I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Korte berichtinghe vander ghedachten waarneminghe."""
"""Korte berichtinghe vander ghedachten waarneminghe."""


Korte Berichtinghe vander ghedachten waarneminghe.
ENDE
Den naasten wegh om te moghen komen tot kennisse van sijns selfs state.

Proverb.12.5.
De ghedachten der Rechtvaardighen sijn Oordelen.

Proverb.14.26.
Quade ghedachten zijn een grouwel des Heeren.

Wat ghedachte is.

Gedachte is eē aanschou vander dinghen beelden, die sich toonen voor 'tooghe der Zielē: Ende dit van voorleden, tegenwoordighe en toekomende werckē ofte dingē. Men mach's ooc wel noemē een ghesprake der Zielen, t'welck gheschiedende met waarheydt, goedt, maar met loghen, quaat is. Ende zijn die menschelijcke Gedachten soo gantsch onrustigh, dat gheen natuerlijck Mensch, die nyet en slaapt, een ooghenblick mach zijn sonder Ghedachten van goede, van quade, of van middelbare saecken ofte dinghen.
Daaromme verghelijcktmen die gedachten by eenen Spieghel, die welcke wesende klaar, vlack ende oprecht, de beelden alder dinghen oprechtelijck ende so sy inder waarheyt zijn, in haar ontfanghet ende vertoont: maar is hy duyster, oneffen, ofte valsch, soo toonen sich alle beelden daar inne krom, valschelijck ende anders, dan sy inder waarheyt zijn.
Dat meynt de Heere met dien sprook: Het Ooghe is des Lichaams licht. 1 1 Mat .6.22. Als nu het Ooge eenvuldigh is, soo wert het gantsche lichaam licht: als het Ooghe een schalck is, soo sal't gantsche Lichaam duyster zijn. So geheel veel is gheleghen aan een licht Ooghe ende waarachtighe ghedachten.
Daar dat Ooghe reyn is, daar is oock de Mensche, 2 2 Tit .2.15. ende den selven reynen Mensche alle dingen reyn, ghemerckt een louter Ooghe alder dingen beelden even sodanigh in sich beeldet, als die dinghen in sich selve zijn, te weten, de goede als goede ende lieflijcke, en wederomme de quade als quade ende hatelijcke dinghen.
Maar den onsuyveren Ooge ende Mensche zijn wederomme alle dinghen onsuyver en onreyn. Want het is verkeert en heeft verkeerde inbeeldingen ofte Ghedachten, daar door dese onreyne het goede quaat ende hatelijck, maar het quade goet ende lieffelijck achten. Het oordeel des louterē Ooghs bestaat op Waarheyt, maar des onsuyveren Ooghs oordeel is ghegrontvest opte Logen. 3 3 Esai .5.20. Dit laatste is (leyder) by den grooten hoope, waar door oock meest elck, het goede quaat, ende het quade goedt noemt, ende vallen daeromme oock onder den vloeck Godes.
Dese luyden haten t'goede en vlieden daar van: maar t'quade lieven sy, ende jaghen daar begheerlijck na. Ende worden also door vereeninghe met het quade oock selver quaat, want de Mensch dencket meest opte dinghen die hy meest liefheeft, ende die sijns Herten schat oft opperste goet zijn. Dit is het quade dat henluyder verkeerde oordeel of ooghe goet waant, t'welck sy oock met een verkeerde of valsche lust stadelijck dencken. Uit sulck quaat dencken en lusten, wasset die quade Begeerte. Die wert door een blindt toestemmen des valschen oordeels tot een wille, die dan oock voorts nootsakelijck tot een werck moet ghedyen, soo verre die selvige quade wille met vermogen is vergeselschapt, en hier is de volkomen Zonde.
Des nyet te min, of dese quade wille door ghebreck van macht, nyet en mocht komen in't werck, so gheschiet dan noch al ghelijckewel het werck der Zonden (te weten Zonde willen) inder hertē. 4 4 Mat .5.28. Want die Wille en werckt nyet weynigher Overspel inder herten, dan de daadt het Overspel volbrenght in den lichame: daar dan het quade alsoo onophoudelijck, het zy dan alleen metten blooten wille of oock metter daadt, wert voēlbrocht. Mach doch sulcke quade onophoudelijcke werckinghe in des Menschen ziele yet anders baren dan een habitum, aan moedt of daadtvaardigheyt ten quaden? Waar dan sulcx is, werdt de Mensche oock te recht self quaat ghenoemt nae sijn quade herte, 5 5 Mat .15.19. lust, begheerte, wil, werck ende daadtvaardigheyt: waar uyt, als uyt een quade boom, voort-komen nyet dan quade Ghedachten, Dootslagh, Overspel, etc.
