I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Hoe noodigh het zy dat elck mensche sekerlijck wete of hy geloovigh is dan nyet, ende van den onderscheyt tusschen het ware ende valsche gheloove."""
"""Hoe noodigh het zy dat elck mensche sekerlijck wete of hy geloovigh is dan nyet, ende van den onderscheyt tusschen het ware ende valsche gheloove."""


Hoe noodigh het zy dat elck Mensche sekerlijck wete of hy geloovigh is dan nyet, ende van den Onderscheyt tusschen het ware ende valsche Gheloove.

2.Corint.13.5.
Ondersoeckt u selve of ghy oock zijt in den Gheloove, etc.

De H. Gheest betuyght naacktelijck in de Goddelijcke Schrift, dat de ghene die nyet en a ghelooft, 1 1 a Hebr .11.6 Gode en nyet mach behaghen, 2 2 b Hebr .3.18 dat hy nyet in de b ruste Godes en 3 3 c Ioā. 3.36. mach komē, dat hy het c Leven nyet en sal sien, maar onder den toorn Godes blijven, 4 4 d Ioā .8.24. ja dat hy in sijne zondē sal d stervē en e verdoemt worden. 5 5 e Marc .16.16. Welcke ontwijfelijcke Oordelen Godes wel behooren te verstrecken vreeslijcke donderslagen voor allen roeckeloosen Menschen, omme henluyden uyt den droome haarder Onachtsaamheyt te wecken, en henluyden met aandacht te doen aanmercken, hoe noodtsakelijck het Geloove is ter Saligheyt, die van alle Menschen begheert werdt, maar van weynighen wert verkreghen, te weten alleen van de Geloovigen. Want sulck ontwaken hem soude moghen dienen tot en opstandt uyten slape der zonden, ende tot een vlijtigh ondersoeck door behoorlijcke middelen, of sy in hen luyden oock hebben het waarachtige Gheloove, maar in-dien neen, om dat te moghen begheeren ende verwerven.
Sulcx is oyt van noode gheweest tot allen tijden, maar is nu sonderlinghen noodigh onder die menighvuldige verwerringen der valsche Gelooven, krachtelijck tegenwoordighlijck loop hebbende. Ick hoore wel elckē veele van't ware Gheloove beroemen : maar bemercke dat by weynighen inder waarheydt te wesen. Lieve wat baat doch den krancken sijnen roem van een goet Medicus te hebbē, van desselfs oprechte recepten en van der selver geneselijcke krachten: als hy't maar by den woorden laat blijven, des Medecijn-meesters raadt nyet dadelijck en volght, en die Recepten nyet inne en neemt, daar door hy in sijne kranckheyt blijft, toe-neemt ende verarghet?
Nu en isser maar een gesondt of gesondtmakende, dat is salighmakēde Geloove. Dit wanen veele te hebben die een venijnigh, valsch en verdoemelijck Geloove hebben. So lange dese waan in henluydē blijft, moet oock dit Waangeloof of valsch Geloof in henluyden blijven. Dit doet meest elck in hare sieckte, zonden ende quaatheyt (t´welck der Zielen sieckte is) jammerlijck volherden. Tot sodanighe sprack de Heere: 6 6 Ioan .9.4.1. Waar't soo, dat ghyluyden blindt waart, soo en soudy gheen zonde hebben : maar nu ghyluyden segt, wy sien, soo blijft u zonde. Dit zijn de Rijcken (van Kennisse ende Gheloove in haar selfs ooghen) 7 7 Luc . 1.5.3. die van Gode ydel werden ghelaten, ende dit zijn die Waanweters die daar wanende te weten, 8 8 1. Cor .8.2. noch nyet en weten soo men weten soude. Voor soodanighen en werdt hier nyet ghearbeyt, maar alleen voor den ghenen die haar blindtheyt, ydelheyt ende onwetenheyt bekennē : Ick meyne voor den armgeestigen, bedroefden en bekommerdē herten, die daar noch onseker zijn, van dat sy het ware Gheloove hebben, of die seker zijn, dat sy het waarachtighe Geloove nyet en hebben.
Om de welcke beyde met mijn kleyn Pondeken tot aanwijsinghe in desen te dienen, mijn voornemen al hier is te verklaren (ende dit al uyt klare ghetuyghnissen der Godtlijcker Schriftuyren) waar by de Mensch sekerlijck sal moghen weten of sijn Gheloove valsch is, dan waarachtigh : ende oock door wat middelen het ware Gheloove werdt verworven. Maar want nyemant en arbeyt omme te verwerven t´ghene hy nu al waant te hebben, soo moet het eerst den voorgang hier oock hebben, te weten die Kennisse, oft Gheloove datmen heeft, valsch is dan oprecht. T´welck oock hooghnodigh om gheweten te worden verstaan was by den Apostel Paulum, als hy tot dē Corinthiers seyde: 9 9 2. Cor .13.5. Ondersoeckt u selve, of ghy in den Gheloove zijt : Ende totten Galateren : 10 10 Galat .6.3. Die hem self wat waant te zijn, als hy noch nyet en is, verleydt sich selve.

ij. Capittel
Wat noodigh is om seker te weten of men het ware, dan een valsch Gheloove heeft.

