I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Tafel vander gheloovighen justificatie ofte rechtvaardighwordinghe in Christo Jesu."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."
"""Tafel vander gheloovighen justificatie ofte rechtvaardighwordinghe in Christo Jesu."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."


Tafel vander Gheloovighen Justificatie ofte Rechtvaerdighwordinghe in Christo Jesu
DOOR
D.V. COORNHERT.

Rom. 6. 7.
Wie ghestorven is, die is van de Zonde gherechtvaerdight.

Matth. 7. 21.
Niet alle die tot my seydt Heere, Heere, sal in-gaen in’t Rijcke der Hemelen: maer die daar doet die wille mijns Vaders die in de Hemelen is, sal in-gaan in’t Rijcke der Hemelen .
[gravure Coornhert]
t’AMSTERDAM,

By Iacob Aertsz Colom, Anno 1631.


VOORREDEN
ICk weet goedighe Leser, dat die vuyrighe, naar onbescheyden yver van eenighe my achter rugghe na-dicht verscheyden saken, tot bevleckinghe mijns namens dienende. Voornamentlijck my lachteren in’t stuck der Rechtvaerdighwordinghe der Gheloovighen: sonder dat sy-luyden nochtans selve weten wat eyghentlijck mijn ghevoelen daar af is. Alsoo hebbe ick willen, na mijn kleyne vermoghen, wech nemen desen steen des aanstootens soo wel voor henluden selve, als voor allen anderen: Ende dit met een openbare ende naackte verklaringhe wat mijn meeninghe is, soo vander Iustificatien ofte Rechtvaardighwordinghe der Christenen: Op hope of sulcke quaatsprekers vernoeght ende eenighe recht Godt-gheleerde veroorsaackt mochten worden, om my (so ick dole) beters te onderwijsen. Dat bid ick met ernstiger herten allen soodanighen, ende allen anderen, dat sy veel liever hen selve verbeteren dan verbitteren aan my, die ongaarne yemant schadelijck, maar liever yederman voorderlijck soude zijn. Dat weet de Heere. Hem blijft bevolen, van V. L. dienstwillighe
D. V. Coornhert.


Van de Rechtvaardighmakinghe der Gheloovighen in Christo Jesu.
DIe Rechtvaardighwordinghe der Gheloovighen in Christi Jesu, bestaat in twe Hooft-leden, namentlijck in Toerekeninghe end Rechtvaardighmakinghe. Door ’teerste geschieden twee sakē, t’eene is dat den Gheloovigen nyet en worden toegherekent sijne voorleden, oock nyet sijne teghenwoordighe Zonden die in hem zijn, ende wort hem toegherekent Onnoselheydt ende Rechtvaardigheydt die nyet in hem en zijn, soo’t wel soude behooren. Ende door’t ander wert die Gheloovige rerechtvaardight, sulcx dat uyt een onrechtvaardighe wort een Rechtvaardighe inder Waarheyt, en dit al stervende den Ouden, ende al levende den Nyeuwen Adam. Welcke geheele Rechtvaardighmakinghe der Gheloovigen veel Leeraren nu stellen in de Toerekeninge voorschreven alleen: maar sommighe andere stellen die in beyde die voorschreven deelen, te weten in de Toerekeninghe ende die Rechtvaardighwordinghe ghesamentlijck.
Omme nu te ondersoecken, over welck van beyder zijde die waarheyt zy, wil ick hier voor Ooghen stellen des Menschen ghestaltenisse, soo wel voor als na die toekomste Christi in hem. Want alsmen siet waar sijn Onrechtvaardighmakinghe ende Onsaligheyt inne bestaat: so sal men oock licht konnen sien, waar in sijn Rechtvaardighmakinge en Saligheyt is bestaande. So nu des Menschen Onrechtvaardighmakinge bestaat alleenlijc inde Toerekeninghe, so van de teghenwoordighe ende voorleden zonden nyet in hem en zijn, als van Onnoselheyt ende Rechtvaardigheyt, die dan waarlijck in hem is, men sal onghetwijfelt ter contrarien mede in’t nyet toerekenen van zonden die daar waarlijck zijn, ende in’t toerekenen alleenlijck vande Deught die daar nyet en is in den Mensche, dit Rechtvaardigh worden moeten segghen te bestaan. Maar men mach nyet rechtvaardelijck Onrechtvaardigh noemen, den ghenen die de zonden is ghestorven, den Onnoselen ende Rechtvaardigen: Oock en mach die Mensche so langhe die zonde buyten hem ende die Rechtvaardigheydt in hem blijft, nyet Onrechtvaardigh worden: is dit soo, soo en mach oock over d’ander zijde soo lange die Zonde in, ende die Rechtvaardigheyt buyten den Mensche blijft, sulck Mensche nyet Rechtvaardigh worden. Seker wilmen dit Rechtvaardigh werden stellen in de Imputatie of Toerekeninghe alleenlijck, men sal oock het Onrechtvaardigh worden des Menschen stellen moeten in de Imputatie alleenlijck. So sal men dan moeten segghen dat die Mensche nyet waarlijck, maar waanlijck, dats nyet na de Waarheydt, maar na den Waan alleenlijck is bedorven, als die in sich self dan noch te recht goedt is, hoe wel hy quaadt wert geacht: Daar tegen sal dan oock seer wel over een komen, datmen segghe (soo men nu doet) dat die Mensche nyet waarlijck, maar waanlijck, dats nyet na der Waarheyt, maar na den Waan alleenlijck wert genesen. T’welck seggende men nyet anders maken en
soude van desen hoogh-wichtighen handel, dan een louter ghespot, gespoock, waan en droom, ja loghen over weder zijden, ghemerckt aan allen kanten die Mensche anders dan hy inder waarheyt is, gheacht soude moeten worden: Te weten, die Rechtvaardighe Onrechtvaardigh, ende wederome die Onrechtvaardighe Rechtvaardigh. Ende dit noch alles (dat het quaatste is) in den Ooghen van den al-siende en Rechtvaardigen Gode. Wat waar dit doch anders dan den Godtloosen gherechtvaardight ende den Godtsalighen verdoemt? Machmen dit verkeert Oordeelen Gode toe-schrijven? Godts Gheest selve inde H. Schrift verklaart dat die ghene die sulcx doen, een grouwel voor hem zijn:<Pro. 17. 15.> Men wil immers den heyligen Godt gheen grouwel in sijn selfs Ooghen maken? So men dan om sulcke grouwelijcke Godtslasteringhe te vermijden wil segghen dat die Mensche voor Christi, of (somen ’t nu noemt) des Gelooves toekomste in hem, nyet waanlijck, maar waarlijck, het goede ontbeert ende het quade heeft, maar dat hy na Christus toekomste in hem waanlijc en nyet waarlijck het quade ontbeert en t’goede heeft, men sal daar anders nyet by winnen dan datmen om die lasteringhe teghen Gode te vermijden, over d’ander zijde valt in openbare lasteringhe teghen Jesum Christum, wiens salighmakende Lijdens, Sterven, ende Verrijsen, daar mede gantsch krachteloos ende van onwaarden werdt ghemaackt. Want al ist soo dat elck wel kent dat Christus nyet alleen Mensch is als Adam was, maar daar by oock Godt: van ghelijcken mede dat Adam gheen opset en hadde om hem selve, veele min ons allen te verderven, maar dat Christus ghekomen is alleenlijck om al te beteren dat door Adam is verdorven: Soo sal nochtans mede elck die daar ghelooft dat Adam ons al tsamen gantschelijck hier inder tijdt heeft moghen verdoemen, ja gheheel heeft verdorven, ende dat Christus hier noyt yemant (veel min al) gheheelijck heeft moghen ghenesen, oock noodtsakelijcken moeten ghelooven so onghelooflijcke als wederstrijdelijcke ende onwaarachtighe saken, te weten dat Adam een swack Mensch nyet willende verdoemen, al veel machtigher geweest zy om allen Menschen nyemant uytghenomen, grondtlijck inder waarheydt te verdoemen, dan Christus selve Almachtigh Godt wesende, en om alle dat verdorven was te ghenesen ghekomen zijnde, geweest is om sijn Gheloovighen alleenlijck in der Waarheyt te ghenesen.
Dat achte ick nyet dat yemant sal konnen beneenen, ofte van grouwelijcke lasteringhe teghen Christum verantwoorden: Maar alsmen over d’ander zijde dese handel neemt na der Waarheyt, werden nyet alleen sulcke lasteringhe Godts en Christi bequamelijck gemijdet, maar oock sodanighen schriftmetigen beleede in desen ghevonden, dat die oock streckende is tot die waardighe Eere Godes ende Christi. Want dan God aldaar na der Waarheyt rechtvaardelijck (nyet onrechtvaardelijck na den waan) den Godloosen voor Godloos soo hy is, ende den Rechtvaardighen voor Rechtvaardigh so hy mede is, oordeelt, acht