Deze quaatheyt geduyrt, recht als een dootlijcke zieckte der Zielen, ghestadelijck by veele Menschen. Ende dit voornemelijck meest daar om, dat syluyden den trouwen raadt van den waren Medico der Zielen herdtneckelijck verwerpen, en daar tegen de bedrieghlijcke listen der landtloopersche Lapsalvers soo begheerlijck als stadelijck na volgen. Want dese Lapsalvers arbeyden met const om den krancken Mensche uytwendelijck door een herteloose, deughtschijnende na-gheaapte hanteringhe der Ceremonien voor der Menschen ooghen ghesondt te doen schijnen: nyet anders dan of yemant eenen schubbighen Mensche, sonder innerlijcke suyveringhe van 't vuyle bloedt, bestondt te ghenesen, mits de zweeren uytwendelijck heelende, ende doende de huydt voor den Menschen ooghen reyn schijnen. Sulcx hanteert nu meest elck tegen der dingē aart, ja plat tegen het uytdruckelijck bevel des waarachtigen Medecijn-meesters: daar hy klaarlijck sodanige Schijn-heyligen gebiedt, datsy het inwendige eerst aan den Beker en Schotel sullen 6 6 Mat .23.26 reynigen, ten eynde het uytwendighe oock reyn mach werdē. Wat wonder ist doch dan, datter so heel weynigh recht gereynight, en so groote hoopen Schijnheylighen ghevonden worden?


Wien dat nu lust te weten (om ter saecken weder te comen) 1 1 a Genes. 6.5. hoe dat die ghedachten a des herten, 2 2 b Eccl .5.2. b der zielen ende c des ghemoedts, d der Godloosen, 3 3 c Eze .30.32 , e der zondaren ende oock der f vromen, 4 4 d Pro .15.5. ghestelt zijn, die mach sulcx nasporen inde H. Schrift, 5 5 e Sap . 4.20. ende hy sal daar bevinden dat der Goodtlooser Ghedachten g ydel zijn, 6 6 f Pro .12.5. , h onrechtvaardigh, 7 7 g Cor .3.20 i verkeert, k die alderquaatste, 8 8 Psal .94.11 en selve l Godtloos. Dat der zondaren ghedachten gheneyght zijn m ten quaden, 9 9 h Dan .13.28. n onnut, o verdorven, p sonder verstant, q lastigh ende r schadelijck. 10 10 i Sap .1.3. Ende dat der vromen ghedachten s gheleert zijn, 11 11 k Ier .25.5. t billick zijn, ende v helpsaam zijn. 12 12 l Deu .15.9.
Sulcx ende derghelijcken meer leestmen in 13 13 m Ge .8.21. de H. Schrift vande Ghedachten: 14 14 n Esa .59.7. dese quadt zijnde baren 15 15 o Soph .3.7. (so gheseyt is) quade lusten, quade begheerten, 16 16 p Sap .1.5. quaden wille, zondige gewoonten, 17 17 q 4. Es .5.21. verhartheyt ende den eeuwighen doodt in den onboetvaardighen: 18 18 r Ier .4.14. maar inden anderen ten minsten den doodt van't onnoosele leven. 19 19 f Pro .8.12. Also seyt D'Apostel Paulus mede, 20 20 t Iob .35.2. dat wy alle oock voortijdts onsen wandel hebben ghehadt 21 21 u 2. Mach .12.46. mette lusten onses vleesches, ende deden den wille des vleeschs ende der ghedachten, ende waren oock kinderen des toorns, 22 22 Iac .1.14. &c. Volght noch oock, doe wy doodt waren door de zonden, &c. Alle sulcx heeft sich claarlijck laten sien in onse 23 23 Ephe .2.3. eerste Moeder Heva. Want doen sy verbeeldet zijnde mette lusten, in hare gedachten daar mede speelde, den verboden boom begeerlijck aanschoude, den selven lustigh vernam in hare ooghen, schoon ende lieflijck om te aanschouwen, brack sy die vrucht, at eerst daar af ende gaffe voorts Adam te eeten.
