I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Ondersoeck om te verstaan of men is doot dan levendigh."""
"""Ondersoeck om te verstaan of men is doot dan levendigh."""


Ondersoeck om te verstaan of men is doot dan levendigh.

De Mensche is van Lijf ende Ziele t'samen gevoeght. Nu vintmer die in Lijf ende in Ziele beyde gelijck leven. Dit zijn Christené, eé kleyn, ja seltsaam hoopken. Oock zijnder (meest elck) die alleenlijck in den Lichame levendigh en na de Ziele doot zijn. Dit zijn Zondaren, die haar selfs door de Zonde (des Doots baarmoeder) 1 1 Iaco. 1. 15. Ifai. 59. 2 Matth. 8 . afscheyden van Gode, dat is van't Leven. Van desen is ghesegt, Laat de dooden haare dooden begraven. Wil nu yemandt weten of hy inder Zielen levendigh dan doodt is: die heeft dese ende deser ghelycke saken te aanmercken. In wat menschelijck Lichaam leven is, daar moet oock noodtlijck innerlijcke beweghinghe zijn, ende dat sonder ophouden. Dese beweginge en openbaert haar nyet alleen in s'Menschen wercken, gaan, staan, etc. maer oock in den slape of sware sieckten: ende dat met kloppen van't Herte, van de Pulse, met wermte ende metten athem. Waar nu gheen ghestadige beweginghe van die aankloppende, onrustighe, vuyrighe ende jaghende genegentheyt der Zielen tot het opperste Goedt en werdt bevonden, machmen wel voor een seker teecken des doots houden. De uyterlijcke mensche behoeft ook voedtsel, so langhe hy leeft. Ghelijck nu d'uytwendighe Mensche het broodt meest heeft tot voedtsel: alsoo ist levendighe Woort Gods de spijse der Zielen: want de Mensche nyet alleen en leeft by den broode, maar by alle Woordt dat 2 2 Matth. 4. door den mondt Godes komt. D'uyterlijcke Mensche, Broodts ghebreck hebbende, doet (door den nootdruftigen hongher die hem quelt) alle vlijte om dat te gekrijgen. Hy geeft alle sijn gelt ende goedt, oock hem selven (ter noodt) om Broodt te hebben ende t'Leven te behouden. Hy bidt, begheert, smeeckt, soeckt ende spoort sonder af te laten. Men hoort nyet uyt hem dan jammerlijck kermen, treurigh klaghen, ende deerlijck versuchten. Soo wie van dervende de kennisse Godts (zonder welck alle Menschen ydel zijn) 3 3 Sap.13. 1. Prov. 19. 2 t'welcke is het Woort Godes, Jezus Christus, de verklaringhe van s'Vaders heylighe Wille zijn gebreck nyet met smerten en bevindt na 't Woort Godts ende de kennisse van dien, met verlatinghe alle sijnre andere saken, nyet en hongert, noch hem selfs met alle dat hij heeft om 't verwerven van dit Hemelsche Broot des Levens, nyet gaarne en verliest, verlaat, ende sonder ophouden, nyet en bidt, smeeckt, treurt, kermt ende klaaght over zijn ellendigh ghebreck, die en mach sich self voorwaer gheensins onder den Levendigen, maar met recht onder den Dooden reeckenen. 4 4 Matth.23. Hy en achte sich ook nyet Godtsaligh, maar sonder Godt te wesen. Want Godt der Levendighen ende nyet der Dooden Godt is. Het is oock mede een gewis teecké des Lichamelijken doots alsmen een Lichaam langhe bemerckt zonder eenigh ghevoelen: sulcx dat het noch van slaghen, noch van wonden, noch van af-snijdinghe der leden eenighe pijne ghevoelt, nochte sich selfs dies nyet met allen beweeght, rept, noch en verroert. Vindt dan yemand dat sijnre Zielen voeten (de goede begheerten) hare handen (de goetdadigheydt) afghesneden, hare ooghen (de verstandighe Redelijckheyt) uitghesteken, ende hare Herte (de goede Wille uyten lichame der Zielen) ghescheurt en aan den zichtbaren Creaturen verhanghen werden, sonder dies-halven eenighe pijne, smerte ofte wee te ghevoelen, sal dees oock met eenighe Redene konnen vermoeden dat sijn Ziele noch levendigh is? De levendige uyterlijcke mensche hoort goede en quade woorden, smaeckt soete ende bittere dinghen, spreeckt wel of qualijck, ende ruyckt lieflijcke reucke of vuyle stancke: maar diens Ziele doot is, is oock doof tot Godes stemme ende salige in-sprake, noch hy en verneemt des Sathans venijnighe inblasinghe oock nyet. Hy en smaackt nyet hoe soet dat die Heere, noch oock hoe bitter dat die Duyvel is: hy is inder Zielen met eenen stommen Duyvel beseten: ende hy en genyet gheen luste in den lieflijcken reucke van den Bloemkens in s'Heeren Lusthof, noch hem en walght nyet van den verfoeyelijcken stancke in s’Duyvels vuyle poel vol onreynigheyt: maar leydt als een doode krenghe en stinckende wormachttge prye, den levendigen tot eenen eyselijcken stancke, sonder nochtans yet van zijn eyghen vuyligheyt te ruycken. Oock en loochent nyemant dat Zonde de Ziele nyet anders en is dan doodtlyck venijn den Lichame. Venijn eens ghedroncken, doet ontwyfelijc sterven. Hoe sal de Ziele dan doch moghen levendigh blijven, die (nyet als Adam schamelijck eens, dat hem noch den Doodt wrachte, maar) alle ooghenblick zondight? Waarlijck de Zonde volbracht zijnde, 5 5 Iacob.1.15. Ezech.18. baart den Doot, ende wiens Ziele zondight, die sal oock sterven. Men vinter die slapende doodt schijnen, ende nochtans leven. Maar 'tonderscheyt tusschen eenen Dooden ende Levendighen is, datmen den eenen met roepen of aan-stooten wecken mach, maar den anderen nyet. Nyet dat de roeper of aanstooter sulcken slaper het leven gheeft, maar hy gheeft oorsake dat sich het verborghen Leven openbaart. Daar geen vuyr inder asschen leydt zijn alle blaasbalghen onnut: maar isser vuyr onder d'assche verholen, des blaasbalghs windt kan't ten voorschijne brenghen. Die dan door gheenreleye Gheestelijcke inspraken, door 't lesen van gheenen boecken, noch door 't vermaan van gheene onderwijsers uyten slape en ontspruighen, nyet wacker en worden, nyet tot hem selfs komen, nyet eens en bedaren, haren staat nyet aanmercken, overdencken noch en ondersoecken, en zijn seker nyet Slapers, maar Dooden te noemen.
Ontwaackt daaromme, wordt wacker, O ghy traghe ende sluymerighe Slapers, ghy Droomers segghe ick, die u selven (dat noch t'arghste is) al droomende levendigh ende wacker waant, komt eens tot u selven, beurt op u hoofden, wrijft den traghen vaecke uyten Ooghen, ende siet op u verlossinghe die na by is, die Bruydegom gaat deure, Laat hem nyet vergheefs verby lijden , maar rijst, leeft, ende volght hem ter Feesten, op dat ghy nyet in den eeuwighen Doot en ontslaapt. Nemet ter Herten.

"""Ondersoeck om te verstaan of men is doot dan levendigh."""