ende rekent. Ende dan verstaatmen oock dat Christus nyet alleen soo machtigh is in’t ghenesen als Adam in’t verderven, maar oock veele machtiger. Want hy nyet alleen waarachtelijcken, maar oock met sulcken ghewinne geneest, dat hy den sijnen door sijn Waarheyts kracht, het levende Zaadt Godes, oock krachtelijcken bewaart in ghesondigheyt ende voor’t verderven voorhoedet.
Hier blijckt dan tot Godes ende Christi eere ende prijs, dat Adams zonde inden Gheloovigigen gheen vermoghen en heeft om Christi gerechtigheyt uyt re weren: Ende dat dese sterckere Christus den stercken sijn wapen benemen ende uyt-drijven mach, tot een ware, nyet waan-verlossinghe der Geloovigen van t’quade. Want ghelijck te voren, doen t’quade (Adams zonde) in den Mensche quam, het goede waarlijck, nyet waanlijck daar uyt ruymde: Also mede doet nu’t goede (namentlijck Christi gherechtigheyt) komende in den Mensche, het quade nyet waanlijck, maar ook waarlijck, daar uyt ruymen.
Want al ist soo dat het goede neven het quade, ende wederom t’quade neven het goede, onder t’strijden in een selve Mensche wel mach zijn voor een wijle, ghelijck t’vuyr by t’water onder’t smoken: Soo moghen dese twee soo gantsch strijdige saken gheensins ghestadelijck in een selve Mensche ghesamentlijck blijven woonen. Want die machtighste verdrijft de kranckste, ghelijck soo’t vuyr meerder waar, het water gantsch tot roocke op jaghen, of soo’t water meerder waar, het vuyr gantschelijck blusschen soude: wat deelachtigheyt heeft die Rechtvaardigheyt met die Ongherechtigheyt? Oft wat ghemeenschap heeft het Licht metten Duysternissen? Oft wat overeen-komste is tusschen Christum en Belial? Gheene altoos, te weten blijvelijck nyet.
Seker nyement en sal loochenen dat gelijck die Zonde die Doot baart, dat oock alsoo de Gherechtigheyt het Leven baart, Maar mach die Zonde oock den Doodt baren in de Ziele daar inne sy nyet en komt? Even so weynigh als fenijn den lichamen, daar inne het nyet en komt, kan quetsen of dooden. Also mede mach die Gherechtigheyt so weynigh yemants ziele, daar inne sy nyet en komt, levendigh, als die medecinale dranck den lichame daarinne sy nyet en komt, gesondt maken. Die waan van de zonde oft fenijn en mach nyemanden die doot ofte sieckte toe-brenghen: Soo en mach oock die waan van Gherechtigheyt ofte medecijn nyemanden leven ofte ghesondtheydt gheven.
Was nu die Mensche voor Christi toekomst in hem, inder waarheyt soo quaat, dat hy inder waarheyt het quade hadde ende het goede ontbeerde, t’welck ware Onsaligheyt is: Soo moet die Mensche na die toekomste Christi in hem so goet zijn, dat hy oock inder Waarheyt het quade ontbeert ende het goede heeft, t’welck alleen ware Saligheyt is, want Godt is alleen saligh, ja die Saligheyt selve, sulcx dat nyemandt saligh en mach zijn, sonder een te worden met Gode. Godt is oock goedt en die goedtheyt selve. Goetheyt en quaatheyt, oock goet en quaat en mogē nemmermeer vereenighen nochte een worden. Want het zijn twee alderstrijdighste teghen-saken oft contrarien. So lange die quaatheyt in de Mensche is ende blijft, is en blijft hy quaat: En en mach daarom die Mensche quaat blijvende, nyet eens noch vereenight werden metten goedē Godt,
die de Goedtheyt selve is ende vreemt van alle quaat ende quaatheyt.
Nadien nu Godt alleen Saligh is ende die Saligheyt selve in sulcker wijse, dat sonder ende buyten Gode nemmermeer yemandt en mach saligh worden: soo volght noodtsakelijck dat die quaat-blijvende Mensche nemmermeer (dat is so lange hy quaat blijft) met Gode vereenight nochte saligh en mach worden. Wt alle het welcke nu blijct dat die Mensche inder waarheydt ende nyet in den waan alleenlijck, van t’quade bevrijdt ende met het goedt begiftight moet worden, sal hy saligh zijn. Gelijck oock nyemant onsaligh en mach wesen dan die inder waarheyt het goede quijt is en het quade heeft. Dit zijn wy al t’samen voor Christi toekomste in ons: Maar saligh en goedt zijn alle Gheloovighen na Christi toekomste in henluyden: Van welcke beyde stucken met haar aankleven ick nu een weynigh oock wil segghen, ende bewijsen.
Dat eerste Capittel.
DIe Mensche tot Redens ghebruyck ghekomen zijnde, is meest voor Christi toekomste in hem een vyande a Godes, een b Sone des toorns ende vervloeckt. c Overmits hy in Adam het goede d doodt is ende het quade leeft.
a Want doe wy vyanden waren, ende u luyden doen ghy voormaals waart vervreemdet, 1 1 Rom. 5. 10. Colos. 1. 21. ende vyanden van sinne in quade wercken.
b Doende den wille des vleesches ende der ghedachten, 2 2 Ephes. 2. 3. ende wy waren oock van naturen kinderen des toorns als d’andere.
Om welcken dinghen die toorn Godes ghekomen is opten kinderen des ongheloofs. 3 3 Colos. 3. 6.
c Vwe onsuyverheyt is vervloeckelijck. 4 4 Ezech. 24. 13. Want ick hebbe u willen reynighen, ende ghy zijt van uwe vuyligheyt nyet ghereynight.
Wee des zondighen volcx.
d Ende ghy doe ghy doot waart door uwe ghebreken ende zonden. 5 5 Esi. 1. 4. Ephes. 1. 1.
Laat den Dooden hare dooden begraven
Voorwaar, voorwaar segge ick u, 6 6 Mat. 8. 22. Ioan. 5. 25 dat die ure komt, ende sy is nu, dat die Dooden sullen hooren de stemme des Soons Godes, ende diese hooren sullen leven.
e In de welcke ghy voormaals hebt ghewandelt, als ghy daar inne leefde. 7 7 Colos. 3. 7.
Want die in wellusten is, die is al levende door. 8 8 1. Tim. 5. 6.
Dat ij. Capittel.
HIer uyte volght dā dat die Mensche voor Christi toekomste in hem ontbeert ware Vryheyt a ende Rechtvaardigheyt b, en dat hy heeft ware Dienstbaarheyt c ende Onrechtvaardigheyt d. Waar door hy oock mede ontbeert de Godlijcke Vrede e, Vreuchde f, oock Ghenade g ende Belooninghe h.
a Want hy ontbeert Godes Gheest: daar die Vryheyt altijt by is. 2. Corint, 3. 27.
Ende de Waarheyt die vry maackt. Ioan. 8. 32.
b Want sy nyet kennende Godts Rechtvaardigheyt, ende die Hare soeckende, 9 9 Rom. 10. 3 en zijn sy Godes Rechtvaardigheyt nyet onderworpen.
Maar Israel navolghende de Wet des Rechtvaardigheyts en is tot de Wet des Rechtvaardigheyts nyet ghekomen.
c Alle wie Zonde doet, is der Zonden dienaar. 10 10 Ioan. 8. 34 .