Omme dan na den bevelen Pauli te ondersoecken of wy oock zijn in den Gheloove, dat is, of t’Gheloove dat wy hebben het ware Gheloove is dan nyet : achte ick van noode dat wy kennisse hebben van de gedaante ofte aart des waren Ghelooves, ende daar beneven oock van onsen eyghen state ende aart. Want hoe mach yemandt weten of hy in sich heeft, een ding, welcx ghedaante ofte aart hem onbekent is? Of hy dat ding dan oock al kende, hoe mach hy weten oft in hem is, als hy sijn eyghen staat of aart nyet en kent? Maar kennen wy de ghedaanten van beyde te recht, te weten van´t ware Gheloove ende oock van ons selve : soo valter nyet lichters om verstaan dan of wy in den waren Gheloove zijn dan nyet. Want bevinden wy ons hert, lust, sinne, leven ende wandel van ghelijcker aart ende ghedaante te zijn, als die aart ende gedaante is van´t ware Gheloove, hoe moghen wy twijfelen aan't hebben in ons van't ware Gheloove? Maar vinden wy alle sulcx in ons te zijn gantsch onghelijck den aart ende ghedaante des waren Ghelooves: wy sullen sekerlijck moghen weten dat wy nyet en zijn in den Gheloove, dat is het ware Gheloove nyet en zy in ons.

iij.Capittel
Van ses verscheyden staten der Menschen.

Beroerēde nu elckerlijcker state, en mach nyemant van andere leeren : maar moet van


sich elck selve door wackere Opmerckinghe van sijn doen ende laten, in´t Licht der ghenaden, gemerckt, verstaan en ondervonden worden. Want wat Mensche weet wat in den Mensche zy, 1 1 1.Cor.2.11 dan de Gheest Godes die daar is inden Mensche? Doch om in dese groote sake nyet geheel stom te zijn, vinde ick dese verscheyden staten der Menschen (sonder meer) in de Goddelijcke Schrifture : te weten, dat alle Mensche is een Zondaar of een Heylighe. Die Zondaar is onboetvaardigh (dats in zonden verhardt) of hy is boetvaardigh. De onboetvaardighe Zondaar is een Godloos, a ende heeft een lust in't quaat doen. Maar die Boetvaardighe Zondaar laat het quade, nyet uyt hate van't quade, maar uyt b vreese van de ghedreyghde straffe, dit is een knecht : of hy doet dat goet is, nyet uyt Liefde ten goeden, maar op hope van loon, ende dit is een c Huyrlingh: alhoewel nu de vreese des Heeren t'beghinsel der Wijsheyt is ( nyet het eynde ) ende die Mosaische loonsuchtigheyt voorderlijck is tot naarder kennisse Godes, soo dat dit d'eerste twee trappen zijn ter Godtsaligheyt : soo en mach nochtans gheen van beyden op die trappe ende in sulcken staat stadigh blijvende, deelachtigh worden der Erffenisse Christi. Want dese ghenyeten alleen de kinderen Godes, dat Heylighen zijn ende t'quade haten, oock t'goede lieven, soo dat hen grouwelt van t'quade al en stondt daar gheen straffe by, ende dat hen t'goede van herten lust, al en waar daar gheen belofte van loon. Welcker kinderen Godes oock dryereleye zijn, te weten d kinderkens die t'goede wel willen, maar noch niet na wille volbrenghen konnen, overmits haar swacke jonckheydt: e Mannen die den quaden verwinnen konnen of verwonnē hebben in Christo die haar sterckt, ende f Ouderlinghen die inder Waarheydt ghekent hebben, ende kennen den ghenen die van aanbeginne was, dats Christum Jesum het Woort Godes.

a Godtloos.

Die daar verblijden als sy quaat ghedaan hebben, 2 2 Pro .2.14. ende sich verlustighen in de alder quaatste dinghen.
Des Godtloosen ziele begheert het quade, ende en ontbermt sich nyet over sijn Naasten. 3 3 Pro .21.10.
De Godtloose jaaght vlijtelijck na t'quade.
Maar die de boosheyt bemint, 4 4 Pro .12.12. haat sijn ziele. 5 5 Psal .10.5.

b Knecht.

Nu en heet ick u nyet knechten, want de knecht en weet nyet wat sijn Heere doet, 6 6 Ioan .15.15 maar ick heet u vrunden, want ick u al dat ick van mijnen Vader ghehoort hebbe, kondt heb ghedaan.
Maar wat seydt de Schrifture : Stoot uyt die Dienstmaarte met haar soon. 7 7 Galat .4.30 Want der Dienstmaarten soon en sal gheen Erfgenaam zijn, maar de soon des vryen.
Ben ick dan u Vader, waar is mijn Eere? Ende ben ick u Heere, 8 8 Malach.1.6 waar is mijn vreese?
Vreese en is nyet in de Liefde, maar die volmaackte Liefde drijft de vreese uyt, 9 9 1. Ioan .4.18 want de vreese heeft pijne, &c.
Maar siende veele Pharizeen ende Saduceen komen tot sijnen Doopsele, 10 10 Matth . 3.7. seyde hy henluyden: Wie heeft u luyden O adderen geslachten onderricht, dat ghy den toorn Godes soudt ontvluchten? Doet daarom vruchten die des berous waardigh zijn, &c.
Want ghy en hebt nyet wederom ontfanghen 11 11 Rom .8.15. den gheest der Dienstbaarheyds in vreesen.

c Huyrling.

