I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Van wel bidden onderwijs uyt die goddelijcke schrifture self,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."
"""Van wel bidden onderwijs uyt die goddelijcke schrifture self,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."


Van wel bidden Onderwijs uyt die Goddelijcke Schrifture self, tot betoon dat die so gantsch duyster nyet en is, alsmense nu wederomme pooght te maecken. Ende dat om die wille Godts daar inne te verstaan veel meer voorderlijck is een ernstigh voornemen inden Heere, om die wille Godes te volbrenghen: dan het swerven van de Labyrinten der Menschlijcke glosen ghestelt

DOOR D.V. COORNHERT

Ioan. 16. 24.
Tot noch toe en hebdy ghebeden in mijnen Name. Bidt ende ghy sult ontfanghen, op dat u vreughde volkomen zy.

2. Timoth. 3. 16.
Alle Schrifture is van Gode in-gegeven, ende oorbaarlijck tot leeringhe, tot berispinghe, tot onderwijsinghe in de Rechtvaardigheyt, op dat die Mensche Godts volmaackt zy, ende tot alle goede werck onderwesen.

t’AMSTERDAM
By Jacob Aertsz Colom, 1631.


Allen goetwilligen Menschen die hare armoede der Zielen waarachtelijck kennen, haar onverstandt ende swackheyt gantschelijck mistrouwen, die Goddelijcke beloften ontwijfelijck betrouwen, ende na sijnen wille ootmoedelijck bidden, immers die sulcx gaarne doen soudē, so sy kondē, voorseyt of wenscht in den Heere, op desselvens seker toeseggen, het verkrijghen haarder goeder begheerten,

hen alder Dienstwillighe D.V. Coornhert.

Godt is het opperste Goedt ende die Saligheydt alleen. Alle sulcx heeft hy als syn eygendom van sich selve. Anders ist met ons Menschen. Want wy noch Goetheyt noch Saligheyt en hebben van ons selve: maar bekomen sulcx te gheve uyt ghenade van den milden Gode die de eenige Fonteyne is van Goedtheyt ende Saligheyt. Maar nyemant en verkrijght sulcx sonder daar toe te hebben een hertelijck verlangen ende begheerlijcke luste, t’welck is Bidden. Dit is by elck die daar ondervindelijck verstaat, dat het ontberen van goetheyt ende mitsdien oock van Saligheyt een pijnlijcke Doot, een smertelijck gequelle, ja een verdoemelijcke Helle is sijnre Zielen. Want die’t goede ontbeert is quaat, ende die Saligheyt derft is onsaligh. Gemerckt Goedtheyt ende Saligheyt onverscheydelijck zijn verselt metten anderen: sulcx dat nyemant sonder goedt te zijn Saligh, ende wederom sonder Saligh te zijn goet en mach wesen. Hierom staat ons voor al te benaarstigen sodanige veranderinge dat wy worden moghen uyt quade Menschen goede luyden. Dit gheschiet alleen door’t Gheloove in Jesu Christo onsen Salighmaker, als door den eenigen Medecijnmeester der Zielen: die alleen verstandt, wille ende macht heeft om die quaatheyt (dats die sieckte) uyt onse Zielen te verdrijven, ende die goet (dats gesondt) te maken, nyet waanlijck, maar waarlijck. Want die van de Sone also vry ghemaackt wordt van’t quade, die is waarlijck vry. Dit alles betuyght die gantsche Godtlijcke Schrift. Daar inne belooft Godt sulcx in Christo te geven, alle die’t in Geest ende Waarheyt van hem begeeren. Die nu sulcx uyt ondervinden weten (nyet alleen uyt lesen of hooren segghen ghelooven) waarachtigh te zijn, die hebben inder Waarheyt gebeden, ende t’gene sy om baden verworven, dat is goetheyt, gesondtheyt ende saligheyt haarder Zielen. Die oock sulcx of ten minsten een ondervindtlijck beginsel van dien noch nyet en hebben verworven, ende doch gelooven, dat die ware bidders sulcx van den waren Gode moghen, ja sullen verwerven, die moeten noodtlijck weten, dat sy tot noch toe nyet geloovigh inder Waarheyt en hebben gebedē. Ten waar dan sake dat sy willen achten dat het gebrake nyet aan henluyder wel bidden, maar aan Godes qualijck weygeren. Dese lasteringe Godes is wijt van sodanigen geloovige, maar diep in alder ongeloovigē herten. Dese mogen verkeerdelick vermoedē dat Godt gierigh, ontrou, onvermogende of onwilligh is, ende dat mitsdien henluyder nyet verkrijgen nyet haarluyder, maar Godes schulde zy. Maar dese Godtloose gedachten op so gaaf-rijcken, getrouwen, Almogendē en lieven Vader en vallen nyet eens in de herten van alle ware Gheloovighen. So veele onser dan is die vreemt zijnde van sulcke lasterlijcke Godloosigheyt, houden nyet minder voor ontwijfelijcke Waarheyt, dat Godt sal geven den waren bidders t’ghene dat hy henluyden in de H. Schrifture belooft: dan dat hy’t sodanigen bidders daar waarachtelijck belooft. So houden sodanige dan mede die sulcx verkrijghen van de begeerde goetheyt ende gesondtheyt der Zielen, of ten minsten van een waarachtigh beginsele van beteringe ende goet wordē, noch ontberen, dat het selve nyet en gebreeckt aan Godes miltheyt, trouwe, wil of machte: maar aan onse laeuheyt, ongeloove ende qualijck begeerē ofte bidden. Hebben wy dan tot noch toe qualijck gebeden, ende derhalven nyet verworvē t’gene wy om baden: waarom en pogen wy nyet dewijle het noch huyden heet, den Heere wel te bidden? Wel bidden is na Godes wille biddē. Waar salmen dit leeren mach yemant hier dencken? Waar anders dan in de ware schole der Deughden? Welcke is die? Oeffening der Godtlijcker Schrifturen. Daar mede meyne ick nyet een curieus lesen: maar een dadelijck hanterē van’t gelesene. Niet die hoort maar die doet des Vaders wille sal saligh zzijn. Nyemant en meyne dat die sorghvuldige Vader of die wijse Schoolmeester sijn Sone ons dese aldernootlijckste lesse heeft versweghen inde H. Schrift. Noch veele min dat hy Gebenedijt ons die so duysterlick voor-stelt, datmē die door ’tlesē ende oeffenen van de H. Schrift in sijn Licht der genadē nyet en soude mogen verstaan, begrijpē noch leerē, so veele elck ter Saligheyt noodigh is. Want die Meester is wijser dan alle Menschē ende oock beter. Daarom kan hy oock beter, ende wil ons liever dan alle menschelijcke Schoolmeesters dese ende andere sijn lessen naacktelijck ende duydelijck onderwijsen ende leerē, so wy maar begeerlijck daar op letten ende vlijtelijck die in’t werck brengen. Wy en hebbē dan geen onschult van ons qualijck bidden, so lange de Heere ons door onse schuldige ende uytspouwelijcke laeuheyt sijn Goddelijcke Schrift nyet weder ontreckt, ende ons mede laat sadt worden aan onse eygen droomē, dichtingen ende goetdunckenheyden. Ick sie anderen veele glosen maken op veele Ghebeden in de H. Schrift gestelt, maar ick houde die heylige Geest inde H. Schrift selve waarachtiger ende krachtiger Leermeester in dese wel-biddens conste, dā alder menschen uytleggingē, glosen ende commentarien. Dese mogen dolen, ja doolen meest al ergens inne: maar de Gheest der Waarheyt in de H. Schrift en doolt nergens. Daar uyte dan, ende nyet uyt Menschē glosen, hebbe ick hier by een vergadert die wijse van wel bidden, ende u de selve vruntlijck met gedeelt. Is nu yemant so naarstigh om dese conste van wel bidden te leeren, als veel luyden nu zijn om diepe ende onnodige questien te ondersoecken, of als veele Coopluyden zijn om aardtsche Rijckdommē te bekomē: die sal haast inder waarheydt wesen een verkrijgher, nyet van liefdeloose wetenschappe, maar van ware Deughde, van Liefde, van Goedtheyt ende Saligheyt. Dat wenscht u in den Heere als sich selve,
U alder E. Dienstschuldighe
D.V. Coornhert.


Inhouden van dit Boecxken.


j.Dat die heylighe Gheest in de heylighe Schrift alles dat ons noodigh is, leert om niet.
ij. Dat Godt alleen leeret, maar die Menschen betuyghen die Waarheyt.
iij. Dat der Menschen nyet willen een hinder is om van Gode gheleert te worden.
iiij. Wat doen den Menschen noodigh is om van Gode geleert te worden.
v. Van verscheyden by-namen des Ghebedts.
vj. Of dooden moghen bidden, ende wat dooden dat zijn.
vij. Of dooden moghen hooren.
viij. Wie het is die daar biddet.
ix. Van de wercken des Gebedts.
x. Wat meest aanport te bidden.
xj. Waar toe het bidden is streckende.
xij. Beloften Godes van’t Ghebedts verhooren.
xiij. Exempelen der verhoorden in haar Ghebedt.
xiiij. Welck die vruchten zijn des waren Ghebedts.
xv. Wat noodigh is om wel te bidden.
xvj. Wat saken die verkrijginghe des Ghebedts verhinderen.
xvij. Wat voorderlijck is tot een goet Ghebedt.
xviij. Wie ghebeden moet worden.
xix. Welck die voorneemlijckste oorsaken zijn dat Godt alleen behoort gebeden te worden.
xx. Om dat Godt goet is.
xxj. Barmhertigh is.
xxij. Langmoedigh.
xxiij. Die Liefde.
xxiiij. Rijck ende milt.
xxv. Ghetrou.
xxvj. Almachtigh.
xxvij. Wanneermen sal bidden.
xxviij. Waarmen sal bidden.
xxix. Hoemen sal bidden.
xxx. Watmen sal bidden.
xxxj. Gheheylighet werde dijnen name.
xxxij. Dijn Rijcke toekome.
xxxiij. Dijn wille gheschiede opter Aerden als inden Hemele.
xxxiiij. Gheeft ons huyden onse daghelijcx broodt.
xxxv. Vergheeft ons onse schulden, als wy vergheven onse schuldenaren.
xxxvj. En leydt ons nyet in versoeckinghe.
xxxvij. Maar verlost ons van den quaden.
xxxviij. Amen.
xxxix. Van de beloften Godes dat hy ons ghebedt sal verhooren.
xl. Welcker Menschen ghebedt beloften heeft van verhooringhe.


Inleydinghe totten Ghesprake van’t wel bidden, tusschen den Leergierighen Mensche, ende Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.

Leergierighe Mensche.

ICk hadde voormaels gelesen in den Bybele, 1 1 Rom. 14. 17 dat het Rijcke Gods zy rechtvaardicheyt ende vrede, ende Blijdtschappe inden heyligen Geest. Ick vandt my selve onrechtvaardig in alle mijnen leven, twistigh met Gode ende metten Menschen, oock met mijn eygen Conscientie, ende mitsdiē oock droevigh, ellendig ende vol treuren. Also en konde ick in sodanigen ellendigen state nyet vernoegen noch rusten, 2 2 Isai. 48. 22 Isa. 66. 24. Luc. 15. 16 waarachtigh bevindende des Propheets woorden: Dat die Godtlose geen Vrede en heeft, ende dat haar knagende worm nyet en sterft. Wel is waar, dat ic overvloedigheydts genoegh hadde van den draf der aardtscher Rijckdommen ende der zwijnigher weelden des lichaams, soeckende daar inne te versaden den hongher mijner Zielen. Maar want die edeler is dan alle Schepselen, soo dat nyemant dan de Schepper self met sijn eeuwigh wesen die Ziele mach versaden, bleef sy ydel, onvernoeght ende hongherigh. Daar door my doe oock opgingh het Zeghel van den sproke: 3 3 Matth. 4. 4. Dat die Mensche nyet alleen en leeft by den broode: maar by allen Woorde, komende uyten monde Godes. 4 4 Luc. 15. 27. Nu was my betuyght dat in des Vaders huys oock alle huyrlinghen overvloedigh ghenoegh broodts hebben. Daaromme ick in vreemde landen van aardtsche opinien ende dienste van des lijfs wellusten dit gebreck van broode ende desen hongher mijnre Zielen ghevoelende, een voornemen in my vandt, om dat onghenoeghlijck ende pijnlijck ghequel des hongers te ontvlieden ende te gaan daar broodt overvloedigh is, te weten na des Bader huys, dat is, na het Rijcke Godes, omme daar, na voorgaande ware veroordeelinghe mijns selfs ende grondtlijcke belijdinghe mijns herten, van mijn groote zonden (die verdoemens waardigh zijn, soo dat ick nyet waardigh ben een sone mijns Vaders te wesen) deelachtigh te mogen worden die Gerechtigheyt, sodanigh te mogen worden die Gerechtigheyt, sodanigh zijnde dat die hem selve met ernstigher Waarheydt veroordeeldt, nyet veroordeelt en sal worden. Ghemerckt dit des Zondaars eerste gerechtigheyt is, dat hy als een ware Rechtvaardige veroordeelt voor al hem selve, nyet yemant anders. Dit dede die Moorder treffelijck in ’t verantwoorden van Christi onschult, ende in ’t veroordeelen ende verdoemen van sijn eyghen schulde. Als ick nu my selve bestondt af te keeren van den draf der aardtsche wellusten, om te vinden het levendtmakende broodt der Zielen, merckte ick veel meer sekerheyts by my te wesen waar af, dan waar toe ick my soude keeren. Want ick terstont vier of vijfreleye ja ontallijcke veel stemmen, uyt verscheydene duystere hoecken tot my hoorde roepen in deser wijsen: Het Rijcke Godes met sijn Gherechtigheydt dat ghy soeckt, is de ware sichtbare kercke Godts, daar alleē het Broot des Levens, dat is het waarachtige Woort, komēde uyten monde Godes, te weten die ware Leere, die alleen de Ziele waarlijck mach spijsen ende recht versaden. Dit hoorende, merckte ick wel dat elck my beloofde t’ghene ick alleen begheerde ende sochte, namenlijck het Rijcke Godes met sijn Gerechtigheyt, vrede ende blijdtschappe in den heyligen Gheest, oock die ware spijse der Zielen het levende Woort Godts, dat alleen kan ende mach waarachtelijck nyet alleen die hongerige Zielen versaden, maar oock die doode Ziele levendigh maken. Daaromme ick van dese schoone beloften begeerlijck werde aangelocket, soo dat ick aandachtelijc began te luysterē nu na dese, dan na die stemme, welcke altsamen elck al d’andere voor valsch schelden, ende elck van de selve haar self voor waarachtigh presen. Soo waarschoude my elck voor d’ander, ende riede my haar alleen na te volghen, my belovende waarlijck te brengen int ware Rijcke Godes, ende aldaar my Broot des Levens, Rechtvaardigheyt, Vrede ende blijdtschappe te doen hebben. Alsoo hebbe ick eenighe stemmen gelooft d’een voor ende d’ander na trouwelijck na ghevolght, ende ten laatsten (leyder) bevonden my selve te wesen van den luyden daar af gheschreven staat: 5 5 Isai. 29. 8. Ghelijck een hongherighe die daar droomt dat hy eet, maar ontwakende vindt hy sijn Ziele ydel. Dit verstont ick uyt dese ondervindinge ende opmerckinge inder ghenaden 6 6 Luc. 6. 25. Godes my te treffen, oock mede dat Wee, den ghenen toegheseyt die versaadt zijn, want sy sullen noch hongeren, ghemerckt ick met Weeklagen ende ellendigh treuren bevandt mijn Ziele noch hongerigh, daar door ick ontwijflijck verstondt dat die stemmen die ick ghevolght hadde valsch waren, als nyet ghevende noch volbrenghende t’ghene sy beloofden. Sy hadden my belooft versadinghe, rust, blijdtschap, ende gerechtigheyt: maar ick bevandt my int na-volghen van sulcke stemmen so langher soo meer ghequelt met honger, met wroegen, met droefheyt ende vol ongerechtigeyt. Also ist gevallen dat my in desen kommer, noodt, ende diepe ellende staande, aamsprack eenen ghenaamt Coornhert, door een sijn boecxken geheeten Middelen tot minderinghe der Secten. Daar inne hy bewijst dat in dese twijfelijcke, ja twistighe tijden (in welcke sich elck roemt die ware Leere te hebben, ende daar nochtans nyemandt van allen sijn Sendinghe om Ghemeenten met autoriteyt te leeren, Wettelijck en heeft bewesen) het sekerste waar te verlaten alle Menschelijcke leeringen, glosen ende Predicatien, ende naarstelijck met bidden te lesen die naackte text van de Goddelijcke Schrifture. Segghende voor Reden van dese seeckerheydt, dat alle Menschen die hare Sendige nyet en konnen bewijsen, erghens moghen, ja moeten, dolen in hare Leeringhen, als nyet hebbende van Gode in haren monde gheleydt sijn


waarachtigh Woort: ende dat daar teghen die Schrift als geschreven zijnde of in de penne ghesproken, door ander gheen luyden, dan door die Godt self ghesonden ende sijn heylighe Woort in haren monde gheleydt heeft gehadt, in gheenen stucken altoos en mach dolen, oock in’t minste tijtelken nyet, als die in allen ontwijfelijck waarachtigh is. Also riedt hy my dat ick die modderighe Cisternen verlaten, ende tot die suyvere Borne selve gaan soude. Ick hadde nu al uyt versochtheydt bevonden hoe onseker der Menschen woorden waren: Ick gheloofde oock vast dat die H. Schrift in allen seker, vast ende gewis is: so konde ick nu oock lichtelijck toe stemmen dat het sekerder ware Godts waarachtigh, seker ende suyver, dan der menschen logenachtigh, twijfelijck ende onreyn woordt te betrouwen. Maar my beswaarde noch een sake, te weten, dat veele segghen die heylige Schrift tot veele plaatsen so duyster te zijn, datse sonder uytlegginghe nyet en mach verstaan worden. Des ick den selven Coornhert van dese mijne bewaarnisse selve aansprack, ende kreegh van hem dese antwoorde: Seght my, Vrundt, welck is het eynde daar toe Godt den Propheten, Euangelisten ende Apostelen sijn Woort heeft ghedaan betuyghen in de H. Schrift? Is dat geweest om den leergierighen sulcx duysterlijck te verberghen, so datse van nyemande verstaan soude worden? Als ick nu geantwoort hadde neen gheensins, want dat waar vergheefs werck ghedaan, t’welck immers nyet mach vallen in de Wijsheyt, die Godt selve is: soo heeft hy wederomme gheseyt, so is sulcx dan geschreven ten eynde dat die leergierighe dien’t ernst is om die wille Godes te doen, die verstaan soude moghen. So ist seyde ick. Meyndy niet, sprack hy wederom, dat die Wijsheydt Godes soo wel haren sinne by gheschrifte kan uyt-beelden, als Cicero, Demosthenes, ja die alder welsprekenste ter werelt te samen? Dat (seyde ick) sal nyemant loochenen dan die d’alderqualijcst sprekenste is ter werelt. Wat behoeft dā (seyde hy) dese klare Sonne der Godtlijcker Schrifturen, die verklaringhe van de duystere Menschelijcke fackelen? Laatse by-wijlen te weten van die men ontwijfelijck weet van Gode gesonden, ende deses Sonne-lichts deelachtigh zijn, nut zijn: maar wie mach segghen dat die glosen van Menschen die haar sendighe nyet konnen Wettelijck bewijsen, soo noodigh zijn, datmen sonder die selve die H. Schrift soo veel ter Saligheyt elck van noode is, nyet en soude moghen verstaan. Voorts seyde hy: Waar door verstaan syluyden die selve anders? Immers waar uyt hebbent die eerste glosemakers self anders ghehaalt dan uyte H. Schrift? Ick spreke van alle die, van welcker gheest men so seker ghetuyghnissen nyet en heeft dat Godts Geest haar gheleert heeft, als wy hebben van den Propheten, Evangelisten ende Apostelen? Waar anders dan uyte H. Schrift, hebbent sulcke glosemakers gehaalt? Voorts seyde hy tot my also: Houdt ghy of uwe Predicanten al die geheele Schrift so duyster, dat gheen Mensch sonder glosen yet te recht daar uyt kan verstaan? of houdy al yet wat daar in te zijn, dat licht is om verstaan?Segdy t’eerste: so sal ick segghen dat oock gheen van alle uwe Leeraren nyet een eenighe spreucke daar inne en konnē verstaan, also sy mede self Menschen zijn, ten zy dan sake dat sy ons eerst gheloofwaardelijck bewijsen dat sy den heylighen Gheest hebben, ende mitsdien waarachtighe Gheestelijck luyden zijn. O wat langhe tijdt ende moeyten sal’t henluyden kosten sulcx gheloofwaardelijck te bewijsen? Zijn dan oock eenighe dingen daar inne nyet swaar om te verstaan, wat valter anders te doen dan dat wy die dinghen voor-nemen, sonder die hooghe saken te ondersoecken, ende also van den nedersten trappe beginnen op te stijgen? Zijn wy alsoo in’t kleyne ghetrou, het groote en sal ons nyet ontblijven. Wat is nu dit kleyn ende dese nederste trap die licht is om verstaan? Wat anders dan ons selve te verlaten ende Christum na te volghen? Wat zijn wy selve? Duysternissen, logē, onwegh ende bedrogh. Wat is Christus? Het Licht. die Waarheyt, die Wegh ende die onbedrieghlijcke Rechtvaardigheydt. Segt ghy selve hoedanigh hebdy u klaarheyt, u waarheyt, u wegh ende handel tot noch toe bevonden? Voorwaar seyde ick, dat moet ick bekennen, dat ick my selve, ja oock alle Menschen die ick tot noch toe hebbe ghevolght, in der waarheyt hebbe ondervonden te wesen, soo ghy segt, duysterheyt, loghen, onwegh, ende bedrieghlijckheyt. Wel-aan sprack hy: Ghy weet nu wat ghy hebt te verlaten, dats u selve met u waan, onverstandt, logh ende bedrogh, ja oock alder Menschen goetduncken. Blijft nu ghetrouwelijck in dese naackte ende klare woorden Christi, dat is, verlaat metter daadt waarachtelijck u selfs ende alder Menschen onverstandt, opinien ende goetduncken, dat is u eygen duysternissen. Onmogelijck ist dat ghy sulcke uwe ende der Menschen duysternissen dadelijck verlatende, nyet en soudt ghenaken het Licht ende die Waarheyt, die welcke is Christus. Want even soo veele men van de duysternissen ververdet: even soo veele ghenaacktmen den Lichte. Ghelooft my in desen, het lesen alleen brenght waan-wetenschap die op-blaast ende den Menschen verarght: maar het beleven van t’ghene men nu al ontwijflijck verstaat, brengt tot ware kennisse Godts ende Christi, die den Mensche goet maackt ende saligh. Weest ghy maar naarstigh alsoo doende in Christi worden te blijven: sijn beloofde Waarheydt die van de logen ende begeerten der dolingen te recht vry maackt, en sal u gheensins ontblijven. Sodanighe blijvers in sijne Woorden belooft hy die verkrijginghe van al dat sy begeeren. Die’t nbelooft is getrou, 1 1 Ioan. 8. 16. ja self die Waerheyt die te recht vry-maackt van alle logh ende bedrogh. Ghy weet nu uyt ondervinden (so ick mercke) dat ghy self ende die ongesondene Leeraren meest zijt duysternissen, logen ende bedrogh. Mooghdy oock dolen in u selve ende sodanige Leeraren te verlaten? Neen, seyde ick, dat moet ick bekennen, nyemant en doolt in’t verlaten van bekende dolinghen, loghen ende bedrogh. So en mach (seyde hy) oock nyemant dolen int navolgen van t’ghene hy weet waarachtigh te zijn. Also seyde ick. Ghy selve (seyde hy) houdt die H. Schrift in allen waarachtigh, immers daar inne verstaat ghyse waarachtigh datmen Christum in sijn ootmoedigheyt ende sachtmoedigheyt, als een ware Leermeester ende exempel der Deughden moet navolghen. Bestaat dit met ernst, sonder u te bemoeyen met hooghe questien: wat gheldet ghy sult nyet dolen. Ghebreeckt u dan Wijsheyt ende verstandt, 2 2 Iacob. 1. 5. bidt Gode daarom, hy salse u overvloedelijck geven. Daar vermaandy nyet qualijck, seyde ick, O Coornhert, maar hier komt ten eersten een hooft-swarigheyt voor. Welcke sprack hy. Maar van’t bidden seyde ick. Dick ende menigh-malen hebbe ick Gode om


