den Doode in ende met Christo verrijst, selve niet meer leeft, maar Christus in hem, eñ nu voorts aan sijne wandelinghe sal hebben, niet als voormaals opter Aarden onder den Dooden, maar in den Hemele, het beloofde Landt, dats in’t landt der Levendighen, in’t aanschouwen ende teghenwoordigheyt des levendighen Godes.
Merckt hier doch Leser: 7 7 1. R 15. 2. 6. als Godt so doot slaat ende ter Hellen voert, om levendigh te maken ende wederomme te brenghen, dat sulcx niet en geschiet als in een schilderije, droom, of ydele inbeeldinghe. O neen. Hier wert een warachtigh verderven, sterven eñ ondergang des ouden Mensches. Daaromme en late sich nyemandt beduncken dat hy een kinde Godes zy, ende dat dese gheboorte al in sich gheschiet is, voor’t bevinden van dit dootlijcke sterven.
T’welck ick nochtans daghelicx verneme (O domme Vermetelheyt ende schadelijcke Verwaantheyt) in veelen te gheschieden, die dan gevraaght zijnde hoe dit sterven ende levendtwerden in henluyden te wercke ghing, niet een woort Waarheyts uyt Ondervindtlijckheyt daar af weten voort te brenghen.
Voorts is te mercken (tot minderinge van sulcke schadelijcke Waan) dat dese Doot noch in niemanden te recht is gheschiet, die noch yet grofs mach willen dat hy verstaat eñ weet, dat Godt niet en wil, of dat teghen Godes wille zy. Want het schalcke ooge dat in Adam was op-ghedaan, is hier nu in Christo uytghesteken: dat is, sijn verkeerde, vermetele, blinde eñ zotte Oordeel is so gantsch gheblindet, dat hy nu niet meer gheloofs mach gheven dan Loghen, die niet quelende of zieck, maar doot in hem is, in die Hooft-stucken. Alle sijnen Waan, alle sijnen Goetduncken ende alle sijn Vernuft, Kennisse, Wetenschap ende Verstandt, werpt hy voor dreck te rugghe, eñ vertreedt, verlaat ende vernielt dat sulcx als een ware Duysternisse, so dat hy nu niet meer en weet dan Christum ende dien gecruyst. Want hy en heeft nu voort meer gheen lust, hope, troost, nochte toeverlaat in eenige eygen wijsheyt, of wetenschap, dan alleen in dat salighe weten, dat Christi doot in hem sijne Ongherechtigheyt vernielt, de Schulde uyt-wischt, ende de Godtlijcke Gherechtigheydt in hem levendigh maackt. Dit alleen ende niet anders, is nu sijn weten.
En nademaal de Mensche gheen ding mach begheeren dan door een Waan of Weten van des dings schoonheyt ofte goetheyt, soo wert hier des Menschen eyghen (dat is de quade) wille soo volkomentlijck ghestorven, dat hy niet meer teghen Godes bekende Wille, begheeren, ick swijghe willen en mach, so gheen wille en mach worden dan uyt voorgaande begheerte. Siet alsoo werden dese blijvers in den woorden Christi, namentlijck die sijne Woorden begheerlijck aan-nemen, sorghvuldelijck bewaren ende ghetrouwelijck daar na doen, als wesende rechte Jonghers Christi, door de Waarheyt so recht vry gemaackt van de Loghen, dat sy nu vyandtlijck haten moeten ende vlieden, alle t’gunt sy voormaals beminden ende begeerden. Want de valsche Kennisse wert nu blint in henluyden, ja als een verdwijnende Nevel uyt-gedreven door de Sonne der Waarheyt, die nu inde Ziele helder schijnt, in’t Lichte het Oordeel voert, eñ het gene dat quaat is, quaat, eñt’gene dat goet is, goet oordeelt eñ daar voordoet aansien eñ kennē. Also ist desen Mensche nu soo onmoghelijck dat hy het bekende quaat lieven, eñ het bekende Goet haten souden, alst hem voormaals onmogelijck was (doen hem de Loghen-predikers t’quade goedt ende t’goedt quaadt seyden te wesen) het goede, dat hy doe quaat waande, te lieven, of het quade, dat hy doe goet waande, te haten.
Onverstandt doet dolen, ende alle verkeert Oordeel verleydt: maar die met open ooghen ende wackere Opmerckinghe in den Lichte wandelt, en mach sich niet stooten. De Mensche voor hem hebbende twee Bekers, in d’een van de welcke soet venijn is, maar in d’ander suyre Medecijn, sal wel uyt onkunde moghen wanen dat het soete Venijn Medecijn zy, ende dat voor t’beste verkiesen: maar so hy inder waarheyt elcx aart uyt Ondervindinghe kent, ist hem, het leven ende ghesondtheydt begheerende, (dat elck natuerlijck doet) onmoghelijck het soete Venijn boven de suyre Medecijn te verkiesen. Soo vele hebbe ick hier willen segghen van de Doot van s’Menschen eyghen Oordeel, Waan, Vernuft ende Verstandt, daar uyt oock noodtlijck volght de Doot van sijn Begheerte ende Wille, in welcx plaatse nu komt het verstandt ende den wille Godes, geboren zijnde uyter Waarheydts kennisse in levendigher Ondervindinghe.
Hier begint de rechte Sabbath. Want hier keert de Mensche sijne eyghen voeten (begheerte ende wandelt) 8 8 Esai. 58. 13. van des Heeren Sabbath, doet niet meer sijn selfs wille op desen heylighen dagh Godes, doet sijn selfs weghen niet meer, noch sijn wille en werdter niet meer ghevonden, so dat hy sijn selfs woorden soude spreken, maar des Heeren wille. 9 9 Hebr. 4. 10. Want dit kindt Godes seydt nu met waarheydt Vader tot Gode, niet anders begheerende dan dat sijn Vaders Wille nu in hem geschiede, alsoo hy nu inne-gegaan is in de ruste Godes, ende rust daaromme oock van alle sijne eyghen wercken: hier inne navolghende sijnen Meester 10 10 Joan. 5. 30. Christum: soeckt hy te doen niet sijn selfs, maar sijn Vaders Wille, 11 11 Philip. 2. 59 die hem herkoren ende dese goede Wille in hem ghewrocht heeft. Welcke goede Wille niet anders en is dan het nieu gheboren kindeken Christus in ons, die alsoo uyten Hemele komt, 12 12 Joan. 6. 38 niet alleen onder ons, maar oock in ons, om sijn Vaders Wille te doen eñ sijnen Rijcke in ons in te nemen: 13 13 1. Pet. 4. 10 Op dat wy also in den vleesche desen doot met hem geleden hebbende, op souden houden van zon-