De Vreemdeling ende Huyrling en sal daar af 12 12 Exo .12.45 (van't Paaschlam) nyet eten.
Ende de Huyrling en sal daar af (van de gheheylighden) 13 13 Levit .22.10 nyet eten.
Ghelijck een Huyrling verbeydt na t'eynde 14 14 Iob .7.2. sijns wercks.
Maar de Huyrling vliedet, 15 15 Ioan .10.13 want hy is een Huyrling, ende van den Schapē en komt hem nyet toe.
Ist dat ghy hoort de stemme dijns Heeren Godes, 16 16 Dev.28.1.*28. &c. so sal u de Heere stellen boven alle volckeren die opter Aerden zijn, alle dese segheninghen sullen op u komen, &c.
Hare Princen oordeelden om giften, 17 17 Mich .3.11. haar Priesters leerden om loon, ende haar Propheten voorseyden om gheldt.
Voorwaar segghe ick u, 18 18 Matth .6.2. sy hebben haar loon al ontfanghen.
Verblijdt u, 19 19 Matth .5.12 want u loon is overvloedigh in den Hemele.
Als ghy een Waarschap houdt ofte Avontmaal, 20 20 Luc .14.12. so en wilt daar toe nyet roepen u vrunden, noch, u broeders, noch u maghen, nochte u rijcke ghebuyren, op datse u nyet weder en nooden ende u des verghelden.
Daar en is nyemandt die daar verlaat een huys, 21 21 Luc .18.29 ofte Ouderen, ofte broeder, wijf, ofte kindt, om het Rijcke Godes willen, of hy en sal veele meer weder ontfanghen hier inder tijdt, ende in de toekomende Werelt het eeuwighe Leven.
Siet, 22 22 Mat .19.27. wy hebbent alles verlaten, ende zijn dy naghevolght, wat sullen wy daar voor hebben?

d Kinderkens.

So langhe de Erfghenaam een kindeken is, 23 23 Galat .4.1. en heeft hy gheen onderscheyt van den Knecht, nyet teghenstaande hy aller dinghen Heere is.
Maar zijn't kinderen, 24 24 Rom .8.17. soo zijn't oock Erfghenamen, Erfghenamen segghe ick, Godes, ende mede-Erfghenamen Christi.
Maar wy broeders zijn na Isaac kinderen der 25 25 Galat .4.28 beloften.
Want der Dienstmaarten sone en sal gheen Erfghenaam 26 26 Galat .4.30 zijn metten soon des vryen.
Also broeders en zijn wy nyet sonen des Dienstmaarts, 27 27 Galat .4.31 maar des vryen, met welcke vryheydt Christus ons begiftight heeft.
Want ghy en hebt nyet ontfangen wederomme 28 28 Rom .8.15. den gheest des Dienstbaarheydts in vreesen, maar ghy hebt ontfanghen den Gheest des kindtschaps, door welcke wy roepen Abba, Vader.
Sy zijn Gheestelijck ende Gheestelijck gesindt. 29 29 Rom .8.5.
Sy hebben ghesmaackt hoe soet dat de Heere 30 30 1. Pet .1.4. is.
Zijn al nyeu gheboren kinderkens, 31 31 1. Pet .2.2. begheerigh na de vernuftighe onghevalschte melck.
Ick schrijve u ghy kinderkens, 32 32 1. Ioā .2.12. want uwe zonken worden u om sijns Naams wille vergheven.
Alle die des melcks noch deelachtigh is, 33 33 Hebr .5.13. die is onversocht in't woort der Gherechtigheyt, want hy is een jong kindt.

Mannen of Jonghelinghen.

Ick schrijve u ghy Ionghelinghen, 34 34 1. Ioā .2.13 want ghy hebt den quaden overwonnen.


Ick schrijve u ghy Ionghelinghen, 1 1 1. Ioan .2.14 want ghy zijt sterck, ende het Woordt Godes blijft in u, ende ghy hebt den quaden overwonnen.
Die door't Gheloove Coninckrijcken 2 2 Hebr .11.33 verwonnen hebben, Rechtvaardigheydt ghewracht hebben, die beloften verkreghen hebben, 3 3 Hebr .11.34 der Leeuwen muylen verstopt hebben, die vlammen des vuyrs uyt ghebluscht hebben, die de scherpte des Swaardts ontkomen zijn, krachtigh zijn gheworden in swackheydt, sterck zijn gheworden in't Oorloghe, ende die heyrleghers der vreemden verjaaght hebben.
Dit zijn stercke Helden, 4 4 2. Pet .1.10 die door goede wercken haren Roep seker ghemaackt hebben, ende daarom nyet meer en zondighen.
Dien't een lust is Rechtvaardigheyt te wercken. 5 5 Pro .21.15.
Die in allen aanvechtinghen d'overhandt 6 6 Rom .8.35.36.37. houden.
Die als verwinner van den boom des Levens 7 7 Apoc .2.7. sal eten.
Ia die oock als Iacob van Gode self onverwonnen 8 8 Genes .32.28 blijven, &c.
Ick vermach het alles in Christo, die my sterckt.

Ouderlingen of Vaders.

Ick schrijve u ghy Vaders, 9 9 1 . Ioā .2.13 want ghy hebt hem ghekent die van den beginne was.
Maar onder den volmaackten spreken wy Wijsheyt. 10 10 1. Cor .2.6.
Maar den volmaackten betaamt stercke spijse, 11 11 Hebr .3.14. namentlijck den ghenen die door ghewoonheydt gheoeffende sinnen hebben, omme te onderscheyden het goede van't quade.
Op dat ghy mooght begrijpen met allen Heylighen, 12 12 Ephes .3.18 welck daar zy die breede, die langte, die hooghte ende die diepte, ende oock mooght weten die Liefde Christi, die doch alle kennisse te boven gaat, op dat ghy vervult werdet met alreleye volheyt Godes.
Ende Iacob noemde die plaatse Phanuel, 13 13 Gen .32.30. segghende : Ick hebbe den Heere van aenghesicht tot aenghesicht ghesien, ende mijn ziele is ghenesen.