Op dese wijse komen wy nu oock alle inden doot deur onse quade Ghedachten, ydele lusten ende hanteringhe der selver; soo men weder door Godes ghenade voor al, overmits goede gedachten, heylighe lusten ende daatlijcke hanteringhe der selver ingaat totten leven, 24 24 Ghedachte is de boom ende wortel daar door doodt en leven in onse Ziele spruytē. ende wert alsoo bevonden dat die ghedachte is die rechte boom ende wortel ofte middel, daar door Doodt ende Leven in onse zielen wassen, spruyten, ofte vlieten.
Wijsheyt is't sulcx verstaan ende grondelijck ter herten te nemen: hier uyt spruyt nootsakelijck in den waren kenner van dien een wackere vlijt ende omsichtighe opmerckinghe sijnder aanloopende ende invallende Ghedachten, recht of yemant Doot ende Leven verbeydende, tot aancloppers aan sijnder deuren, nyet lichtelijck op een slecht aancloppen de deur en soude lichtvaardelijck openen ende inlaten, maar soude met grooter anxtvuldigheyt acht nemen weder het die gehaate Doodt of het gheliefde Leven waren die daar aanclopte, dickmaal vraghende, wie is daar? ende deur alle gaatgens ende spleetgens sien, sonder de deure te openen eer hy seker wiste dat het lieve Leven, ende nyet die hatelijcke Doot voor de deure stonde.
Alsoo mede gheloove ick, dat nyemant, die nyet gheheel gheck en zy, siende twee bekers, den eenen met goeden wijn, d'ander met dootlijck venijn voor hem staan, wel wetende dat een van beyden, maar nyet welck het venijn ware, vermetelijck den eenen Beker ter handt nemen ende die uyt drincken soude willen, of hy al schoon hadde eenen Tantalischen dorst, ten ware dan sake dat hy eerst gewis versekert ware, welck van beyden den wijn ofte het venijn ware. Na dien nu seker is dat Godes Gheest der waarheydt die Hemelsche Nectar ende gesonde wijn, van gelijcken dat de duyvels loghen-gheest een doodtlijcke gal ende Helsch venijn inne schencken in onser zielen Gedachten: So ist voorwaar wel een verderflijcke, dolle ende ontsinnighe onachtsaamheyt dat wy alle sulcx verstaande, sonder alle onderscheyt, achtneminghe ende proeve deser soo gantsch verscheyden gheesten, nyet ander dá onreyne verckenē, alles wat ons die arghlistighe Sathan met die inbeeldinge desselvens doodtlijcke lusten in den Beker onser ghedachten inne schencket, inslocken ende opswelghen tot verdervinghe onser edeler zielen.
Waar't nu soo dat wy in desen alderwichtighsten handel maar der ghemeynen Coopluyden cloeckheydt in den onderscheydt van valsche ende rechte munte gebruyckten, wy en souden voorwaer alle t'hagemunte sijnes valschen ingevens in onse Ghedachten so gheheel lichtvaardelijck nyet toestemmen, maar te vooren eerst met wacker opmercken t'selve aan den sekeren Toets-steen de Goddelijcken 25 25 Ioan .4.8. woorts beproeven ende den Geest eerst ondersoecken of hy oock uyt Gode zy.
Wel is waarachtigh, dat ons van Godtlijcke gedachten ledigh zijnde, soo weynigh moghelijck is den eersten inval der quader Ghedachten te verhoeden: alst ons onmoghlijck is, lancx den wege gaande, te voorcomen datter gheen dreck in onsen ooghen en verschijne: maar so wy hier macht hebben omme terstont het ooge af te wenden van die onreynigheydt tot wat behaghelijcx, alsoo hebben alle menschen van Godes ghenade, daar toe aangheroepen zijnde, oock macht om die Godtloose Ghedachten den rugghe biedende, hen tot de Godtsalighe te begeven: of ten minsten so wy ons noch te swack daar toe bevinden, Gode daarom te bidden, d'welck waarlijck sonder goede Gedachten nyet mach gheschieden. So weygert die gaastrijcke Godt oock gheen gheloovighe bidders. Seker ghelijck in de macht der beginnende Menschen (die nochtans gheen besloten Hoofkens ende besloten Fonteynkens 26 26 Can .4.1 en zijn des waren Bruydegoms) nyet en staat haarder Gedachten oorpspronc: also heeft nochtans die lieve Godt in elcks vermogen gestelt het Verkiesen van 't aannemen ofte Weygeren der goede ofte quade Ghedachten.