Die door des doots vreese alle haar leven langh de dienstbaarheydt onderworpen waren. 1 1 Hebr. 2. 15.
d Sy ontfinghen arbeydt ende Baarden ongherechtigheydt. 2 2 Esai, 59, 4,
Siet hy baart ongherechtigheydt. 3 3 Psal. 7, 15,
Hy heeft smerte ontfanghen ende ongherechtigheydt ghebaart. 4 4 Iob. 15, 35,
e Den wegh des vreden en hebben sy nyet ghekent. 5 5 Rom, 3, 16, Iacob. 4, 1, Wanen het komen strijdigheyden ende twisten onder u?
Die Godloosen en hebben geenen vrede seydt die Heere. 6 6 Esai, 57, 21,
f Die vreughde eens Hypocrijten duert een ooghenblick. 7 7 Iob. 20. 5.
Het lachen werdt met droefheydt vermenght, ende des vreughdts eynde is droefheydt. 8 8 Pro, 14, 15,
Der trommelen vreughde hieldt oppe, ende ’t geluydt der verblijdenden ruste. 9 9 Esai, 24, 8,
g Den Rijcken heeft hy ydel ghelaten. 10 10 Luc. 1, 53,
Godt wederstaat den hoovaardigen, maar den ootmoedigen geeft hy genade. 11 11 1, Pet. 5, 5,
Vergeeft ghy den Menschen nyet, die Hemelsche Vader en sal u oock uwe zonden nyet vergeven. 12 12 Mat, 6, 15,
h Voorwaar segghe ick u, sy hebben haar loon al ontfanghen. 13 13 Mat, 6, 2,
Wijckt van my, want my hongerde, ende ghy en gaaft my nyet te eten. 14 14 Mat, 25, 41, 42,
Der Godtloosen wegh sal verlooren zijn. 15 15 Psal. 16,
Dat iij. Capittel.
ENde overmits hy mede (soo nu gheseyt is) heeft ware dienstbaarheydt ende onrechtvaardicheyt, soo is hiet te mercken dat die Zondaar door der zonden dienstbaarheydt schuldigh is ende werdt, aan sijne voorledene, oock teghenwoordighe zonden. Daar door komt hy oock in ’t gequel van twist met Godes a ende sijn Conscientie b, van droefheyt c, van den toorn d, ende oock straffinghe e Godes.
a Vwe ongetechtigheyden heebn een scheydinghe ghemaackt, tusschen u luyden ende uwen Gode. 16 16 Esai, 59. 2,
Vwe zonden hebben ’t goede van uw afgheweert. 17 17 Iere. 5. 25.
Des vleeschs wijsheydt is een vyandtschap teghens Gode. 18 18 Roma. 8, 7,
b Haar worm en sterft nyet, ende haar vuyr sal nyet uytghebluscht werden. 19 19 Esai. 66, 24,
V boosheyt sal u berispen, ende u afkkeringhe sal u beschelden, ende hebben een brandteecken in haar conscientie. 20 20 Iere. 2, 19, 1, Tim. 4, 2 ,
c Ende ghy sult uyt ’s herten droegheyt roepen, ende door morteringe des geests huylen. 21 21 Esai, 65, 14,
Weet ende siet hoe quaat ende bitter het is, dat ghy den Heere hebbet verlaten. 22 22 Iere, 2, 19,
d Sy hebben des Heeren Wet verworpen, 23 23 Esai, 5, 24, 25, ende daarom is de grimmigheydt des Heeren vertoornt op sijnen volcke.
Des Heeren tootn werdt geopenbaardt van den Hemle op alle Godtloosigheyt ende ongherechtigheydt der Menschen. 24 24 Rom. 1, 18,
e Want die Zondaren sullen bederven. 25 25 Psal. 36, 20, 1, Pet, 4, 19,
Soo die Rechtvaardighe nauwelijcx behouden sal werden, waar sullen de Zondaren ende Godtloosen blijven?
Dat iiij. Capittel.
SO veele die ongherechtigheydt aan-gaat, die komt voort uytten ouden a Mensche,
(te weten quade gewoonte ofte habitus der zonden) ghebooren uyt b of wijsheydt des vleesches, ende oock nut tot onghehoorsaamheyt c, of het lichaam der zonden. Die logen baart lust d ten quaden, ende hate, e ten goeden. Maar d’onghehoorsaamheyt laat het goede f , ende doet het quade g .
a Mach een Moriaen sijnen huydt, of een Lupaart sijn vlecken veranderen: 26 26 I ere, 13, 23, Psal, 72, 7, Soo mooght ghy wel doen die ’t quade geleert hebt. 27 27 Pro, 5, 22.
Die verkeerden worden swaarlijck gebetert. 28 28 Eccles. 1, 15,
Een quade Boom draaght quade vruchten. 29 29 Matt. 7, 17,
b Ghy en sult den Doodt geensins sterven. 30 30 Genes, 3, 4 ,
Soo dijn ooge een schalck is, sal dijn heele Lichaam duyster zijn. 31 31 Matt, 6, 23,
c Ghelijck door eens Menschen onghehoorsaamheyt veele Zondaren zijn geworden. 32 32 Rom, 5, 19,
Op dat het lichaam der zonden gedoodt werde, 33 33 Roma, 6, 6 so dat wy voorts meer den zonden nyet dienen en souden.
Leght af den ouden Mensche na de voorleden wandelinghe die daar bederft na de begheerten der dolingen. 34 34 Ephes, 4, 22
d Also sach de vrouwe dat die Boom goedt was om te eten, 35 35 Genes, 3, 6, ende schoon voor den oogen, oock lieffelijck te aanschouwen, sy nam van den vruchten ende at.
Hoe lange sult ghy kinderen kintscheyt beminnen, 36 36 Prov, 1, 22, ende die zotten ’t gunt hem schadelijck is, begeeren?
e Alle wie quaat doet haat het licht. 37 37 Iohan. 3, 20,
Ende (hoe lange sullen)die onwijse wetenschap haten. 38 38 Prov. 1, 22,
f Daar isser gheen die goedt doet, daar isser niet een. 39 39 Psal, 13, 3,
Maar goedt doen en hebben sy nyet gheleerdt. 40 40 Iere, 4, 22,
g Sy zijn wijs om quaat te doen. 41 41 I ere, 4, 22,
Heure voeten looen ten quaden. 42 42 Prov, 1, 16,
Dat v. Capittel.
TOt soo verde is gesproken van des Menschen ghestaltnisse voor die toekomste Christi in hem, die welcke daar na gheheel anders is. Want dan is hy een vrunt a Godes, een Sone b Godes ende een Ghebenedijde c: overmits hy het quade doot is ende het goede d leeft.
a Ghy-luyden zijt mijne vrunden, ist dat ghy doet het gunt ick u bevolen hebbe. 43 43 I oan, 15, 14
Ende Abraham is een vrundt Godes ghenaamt. 44 44 Iacob, 2, 25,
b Also veele hem aan-namen heeft hy macht gegeven om kinderen Godes te worden. 45 45 I ohan, 1, 12,
Siet welcken Liefde heeft Godt die Vader ons gegeven, 46 46 1, Ioan, 3, 1, dat wy kinderen Godes genaamt werden ende zijn.
c Die ghebenedijde Godt Vader ons Heeren 47 47 Ephes, 1, 4, Iesu Christi die ons ghebenedijt heeft in alle geestelijcke benedicttie, in de Hemelsche saacken in Christo.
Comt ghy gebenedijde mijns Vaders 48 48 Mat, 25. 34
d Want ghy-luyden zijt doodt, ende u leven is met Christo in Gode verborgen. 49 49 Colos, 3, 3
Maar die Christo toe-behooren, hebben haren vleesche ghecruyst met sijnen ghebreken ende begeerlijckheyden. 50 50 Galat, 5, 24
e Wy weten dat wy overghe-voert zijn van den doodt in’t leven, 51 51 1. I oan, 3, 14 want wy hebben den Broederen lief.
Ick leve nu. Nyet ick, maar Christus leeft in my. 52 52 Gala, 2, 20,