Alsoo vindtmen in als dese ses staten, te weten, Godtloosen, Knechten, Huyrlinghen, Kinderen, Jonghelinghen ende Ouders. In een van dese state moet elck Mensch wesen. Ende na dien de Schrifture elck na sijnen state handelt, soo dat sy anders eyscht van den Man dan van den Kinde, anders van den Kinde dan van den Godtloose, etc. Soo ghelt hier een scherp opsien, dat nyemandt noch een Goodtloose zijnde, ofte een liefdeloose Knecht, of Huyrling, nyet tot sich en trecke t'gunt totten kinderen Godes is ghesproken, want sulcx gantsch verderffelijck valt. Soo't mede soude doen, als een boetvaardighe, bekommerde ende goedtwillighe Ziele, verlatende de troostelijcke Beloften ende Ghenaden-sproken tot hem eyghentlijck ghesproken zijnde, tot sich wilde trecken de grouwelijcke dreyghementen ende vloecken den onboetvaardighen alleen toekomende. Of dat de onboetvaardighe, hardtneckighe Godtloose sulcke dreyghementen hem alleen noodtlijck ende nut zijnde, verlatende, den Ghenaden-sproken tot sich name, die den boetvaardighen bedroefen, ende nyet hen toe-komen. Want soo sulcx den onboetvaardighen in een valsche sekerheydt soude verstijven : also soude t'selve den goetwillighen in vertwijfelde kleynmoedigheydt ende wanhopen drijven. Hier inne ist misbruyck nyet min ghemeen dan schadelijck. Want weynigh vindtmer die op haren staat letten, noch veele min die de selve kennen. Ende hier mede ghenoegh gheseydt hebbende (voor soo veele my hier noodigh dochte) van den staten der Menschen, wil ick voorts so ick kortste, klaarlijckst, ende eighentlijckst sal konnen, beschrijven den aardt eens waren Ghelooves, ende dit met verhaal wat het ware Gheloove zy met haren deelen, van haren onderscheyden met Waan, met Weten, met Hope, met Liefde, oock metten valschen Gheloove. Item van des Ghelooves ghedaante ende ghestaltenisse, oock van des Gheloovers werckinghen, eynde ende ghevolghen ofte vruchten.

iij.Capittel. 
Wat het ware Gheloove zy.

Het waarachtighe ende saligh-makende Gheloove houde ick te wesen een gave Godes, daar door de ontfangher van dien ontwijfelijcken houdt voor Waarheydt, dat Godt is, Godes Woordt vastelijck betrout, ende sijne goedtheyt waardelijck bemint. In dese beschrijvinghe zijn drye Leden, als eerst ontwijfelijck te ghelooven dat Godt is, 14 14 1. ende dat nyet soo wy hem verzieren, maar soodanigh ende nyet anders, dan hy Ghebenedijt hem selve door sijnen heylighen Geest ons gheopenbaart heeft inder heyliger Schriftuyren, te weten dat hy is Almachtigh, Schepper Hemelrijcks ende der Aerden, etc. Ten tweeden datmen Gode moet ghelooven, 15 15 2. dat is sijnen Woorde gheloove gheen, vast op bouwen, ende sonder alle wancken betrouwen dat sijne beloften ende dreyghementen sullen zijn Ja ende Amen. Ten derden moetmen ghelooven in Gode, 16 16 3. dat is datmen allen creatuerlijcken lust, troost ende toeverlaat verlatende, Gode alleen met gantscher Herten, Zielen ende Krachten aan-hangt, eert ende bemint in sijnder waarden, dat is als het eenighe ende ware Goedt.
Het ware Gheloove dan gelooft dat Godt is, het ghelooft Gode, ende het ghelooft in Godt. D'Eerste twee Leden ofte deelen strecken oock totten Heylighen Godes ende sijnen Woorde door henluyden gesproken, maar het derde deel streckt sich alleen tot Gode. Want wy ghelooven datter Propheten ende Apostelen zijn gheweest, oock datter noch kinderen Godes zijn op Aerden, te weten, een heylighe Kercke. Oock ghelooven wy ontwijfelijck waarachtigh te zijn alle t'gunt wy lesen by den Propheten ende Apostelen Godes gheleert te zijn. Maar wy en ghelooven nyet in den Propheten ende Apostelen, ofte oock in de heylighe Kercke, soo wy in Gode ghelooven. Want dat doende, souden wy vallen onder den Vloecken, ghedreyght allen den ghenen die op Menschen betrouwen. Dit derde deel heeft Godt hem selve alleen voor behouden. Die wil datmen hem alleen betrouwe, ende boven allen lief hebbe: Want hy ist oock alleen ende nyemandt anders, die helpen, beschermen ende verlossen mach ende wil, als die alleen