Immers die menschlievende Godt, willende sijn maecksel behoeden ofte verlossen van dese quaadtheyt ende doot des saligen Levens ons allen aankomende door de verkeerde ende fenijnige Gedachtē, biedet ons aan, nyet alleen sijn almoghende hulpe, maar oock sijnen heylsamen raadt uyt de afgrondt sjnder 27 27 Rom .8.3. Godtlijcker wijsheyt ende Liefde tot ons vlietende, ende door den suyveren canale sijns louteren woordes, daar hy ons soo ernstelijcken ghebiedt onsen ghedachten ende herte waar te nemen. Prov. 5.1. Mijn kint merckt op mijn wijsheyt Pro. 4.23. Bewaart u herte met allen vlijt, want daar uyt gaat het leven. Besinnet altoor Godts ghebodt ende denckt doorgaans aan sijn woort, &c. Item daar hy ons trouwelijck waarschouwende a verbiedet, oock schrickelijck b afradet de quade Gedachten, die oock waarachtelijck c aanwijst, ende ghenadelijck belooft te d geven alle salighe, suyvere, ende heylighe Ghedachten als onder meer andere.
A. Nu. 15.39. Ende ghedenckt aller geboden 28 28 Verbodt . des Heeren ende doetse, dat ghy nyet na uwes herten duncken en richtet, ende dewijle uyt het herte comen quade Gedachten, Matth. 15.19. segt Jerem. 4.14. Soo wasschet nu, Ierusalem, u herte van de boosheyt, op dat u geholpen werde.


Hoe langhe willen by u blijven die ledighe Gedachten? Esa. 33.15. Wie sijn ooghe toe houdt dat hy nyet quaats en sie, &c. Esa.1.19. Wasschet, reynighet u, doet het boose wesen uwer Gedachten van uwen oogen, laat af van't boose. B. Sap. 1.3. 1 1 Afrading. Doch die verkeerde Gedachten scheyden van Godt. Prov. 19.16. Wie sijn wegh veracht (oft versuymt) die sal sterven. Pro. 24.9. Des sotten Gedachte is zonde. Ephe. 2.3. Ezec. 11.21. Die na haars herten schuyfelen ende grouwelen wandelen, wil ick op haren cop werpen, spreeckt de Heere. 2 2 Aenwijsinge.
C. Prov. 3.6. Ghedenckt aan hem in alle uwe wegen so sal hy u recht leyden. Philip.4.8. Wat waarachtigh is, wat eerlijck is, wat gherechtigh is, wat reyn is, wat lieflijck, wat wel luyt: is daar eenigh deucht, is daar eenigh lof, dat bedenckt. Josue 1.8. Ende laat dat boeck deser wet van uwen monde nyet komen, maar overdenckt dach ende nacht. Deut. 6.6. Dese woorden die ick u ghebiede sult ghy ter herten nemen, Ende voorts ver. 7.8. 3 3 Beloften . D. Ezech.11.19. Ende wil u een eendrachtigh herte gheven ende eenen nieuwen Gheest in u gheven, &c. Ezech.36.26. Ende ick wil u een nyeu herte ende een nyeuwen Gheest in u geven, ende wil het steenen herte uyt uwen vleesche wech nemen ende u een vleeschen herte geven. Proverb.12.5. Die ghedachten der rechtveerdige zijn oordeelen, &c. Proverb. 21.5. Die aanslagen der wijsen brengen overvloedigheyt.
Dese met ontallijcke meer andere deser gelijcke tuygenissen der H. Schrift, en spreken nyet van 't stadigh aanschouwen Godes na desen leven: maar van't dencken, betrachten ende stadigh aanschouwen der deuchden ende Godes, hier inder tijdt, soo dat het gheen verzierde, maar een gheschiedende oeffeninge is der vromen: des nyettemin sietmen stoutelijck de moghelijckheydt van dien wederspreken by den genen die 't noyt bestaan en hebben, ende moeten nochtans die selve bekennen dat sy wel souden vermogē alle invallende vreemde Gedachten den rugge te bieden, so sy luyden aangenomen hadden hondert daalders, op't winnen oft verliesen van so veele, sonder dolen te tellen.