Wijsheyt ghebeden, dit weet ick waarachtelijck. Die en hebbe ick tot noch toe nyet verkregen, dit weet ick mede waarachtelijck. Dat nu Godt allen ware bidders gaarne Wjsheyt wil gheven, geloove ick oock waarachtelijck. Moet ick dan nyet oock waarachtelijck wetē, dat ick tot noch toe nyet te recht om Wijsheyt en hebbe gebeden? Ja ghy, seyde hy. T’is beter te ghelooven dat u qualijck bidden dan Godes onwilligheyt, oorsake is van u bidden sonder verkrijghen. Wel bidden is een so seltsame als noodtlijcke ende salighe conste. Ende ghy nu wetende dat ghy die conste nyet en hebt, zijt boven allen anderen bequaam om die conste van wel bidden te leeren. Als ick hem nu badt dat hy my die conste wilde leeren, so antwoorden hy my, segghende: Neen hier dooldy alreede. willende van my, die een Mensche ben ende oock groffelijck mach doolen, gheleert zijn. Neen so nyet, volght nu in dit stuck mijn raat, daar inne, dat ick u om die const van wel bidden te recht te leeren, af-wijse van alle Menschen ende oock van my, tot die waarachtighe ende sekere Leermeesterinne die Godtlijcke Schriftuyre selve. Doet hier inne een proefstuck, versoecket of sy u sonder alle Menschelijcke glosen sal konnen recht leeren bidden. Vindy ja, als ick weet dat ghy sult, indien ghy haar boven u ende alder Menschen goedtduncken na volght, soo volght desen voet in allen anderen stucken. ende ghy sult bevinden, dat u veel eer sal ghebreken eenen rechten ernst om die wille Godes dadelijck te volbrenghen: dan een recht onderwijs om die wille Godes te verstaan. Dese Reden Coornherts dochten my ondersoeckens waardigh, daar op scheyde ick van hem, vā alle Menschen ende oock vā my selve, alle mijne ende alder Menschē opinien verlatende, ende ging rechts weeghs daar ick wiste dat dese hoogh-achtbare vermaarde ende Godtwijse Meestersse die Godtlijcke Schriftuyre woonde, ende sy sprack haar aan in deser manieren.

Ghesprake van’t bidden tusschen de H. Schifture ende de leergierighe Mensche.

Dat eerste Capittel.
Of de H. Schrift alleen ghenoegh is tot volle onderwijsinghe.

HOoghwaardige heylige ende Godtwijse vrouwe, ick wetende uyt ondervinden mijne ende der Menschen duysterheyt ende onverstandt in Godtlijcke saken: ende ghehoort hebbende het eendrachtigh getuygh alder vromen, dat u E. verlicht ende recht verstandigh zijt in allen Godtlijcken saken, hebbe ick my selven met allen Menschen verlaten, ende my hier tot U. E. ghevoeght, om van de selve onderwesen te worden in’tghene my noodigh is om verstaan ende ick nyet en versta. Uwe moeyten ende arbeyt ben ick bereyt rijckelijck te betalen, als die des wel vermach, ende nyet gheheel een ondanckbaar Mensche (soo ick hope) bevonden sal worden.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.
Dat die heylighe Gheest in de Schriftuer alle dat ter Saligheydt noodigh is, leert om nyet.

DIe heylige menschen Godts hebben die Prophetie ghesproken, 1 1 2. Pet. 1. 21. ghedreven zijnde van den heyligen Geest, die roept door my: Alle die daar dorstigh zijt kome totten wateren, 2 2 Isai. 55. 1. ende ghy die gheen gelt en hebt komt koopt, op dat ghy te eten mooght hebben, komt koopt Wijn ende Melck sonder ghelt. Waaromme gheefdy t’ghelt uyt om t’ghene dat nyet en versadet? (Lieve) luystert na my, soo suldy het beste eten, ende uwe Ziele sal in de vettigheyt verlustighen. Neyght uwe ooren, komt tot my, merckt op, soo sal uwe Ziele ghesondt worden.

Leergierighe Mensche.

So groote saken om nyet te krijghen, mijn Vrouwe, is goede koop. Maar t’is oock den ghemeynen Man verdacht. Menschen hebben gaarne dat veel kost. Men koopt liever Logen dier, dan men Waarheydt om nyet heeft. Doch ben ick nu anders ghestelt. Ick gheloove dat ghy waarachtigh zijt. Maar ick hoore segghen dat ghy, mijn Vrouwe, in veelen stucken seer duyster zijt ende swaar om verstaan. Soude ick dan maar stuckwerck leeren, wat soudet dan zijn? Soude ick dan noch nyet al weder moeten loopen tot die uytleggingen der Menschen? Ick waar gaarne soo onderwesen, dat ick volmaackt mocht worden, ende bequaam tot allen goeden wercken. Is sulck onderwijs oock by mijn Vrouwe?

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.
Die (H. Schrift) mach u wijs maken ter 3 3 2. Tim. 3. 15 Saligheyt door’t Gheloove in Christo Jesu, Want alle Schrift van Godt in-ghegeven, 4 4 2. Tim. 3. 16. is nut ter Leeringhe, ter straffinghe, ter beteringhe, ter tuchtiginghe in de Rechtvaardigheyt, op dat die Mensche Godes volmaackt zy, bequaam tot alle goede wercken.

Dat die H. Schrift getuyght, maar dat Godt alleen leert.

Dat ij. Capittel.

Leergierighe Mensche.

DAts al dat ick begheere. Vermooghdy dat hooghwaarde Vrouwe, so en soecke ick na gheen ander Leermeester.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.
T’is Godt die nutte saken leert a, die den sachtmoedighen sijn weghen leert b, ende die den Mensche wetenschappe leert c. Wie’t van den Vader gehoort heeft ende gheleert, die komt tot Christum d. Maar ick e ghetuyghe van Christo. Menschen mogen f planten ende nat maken, maar Godt gheeft die wasdom, die eenighe g Doctor of Leermeester der Rechtvaardigheyt.

Godt leert:

a Ick ben dijn Heere dijn Godt, dy nutte saken leerende, ende dy in den weghe daar du wandelste, bestierende. Isa. 48. 17.
Alle dijne kinderen sullen gheleert zijn van den Heere. Isai. 54. 13.
b Die Heere is soet ende oprecht, daaromme voert hy den Zondaar weder opten rechten Wegh, Psal. 24. 8.
Hy stiert den goedertiernen recht, ende den sahctmoedigen leert hy sijnen Wegh, Psal. 24. 9.
c Sal hy nyet straffen die den volcken tuchtight ende den Menschen wetenschappe leert Psalm. 93. 10.
Wien sal de Heere wetenschap leeren? Ende wien sal hy t’ghehoorde doen verstaan? Den


ghespeenden van de melcke, ende den afghetoghenen vander borsten. Isai. 28. 9.
d Ick sal mijn Wet in haar ingheweydt gheven ende die in hare herten schrijven. Iere. 31. 33.
Ende sy sullen alle van Gode gheleert zijn. Ioan. 6. 45.

Die Schrifture ende Menschen ghetuyghen.
e Ondersoeckt die Schrifture, ghy meynt dat ghy het leven daar inne hebt, ende die ist die van my ghetuyght, Ioan. 5. 39.
Saligh zijnse die sijne ghetuyghnissen ondersoecken, ende met gantscher herten na hem (den Heere) speuren, Psal. 118. 2.
f Dat van den beginne was, dat wy ghehoort hebben, dat wy ghesien hebben met onsen oogen, dat wy aanschouwet hebben, ende onse handen ghehandelt hebben van den woorde des levens (want het leven is gheopenbaart, ende wy hebbent ghesien, ende betuyghen ende verkondighen u het eeuwighe Leven, het welcke by den Vader was, ende is ons gheopenbaart.) 1. Ioan. 1.1.2.
Ick hebbe gheplant, Apollo heeft nat ghemaackt, marr Godt heeft den wasdom ghegheven, 1, Corint 3. 6.
Christus is die Leermeester der Gherechtigheydt.
g Ende ghy Sonen van Syon verheught ende verblijdt u in den Heere uwen Gode, want hy heeft u ghegheven een Leermeester des Rechtvaardigheyts. Ioel. 2. 23.
Ende hy en sal dijnen Leermeester voorts nyet meer van dy doen vlieghen, ende dijne ooghen sullen dijn onderwijser sien, ende dijne ooren sullen hooren het woordt dy achter rugghe vermanende. Dit is die Wegh, wandelt hier in, ende en wijckt daar nyet af ter rechter noch ter lincker zijde, Isai. 30. 20. 21.

Of der Menschen nyet willen een hinder zy ons van Gode gheleert te worden.

Dat iij. Capittel.
Leergierighe Mensche.
Dat luydt altsamen wel. Maar hier valle ick in een sware twijfele. Nadien het God selve is die daar leert, soo en doet die Mensche nyet altoos daar toe, soo veele nu leeren. Dit heeft my dickmaal vertraaght in desen. Alsoo dacht ick: Wat baat mijn hooren, mijn lesen, ,mijn na-dencken, soo langhe Godt my nyet en leert? Als Godt dan oock my leert, wat behoeft sulck mijn doen daar toe? So vraghe ick nu hier, O waarde Vrouwe, of die Mensche self oock yet doet tot dit leeren, ende indien ja, wat dat zy? Soude des Menschen nyet willen leeren wel een hinder zijn? Is dit, so schijnt des Menschen wil om leeren voorderlijck daar toe.

Onderwijsende Godtlijcke Schriftuer

Daar zijnder die als met opset van hem (den Heere) afgheweken zijn, ende sijne Weghen nyet en hebben willen verstaan, Iob. 24. 37.
Het is een wederspannigh volck, logenachtighe kinderen, die des Heeren Wet nyet en willen hooren, Isai. 30.9.
Maar sy en hebben nyet ghehoort, noch haar ooren nyet gheneyght, maar hebben haren neck verstijft, op dat sy my nyet hooren, ende mijne onderwijsinghe nyet aan-nemen souden, Iere. 17. 23.
Ende sy hebben my den rugghe ghekeert ende nyet het aanghesichte.
Als ickse inden dageraadt leerde ende onderwees, so en wildē sy niet hooren, op dat sy die leeringhe nyet en souden aan-nemen, Iere. 32. 33.

Wat doen des Menschen noodigh is, om van Gode gheleert te worden.

Dat iiij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAar sietmen bylo dat der Menschen nyet willen ende nyet doen, te weten het nyet willen verstaan, het nyet willen hooren, het nyet willen aan-nemen, een hinder is om van Gode gheleert te worden. Daar uyt den oock wel te verstaan is, dat het willen ende doen des Menschen oock al yet tot het leeren werdt gheeyscht van Gode. Lieve Vrouwe, segt doch eenighe van de voornaamste werckingen der Menschen noodigh zijnde om van Gode gheleert te worden.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.

Begheeren gheleert te worden a, Godt te ghenaken b, ende te hooren c, sijn Woordt aan te nemen d, dat te ondersoecken e, daar op te mercken f, ende dat te bewaren g.

a Begheeren .
Ist dat ghy haar (die Wijsheydt) soeckt als ghelt, ende na haar graaft als na schatten, dan suldy verstaan wat die oprechte vreese des Heeren is, ende ghy sult die kennisse Godts verwerven. Pro. 2. 4. 6.
Het Rijcke der hemelen is als een Coopman, soeckende goede paarlen, Ende een die dierbaar is gevonden hebbende, gingh hy wech, verkocht al dat hy hadde, ende kcoht die paarle, Matth, 13. 45. 46.
b Ghenaden .
Ghenaackt Gode, ende hy sal u ghenaken, Iacob. 4. 8.
Ende die tot sijnen voeten ghenaken, sullen ontfanghen van sijne Leeringhe, Deut. 33. 3.
c Hooren .
Neyght dijn oore, komt tot my, hoort, ende dijn Ziele sal leven, Isai. 55. 3.
Al die’t vanden Vader gehoort heeft ende gheleert, die komt tot my, Ioan. 6. 45.
d Aan-nemen .
Mijns sone, ist dat ghy mijn Woordt aanneemt, &c. Pro. 2. 1.
Want die woorden, die du my hebst ghegeven, hebbe ick henluyden ghegheven, ende sy hebbense ontfanghen, Ioan. 17. 8.
e Ondersoecken .
Saligh zijn die sijne (des Heeren) tuyghnissen ondersoecken, Psal. 118. 2.
Die t’woordt met alder begeerlijckheyt ontfinghen, die Schrifture daghelijcx ondersoeckende, of die oock also hielt, Acto. 17. 11.
f Op-mercken .
Maar die sijnen lust ende vreughde heeft in de Wet des Heeren, ende op sijne Wet merckt (of denckt) dagh ende nacht, Psal. 1. 2.


Och of ghy op mijne Gheboden gemerckt haddet, dijn vrede soude geworden zijn als een Riviere, Isa. 48. 18.
g Bewaren .
Soo bewaardt nu de woorden des Verbondts, ende volbrenghtse, op dat ghy mooght verstaan alle wat ghy doet. Deut. 29. 9.
Saligh zijn die’twoordt Godts hooren ende bewaren. Luc. 11. 28.

Van verscheyden by-namen des Ghebedts.

Dat v. Capittel.
Leergierighe Mensche .
SOnder licht, ist openen vande Ooge-schellen vergeefs om te sien, als daar schoon al gesicht is in die ooghen. So ist openen van de ooghen mede, al schoon gesicht in sich hebbende, oock vergeefs, als daar gheen licht en verschijnt voor den open ooghen. Als daar dan noch al licht is voor siende open ooghen: wat mach daar gesien worden, als doch daar gheen dingh en openbaart datmen sal sien? Niet. Dit dingh is Godt met sijn goedtheyt, schoonheyt ende heyligheyt selve: dat licht is Christus, in den welcken het licht (Godt) ghesien mach worden: die siende Oogen zijn die verstandele krachten der Zielen. Al ist nu so dat dit dingh of wesen (Godt) also lief in Christo het Licht der ghenaden vande opene ende siende Ooghen mach ghesien ende ghekent worden, soo veele den Mensche ter Saligheydt noodigh is: soo schijnt noch alles te vergeefs als die Mensche uyt vreese van schande het Licht hatende, ofte anders sijne Ooghen des ghemoets nyet openende nyet sien en wil, soo mijn Vrouwe terstondt oock heeft betuyght van die nyet hooren of verstaan en willen. Dit alles hebbe ick uyt uwe ghetuyghnissen nu moghen mercken, soo dat wy nyet en moghen yet goedts leeren, ten zy dan dat Godt ons leert: ende dat wederom alle ghetuyghen Godes vergheefs zijn om ons te leeren, als wy’t nyet ernstlijck begheeren, daar na luysteren, daar op mercken ende ’tgehoorde bewaren ende behertigen. Sulcks dat Godt die eens sonder ons toe-doen, ons gheschapen heeft, ons nyet saligh maackt sonder ons toe-doen. Dit is nu het verstandt dat ick uyt die Schriftuerlijcke ghetuyghnissen, by u mijn Vrouwe verhaalt, hebbe konnen nemen. Anderen moghen oordeelen, oft recht is dan onrecht. Doch dunckt ny ’t ghene by u gheseydt is, so klaar te zijn dat het nyemants uytlegginghe en behoeft: maar dat elck licht soodanighen stichtelijcken verstant ofte beter daar uyt mach vaten, die nyet te vooren belemmert en is met een ander meyninge. Ick moet houden dat Godt, als wesende die Wijsheyt selve, nyet met allen vergheefs en doet. Vergheefs waar ’t den Menschen yet te ghebieden, te onnoodigh of hem onmoghelijck is. Nu sie ick dat Godt in de plaatsen by u verhaalt, den Menschen ghebiedt, onderwijst ende vermaant sijn Leeringhe te begheeren, hem te ghenaken, sijn Woordt te hooren, dat aan te nemen, te ondersoecken, daar op te mercken ende dat te bewaren. Dus mach ick sulcke menschelijcke wercken nyet te vergeefs noch onmoghelijck te zijn achten. Anderen achten dit, so henluyder van den Heere wert gheopenbaart. Desen grondt dan geleyt, ende by my ernstlijck om te gehoorsamen samen in den Heere voorgenomen zijnde, bidde ick u, O waarde hoogh-wijse Vrouwe, nu om onderwijs van de conste van wel bidden, dat is het middel ende die handt, waar door die Menschen al van Gode ontfanghen dat sy geloovigh ende met Godts wille begeeren. Want dit is die eenighe oorsake van mijn komste alhier. Laat u doch nyet verdrieten my daar af sulcken bericht te doen, dat icks mach verstaan, of ten minsten sulcken A b c van dese conste, dat ick getrouwelijck daar mede woeckerende tot het spellen, tot het lesen, ende tot het verstaan, ja recht hanteren deser consten allencxkens voortvaren, recht bidden, alles wat ick bidde verkrijghen, het quade ontworden, goet worden ende door Christum salighlijck met Gode den Vader vereenighen mach. Alsoo soude ick nu na die wijse van allen anderen consten hier eerst vraghen wat het bidden is, maar want dat gemeenlijck alle Man kennelijck is, derhalvē ick oock achte dat die Heere, als onnoodigh sulcx met gheen eygentlijcke diffinitien en heeft verklaart, soo wil ick dat voorby lijden. Alsoo mede en wil ick nu nyet ondersoecken hoe menighreleye aart van bidden men vindt: alsoo veele nu daar onder oock behelsen het belijden, het prijsen, het dancken ende het begeeren selve. Want dit laatste is nu voorneemlijck by my gemeynt. T’welck oock menighreley schijnt te wesen, als dit eyghentlijck bidden, aanbidden, verbidden, voorbidden, afbidden, smeecken ende het begeeren selfs met anders meer. Maar vrage nu voor’t eerste wat by-voeghselen het ghebedt by my hier al ghemeynt heeft, of ten minsten eenighe der selver.
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Daar is een ghebedt Godes a, des Gheloofs b, der Rechtvaardigen c, der Heyligen d , der Ootmoedighen e, des Dienaars Gods f, der Armen g, der Zondaren h, ende der Dooden i.

a Ghebedt Godes.
Ende hy Christus was vernachtende in’t ghebedt Godes, Luc. 6. 12.
b Des Gheloofs.
T’ghebedt des Gheloofs sal den crancken helpen, Iaco. 5. 15.
Der Rechtvaardighen .
Die gheboden der Rechtvaardighen zijn den Heere versoenlijck, Pro. 15. 8.
d Der Heylighen .
T’welcke zijn die gheboden der Heylighen, Apoc. 5. 8.
e Der Ootmoedighen.
Hy heeft aanghesien t’ghebedt der Ootmoedighen, Psam. 101. 18.
f Des dienaars Godes .
Maar siet op’t ghebedt dijns Dienaars, 3. Reg. 8. 28.
g Der Armen .
T’ghebedt des Armen als hy benaut is, ende voor den Heere sijn begheeren uyt stort, Psal. 101.
h Des Zondaars .
O Godt weest mijns Zondaars ghenadigh, :uc. 18. 13.
i Der dooden .
Heer Almachtigh Godt Israels, verhoort nu t’ghebedt der Dooden Israels, Baruc. 3. 4.


Of dooden moghen bidden.