Dat vj. Capittel.
ENde dit door Godes barmhertige vrymakinge a van’t quade, ende milde b beschenckinghe van’t goede, gheschiet in Christo Jesu, overmits quijtscheldinghe der Zonden, wechneminghe der Ongerechtigheyt, beschenckinge van ware, (nyet toerekentlijcke) Vryheydt ende Gherechtigheydt. Van welcke vier stucken elck op sich wat staat te seggen.
a Ghy sult sijnen Name noemen Iesus (’t welck beteeeckent Salighmaker) want hy sal sijnen volcke saligh maken van haren zonden. 1 1 Mat. 1. 21.
Daar en sal voorts meer gheen ongerechtigheyt in den lande gehoort worden. 2 2 Esai. 60. 18,
b Want hy en heeft oock sijn selfs Sone nyet gespaart, 3 3 Rom. 8. 32. maar hem voor ons allen ghegheven: hoe soude hy’t ons nyet alles met hem hebben ghegeven?
Ende van sijne volheyt hebben wy ’t alles ontfanghen. 4 4 Ioan. 1, 18.
Dat vij. Capittel.
ENde eerst vande quijtscheldinghe der voorledene a ende teghenwoordighe b Zonden. Het welcke inder waarheydt Toerekeninghe is, overmits verghetenheydt of nyet te ghedencken wechnemende die twist met Gode c ende quade Conscientie d, oock die droefheydt e, ende die toorne f met die straffinghe g Godes.
a Want ick sal haar Ongherechtigheydt ghenadigh zijn, 5 5 iere. 31. 34. ende hare Zonden nyet meer ghedencken.
Om die verghiffenisse der voorleden zonden wille. 6 6 Rom. 3. 25,
Die Heere heeft u oordeel wech ghenomen. 7 7 Sopho. 3, 15,
b So daar yemandt zondight, 8 8 1, Ioan, 2, 1, hebben wy den Rechtvaardighen Iesum Christum tot een voorsprake by den Vader.
Ende hy is die versoeninghe voor onze Zonden. 9 9 1,Ioan, 2, 2,
c Want hy is onse Vrede, 10 10 Ephes. 2, 14, die van beyde een heeft gemaackt, ende door sijnen vleesche wech ghenomen heeft den middelwandt des Tuyns, dat is die vyandtschap.
Op dat hyse beyde soude versoenen met Gode in eenen Lichame door’t Cruyce, 11 11 Ephes, 2, 16, endeheeft die vyandtschap ghedoodet door hem selve.
d Alsoo en isser nu nyet verdoemelijcx in den ghenen, die daar zijn in Christo Iesu. 12 12 Rom, 8, 1.
Het eynde des Ghebodts is Liefde uyt suyverder herten ende goeder conscientien. 13 13 1, Tim, 15,
Niet door aflegginghe des onreynigheyts des vleesches, 14 14 2, Pet, 3, 21, maar die sekere kennisse eender goeder Conscientien met Gode, door de verrijsenisse Christi.
e Die Heere sal van allen aansichte die tranen wechnemen, 15 15 Esai. 25. 8, Esai, 65, 19, ende in hem (mijn volck) en sal nyet meer die stemme des weenens e n schreyens ghehoort worden.
f Want alsoo ick hebbe ghesworen dat ick het 16 16 Esai, 54, 9, water nyet meer over die werelt wilde laten komen: Alsoo heb ick ghesworen dat ick nemmermeer over u vertoornen nochte u beschelden en sal.
Veele te min sullen wy door hem behouden worden voor den toorn, 17 17 Roma, 5, 9, nadien wy nu door sijnen Bloede rechtvaardigh zijn ghemaackt.
Die ons heeft verlost van den aanstaanden toorn. 18 18 1, Thes, 1, 10,
g Soo dit volck berouwet van haar quaat dat 19 19 Iere, 18, 8,
ick teghen henluyden hebbe ghesproken, soo sal ick my oock laten berouwen van ’t quade dat ick ghedacht hadde henluyden te doene.
Of ghy moghelijck hoorde, 20 20 Iere, 26, 3, ende elck hem van sijnen quaden weghen bekeerde, ende my oock berouwen mochte het quade, dat ick henluyden dencke te doen om die boosheyt haars woornemens.
Wie sal die verkorene Godts beschuldighen? 21 21 Rom, 8, 33, T’is Godt die daar rechtvaardight, wie salse verdoemen?
Dat viij. Capittel.
HEt tweede stuck was wechneminghe des ongherechtigheyts. Twelck gheschiedt door b doodinghe van den ouden Mensche, bestaande in Wijsheydt c des vleesch ende in’t lichame d der zonden. Welcke oock bestaan, te weten des vleesches wijsheydt in een verkeerde wane e, ende valsch oordeel f: Maar het lichaam der zonden in quade ghewoonte g ende in behendigheydt h, of daadtvaardigheyt ten quaden.
a Die hem self heeft ghegheven voor ons, 22 22 Tit, 2, 14, op dat hy ons soude verlossen van alle ongherechtigheydt, ende dat hy voor hem selve soude reynighen een aenghenaam volck, dat vlijtich zy ter goede wercken.
Ende ghy weet dat hy daar toe is verschenen, 23 23 1. Ioan, 3, 5, op dat hy onse zonden soude wech nemen.
b Wy zijn met hem begraven door den Doope in den doot. 24 24 Roma, 6, 4,
So doodet nu uwe leden die opter Aarden zijn, 25 25 Colos, 3, 5, Hoerderije, onreynicheyt, &c. Rom 6. 7.
c Nyemandt en verleyde hem selve, 26 26 1. Cor, 3, 18 soo daar yemandt onder u schijne wijs te wesen in dese werelt, die worde zot op dat hy wijs werde.
d Dat wetende dat onse oude Mensche mede ghecruyst is, 27 27 Rom, 6, 6. op dat vernyelt soude worden het lichaam der zonden.
Maar die Christo toe-behooren, 28 28 Gala, 5, 24, hebben haren vleesche met sijnen ghebreken ende begeerlijckheyden ghecruyst.
e Daar is een wegh die den Mensche Rechtvaardigh schijnt, 29 29 Pro, 14, 12, maar sijn uyterste leyden ter doodt.
Ick sal voor henluyden die duysternissen tot licht, 30 30 Esai, 42, 16 ende die verkeerde dinghen tot rechte stellen.
f Die t’quade goet ende t’goede quaat segghen te wesen, 31 31 Esai, 5, 20, stellende die duysternissen in’t licht, ende t’licht in de duysternissen: Stellende het suyre in’t soete, ende het soete in’t suyre.
Ick ben in de werelt ghekomen tot een Licht, 32 32 Ioan. 12, 46. op dat alle die in my ghelooft nyet en blijve in duysternissen.
g Om uwer boosheyden menighvuldiheyts wille zijn uwe zonden hardt gheworden. 33 33 Iere. 30, 14,
Legt af den ouden Mensche, na de vooleden wandelinghe. 34 34 Ephes. 4, 22,
h Daar toe is de Sone Godes verschenen, 35 35 1. Ioan. 3, 8, op dat hy soude wech nemen des Duyvels wercken.
Ende ghy sult den Godtloosen vertreden als sy assche sullen zijn onder uwe voet-solen. 36 36 Mala. 4, 3.
Dat ix. Capittel.
VVElcke doodinge des ouden Mensches geschiet door kracht van Waarheyts a kennisse, barende in den Menschen hate ten