Ick meyne oock wel, soo henluyden gheschoncken waren tot eenen eyghendomme, soo veele gouden penninghen als sy binnen een ure tijdts mochten tellen, dat sy nyet alleen alle vreemde invallende Ghedachten wel den rugge souden bieden om met aandacht spoedelijck veel te tellen, maar souden oock door gheen schoonheyt van eentghe voorvallende munte (hoe konstigh die oock ware) opghehouden moghen werden om door het cort ende lustigh aanschouwen eens schoonen pennincx veele gouden penningen met nyet tellen te versuymen. Mogen sy dan so wijs ende neerstigh zijn int tellen van goudepenningen, waarom souden wy dat nyet mede zijn moghen in't dencken van de Hemelsche deughde? Immers wy die ons beroemen kennisse der deuchden te hebben, so dat wy selve die seggen waardiger te wesen dan alle goudt ende verlatelijcke schatten.
Maar't gaat hier soo de Heere seydt: 4 4 Iere . 4.22. Mijn dwase volck heeft my nyet gekent, het zijn sotte Kinderen ende onwijs. Sy zijn kloeck om quaat te doen, maar wel doen en connen sy nyet. Soo is ende doet nu het volck, ende soo leeren die van selfloopende Predicanten, ende so en wert het volck oock nyet bekeert van haar alderquaatste 5 5 Iere . 23.21.22 ghedachten.
So wie nu den waren ende trouwen woorde Godes nyet, maar de Loghen-geesten der menschelijcke leeringen vastelijck gelooft (soo elck meest doet) ende daar door in soodantgen opinie zijn verstricket, dat sy nyet en gelooven dat eenigh mensche alhier sijn Gedachten also mach waarnemen, dien ist oock onmoghelijck met eenighe ernst in Godes hulpe daar na te staan, sulcx te vercrijgen, ende die salige Suyverheyt des herten 6 6 Mat . 5.8. (die welcke Godtschouwinge wert belooft) te genieten, ghemerckt hy meer mogentheyts toeschrijft om sulcx te verhinderen sijne menschelijcke cranckheyt, dan de almogentheyt Godes, omme sulx in hem te volbrengen: als die oock nyet en verstaat, dat so wat by den mensche onmogelijck zy, dat sulcx nyet alleen wel mogelijck, maar oock gheheel licht is by Gode. Dit zijn Ongheloovige, sy roemen sich oock soo veele sy willen vanden rechten Geloove, ende blijven daaromme ooc onreyne seugen, wentelende inde vuyligheydt haarder onsuyverder begheerten, lusten, ende ghedachten.
Maar die Godes woordt in sijne heylsame beloften boven haar eygen vernuft ghelooven ende betrouwen, zijn kinderen Abrahæ ofte des Geloofs, als die metten selvigen so vastelijck 7 7 Rom . 4.20. hangen aan het openbare toesegghen des getrouwen Godes, dat sy nyet daar aan twijfelende Gode glorie geven, ende weten volcomelijck dat Godt macht heeft om te doen al wat hy belovet: dese Geloovige ende nyemant anders vercrijgen de voorgemelde ende anderen beloften Godes waarachtelijck ende volkomelijck. Want als Hemel ende Aarde sal vergaan, blijft Godes woort vast ende eeuwelijck staan.
Dese Rechtgeloovige wetē dat sy van selfs nyet en mogen vercrijghen, t'gunt hen boven al, ja voor allen noodigh is: ende daar by oock wetende dat Godt henluyden sulcx bereyder geven wil, dat sy 't bereyder zijn te ontfangen, namentlijck een suyver herte daar nyet dan suyvere ghedachten uyt en vlieten, bidden sy den milden Heere met een vast betrouwen om 8 8 Iere . 15.19 vercrijginge van dese wijsheyt, die het snoode van 't dierbare (dats de onreyne vande reynde Ghedachten, ende het venijn van de Medecijn haarder zielen) can onderscheyden, boven gout doet begheeren, ende met gantscher ernst daar na doet trachten. 9 9 Pro . 2.4.Soude nu wel yemant soo onschamel zijn, dat hy tegen de gantsche ghetuygenisse der H.Schrift soude derren seggen, dat sulcke ootmoedighe, geloovige ende waarachtighe bidders na den wille Godes, dese beloofde gave nyet en moghen verwerven?