de ware goedtheydt ende beminnens waardigh is.
Het eerste deser drye deelen vindtmen totten Hebreen onder dese woorden: 1 1 Hebr. 11.6. Wie tot Gode wil komen, die moet ghelooven dat Godt is. Hoedanigh is Godt? Een vergelder (volght daar) der gheenre die hem soecken. Dit en ghelooven de ghene nyet, die in hare herten segghen, 2 2 Psal. 13.1. daar en is gheen Godt. Het tweede deel vindtmen by den Apostel Paulum, daar hy seydt: 3 3 2.Tim. 1.12 Ick weet wien ick ghelooft hebbe, ende ben seker dat Godt moghende is, &c. Dese beyde vindtmen oock in den woorden Christi by Joannem, metgaders oock het voorschreven derde deel des Gheloofs klaarlijck uyt-ghedruckt. Te weten het eerste, daar de Heere seydt: 4 4 Ioan. 14.10. Gheloofdy nyet dat ick ben in den Vader, ende dat de Vader in my is? Het tweede: 5 5 Ioan. 5.24.. Die mijn Woordt hoort, ende den ghenen ghelooft die my ghefonden heeft, die heeft het eeuwighe Leven. Van ghelijcken: Vrouwe ghelooft my, 6 6 Ioan. 4.2.1. &c. Ende het derde: Ghelooft ghy in Godt, soo ghelooft oock in my.
Sonder een van dese drye deelen en houde ick nyet dat eenigh Gheloove saligh makende mach wesen. Want of ick schoon al d'eerste twee deelen hadde, ende het derde altijdt ontbeerde, wat sal't my ter Saligheydt baten? Neemt dat ick gheloove datter een Godt is, oock mede dat die selve Godt Almachtigh, Waarachtigh, Goedt etc. is, maar datter yet anders daar beneven, het zy Rijckdom, Macht, Eere, Ghesondtheydt, Wijf, Kindt of desghelijcx, in mijnen Ooghen soo goedt schijne, dat ick sulcx meer beminde dan Gode, soo dat ick t'selve behouden soude willen, oock teghen Godes wille als't my die ghever weder benemen wilde: sal ick my oock inder Waarheydt moghen beroemen te hebben het saligh-makende Gheloove dat verselschapt is met, ende dadtgh door, de Liefde.
Hoe ist my oock moghelijck dit derde deel te hebben, soo ick het eerste deel ontberende, nyet en gheloove dat Godt is? Men mach immers nyet beminnen, t'gunt men nyet en ghelooft te wesen. Wederomme soo ick dit eerste deel nyet en hebbe, hoe mach ick het tweede deel hebben? Seker, gheloove ick nyet dat Godt is, soo en mach ick immers gheensins ghelooven dat Godt soo goedt is, dat hy my; synen vyant; goed doen wil: dat Godt soo Almoghende is, dat hy my het ghewilde Goede lichtelijck kan gheven: ende dat Godt soo ghetrou ende waarachtigh is, dat hy my het beloofde Goedt om nyet sal gheven. Gheloove ick dit alles nyet, sooe en mach ick Gode nyet ghelooven ende betrouwen, ende mitsdien de Saligheydt nyet verkrijghen: mach sulck stuck-wercks Gheloove dan oock een Saligh-makende Gheloove wesen?
Wat baat my oock metten Duyvelen te ghelooven dat Godt is, 7 7 Iac. 2.19. ende dat oock Waarachtigh ende Rechtvaardigh, als ick sijne Goedtheyt nyet en beminne, maar metten liefdeloose verdoemde Gheesten daar voor vreese ende beve? Over d'ander zijde en sie ick oock nyet datter yet ontbreeckt om een Saligh-makende Gheloove te wesen, daarmen ghelooft dat Godt is, alsmen Gode ghelooft, ende alsmen in Gode gelooft. Want dan ghelooftmen uyter Herten, datter een Godt des Hemels is ende gheen ander, alsmen den selven gheloovende Almachtigh, waarachtigh, Goedt etc. te wesen, vastelijck betrout in sijnen Woorde, ende alsmen door ondervindinghe sulcke sijne Goedtheyt ende Waardigheydt waardelijck (dats boven allen dinghen) uyt gantscher Herten, Krachten ende Zielen bemint: welck derde deel nyet anders en is dan een by-komste der Liefden totten Gheloove, d'welck den Gheloove volmaackt ende hare volkomenheyt is.

iiij. Capittel

Onderscheyt tusschen t’Gheloove ende Opinie ofte Waan.

Beroerende nu den Onderscheydt die daar is tusschen t'Gheloove ende den Wane, t'Gheloove ende Weten, Hope ende Liefde - werdt selve eensdeels verklaart in den dinghen by den voorschreven namen beteeckent zijnde. Wel is waar dat de heylige Schriftuyre onderwijlen oneyghentlijck sprekende somtijdts d'een wel stelt voor d'ander. Doch vindtmen de selve oock tot verscheyden plaatsen na der dinghen aardt ende werckinghe, met eyghentlijcken onderscheyde uyt-ghesproken.
Omme dan te spreken van den Onderscheydt, zijnde tusschen't Gheloove ende den Wane, 8 8 Wat Waane is. </type=mn> is te mercken dat de Wane den Vernufte, maar t'Gheloove den woorde Godes volght. Want Waan is een toe-stemminghe van den dinghen die t'Vernuft met Redene schijnt te bewijsen: daar teghen is t'Gheloove een toe-stemminghe der dinghen die de heylighe Schrifture simpelijck door haar authoriteyt betuyght. De Wane woont in den Hoofde, t'Gheloove inder Herten. De Wane streckt soo wel tot valsche als waarachtighe saken: Maar t'Gheloove en siet nyet dan op loutere Waarheydt. Hier uyt komet oock dat alle Waan in haar selve onseker is, al heeft sy oock Waarheydt voor ooghen, overmits sulcx noch buyten haar weten is, soo Waan gheen dinck en mach weten: daar teghen is t'Gheloove altijt gheheel seker, oock in den dinghen die den Vernufte gantsch onmoghelijck schijnen, ghemerckt het Gheloove versekert is, dat de ghetrouwe Waarheyt haar grondtfeste is. De Wane maackt oock veelen vroedt dat sy weten dinghen die hen gantsch onbekent zijn: maar t'Gheloove weet altijdt dat sy t'gheloofde nyet en weet, maar ghelooft. Hieromme ist oock dat het Gheloove nyet en mach dolen, (ick spreke van't Gheloove der Waarheydt) daar ter contrarien de Wane meest in allen Menschen swaarlijcken verdoolt. So doolden a Saul in zijn goet ghewaande <note type=mn> a1. Reg .13.9 offerhande, ende b Jonas in sijn recht 9 9 b Ionas .4.9. ghewaande gramschappe. Doolt nyet de Wane, 10 10 c Matth. 6.7. van door c veel woorden in 't bidden te maken verhoort te worden? Daar tegen wandert het Gheloove recht, betrouwende verhoort te worden, 11 11 d 1. Reg . 1.13 oock met een d stille mondt, maar luydtroepende ende versuchtende gheeste. 12 12 Rom . 8.26. Doolde de Wane nyet in den ghenen, die e Christum hielden voor Josephs sone? 13 13 e Mat .13.55 Maar soo en miste t'Gheloove nyet in f Petro, 14 14 Mat .16.16. die Christum hielt voor den Sone des levendighen Godes. De Wane meynt dat de h Godtsaligheyt eenē handel zy, 15 15 h1. Tim .6.6 doende