b quaden ende liefde c ten goeden. Te weten ware haat teghen sijn d selfs, namentlijck teghen die wijsheyt e des vleeschs en t´lichaam f der zonden, so onversoenlijck ende bitter, dat hem des vleesches wijsheydt nyet meer en mach aanlocken g veel min verleyden h, ende dat hy die quade ghewoonte uyt/roedet, mits laten i van ‘t quade ende doen k van´t goede.
a Die Rechtvaardighen werden verlost door kennisse. 1 1 Pro, 11,9,
Blijfdv in mijne Woorden, 2 2 I oan, 8, 31,
soo suldy waarlijck mijne Ionghers zijn, ende ghy sult die waarheyt kennen, ende die waarheyt sal u vry maken.
Ist dat die Wijsheyt in u herte komt, 3 3 Pro, 2, 10, 11, 12, ende die Kennisse uwe Ziele behaagt, soo sal Raadt u bewaren, ende Voorsichtigheyt sal u behoeden, op dat ghy verlost wert vande quade weghe.
b Die vreese des Heeren haat het quade. 4 4 Pro, 8, 13,
Die boosheyt hebbe ick gehaat ende daar af ghegrouwelt, 5 5 Psal, 118, 163 maar uwe Wet hebbe ick lief ghehadt.
c In de koordekens Adams sal ickse trecken, 6 6 Oze, 11. 4, onder Liefden banden, dan suldy u verblijden in den Heere.
d Ende die sijn Ziele haat in dese werelt, die salse bewaren in’t eeuwigh Leven. 7 7 Ioan, 12, 25,
Die my wil na volghen versake hem selven. 8 8 Mat, 16, 24,
e Is u ooghe een schalck, soo is t’gantsche lichaam-duyster. 9 9 Mat, 6, 22
Ist dat u rechter ooghe u arghert, breeckt dat uyt ender werpet van u. 10 10 Mat, 5, 30
Soo yemandt onder u schijnt wijs te zijn in dese werelt, 11 11 1, Cor, 3, 18 , die worde een zot, op dat hy wijs worde.
f Soo doodet nu uwe leden die opter Aerden zijn, hoerderije, &c. 12 12 Colos, 305,
Arghert u, u rechte handt, snijdtse af ende werpse van u. 13 13 Mat, 5, 31,
g Te vergeefs spreytmen het Net voor den ooghen der Voghelen. 14 14 Pro, 1: 17,
Ende die quade en sal hem nyet aanroeren. 15 15 1, Ioan, 5, 18
h Den vreemden en volghen sy nyet, 16 16 I oan, 10, 5, maar vlieden van hem, want sy en kennen der vreemder stemme nyet.
Ende daar sal een padt ende wegh zijn, 17 17 Esai, 35, 8, ende sal ghenoemt worden die heylighe Wegh. Daar en sal gheen besmette doorgaan, ende dese sal u tot een rechte Wegh zijn, so dat die zotten oock daar door nyet en sullen dolen.
i Ist dat ghy dijne voeten afkeert van mijnen Sabbath, 18 18 Esai, 58, 13, soo dat ghy op mijnen heylighen Daghe nyet en doet dat u behaaght.
Dijn wille gheschiede opter Aerden als in den Hemel. 19 19 Mat, 6, 10
Op dat hy nu nyet den begheerlijckheyden der Menschen, 20 20 1, Pet, 4, 2, maar den wille Godes het overblijfsel sijns tijdts in den vleesche leven soude.
k Hy neemt sijn cruys op ende volght Christum na. 21 21 Mat, 16, 24,
Indien die Godtloose boete doet van alle sijne zonden die hy heeft bedreven, 22 22 Ezech, 18, 21 ende onderhoudt alle mijne Gheboden, ende Oordeel ende Gherechtigheydt werckt, hy sal leven ende nyet sterven.

Dat x. Capittel.

BEroerende die Liefde, komt die Liefde, komt uyte kennisse Godes, die daar spruyt uyt het onderwijsen a van Gode selve, ende des Menschen opmercken b. Welcke kennisse Godes, moeder is van’t ware Leven c in den Mensche ende Liefde d totten Naasten, die daar verstandt

e den wille Godes den Mensche brenght totte navolginghe f ende onderdanigheydt g Christi.

a Ende wy weten dat die Sone Godes komt, 23 23 1. Ioan, 5, 20, ende heeft ons den Sinne ghegeven, dat wy kennen den waren Godt.
Nyemenat en komt tot my, 24 24 I oan, 6, 44, ten zy dan dat die Vader die my ghesonden heeft, hem trecke.
Ende sy sullen alle van Gode gheleert worden.
Alle uwe kinderen sullen geleert zijn van den Heere. 25 25 Esai, 54, 13,
b Alle wie’t van den Vader ghehoort ende gheleert heeft die komt tot my. 26 26 Ioan, 6, 45,
Hoort my die daar volght dat recht is, 27 27 Esai, 51, 1, ende den Heere soeckt, merckt opten Steen daar uyt ghy zijt ghesneden, mercket op.
Hoort na mijn volck, 28 28 Esai, 51, 4, ende ghy mijn gheslachte, hoort my, want die Wet sal van my uyt gaan.
Och of ghy-luyden op mijne Gheboden ghemerckt haddet, 29 29 Esai, 48, 18. soo waar u vrede gheworden als een vloedt, &c.
c Dat ist eeuwigh Leven dat sy u kennen te zijn alleen een ware Godt, 30 30 I oan, 17, 5, ende Jesum, dien ghy hebt ghesonden Christum.
Die Wet des Wijsen, 31 31 Pro, 13, 14, is een fonteynedes Levens.
d Alle wie lief heeft, 32 32 1, Ioan, 4, 7 , is uyt Gode gheboren ende hy en kent Gode.
Mijne Kinderkens laat ons lief hebben nyet metten woorde ofte tonghe, 33 33 1, Ioan, 3, 18, maar metter daadt ende waarheyt. Want daar aan weten wy dat wy uyter Waarheydt zijn.
e Smakende wat daar zy behaaghlijck voor Gode. 34 34 Ephes, 5, 10,
Ende biddende dat ghyluyden mooght vervult 35 35 Colos, 1, 9. worden mette kennisse sijns willens in alle wijsheyt ende gheestelijcken verstande
f Ende die schapen volghen hem na, 36 36 I oan, 10, 4, want sy kennen sijn stemme.
Ende hem volghde na een groote menighte, 37 37 I oan,6, 2, die daar saghen teeckenen die die hy aan den krancken dede.
g Ende daar aan weten wy dat wy hem kennen, 38 38 I oan,2, 3, ist dat wy sijn Gheboden onderhouden.
Soo wie my liefheeft sal mijn Woordt onderhouden. 39 39 I oan,14, 23,

Dat xj. Capittel.

NU staat oock wat te segghen van de beschenckinghe van ware a vryheydt, dat hier voor Capit. vj. ghestelt is voor ’t derde stuck. Dese is een verlossinge b van de dienstbaarheydt der zonden, waar na dan volght vrede c met Gode ende des gewetens d, blijdtschap e, Liefde f Godes tot ons, ende belooninghe g .

a Ist dat u die Sone vry maackt, 40 40 I oan. 8, 36, soo suldy waarlijck vry zijn, 41 41 Rom, 6, 18, ghevryet van de zonde zydy dienaren gheworden derGherechtigheydt. 42 42 1, Pet, 2, 24,
b Die selve onse zonden in sijnen lichame aan den houte heeft ghedraghen, op dat wy den zonden ghestorven zijnde, leven souden die Gherechtigheyt, door wiens bloede ghyluyden zijt verlost.
Die hem selve voor ons heeft gegeven, 43 43 Tit, 2, 14, op dat hy soude verlossen van alle ongerechtigheydt, ende voor hem selve soude heylighen een volck staande na goede wercken.
e Want hy is onse vrede, 44 44 Epes, 2, 14, die van beyden een heeft ghemaackt.