den, ende nu voorts niet meer de begheerlyckheyden der Menchen, maar den wille Godes souden leven het overblyfsele tydts inden vleesche.
Maar want men hier zwaarlijck mach dolen, moet verstaan wesen hoedanich dese Waarheydts kennisse ende goede Wille in den Mensche is. Want men mach wel hebben eenighe sonderlinghe kennisse eenigh dings, al en heeftmen nochtans de kennisse niet van allen anderen generalen of al ghemeenen dingen. Men mach wederomme oock wel hebben een generale ofte alghemeyne kennisse eenigh dinghs, al en heeftmen nochtans gheen kennisse van allen speciale ofte bysondere dinghen in dat selve dingh wesende ofte daar onder beghrepen zijnde. Des neemt een ghelijckenisse, yemant mach wel ende waarlijck kennen zijnen Broeder Pieter ofte Jan, &c. die een Mensche is: oock wat Konsten hy weet, ende oock mede wat hy hanteert, sonder daaromme nochtans in’t bysonder alder Menschen Naemen, Aanghesichten, Verstant, ende Handelinghe te kennen. Alsoo mach weder yemant hebben sodanighe alghemeyne kennisse van de Menschelijcke ghedaante ofte Forme van Lijf ende Ziele, dat hy siende ende hoorende Spreecken een Mensche, dien hy noyt daar voor en zagh, warachtelijck mach weten dat dat een Mensche is, sonder dat hy daaromme nochtans kennisse heeft van alder Menschen speciale ofte bysondere ghedaanten van Lijf ende Ziele, overmidts de oneyndtlijcke verscheydenheyden in de Menschelijcke ghedaanten, wetenschappen ende hanteringhen wesende.
Dit alles dient alleen omme te doen verstaan, dat al hoewel dese uyt Godt herboren Menschen nu sodanighen waren kennisse heeft van zijn zelfs quaatheydt, ende oock van de Godtlijcke goetheyt, dat hy zich af-keert van sich selve tot Gode, ende dat niet met ghedeelder, maar met gheheelder Herten ende willen, soo dat hier in genere of in’t al ghemeen niet anders ghewilt en werdt nochte en magh werden, dan in allen dinghen het Quade dat hy nu haat, te laten, ende het goede dat hy nu lieft, te aankleven: hoe wel dit nochtans noch niet en is dan een alghemeyne ofte ghenerale Waarheyts kennisse van zijn zelfs Boosheyt ende Godes goetheydt, die hy nu wel in’t alghemeen, maar gheensins noch in elck deel te rechte kent ende verstaat, soo men licht mach mercken uyten beloften Christi: Dat de Heylighe Gheest (nu al zijnde in desen Kinderen Godes, daar door sy oock ghetroostelijck segghen Abba Vader tot Gode) 1 1 Joan. 16. 13. 2. Cor. 3. 18: henluyden noch eerst sal leyden in alle VVaarheyt, soo dat sy dan van d’een VVaarheyt in d’ander verscheppet ofte verandert werden, als vanden Gheest-Godes, t’welck soo niet en mochte zijn, indien sy nu ten eersten alle Waarheydt in’t bysondere al wisten ende verstonden.
Maar ghelijck de Enghelen op de Ladder Jacobs by Trappen ordentlijck af-daalden eñ op-steghen, alsoo leert Godes Geest den Mensche meer ende meer by Trappen in hem zelve af-dalende, zijn selfs quaatheyt, ende oock weder by Trappen tot Gode opstijghende, Godes Goetheydt waarachtelijck in’t Particulier of in’t bysondere kennen ende weten. Doch nademaal nu dese alghemeyne kennisse van zijn eygen Quaadtheydt ende van de Godtlijcke goedtheydt soo veele al ghewracht heeft, dat hy in zijn selfs ooghen blijckt te wesen zijn opperste quaat, soo is hy nu al Vyandt, vreemt ende Doot van hem selve in’t alghemeyn: ende nadien oock soo wederomme door dese alghemeyne kennisse Godt nu al is gheworden zijn opperste Goedt, soo is hy nu met Hert, sin, ende wille al Vrundt, vereenicht ende Levendigh met Gode: die nu alsoo gheworden zijnde zijn opperste Schat, t’Herte oock tot zich treckt, want waar des Menschen Schat is, 2 2 Mat. 6. 21. daar is zyn Herte, al niet teghenstaande hy Godes goedtheyt in’t Particulier noch naarder ende klaarder zal ondervinden, verstaan, ende kennen leeren.

x. Capittel.
Hoe men verstaan mach dat de Kinderen Godes noch Sondigen, 1. Joan. 2. 1. Ende daar beneven, dat hy niet en magh Sondighen die uyt Gode is Gheboren. 1. Johan. 3. 9.

NAdemaal hier nu al de Wedergheboorte gheschiet is, soude ick komen tot de Derde tijdt, te weten na de Wedergheboorte, soo my niet inden weghe en laghe, de schijnende strijdt van den sproken 1. Johan. 2. 1. ende 3. 9. die een Wetsteen zijn gheweest van vele gheleerde verstanden, ende als sy qualijck verstaan werden Duysent misverstanden met zich brengen. Beneven vele andere Schrijft oock Sanct Augustijn van den woorden des Apostels: Die uyt Gode is gheboren en mach niet Zondighen, aldus: 3 3 Exposit. in Epistolam. Ioan. tract. 1. Ten is gheen kleyn questie hoe dat hy seyt in desen Brief, Die uyt Gode is gheboren en Sondight niet, ende oock, Soo wy seggen dat wy gheen Sonde en hebben, soo bedrieghen wy ons selve, ende de VVaarheyt en is in ons niet. VVat sal hy doen die door beyde dese sproocken uyt een selve Brief midden in benautheyt is gestelt? Belijt by sich een Sondaar te sijn, hy zal vreesen datmen tot hem segghe, Soo en sydy dan oock niet uyt Gode gheboren, Maar seydt hy hem Rechtvaardigh te sijn ende gheen Zonde te hebben, hy sal ghewondt worden van d’andere sproke, als die dan hem selve bedrieght, ende gheen waarheydt in sich en heeft. wat sal dese Mensche doen? &c. Op dese wijse maackt Sanct Augustijn hier inne soo groote swarigheyt, dat hy aan den Volcke terstont daar aan begheert, dat sy den Heere doch willen bidden, om in desen een uytkomste ghevonden te mogen werden: ende dat is prijselijck ooc na Godes bevel, dat de ghene die Wijsheyt behoeft, de selve begheere aan den ghever alder goeder gaven. Doch, behouden des H. Mans grootachtbaarheyt, was de uytkomste daar inne soo onmoghelijck niet te vinden, soo hy vlijtelijck ghelet hadde opten onderscheyt gheleghen in’t hebben van Sonde, of in’t Sondighen. Dat vryelijck gheen een selve sake en is, soo’t in zijnen Oogen scheen. Want het een mach sijn sonder t’ander, dat in een selve sake onmoghelijck is. Men mach Sonde hebben, uyt de gedaan Sonde, al en doetmen voorts meer gheen Sonde. Ghelijck een Man van schulden Gevangen zijnde, de schulde, by hem nu al gemaackt noch heeft, ende en mach nochtans nu Buyten alle geloove of credijt, eñ in gevangenisse sijnde gheen schulden meer maken. Dese swarigheyt en is dan niet groot, maar de rechte ende sorglijcke swarigheyt in desen, achte ick (onder verbeteringe) al veele grooter, ende oock al erghens anders inne ghelegen te wesen, te weten eensdeels in de ghemeene Opinie der Menschen, ende eensdeels inden woorden sanct-jans opentlijck inden schijne, teghen Sanct Jans woorden wesende:


De gemeene opine houdt dat gheen gheloovigh Mensche, hoe Heyligh hy zy, voorts meer na zijn Wedergheboorte, ofte na dat hy al een Kint Godes is, mach Leven sonder te Sondighen, ende dit plat teghen dese woorden des Apostels, Dat die uyt Gode is Gheboren niet en mach Sondighen. Die Swarigheyt hier uyt rijsende is dese: De Heere selve spreeckt, ten zy dan sake dat yemant herbooren werde, soo en mach hy het Rijcke Godes niet zien. So nu niemant herboren is dan de ghene die gheen Sonde en doet ende niet en mach Sondighen, ende en mach niemandt hier Leven sonder Sonde, soo de ghemeen opinie nu is, soo en magh niemane het Rijcke Godes sien. Is dat een kleyne swarigheyt? Ende dit is de gront-oorsaecke daar door alle ghenaamde Christenen sich nu al achten voor Herborene ende Kinderen Godes, niet teghenstaande de Wedergheboorte in henluyden dickmaal noch niet eens begonnen is, immers die noch nauwelijck goede Huyrlinghen zijn, den name van volkomenheydt ende het niet-zondighen soo Hertelijck vyant zijn ende soo bitterlijck wedervechten: gemerct syluyden t’selve aansien voor een stalen muyre, henluyden den inganck totten Rijcke Godes beletttende.
Maar de rechte swarigheydt vindt sich in den eyghen woorden des Apostels, 1 1 3. Joan. 2. 1. daar hy schrijft: Dit schrijve ic u, mijne kinderkens, op dat ghy niet en Sondight. Want soo sy niet Sondighen en mochten, wat noot was’t hen voor een onmoghelijck dinck te waarschouwen? maar dat sy mochten Sondigen ende oock mede dat het Herborene waren daar hy toe schrijft, betuyghen dese sijne navolgende woorden: Maar heeft yemandt ghezondight, so hebben wy een Advocaat, Jesum Christum, by den Vader. Wast henluyden Vader, so warē sy sijne kinderen ende misdien oock Herborene. Moghen dan de Herborene zondighen, soo dese woorden Sanct Jans schijnen met te brengen, hoe moghen sijne andere woorden, houdende dat sy niet moghen zondighen, waarachtigh zijn? nochtans en mach die eenvuldighe Gheest der Waarheydt door een selve Apostel beyde die sproken voortghebracht hebbende, gheensins onwaarachtich zijn of met zich selve oneens. De voorschreven zwarigheyt, spruytende uyte ghemeene opinie, sal van zelfs verdwijnen inden ghenen die wetende Godts wille te wesen in zijnen Verkorenen dat zy volmaackt, Heyligh ende gantsch onderdanich zijn zullen, ende dit uyt zijne gheboden, Matth 5. 9. 48. 2. Corint. 13.11. uyt zijne beloften. Deut. 30. 6 Ezech 36. 27 Luc. 1. 74. 75. ende uyt zijne verkiesinghe ende Predestinatie,, Rom. 8. 29. Eph. 1. 4. etc. so Godtloos niet en zijn dat sy d’almoghentheyt Godes loochenen. In’t loochenen van’t gheschieden, daar af den wille Godes henluyden bekent is, Ende want ick hier af breder wil spreken op een ander plaatse, wil ick dit verby-lijdende nu komen opte zwarigheydt veroorsaackt door misverstant van des Apostels woorden inden twee voorsz strijdinghschijnende sproken.
Verscheyden Leeraren, arbeydende om dese te vereenighen, hebben voortghebracht verscheyden meeninghen in desen, die ick hier niet al, maar twee of drie vande merckelijckste ende meest ghevolght zijnde wil verhalen. Also segghen nu sommighe, dat de Wedergeboorte hier ter Weerelt voor den Lijflijcken Doot in niemanden ten vollen en gheschiet, maar werdt daar na de Wedergheboorte eerst volkomen. Dese meeninghe en mach my gheenssins vernoegen, eensdeels overmits de Schrijvers sulcx leerende, oock mede bottelijck het tegendeel leeren, ende mitsdien hen selve opentlijck teghen zijn, ende oock eensdeels overmits de Heylige Schrift klaarlijck leert dat de Wedergheboorte hier in desen tijdt gheheelijck by den gheloovighen gheschiet is, ende gheschiet. Ick houde’t voor onmoghelijck dat yemandt selve met sich selfs in dese saken niet eens zijnde, den Apostel oneens daar in schijnende, maar niet wesende, soude connen vereenigen. Wat gheloove mach oock by een omsichtigh Leser hebbē een schrijver die tot een selve sake nu Neen, dan Ja is sprekende?
Dat een de voornaamste Leeraar deser tijden, boven allen anderen het volle gheschieden der Wedergheboorten in dese tijt vyandtlijck wedervechtende, selve daar teghen schrijft dat de Wedergeboorte te vollen hier inder tijt geschiedt, vinde ick in dese sijne selfs navolghende woorden: Ten waer niet ghenoegh, 2 2 Commen. Joan. 5. 21. dat wy vander doodt verlost waren, indien Iesum Christus oock niet ghesamentlijcken ons het Leven weder en gave volkomentlijck ende volmaactelijck . Dat dit Leven hier inder tijt den Kinderen Godes werdt ghegheven, mach niemandt ontkennen dan die Gode wil maken een Godt der Dooden ende niet der Levendighen. Ist dan oock volmaackt (so t’Leven inden mensche gheen ghedeeltheydt altoos en mach lijden) wat ghebreeckt hier doch aan de volkomen geschiedenisse der Wedergheboorten? Daar af is de questie nu ende niet van de volkomen Opwassinghe ofte Ouderdomme der Mannen in Christo Jesu. Item op een ander plaatse: 3 3 Com. 1. Johan. 1. 7. Op dat wy souden weten, dat wy soo veeel ende des te meer ellendich sijn, toter tyt toe dat wy wederboren wesende Gode dienen met een zuyver Herte. Daar seyt hy Wederboren wesende: ende moet immer daar de Wedergheboorte al geschiet zijn. Oock dientmen Gode hier in der tijdt ende niet hier nae: soo moet immers de Wedergheboorte oock hier in soodanighen dienaeren Godes al gheschiet zijn. Item daar sanct-Petrus schrijft 1. Pet. 1. 23. wederboren zynde, etc . schrijft dese Leeraar alsoo: Nu is dat een ander argument van vermaninghe: dat nademaal sy zyn nieuwe Menschen ende van Gode herboren, dat het oock beramelyck is, dat sy die wyse haars Levens schicken na Gode ende na den eysch vanden gheestelycke gheboorte, etc. Waren sy nieuwe menschen ende doe ter tijt al van Gode herboren: met wat verwe mach dese zelve Leeraar Schrijven dat hier noch niemandt herboren is? Ende elwaarts aldus: Dit is seker het voordeel der Vercorenē, dat sy herboren wesende door den Heylighen Geest met desselfs beleedinge beweegt ende bestiert werden, etc. Sijn sy dan al herboren, hoe sullen sy noch eerst herboren werdē? Sullen sy’t noch eerst na der doot werden, hoe moghen sy in desen leven al herboren zijn ende bestiert worden door den H. Gheest? Item Commenterende opt 7. cap. 15. verset totten Romeynen seydt hy dese woorden: Nu daalt hy af (Paulus) tot een exempel dat sonderlinghe is, te weten totten mensche die nu al is herboren, etc. Zijn dat twijfelijcke woordē of onsekere ghevolghen? Daar staat die nu al is herboren. Is hy’t nu al, soo mach hy’t niet worden. Hy mach grooter maar niet levendigher woorden. Item de selve noch sprekende van Maria de Moeder ons Heeren, seyt dat sy herboren was, immers (dat meer is) sprekende vanden Heyden Cornelio, schrijft hy’t gunt