Dat vj. Capittel.
Leergierighe Mensche .
VVApen. Hoe verschricken my die ses eerst verhaalde by-namen des gebets. Geen dier stucken, ja nyet dat des aan-gaat en is by my, waarder anders nyet ghevolght, soo scheen des Ghebedts deure voor my ghesloten te zijn gheweest. Maar die laatste drye verquicken my wederomme wat, want elck der selver is by my. Ick ben arm van deughden. Ick ben rijck van zonden, 1 1 Iac. 1. 15. Ephes. 2. 1. Mat. 8. 22. dat is een recht zondaar, ende mitsdien oock door mijn zonden het onnosele goede leven al doodt voor Gode. So dat van my, Och van my eyghentlijck is gesproocken: Laat die dooden hare dooden begraven. Gelijck het my nu grootelijck vertroost, dat oock verhoordt wordt het ghebedt der Armen ende der Zondaren: soo doet my grootelijck verwonderen, datter dooden souden zijn die bidden. Die doot is, mach geen werck altoos doen. Bidden is een werck. Hoe mach een doode bidden? Lieve seght my doch: wat souden dat voor dooden zijn die noch konnen bidden? Want al schijnet op’t hooghste teghens mijn reden dat Dooden souden bidden: nochtans moet ick u, O vrouwe gelooven boven, ja oock plat teghen, mijn reden, oock gelooven, dat het mach zijn, al en verstae noch en begrijpe ick dat nyet.

Onderwijsende Godlijcke Schrifture .

Voorwaar voorwaar segghe ick u (sdeydt de Heere) dat die uyre komt, ende sy is nu, dat die Dooden sullen hooren die Stemme des Soons Godes, ende sy sullen leven. Ende die in my ghelooft, al waar hy doodt, hy sal leven. Iohan. 5. 25.

Of dooden moghen hooren.
Dat vij. Capittel.
Leergierighe Mensche .
Maar hoe kan een doode hooren?
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
In den selve was het Leven, ende het Leven was het licht der Menschen, Ioan. 1. 4.
In sijn wille is Leven, Psal. 29. 6.
De Wet des wijsen is een Fonteyne des Levens, Prov. 13. 14.
Wie den Soone heeft, die heeft het Leven, 1. Ioan. 5. 12.
Tot welcken daghe ghy daar af eet, suldy den doodt sterven. Genes. 2. 17.
Maar uwe zonden scheyden u van Gode, Isai. 59. 2.
Die is des Levens Fonteyn. Psal. 35. 10.
Sijn Wet is het leven uwe Zielen, Proverb. 3. 22.
Die zonde volbracht zijnde baardt den doodt, Iacob. 1. 15.
Ende ghy doe ghy doot waart door uwe zonden, Ephes. 2. 1.
Ende die Heere Godt riep Adam, ende seyde hem, waar zijdy? Hy seyde: ick hoorde dijn stemme in den Paradijse, ende ick vreesde, &c. Genes. 3. 9. 10.
Ontwaackt ghy die daar slaapt,ende staat op van den dooden, Christus sal u verlichten. Ephes. 5. 14.

Wie daar biddet.
Dat viij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAt schijnt in mijnen oogen geseyt te zijn, in Gode, in Christo, in Godts wille ende Wet ist leven van des Menschen zielen. Als die Mensch zondight, so scheydt hy sich van’t leven sijnre zielen ende komt in den doode. Maar nochtans in sulcken doode, dat die Mensche als doot zijnde, als Adam was ende die Epheseren waren, noch mach hooren. Versta icks recht soo ist wel. Ist anders, die Heere en sal ’tmy tot sijnre tijdt, ben ick ghetrou in ’t kleyn verstandt dat nu by my is, nyet onthouden, maar mildelijck openbaren. Nu wilde ick gaarne hooren wie oft wat het eyghentlijck is dat daar biddet?
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Het herte a , die Ziele b , ende die gheeste c .
a ’Therte.
Henluyder herte heeft gheroepen totten Heere &c. Treno. 1. 18.
b Die Ziele.
Ende nu Almoghende Heere Godt Israels, onse ziele, die in ancxten is roept tot dy, verhoort ons Heere, ende ontbarme dy onser, Baruch 3. 1.
c Die Gheest.
Maar die Gheest bidt voor ons met onuytsprekelijcke suchten. Rom. 8. 21.

Van de wercken des Ghebedts, en welcke die zijn.

Dat ix. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAar uyt soude schijnen te volghen dat het stemmelijck bidden metten lippen, dat herteloon gheschiet, ende nyet uytte ziele ende gheest, geen waarachtigh bidden en zy. Maar wat is doch eyghentlijck het werck van’t Gebedt.
Onderwijsende Godtlijcke Schriftuer .
Het Ghebedt ghenaeckt Gode a, het stijght op voor Gode b, vermaandt hem sijnre beloften c , stort die Ziele uyt d , verkondight des bidders benautheydt e,ende doet het begheeren verstaan f.
Het Ghebedt.
a Ghenaackt Gode.

Laat mijn ghebedt voor dijn aanschouwen ghenaken, Psal. 118. 16.9.
b Stijght op voor Gode .
Dijne gebeden ende dijne aelmoesen zijn opgestegen inde ghedachtenisse voor Godes aanschouwen, Actor. 10. 4.
c Vermaant Gode sijne beloften .
Heere die daar hebt geseyt, keert weder in dijn landt ende in dijne gheboort-plaatse, ende ick sal dy wel doen, verlost my vande handt mijns broeders Esau, want ick hem seer vrese, Gen. 32. 11.
d Stort die Ziele uyt .
Maar ick hebbe mijn ziele uyt-gestort in’t aanschouwen des Heeren, 1. Reg. 1. 15.
e Verkondight die benautheden.
Ick storte mijn ghebedt nytte voor sijn aanschouwen, ende verkondighe mijne benautheyden voor hem, Psal. 141. 3.
f Condight Gode onse begheerten .
Laat in allen dinghen uwe begheerten by Gode bekent worden door biddinghe ende smeeckinghe met dancksegginghe, Philip. 4. 6.


Dat x. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAt aanmercken doet my verschricken in’t bedencken, dat wy, die voor een Coning, mede een sterflijck Mensche zijnde ende ons ghelijck van nature, grootelijck souden schromen seer te niesen, hoesten of grover natuerlijck werck te doen, ons nyet en ontsien onse onreyne, slaperighe, koude, ja ydele ghebeden in Ambassaderije te seynden voor den suyveren ooghen van de Almogende Majesteyt des eeuwighen Godes. Daar seynden wy onschamelijck sulcke bekladde, vuyle, ja zondighe ghebeden: soude alsoo ons ghebedt nyet wel een vloecke worden? Een Vrouwe die uyten huyse by Menschen wil gaan spieghelt, wascht ende reynight eerst haar aanghesichte, ende vaaght haar gewade van alle vlecken ende vuyligheyt: maar wy roeckeloose Menschen achten die alsiende ooghen Godes soo kleyn, dat wy daar oock stoutelijck henen schicken onse ghebeden stinckende van de nijdigheyt, gierigheyt, gulsigheyt, onkuysheyt onser Zielen, hatelijck tegen onse Naasten, ende wederspannigh tegen Gode? Ick weet wel dat van den onreynen nyet reyns en mach komen, ende dat die gesonde den Medecijnmeester nyet en behoevē, sulcx dat die Zondaar uyt sijne onreyne ziele, gheen suyver gebedt tot Gode en kan seynden. Maar daar by versta ick wel, dat ons bidden beter soude voeghen tot gheselschap te hebben nedere ootmoedigheyt uyt ware kennisse onser zondelijckheyt, dan vermetele verwaantheyt uyt roeckeloose onachtsaamheyt. Och of wy uyt rechte nederheyt konden seggen: Heere wijckt van my, ick ben een zondaar, 1 1 Luc. 5. 8. ende uyt ware schaamte onse ooghen nyet en dorsten op-slaan ten Hemele. 2 2 Luc. 18. 13. Maar dat daar latende, ende wel merckende dat wy selden met rechten ernst uyter herten ende zielen bidden, soo soude ick gaerne hooren wat den Mensch aldermeest aanport om hertelijck te bidden.

Wat meest aanport tot bidden.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Kennisse van des Menschen ellendigheyt a, noodt b, ghequelle c, daar by ons ghebreck d, ende mistrouwen van eyghen vermoghen over d’een zijde e: ende oock mede kennisse van Gods goedtheyt in’t ghebieden van’t beden f, van Godts mildtheyt in sijne beloften van’t gheven g, ende daar by vast betrouwen op Godes beloften van te verwerven t’ghene men om biddet h.

a Kennisse van ellendigheyt .
Ellendigh ben ick, ende ten eynde toe verjammert,Psalm. 37. 7.
Voor dy Heere is alle mijne begheerte, ende mijn ghesucht en is voor dy nyet verborghen, Psalm. 37. 10.
Als my die schielijcke verschrickinghe overviel, dacht ick dat ick nu al voor dijnen ooghen was verworpen, maar du hebste mijn klaaghlijcke ghebedt, als ick tot dy riep verhoort, Psalm. 30. 23.
b Van noodt .
Wt die diepte roepe ick tot dy O Heere, Heer verhoort mijn stemme, Psalm. 129. 1.
In mijnen ancxt roep ick totten Heere, ende hy verhoorde my, Ioa. 2. 3.
c Van ghequelle .
So yemandt gheware wert die plaghe sijns herten, ende hy spreydet uyt sijne handen tot desen huyse, soo suldy hem in den Hemel hooren, &c. 3. Reg. 8. 38.
Is daar yemandt onder u luyden in lijden, dat hy bidde, Iacob. 5. 13.
d Van ghebreck .
Ick verga hier van hongher. Ick wil op staan ende gaan tot mijnen Vader, ende ick sal hem segghen: Vader ick hebbe ghezondight in den Hemele ende voor dy, ick en ben nu nyet waardigh dijnen sone ghenaamt te worden, doet my als een van dijne huyrlinghen, Luc. 16. 17. 18. 19.
Soo wie onder u Wijsheyt ghebreck heeft, die begheerse van Gode, die eenen yeghelijck overvloedigh gheeft, Iacob. 1.5.
e Mistrouwen van eyghen vermoghen .
By ons en is soo veele sterckheyts nyet, dat wy wederstaan souden moghen, dese menighte die op ons valt. Maar als wy nyet en weten wat wy behooren te doen, soo blijft ons alleen dat over, dat wy onse ooghen op u slaan, 2. Par. 20. 12.
Verlost my Heere, op dat die Leeuwe mijn ziele nyet wech en rucke, de wijle daar nyemandt en is die verlost ofte behoudet, Psalm. 7. 2. 3.
f Kennisse van Godts goetheyt die ons beveelt te bidden .
Biddet, ende us sal ghegheven worden: soeckt ende ghy sult vinden: klopt aan, ende u sal opghedaan worden. Want al die daar bidt, verkrijght: ende die soeckt, die vindt: ende die klopt, werdt op-ghedaan, Matth. 7. 7. 8.
Bidt, ende ghy sult ontfanghen, op dat uwe blijdtschappe volkomen zy, Ioan. 16. 24.
g Kennisse van Godts goedtheyt in sijn beloften .
Dan suldy aanroepen, ende die Heere sal’t verhooren. Ghy sult roepen, ende hy sal segghen: siet hier ben ick, Isai. 58. 9.
Ist dat ghy blijft in mijne woorden, ende mijne woorden in u blijven, ghy sult bidden soo wat ghy wilt, ende het sal u ghewerden, Ioan, 15. 7.
h Vast betrouwen van verkrijghen .
Ende wy weten dat hy ons verhoort, soo wat wy van hem bidden, Ioan. 5. 15.
Ende dit is het betrouwen dat wy by Gode hebben, wat wy bidden, soo weten wy dat hy ons verhoort, Ioan. 5. 14.

Waar toe het bidden is streckende.

Dat xj. Capittel.

Leergierighe Mensche .

VVAarachtigh ist dat die daar waant te weten, gheen begheerte tot leeren, die daar waant te sien, gheen begheerte tot een leydtsman, ende die daar waant ghesondt te zijn, gheen begheerte tot een Medecijnmeester en mach hebben uyter herten met rechten ernst: want nyemandt mach moeyten doen om te verwerven t’ghene hy waant al te hebben of nyet te behoeven. Soo wederomme onnodigh is datmen yemandt wetende met ancxten dat hy op moordelijcke onweghen verdoolt is, te bevelen dat hy den ghenen die hem ghemoeten, begheerlijck na den rechten Wegh vraghe: datmen den blinden door t’smertigh vallen sijn blindtheyt verstaande, begheerlijck behoeft te maken om een recht siende Leydtsman te verwerven: ende datmen den ghenen die sijn sieckte doodtlijck verstaat, vermane


dat hy met ernst den raadt eens goeden Medecijnmeesters volghe. Want alle soodanighe uyt kennisse van haer ellende, noodt ende ghebreck self begheerlijck uyter herten na alle sulcx verlanghen. Behoeftmen oock eenen Schipbrokighen op een wrack in Zee drijvende, in verdrinckens ghevaarlijckheyt begheerlijck te maken, om aan een Schip dat nevens hem komt seylen, met luyder stemmen ernstlijck te roepen ende te bidden datmen sijn lijf doch berghe? Sal die bekende noodt hem sulcx van self nyet uyt gantscher Zielen uyt-drucken ende klaaghlijck doen bidden? Maar soude dese oock bidden, als hy wiste dat alle die in den Schepe zijn, sijne doodt-vyanden waren, ende hem wel verderven, maar nyet helpen souden willen? Soude hy dese oock bidden als hy seler ware dat sy hem nyet hooren noch berghen en mochten? Over d’ander zijde alsmen in bekende noode, in ghebreck ende ellende zijnde, seker is dat Godt ons wil helpen, want hy’t belooft, ende dat hy ons mach helpen, want hy al mach dat hy wil: Ist oock moghelijck dat daar een hertelijck bidden met vast vertrouwen van verkrijghen mach uyt blijven? My dunckt wel neen. Maar hier by mercke ick nu oock sekerder dan seker, nadien ick met sulcken hertelijcken ernst ende vast betrouwen tot noch toe nyet en hebbe ghebeden, dat ick noch gheen ware kennisse en hebbe ghehadt van mijn ellende, noodt ende ghebreck: Of dat ick noch eyghen krachten of verstandt in mijn Waan hebbe ghehadt daar op ick my betrout hebbe: Of dat ick die goedtheyt ende ghetrouheyt van den milden belovere ende heylsame Almogentheyt van de help-rijcken Heere nyet ghekent, ende mitsdien nyet betrout en hebbe, daar door ick tot noch toe qualijck ghebeden, ende oock nyet verkreghen en hebbe t’ghene ick begheerde. O blinde Onkunde van my selfs ende van Gode. Door u alleen ist, soo ick nu mercke, dat ick mijn quaatheyt tot noch toe nyet quijte gheworden, ende die goedtheyt Godes nyet verworven en hebbe. Ick wil voorts aan metter hulpe des Heeren hier op beter letten.

Maar seght nu doch voorts. Tot wat eynde ist, dat wy sullen bidden: Ick meen waar toe t’Ghebedt is streckende? Ick dencke men dier veel vindt in de heylighe Schrift, Lieve segter my eenighe.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Niet te komen in versoeckinghe a, te ontkomen den valstrick des toekomenden Dages b, te moghen worden kinderen Godes c, in sijnen wille volmaackt te staan d, te hebben volmaackte blijdtschappe e. etc.

a Waackt ende bidt, op dat ghy nyet en komt in bekoringhe, Matth. 26. 41.
b Waackt altijt biddende, op dat ghy waardigh mooght worden te ontvlieden alle dese dinghen die gheschieden sullen, ende te staan voor den Sone Godes, Luc. 21. 36.
c Bidt voor die u verdrucken ende vervolghen, op dat ghy mooght zijn kinderen uwes Vaders die in de Hemelen is, Matth. 5. 45.
d Die altijdt in sijne Gheboden sorghvuldigh is voor u, dat ghy soudt moghen staan volmaackt ende volkomen in alle wille Godes Colos. 4. 12.
e Bidt, ende ghy sult ontfanghen, op dat u blijdtschappe volkomen zy, Ioan. 16. 24.

Beloften Godes van’t verhooren des Ghebedts.

Dat xij. Capittel.

Leergierighe Mensch .
DAar is in somma ghebeden ten eynde wy voor t’quade behoedt, ende met het goede volkomelijck begaaft souden worden. Veele onser ghelooven wel dat sy kinderen Godes moghen worden, ja dat sy’t nu al zijn: maar weynigh ghelooven dat yemant mach te recht laten sijn vyanden te haten, dats verde van soo liet te hebben, datmer uyter herten voor souden konnen bidden. Immers die groote hoop ghelooft dat wy door een aangheboren ghenygentheyt al t’leven deure Gode ende den Naasten moeten haten, dats wel verde van onsen vyanden recht lief te hebben. Maar wie ghelooft dat eenigh gheloovigh Mensche hier soude moghen staan volmaackt ende volkomen in alle wille Godes? O selden yemant. Ist dan oock moghelijck dat sodanighe bidden souden uyter Herten ende inder Waarheyt, ten eynde in hem worden soude, t’ghene sy segghen onmoghelijck te zijn? Ach hoe seltsaam zijn die Gheloovighen die ten rechten eynde bidden. Daaromme vindtmer (soo ick dit siende nu oock moet ghelooven) so gantsch weynigh die oock inder Waarheyt ghenyeten ende deelachtigh worden die rechte vruchten des Gheloovighen ghebedts. Lieve Vrouwe, al mercke icker eenighe, soo bidde ick u, wilter my een deel van de voorneemlijckste af verklaren, oock welck het alder bysonderste is.
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
a Verhoort te worden (dit belooft Godt die ghetrou is, ende nyet en magh lieghen,) ende dit is gebleken aan alle Gheloovighe bidders.
a Roept hy tot my, ick sal hem verhooren, want ick ben barmhertigh, Exod. 22. 37.
Maar soo mijn volck, over die welcke mijn name is aanroepen, sich bekeert, my af biddet, mijn aanghesichte soeckt, ende van haare alderquaatste weghen berouwe thoont: soo sal ickse van den Hemele verhooren, over hare zonden genadigh zijn, ende haar Aerde ghenesen, 2. Paralip. 7. 14.
Die, als ick, van sijnen vrundt wert bespot, sal Gode aanroepen, ende hy sal hem verhoren, Iob. 12. 4.
Ende roept my aan inden dagh des ancxts, ende ick sal dy verlossen, ende du sulste my prijsen, Psalm. 49. 15.
Hy sal doen den wille der gheenre die hem vreesen, ende sal haar ghebedt verhooren, ende salse saligh maken, Psalm. 144. 19.
Verlustight dy in den Heere, ende hy sal dy die begheerten dijns herten gheven, Psalm. 36. 4.
Den Rechtvaardighen sal ghegheven worden t’gheen sy begheeren, Proverb. 10. 24.
Verde is die Heere van de Godtloosen, maar der Rechtvaardighen ghebeden verhoort hy, Proverb. 15. 29.
Want sy sullen roepen totten Heere van’t aanghesichte der gheenre die hem plaghen, ende hy sal hem seynden een behouder en voorvechter, diese sal verlossen, Isai. 19. 20.
Ontfarmende sal hy dijner ontfarmen, terstont als hy dy hoort, sal hy dy tot die stemme dijns gheroeps antwoorden, Isai. 30. 19.
Dan suldy aanroepen, ende die Heere sal hooren, du sulste roepen, ende die Heere sal segghen: siet hier ben ick, Isai. 58. 9.


ende het sal wesen, eer sy roepen dat ichse sal verhooren, ende als sy noch spreken sal ick hooren, Isai. 65. 24.
Ende ghy sult aanroepen, ende ghy sult gaan ende my aanroepen, ende ick sal u verhooren, Ierem. 29. 16.
Roept tot my, ende ick sal dy verhooren, Ierem. 33. 3.
Ende het sal zijn in dien daghe, dat ick, seydt die Heere, sal verhooren, ick sal die Hemelen verhooren, ende die sullen d’Aerde verhooren, Zachar. 10. 6.
Ende ick salse beproeven alsoo ’tgoudt wert beproeft, hy sal mijnen name aanroepen, ende ick sal hem verhooren, ende ick sal segghen du biste mijn volck, ende hy sal segghen du biste mijn Heere Godt, Zachar. 13. 9.
Biddet, ende u sal ghegheven worden, Matth. 7.7.
Want al die bidt, die ontfanght, Matth. 7. 8.
Condt ghyluyden dan die quaat zijt, uwe kinderen goede gaven gheven: hoe veel te meer sal u Vader die in den Hemel is, goede gaven gheven, den ghenen diese van hem begheeren, Matth. 7. 11.
Anderwerven segghe ick u, soo twee onder u op Aerden over een draghen, alle t;ghene wat sy bidden, sal henluyden gheworden van mijn Vader die in de Hemelen is, Matth. 18. 19.
Ende alle wat ghy met een gheloovigh ghebedt sult bidden, dat suldy ontfanghen, Matth. 21. 22.
Daaromme segghe ick u luyden, alle wat ghy biddende sult begheeren, ghelooft dat ghy’t ontfanghen sult, ende het sal u ghewerden, Marc. 11. 24.
Ende alsoo wat ghy sult begheren in mijnen name dat sal ick doen, op dat die Vader gheglorificeert werde in den Sone, Ioan. 14. 13.
Soo wat ghy sult begheeren in mijnen name, dat sal ick doen. Ioh. 14. 14.
Ist dat ghy in my blijft, ende mijne Woorden in u blijven, soo suldy begeeren alle wat ghy wilt, ende het sal u ghewerden, Ioan. 15. 7.
Op dat de Vader u geve alsoo wat ghy hem bidt in mijnen name, Ioan. 15, 16.
Voorwaar voorwaar segghe ick u, soo ghy wat begheert in mijnen name, van den Vader, dat sal hy u gheven, Ioan. 16. 23.
Bidt, ende ghy sult ontfanghen, Ioan. 16. 24.
So yemant onder u Wijsheyt behoeft, die begheere van Gode, diese een yeghelijck mildelijck gheeft ende nyet en verwijt, ende hem sal ghegheven worden, Iacob. 1. 4.
Ende soo wat wy begheeren, dat ontfanghen wy van hem, want wy onderhouden sijne Gheboden, ende doen t’ghene voor hem behaaghlijck is, &c. 1. Ioan. 3. 22.
Ende dit ist betrouwen dat wy tot hem hebben, soo wat wy begheeren na sijnen wille, dat hy ons verhoort. 1. Ioan. 5. 14.