Nadien wy dan door’t Gheloove gherechtvaardight zijn geworden, 1 1 Roma. 5. 1. so hebben wy vrede met Gode door onsen Heere Iesum Christum.
d Want onse roem is dese ghetuyghnisse onses gewetens, 2 2 2. Cor. 1. 12 dat wy in eenvuldigheyt ende Godtlijcke louterheyt, nyet in de vleeschelijcke wijsheyt, maar inder genaden Gods ghewandelt hebben inder werelt.
Het eynde des Ghebodts is Liefde van reynder herten, 3 3 2. Tim. 1. 5. ende een goede conscientie ende een ongegheveynst gheloove.
e Want het Rijcke Godts en is nyet spijse ofte drancke, 4 4 Rom. 14. 17. maar Rechtvaardigheyt, ende vrede, ende blijdtschap in den heylighen Gheest,
Ende dat ick henluydē soude geven een Croon voor d’assche, 5 5 Esai. 61. 3. ende die Olye des vreughden voor droefheyt, ende den mantel des lofs voor den Gheest des toorns.
f DieRechtvaardigheyt na-volght, wert van hem (den Heere) bemint. 6 6 Pro. 15. 9.
Die my lief heeft sal lief ghehadt werden van mijn Vader. 7 7 Ioan. 14. 21.
Die my lief heeft sal mijn Woort bewaren, ende mijn Vader sal hem lief hebben. 8 8 I oan. 14. 32
g Weest getrou ter doot toe, ende ick sal u de Croon des Levens gheven. 9 9 Apoc. 2. 10.
Saligh zijdy als die Menschen u vervloecken ende vervolghen, 10 10 Matth. 5. 11. 12. ende alle quaat segghen liegende van u, om mijnen wille. Verheught ende verblijdt u, want u loon is overvloedigh in den Hemele.

Dat xij. Capittel.
ENde is ten laatsten oock te mercken dat die beschenckinghe des Rechtvaardigheydts (dat hier voor Cap. vj. het laatste deel is) die waarlijck a in ons is en in ware Gehoorsaamheyt is gheleghen, wert aanghenomen doo’t middel van Waarheyts b kennisse, en bestaat in Onderdanigheyt c, t’welck Rechtvaardigheyt is.
a Die Rechtvaardigheyt doet, die is recht vaardigh, so hy rechtvaardigh is. 11 11 1. I oan. 3. 7.
Op dat wy hem souden dienen in Heyligheyt ende Rechtvaardigheydt, 12 12 Lu. 1. 74. 75 voor hem alle die dagen ons levens.
Op dat wy souden worden die Rechtvaardigheyt Godts in hem. 13 13 2, Cor. 5. 21
b Ende sijn Schapen volghen hem na, want sy kennen sijn stemme. 14 14 I oan. 10. 4.
Maar ick achtet schade, 15 15 Phil. 3. 6. overmits die uytsonderlijcke kennisse mijns Heeren Iesu Christi om den welcken icks alle schade houde, ende als dreck achte, op dat ick Christum soude winnen.
c Saligh zijnse die na de Rechtvaardigheydt hongheren, want sy sullen verzaadt worden. 16 16 Mat. 5. 6.
Den rechtvaardighen ist een blijdtschappe Rechtvaardigheyt te doene. 17 17 Pro. 21. 15

Dat xiij. Capittel.
DIe Waarheyts kennisse doet dā het quade a vlieden en het goede b begeeren: ende die rechtvaardigheyt doet van’t quade ophouden c ende het goede d doen. Waar toe die Menschen gekomen zijnde, is hy nu gheworden een vāde inwoonders e des werelts die Rechtvaardigheyt heeft gheleert en Rechtvaardigh is, bereyckt hebbende de volkomen f Manheyt en Ouderdom Christi. Ende geeft als dan rechtvaardelijck elck t’sijne, te weten Liefde die hy gheeft Gode boven g al, en den Naasten als hem selve. Waar inne begrepen is alle die Wet h ende Propheten.

a Op dat ghyluyden hier door deelachtigh 18 18 2. Pet. 1. 4. mooght worden der Godtlijcker naturen, ist dat ghy vliedet die verganckelijcke lusten des werelts.
Vliedet die jeughdelijcke begheerten. 19 19 2. Ti. 2. 22.
b Ick hebbe uwe Wet bemint. 20 20 Psal. 42. 1. Ghelijck als een Herte verlanght na een Fonteyne, alsoo verlangt mijn herte na dy.
Mijn herte dorste na u Heere, 21 21 Psal. 42. 2. O levende Fonteyne.
Ist dat ghy de Wijsheyt aanroept, 22 22 Pro. 2. 3. 4. 5 ende ghy u herte neyget totter Gherechtigheyt. Indien ghyse soeckt als ghelt, ende ghy daar na graaft als na een schat, so suldy die vreese des Heeren verstaan, ende die kennisse Godts vinden.
c Hoe souden wy, 23 23 Roma. 6. 2. die de zonden zijn ghetsorven, daar inne noch leven?
Alle die uyt Gode is gheboren en doet hem gheen zonde, 24 24 1. I oan. 3. 2. want sijn zaadt blijft in hem, ende hy en mach nyet zondigē, want hy is uyt Gode geboren.
d Een goede Boom draaght goede vruchten, 25 25 Matth. 7. 17. 18. ende en mach gheen quade vruchten draghen.
Alle die dese mijne Woorden hoort, 26 26 Mat. 7. 24. ende die doet, wert gheleken eenen wijsen Man die sijn huys boude op eenen steen.
e Want als ghy u Rechtvaardigheydt kondt 27 27 Esai. 26. 9. ghemaackt sult hebben inder Aerden, sullen die inwoonders des werelts Rechtvaardigheyt leeren.
Die Rechtvaardigheyt doet, is rechtvaardigh, 28 28 1. I oan. 3. 7. alsoo hy Rechtvaardigh is (dats voorwaar nyet toerekentlijck.)
f Ick schrijve u ghy Vaders, 29 29 1. I oan. 2. 13. want ghy hebt hem ghekent die van aanbeginne is, ick schrijve u ghy Ionhelinghen, want ghy hebt den boosen overwonnen.
Tot dat wy alle ghesamentlijck mogen komen 30 30 Ephes. 4. 13. 14. tot die eenheyt des Gheloofs ende kennisse des Soons Godts, ende een volkomen Man worden, die daar zy na der maten des volkomen ouderdoms Christi, op dat wy nyet meer en zyn kinderen, ende ons nyet herwaarts ende ghints laten wayen van alreleye winden der Leeringhen, &c.
g Ghy sult lief hebben dijnen Heere Godt uyt al 31 31 Matth. 22. 27. 39. dijn herte, uyt al dijn ziele ende uyt al dijn gemoede. Ghy sult u Naasten lief hebben als dy selve.
Ende sy waren beyde rechtvaardigh voor Gode, 32 32 Luc. 1. 7. wandelende in alle sijn Gheboden ende Rechten des Heeren onstraffelijck.
h In dese twee Gheboden is begegrepen de gantsche Wet en Propheten. 33 33 Mat. 22. 40
Alle die Wet wert in eenen woorde begrepen, 34 34 Gala. 5. 14. ghy sult uwen Naasten lief hebben als u selve.

Dat xiiij. Capittel.

Korte verklaringhe ende noodtlijck onderscheydt van de Imputatie of Toerekeninghe, daar inne by veelen jammerlijcken werdt ghedoolt.