volght: VVant het blijct dat hy doe al was verlicht eñ wederboren, so dat hem niet en gebrack dan de clare openbaringhe des Evangeliums. Die dan alsoo niet alleen met clare woorden, maar oock met condtbare exempelen bewijst dat de Wedergheboorte in sommighen al gheschiedt is hier noch inden Lichame levende, en behoordt by niemanden gheloove te hebben int contrarie zijne segghen van dat de Wedergeboorte hier in niemanden, maar eerste na den lijflijcken doodt gheschiedt, te min noch overmits sulck menschelijck segghen opentlijck strijdet teghen het Godtlijck spreken door den Gheest Godts inder Heyligher Schrifturen.
Die ghetuyght hier af doorgaans soo overvloedelijc, dat ick so weynigh merckende waar ick eynden als waar ick beginnen soude mogen, soo icx al wilde verhalen, hier alleenlijck wil vernoeghen by den selven Apostel, inden selven brief, ja by de selve woorden in questie zijnde: Die uyt Gode gheboren is, en doet gheen zonde, noch en mach niet zondighen. Want seker soo men niet en wil segghen dat de heylighe Gheest door desen Apostel hier doet, het selve de voorsz wederspreker schrijft by den Heydenen spottelijck ghedaan te zijn, men sal niet moghen loochenen dat hier ter werelt zijn menschen nu al uyt Gode gheboren, ende oock sodanigh wesende als hier door den Apostel werdt beschreven. De Stoycienen (schrijft de voorsz Leeraar) hebben voormaals zottelijck eenen grootmoedighen mensche beschreven, &c. VVat hebben sy gevordert met die hooghe wijsheydt? te weten, sy hebben een beeldt der wijsheydt beschildert dat noyt onder den menschen is ghevonden noch wesen en mach, &c. Voorwaar ist sulcx datter oock noyt onder den menschen ghevonden is gheweest, nochte wesen mach (soo deese man oock leert) soodanighen uyt Godt gheboren mensche, als hier geschreven wert vanden heylighen Gheest: sal men niet mede moeten segghen dat de heylige Geest zottelijck eenen uyt Godt geboren mensche heeft beschildert?
Maar nademaal men a nader doodt ende 1 1 a Eccl. 9. 10 inde b aanstaande nacht niet en werckt, 2 2 b Zoon. 9. 4 maar alleenlijck loon ofte straf van’t ghewrochte werck sal ghenieten of lijden, hoe soudet doch luyden datmen dit soude verstaan van een Wedergheboorte die niet en mach gheschiedt zijn voor den Lichamelijcken doot? Wat waar dat doch anders gheseyt dan al soo? Na den doodt des Lichaams en mogen niet zondighen die gene, die uyt Gode zijn gheboren. Liever: mogen sy na den lijflijcken doodt oock zondighen die niet herboren zijn? wat onderscheydt maackt doch ditte tusschen den kinderen Godes ende kinderen des Duyvels? nochtans heeft d’Apostel die eensdeels hier sonderlinge willen uytdrucken. Die en seyt oock niet na der doot sullen sy daar inne openbaar of kenbaar werden: maar hy seyt, daar inne zijn sy kenbaar. Seker waren sy doe ter tijdt daar aan al kenbaar dat sy niet zondighden, soo mosten sy doe ter tijdt oock al soodanigh zijn gheweest dat sy niet en zondighden: ten waar dan sake datmen wilde segghen datmense aan dat merckteecken mochte kennen, ende nochtans daar by oock segghen dat sy sulck meerckteecken niet en hadden: dit waar een rechte spotternije.
De selve Apostel schrijft mede dat alle die 3 3 2. Joan. 3. 1. daar ghelooft dat Iesus zy Christus, uyt Gode is gheboren. Geloofden dat de Christenen niet? Immers gheloofde d’Apostel selve dat niet? wie derf dat dencken? d’Apostel selve was doe ter tijt oock al uyt Gode gheboren, ende was mitsdien de Wedergheboorte in hem al gheschiedt voor den Lichamelijcken doodt. Warender in sijnen tijden gheen menschen doe al uyt Gode gheboren zijnde, hoe mochten sy van yemanden gelieft worden? men heeft immers niet lief dinghen die niet en zijn. Daar aan wetē wy (schrijft d’Apostel voorts) dat wy den Kinderen Godes lief hebben. Is oock yemant een kint Godes eer hy uyt Gode gheboren is? sy waren daar dan doe al die uyt Gode gheboren waren. Ende daar na Cap. 5 vers. 18. mede gheseydt hebbende dat hy niet en zondight die uyt Gode gheboren is, (hy seyt niet wert of sal wesen, maer is) seydt hy voorts vande selve geboorte sprekende, die hy op hem selve ende sijns ghelijcke is treckende, ende wy weten dat wy uyt Gode Zijn: Is dat oock gheseyt, sullen werden? Daar mede zy nu genoegh geseyt van de ghemeene opinie openbaarlijck ende waarlijck, oock vande Apostels eyghen woorden in den schijn ende niet waarlijck, wesende teghen des Apostels woordē, Dat die uyt Gode is geboren gheen zonde en doet, ende niet en mach zondighen: ende wil nu verhalen een ander meeninge by sommige op dese woorden voorschreven zijnde.
Want eenighe houden dat sulck uyt Godt herboren mensche niet gheheel is sonder Zondigen, maar wel sonder te zondigen teghen de Liefde. Dese meyninghen heeft int aankomen wat meer aansiens, overmits de Apostel inde twee naastvolgende verskens selve vermaninghe doet vande Liefde des Naasten, seggende: Alle wie niet Rechtvaardigh is, 4 4 1. Joan. 3, 10. 11. die en is niet uyt Gode, ende die s ynen broeder niet en bemint. VVant dits de vercondiginge die ghy vanden beginne hebt gehoort, dat ghy malcanderen soudt lief hebben. Doch, nademaal die Liefde tot Gode ende de Liefde totten Naasten ondeylbaar aanden anderen hangen, ende de Liefde de bant is der volcomenheyt, sulcx dat de ghene, die niet en zondight teghens de Liefde (die Godt alleen van ons eyscht ende de gantsche Wet ende Propheten is behelsende) geheelijck niet altoos en zondight, so en can ick niet bemercken dat met dese duydinge yet tot vereeniginge van des voorsz Apostels woorden, uytgericht mach worden, gemerckt men sulcx segghende dan noch niet altoos anders en seydt, dan dat d’Apostel selve hier over d’een zijde claarlijck uytspreekt, namentlijcken dat sy niet en zondighen.
Men vindter oock die hier op onderscheydt makende tusschen geen zonde te doen ende niet te zondighen, segghen willen dat den uyt Godt geboren mensche geen zonde en doet, dat is, niet met opset, voornemen eñ lusten zonde en doet; maar wel zondight uyt onbedachtheyt, sonder lust ende voornemen van zondigen. De welcke wat naarder schijnen te comen dan de vorighe twee. Maar want d’Apostel den herboren mensche niet min vry seyt te wesen van’t zondigen dan van’t zonde doen, soo hy se daar beyde stelt ende by het zondigen hanget d’onmoghelijckheyt, soo en mach ick dese glose gheenssins aannemen, plat luydende teghen den naackten text, houdende, die uyt Gode geboren is en doet geen Zonde’ ende en mach niet Zondighen.
Men vindt noch veele meer andere glosen hier oppe, vele min schijns dan de voorsz hebbende, te groot in ghetale ende te cleyn in nutbaarheyt om hier al ghestelt te worden. Onder alle welcke de voorneemlijckste wel is dat het niet zondighen verstaan moet werden, voor


dat de Sonde niet meer en heerschapt. Die my oock mishaacht. Want Sondight de mensche vrywillich van self: Hoe mach dees Mensche van goede wille of uyt Gode Geboren zijn? een van beyden moet waar zijn: De gerechticheyt of de Sonde is Heerschapper vande wille. Is de Gherechtigheyt de Heerschapper, hoe mach de Wille de Sonde in’t Sondigen onderdanich zijn? 1 1 Joan. 8. 34. Ist niet een Knecht der Sonden die sonde doet? Is de wille dan oock Sonde doende de Sonde onderdanigh, hoe machmen seggen dat de zonde in hem niet en heerschapt? Of soude Christus, die de gerechticheyt selve is, 2 2 2. Cor. 6. 14. 15. 16. ghedoogen dat Belial tot de lijflijcke doot toe beneven hem woonen ende met hem by gebeurten over den mensche soude heerschappen? Of wil Christus als wesende de machtichste den Belial met sijne Sondelijcke werckingen niet binden ende 3 3 Mat. 12. 29 hem sijnen roof nemen? Of soude zijn goetheyt sulckx wel willen, maar zijne Almoghentheydt dat niet mogen doen? Maar wie is de verwonnen Duyvel ende Sonde doch dat sy de Almogentheyt van desen heerlijcken verwinner soude moghen wederstaan?
Datmen noch maar seyde also: De Sonde woont inden herboren Mensche tot sijn lijflijcke Doot toe, sonder nochtans zijn macht of Heerschappie te toonen daar inne dat hy den mensche doet zondighen, soude (mijns bedunckens) noch vele te vreemt luyden: ghemerckt men alsoo doende te samen koppelt, blijvende in een selve Mensche, het licht mette duysternisse, de gherechtigheyt mette Sonde, ende Christum met Belial: wat sal’t nu doch luyden alsmen seyt de Sonde blijft totter Doot toe inden herboren Mensche ende doet hem daghelijcx noch zondighen sonder nochtans heerschappije over hem te hebben? Heeft dit segghen oock eenighe Verwe? seker men moet belijden dat die ghene Heerschapt, wiens gebieden dagelijcx wert gehoorsaamt Daar de Sonde geschiet wert het ghebieden der Sonden ghehoorsaamt. Dit gheschiet (soo zulcke leeren) inden herboren Mensche daghelijcx tot sijnen lijflijcken Doode toe. Moghen sy dan oock met eenighen schijne van waarheyt seggen, dat de Sonde daar niet en Heerschapt?
Boven alle welcke voorsz meeninghen soude mogen geseyt werden dat dese uyt Godt gheboren Mensche selve geen sonde en doet, mochte Sondigen en mach, ende dat des niet te min een ander dan hy, namentlijck de inwoonende zonde onderwijlen in hem noch doet het niet gewilde quade, ende laat te doene het ghewilde goede, t’welck beyde Sonde is. Maar want ick ghelooven moet dat in den Mensche sonder des menschen bewilliginge (dat oock een werck is) gheen Sondigh Werck en magh gheschieden, zoo en mach ick dese meeninghe oock niet toestemmen: Want gheschiedt ditte met des herboren Menschen wille, soo Sondight niet de inwoonende Sonde, maar de bewillighende Mensche: hoe mach dan waarheyt zijn dat hy niet en Sondight? Indien dan dees herboren Mensche oock niet en bewillicht in’t sondighen des inwoonenden Menschen, soo en sondight die herboren Mensche niet? t’welck dan schijnt te Strijden teghen die voorsz andere Woorden des Apostels daar hyse Vermaandt tot niet te Sondighen. 4 4 1. Joan. 2. 1
Ten laatsten verlatende de meyninghen van anderen, wil ick oock eens voordtbrenghen den mijnen, onder verbeteringhe van Verstandiger, de Leser is vrij ende bedencke beter, of volghe de beste onder den voorghemelden meeninghen, Ick lese dat onder den Kinderen Godts ghevonden werden Kinderen noch Melck behoevende, 5 5 Hebre. 5. 13. 14. ende volwassen Mannen vaste spijse nuttighende ende gheoeffende sinnen hebbende: Datter Kinderen zijn noch driftich ende onwijs 6 6 Ephe. 4. 14. zijnde, ende oock Mannen de mate des Ouderdoms der volheydt Christi bereyckende: 7 7 1 Joa. 2. 12. ende datter Kinderen zijn welcker zonden vergeven werden, ende oock Mannen die den boosen al verwonnen hebben.
Dese Kinderkens zijn dan even soo wel herborē uyt Gode als de volwassen Mannen. In beyden is het Leven Godes te vollen eñ oock de goede wille, so dat den Kinderkens so weynigh Levens ofte goede willens ontbreeckt omme in Rijcke Godes te comen (al quamen sy oock inder jonckheydt te verscheyden) als den volwassen Mannen. Ghemerckt d een soo wel inder waarheydt een kint Godes is ende herboren als d’ander: D’onderscheyt leyt alleen daar inne, dat des Kints levens noch sonder 8 8 tekening vingerwijzing Manlijck Verstant, zijn wille noch sonder manlijcke kracht, ende zijn ledekens noch teder zijn sonder Manlijcke oeffeninge, daaromme de Kinderkens ooc noch dagelijcx uyt onverstant dolen, uyt Swackheyt vallen ende uyt onghewoonte of ongeoeffentheyt van t’ goede, ende voorgaande Gewoonte van’t quade noch sondigen moghen, t’welck henluyden niet en hindert om inne te gaan inden Rijcke Godes. Want hier heeft kracht de doot en geschoncken gerechticheyt Christi, 9 9 Psal. 31. 2. ende en wert sodanighen Kinderkens in welcker Zielen geen bedroch en is, de Sonde niet toegerekent. Want Godt en wil den Sonden van sodanige ware boetvaardigen niet gedencken, 10 10 Eze. 18. 22. 30. ende zijn nu al Salig genoemt, overmits henluyden Sonde met willige vergetelheyt bedeckt zijn, ende inde onschult Christi niet toegherekent en werden, 11 11 1. Joan. 1. 7 gemerckt sy inden Lichte wandelen.
Also en ist niet metten gesteltenisse der mannen, soo vele het Sondigen betreffet. Want dese nu door den Heylighen Geest in alle waarheyt gheleyt zijnde, hebbende geoeffende sinnen ende door de Godtlijcke werckinghe verworven hebbende vermoghen na den goeden wille, 12 12 Phil. 1. 13. hebben inder kracht Godes den quaden overwonnen, ende alsoo de quade gewoonte gantschelijc vernielt hebbende, bevinden sodanighen daatvaardighe gestaltenisse ofte gewoonte der deuchden in sich dat sy t’goede verstaan, vermoghen, volbrengen ende doen (na de belofte) 13 13 Luc.1. 74. 75. alle de dagen haars Levens voorts den Heere dienende in Heyligheydt ende gherechtigheydt die hem aanghenaam is.
Laat ons nu nemen dat d’Apostel Sanct Jan in 2. Capittel beschreven hebbende den aart ende ghestaltenisse van beyde dese Kinderen Godes, te weten van Kinderkens ende van Mannen, ende hier int derde Capittel op dese plaatse in questie den volwassen mannen alleen voorneemt, henluyder aardt ende staat noch breeder verclaart, sonder den Kinderkens daar onder te begrijpen: soude dat oock vreemt luyden? Wie siet niet sulcke wijse van doen gemeen te zijn by dē Apostelen? Dit weten sy best die totten Romeren opmerckinghe hebbē genomen hoe d’Apostel daar handelt, nu der Joden, dan der Heydenen, dan hen beyde, sake, sonder nochtans eenige duydelijcke ofte woordelijcke verclaringhe van sodanige sijn veranderinghe der personen daar te stellen, seker hy en sal in dese meeninge (mijns beduckens) geen ongeschicktheyt altoos vinden, die hier maar aandachtelijck merckt hoe Sanct Jan in desen