de Leere misbruyken tot ghelts ghewinne, ende de Wane meynt, dat de Mensche noch een i onbetemde tonghe hebbende, 1 1 i Iac .1.26 al Godtsvruchtigh is: Maar hier teghen verstaat het Gheloove dat de Schrifture k getuyght van 2 2 k Ioan . 5.39 Christo, 3 3 l Ephes . 2.5. oock dat Godt l levendigh maackt door Christum, 4 4 m Ioa .11.25 die selve het m Leven is ende n Gheest; dat de o Godtsvruchtigheyt selve (als Christum met al sijn Hemelsche Schatten 5 5 n Ioa .10.28. in 't herte brenghende) 6 6 o. 1. Tim .6.6 het aldergrootste ende een genoeghsame ghewinne is: ende dat de ghene die het Leven p beminnen ende goede daghen sien wil, 7 7 p1. Pet .3.10 sijne tonghe moet betemmen van 't quade, ende sijne Lippen, datse gheen bedrogh en spreken. Eyndtlijck de Wane dot den Mensche vermoeden dat hy q wat zy, 8 8 q Gala .6.3. dewijle hy noch nyet is, verleydet den Mensche, maect hem hocvaardigh en wederspannigh tegē Gode: 9 9 1. Ioan .1.9. Daar tegen doet het Geloove den Mensche sijn eygen state ondersoecken, sijne Zonden bekennē, en sich verootmoedighen onder de moghende handt Godes.

v. Capittel.
Onderscheyt tusschen t'Gheloove ende Weten.

Men siet dan licht dat tusschen t' Gheloove ende dē Wane is seer groot onderscheyt, de welcke oock nyet minder en is tusschen t' Gheloove ende het Weten. Want in den eersten ist wel een merckelijcke onderscheyt, datmen een selve sake nyet teffens en mach ghelooven ende weten. Gheloove ick dat my een schuldenaar opten beloofden tijdt sal betalen, soo en weet icks noch nyet, ende is my oock onmoghelijck om weten voor den bestemden tijdt. Dese ghekomen ende van hem betaalt wesende, is my oock onmoghelijck te ghelooven dat hy my op dien tijdt betalen sal, maar weet dat gheschiet te wesen. Alsoo moet dan noodtsakelijck t'Gheloove uyt den Mensche ruymen vanden dinghen daar af de wetenschap in-gaat in den Mensche. Het Gheloove steunt opten Autoriteyt ofte Gheloofwaardigheyt des ghenen, wiens woordt men ghelooft: Daar tegē bestaat het Weten op Redene ofte Waarheyts Ondervindinghe. Elck weet ontwijfelijck dat het gheheel meer is dan't deel van dien, ende dit door Redene. Aangaande die Ondervindinghe dees sietmen in den Apostel Petro, daar hy seyde: Nu bevinde ick inder waarheyt, 10 10 Act .10.34 dat Godt gheen uytnemer en is der persoonen: oock mede als hy eerst nyet gheweten hebbende, oft waarachtelijck gheschiede dan oft een ghesichte was, daar na seyde: Nu weet ick waarlijck dat Godt my 11 11 Act .12.9.11. sijnen Enghel ghesonden ende van Herodes handen verlost heeft. Also en was't oock inden geboren blinde gheen Geloove, dat hy nu siende was gheworden, maar een seker weten, so hy oock seyde: 12 12 Ioan: 9.25. Oft een Zondaar is (meynende den Heere) en weet ick nyet, maar een dinck weet ick, dat ick blindt was, ende nu sie.
Dat is dan oock wel een merckelijk onderscheyt dat de Menschē geloven ende voor seker toe-stemmen mach t' gunt valsch is als oft waarachtigh ware (t'welck doch een Waangeloove ende geen Waar-geloove is) maar onmogelijck ist allen Menschen yet te weten dat nyet warachtigh en zy. Want vā sulck Waangeloove wel gelooft mach werden t'gunt nyet en is, maar dit mach geensins gheweten werden. Hoe ontallijcke veele logenen werden inden Storien en Poeterijen ghelooft; machmen die oock weten? Oock vindtmen sommige saken die men hier wel en waarachtelijck mach ghelooven, als alle waarachtige gheschiedenissen voor onsen tijden: maar nyet en vindtmen dat hier gheweten mach worden, of men mach 'tselve eerst wel ghelooven.
Men vindt oock een swack geloove dat toenemē mach, maar watmē eens weet, en mach nyet sekerder geweten wordē. By gelijckenisse. De voorschreven mijn schuldenaar sich tusschen den tijdt van de beloofde betalinghe oprechtelijck ende getrouwelijck bewijsende tegen anderen, mach mijn gheloove dat hy my wel sal betalen door sulck weten, toe-nemen en vermeerderen: maar van hem betaalt zijnde, en mach dat mijn weten, dat hy my eerlijck betaalt heeft, nemmermeer sekerder noch meerder in my worden.
Hier en boven en zijn't nyet dan afwesende 13 13 Hebr .11.1. ofte onsienlijcke dinghen die ghelooft worden: maar men weet geen dingē meer dan sienlijcke of tegenwoordige. Mercktmen dan oock opte vruchten van dese twee, men sal die verscheyden vinden, welcke verscheydenheyt vā vruchten oock d'onderscheyt tusschen den oorsprongh der selver is betuygēde. Des geloovens vrucht is Wetē: maar de vruchte van't weten is Hate ten quadē en Liefde ten goedē. 14 14 Ioan .13.7. So moeste Petrus ghelooven de verholentheyt van't voetwasschen dien hy namaals soude weten. 15 15 Luc .2.12 En so quamē de Herders door 't gelooven tot het weten. En dit is oock een groot onderscheyt hier inne, dat de Herders, so lange sy geloofden, anderen getuygen geloofdē, namentlijck den Engelen: maar als sy wisten, waren sy niet meer geloovers van dien, maar getuygen, die sulcx getuygende van anderen gelooft waren. Hier bevindt sich dan oock dat de getuyge dē waarheydt, dien hy betuyght, selve weet, maar de hoorder sijnder getuyghnissen gelooft die. Dit druckt d'Evangelist sanct Johan klaarlijck 16 16 Ioan .19.35 uyt, seggende: Die 't gesien heeft, die hevet betuyght, ende sijn ghetuyghnisse is waar, ende de selve weet dat hy de Waarheyt seyt, op dat ghy't oock soudet ghelooven.