SO veele op’t korste en klaarste my moghelijck was, gheseyt hebbende van de Iustificatie of Rechtvaardighmakinge der Gheloovigen, was ick in meyninghe hier af te laten. Maar siende wat verderflijcker misbruyck huydendaaghs hem laat sien op allen plaatsen, in ’t stuck vander Imputatien oft Toerekeninghe, die mede een groot lidtmaat is (so voor gesien is) in de Rechtvaardighmakinge, hebbe ick daar af noch moeten seggen ’t ghene volght. Nemet doch ter herten Leser met aandachtighen ernst, want even so heylsaam als dese Leere is, te recht gheleert zijnde, even soo verdoemelijck is sy, qualijck geleert wesende: so oock gemeynlijcken die gheneselijckste Me-


decijnen, door’t misbruyck veranderen in die dootlijcke fenijnen.
Men vindt boetvaardighe ghebroken Hertgens, en oock hardtneckige stoute herten. Die werden in de heylige Schrift met troostelijcke Genaden-sproken lieffelijck gesalft: maar dese worden met grouwelijcke Donderslagē strengelijck ghemortert. Alsoo vindtmen nyet min vloecken, ween en dreygementen in de heylighe Schrift, dan zegeningen, aanlockselen ende beloften. Die strecken opten stouten, dese laatste opte bedroefden geesten. Daarom misbruyct hy verderflijck die H. Schrift, die den bedroefden metter Wet noch meer verschrickt: nyet min verderflijck misbruyck ist, alsmen den onboetvaardighen mette Ghenade vertroost. Want so men den droeven met ontijdigh verschricken doet vertwijfelen, alsoo doetmen den onboetvaardighen met het pluymstrijckerigh vertroosten, verharden in zonden en in roeckeloosigheydt verstijven. 1 1 Ezech. 13. 19. Soo dootmen (om een handt vol garsten) die Zielen die nyet sterven en souden, e n soo maken sy levendigh die Zielen die nyet en leven, liegende den volcke, dat loghenen ghelooft.
Dese Vredepredikers, die des volcx wonden qualijck heelen, 2 2 Iere. 6. 14. beloven den quaat-blijvenden Menschen quijtscheldinge der zonden tegen die gantsche Schrifture. En meynt nyet Leser dat dit alleē voormaals inde guldē werelt geschiet soude zijn, maar nu niet en geschiet in dese aerden werelt: maar ghelooft hier inne nyemant meer vā u selve, dan u selve, (want u geeft selve best weet wat in u is.) Wildy nyet moetwilligh bedrogen zijn, aaenmerckt uwen staat, siet in den spieghel der Schrifturen den aardt der onboetvaardighen stouten, en wederomme den aart der gebrokene vertsaaghde hertē in boetvaardigheydt staande. Dan let opten sproken die anderen of ghy selve, u voorhoudē om u te troosten: ick ben seker doedy dit met wackeren aandacht, ghy sult bevinden, dat ghy of anderen u toe-eygenen sprokē u geensins toebehorende nochte tot u sodanigh als ghy zijt, ghesproken zijnde. Doedy dit, segge ick noch, met ernstigh opmercken, ick ben seker dat ghy sult bevinden dat ghy u selve, of een ander u, meest doodtlijcken bedrieght, met het nyet toerekenen vander zonden u selfs toe te schrijven.
Ick weet wel dat die H. Schrift den Man saligh noemt dien Godt gheen zonde toe en rekent: Ick weet oock wel dat ghyluyden meest al dese alghemeyne sproke u selve toe-schrijft vrymoedelijc: maar ick en weet nyet hoe ghyluyden seker mooght wetē dat ghy luyden zijt daar af dit wert ghesproken: Het is een algemeē woort sonder alle verklaringe (alsment so geraeybraackt sonder sijn ghevolge verhaalt so men nu altijt doet) hoedanigh die Man is, of waar by men hem soude mogen kennē, dien Godt gheen zonde toe en rekent. Noch schrijft elck dese Saligheyt en nyet Toerekeninge der zondē hen selve toe, en neemt sich elck also aan te wesen t’gene hy noch geensins en is: mogen dese waansiende blinden oock t’gesicht begeeren en vā haar blintheyt verlost wordē? Voorwaar neen so lange sy sulcx blijven. Omme nu soo veele in my is, te doen tot redderinghe van yemanden (al waar’t maar een) wil ick dit noch uyt-beelden met een ghelijckenisse, ende alleen segghen also.
Neemt datter is een groote menighte Ballingen om bedrevē te hebbē Crimen lese Majest. en die Coning een pardoen of genade-brief uyt sendt aan allen Ballingē, houdende dat sy alle

veylighlijck in sijn landen ende in harer goeden weder mogen komen, die hy de misdaat quijt schelt ende die zonde nyet toe en rekent, sonder yet meer daar by te verklaren, hoedanich of wie de gene zijn die hy de misdaat quijt schelt: souder oock yemant van de Ballingē so onbedacht ende vermetel zijn dat hy, sonder seker te wesen dat hy self een vanden luyden is dien te wesen dat hy self een vanden luyden is dien die Coning de misdaat nyet en wil toerekenē, soude dorren trecken tot sijn oude woonplaatse, en hem selve stellen in sijnen huyse en goederen? Ic geloove wel neen. Niemāt soude hem selve so seker vroedt maken dat hy die Man ware, by den Coning daar gemeynt, dat hy sich in’t landt te komē betrouwē soude, maar elck soude ootmoedelijcken verklaringe versoecken en wenschē vā dat articule, op dat elck seker soude mogen verstaan of hy die Man oock ware dan nyet. Nochtās doet meest elck plat anders in dese sake teghen Gode. Elck derf sich vrymoedelijck vroedt maken, dat hy dat gheliefde kindt zy, die alles quijt gheschoncken is.
Maar so mē dā noch neemt dat die Coning daar na in’t selve pardoen en in andere Acten, naacktelijcken verklaarde hoedanigh die luyden zijn dien hy haar misdaat quijtschelt, ende welcx zonden so bedeckt zijn by hem, dat hyse hem nyet toe en rekent, te weten die recht leedtwesen hebben, die waarachtelijck haar misdaat bekennen, die van sulcke misdaat teghen hem daar na voorts opgehouden hebben, nyet meer sedert met des Conincx vyandē sich verselt hebben, geen raadt, geen daadt, noch gheen hulp altoos des Conincx vyanden teghen den Coninck meer bewese, maar sich voorts eerlijck, stil, ghetrou, en als goede dienaren, (daar sy dienst te doen vermochten) gedragen hebben, so in’t ontdecken, en int hinderen van alle aanslagen tegen den Coning, als in’t hulp bewijsen en des Conincx grootheyt ende eere te voorderen daar sy’t eenighsins vermochten. Wat soudet dan zijn? Soude dan oock yemant van den Ballingen gheen altoos van sulcke goede, maar alle die quade stucken of immers eenige van de selve in sich bevindende, hem selve oock wel laten dunckē dat hy die Man ware, diens misdaden quijte geschouden, bedeckt en vergeven waren? Soude sulck een (segghe ick noch) hem selve aan-nemen derren dat hy die ghene waar, en daar op in des Conincx landen trecken om t’pardoen te winnen? Ick achte wel neen, maar dat elck kloeckelijck den doot vreesen, ende uyten Lande blijven soude.
Al anders doet nu meest elck Zondaar ende Balling van Gode teghen Gode te recht Crimen lese divinae Maje. bedreven hebbende. Want elck maar lesende in den Pardoen-brieven des Evangeliums, dat die Man saligh is diē God gheen zonde toe en rekent, hem selve des vrymoedelijck ende vermetelijck derf aan-nemen, sonder eenighsins te letten of hy oock van soodanighe luyden een is dien God de Zonde nyet toe en rekent. Immers, dat noch arger is, elck derf sich dese Ghenaden-sproke toe schrijven, nyet tegenstaande hy sich self bevindt te wesen een van sodanige luyden dien Godt de Zonde toe rekent, ja dien Gdt nyet en wil ontfermen. Dat sulcx nu is een dwase, ja dulle vermetelheyt tot een seker verderf der Zielen ende eeuwigh verdoemen streckende, en meyn ick nyet dat yemant mach loochenē. Dit wilt eens ter herten nemē Leser en met hertelijcker aandacht aanmercken, op dat ghy eenmaal uyten slape uwer Zonden ontwakē, die stemme van de Sone Godes hooren, ende ten leven der