Exempelen der verhoorden in haar Ghebedt.

Dat xiij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DIe beloften zijn so klaar ende menighvuldiggh, als die weyigh verstaan ende veele min ghelooft worden by veele, oock Leeraars selve, Godt betert. Maar zijnder gheen exempelen by u O Vrouwe, van Menschen, die welcke t’ghene sy gheloovigh om baden, hebben van den Heere verkreghen? Zijnder soo, noemter doch eenighe af.

Onderwijsende Godtlijke Schrifture .

Aaron. Num. 16. 48.
Abraham. Genes. 17. 20.
Agar. Genes. 16. 11.
Bertimeus blinde. Marc. 10. 51. 52.
Twee blinden. Matth. 9. 27. 30, 20. 33. 34.
Cananeeusch Vrouken. Matth. 15. 25. 28.
Centurio. Matth. 8. 6. 13.
Conincxken. Joan. 4. 46. 47.
Cornelius. Actor. 10. 4.
Crancken. Marc. 6 56.
David. Psalm. 3. 5, 4. 2, 6. 9. 10, 15. 19, 30. 23, 60. 6. etc.
Dienaar Abrahams. Genes. 24. 12.
Elias. 3. Reg. 17. 20, 18. 38. Jacob. 5. 17.
Elizeus. 4. Reg. 4. 33, 6. 17. 18. 20.
Esdras. 2. Esdr. 1. 6. 11.
Ezechias. 4. Reg. 20. 5, 19. 20.
Hooftman. Matth. 8. 5. 6. 13.
Jacob. Genes. 32. 9.
Jairus. Marc. 5. 21. 23. 42.
Joachas. 4. Reg. 13. 4.
Josias. 2. Para. 34. 27.
Israel. Exo. 2. 24. Numer. 21. 3. Deut. 26. 7.
Quade knecht. Matth. 18. 17.
Een Lazarus. Matth. 8. 2. 3.
Lia. Genes. 30. 17.
Loth. Genes. 19. 21.
Manue. Judi. 13. 9.
Moyses. Num. 10. 2, 11. 2, 12. 13, 14. 20.
Salomon. 3. Reg. 8. 23, 9. 3.
Samuel. 1. Reg. 9. 7.
Zacharias. Luc. 1. 13.

Welcke die vruchten zijn des waren Ghebedts.

Dat xiiij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAar hoore ick veele exempelen, getuygende opentlijck van de mildtheyt ende getrouheyt Godes, ende betoonde dat hy daarom alleen ons beveelt te bidden, ende daarom ons belooft te gheven, op dat wy’t souden ontfanghen. Wy, segghe ick, die noch Zondaren zijn ende kleyn van gheloove. Wanter oock sodanighe zijn onder die luyden by u daar ghenoemt, welcker ghebeden verhoort zijn gheweest. Also die nyet altsamen en waren Rechtvaardighen ende volmaacte Menschen. Dit is ons voorwaar een groote troost: wie, daar uyt verstaande sulcke milde gaafrijckheydt ende sulcke oprechte getrouheyt in den barmhertigen Gode, en soude hem nyet troostelijck op sijn Godtlijck bevelen bidden, ende op sijn waarachtigh toesegghen met vasten Gheloove hopen te verwerven, t’ghene hy self wil dat wy van hem sullen begeeren? O Godtlijcke Meestersse, hoe grondtlijck heeft dese uwe onderwijsinge mijn herte verblijdt. Doch al hoe wel dit verkrijghen van t’gene men om biddet, een ghenoeghsame: ja meer dan wenschelijcke vrucht is des Gebedts: soo meyne ick nochtans datter oock al zijn eenige bysondere stuckē, die oock vruchten zijn van een waarachtigh ghebedt. Van de welcke ick wel soude begeeren eenige (want al te verhalen soude langhsaam eynden) uyt u te hooren.


Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .

(Die andere vruchten des ghebedts zijn aldusdanigh) die kennisse Godes vinden a, die vreese des Heeren verstaan b, verghevinge van zonden c, ghesondtheyt d, verlossinghe e, victorie f, te hebben een Godt die daar is rijck g, goedertieren h, barmhertigh i, soet k, ende na by l, een goeden m Gheest ontfanghen, ja vervult n werden metten heylighen Gheest, ende Saligheyt o.

a Kennisse Godes vinden .
Ist dat ghy die Wijsheyt aanroept, &c. Pro. 2. 3. ende ghy sult die kennisse Godes vinden, Pro. 2. 5.
b Die vreede des Heeren verstaan .
Dan suldy die vreese des Heeren verstaan. Pro. 2. 3. 5.
c Verghevinghe van Zonden .
Ende het ghebedt des Gheloofs sal den siecken helpen, ende die Heere sal hem op-helpen, ende ist dat hy ghezondight heeft, het sal hem vergheven worden, Iacob. 1. 15.
d Ghesontheyt .
Mijn Heere Godt, ick hebbe tot dy gheroepen, ende du hebste my ghenesen, Psalm. 29. 3
e Verlossinghe .
Ick sal den looflijcken Heere aanroepen, ende hy sal my verlossen van mijne vyanden, 2. Reg. 22. 4.
f Victorie of verwinninghe .
Ende als Moyses sijn handen op hief, soo verwan Israel, Exo. 17. 11.
g Te hebben een Godt die rijck is .
Want die selve hare alre Heere is rijck over alle die hem aanroepen, Rom. 10. 12.
h. i. k. Soet, goedertieren ende barmhertigh .
Want du, Heere, biste soet, ende goedertieren, ende van grooter barmhertigheyt allen den ghenen die dy aanroepen, Psalm. 85. 5.
l Die na by is .
Die Heere is na by allen den ghenen die hem aanroepen, allen den ghenen die hem aanroepen inder Waarheyt, Psalm. 144. 18.
m Een goeden gheest ontfanghen
Hoe veele te meer sal u Vader van den Hemele eenen goeden gheest gheven die hem bidden, Luc. 11. 13.
n Vervult werden metten heylighen Geest .
Ende als sy hadden ghebeden, soo is die plaatse daar sy waren vergadert beweeght gheworden, ende sy zijn alle vervult metten heylighen Gheest, Actor. 4. 31.
o Saligheydt .
Want alle die den name des Heeren sal aanroepen, sal saligh zijn, Rom. 10. 13. Ioel. 2. 32.

Dat xv. Capittel.

Leergierighe Mensche .

ZYn dat die vruchten van een waarachtigh ghebedt: soo en vallet my ende mijns ghelijcken nu al langhe Jaren ghebeden hebbende (in den Gheloove soo wy meynden) ende het minste van alle die stucken noch nyet inder Waarheyt verkreghen hebbende, nyet swaar om verstaan dat wy ongheloovigh ende nyet inder Waarheyt en hebben ghebeden. So wy nyet Gode lasterende en willen seggen dat het ghebreeckt nyet aan ons wel bidden, maar aan Godes ontrou, onwil of onvermoghen.
Maar dit moet verde zijn oock te dencken, by alle Christenen, die’t noch oock maar metten name en zijn. Ende is sekerder, nutter ende waarachtigher te sluyten uyt t’ghene ghy verhaalt hebt, dat het ghebreeckt nyet aan Gode, maar aan ons luyden. So soudet ons moghen dienen tot ootmoedighe ende ware schultkenninghe, ende tot ernst om eens te leeren recht bidden. T’welck ons oock nyet wel mogelijck en is, sonder te weten wat ons tot wel bidden noodigh is, om met ernst in den Heere daar na te trachten. Dit wilt my nu doch oock, waarde Vrouwe, verklaren, te weten, wat die Mensche al behoeft te hebben, of ten minsten eenige van de bysonderste stucken die voorderlijck zijn om wel te moghen bidden. Ick hebbe uyt u wel gemerckt hier voor Cap. x. dat daar voor alle moet zijn ware kennisse van onse quaatheyt, ghebreck, noodt ende ellende, oock van Godes goetheyt, mildtheyt ende ghetrouheyt. Maar watter int bysonder meer behoeft, wilt my doch wat breeder af verhalen.
Onderwijsende Godtlijcker Schrifture .
Ja, kennisse ende belijdinghe van zonden a, oock kennisse Godes b, (so ghy segt) ende van sijnen wille c, daar toe behoeft wil d ende ernst om Godes wille te doen, dat is Gode onderdanigh zij e, in’t laten van’t quade f ende in’t goede te doen g. Hier toe ende oock sonderlinge om door wel bidden sulcx te verkrijghen behoeft Geloove h ende vast betrouwen dat Gode sijnder beloften vermaant.

a Belijdinge van Zonden .
Ende die kinderen Israels seyden totten Heere, wy hebben gezondight, doet ons wat dy ghelieft, Iudic. 10. 15. Isai. 64. 5. 6. 7.
b Kennisse Godes .
Ghyluyden aanbedet t’ghene ghy nyet en weet: maar wy aanbeden t’ghene wy weten, Iohan. 4. 22.
c Kennisse van sijn wille .
Ende dit is het betrouwen dat wy by Gode hebben, ist dat wy wat bidden na sijnen wille, dat hy ons verhoort, 1. Ioan. 5. 14.
d Die wil ende ernst om Godes wille te doen
So wie sijnen wille wil doen, die sal verstaan of dese Leere uyt Gode is, Ioan. 7. 17.
e Onderdanigheyt Godes .
Ende al wat wy bidden, dat ontfanghen wy van hem, want wy houden sijne Gheboden, ende doen dat hem behaaghlijck is, 1. Joan. 3. 22.
f In’t laten van’t quade .
Ende een yegelijck die den name Christi noemt, die wijcke af van ongherechtigheyt, 2. Tim. 2. 19. Exempel. Iudic. 10. 16.
g In’t goede te doen .
Breeckt den hongherighen dijn broot, den behoeftighen ende swervenden leydt in dijnen huyse. Als ghy een naackten siet, bedeckt hem, ende en veracht dijnen vleesche nyet. Isai. 58. 8. &c. Dan suldy den Heere aanroepen ende hy saldy verhooren. Ghy sult roepen, ende hy sal segghen hier ben ick Isai. 58. 9.
h Gheloove .
Daaromme segghe ick u: Alle soo wat ghy biddende begeert, ghelooft dat ghy’t sult ontfanghen, ende het sal u ghewerden, Marc. 11. 24.
Ende alle soo wat ghy begheert in uwen ghebede, ghelovende, ghy sult het ontfanghen, Matth. 21. 22.


Maar hoe sullen sy hem aanroepen in den welcken sy nyet en ghelooven? Rom. 10. 14.
i Betrouwen dat Gode sijne beloften vermaant .
Ghedenckt dijne dienaren Abraham, Isaac ende Israel, den welcken du by dy selve henste ghesworen, segghende: Ick sal dijn zade vermenighvuldighen als die Sterren des Hemels, ende alle dat gantsche landt, daar af ick hebbe ghesproken, sal ick dijnen zade gheven, ende ghy sult dat altijt besitten, Exod 3 1.13.
Daaromme nu O Heere Godt Israels, houdt dijnen knecht mijn Vader David t’ghene ghy hem hebt belooft ende gheseydt: Het en sal dy nyet ghebreken aan een Man voor my die daar sit opten stoel Israels, ist anders dat dijne kinderen haren wegh bewaren, so dat sy voor my wandelen alsoo du voor my ghewandelt hebste. Nu O Godt Israels, laat dijne Woorden waar werden, die du dijnen knecht mijnen Vader hebste belooft, 3. Reg. 8. 25. 26.

Dat xvj. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DIe middelen om t’quade te mogen laten ende t’goede te doene, hebbe ick uyt mijn Vrouwe vernomen. Maar want het quade datmen laten, ende t’goede datmen doen moet om wel te bidden, menighreleye is, soo wilde ick wel hoorē welck het voorneemlijcxste quaat is dat sulcx hindert, ende wat het goet bysonder is dat soo voordert, tot het wel bidden, dat het belet of veroorsaackt het begheerde te verkrijghen, ende eerst welcke die quaden zijn die daar maken dat het ghebedt nyet en wert verhoort, te vergheefs gheschiet ende nyet en verwerft.

Wat saken die verkrijginghe des gebedts verhinderen.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Ongheloove a, verwerpinghe van de vreese des Heeren b, verherdinghe des herten c, soo datmen nyet en wil hooren na de Wet d, gheen raadt wil volghen e, ja die tucht vyandt is f, Godtloosigheydt g ende Zonden h, als namentlijck het aanschouwen van de boosheydt in’t herte i, grouwelen doen k, gheweldighe Gierigheyt l, Afgoderije m, Hoovaardije n, Hipocrisie o, ende sonderlinghe die Onbarmhertigheyt p, sijnen Naasten nyet vergheven q, Twijfelachtigheyt r, ende die Zonden te vernyeuwen s.

a Ongheloove .
Die daar segghen tot Gode, wijckt van ons, die kennisse dijnre Weghe en willen wy nyet. Wie is die Almoghende, dat wy hem souden dienen, ende wat sal’t ons baten, of wy hem al schoon bidden? Iob 21. 14. 15.
b Verwerpinghe van de vreese des Heeren .
Dan sullen sy tot my roepen, ende ick en salse nyet hooren, sy sullen vroegh op-staan, maar my nyet vinden, om des willen dat sy die tucht ghehaat, ende die vreese Godts verworpen hebben, Pro. 1. 28. 29.
c Verherdinghe des herten .
Ia sy maackten hare herten (herdt als) Adamanten, op dat sy nyet en souden hooren die Wet ende Woorden, die Godt der heyrscharen in sijnen Gheest sandt door die handt der voriger Propheten. Derhalven is de Heere der heyrscharen soo oevel over henluyden vertoornt gheweest, Zach. 7. 12.
Ende het is gheworden ghelijck sy te voren als de Heere sprack, nyet en wilden hooren: dat sy daar na oock riepen, ende hy en wildese oock nyet hooren, spreeckt die Heere der heyrscharen, Zach. 7. 13.
d Nyet willem hooren na de Wet ,
Die sijn ooren af-keert, op dat hy die Wet nyet en hoore, diens ghebedt sal oock een grouwel wesen, Pro. 28. 9.
e Nyet willen raadt volghen ,
Dan sullen sy tot my roepen, ende ick en salse nyet verhooren, &c. Pro. 1. 28. Oock (om) datse mijnen raadt nyet ghevolght en hebben, Pro. 1. 30.
f Die tucht vyandt zijn .
Ende ick en salse nyet verhooren, om dat sy die tucht vyandt waren, Pro. 1. 28. 29.
g Godtloosigheydt .
De Heere is wijdt vande Godtloosen, ende hy sal der Rechtvaardighen ghebeden verhooren. Pro. 15. 29.
h Zonden .
Wy hebben ghezondight, ende tot toorn verweckt, daaromme zijdy onverbiddelijck. Tren. 3. 42.
i Aanschou van boosheyt in’t herte .
Ist dat ick die boosheyt hebbe gheaanschouwet in mijn herte, soo en sal my die Heere nyet verhooren, Psalm. 65. 18.
k Grouwelen doen .
Doe spraeck die Heere tot my, hebste du menschen sone dat ghesien? Druncket den huyse Iuda een kleyn sake te zijn, dat sy alle dese grouwelen hier doen, dewijle sy oock het landt vol moetwils vullen, ende sich daar en bovn onderwinden my eerst te terghen, ende laten een quade ghereuckte inder neusen op-gaan? So wil ick oock in mijnen grimmigen toorn een sake doen, so dat mijn ooghe haar nyet en sal onghemerckt laten, ende ick henluyden oock nyet en wil sparen. Ende als sy al schoon met luyder stemmen tot mijnen ooren sullen roepen, soo en wil ickse nyet verhooren, Ezech. 8. 17. 18.
l Gheweldighe gierigheyt .
Die daar eten het vleesch mijns volcx, &c. Mich. 3. 3.
Dan sullen sy roepen totten Heere, ende hy en salse nyet verhooren, maar sal sijn Aansicht alsdan verberghen, Mich. 3. 4. oock Iob 27. 8. 9.
m Afgoderije .
Sy zijn wederomme ghekeert tot haarder over oude vaderen lasteren, die noyt mijne Woorden hebben willen hooren. Alsoo hebben oock dese vremde Goden aanghehangen ende geeert, &c. Ierem. 11. 10.
Ende daaromme spreeckt de Heere alsoo: Ick wil ongheluck over haar brenghen, dat sy nyet ontloopen en moghen. Ende als sy tot my sullen roepen, en wil ickse nyet verhooren, Ierem. 11. 11.
n Hoovaardije .
Daar sullen sy roepen, ende hy en salse nyet verhooren, om die hoovaardije wille der quaden, Iob, 35. 12.
o Hipocrisie .
Wat is doch die hope des Hypocrijts, indien hy gierighlijcken rooft, ende Godt sijn ziele nyet en verlost? Als hem benautheyden overvallen, sal Godt oock sijn gheroep hooren? Iob. 27. 8. 9.


p Onbarmhertigheydt .
Die sijn oore stopt voor t’gheroep der Armen, hy sal oock roepen ende nyet verhoort worden, Pro. 21. 13.
q Sijnen Naasten nyet vergeven .
Ist dat ghy den Menschen nyet en vergheeft, soo en sal mijn Vader u nyet vergeven uwe zonden, Matth. 6. 15.
r Twijfelachtigheyt .
Maar die daar twijfelt, is als de vloedt van de Zee, van de Windt beweeght ende omghewentelt zijnde, daarom en wane dese Man nyet dat hy yet van den Heere sal ontfanghen, Iacob. 1. 6. 7.
f Zonden vernieuwen .
Sy zijn weder-gekeert totten zonden van hare eerste vaderen, &c. ende sy sullen tot my roepen, ende ick salse nyet verhooren, Ierem. 11. 10. 11.

Dat xvij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
Och of alle Menschen voor’t bestaan van Gode te bidden met aandacht haren gront doorsochten, of sy oock deser stucken eenighe daar inne vonden, sy souden dickmaal wat vlijtigher wesen om met Godes ghenade haren grondt van sulcke letselen van verhoort te worden te reynighen: of sy souden ten minsten met meerder ootmoedt ende uyt dieper noodt leeren bidden ende verkrijghen, daar’t nu leyder meest anders toe-gaat. Die voorneemste quadē tot verhooringe des gebedts hinderlijck zijnde hebbe ick hier ghehoort. Nu soude ick voort gaarne hooren welck meest het goedt is, dat voorderlijck is tot het bidden, daar door het ghene men om biddet, wert verworven.
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Daar toe voorderen alle, ende elck van dese navolghende stucken, de vreese des Heeren a, ootmoedigheyt b, lust in den Heere c, den Heere te soecken d, onnoselheyt of suyvere handen e, barmhertigheydt totten Naasten f, in Christo te blijven g, eendracht h, volherdihheyt i, danckbaarheydt k, oock Gheest ende Waarheyt l.
a Vreese des Heeren .
Ick sal tot dijnen heylighen Tempele bidden in dijn vreese, Psalm. 5. 8.
b Ootmoedighen .
Een bedruckt ende verootmoedight herte en suldy O Godt nyet versmaden, Psalm. 50. 19. 1. Pet. 5. 5. &c.
e Lust in den Heere .
Verlustight dy in den Heere, ende hy sal u gheven dijns herten begheerten, Psal. 36. 4.
d Den Heere soecken .
Ick hebbe den Heere ghesocht, ende hy heeft my verhoort, Psalm, 33. 5.
e Onnooselheyt of suyvere handen .
Soo wil ick dat die Mannen bidden in alle plaatsen, opheffende suyvere handen sonder toorn ende twist, 1. Timot. 2. 8. Isai. 1. 16. 18. Zachar. 13. 9.
f Barmhertigheyt .
Breeckt den hongherighen dijn broot, den Armen ende swervenden leydet in dijnen huysen, siedy eenen naackten deckt hem, ende en veracht dijnen vleesche nyet, Isai. 58. 7. Dan suldy aanroepen, ende de Heere sal dy hooren, &c. Isai. 58. 9.
g Te blijven in Christo .
Ist dat ghy in my blijft, ende mijne Woorden in u blijven, ghy sult begheeren al wat ghy wilt, ende het sal u ghewerden, Ioan. 15. 7.
h Eendracht .
Waaromme segghe ick u, ist dat twee onder u opter Aerden over een draghen, van eenigh ding dat sy sullen begeeren, dat sal haar gheschieden van mijnen Vader die in de Hemelen is, Matth. 18. 19.
i Volhardigheydt.
Hy seyde oock tot haar een ghelijckenisse, datmen altijdt bidden moet ende nyet vermoeyt worden. Matth. 18. 4. ende sprack: Daar was een Rechter in een Stadt, die Godt nyet en vreesde. &c.
k Danckbaarheydt .
Maar laat in allen dinghen uwe begheerten by Gode bekent worden door biddinghe ende smeeckinghe, met dancksegginghe, Philip, 4. 6.
l Gheest ende Waarheyt .
Godt is een Gheest, ende die hem aanbidden, moeten hem in den Gheest ende Waarheyt aanbidden, Ioan. 4. 24.

Wie gebeden moet worden.