Seyt yemant dit, die bestaat de Wraaheyt logenachtigh, de getrouwigheyt bedrieghlijc, ende den Hemelschen Vader arger dan snoode ouderen der menschen kinderen te maken: ghemerckt dese alle meest bereyder zijn om hare kinderen wat goets te geven, dan die onwijse kinderen zijn om wat goets te ontfanghen. Luydet sulx dan (soo 't gewis doet) lasterlijck: so moetmen segghen dat hier gheen geloovighe bidders ter werelt, ende volghens dien gheen Christen Kercke en is, oock alle bidden vergeefs, of men moet het vercrijghen voorschreven toelaten.
Dit leste ist waarachtigh. Dit verstaat die Geloovige ende biddet derhalven ooc metten 10 10 Psal .118.37. Psalmist, Keert af (o Heere) mijn oogen dat sy de ydelheydt niet en sien. Hem grouwelt van dat onrechtelijck aanschouwen der ydelheydt, ende wel-verstaande sulcken afkeer nyet alleen


in sijn macht te zijn, biddet hy dat de Heere sulcx in hem doe, hy verlanghet daar na ende wenscht begeerlijck: 1 1 Eccles . 23.2. Wie sal metter roeden mijnen ghedachten bedwinghen? Dese lief-hebber der straffende onderwijsinghe spoort na de Wijsheyt en bidt daarom Gode, 2 2 Pro . 54.2. wetende dat hem die noodigh is om sijne ghedachten te behoeden.
Daar toe ontdeckt hy met so ootmoedighe als ware belijdinghe voor den Heere sijn wercken ende dolinghen, 3 3 Pro .16.3. , vast gheloovende dat sodanigher luyder gedachten van dem Heere bestiert worden: nyetten quaden, dat des Duyvels, maar ten goeden, dat alleen Godes werck is. Want als dese Menschen al schoon 4 4 Iob .31.1. met sijnen Ooghen sodanighe verbondt heeft ghemaackt, dat hy op't Meysken nyet en denkt, so verstaat hy ghelijcke wel noch, dat hy van selfs nyet en vermach yet goets te dencken. Daarom hy met opstijghende gedachten (dat bidden is) de selve af-keert van sich selfs (daar hy nyet goedts en mach sien als van sich selfs) 5 5 2. Cor . 1.6. opwaarts tot Gode die alder goetheyts oorspronck is. En bevindet also inder Waarheyt dat hy het goede (dat hy van selfs als van sich selfs nyet en mocht dencken) licht en lustelijck in, door, ende met Gode kan, nyet alleen dencken, maar oock willen ende wercken.
In sodanighe herten mogen die quade ghedachten so weynigh duyren, als die voncken in den watere. Daar bevinden dese menschen die Godlijcke schatten so dierbar en edel, dat hare waardige schoonheyt, haar lust en wille stadelijck van de snoode aardtsche lusten opwaarts trecket (als een Zeylsteen de naalde) tot ende in de fonteyn deser Schatten, dats tot Gode. 6 6 Mat .6.21. Dit is nu haar opperste Schat, en hier is nu oock ghestadelijck haar herte, ende hebben soo haren heylighen wandel in den Hemele, 7 7 Matth .5.8. daar dese recht suyvere herten oock Gode aanschouwen.