vj. Capittel.
Onderscheyt tusschen Gheloove ende Hope.

In't bewijs van den onderscheyde tusschen t'Geloove ende Wane, oock Weten, ben ick tegen mijn voornemen wat lange ghebleven, overmits het nyet verstaan van dien gantsch schadelijck is, en het verstaan van dien by den gemeenē Man gantsch ongemeē. Maar want het so nyet en is met d'ander twee, sal 't genoeg zijn de selve tot een voorder na-dencken maar lichtelijck te roeren. En eerst beroerende t' Geloove en Hope, blijckē sy daar inne grootelijck onderscheydē, dat de Hoope voort-komt uyten Geloove, maar t'Geloove nyet uyter Hopen. Want alle wat wy ghelooven moghelijck te zijn 'omme te gheschieden, moghen, ja moeten wy oock hopen, indien wy sulcx goedt voor ons te wesen verstaan. Maar alle dat hopelijck is of wel te wenschen soude zijn, en ghelooven wy nyet. Want wat waar hopelijcker ofte menschelijcker, dan dat alle de Werelt Gode boven al beminde? Wat is oock min te ghelooven dan datte? Oock ghelooftmen veele saecken die nu al gheschiet zijn, maar onmoghelijck ist datmen een gheschiede sake mach hopen. Want daar het Gheloove het Ooghe heeft so wel op het voorledene als


op het toekomende, en siet de Hope nyet dan op t'gunt noch toekomende is. Boven dien werden wel quade dinghen ghelooft, maar nyet ghehoopt. Wat Christen Mensche ghelooft geen eeuwige Verdoemenisse, wie hoopt daar na? Voorwaar nyemant. Daarom kan de Hope alleenlijck troosten ende verblijden, maar gheensins verschricken ende treurigh makē. Dit laatste doet ooc het Geloove, want de Duyvel gelooft en beeft. So wert oock der quaat-doenders Conscientie met droefheydt gheknaaght door de straffe haarder boosheyt die sy ontwijfelijck ghelooven, en met ancxten verwachten van den Rechtvaardighen Gode.

vij.Capittel.
Onderscheyt tusschen den Gheloove ende Liefde.

Nopende den onderscheyt die daar is tusschen den Geloove ende Liefde, vinde ick onder meer andere te zijn dese: Als eerst dat het Gheloove noch onvolmaackt zijnde, dient tot verkrijginghe der Liefden, maar nyet de Liefde tot verkrijghinghe des Gheloofs, ghemerckt het eynde der Liefden is een stadigh ende tegenwoordigh ghebruyck van't beminde, al waar gheen Gheloove en mach zijn, als streckende nyet dan tot afwesende dinghen, die noch te verhopen, maar nyet voor ooghen zijn. Het Gheloove betrout, die Liefde bemint Gode. Het Geloove ontfangt de gaven, die Liefde vereenight metten ghevere. T'gheloove gebruyckt ende heeft veel, maar de Liefde ghenyet ende besit alle goedt. T'gheloove soeckt eerst eyghen Saligheyt, maar die Liefde soeckt Godes eere ende des Naasten Saligheyt. 1 1 1. Cor .13. Het Gheloove is oock eerst sonder Liefde, maar nemmermeer is de Liefde (die't alles ghelooft) sonder Gheloove. T'gheloove is een groote, maar die Liefde is grooter gave Godes. T'gheloove is het beghinsele der Godtsaligheyt, maar die Liefde is den bandt der Volkomenheyt. Eyndtlijck het Gheloove sal ophouden, maar die Liefde blijft eeuwelijck. Zijn dat nyet merckelijcke onderscheydē?

viij. Capittel.
Onderscheyt tusschen den waren ende valschen Gheloove.