Dat viij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
HOe ick u langher hoore spreken, hooghwaardighe Vrouwe, hoe ick my minder verwondere, datter soo weynigh Menschen van Gode verkrijgen t’ghene wy om bidden. Immers het waar hoogh te verwonderen dat wy sulcx verkreghen, want wy en bidden nyet na Godes wille. Die wil dat wy uyt Liefden hem soo sullen vreesen te vertoornen, dat wy daar door aflaten vante zondighen. Daar tegen vreesen wy uyt Liefde totten Schepselen die selve sulcx, dat wy liever met alreleye zonden Gode vertoornen, dan wy onse lijflijcke wellust, yemants vriendtschap, ghelt, of eere by de Menschen souden ontberen. So en hebben wy dan oock nyet die vreese des Scheppers, maar der Schepselen. Konnen wy dan na sijnen wille bidden, verhoort werden ende verkrijgen? O neen, dat is verde van daar, soo ick nu in my selve bemercke. Een recht bedruct ende ootmoedigh herte uyt een rechtvaardigh Oordeel over sijne menighvuldige ende groote misdaden teghen die hooghe Majesteyt Godes sijnen Heere ende Schepper, onderwerpt sich willigh die versmaatheyt, bespottinghe, ende verachtinghe van alle Menschen, achtende inder waarheydt dat elck recht over hem heeft, maar hy over nyemant. Daar teghen zijn onse herten meest noch soo vol hovaardigheyt, dat wy vermetelijcken allen anderen Menschen veroordeelen ende verdoemen voor Godtloosen of Zondaren, wanende ons selve noch al Heyligen ende Christenen te wesē in Godes oogen, Ja bedecktelijck Gode noch danckende, dat wy soo quaat nyet en zijn als die anderen. Hoe konnen wy so verwaant wesende, met een ootmoedigh herte bidden? Hoe konnen wy meest al ons soo verlustighende, in den wellust des buycx, in eere, macht ende in den snooden Schepselen, dat het ons een walginghe is eens aan den Heere te dencken, ons doch tot eenigher tijdt in den Heere verlustighen? Hoe ist oock moghelijck dat wy also qualijck biddende om t’ghene wy begheeren in onse wellusten te verteren, dat souden verkrijghen? Jaco. 4. 3.


Konnen wy soo ghestelt zijnde, lust hebben in den Heere? Met begeerlijcker herten na den Heere soecken? Suyver van handen ende wandel zijn? Gheensins, waarlijck geensins. So gaat het oock met alle d’andere stucken, van de welcke elck stuck bysonder, veel minder die altsamē, gantsch seltsaam by yemandē inder waarheyt wert bevonden. Wil nu Godt dat die sullen wesen by den ghenen die hem bidden, ende wil soodanighe bidders verhooren, ist dan wonder datter selden yemandt verkrijght het ghene wy begeeren? Wat daar toe hinderlijck, oock voorderlijck is, hebdy my nu meer dan genoeghsaam bericht af ghedaan, mijn Vrouwe. Laat het u ghelieven my te verklaren wie ghebeden moet werden.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Ghy sult den Heere Godt aanbeden, ende hem alleen dienen, Math. 4. 10. Deut. 26. 10. 4. Reg. 17. 35. 1. Paral. 16. 29. Baruch. 6. 5. Iohan. 4. 23.

Dat xix. Capittel.

Leergierighe Mensche .

VVAt zijn wel die voorneemlickste oorsaken daaromme men Godt alleen sal bidden. Al te verhalen soude lang vallen, maar soude gaarne eenige hooren van de treflickste.

Onderwijsende Godlijcke Schrifture .
Om dat Godt goet is a, Barmhertigh b Langmoedigh c, ende de Liefde selve d, oock om dat Godt is rijck e, wiens miltheydt het gheven een lust is, ghetrou f, wiens Waarheydt het ernst is g, ende Almachtigh h wiens krachte willigh ende bereyt is, om den waren bidders te helpen.

Dat xx. Capittel.

a Om dat Godt goet is .

HOe goet is die Godt Israels, den ghenen die oprecht zijn van herten. Psalm. 72. 1. Is by nyet goet die den Menschen het beste wenschet a? Die daar behoudet b, ende (uyt sijn loutere goetheyt om nyet den Menschen) belooft te gheven al dat sy begheeren c, verborghen schatten d, benedictie of segeninge e, heyligheyt f, den Gheest der Waarheydt g, Vrede h, het eeuwighe Leven i, ende (om net een woort al te segghen) saligheyt k. Psalm. 105. 1, 106. 1, 134. 3. Jerem. 33. 11. Matth. 19. 17, 7. 18. Luc. 18. 19.

a Godt wenscht ons het beste .
Op dat sy sodanighen herte hadden dat sy my vreesden ende alle mijne Gheboden hielden, op dat het henluyden ende hare kinderen na henluyden eeuwelijck wel ghing, Deut. 5. 29.
b Godt behoudet .
To dy hebben sy gheroepen, ende sy zijn behouden, Psalm. 21. 6.
e Godt belooft te gheven al datmen begeert .
Hebt dijn luste in den Heere, ende hy sal dy dijns herten begheeren gheven, Psalm. 36. 4.
d Verborghen schatten .
Ende ick sal sy gheven verborghen schatten, Isai. 45. 3.
Van beginne des werelts af en hebbense noyt ghehoort, noch metten ooren vernomen, noch gheen ooghe en hevet ghesien, O Godt, sonder dy, wat du bereyt hebste, den ghenen die op dy wachten, Isai. 64. 4. 1. Corint. 2. 9.
e Segheninghe .
Ist dat ghy hoort die stemme des Heeren, ende onderhoudt alle t’ghene dat hy heeft bevolen ende ick dy huyden ghebiede, soo sal hy dy, soo hy belooft heeft, seghenen.
f Heyligheydt .
Den eedt die hy onsen Vader Abraham heeft ghesworen, dat hy ons soude gheven, dat wy verlost zijnde van onser vyanden handt, hem sullen dienen in Heyligheyt ende Rechtvaardigheydt die hem aanghenaam is, alle die daghen onses levens, Luc. 1. 74. 75.
g Gheest der Waarheyt .
Ende ick sal mijnen Vader bidden, ende hy sal u een ander Trooster gheven, op dat hy in Eeuwigheydt by u blijve (namelijck) die Gheest der Waarheyt, Ioan. 14. 16. 17.
h Vrede .
Vrede laet ick u, mijnen Vrede gheve ick u, Ioan. 14. 27.
Een Prince des Vrede, ende sijn Rijck sal vermenighvuldight werden, ende des Vreden en sal gheen eynde zijn, Isai. 9. 6. 7.
i Eeuwigh Leven .
Ende dit is de belofte die hy ons belooft heeft, het eeuwigh Leven, 1. Ioan. 2. 25.
k Saligheydt .
Ick hebbe doen ghenaken mijn Rechtvaardigheyt, ende die en sal nyet ververden, ende mijn Heyl en sal nyet vertoeven, ick sal gheven saligheydt in Syon, ende mijn glorie in Israel, Isai. 46. 13. Luc. 1. 69.

Dat xxj. Capittel.

Leergierige Mensche .

VOorwaar alsmen aanmerckt wie die gene is, die ons sulcke Saligheyt wenscht, oock om nyet te gheven so vriendelijck belooft met alle datmen tot verkrijginghe van dien behoeft, te weten Godt Almachtigh, Schepper van Hemel ende Aerde, die alder goedtheyts Fonteyne is, ende mitsdien sijnder Schepselen, nochte haarder dienst nyet altoos en behoeft: ende daar teghen aanschou neemt opten ghenen dien sulcx toe ghewenscht ende oock belooft wert, te weten die snoode, verdorven ende sondighe Menschen, die so vermetelijck sijne Godtlijcke hooghwaaadigheyt verachten, sijne heylsame Gheboden overtreden, ende ons selven der eeuwigher verdoemensisse onderworpen hebben: soo soude hooghlijck te verwonderen wesen, datter Menschen zijn, die sulcx aandachtelijck aanmerckende in alle haren nooden nyet met een vast betrouwen op sodanigen onghemeten goedtheyt Godes tot hem en souden haar ghebedt storten met eenen ontwijfelijcke hope van verkrijghen. Van de goedtheyt Godes hebdy; so veele noodigh was; ghesproken met het ghene de Mensche die selve grodntlijck uyt mach verstaan. Nu wilde ick sulcx oock gaarne wat hooren van de Barmhertigheyt Godes.

Om dat Godt is barmhertigh.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .

Godt is barmhertigh a, ende een ontfarmer b, doet daarom barmhertigheydt c, dat is hy ontfarmt d, verlost de ziele uyter doot e, soeckt dat verloren was f , reynight van de vuyligheydt g , wischt uyt die overtredinghen h , verbindet dat ghewondt was i, ende is (uyt enckele barmhertigheyt) soo versoen-


lijck k, dat hy oock nyet en wil des Zondaars doodt l, maar hy versoenet alles in Christo m, oock de Werelt selve n.

a Barmhertigheyt .
Ende als die Heere gingh voorby sijnen aansichte, riep hy (Moyses) heerschapper Heere Godt barmhertigh, &c. Exo. 34. 6.
b Ontfarmer .
Ende du Heere biste een ontfarmer ende barmhertigh. Psalm. 85. 15.
c Doet Barmhertigheyt .
Ick doe Barmhertigheyt in duysenden aan den ghenen die my lief hebben, ende mijne Gheboden onderhouden. Exo. 20. 6.
d Hy Ontfarmt.
Ghelijck als een Vader sich ontfarmt over sijne kinderen, alsoo heeft sich Godt erbarmt over den ghenen die hem vreesen, want hy kent sijn schepsel. Psalm. 102. 13.
e Verlost vander doodt .
Want ghy hebt mijn ziele verlost vander doot, ende mijne voeten vanden val. Psalm. 55. 14.
f Soeckt dat verlooren was .
’Tghene verlooren was sal ick soecken, ende dat verworpen was, sal ick weder brengen. Ezech. 34. 16.
g Reynight van alle vuyligheyden .
Ende ick sal een suyver water op u storten, ende ghy sult van alle uwe vuyligheyden ghereynight worden. Ezech. 36. 25.
h Wischt uyt alle onse overtredinghe .
Ick bent (seydt die Heere) ick selve bent, die om mijn selfs wille alle dijne overtredinghen uyt wissche, ende dijne zonden nemmermeer en ghedencke. Esai. 43. 25.
i Verbindt het ghewonde .
Dat ghebroocken was sal ick verbinden. Ezech. 34. 16.
k Is versoenlijck .
Hy sal Gode verbidden, ende die sal hem versoenlijck zijn. ob. 33. 26.
l Wil nyet des Zondaars doot .
Want ick en hebbe geen lust (spreeckt die Heere) aan den doot des Zondaars, maar dat hy sich bekeere, ende leve. Ezech. 18. 23.
m Versoenet alles .
Ende (’t heeft Godt belieft) door hem (Christum) alles te versoenen. Colos. 1. 20.
n Versoent oock de werelt .
Want Godt was in Christo, die werelt versoenende met hem selve. 2. Corint. 5. 19.

Dat xxij. Capittel.

Leergierighe Mensche .

VAnde barmhertigheyt Godes hebdy daar in ’t korte so veele al verhaalt, dat ick nyet en mach laten te segghen, dat sy geen kennisse met allen van Gode moeten hebben, soo wel, die wanhoopigh aan de vergevinghe haarder zonden vallen in den Duyvelschen putte van de verdoemelijcke vertwijfeltheydt, als oock mede die met zonden beladen zijnde tot yemanden anders dan door Christum tot Gode selve loopen, om verghevinghe der zonden. Recht of eenigh Schepsel, Mensch of Heyligh barmhertiger mochte zijn, dan die Borne ende Fonteyne der barmhertigheyt selve is. Het sal my, hope ick, inden Heere in desen meesten gequelle mijnder wroeghender Conscientien met ootmoedigh betrouwen mijne toevlucht doen nemen op ende tot die salighmaeckende barmhertigheydt Godes. Ende want hier mede oock groote gemeenschappe heeft die langhmoedigheyt Godes, bidde ick u, mijne waarde Vrouwe, dat ghy my oock in ’t korte een weynigh verklaringhs daar van wilt doen.

Om dat Godt is langmoedigh.

Onderwijsende Godtlijcke Schriftuer .
Die Heere is langhmoeidgh a, traagh ter wraacken b, versacht sijne toorne c, handele geduldelijck d, ghedooghende e, ende wachtende f of men recht wilden doen g, om te ontfarmen h, ghevende plaatse ja keydende tot berou i, ende sparende (te dien eynde k) sijn volck l, die hem vreesen m ende den armen n.

a Godt is langhmoedigh .
Maar du, mijn Godt, vergaaft, waart genadigh, barmhertigh, langmoedigh, ende van grooter barmhertigheyt, ende en verlietse nyet. 2. Esdr. 9. 17.
b Traagh of langhsaam tot toorn .
soo riep hy. Heerschapper Heere Godt barmhertigh, goedertieren, langhsaam tot toorn, maar overvloedigh in soetheyt ende Waarheyt. Exo. 34. 6.
c Versacht sijn toorne .
Du hebste (Heere) alle dijnen toorne versacht, ende biste af-ghekeert van den toorn dijns grimmigheyts. Psalm. 84. 4.
d Handelt gheduldelijck .
De Heere en vertraaght die beloften nyet, soo sommighe meynen, maar hy handelt geduldelijck om u luyder willen, nyet willende datter yemant verloren ga, maar dat sy alle wederom tot berou souden keeren. 2. Petr. 3. 9.
e Gheloovende .
Of Godt willende sijn gramschap toonen, ende sijne Moghentheyt kondt maacken, die vaten des toorns bequaam zijnde ten bederven met grooter gheduldigheydt heeft ghedooght. Rom. 9. 22.
f Ende verbeydende .
Daaromme verbeyt die Heere, op dat hy uwer soude ontfarmen. Isai. 30. 18.
g Of sy recht wilden doen .
Ende hebbe ick verbeyt of sy (mijn Wijngaart) recht wilden doen. isai. 5. 7.
h Ghevende plaatse tot berou .
Godt heeft hem (den Zondaar) plaatse gegeven tot berou, maar hy misbruyckt die in hoovaardije. Iob. 24. 23.
i Leydende tot berou .
Of veracht ghy die Rijckdom sijnre goedertierenheyt, ende geduldigheyt, ende langhmoedigheyt, nyet wetende dat Godes goedertierenheyt u leydet tot berouwe?Rom. 2. 4.
k Sparende te dien eynde .
Noch so wacht die Heere hier mede, op dat hy uwer soude ontfarmen, ende also, hy u sparende, verheven worden. Isai. 30. 18.
l Hy spaart sijn volck .
Die Heere heeft gheijvert over sijn Landt, ende heeft sijnen Volcke gespaart. Ioel. 2. 18.
m Die hem vreesen .
Ick salse sparen (die mijnen name vreesen,) alsoo een Man spaart sijnen Sone die hem diendt. Malach. 3. 17.
n Den Armen .
Den Armen ende behoeftighen sal hy sparen. Psalm. 71. 13.


Dat xxiij. Capitel.

Leergierighe Mensche .

VAn de lanhmoedigheydt Godes in’t lijdtsaam gedulden van onse boosheyden tegen sijn Godtlijcke Maiesteyt, ende in’t goedertieren sparen of wy ons noch wilden begeven tot recht boetvaardigh berou, hebbe ick nu soo veele ghehoort, dat ghy, O Godtlijcke Schrifture wel met dubbelt recht mooght klaghen over de Zondaren hardtneckigheyt ende moetwilligheyt in’t verachten van sulcke langmoedighe goedertierenheydt Godes, daarom ghy met over groote Redene tot veel plaatsen seght sulcke Menschen te hebben een steenen herte ende Adamantijnsch voorhooft. Wie soude sich nyet met een leedtwesige boetvaardigheyt begeven tot een Koning, die hem met recht moghende doen dooden om het bedrijf van Crimen lese Maiesteyt, noch langmoedelijck spaarde ende allen vlijte aawende om hem tot berou te brenghen, ten eynden hy hem sijn misdaat barmhertelijck vergheven, ende in volle ghenade tot een soon ende Erfgenaam sijn Coninckrijcx ontfangen ende aannemen soude moghen? Sodanighe barmhertigheyt vindtmen nyet by Mensch tegē Mensche: ende dese sietmen so naackt ende klaar in den hooghen Schepper alder dinghen teghen ons snoode Menschen. Daar toe dringt hem sijne Goddelijcke Liefde; die hy selve is; nyet anders soeckende, dan om sijne goetheyt ende saligheyt veele sijnre Schepselen te mogen ghemeen maken, nyet om sijn eere (die hy van Eeuwigheydt al volkomelijck heeft ghehadt) maar om der Schepselen Heyl ende nuts wille. Van welcke Liefde ick mede gaarne wat uyt u soude hooren, want die kennisse van de Liefde Godes tot ons gheen kleyne aansporinghe is om sulcken lief-hebbende Godt te bidden.

D. Om dat Godt is die Liefde.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Godt is die Liefde a , wil alder Menschen saligheyt b, straft die hy bemingt c, schenckt sijnen eenigen Sone d, soeckt dat verloren was e, noodet allen belasten f, verlost van alle boosheyden g, gheneest die tot hem roepen h, bemint een vrolijcken ghever i, ende die sijnen Sone beminnen k.
a Godt is die Liefde .
Wie nyet lief en heeft, die en kent Godt nyet, want Godt is die Liefde. 1. Ioan. 48.
b Wil alder Menschen saligheydt .
Die (Godt) daar wil dat alle Menschen saligh worden, ende tot kennisse der Waarheydt komen. 1. Timot. 2. 4.
c. Straft die hy bemint .
Want die Heere straft den ghenen die hy lief heeft. Hebr. 12. 6. Pro. 3. 12.
d Schenckt sijnen eenighen Sone .
Alsoo lief heeft Godt die Werelt ghehadt, dat hy sijnen eenighen Soon gaf, op dat alle die aan hem ghelooven, nyet verlooren en worden, maar dat eeuwighe Leven hebben. Ioan. 3. 26. Rom. 8. 32. Isai. 9. 5.
e Soeckt dat verloren was .
Ghelijck als een Herder sijne schapen soeckt, als sy van sijne kudde verdwaalt zijn, alsoo wil ick mijne schapen soecken. Ezech. 34. 12.
Ick wil dat verloren weder soecken, ende dat verdwaalde weder brenghen. Ezech. 34. 16. Luc. 15. 20.
f Noodet ende roept allen belasten .
Komt tot my al die belast ende beladen zijt, Matth. 11. 18. 22. 3. 5. 9.
g Verlost van alle boosheyden .
Israel hope opten Heere, want by den Heere is ghenade, ende veel verlossinghe by hem. Ende hy sal Israel verlossen uyt alle sijn zonden. Psal. 129. 7. 8.
h Gheneest die tot hem roepen .
Heere mijn Godt, doe ick tot u riep, maackte ghy my ghesondt. Psalm. 29. 3.
i Bemint een vrolijck ghever .
Want een vrolijcken ghever heeft Godt lief. 2. Corint. 9. 7.
k Bemint die Christum lief hebben .
Wie mijne Gheboden heeft ende houdt, die ist die my liefheeft. Ende wie my liefheeft, die sal van mijnen Vader lief ghehadt worden. Ioan. 14. 21. 13.

Dat xxiiij. Capittel.

Leergierighe mensche .
VVAt soude een Mensch behoeftigh zijnde der genaden ende goede gaven Godes, doch meer moghen aanporren om Godt te bidden, dan ware kennisse van sodanighe ongemeten Liefde van den lieven Gode? Wat soude dese Godt doch moghen weygeren den ghebrekigen versoenden Mensche, <Rom. 5. 9.> hem uyt noodt met betrouwen biddende: dien hy noch vyandt zijnde, sijn alderwaartste pandt van selfs uyt Liefde om nyet gheschoncken, ende in den bitteren Doot ghegheven heeft sijnen gheliefden eenighen Sone? Soude hy in den selven, die de Tresorier is sijne Hemelscher schatten, ons nyetmet hem alles schencken? Die dit te recht betracht ende verstaat, mach dese oock vermoeden, ick swijghe twijfelen, dats min dan wederspreken, dat Godt hem yet van t’ghene hy na den wille Godes begeert, weygeren soude? Wat mach hy den versoenden weygheren van de minste dinghen, die t’meeste van selfs onghebeden sijnen vyanden aanbiedt? Of waarom soude hy’t weygeren? Om dat hy ghevende des te minder houdt? Dit valt by den Menschen in den aerdtschen ende verganckelijcken schatten: maar gheensins by den rijcken Gode, alder goeden eeuwighe Fonteyne, die’t alles gheent ende des te minder niet en heeft. Van dese Rijckdomme Godes soude nyet qualijck hier nu voegen, mijn Vrouwe, so’t u gheliefde, een weynigh verhaalt te worden, ende daar by oock van de Goddelijcke mildtheyt. Want die rijck is mach, ende die mildt is, wil gheven. Daar men dan recht Gode bidt, wordt ghegheven. Daar verneemtmen dan oock wat Godt heeft.