brief ordentlijck vande Trappe des swacken Kintsheyt opstijghende is totte stercke Manheyt de selve den Kinderkens voor ooghen stellende met lieflijcken vermane van niet altijdt inde zondighende Kintsheyt te blijven, maar daar uyt op te wassen tot de recht gehoorsame Manheyt.
Maar so yemant hier seyt, dat des Apostels woorden hier niet en melden dat hy alleen vanden Mannen, eñ niet vanden kinderkens uyt Gode gheboren zijnde spreect, als houdende simpelijck die uyt Gode gheboren zijn &c. Die moet verstaan dat soo sulcx daar by stont hier gheenswarigheyt altoos en souden vallen, soo’t oock noch en valt voor den genen die den ommestanden voor ende na te recht can aanmercken, ghemerckt die alle sulcx klaarlijck met brenghen. Neeme dat eenigh huysgesins vader, hebbende volwassen mannen ende ooc suygelinghen tot kinderen, also sprake tot yemanden: mijne kinderen doen alles na mijnen wille in reysen, in coopmanschappen, in acker bouwen ende in alles dat ick bevele. Wie soude so onvernuftigh zijn dat hy onder dat woort, mijne kinderen, hier verstaan soude mogen oock sijne suygende Kinderkens begrepen te wesen? connen die oock reysen, coopmanschappen, ofte ackeren?
Also schrijft Sanct Paulus, dat die Christo toebehoren, haren vleesche met sijnen lusten ende begeerlijckheyden ghecruyst hebben: behooren dan de kinderkens Christo noch niet toe, inden welcke dese cruycinge noch niet en is geschiet? Ick sie eenighe texten nu hier voor stellen: die Cruycen haren vleesche, laat ons die sulcx hier noch al nemen: so zijn die nieu geboren kinderkens, het quade noch doende ende het goede noch Latende, noch te swack, soo dat dese cruycinge noch nauwelijcx in hen te recht en is begonnen: behooren die daaromme Christo dan niet toe? Maar dese Apostel selve seyt also: Die zonde doet is uyten Duyvele. 1 1 1 Joan. 3. 8 Dit doen noch ter doot toe (soo veele nu houden) de kinderen Godes selve, zijn die dan oock uyten Duyvele? moghen sy teffens syn Godes eñ des Duyvels kinderen? sullen de Duyvels kinderen dan oock int Rijcke Godes gaan eñ daar erfgenamen Godes zijn? Immers d’Apostel Paulus schrijft: Die sonder huysvrouwe is, 2 2 1. Cor. 7, 32. die is sorghvuldigh inden dinghen die den Heere aangaan, ende hoe hy Gode sal behagen: Zijn sy alle t’samē sulcx die sonder huysvrouwe zijn? Wie mach dat ghelooven? So souden’t oock alle ongehuwde ghenaamde Christenen (ick swijge Heydenen, Turcken ende Joden) zijn. Moetmen hier dan onderscheyt maken tusschen den ongehouwden, die recht gheloovigh ende tusschen die die schijn gheloovigh zijn, sonder nochtans datter sulcken onderscheyt uytdruckelijck vanden Apostel by is gestelt: Waarom alsoo oock hier niet tusschen den Kinderen ende Mannen, uyt Gode gheboren zijnde?
Ja dat noch meer is, alsmen den ommestanden van des voorsz Apostels woorden te recht inziet, soude ick noch achten de selve met sulcken onderscheyt verstaan behooren te werden, sonder dat daar teghen eenighsins doen mach het woordeken Al. Want men ontallijcke plaatsen vindt inde H. Schrift daar dat woordeken Al staat, alleenlijck voor een deel, ja oock verde voort minstedeel, alsoo leestmen: 3 3 Isai. 40. 5. Alle vleesch sal ghesamentlijck sien t’ghunt des Heeren mondt heeft ghesproken. Dit feylt uu so veele dat alle de Ethiopiers, Indianen, &c. sulcx sagen, dat het ooc alle de Joden, immers de hartneckighe ende blinde Pharizeen ende Godeloose hoope, de meeste menighte zijnde, met openen ooghen teghenwoordigh zijnde niet en saghen. So leestmen mede. 4 4 Acto. 2. 12. En de inden laatsten dagen salt zyn (seyt de Heere) dat ick mynen Gheest sal storten op allen vleesche. Dat en is niet alleen niet gheschiedt op’t vleesch der dieren, maar oock niet op’t vleesch van’t meerdeel der menschen: ende also leestmen oock, 5 5 2. Co. . 3. 18. nu spieghelt haar in ons allen des Heeren claarheyt met onghedecten aanghesichte. Gheschiede dat dan oock mede opten vleeschelijcken Corinthiers, die noch melck drinckende gheen spijse en mochten verdraghen, men ziet dan noch dat desen voorsz mijnen merckelijcken ende nootlijcken onderscheyt niet en strijdet teghen dese woorden des Apostels, maar de selve met die voorgaande in allen wel vereenight.
Also houde ick (onder verbeteringhe) dat dit onderscheyt hier noodigh is om Sanct Johans voorsz woorden eygentlijck te verstaan, dat hy sprekende van’t zondigen der kinderen Godes, verstaat den swacken Kinderkens, 6 6 Phil. 4. 31. den goeden wille sonder macht hebbende, ende niet vandē volwassen Mannē, macht na wille hebbende: eñ wederomme dat hy sprekende van’t niet zondighen der Kinderen Godes, verstaat den stercken Mannen, nu machte na wille hebbende, so dat sy al verwonnen hebben, ende dat hy dit geenssins en spreeckt vanden goetwillighen ende onmachtigen Kinderkens. Twelck sulcx verstaan zijnde, wech neemt, niet alleen den schijnende strijdigheydt van des Apostels woorden, maar oock vande ghemeene opinie, gemerct dan noch blijckt dat Kinderen Godes ende uyt Godt herboren menschen noch moghen zondighen, ende mitsdien oock dat alle die noch zondighen niet uytghesloten en zijn buyten den Rijcke Godes. Inden welcken alleen ende in niemandt anders de Imputation van onschuldt ende gherechticheyt geschiet in Christo Jesu, dat oock geen cleyn licht en geeft inde materie vander Justificatien. Onbescheydenheyt ist soo wel datmen den Kinderen manlijcke, als den Mannen kintsche saken toeschrijft. Den Kinderen ende niet den Mannen voeght jonckheyt, zwackheyt, onverstant, dolen ende zondighen: Maar den Mannen ende niet den Kinderen voeght ouderdom, sterckheyt, wijsheyt, recht gaan eñ niet te zondigen. Het zondigen ende zwackheydt schrijft hier Sanct Jan den jonghen Kinderkens toe: maar de sterckheydt ende het niet zondighen den volwassen Mannen. Die nu een onreyn dier is met ongespouwen claeuwen, of vercken dat sonder erkouwen alles inslocket, ontbeert onderscheyt ende het sout der bescheydenheydt: maar de reyne erkauwende Dierkens met ghespleten clauwen weten in bescheydenheydt recht onderscheyt te maken ende verwerringhe te vermijden int eenvuldighe licht der waarheydt.