gerechtigheyt geraken soudet mogē. Tot vorderinghe van’t welcke ick hier noch die moeyten genomen hebbe van te stellē eenige sproken daar inne die drye voor-geroerde aart van luyden hen selve moghen spieghelen, inne vinden en aan kennen, te weten, luyden welcker Zonden gestraft worden, luyden over welcke God sich nyet ontbarmt (so langhe sy sulcke blijven) en luyden welcker Zonden bedeckt ende vergeten zijn, ende hen nyet toe gerekent en werden.
Verdoemende den Godloosen, 1 1 Godt straft e n verdoemt den Godtloosen Doodet die hem verlaat. vergheldende hem sijnen wegh op sijnen hoofde, 2. Reg. 8. 32.
Ghy hebt my verlaten (seyt de Heere) ende zijt te rugge gegaan, ick sal mijn handt uyt-strecken over u, ende ick sal u dooden. Vraghende heb ick ghearbeyt, Iere. 15. 6.
Ghy haat alle die ongherechtigheyt wercken, Psalm. 5. 7. 2 2 Haat die ongherechtigheyt .
Ghy verderft alle die hoerderije bedrijven, &c. Psalm. 72. 27. 3 3 Verderft de hoereerders.
Ghy verderft alle die loghen spreken? Psal. 5. 7. 4 4 Verderft de loghenaars.
Ghy hebt verlaten, ende ick heb u verlaten in selancx handen, Paral. 12. 5. 5 5 Verlaat die hem verlatē.
Om dat ghy wetenschap hebt verstooten, sal ick u verstooten, Oze. 4. 6. 6 6 Verstoot den verstooters.
Godt en ontfarmt nyet den gheenre die haars Naasten zonden nyet en vergheven, Matth. 6. 15.
Oordeel sonder barmhertigheyt den ghenen die geen barmhertigheyt gedaan heeft. Iac. 2. 13.
Heb ick ongherechtigheydt gheaanschout in mijn herte, soo en verhoort my de Heere nyet, Psalm. 65. 18. 7 7 Verhoort nyet den ongherechten.
E n als ghy uwe handen al uytstreckt, so sal ick mijn Ooghen van u keeren, als ghy u Gebedt sult vermenighvuldigen, en sal ick u nyet verhooren, want uwe handen zijn vol bloets, Esai. 1. 15.
Ende na t´ghetal der weghen Ierusalems hebdy schandtlijcke Altaren ghestelt om Baal te offeren. 8 8 Den Afgodeerders. Maar ghy en sult voor dat volck nyet bidden, ende van henluyder weghen noch lof, noch ghebedt voor houden, want of sy schoon roepen tot my, so en sal ickse nyet verhooren, Ierem. 11. 13. 14.
Wat is die hoope eens hypocriten, soo hy gierighlijck rooft= Ende Godt en sal sijn Ziele nyet verlossen, Iob 27. 8. 9 9 Verlost niet den Hypocriten .
Daarom en sal hy hem oock nyet sparen noch ontfarmen, Ezech. 9. 10. 10 10 Spaart den Godtloosen niyet.
Saligh is de Man dien Godt gheen zonde toe en rekent, ende in wiens gheest gheen bedrogh en is, Psalm. 31. 2. 11 11 Godt en rekent de zonden nyet toe den eenvuldighen.
Ist dat die Godtloose boete doiet van alle sijne zonden die hy gedaan heeft, ende hy onderhoudt alle mijne Geboden, ende doet Oordeel en Rechtvaardigheyt, so sal hy leven ende nyet sterven, alle sijne ongerechtigheydēdie hy ghewrocht heeft en sal ick nyet ghedencken. Ezech. 18. 21. 22. 12 12 Boetvaardighen.
Want so veele de hoogheyt des Hemels is verscheyden vander Aerden, heeft hy sijn Barmhertigheyt vergroot op ten genen die hem vreesen. So verde als d´opgangh van den ondergangh is verscheyden, heeft hy onse zonden van ons wech ghedaan, Psal. 102. 11. 12.
Die goede Heere sal ontbarmen allen den ghenen die met geheelder herten den Heere, 13 13 Godtsoecken. haarder Vaderen Godt, soecken, ende hy en sal´t henluyden nyet toerekenen dat sy nib geheylight zijn, 2. Paral. 30. 19.
Maar ist dat wy in´t Licht wandelen alsoo als hy in´t Licht is, 14 14 Wandelende in den lichte. ende ghemeenschap hebben met malkanderen, soo suyvert ons het bloedt sijns Soons Iesu Christi van alle zonde, 1 Ioan. 1. 7.

In den beloften Godes en heeft hy oock nyet 15 15 Vast geloovenden ghetwijfelt door mistrouwen, maar hy is versterckt in den Gheloove, ende gaf Godt die eere volkomentlijc, wetende dat hy oock vermach te doene alsoo wat hy heeft belooft, ende het is hem gerekent tot Rechtvaardigheyt, Ro. 4. 20. 21. 22.
Rust van´t quade, leert wel doen, 16 16 Ghenen die t´quade laten ende t´goede doen. ende al waren uwe zonden als vermelioen, sy sullen wit werden als sneeu, Esai. 1. 17. 18.
Want die ghestorven is, die is van de zonde gerechtvaardight, Rom. 6. 7. 17 17 Ghenen die de zonde doot zijn.
Want nyet die hoorders des Wets by Gode rechtvaardigh zijn, maar die doenders des Wets sullen gherechtvaardight worden, Rom. 2. 13. 18 18 Ghenen die Gode ghehoorsaam zijn.

SOdanighe luyden zijn´t Leser, dien Godt geen zonde toe en rekent, met noch maaer andere dergelijcken, altsamen nochtans van sulcker aardt wesende, dat sy in hem hebben eenen waren af/keer der zonden door eenen levendigen hate tegen die selve, en eenen waren toekeer ter Deughden, met eenen oprechten lust ende liefde totte selve, en oock met een ontwijfelijck betrouwen, nyet op onse swackheydt, maar op Godes Almogende Waarheyt, 19 19 Rom. 4. 16. 17. 19. die al geeft dat hy belooft. Ist nu dat ghy u waarachtelijcken vindt een van den genen dien Godt geen zonde toe en rekent, soo hebdy Gode des uyter herten te bedancken, ende in sijn ghenade te rusten met vast betrouwen op sijn Woort. Ist dat nyet, soo wacht u, O wacht u sorghvuldelijck, dat ghy u sleve nyet en verleydt tot een eeuwighe ongeneselijckheyt uwer Zielen. Maar twijfelt ghy, so stelt u int nederste. Beter ist te hooren: komt van benedē hier boven sittē: dan vrundt gaat van daar boven beneden sitten. Die de letteren noch nyet en kan, en mach in de loco sittende daar men leert lesen, inder Eeuwigheyt nyet vorderen. Want men daar nyet leert de letteren kennen, maar die bekende letteren spellende te samen brenghen in’t lesen. Also mede waandy u een Christē eer ghy’t zijt, langsaam suldy’t worden. Maar houdt ghy u kleyn, soo sal u de Heere self verheven ende groot maken. Het middel te treffen, dat elck van hem oordeele dat hy is, waar best. Maar dat is allemans ding nyet. Het zondighen in de nederigheyt, te weten dat wy ons in’t nederste stellen, heeft geen sorgelijckheyt met allen in, maar hem self te hooge te stellen, stort af in den afgrondt des verderflijckheydts. Die sijn quaatheyt kent met treueren, mach verlossinge begeerē en verkrijghen: maar die verwaande blinden blijven in haar blintheyt. Ghelooft daarom nyemanden die u Vrede predikende in u oude huydt, leert dat ghy onverandert ende quaat blijvē en vernieut of goedt mooght worden: en datmen door een goerheyt die buyten ons is ende blijft, saligh mach worden. Neen die Recepten buyten des krancken lijf blijvende ghenesen hen nyet, maar laten de sieckte blijven. Ghelooft daarom Godts beloften boven Menschē leer, dat hy u inder Waarheyt (nyet in den Waan) van’t quade wil verlossen, met sijn goedtheydt wil beschencken, u in sijne goedtheyt bewaren, voor alle quaat behoeden en saligh maken. Gelooft Gode hier in sijn Woort door die gātsche Schrifture, ende ghy sult gheloovige kinderen Abrahams ende saligh werden, 20 20 Rom. 4. 19. die nyet en sietop sijn ende sijn wijfs swackheydt, maar op die belovers (Godes) Almogentheyt ende ghetrouwe Waarheyt. Dat gonne u die gaafrijcke getrouwe Almogende ende lieve Godt, Amen.

FINIS.

"""Tafel vander gheloovighen justificatie ofte rechtvaardighwordinghe in Christo Jesu."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."