E. Om dat Godt is rijck.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Godt is rijck a , sijn Rijckdommen zijn overvloedigh b, ende onbegrijpelijck c. Rijck is hy van barmhertigheyt d. Hy vergheldet e, ghevende gratie f alle goede gave g, een Leeraar der Gherechtigheyt h, Waarheyt i, een nieu herte, k, berou l, Hemels Broodt m, Wijsheyt n, krachten o, den heylighen Gheest p, Liefde q, datmen begeert r, blijdtschap s, ende het eeuwighe Leven t.

a Godt is Rijck .
Daar is een Heere over allen, rijck over allen die hem aanroepen. Rom. 10. 12.


b Godes Rijckdommen zijn overvloedigh .
Op dat hy in toekomende tijden soude bewijsen den overvloedighen Rijckdomme sijnre ghenaden. Ephes. 2. 6.
c Godes Rijckdommen zijn onuytsprekelijck .
Onder den Heydenen te vercondighen die onuytsprekelijcke Rijckdommen Christi. Ephe. 3. 8.
d Godt is rijck van barmhertigheyt .
Maar Godt die daar rijck is van barmhertigheyt, Ephes. 2. 4.
e Godt is een verghelder .
Dat Godt is een verghelder alder ghenen die hem soecken, Heb. 11. 6.
f Den ootmoedighen gheeft hy ghenade, 1. Pet. 5. 5.
g Alle goede gifte ende alle volmaackte gave, komende vanden Vader der lichten, Iacob. 1. 17.
h Want Godt heeft u ghegheven een Leeraar der gherechtigheyt, Ioel 2. 23.
i Ghy sult Iacob Waarheyt geven, Mich. 7. 20.
k Ende ick wil u een nyeu herte gheven, Ezech. 36. 26.
l So heeft Godt dan oock den Heydenen penitentie ghegheven ten leven, Actor. 11. 18.
m Maar mijn Vader gheeft u dat rechte broot van den Hemele, Ioan. 6. 32.
n Siet ick heb dy ghegheven een wijs ende verstandigh herte, 3. Reg. 3. 12.
o Maar ghedenckt des Heeren dijnes Godes, dat hy dy kracht heeft ghegheven, Deut 8. 18.
p Die (Godt) sijnen heylighen Gheest in ons heeft ghegheven, 1. Thes. 4. 8.
q Want die liefde Godes is uyt-ghestort in onse herten door den heylighen Gheest die ons is ghegheven. Rom. 5. 5.
r Die (Godt) dijne begheerten met goeden vervult, Psalm. 102. 5.
s Du (Heere) hebste blijdtschap ghegheven in mijn herte, Psalm. 4. 7.
t Ende ick gheve haar (mijne schapen) het eeuwighe Leven, Ioan. 10. 28.

Dat xxv. Capittel.

Leergierighe Mensche .
HOovaardigh moet hy zijn ende sonder alle kennisse Godes, die soodanighen rijcken ende milden Heere nyet en biddet in sijne behoefte ende ghebreck. Sonderlinghen nadien hy uyt sijne groote goedtheyt self ons beveelt te bidden, met beloften van te gheven t’ghene wy om bidden, soo voor by u is bewesen. 1 1 f. g. ende xij. Die dan nyet en bidden sodanighen goeden Heere, moeten gheen betrouwen hebben op sijne beloften. Daaromme wilde ick nu gaarne wat hooren van sijne ghetrouheydt, daar af ghy oock hebt aangheroert.

F. Om dat Godt is ghetrou.
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Godt is ghetrou a, in alle sijne Woorden b, hy slaapt nyet c, noch en verlaat nyet die hem lieven d, maar draaght der sijnen sorghe e, siende haar verdriet f, ende droefheyden g, vertroost hy h, ende volbrenght sijne beloften i, hy bewaart k, versterckt ende besorght den sijnen l, als een Vasder m, ghevende die daar bidden n, ende draaghtse als een Man sijn sone o.

a Godt is ghetrou, 1. Corint. 1. 9 .
b Godt is ghetrou in alle sijne Woorden, Psal. 144. 13.
c Hy en slaapt noch en sluymert nyet die Israel behoedt, Psalm. 102, 4.
d Ende du (Heere) hebste nyet verlaten, die dy lief hebben, Dan. 14. 37.
e Werpt alle dijn sorge op hem, want hy draeght sorghe voor u, 1. Petr. 5. 7. Psalm. 39. 18, 54. 23. Matth. 6. 33.
f t’Gheroep der kinderen Israels is tot my ghekomen, ende ick hebbe ghesien t’verdriet, daar mede sy van de Egyptenaren verdruckt worden, Exod. 3. 9. Deut. 26. 7.
g Ende wetende haar droefheyden, ben ick af ghekomen om hen te verlossen vander Egyptenaren handen, Exod. 3.8.
h Maar Godt die den ootmoedighen vertroost, heeft ons ghetroost in Titi toekomste, 2. Corint. 7. 6.
i Ende al wat ghy metten monde haddet belooft, dat hebdy metter daadt volbracht, 2. Paralip. 6. 15.
k Ende ick sal (seyt de Heere) rondtsom haar wesen een brandende muyre, Zach. 2. 5.
l Maar de Heere stondt my by ende versterckte my, 2. Timot. 4. 17.
m Hoe veele te meer sal u Vader die in de Hemelen is, den ghenen die hem bidden, goede gaven gheven, Matth. 7. 11. Soeckt eerst het Rijcke Godes, ende alle dat sal u toe-gheworpen worden, Luc. 12. 31.
n Bidt ende u sal gegeven worden, Matth. 7. 7.
o De Heere dijn Godt heeft dy ghedraghen, als een Man sijn kleyn soontgen plagh te dragen, Deut. 1. 31.

Dat xxvj. Capittel.

Leergierighe Mensche .
ABraham nyet siende op sijnder huys-vrouwen, <Rom. 4. 10.> oock nyet op sijn selfs ouderdom ende swackheyt, maar op des belovenden Godes ghetrouheyt ende moghentheyt, gheloofde sonder alle twijfelijck mistrouwen, gaf Gode die eere (van dat hy oprecht ende ghetrou is) ende wist volkomentlijck, dat Godt machtigh is om te doene alsoo wat hy heeft belooft, < Rom. 4. 16> ende het is hem gherekent tot Rechtvaardigheydt, sulcx dat hy daaromme oock een Vader onser aller (Gheloovighen) wert ghenaemt. Die dit aanmeerckt met oordeel, sal oock licht konnen mercken dat sy gheen Gheloovighen noch Abrahams kinderen en zijn, die soo veele sien op haar eyghen swackheyt, ende soo gantsch nyet altoos op des belovende Godes ghetrouheyt ende Almogentheyt, dat sy nyet alleen nyet en ghelooven, maar oock plat uyte te seggen onmogelijck om worden, t’ghene sy self moeten bekennen van Gode klaarlijck ende openbaarlijck den Gheloovighen belooft te zijn. Aan Godes beloften en twijfelen sy nyet: Daarom en moghen sy oock nyet twijfelen Gods wille te zijn om volbrenghen t’ghene hy opentijck heeft belooft in Christo te doen: waar aan mogen sy dan doch anders twijfelen, dan aan die Almoghentheyt Godes? Om dien twijfele so veele als moghelijck is, wech te nemē of te minderen, bidde ick u, mijn Vrouwe, dat ghy u nyet en beswaart my een weynigh in desen te verklaren van de Almoghentheyt Godes.

G Om dat Godt is Almachtigh
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Godt is Almachtigh a, doende al dat hy wil b, ende werckende indē Geloovigen het willen ende het volbrengen c. Hy is een verlosser d,


verlossende die hem betrouwen e, ende die in hem hopen f. Oock is hy een helper g die den vallenden metter handt onderstut h, ende hy is een beschermer i die den eenvuldighen beschermt k, ende den vyanden af-weert l.
a Ick ben de Almachtighe Heere, Genes. 17. 1.
b Mijn raadt sal bestaan, ende alle mijn wille sal geschieden, Isai. 46. 10.
c T’is Godt die in u werckt het willen ende het volbrenghen, Philip. 2. 13.
d Dit seydt de Heere dijn verlosser, Isai. 48. 17.
e Want ick sal dy sekerlijck verlossen, &c. daarom dat du op my betrout hebste, spreect die Heeere. Iere. 39. 18.
f Om dat hy in my heeft ghehoopt, sal ick hem verlossen, Psalm. 90 14.
g So sal nu onse ziele sich verlaten opten Heere, want hy is onse hulper ende beschermer, Psal. 32. 20.
h Of hy schoon al valt, soo en quetst hy sich nyet, want de Heere onderstut hem met sijn hant, Psalm. 36. 24.
i Hy (Godt) is een beschermer alder ghenen die op hem hopen, Psalm. 17. 31.
k Hy beschermt den ghenen die eenvuldelijck wandelen, Pro. 2. 7.
l De Heere heeft dijn oordeel wech ghenomen, dijne vyanden af-gheweert, de Heere Koningh is midden onder dy, du en sulste voort meer gheen quaat vreesen, Sopho. 3. 15.

Dat xxvij. Capittel.

Leergierighe Mensche .

DAar hebdy my, O hoogwaarde vrouwe, spiegel vande meyninge des Alderhooghsten, so veele naackte, klare ende openbare oorsaken verhaalt van datmen vast betrouwen soodanighen goeden, barmhertighen, lieven Godt, die rijck, mildt, ghetrou, ende Almachtigh is, behoort te bidden, dat het die aldergroosste verstanden sonder eenighe glosen of uytlegginghen licht verstaan konnen ende begrijpen. Ende ick ghevoele door die getuyghnissen van soodanighen goedighen Godt mijn herte nu vuyrighlijck ontsteken om sulcken lieven ende milden Godt te bidden, met ontwijfelijck betrouwen, dat hy mijn herte verlichten wil met soodanighe kennisse als my nu ter tijdt in desen mijnen state noodigh is, om ghetrouwelijck mijn kleyn pondeken op woecker der deughden in de dadelijcke oeffeninghe te besteden. Daar door ick nu noch meer dan oyt te voren begheerlijck zijnde, u oock noch meer moet quellen met vraghen om antwoorde opten twijfele, wanneer wy behooren te bidden.
Want daar by eenighen geen kleyn geschille om en is. Dus wilt my daar af berichten, soo uyten exempelen der heylighe Mannen als uyt den Gheboden des Heeren.

Wanneer men sal bidden.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Christus heeft in den dageraadt ghebeden, Marc. 1. 35.
Elcana met Anna smorghens vroegh. 1. Reg. 1. 19.
Daniel dryemaal daaghs, Dan. 6. 10.
Die Psalmisten den gantschen dagh, Psal. 31. 3, 87. 10.
Paulus ende Silas tot middernacht, Act. 16. 25.
Samuel die gantsche nacht, 1. Reg. 16. 11.
Psalmist, Esdras ende Paulus dagh ende nacht, Psalm. 87. 2, 2. Esdr. 1. 6, 1. Thes. 3. 10.
In tijden van benautheyt ende noodt baden d’Apostelen, Matth. 8. 25. Psal. 17. 7. Jacob. Genes. 32. 9. Jonas 2. 3. Ezechias. 4. Reg. 19. 1. Jozaphat, 2. Para. 18. 31. Israel, Judic. 1. 10. etc.
Alle tijdt bidt Cornelius, Actro. 10. 2. ende Paulus, 2. Thes. q. 11.
Ende sonder ophouden badt die Kercke, Actor. 12. 5.
(Vande exempelen nu komende opte Gheboden) sal men bidden in ancxte a, dewijle die Heer na by is b, altijt c, sonder ophouden d .

a Roept my aan inder tijdt des angst, ende ick sal dy redden, ende du salste my eeren, Psalm. 49. 15.
b Roept hem (den Heere aan) dewijle hy na by is, Isai. 55. 6.
c Maar hy seyde tot henluyden een ghelijckenisse, datmen altijdt moet bidden, Luc. 18. 1.
d Bidt sonder ophouden, 1. Thes. 5. 17.

Dat xxviij. Capittel.

Leergierighe Mensche .

ICk ben aan’t vragen gheraackt, hooghwijse Meestersse, ick hoore klare ende vaste beantwoordinge, dit maackt my van nyeus begeerlijck na meer sulck onderricht. Nu vinde ick u soo bereyt ende willigh om my wel te antwoorden, als my selve behoeftigh van goede antwoorde, op meer andere mijne twijfelē. Daarom ick nu gaarne soude weten op wat plaatsen men moet bidden, want men daarom oock al by-wijlen twistigh is.

Waar men bidden sal.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Voormaals moestē die Joden bidden in den Tempele a, dā Christus seyt datmē nyet meer tot Jerusalem, noch opten bergh en soude bidden b, bevelende te bidden indē besloten slaapkamer c, verbiedende (om ghesien te worden opten hoecken van de straten ende in den Synagogen te bidden d. Oock heeft die Heere Jesus Christus self ghebeden alleen op een Bergh. Matth. 14. 23. oock in die Woestijne, Marc. 1. 35. Petrus int hooghste van den huyse, Act. 10. 9. ende Paulus met eenighe Gheloovighe opte strant, Actor. 21. 5.

a Aanbedet den Heere in sijnen heylighen Tempele, Psalm. 28. 2.
b Wijf, ghelooft my dat de tijt sal komen, datmen noch op desen Bergh, noch tot Ierusalem den Vader en sal aanbeden, Ioan. 4. 21.
c Maar als du wilste bidden, soo gaat in dijn slaapkamere, ende die deure ghesloten zijnde, bidt dijnen Vader in’t verborghen, ende dijn Vader, die dat in’t verborghen siet, dal’t dy gheven. Matt. 6. 6.
d Ende als ghy wilt bidden, en suldy nyet wesen als die gheveynsde, want die begeeren in de vergaderinghen ende opte hoecken der straten te bidden, om van de Menschen ghesien te worden, Matth. 6. 5.

Dat xxix. Capittel.

Leergierighe Mensche .
HOe ick meer van dit bidden hoore, hoe ick meer vinde om te vragen, waarde Vrouwe. Alle datmen doet mach wel of qualijck


gheschieden: ende dit overmits alle werck sijn eygen wijse heeft. Doemen’t opte behoorlijcke wijse soo ist wel, of anders ist qualijck. Daarom soude ick nu gaarne hooren hoe of op wat wijse men moet bidden om wel te bidden. Nu hebbe ick wel verstaan, nadien wy van lijf ende ziel zijn, dat elck sijn eygen wijse in desen heeft, ende soude daaromme gaarne hooren eerst van die maniere in’t bidden den lichame, ende daar na die wijse de ziele of gheest aangaande, soo van de exempele, (die al gheen Wetten en zijn) als van de Gheboden des aangaanden.

Hoe men sal bidden.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Die Psalmist badt metten monde, Psalm. 65. 17. oock mette stemme, Psalm. 76. 2. ende dit al roepende, Psalm. 76. 2. so oock ghedaan hebben Moyses, Exod. 8. 12. Ezechias, Isai. 38. 14. ende andere meer. Maar dat het nyet en sal geschieden met veele woordē, beveelt Christus, Matth. 6. 7. So wil oock d’Apostel dat die Mans sullen biddē met ongedeckten, maar die Vrouwen met ghedeckten hoofde, 1. Cor. 11. 4. 13.
Voorts aangaande meer exempelen, soo hadt Elisa metten aanghesicht ghebogen tusschē sijne kniē, 3. Reg. 18. 42. Christus, Josue, ende Lazarus metten aansichte ligghende opter Aerden, Mat. 26. 39. Josu. 7. 6. Luc. 5. 12. Jusue, oock seer veele meer anderen met stof op hare hoofden ghestroyt, Josue 7. 6.
Eenighe als die Psalmist, Ezechias ende anderen baden metten ooge ten Hemelwaarts siende, Psalm. 6. 7, 38. 13. 38. 14.
Die Psalmist badt al weenen, Psalm. 6. 3, 38. 13.
Die Publicaen sijn borste slaande, Luc. 18. 12.
Moyses, Salomon, die Psalmist, Esdras ende anderen met uytgestreckte handen, Exo. 17. 11. 3. Reg. 8. 54. Psal. 27. 2. 1. Esdr. 9. 5.
Metten knien opter Aerden ghebogen zijnde, hebben gebeden Christus, Salomon, Petrus, Paulus ende Lazarus, etc. Luc. 22. 41. 3. Reg. 8. 54. Actor. 20. 36. Marc. 1. 40.
Inder asschen sittende, baden die Coning tot Ninive, oock die Propheet Daniel, Jonas 3. 6. 9. Dan. 9. 3.
Daniel badt oock bekleedt met een sack, Dan. 9. 3.
Met scheuringhe der klederen hebben ghebeden Isiais ende Esdras, 2. Paral. 34. 27. 1. Esdr. 9. 5.
Aelmissen diende badt Cornelius, Actro. 10. 4.
Maar van t’ghebedt te verselschappen met vasten ende kuysch zijn spreken Christus, Mat. 17. 12. ende Paulus, 1. Corint. 7. 5.
Onder’t bidden hebben ghevastet die psalmist, Daniel, d’Apostelen, oock Paulus met Barnabas, Psalm. 34. 13. Dan. 9. 3. Actor. 13. 3, 14. 21.
Daar hebdy verscheyden wijsen van bidden, soo veele den lichame beroert. Hoort nu hoe ende in wat wijse men bidt, belanghende t’ghene die ziele aangaat.
Alsoo moetmen (om wel te bidden) volghen der Heylighen exempelen ende die wille Gods door sijn Heylighen uyt-ghesproken.
Alle Heylighen hebben gheloovigh sonder eenighe twijfelingen gebeden: ende daaromme oock t’ghene sy om baden verkreghen, soo ick onlancx verhaalt hebbe, onder welcke Manasses badt met berou, 2. Paral. 33. 12. <Cap. iij.>
Israel met belijdinghe van zonden, Judic. 10. 15.
Die Psalmist met gantscher herten, Psal. 118. 148. ende sijn ziele ophevende tot Gode, Psalm. 85. 4.
Eendrachtelijck ende volherdelijck baden d’Apostelen, Actor. 1. 14, 12. 5.
Met suchten badt het verdruckte Israel, Exos. 6.5.
Ootmoedelijck baden Moyses endde Jonas, Deut. 9. 25. Jonas. 3. 6.
Ende vrymoedelijck Gode vermanende sijnder beloften, baden Jacob, die Psalmist ende anderen, Genes. 32. 9. 10. 11. Reg. 7. 25.
Ja oock hebben onder t’bidden vrymoedelijck Godt vermaant haar onschult David, 2. Reg. 22. 21. 22. 23. die Psalmiste, 25. 11, 65. 18. etc. dat zy gheseydt van den Exempelen in desen.
Aangaande in de wille Godes, die is datmen sal bidden in een ontwijfelijck Geloove a, in den heyligen Geest b, in Geest ende Waarheyt c, in gheest ende ghemoede d, oock met suchten e, ende in den name hristi f.
a Maar laat bidden in den Gheloove, nyet twijfelende, Iacob. 1. 5.
b Altijt biddende in den Gheest, Ephes. 6. 18.
c Die tijdt komt ende is nu, dat die ware aanbeders sullen den Vader aanbeden inden Gheest ende Waarheyt, Ioan. 4. 23.
Want Godt is een Gheest, ende die hem aanbeden moeten aanbeden in den Gheest ende Waarheyt, Ioan. 4. 24.
d Wat dan? ick sal bidden in den Gheest ende ick sal bidden in den Ghemoede, 1. Cor. 14. 15/
e Maar die Gheest self bidt in ons met onuytsprekelijcke versuchtinghen, Rom. 8. 26.
f Also wat ghy den Vader sult bidde in mijnen name, dat sal hy u gheven, Iohan. 15. 16, 14. 13, 16. 23.

Dat xxx. Capittel.

Watmen sal bidden.

Leergierighe Mensche .

DIe eerste wijse van bidden, den Lichame beroerende, van roepen, handt op-heven, knien buyghen, asch op het hooft spreyden, een sack aan-doen, met wat des anders meer zy, is licht voor alle Menschen om doen, ja oock voor den Godtloosen, immers die, te weten de Hypocrijten, drijven sulck uyterlijck gebaar meest over haar-luyder bidden, maar d’ander stucken, beroerende die wyse des ghemoedts in’t bidden, als namentlijck het bidden met een ontwijfelijck Gheloove, in Geest, in Waarheydt, ende desghelijcx meer, en is waarlijck (soo ick nu mercke) alle mans dingh gheensins. Ick leyder, die my nu al waande een Christen te zijn, ende dickmaals wel ende Christelijck ghebeden te hebben, sie nu dat ick jammerlijck my selve in een vermetele verwaantheyt bedrogen hebbe, dat behoorde ick immers wel te mercken, daar aan dat ick tot noch toe noyt en hebbe van den Heere verkregen t’ghene ick om hebbe ghebeden. Hoe dickmaal ende over hoe langhe tijden heb ick den Heere al ghebeden om een reyn herte, om een vast Geloove, om Gheduldigheyt, om Liefde ende meer andere deughden? Heb icx verworven


Gheensins, maar t’is so langher soo arger met my geworden. Waar ick nyet een verwaande Schijndeught gheweest: soude ick dat nyet al over langhe behoort hebben te mercken? Ick hadde inners moghen dencken aldus: Godt is goet, Almachtigh ende Waarachtigh, na sijn goetheyt heeft hy ons liever dan goede Vaders hare kinderen geven goede gaven. Na sijn Almachtigheyt mach hy gevē alle dat hy wil. Ende na sijne Waarheyt gheeft hy ontwijfelijck alle dat hy belooft te gheven. Nu belooft hy ons te gheven alle dat wy in den naam sijns Soons bidden. Om die voorschreven deughden hebbe ick soo menighmalen (soo icks meynde) in den name Christi gebeden, noch noyt en hebbe icks verkregen. So hadde ick immers behooren te dencken alsoo: dat ick nyet en verkrijghe daar ick om bidde, moet gebreken aan Gode, of aan my. Soudet aan my nyet gebreken, maar aan Gode, soo moeste Godt nyet goet sijn dat hy’t nyet en wil geven: of nyet waarachtigh dat hy’t belooft, maar nyet en denckt te gheven. Maar dat zy verde, dat ick een eenighe, swijghe alle die grouwelijcke lasteringhen den heyligen Gode soude toe-schrijven. Het moet dan mijn schuld zijn ende nyet aan Gode, maar an mijn ghebreken, soo dat ick qualijck bidde ende nyet na sijnen wille, ende dit is oock waarachtigh. Dit hadde ick oock behooren te dencken, ende daar by vlijtelijck te ondersoecken wat my gebrack om wel te bidden, van t’gene daar toe noodigh is, daar af ick nu ghenoegh (soo veele ick nu vaten mach) ghehoort hebbe. Ende hoorde ick daar by oock met wacker opmercken na te speuren in my selve wat daar in my mochte zijn, dat my het verkrijgen mijnre begeerten aan Gode, mocht behinderen. Maar lacy dit hebbe ick doe ter tijt nyet gedaan, dus wil ick nu, dewijl ick noch ben inder genadentijdt, dat noch nyet met gantscher ernst ondersoecken inden Heere, beter spade dan nemmermeer.
Maar my wel bedenckende, dunckt my dat ick onder alle dit mijn vraghen, noch vergeten hebbe te vraghen het alder voorneemlijckste dat is watmen sal bidden. Ick ben u nu langhe moeyelijck gheweest, nochtans is hier meest aan gelegen. Doch hope ick dat het veel hooren uyt u van dese sake, sal ghemaackt hebben dat ghy nyet veel, maar weynigh behoeft te seggen: sulcx dat ick nu uyt dat weynigh meer, dan voor verstaan sal konnen.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
1 Alsoo suldy dan bidden: Vader ons die daar biste in de Hemelen, gheheylight werde dijnen name, Matth. 6. 9.
2 Dijn Rijcke toekome, Matth. 6. 10.
3 Dijn wille gheschiede opter Aerde als in den Hemele, Matth. 6. 10.
4 Gheeft ons huyden onse daghelijcx broodt, Matth. 6. 11.
5 Vergeeft ons onse schulden, so wy onse schuldenaren vergheven. 12.
6 Ende en leydt ons nyet in versoeckinghe. 13.
7 Maar verlost ons van den quaden, Amen. 13.