xj. Cappittel.
Derde tijt. Vanden Kinders uyt Gode gheboren hoedanigh die zijn, ende wat sy doen.

SO lange tot uwen besten (Leser) onledigh geweest zijnde inde voorsz nootsakelijcke verclaringe, wil ic nu comen totten derden tijt der Wedergeboorten, te weten daar die nu al is geschiet, ende daar het kindeken al is gheboren. Welcke tijdt oock behelst drie voorneemlijcke tijden, als te weten den tijt des Kintsheyts, den tijt des Manheyts eñ dē tijt des Ouderdoms.


Ende want men in een Ooghenblick niet en verandert uyt een Kint in een Man: soo heeft de Kintheyt oock in sich verscheydenheyt van tijdt, als een die de Gheboorte ende een die de Manheyt naaste is, ende een tijt tusschen dese twee, gelijck des Lentens beginne den Winter eñ sijn eynde den Somer naast is, ende na elcx aart aardet, ende het midden dat tusschen beyden is. Alsoo zijn de Kinderen in’t eerste Kinderkens, int laaste Jongelingen, eñ int midden Knechtghens of Meysken, soo datmens ghemeenlijck noemt een Kint tot sijn acht, een Knechtgen tot zijn sestien, ende een Jongeling tot zijn vier-en-twintich Jaren, doch en werdt dese Gheestelijcke Kintschappe alsoo niet nae den Jaren, maar wel na de opwassinghe in Verstant ende Kracht onderscheyden.
In de voorsz eerste twee Trappen der kintsheyt, mercktmen uytwendelijck luttel onderscheyts tusschen Isaac ende Ismaal. 1 1 Gala. 3. 24.
Gemerckt het onverstandighe ende swacke (doch vrye) kindekē ofte knechtgen even so wel staat onder den Tuchtmeester de Wet, als de eygen knecht. Maar inden Jonghelinghen begint sich onderscheyt te laten mercken als die (gelijck de dagheraat den klaren Dach) de Manheyt nu al is ghenakende. Ende omme in’t langhe verklaren van dese drye onderscheydenlijcke Kindtsche tijden mijn voorghenomen kordtheydt niet te buyten te gaan, wil ick in’t alghemeen daar af spreken.
Dit Kint Godes heeft ende doet quaat ende goet. Het quade dat het noch heeft, ist overblijfsele sijnder siecten, te weten onverstant ende Swackheyt. Het Onverstandt doet hem noch dickmaal in’t Oordeel dolen. So doet hem de Swackheyt noch dickmaal vallen. Want al is schoon nu al in hem een algemeyne Waarheyts kennisse van quaat ende goet, soo dat hy Gode voor goet, ende sich self met alle zijnen eyghendomme voor quaat verstaat ende sulcx bekent, dat hy sich zelve in allen wil begeven ende verlaten, ende hem selve Gode opgeoffert heeft ende dien alleen wil aankleven, so en is hem noch niet particulierlijck ofte van stuck tot stucke, alle zijne quaadtheydt recht grondtlijck kondt, daar door hy oock noch onderwijlen moet dolen. Ende al heeft hy nu oock den goeden wille om te laten het quade (dats hem selve met alle t’zijne) ende Gode met alle dat Godtlijck is te aanhangen, soo ghebreeckt desen Jongen wille noch vermoghen om sulck ghewilde te volbrenghen. Want hem aankleeft noch de quade ghewoonte, het Lichame der sonden ofte overblijfsele des ouden Menschen, als een inwoonende Sonde, die noch in hem is een stercke Goliath ten Quaden. Daar teghen is dese nieugeboren David, de nieuwe Mensche, het Lichame der gherechticheydt ende ghewoonte ten goeden in hem noch te teerder ofte swack om al t’ghewilde goedt te volbrenghen, d’welck doch in der opwassinghe eyntlijck zal gheschieden met doodinghe van den Goliath in’t Cruycen van den vleesche met zijne lusten ende begeerlijckeyden.
Op dat sich nu hier niet en vergrijpe eenigh Knecht ofte Huyrlingh, daar inne, dat sy voor den tijdt ende sonder waarheyt, hem sich deser Kindtschappen aan-nemen, overmits syluyden mede eenrehande goede wille, oock mede groote swackheydt ende onverstandt in sich bevinden, soo versta ick den rechten onderscheyt 2 2 onderscheyt tusschen Knecht, Huyrlingh, ende Kindt tusschen den Kint ende tusschen den Huyrlingh ofte Knecht daar inne te bestaan, dat (soo nu al gehoort is) de Knecht de straffe hatet, maar niet het quade, ende de Huyrlingh het loon bemint, maar niet het goede, t’welck gheheel anders is metten waren Kinde. Want dat hatet waarlijck het quade, al waarder schoon gheen straf, ja al waarder oock loon by, ende het bemint het goede, al waarder gheen loon, maar oock straf by, ende dit is de Godtlijcke aart ende het ware beelt des Vaders in desen Godes Kinderen. Die zijn nu so geheel omgekeert ende van andere Natuere gheworden, dat gelijck sy te vooren een lust hadden ten quaden, eñ een walginge ten goeden, nu ter contrarien hebben een lust ten goeden eñ een walginge ten quadē. So wie dese veranderinge van naturen eñ dese Godtlijcken aart noch in sich niet en bevindet inder Waarheyt (niet in een Wane uyt lesen of hooren seggen alleenlijck ingebeeldet zijnde) die hoede sich te verdervē met die verblijvelijcke eñ verderflijcke wane vã een kint Godes te wesē.
In den Kinderkens hebbe ick gheseydt noch te wesen quaat, te weten onverstant ende quade Ghewoonte. Doort onverstant komet dat sy alle quaadt ende alle goet noch niet grondtlijck en kennen. Dese onkunde veroorsaackt noch eenighe roeckeloos heyt, in’t niet voorhoeden van’t quade, ende oock slapheyt int niet benaarstighen van’t goede, daar door syluyden noch somtijts in’t Oordeel missen onvoorsichtelijck in’t quade gheraecken, het goede versuymen, ende in jeuchdelijcke begheerten dolende, t’ghene henluyden quaat is benaarstighen ende het goede vermijden Als syluyden dan noch al schoon in eenighe dinghen rechte kennisse recht Oordeel recht afschouwen, ende rechte begeerte hebben, soo is in henluyden noch die aanklevende boose Ghewoonheyt, die Swackheyt ten goeden ende daatvaardigheyt ten quaden, henluyden belettende alle t’gewilde quade te laten.
Dit is’t quade dat dees Kinderkens noch doen, t’welck hen (soo gheseyt is) genadelijc in Christo gherechtigheyt wert quijt gheschouden ende niet toegerekent. Daar inne bestaat dan alleen henluyden Rechtvaardigheyt: dat henluyden de Sonden niet, ende de Gherechticheyt Christi al wert toegherekent uyt Vaderlijcker ghenaden. Want sodanighe zijn’t totten welcken onse Heere sprack: De Gheest is willigh, maar t’Vleesch is swack. Doch moet dese swackheyt (blijven sy hier Levende) nootlijch verhuysen als sy ghesterckt sullen werden mette kracht uyten hogen: somen heeft mogen sien in desen selven swacken Apostel, die eerst, als hy 3 3 Act. 4. 13. 4 4 Act. 5. 41. in dese Kintsche swackheydt stont, den Heere versaackte: maar na den Pincxterdagh soo stercken ende stantvastighen Man was, dat hy den Doodt verachte ende sich in’t lijden om des Heeren Naams willen verblijden konde.
Onder dit vallen ende opstaan Wassen dese Kinderen Godes allencxkens op totter volkomen Manheyt toe: ende dit is het sondigen der Kinderen Godes, dewelcke versekert zijnde 5 5 I. Joan 4. 1 dat de lieve, barmhertighe ende ghenadenrijcke Godt, haren Vader nu is, in ende door Jesum Christum onsen Heere,door den selven haren voorsprake by den Vader, ende volkomen versoeninghe haarder Zonden, den selven haeren 6 6 I Joã. 1. 12 lieven Vader bidden om ghenadighe vergevinghe haarder Sonden, die syluyden, oock door den Name Christi altijt ontwijfelijck verwerven. Sulck bidden inder Waarheyt, met voorgaande belijdinghe haarder Sonden, oock bywijlen verwinninghe van’t quade, ende Hertgrondtlijck bedancken van de Godtlijcke ghenade, zijn de voorneemlijckste stucken van’t goede dat dese Kinderen Godes wercken.