Sodanigen vallet immers licht haren ghemoede, 8 8 Prov .7.25. ghedachten, ende verbeeldingen af te trecken van de aardtsche lusten en paden der smeeckende hoeren, om daar af nyet bedrogen te werden, want sy behoeden hare weghen. Ja Godt selver bewaart de Zielen deser sijnder Heyligen, die t'quade haten. Sulcx dat hare voeten nyet en slipperen, 9 9 Psal .120.3. want hy en slaapt nyet die henluyden bewaart, 10 10 Ioan . 11.9. ja nyet anders dan sijn eyghen Oogh-appel. Is dat oock een sorghloose hoeder of roeckeloos wachter? Hy bewaartse van alle quaat, 11 11 Psal .120.7. zijn daar de quade gedachten oock uyt-ghesondert? Hy bewaart haar in ende uytgangh van nu tot inder eeuwigheyt. 12 12 7. Is daar oock tijdt of plaatse uytghenomen? Vergheefs hoeden ende waken de Menschen, 13 13 Psal .126.1. maar t'is vryelijck nyet vergheefs als Godt zelfs de wachter is ende wake houdt, O neen. Maar dese waarnemer sijnder ghedachten, de Wet Godes, ja Godt self als sijn begeerlijcke Schat stadelijck also voor Ooghen hebbende, vindet daar het levē sijnder Zielen (dat Godt self is) en een lieflijcke soetigheyt sijnder kelen. Want hy nu smaakct ende siet (nyet leest of gelooft) hoe goet ende soet de Heere is, ende wandelt vrymoedelijck sonder struyckelen sijnen wegh: Slaapt hy, so en vreest hy nyet, ende heeft eenen soeten slape, noch hy en verschrickt oock nyet van de grouwelen der mogende godloosen die hem haestelijck overvallen, want de Heere is aan sijnder zijden: is dan die Heere self met hem, wie mach hem teghen zijn?
Ist oock wel ghelooffelijck, dat yemant met ghetrouwen ernst des Heeren Wet bewaren, sijn raadt na-volgen ende de Wijsheyt Godes aankleven soude, en dat Godes Wet, Raadt en Wijsheyt hem nyet en soude bewaren? 14 14 Prov .3.12. 2.11.4.5.6. 3.5.6. Neen ghewisselijck, die metter herten op Gode betrout, in al sijn wegen op Gode dencket, diens ganghen werden van Gode gheschicket. Dit zijn de a kloecke die haren wegh verstaan, 15 15 a Pro . 14.8. die hare b ganghen bestieren, 16 16 b Pro .15.21. die wat c goedts dencken, 17 17 c Pro 13.22. ende die hare Zielen d waar-nemen: daarom sy oock genieten trouwe ende goedertierenheyt 18 18 d Pro . 16.17. voor a wapen en swaarden, boven alle hare b Leer-meesters verstandigh werdē, 19 19 a Pro .22.5 inder Eeuwigheyt nyet en c zondighen ende te 20 20 b Psal .119.99. rechte d saligh zijn, door dien sy nacht en dagh dencken 21 21 c Ioh . 3.9. (nyet op des lijfs welluste, hoogheyt, eere of ghelt, 22 22 d Psal. 1. maar) op de Wet des Heeren, daar inne (als in het hooghste ende liefste goet haarder Zielen) haren lust is nacht ende dagh: want dat heeft hy lief boven al, en dat dencke elck boven al dat hy meest bemint. Dit zijn geleerde Menschen, welcker verstandige gedachten Cicero te recht een leven noemt te wesen. 23 23 4. Acade.
Die dese edele ende Godtlijcke ghedachten heeft, vallet licht (segge ick noch al) de snoode te vermijden, ja sy vallen hem (daar't des huyshoudens nootdrust noch al vereyscht) lastigh ende onlustigh, als een hinder van liever en lustiger, oock betere Gedachten. Maar die dese edele en recht-gheleerde gedachten nyet en heeft, noch oock ernstelijck na en trachtet, ist onmoghelijck de snoode gedachten te vermijden, want der gedachten molen drayet onophoudelijck: ende die gheen edele tarwe en heeft daar inne te werpen, die werpt kaf daar inne, en sy maackt hem stof, windt en ydelheyt. Wie dit recht verstaat, die verstaat mede dat die ydele ghedachten de Zonde en Doot, maar de Godtlijcke de Deughde en t'Leven baren. Hy siet daar by mede dat hy sulcx van selfs nyet en vermagh te vermijden ofte bekommen, ende geloovende dat Godt hem dat wil geven, moet hy't gewisselijck verwerven, indien hy te recht metten Propheet biddet: 24 24 Psal .50.12. Heere schept in my een reyn herte: 25 25 Psal .19.15 ende de gedachten mijns herten sullen altijd wesen in uwe teghenwoordigheyt. Dit verleen ons die getrouwe ende gaaf-rijcke Vader des Lichts door sijnen sone onsen Heere in sijnen heylighen Gheest, Amen.

"""Korte berichtinghe vander ghedachten waarneminghe."""