Dat xxxj. Capittel.

Leergierighe Mensche .
REcht hebdy’t my weynigh gheseyt: maar qualijck hebbe ick dat weynigh, veel behelsende, verstaan: als die qualijck mijn onverstandt, dat weynigh vaten kan, kende. Dus bidde ick u, dat ghy my elck van die seven stucken een weynigh breeder wilt verklaren. Ghy selve seggh ick, want die uwe verklaringhen seker, maar alder Menschen (welcker Sendighe nyet en blijckt) onseker achte. Wat bidtmen doch in’t bidden, dat Godts name gheheylight werde?

1.
Gheheylight werde dijnen Name.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .

Dat u licht soo licht voor den Menschen, dat sy uwe goede wercken moghen sien, ende uwen Vader die in den Hemelen, moghen prijsen, Matth. 5. 17.
Ende ghy sult segghen, die Heere werde groot ghemaackt over den Palm Israels, een sone eert sijnen Vader, ende die knecht sijnen Heere. Ben ick dan u Vader, waar is mijn eere? Malach. 15. 6.
Want dan sult ghy hem (den Heere) prijsen, als ghy uwe weghen nyet en doet, noch daar inne ghevonden en werde wat u behaaght ofte wat ghy spreeckt, Isai. 58. 13.
Ick ben die Heere u Godt, wandelt in mijne Gheboden, bewaart mijn Oordeelen, ende onderhoudt die, ende heylight mijne Sabbathen, soo dat sy tot een teecken zijn tusschen my ende u, op datter mach worden gheweten dat ick u Heere ende Godt ben, Ezech, 20. 19. 10.
Waarom wy oock altijdt bidden voor u, dat onse Godt u dier beroepinghe waardigh houde, ende vervulle het wel-behaghen der goetheydt ende het werck des Gheloofs inder kracht, op dat aan u gheeert werde die name ons Heeren Iesu Christi, 2. Thes. 1. 11. 13.
b Ontdeckt den Heere dijnen wegh, hoopt in hem, ende hy sal’t doen, ende hy sal voortbrenghen dijn Rechtvaardigheyt als een Licht, ende dijn Oordeel als die Middagh, weest den Heere onderdanigh ende biddet hem, Psalm. 36. 5. 6. 7.
Roept my aan in den dagh des benautheyts, ende ick sal dy verlossen, ende du sulste my eeren, Psalm. 49. 15.
Ende ghy sulste onderhouden (mijne Gheboden) ende metter daadt volbrenghen, want dit is u wijsheydt ende u verstandt voor den volcken, dat sy hoorende alle dese Gheboden, sullen segghen: Siet doch, welcke wijse ende verstandighe luyden zijn dat, ende wat een treflijcke volcke. Want waar is een volck, totten welcken die Goden sich soo vrundtlijcken draghen, als die Heere onse Godt, so dickmaal als wy hem aanroepen. Ende waar is een so treflijcken volck, dat soo oprechte Zeden ende Wetten heeft, als dese Wet die ick u huyden stelle voor uwen oogen? Deut. 4. 6. 7. 8.

Dat xxxij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
NU verstae ick uyt u segghen, dat Godes name, die van Eewigheyt in sich self al geheylight was by hem selven, dan heet geheylight te worden: als wy Menschen door sijn Heyligheyt gheheylight zijnde in Chresto, <I oan. 1. 16.> uyt wiens volheydt wy’t alles ontfanghen, so heylighlijck in ware onderdanigheyt Gods leven. Dat die Menschen sulcx in ons siende, Godes name prijsen, groot maken, ende ter navolginghe van ons selve heyligh worden: ende alsoo mede Godes name in henluyden nyet alleen met woorden maar oock metter daadt, met wandel ende leven geheylight worde. Verklaart doch mede hoe dat toe gaat.


2.
Dijn Rijck toekome.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .

Soeckt eerst het Rijcke Godts (als ghy in den Gheest ende Waarheyt biddet, Ioan. 4. 23.) ende sijn gherechtigheyt, ende alle dese dinghen (spijs, dranck ende kleedt) sullen u toe-gheworpen worden, Matth. 6. 33.
Het Rijcke Godes en is spijse noch drancke, maar Rechtvaardigheyt ende Vrede, ende blijdtschappe in den heylige Gheest, Rom. 14. 17.
Sijn name sal zijn de wonderlijcke Raadtghever, de stercke Godt, de eeuwighe Vader, die Vorst des vreden, die sal nyet ophouden dat Rijck ende die Vrede te vermeeren, ende opten stoel Davids ende in sijn Rijck te sitten, ende dat selve te bereyden, ende te grontvesten met billigheyt ende gherechtigheyt van dan af tot inder Eeuwigheyt, Isai. 9. 6. 7.
Helpt dijn volck O Heere, seghent dijn Erffenisse, ende regeerste, ende verheftse tot inder Eeuwigheyt, Psalm, 27. 9.
Heere onse Godt, andere heeren sonder dy, hebben ons beseten ghehadt, Isai. 26. 13.
(Ghy hebt ons belooft) segghende: Over dy sal heerschappen die dy heeft ghemaackt, die Heere der heyrscharen is sijn name, ende die heylighe verlosser, O Israel, sal die Heere van alle het Aertrijck ghenaamt werden, Isai. 54. 5.
In dien tijden sal’t wesen, seyt die Heere der heyrscharen, dat ick sijn juck van sijnen halse sal morteren, ende sijne banden sal ick breken ende die vreemden sullen over dy nyet meer heerschappen, maar sy sullen dienen den Heere haar Godt ende den Coning David, die ick henluyden sal opwecken, Isai. 30. 8.
Die zonde en sal nyet meer over u herschappen, want ghy zijt nyet onder die Wet, maar onder die ghenade, Rom. 6. 15. leeft meer wildy. Psalm. 71. 78, 85. 16, 10. 9. 26. Isai. 14. 2, 32. 1, 40. 10, 48. 17, 52. 7 Ezech. 22. 18. Zach. 2. 12, 6. 13. Rom. 14. 9. 1. Corint. 15. 27. 28. Ierem. 23. 5. Dan. 2. 44, 7. 14. Miche. 4. 1. Isai. 40. 10, 49, 8. 9. Ierem. 33. 15. Ezech. 34. 23. 27. 29. 30.

Dat xxxiij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
VVT uwe Leere verstae ick nu t’gene ick noyt in desen en verstondt. Want ick meynde datmen om den Hemel badt, alsmen seyt dijn Rijck toekome. Nu schijnet my heel een ander meyninghe te hebben, te weten dese: Dat het recht is dat die Schepper Heere zy over sijn Schepsel. Heere te zijn ist ghebieden te hebben over t’ghene daar men Heere over is. Daar yemant ghebieden over heeft, wert recht sijn Rijck genaamt. Nu gebiedet Godt, als Rechtvaardigh wesende, Rechtvaardigheyt. Daar inne zijn wy onghehoorsaam gheweest, hebben Godt uyt sijn Rijck onser Zielen verstooten ende die Zonden gedient, t’welck vreemde Heeren waren: die ons hadden beseten sonder den Heere Godt, want die als wesende Rechtvaardigheyt, en heeft gheen ghemeenschap met die Zonde dat Onrechtvaardigheyt is. Soo bidden wy dan hier dat Godt selve door sijnen Christum in ons sijn Rijck oprechte, die vreemde Heeren ende Zonden uyt ons drijve, ende ons door krachte sijns Soons sijn ghehoorsaamheyt onderwerpende het Rijcke van Godes weghen in-nemen, ende ons alsoo make kinderen des Rijcx, soo dat Godt alleen als ons Heere door sijnen Christum onsen Hemelschē Coning in ons heerschappe ende ghebiede. Maar hoe gaat dat te wercke? Wanneer gheschiet datte?

3.
Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Wanneer wy bidden na sijnen wille (dijn wille gheschiede opter Aerden als in den Hemele) soo verhoort hy ons, 1. Ioan. 5. 14.
Die Leerjongher is nyet boven die Meester, Matth. 10. 24.
(Die Meester hevet ghedaan soo hy betuyght) ick en soecke nyet mijnen wille, maar den wille des gheens die my heeft ghesonden, Ioan. 5. 30. Ick ben van den Hemel af-ghekomen, nyet om te doen mijn wille, maar den wille des gheens die my ghesonden, Ioan. 6. 38. Maar nyet mijnen, maar dijnen wille (O Vader) gheschiede, Luc. 22. 42.
Nadien dan Christus gheleden heeft in den vleesche, soo wapent u metten selven sinne, want wie in den vleesche heeft gheleden, die heeft op-ghehouden van de zonden. Omme nu den overblijvenden tijdt te leven, nyet na menschelijcke begheerlijckheyden, maar na den wille Godes. 1. Petr. 4. 1. 2.
Alsoo oock ghy, Houdt u daar voor dat ghy die zonde gestorven zijt, ende Gode leeft in Christo onsen Heere, Rom. 6. 11.
Ist dat ghy dijnen voet van den Sabbath keert, soo dat du nyet en doetste dat dy behaaght op mijnen daghe, soo sulste beroepen werden totten lustighen, heylighen ende heerlijcken Sabbath des Heeren, Isai. 58. 13.
Neemt wech van mijnen ooghen het quade dijnre gedachten, rust van verkeerdelijck te handelen, leert wel doen, &c. Isai. 1. 16. 17.
Dit seyt die Heere: Bewaart Oordeel, ende doet Rechtvaardigheyt, want mijn Heyl is na by, dat het sal komen, ende mijn Rechtvaardigheyt, datse sal gheopenbaart worden. Saligh is die Man die dat doet, ende des Menschen sone, die dat aanvaart, bewarende sijne handen dat sy gheen quaat en doen, Isai. 56. 1. 2. siet oock 4. 5. Ibid. Isai. 30. 15.
Leert my dijnen wille doen, want du biste mijn Godt, Psal. 142. 10. Psal. 105. 3. 3. Reg. 8. 58. 61. Colos. 4. 12. Ezech. 18. 8. 27. 28. 1. Corint. 4. 20.

Dat xxxiiij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
HEere hoe was ick verdoolt, dat ick by den dolenden Menschen ging soecken: t’ghene die al-wetende Godt ons soo sekerlijck getuyght in sijn H. Schrifture? Wat behoeftmen duystere Menschelijcke glosen op t’ghene ghy, O Goddelijcke Waarheyts tuyghe, ons soo klaarlijck selve kondt verklaren? Noyt en heb ick als nu den Sabbath des Heeren verstaan, voor een verlatinghe van onse eyghen quade lusten, wille ende wercken onses ghemoedts, maar voor een lichamelijcke vieren. Nu versta ik als wy ledigh zijn, soo werckt God self in ons, ende dan regeert of heerschapt hy alleen te recht in ons, t’welck nyet en mach zijn soo langhe onse eyghen wille in ongherechtigheyt in ons het ghebieden heeft. Maar wanter Godtlijcke kracht behoeft om dese Duyvelsche regeringhe uyt ons te verdrijven, ende om ons in Godts onderdanigheyt te onderhouden: soo wilde ick wel dat ghy my daartoe aanwijsinge dedet, oock wat broodt hier in desen ghemeynt wert, om daar toeghesterckt te moghen worden.


Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .

4.
Als ghy bidt gheeft ons huyden onse dagelijcx Broot, behoordy te verstaan, dat
Die Mensche nyet en leeft by den broode, maar by alle Woort, komende uyten monde Godes, Matth. 4. 4.
Saligh zijnse die daar hongheren ende dorsten na de Gherechtigheyt, want sy sullen versaadt worden, Matth. 5. 6.
Want du bsite mijn sterckte ende toevlucht, ende om dijnes naams wille salstu my leyden ende voedn, Psalm. 30. 4.
De Heere is mijn Herder, ende my en sal nyet ghebreken, Psalm. 22. 2.
Ghy die ghevoedet zijt met die woorden des Gheloofs, ende der goeder Leeringhe die ghy na-ghevolght hebt, 1. Timoth. 4. 6.
Weydt mijne Lammeren, Ioan. 21. 17.
Want hy heeft den ydelen versaadt, ende heeft die hongherighen Ziele met goeden versaadt, Psalm. 106. 9.
Den hongherighen heeft hy met goeden vervult, Luc. 1. 53.

(Ende te navolginge van de heylige Mannen Godes, daar af ick hebbe gesproken, vermaant Godt uwen Vader (soo ghy sijn kindt zijt) ghetroostelijck sijnder beloften, ende seght vrymoedelijck: Heere u goedtheut heeft ons belooft, laat u trouheyt ons nu gheven, het worden van dese uwe beloften.)

Ende ick sal u Herders na mijn herte gheven, ende sy sullen u voeden met kennisse ende Leeringhe, Ierem. 3. 15.
Die Armen sullen eten ende versaat worden ende sy sullen den Heere prijsen ende hem soecken, Psalm. 21. 27.
Ende hy sal staan ende salse weyden inde stercheyt des Heeren, Mich. 5. 4.
Ende ick salse weyden in de gheberghten Israels, &c. Ick salse weyden in die alder vruchtbaarste weyden, Ezech. 34. 14. 15. 16. 23. 26. 27. 29 &c. Isai. 30. 23, 40. 11, 49. 9. 10, 14 30.

Dat xxxv. Capittel.

Leergierighe Mensche .

O Hoe saligh is hy die alsoo het broodt eet in’t Rijcke Godes. 1 1 Luc. 14. 15. Maar dat doen die kinderen Godes, nyet die Zondaren in Godts onghenade blijvende. Daar inne blijft elck soo langhe hy met Gode nyet versoent en werdt, ende hem sijne schulden vergheven. 2 2 Cap. xxxv. Ach hier leydt swarigheyt in dese vijfde bede. Wie kan dat wel uyter herten doen? Want dit seyt:

5.
Vergheeft ons onse schulden als wy vergheven onse schuldenaren.

Wat behoeft hier toe om dit wel bidden?

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Aan den barmhertighen Vader a ware schultkenninghe b, ernstighe begheerte van ghenade c, af-latinghe van’t quade d, ende hanteringhe van’t goede, te weten van barmhertighe Liefde totten Naasten e, want den onbarmhertighen f ende quaatdoenders g blijvende, en ontfarmt noch en vergheeft Godt hare zonden nyet.
a Want die Heere Godt is barmhertigh, goedertieren, gheduldigh, ende van grooter ontfarmenissen, oock waarachtigh, die barmhertigheyt bewijst aan veel duysenden, &c. Exod. 34. 6. 7.
Daarom hoort j. hy der Armen suchten ij, 3 3 j. Iud. 2. 18. ij. Psa. 84. 4 iij. 2. Cor. 7,6 iiij. Isa. 55. 7 Psal. 84. 3. v. Psal. 84. 3. vi. Mich. 7. 19. keert af sijnder toorne iij, vertroost iiij. ende hy vergheeft. Hy bedeckt v. sijns volcx zonden. Ja hy werpt die in’t diepte vander Zee vj.
b Ist dat wy segghen dat wy geen Zonde en hebben, soo verleyden wy ons selve, ende die Waarheyt en is in ons nyet, Ioan. 1. 8.
Ick hebbe gheseyt: Ick sal mijn ongerechtigheydt teghen my voor Gode belijden, ende du hebste my mijnder zonden boosheyt vergheven, Psalm. 31. 5.
Die sijne misdaden wil verberghen en vergaat sulcx nyet wel: maar diese beijdt ende verlaat verwerft ghenade, Proverb. 28. 13.
Ist dat wy onse zonden belijden, Godt is ghetrou ende rechtvaardigh, soo dat hy onse zonden ons vergheeft, ende ons reynight van alle boosheyt, 1 Joan. 1.9.
c Ontfarmt u mijnre Heere, want alle den dagh hebbe ick dy gheroepen, Psalm. 15. 3.
Ende als ick riep, soo heeft hy my verhoort, Psalm. 81. 25.
Ende ick seyde: Heere ontfarmt u mijnre, gheneest mijn Ziele, want ick hebbe ghezondight Psalm. 40. 5.
Die versuymenissen mijnre jonckheydt ende mijne onwetenheydt en wilt nyet ghedencken, Psalm. 24. 7.
Siet aan mijn kommer ende mijn jammer, ende vergheeft my alle mijne zonden, Psalm. 24. 18.
d Ist dat de Zondaar berouwe thoont van alle sijne zondē die hy gedaan heeft, ende onderhoudt alle mijne Gheboden, ende doet billigheydt ende Rechtvaardigheydt, hy sal leven ende nyet sterven. Alle die zonden die hy heeft bedreven en sal ick nyet ghedencken, Ezech. 18. 21. 22.
Saligh zijn die (soodanighe)luyden, welcker misdaden vergheven, ende welcker zonden bedeckt zijn. Saligh is de Man, den welcken Godt gheen zonde toe en rekent, ende in wiens gheest gheen bedrogh en is, Psalm. 31. 1. 2.
Want die ghestorven is, die is gherechtvaardight van de zonde, Rom. 6. 7.
Die Godtloose verlate sijnen wegh, ende d’onrechtvaardighe sijn quade ghedachten, ende hy keere wederomme totten Heere, die sal dan sijnder ontfarmen, ende tot onsen Godt, want hy is gheneyght om te vergheven, Isai. 55. 7.
Ende die kinderen Israels seyden totten Heere: Wy hebben gezondight, doet ons dat dy ghelieft, alleenlijck verlost ons nu, t’welck segghende, wierpen sy de vreemde Goden uyt alle hare palen, ende sy dienden den Heere, ende de Heere was te lijden met hare ellendigheyden, Iudic. 10. 15. 16.
Die sijne boosheyden verberght en sal’t nyet wel gaan: maar diese belijdt ende verlaat, sal barmhertigheyt verwerven, Proverb. 28. 13.
e Saligh zijn die barmhertighe, want sy sullen barmhertigheyt verwerven, Matth. 5. 7.
Door Barmhertigheyt ende trou wert die boosheyt vergheven, Proverb. 16. 6.
Liefde bedeckt der zonden veelheyt, Prover. 10. 12. 1. Pet. 4. 8.
Met alder ootmoedigheydt ende met sachtmoedigheydt verdraghende malkanderen inder Liefden, Ephes. 4. 2.


Malkanderen verdraghende ende malkanderen vergevende. Ist dat yemandt teghen eenighen klachte heeft, ghelijck Christus u vergheven heeft, doet oock also, Colos. 3.13.
Ende weest tot malkanderen vriendelijck, goethertigh, vergheeft malkanderen, Ephes. 4. 32.
Hoe menighmaal sal ick mijnen broeder vergheven, als hy aan my sal zondighen? Tot sevenmal? Iesus seyde hem: Ick segghe u nyet tot sevenmaal, maar tot t’seventighmaal sevenmaal, Matth. 18. 22.
f Du boose knecht, alle dese dijne schult hebbe ick dy quijte gheschouden, om dat du my ghebeden hebste. Behoordeste du oock dijnes mede dienstknechts nyet te ontfarmen alsoo ick dijnre ontfarmt hebbe? Ende die Heere toornigh zijnde, leverde hem over den pijnighers, tot dat hy alle die schult betaalt souden hebben. Alsoo sal oock mijn Hemelsche Vader doen, ten zy dat ghy van herten vergeeft elck sijnen broeder, Matth. 18. 32. 33. 34. 35.
Ist dat ghy den Mensche hare misdaden vergheeft, soo sal oock de Hemelsche Vader u uwe misdaden vergeven. Maar indien ghy den Menschen hare misdaden nyet en vergheeft, soo en sal oock uwe Hemelsche Vader u uwe misdaden nyet vergheven, Matth. 6. 14. 15.
Die na wrake staat, die sal van den Heere wrake vinden, ende hy sal sijne zonden oock behouden. Vergeeft dijnen Naasten die dy beschadight heeft, dan soo sal oock dy, als du bidste, dijne zonde vergeven werden. Hoe derf die Mensche, die teghen eenen Mensche toornigh blijft, verghevinge van Gode begheeren? Die eenen Mensche hem ghelijck zijnde, gheen barmhertigheyt en bewijst:hoe derf dese vergevinghe sijnre zonden bidden? So hy, die vleesch is, toornigh blijft hoe sal dese ghenade begheeren van Gode? Wie sal sijne zonden verbidden? Eccles. 28. 1. 2. 3. 4. 5.
g Ontbermt uwer nyet (Heere) over alle die ghene die boosheyt wercken, Psalm. 58. 6.
Soo ick eenighe boosheyt dochte in mijn herte, en soude die Heere my nyet verhooren, Psal. 65. 18.
Dat seydt die Heere desen volcke, t’welck soo gaerne hare voeten beweeght, ende nyet en heeft gherust ende den Heere mishaaght. Nu sullen hare boosheyden ghedacht worden, ende hy wil straffen alle hare zonden, Ierem. 14. 10.
Wee den afvallighen kinderen, spreeckt die Heere, die raadt soecken, maar nyet by my: een gietinghe gieten, maar nyet na mijnen gheest, op dat sy de eene zonde op den anderen souden hoopen, Isai. 30. 1.
Sy zijn wederomme ghekeert totte boosheyden haarder eerster Vaderen, die mijne woorden nyet en wilden hooren, ende dese zijn wech ghegaan tot vreemde Goden, op dat sy die souden dienen. T’huys Israel ende t’huys Iuda hebben te nyete ghemaackt mijn Verbondt dat ick met haren vaderen ghemaackt hadde. Daaromme seydt de Heere dese dinghen: Siet ick sal op haar brenghen quaden, sie sy nyet en sullen moghen ontgaan, ende sy sullen tot my roepen, ende ick en salse nyet verhooren, Ierem. 11. 10. 11.