Het Gheloove en is van selfs valsch noch waarachtigh, maar wert sulcx uyt den aart des gheens die daar gelooft wort. Want alle wat ghelooft mach werden, is Loghen of Waarheyt. Wert de Loghen ghelooft, soo ist een valsch, maar ghelooftmen de Waarheyt, soo ist een waarachtigh Gheloove. Des Loghens valscheyt is daar inne gheleghen, dat hy bedrieghende nyet en gheeft t'gunt hy belooft: ende des Waarheydts trouwe blijckt daer inne, dat sy altijdt het beloofde oprechtelijck gheeft. Wat werdt nu van dese beyde belooft? Saligheyt. Soo nu dese oock werdt ghegheven van de Loghen, soo en is de Loghen gheen Loghen meer, maar Waarheyt. Dits onmoghelijck. Soo moet wederomme die Waarheytdt (sal sy gheen Loghen zijn) gheven t'gunt sy belooft, te weten Saligheydt. Alsoo noemtmen rechtelijck valsch alle gheloove dat gheen Saligheyt. gheeft, maar onsaligheyt. Maar waarachtelijck wert waarachtigh ghenaamt sodangih Gheloove, daar door de Mensche van onsaligheyt werdt verlost ende saligh ghemaackt. Dit ware salighmakende Gheloove bestaat in Onderdanigheyt, maar dat verdoemde valsche gheloove bestaat in onghehoorsaamheyt Godes, so men mach sien in Adam ende Abraham.
Het voorschreven valsche Geloove is by allen den genen (sy schijnē oock so heyligh als sy willen voor de Werelt) 2 2 a Iac. 1.22. die alleenlijck a metten monde gheloovende, hen selven bedrieghen: by den ghenen die daar segghen dat sy b Gode 3 3 b 1. Tit .1.16 kennen, 4 4 c Mat .7.21 maar hem metten wercken versaecken: ende by die daar c segghen Heere, Heere, sonder te doen den wille des Vaders. Want gheen van dese en sullen de beloofde ende begheerde Saligheyt ontfanghen. Maar sy sullen daar teghen metten Nyet-hebbere van't d Bruylochts kleedt uyt-ghestooten, 5 5 d Mat .22.11. metten e volbladigen Vygeloosen Boom vervloeckt, ende metten onvruchtbaren f Wijnrauck ende 6 6 e Mat .21.19 g Boom af-ghesneden, uytgheroeyt ende in den vuyre gheworpen worden. 7 7 f Ioan .15.2 Dit zijn alle Raam-Christenen, 8 8 g Mat .7.19 die daar h segghen dat sy Gode kennen, 9 9 h 1. Ioa .2.5 ende nochtans sijne Gheboden nyet onderhouden, daar inne sy loghenachtigh zijn, Want al die daar zondight, en heeft Gode nyet ghesien noch ghekent.
Maar het ware ende Gode ghehoorsamende Gheloove, is by allen den ghenen die uyt Gode zijn gheboren. Sodanighe verkrijghen ghewis de Saligheydt, ghemerckt sy dadelijck volbrenghen t'ghene de eenige Meester henluyden in sich selfs tot een voorbeeldt heeft ghegheven om na-ghedaan te worden, segghende wel uytdruckelijck daar by: Soo ghy 10 10 Ioan .13.15.17 dit weet, suldy saligh zijn ist dat ghy't doet. Christus die selve de Waarheydt is, belooft soodanighen doenders sijnder Gheboden, de Saligheyt, mach die oock lieghen of bedrieghen? Die seydt mede dat het sijne vrunden zijn, ja sijnen Broeder, 11 11 Ioan .15.14 Suster ende Moeder is, die daar doet den wille sijns Vaders. 12 12 Mat .12.50 Men mach immers gheensins twijfelen aan de Saligheyt der vrunden, Broeder, Suster ende Moeder Christi. Want dese en is geen vergetel hoorder van den Gheboden Godes, 13 13 Iacob .1.25 maar een doender van den Gheboden Godes, maar een doender des wercks gheworden. Dit zijn dan de luyden die de beloofde Saligheyt verkrijghen, ende want haar Gheloove aan de Waarheyt hanghet, soo hebben sy oock een waarachtigh Geloove, nyet als in een droom buyten hare kennisse, maar in alder sekerheyt ende met haren weten in een ootmoedighe Danckbaarheydt. Want sy weten inder ondervindtlijcker Waarheydt, wat grooter ghenade henluyden is gheschiet, van wie, ende door wien. Dat is, sy weten dat sy Saligh zijn ghemaackt van Gode, door onsen Heere Jesum Christum.
Sulcke ware Kennisse, eerst van de Saligheyt by henluyden ghenoten, ende voorts van de goetheyt van den Salighmakere en mach hem nyet onverselschapt laten van de ware Liefde, uyt welcx levende Fonteyne sy ghedroncken hebbende, bevinden dat oock sulck levende Water van haren Lijve als door een reyne Canael is vlietende, alsoo dat sy nyet alleen met woorden of metter tonghen, 14 14 1. Ioan .3. maar oock metter daadt ende metter Waarheydt beminnen, daar by sy oock weten, dat sy uyter Waarheydt zijn. Siet dit zijn de ware Gheloovighe, 15 15 1. Ioan. 2.5. die Godts Woordt onderhouden, ende in de welcke die Liefde volkomen is, daar by sy dan oock weten dat sy zijn in Christo. Is dat nyet een klare en seker ghetuygenisse omme inder Waarheyt te moghen verstaan den aart van den waren Geloove, en oock of t'selve in ons waarachtelijck is, dan nyet?

"""Hoe noodigh het zy dat elck mensche sekerlijck wete of hy geloovigh is dan nyet, ende van den onderscheyt tusschen het ware ende valsche gheloove."""