Want in’t dickmaal vallen bevinden sy soo warachtelijck henluyder swackheyt ende aanklevende Quaatheydt dat sy daar door in rechte vernederinghe met grondtlijck leedtwesen warachtige belijdinge doen vã hare sondelijcke Swackheyt. Sy bidden inden geest eñ waarheydt om verghevinghe haarder Sonden, oock mede om Wijsheyt ende Kracht, die Henluyden dan oock vanden Vader des lichts ende gever alder goeder gaven, na de mate van henluyder Ouderdom, wert ghegeven. Daar door eñ in welcke Wijsheyt sy bywijlen het Quaede voor hoeden, ende in welcke kracht sy oock somtijts den boosen verwinnen. Waar uyt dan oock voortkomt het vrolijcke Danckoffer, alsoo sy dan, wel wetende van wien henluyden sulcx komt, de selve gaeven danckelijck den Heere als sijnen eyghendom met prijs ende eerbiedinghe weder opdraghen.
Dit heeft aldus zijnen tijdt ende Ganck in den Kinderen, in den welcken also te met voortgaande ende Opwassende de Swackheydt met Sampt het Onverstant ende quade Gewoonte verminderen, inder welcker plaatse dan allencxkens weder opwassē het verstant, cracht, ende goede Gewoonte. Want even so vele d’een uyt gaet, even soo vele komt d’ander daar inne, ende alsoo metter tijdt tot meer ende meer Verstants, Machts, ende goede gewoonheyts Opwassende, wert het Knechtgen een Jonghelingh, begint metten Wapenen der Gerechtigheyt nu wat Manlijcker te Strijden, ende ter Contrarien van voormaals, selden verwonnen te werden ende dickmaal te verwinnen: tot dat de rechte Manheyt in hem begint. 1 1 Phil.2. 13. Daar werckt dan Godt het vermogen na den goeden wille. So dat daar dan so weynigh het vermoghen als het willen ontbreeckt. Maar eermen daar toe gheraackt, wert te recht gheseydt van desen Kinderen (ende dat noch van elck na sijnen grade) alle t’gunt men uyt der H. Schrift plach te trecken tot bewijs van der Christenen Kranckheyt Onverstant, Sondighen, ende onvolmaacktheyt. Ghemerckt dese Kinderen even soo wel Kinderen Godes ende Christenen zijn, als de volwassen Mannen. Ende so zulcke sproken te recht daar toe worden ghebruyckt, soo worden sy wederomme gantsch misbruyct, alsmen die onbescheydelijck duyder opten Mannen, nu al rijp van verstande, sterck van vermogen ende vast in goede oeffeninge wesende: want sulcx wech neemt alle den onderscheyt (die groot is) tusschen Mannen ende Kinderen in Christo.

xij. Capittel.

Van der Mannen wesen ende doen.

ENde komende ten laatsten van de Kinderen aanden mannen, staat te letten dat indē mānen zijn twee tijden, te weten, een van Strijd, ende een van Vrede. Inden tijt des Strijts is noch eenigh quaat in hem, maar dat wert volkomentlijck Ghedoodet ende gantschelijck uytgeroedet, overmits by die goede wille nu oock in hem is Verstant ende macht daar door God in hem oock werckt het volbrenghen. Seker waar wille ende macht te saemen komen, daar moet oock nootsakelijck het werck of volbrenghen van’t ghewilde volghen. Wat wil nu dese Man? 2 2 2. Tes. 5. 23. Dat syn Lyf, syn Siele ende synen Gheest Gheheylight sy, ende in hem gheheel onstraflyck bewaart werde tot opten toekomste ons Heeren Iesu Christi. Ende wetende uyt Versochtheydt den waren Godt, die hen zulcx belooft heeft, 3 3 2. Cor, 1. 18. soo ghetrou te zijn, dat hy’t oock sal doen daar hyse toe geroepen heeft? ende henluyden bevestigen sal ende van’t quade beschermen, omme te werden soodanigh als hyse al voor des Werelts 4 4 2. Thes. 3. 3. Scheppinghe toe heeft uytverkoren, te weten Heylich, ende onbevleckt inder Liefden voor sijnen Ooghen. 5 5 Ephe. 1. 4 Soo ghelooft hy hier inne sijnen Vader ende Godt ontwijfelijck, ende bestaat in sulcken Werelt verwinnenden Geloove met vaster Hopen in volmaackter Liefden in ende met Christo Jesu het quade uyter Jongelingschap noch in hem overghebleven zijnde, grontlijcken uyt te Roeden, als die nu wel weet dat Christus gheen blijvende plaatse en mach hebben daar Belial noch eenighsins blijft Woonende.
Dese Strijtbare Helt, verstaat inder Waarheyt dat hy te Strijden heeft met een Vyandt, wiens Krachte nu meest al in hem verdwenen ende door Christum eens volkomentlijck ververwonnen is geweest. Hy weet oock hem selve van die kleyne te zijn die in Duysenden zijn gewassen, 6 6 Esai. 6. 22 so dat hy nu so machtich is inden Heere Christo, dat hy’t in Christo alles sal vermogen Hy bevint inder Waarheyt dat Emanuel in hem is, daar door hy ghetroostelijck derf seggen: Is Godt met ons, wie mach tegē ons syn? 7 7 Rom. 8. 31. ende hy siet ontwijfelijck Godes wille te zijn dat hy’t quaede in sich zelve gantschelijck verniele, op dat Godt, zijn Vader, zijn Rijck alleen in hem hebbe, dat Godes wille, ghelijck als in de Hemelen, alsoo oock in hem gheschiede hier op Aarden, ende dat Godes Name alsoo door ende in hem ghepresen ende Gheheylicht werde, overmits den blijcke vande Milde beschenckinghe sijnder ghenaeden ende waarachtigh Verlossinghe van den Quaeden. Daaromme Biddet hy voor ende onder t’Gevecht, om sulcx inden Geest (soo’t een gheestelijcke handel is) ende inde Waarheyt (soo’t hem gheen spot) maar te recht ernst is) ende dit alles nae den wille Godes, met altoos twijfelende of zijn ghetrouwe Vader en sal gheloove houden, zijn zelfs wille in hem volbrenghen, ende zijnen vyant, verjagen, vernielen, ende als stof in hem doen verdwijnen.
Soodanich uyt Godt gheboren Man verwint de Werelt: ende dit ist warachtighe geloove 8 8 1. Joan. 5. 4.
d'welck zijn Seghe is ende dat de werelt verwindt. Wie mach nu doch meer aan dese verwinninghe twijfelen? Men aanmercke den Velt-Heeren ende Crijgs-luyden aan wedersijden, ende allen mistrouwen zal vervlieghen als een Nevele voor de Sonne. Aan d’een sijde is Overste de Duyvele: wat vermach dese verwonnen booswicht teghen den Almoghenden Heere der Heyrscharen Godt? Wat vermach de vluchtighe Loghen tegen de alverwinnende Waarheyt? Wat vermach de verwonnen werelt teghen zijnen verwinner? De gedoode doot teghen het Leventmakende Leven? Het swacke Vleesch tegen den stercken Geest Godes? Ende de quynende,Verdwijnende ende stervende Ouden Adam tegen den gesontmakenden, eeuwich blijvenden ende Levendtmakenden, Vitoriosen nieuwen Adam? 9 9 Psal. 90. 7. die is nu zijn Swaart, zijn Schilt, ende vernielt alle sijne Vyanden, vande welcke vallen aan zijn lincker zijde Duysent ende aan zijn rechter zijde Tien-duysent, ende en moghen hem niet meer ghenaken, ick laat staan dat hem dese verwonnen ende nu in hem ghedoode boos wicht soude moghen 10 10 1 Joan. 5. 18


raken. Want alle de hoovaardige ende quaatdoenders in hem, zijn als stoppelen voor de 1 1 Mala. 4. 1. vlammen van desen daghe des Heeren sulcx vernielt, datter noch wortel, noch zaadt van en is overghebleven. 2 2 Apoc. 2. 11. Dese verwinnende Heldt, also hier de Zonde 3 3 Ezech 36. 25 ende Doot eens te recht overwonnen hebbende, en sal van de tweede Doodt niet ghequetst werden. Want in sodanighen Man is geschiet de beloofde suyveringhe, de a 4 4 a Zach. 13. 2 onreyne gheest, de b 5 5 b Mich. 5. 12.boosheyt ende de c 6 6 c 1. Joan. 3. 5.Zonde is wech ghenomen, eñ des Duyvels werckinge is te niete ghemaackt. Alle die d 7 7 d Sopho. 3. 19.hem quelden zijn gedoodet. Want sijne e 8 8 e Mich. 5. 9handen also verheven zijn gheweest over sijne vyanden, dat sy alt’samen vernielt zijn. Sulcx f 9 9 f Mala. 4. 3dat de Godtloose nu tot asschen geworden zijnde onder de planten sijnder voeten nu wert vertredē. De g 10 10 g Esai. 26. 3 oude dolinghe (der jonckheyt) ts wech ghegaan. De h 11 11 h 1. Joan. 2 8.duysternissen (des onverstandts) zijn verdwenen, hy i 12 12 i Joan. 11. 9wandelt voortaan in’t Licht, sonder sich meer te stooten (swijghe sneuvelen ofte vallen.) De k 13 13 k Esai. 25. 8tranen zijn afghedwoghen van sijnen aansichte, l 14 14 l Esai. 35. 11droefheyt ende suchten zijn wech ghevloden, m 15 15 m Oze. 2. 18
t’Swaardt ende het Oorloghe zijn wech genomen uyt (sijnen aartrijcke, de n 16 16 n Mich. 4. 3Swaarden zijn tot sichelen ghesmedet. De o 17 17 o Esa. 61. 25Wolf ende t’Schaap weyden nu by den anderen, ende hy is nu opten heyligen Berghe Godes p 18 18 p Esai 61. 25daar men niet meer schadelijck is nochte doodet. Want hy q 19 19 q Gene. 22. 27besit nu de poorten sijnder vyandē in eñ met sijnen Heere, de zondelijcke Middelwandt is geheel wech, eñ heeft vrede r 20 20 r Ephe. 2. 15door eñ in Christo met Gode. Ja hy is nu in s 21 21 s Joan. 17. 21.
Christo self een met Gode.
Hier is de waarachtighe t 22 22 t Joan. 14. 26.Vrede die Christus den sijnen geeft, een v 23 23 v Esai. 9. 7.oneyndtlijcke Vrede. Want hy is waarachtelijck de x 24 24 x Rom. 6. 7.
Zonde doot, Leeft y 25 25 y Petr. 2. 24.
nu Gode, is inder Waarheyt heylich, ja selve de z 26 26 z 2. Cor. 5. 21Gherechtigheyt Godes gheworden inden Heere Christo. In sodanigen volwassen Man, die t’quade verwonnen heeft is het vreedtsame Rijcke Christi onses Salomons, de welcke is Gherechtigheyt, Vrede, eñ Blijdtschappe in den heyligen Geest. Want 27 27 Rom. 14. 17daar nyemant meer onghelijck en gheschiedt, 28 28 Isai. 9. 3.
daar is Vrede, eñ daar verblijdtmen metten geest indē Heere. Daar leydt sich dat a 29 29 a Sophe. 3. 13.
Schaapken neder, ende rust b 30 30 b Ezech. 34 14.zich in groene Weyden, c 31 31 c Jere. 23. 6 woont getroostelijck, ende en d 32 32 d Sop. 3. 15vreest gheen quaat meer. Want e 33 33 e Sop. 3. 13.daar is nyemant meer die verschricket. Gheen f 34 34 f Esai. 3. 9.Leeuwe nochte quaat beest wert hier meer ghevonden, soo datmer g 35 35 g Ezech. 34. 25.veyligh slaapt inden Velden. Want zijn Herder is Christus, die h 36 36 h Joan. 17. 12.wel bewaart alle wat hem van den Vader is ghegeven. De i 37 37 i Joan. 17. 15.Vader selve bewaart hem oock van alle quaat, 38 38 2. Cessa. 3. 3soo sorghvuldelijck als k 39 39 k Sach. 2. 8sijn selfs Oogh-appele. Christus is hier l 40 40 l Ezech. 37 22.de eenighe Coning die over alsodanighe Mannen heerschapt. Saligh zijn de Schepselen die alsoo van haren m 41 41 m Esa 54. 5.
Scheppere gheregeert werden.
Maar hoe sorghlijcken ende onsaligen ding ist wederomme voor allen den ghenen die noch inder Waarheydt tot desen Manlijcken state, eñ tot dese Overwinninghe, Vrede, ende Onderdanigheydt Christi niet en zijn ghekomen ende sicht des aannemen in eenen bedrieghlijcken Goedtdunckenheyt? Want al dromen sy nu schoon een wijlken, dat sy hongerigh zijnde sadt eten, sy sullen noch eens met ydelen darmen wacker worden (Godt gheve dat het niet te spade en valle) ende haren honger met doodtlijcker smerten ondervindē. Ende nademaal ick hier gekomen ben tot den volwassen Man, die hier in’t korte met sijnē aart, werck, ende rust is beschreven, wil ick hier met ophouden, als ghekomen zijnde tot het eynde mijns voornemens. Latende anderen, die verder zijn ende sien voort-varen (believet hun) mette beschrijvinghe der Vaderen ofte Ouderen, dat mede kinderen Godes zijn, ende aan’t eynde van dese Manheyt eerst haar beghinne nemen.

Anno 1574. D. V. C.
_______________________________________________________
In plaatse van een cort besluyt leser, stelle ic u hier t’inhouden vande capittelen, sulck kort verhaal in sich hebbende, ende u tot aanvvijsinghe van t’selve dienende

1. Cap. Fol. 178. c. Korte beschrijvinghe wat VVedergheboorte is.
2. Cap. . . . . Vande Onboetvaerdighe Sondaars.
3. Cap. . . . d. Vanden Slach-vreesenden Knecht.
4. Cap. . . . . Vande Loonsuchtighe Huerlingh.
5. Cap. Fol. 179. b. Vande ontfanghenisse.
6. Cap. . . . . Van’t soecken Godes.
7. Cap. . . . d. Van’t Onderwijsen Godes
8. Cap. Fol. 180 a . Vande Godtlijcke Vereeneginge metten Mensche.
9. Cap. . . . b. Vande wedergheboorte self.
10. Cap. Fol. 181. b. Hoemen verstaan mach dat die Kinderen Godts noch Sondighen, ende daar beneven dat hy niet en mach Sondighen die uyt Godt is geboren.
11. Cap Fol. 183. b. vande Kinderkens uyt Gode geboren , hoe danich die zyn, enbe wat die doen.
12. Cap. Fol. 184. 2. vander Manne wesen ende doen.

Eynde.

"""Vande wedergheboorte, hoe die gheschiet,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1632."