Dat xxxvj. Capittel.

Leergierighe Mensche.
IA voorwaar, heet dat bidden vergheeft ons onse schulden als wy onsen schuldenaren vergheven? Ende derren wy, nyet willende onsen Naasten vergheven, dan noch so stoutelijck dat bidden? Wat is dat ghebeden dan om die eeuwighe verdoemenisse? Seecker sal Godt ons onse schulden aan hem, vergheven als wy onsen Naasten schulden tegen ons vergheven, soo bidden wy nyet anders soo langhe wy onser Naasten schulden nyet en vergheven, dan dat Godt onse schulden nyet en vergheve. Wie van soodanighe mach die verdoemenisse ontgaan als Godt met on alsoo sonder ghenade in’t Oordeel trade? 1 1 Psal. 108. Soo doende vervloecken wy buyten ons weten ons selve, vallen inde verdoemenisse als wy geoordeelt worden, ende maacken selve ons ghebedt tot zonde ende tot een vloecke. Ende dat wel te recht, want wy dan zondighen willens ende wetens, nyet alleen teghen Godes so klare Gheboden in die heylighe Schrift, maar oock teghen de Wet der naturen: Wat ghy wildt dat u de Menschen doen, dat doet oock henluyden. 2 2 Mat. 7. 18. Wie onser, een ander misdaan hebbende, en soude nyet willen datmens hem vergave? doen wy dit onse Naasten nyet, die een Mensche is ons gelijck: hoe soude God, Schepper van Hemel ende Aerde, ons vergeven? Immers in dit ghebedt bidden wy selve dat hy ons also vergeve. Is dat oock anders ghebeden, dan O Vader weest oock so streng, onbarmhertigh ende wreet over ons, dat ghy ons onse schulden nyet en vergheeft, maar die op’t uyterste doet betalen? O hoe grouwelijcke schricken behoort dit te baren in den herten van de hardsinnighe ende wraackgierige menschen. O barmhertige Vader, ghedooght nyet dat wy in sulcke wraackgierigheydt vallen. Daar af bekoort te worden is menschelijck, sulcke bekooringhe te verwinnen is Godtlijck, maar daar inne verwonnen te worden is Duyvels. Heere beschermt ons daar af. Hier toe komen wy nu in desen ghebede, te weten:

6.
En leydt ons niet in versoeckinge.
Wilt dit oock verklaren, mijn Vrouwe. Want hier inne ben ick blint. Gemerckt men leest dat Godt nyet en wil dat wy segghen als wy bekoort worden, dat wy van Gode bekoort worden. Bekoort Godt dan nyemant, wat ist noodigh Gode te bidden dat hy nu ons nyet en doe, t’ghene hy nyemandt en doet: te weten in bekoringhe te leyden? Hier by komt noch een ander swarigheyt: men leest by u mede ons bevolen te zijn dat wy ons sullen verblijden, als wy in menighreleye aanvechtinghe valle. 3 3 Iacob. 1. 11. Hier bidden wy om daar nyet inne te komen. Ist quaat bekoort te worden: hoe kan men recht daar inne verblijden? Ist dan goet ende een rechte blijdtschappe: waarom bidden wy die af?

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Godt bekoort met aanvechtinghen van innerlijck a ende uyterlijck lijden b, tot vorderinghe ten goeden c, ende nyet ten quaden d, ende baart (wel ghedragen zijnde) goede vruchten e. Maar die Duyvel bekoort met bedrieghlijcke loghen f ten quaden g, ende tot hinder van’t goede h . Dese onse bekoringhe, als aanlockende tot Zonden, is te vlieden i. Maar die Godtlijcke bekoringhe als dienende tot kennisse van den Mensche selve k, ende van Godes Liefde tot ons l, oock tot verkrijginge van gedult m, ende tot saligheyt n, wort wel om gebeden o, ende te recht inne verblijdt p. Ende bidt opte


beloften Godts q dat hy nyt en laat bekooren boven ’tvermoghen r.

a Godt tenteerde ende beproefde Abraham, &c. ende seyde tot hem: Neemt Isaac dijnen eenighen gheboren sonde die ghy lief hebt, ende gaat in’t landt Moria, ende offert hem daar tot een brandt-offer op een bergh die ick dy sal seggen. Genes. 22. 1. 1.
b Ende hoe wel sy voor der Menschen ooghen veel lijdens hebben, soo is nochtans haar hope vol onsterflijckheydts. Ende al worden sy een weynigh ghequelt, soo werdt henluyden nochtans veele goets vergolden. Want Godt tenteert ende versoecktse, ende vindt dat sy sijnder waardigh zijn. Die (onse vaderen des vleeschs) hebben weynigh daghen na haren goetduncken ghestraft: maar dese (Vader Godt) straft ons, tot nut, op dat wy die heylighmakinghe verwerven souden. Hebr. 12. 10.
Ist dat die straffinge (Godes) ghedooght, soo biedet sich Godt u, als den kinderen. Hebr. 12. 7.
Saligh is die Man die de versoeckinghe of tentatie duldet, want als hy beproeft sal zijn, sal hy ontfanghen die croone des Levens die Godt belooft heeft den ghenen die hem lief hebben. Iacob. 1. 12.
d Want Godt en is nyet een tenteerder of versoecker ten quaden. Iere. 1. 13.
e In welcke ghy u sult verblijden, ghy die nu een kleyne tijt (ist noodigh) treurigh zijt in menighreleye aanvechtinghen. Op dat u gheloove oprecht ende veel kostelijcker werde bevonden dan het verganckelijcke goudt (dat door t’vuur werdt beproeft) tot lof, prijs ende eere, in die openbaringhe Iesu Christi. 1. Pet. 6. 7.
Ende nyet dat alleen, maar wy beroemen ons oock der droefnissen, want wy weten dat die gheduldigheyt brengt. Rom. 5. 3.
Nu weet ick dat ghy den Heere vreest, ende en hebt nyet verschoont dijnen eenighen Soon om mijnen wille. Genes. 22. 12.
Wat mach hy weten, die nyet en versoeckt, Maar een man die in veelen dinghen is versocht, sal veele dencken. Eccles. 34. 9.
f Ende ghy sult wesen als Goden, wetende goet ende quaat Genes. 3. 5.
g Alle dit sal ick dy gheven, soo du nedervalste ende my aanbedeste. Matth. 4. 9.
Waaromme, Anania, heeft Sathan dijn herte bekoort, om den heylighen Gheest te lieghen? Actor. 5. 3.
h Op dat u, moghelijck, die tenteerder nyet ghetenteert en hadde, ende onsen arbeydt nyet verghees en werde. 1. Thes. 3. 5.
i Waackt ende bidt, op dat ghy nyet en valt in versoeckinghe of bekoringhe. Matth. 26. 41.
Aanmerckt u selve, op dat ghy oock nyet en werdet bekoort. Galat. 6.1.
k Ende weest gedachtigh alle des weeghs, daar door die Heere u Godt u heeft geleydt inde woestijne dese veertigh jaren, op dat hy u verootmoedighde ende proefde, ten eynde kenbaar mochte worden, watter ware in uwe herten, of ghy sijne Gheboden soudet houden dan nyet. Deut. 8. 2.
Maar als die sendtboden der Vorsten van Babel tot hem (Ezechiam) waren ghesonden, omme te vraghen na het wonder dat daar in den lande was gheschiedt, verliet hem Godt alsoo dat hy hem soude proeven, op dat hem alle wat in sijn herte was koudt soude worden. 2. Paral. 32. 31.
l Want die Heere straft dien hy lief heeft, ende heeft een wel-behaghen aan hem, ghelijck een Vader aan sijnen sone. Pro. 3. 12.
Want die Heere straft dien hy lief heeft, ende hy gheesselt elcken sonde dien hy aan-nemeemt. Hebr. 21. 6.
Die ick liefhebbe, die straffe ende tuchtighe ick. Apoc. 3. 13.
m Maar wy beroemen ons oock der droefnissen, want wy weten dat droefnisse gheduldigheyt brengt. Rom. 5. 3.
Op dat u beproefde gheloove gheduldigheydt wercke, maar die gheduldigheyt heeft een volmaackt werck, op dat ghy mooght zijn volmaackt, volkomen, ende sonder ghebreck. Iacob. 1. 3. 4.
n Saligh zijn die om de Rechtvaardigheydts wille vervolght worden, want henluyden is dat Hemelrijck. Matth. 5. 10.
Saligh zijt ghy, wanneer ghy versmaadt wordet om den name Christi. 1. Petr. 4. 14.
o Beproeft my Heere ende ondersoeckt my, Reybight mijne nieren ende mijn herte. Psalm. 25. 2.
p Mijn lieve Broeders acht het voor enckel blijdtschappe als ghy valt in alreley bekoringhe. Iacob. 1. 2.
Maar verheught u dat ghy met Christo lijdet, op dat ghy oock ter tijdt der openbaringhe een vreughde ende blijdtschappe mooght hebben van sijne heerlijckheydt. 1. Pet. 4. 13.
q (Gemerckt) u en sal gheen bekoringhe opkomen, dan die menschelijck is, want Godt is ghetrou, ende en sal nyet ghedooghen dat ghy werdt bekoort boven u vermoghen, maar sal beneven die bekoringhe oock een uytkomste maken, soo dat ghyse mooght dulden. 1. Corint. 10. 13.
De Heere weet die Godtsalighen uyter aanvecjtinghe te verlossen. 2. Pet. 2. 9.
r (Ende alsoo bidt nu hier Vader boven ons vermoghen) en leydt ons nyet in bekoringhe, maar bewaart ons (volghens dijne beloften) als den appel uwer ooghen. Psalm. 16. 8. Zach. 2. 8.

Dat xxxvij. Capittel.

Leergierighe Mensche .

ALso hoore ick dat die lieve Vader sijne kinderen nyet en bekoort ten quaden, maar versoeckt, tuchtight ende beproeft ten goeden. 1 1 1. Pet. Of dan al schoon die Duyvel als een briesschende Leeuwe ons soeckende te verslinden, bekoort tot zonden ende ten quaden: wat kan die verwonnen ende nyetighe Duyvel teghen den verwinner Christum, Emanuel, ende teghen den almoghenden Godt self? Immers is Godt self met ons, wie mach teghen ons zijn? 2 2 Rom. 8. Nadien dan dese versoeckinghe met lijden ons dient tot kennisse van de Liefde die de kastijende Vader tot ons draaght: wie heeft gheen oorsake in aanvechtinghe komende om door dat sekere merckteecken des lijdens, te weten dat die Coning des Hemels hem lief heeft, sich te weten dat die Coning des Hemels hem lief heeft, sich daar inne te verblijden, ende teghen die bekoringhe mannelijck te strijden? 3 3 Rom. 8. 18. So dienen den ghenen die Godt lief hebben, alle dinghen ten besten, oock die bekoringhe selve, sulcx dat sy dit verstaande, rechte oorsake hebben om sich daar inne te verblijden, als die nu seker zijn van de victorie. Want sy hebben t’Geloove t’welck die werelt verwint, 4 4 1. Ioan. 5. 4 ende weten dat die in henluyden is, meerder is dan die werelt met sijne


begheerlijckheydt des vleeschs ende der ooghen 1 1 1. Ioan. 2. 16 . ende hoovaardigheydt des levens. Dit is t’quaat achte ick ende noch veele andere quaden meer, daar af wy begheeren ghebryet te worden als wy bidden.

7.
Maar verlost ons van den quaden.
O Vrouwe laats u nyet verdrieten my een deel te verklaren.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .
Quaat ist datmen de fonteyne des Levens (den Heere) verlaat ende sonder vreese Godes is a, oock ist quaat datmen zonden heeft b , datmen onreyn is door zondelijckheyt c , ende datmen leydtin de verdoemenisse (van sulcke quaden begeertmen verlossinge d, ende oock mede van) schulden e, van heerschappije der vyanden f, te weten vande werelt g, van’t vleesch h, van de duysternissen i, Duyvel k ende zonden l, ende die quaden uyten zonden veroorsaackt, als van ghevanghenisse m, van de dienstbaarheyt n, van de vreese o, droefheyt p, schande, oock mede van periculen q, van de verdoemenisse r, (van dese quade bidtmen hier verlost te worden. Alles na die beloften des Heeren selve s .)
a Twee quaden heeft mijn volck ghedaan. 2 2 Wat quaat is My, die Fonteyne des levenden Waters hebben sy verlaten, ende hebben kuylen ghegravenen, ja ghebroken kuylen, die gheen water en houden. Ierem. 2. 13.
Dijn eyghen boosheydt sal dy straffen, ende dijn afval sal dy beschelden, op dat ghy mooght bekennen ende verstaan, hoe quaat ende bitter het zy, dat du den Heere hebste verlaten, ende dat mijn vreese by dy nyet en is. Ierem. 2. 19.
b Ende ick sal op eenen dach des landts misdaadt wech nemen. 3 3 Zonden wech nemen Zach. 3. 9.
Ende ghy weet dat hy is verschenen, op dat hy onse zonden soude wech nemen. 1. Iohan. 3. 5.
c Die hem self voor ons heeft ghegeven, 4 4 Reynigingh. op dat hy ons soude verlossen van alle ongerechtigheyt, ende hem selve reynigen een eyghen volck, dat vuyrigh ware tot goede wercken. Tit. 2. 19.
Op dat hy ons de zonden vergheve, ende ons reynighe van alle ongherechtigheydt. 1. Ioan. 2. o9.
Ende t’bloet Iesu Christi sijns Soons reynight ons van allen zonden. Ioan. 1. 7.
d Ende (is ghekomen) om sijn leven te gheven tot versoeninghe van veelen. Marc. 10. 45. 5 5 Versoeningh.
Soo en is dan nu gheen verdoemnisse voor den ghenen die in Christo Iesu zijn, die nyet na den vleesch en wandelen, maar na den Gheest. Rom. 8. 1.
e Vergheeft ons onse schulden. Matth. 6. 12. 6 6 Schulden.
Om nyet zijdy verkocht, ende sonder ghelt suldy verlost worden. Isai. 52. 3.
Ende heeft uytghewischt het handtschrift, &c. Colos. 2. 14.
f In die tijden sal ick dooden alle die u ghequelt hebben. Sopho. 3. 19. 7 7 Gebiedt der vyanden.
Ende sy sullen weten dat ick die Heere ben, als ick ghemorteert sal hebben die ketenen van henluyder juck, ende ickse verlost sal hebben van de handen der gheenre die over henluyden heerschapten. Ezech. 34. 27.
Ende dijn zaadt sal haarder vyanden poorten besitten. Genes. 22. 17.
Soo hy onsen Vader Abraham heeft ghesworen dat hy ons soude gheven, dat wy verlost zijnde van onser vyanden handt, sonder vreese hem souden dienen, &c. Luc. 1. 73. 74. 75.
g Zijt ghetroost, 8 8 Werelt. ick hebbe die werelt verwonnen. Ioan. 16. 33.
Op dat hy ons soude verlossen van de teghenwoordighe boose werelt. Galat. 1. 4.
h Want Christus is eens voor onse zonden ghestorven, 9 9 Vleesch. die Rechtvaardighe voor die onrechtvaardighen, op dat hy ons soude Gode op offeren, gedoodet na den vleesche, maar levendigh gemaackt na den Geest. 1. Pet. 3. 13.
Die Christo toe behooren, hebben haar vleesch met sijne lusten ende begheerlijckheyden ghecruyst. Gala. 5. 24.
i Ick ben t’Licht des werelts, 10 10 Duysternissen. nyet en blijve in de duysternissen. Ioan. 12. 46,
Ende ick sal die duysternissen voor henluyden tot een licht maken. Isai. 42. 16.
k Op dat hy door sijnen Doode soude vernielen 11 11 Duyvels wercken. den ghenen die daar hadde die heerschappije des doots, dat is die Duyvel. Hebr. 2. 19.
Daar toe is die Sone Godes gheopenbaart, op dat hy des Duyvels wercken soude vernielen. 1. Ioan. 3. 8.
l Ende ghy sult sijnen name noemen Iesum, want hy sal sijn volck saligh maken van hare zonden. Matth. 1. 21.
Op dat wy die zonden ghestorven zijnde hem souden leven. 1. Pet. 2. 24.
m Die ghevanghenisse heeft hy ghevanghen genomen. 12 12 Vangenisse. Ephes. 4. 8.
Op dat ghy den ghebondene soudet uyt leyden uyt de sloten, ende den ghenen die in duysternisse sitten, uyten huyse des kerckers, Isa. 42. 7.
n Ende het sal zijn in dien daghen, 13 13 Dienstbaerheydt. als die Heere dy rust sal hebben ghegheven van dijnen arbeyt, oock van den herden dienst daar met du overladen biste gheweest, &c. Isai. 14. 3.
Op dat hy soude verlossen de ghene die al t’leven door met des doots vreese waren onderworpen die dienstbaerheyt. Hebr. 2. 15.
o Sy en sullen nyet meer zijn een roof der Heydenen, 14 14 Vreese. nochte een spijse voor’t wilde ghedierte in den Lande, maar sy sullen veyligh woonen, ende nyemandt en salse verschricken. Ezech. 34. 28.
Die Heere heeft dijn Oordeel wech ghenoemen, hy heeft dijne vyanden af-gheweert. Die Koning Israels, die Heere, is in’t midden onder dy, du en sulste gheen quaat meer vreesen. Sopho. 3. 15.
p Op dat ick alle die daar droeven, 15 15 Droefheyt . vertroosten soude. Ende te bestellen den treurigen tot Syon, dat hem chieraat voor assche, den vreughden Olye voor treurigheydt, ende schoon ghewade voor eenen bedroefden gheest ghegheven soude worden. Isai. 61. 3.
Ende die door den Heere verlost zijn, sullen weder keeren, ende sulllen in Syon komen met lof, ende eeuwige blijdtschap op haar hooft, sy sullen vrolijckheydt ende vreughde behouden, ende droefheyt ende suchten sullen van haar vlieden. Isai. 35. 11.
Ende ghy zijt droevigh, maar die droefheyt sal verandert worden in blijdtschappe. Iohan. 16. 20.
q Ende ick en wil u nyet meer onder den Heydenen te schande laten werden. Ioel. 2. 10. 16 16 Schande .
Ende hy sal die versmaatheydt sijns volcks wech nemen over die gantsche Werelt. Isai. 25. 8.


q Want sy sullen weyden ende sich neder legghen, 1 1 Periculen . ende daar en sal nyemant zijn die (haar) verschricket. Sopho. 3. 13.
Ter selver tijdt sal men in den Lande Iuda singhen dit liedt: Wy hebben een vaste Stadt, die muyren ende die voor-weer sullen ons beschermen, Isai. 20. 1.
r Want het Oordeel is uyt een zonde ghekomen 2 2 Verdoemenisse . tot verdoemenisse: maar die gave uyt veele zonden ter gherechtigheyt, Rom. 5. 26.
Wie wil ons verdoemen? Christus ist die ghestorven is, &c. Rom. 8. 34.
s Ick sal O doot, dijn doot zijn, Oze. 13. 14. 3 3 Doot .
Die den Doot den macht heeft benomen, 2. Timot. 1. 10.

Dat xxxviij. Capittel.

Leergierighe Mensche .
IA voorwaar? Is dat so ick nu hoore, gebeden om verlossinge van dē quaden, so zijnder onser weynigh (leyder, soo ick duchte) die van den quaden verlost zijn, ende die inder Waarheyt bidden. O Heere verlost onsalsoo inder Waarheyt van alle sulcke quaden. Maar wat wi; dat woordeken Amen achter aen desen Gebede beteeckenen?

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture .

Dat alle beloften Godes zijn in hem (Christo) ja, ende zijn in hem Amen. 2. Cor. 1. 20.
(Soo) dat dit betrouwen is dat wy tot hem hebben, dat hy ons verhoort in alt’ghene wy na sijnen wille bidden, ende so wy weten dat hy ons verhoort wat wy bidden, soo weten wy dat wy die bede hebben daarom wy hebben ghebeden. 1. Ioan. 5. 14. 15.

Dat xxxix. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAt Amen werdt oock weynigh verstaan, noch veele minder uyter herten ghesproken, sonderlingen op dit Ghebedt by den Heere ons geleert. Want weynigh zijnder die daar ghelooven dat yemandt de dinghen, daarom men in desen Ghebede biddet, mach verkrijghen. Immers meest elck loochent dat opentlijck mogelijck te wesen, ja scheldense met kettersche schandtnamen, die daar belijden sulcx te ghelooven. Maar sodanighe daar latende, hoorde ick u vermanen vande beloften Godes dat die in Christo zijn ja ende Amen.
Lieve Meestersse verklaart my doch een weynigh van de sekerheyt der selver beloften, daar door ick soude vastelijck moghen betrouwen dat Godt ons belooft verhooringh onses Ghebedts ende het verkrijgen van’t begeerde. Zijnder veele, soo noemter maar een deel, ende wijst my maar van de reste die plaatsen aan.

Van de beloften Godts dat hy onse Ghebedt sal verhooren.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.
Bidt ende u sla ghegheven worden, Matth. 7.7.
Want alle die bidt die ontfangt. Matth.7. 8.
Condt ghy-luyden dan die quaat zijt, uwe kinderen goede gaven gheven, hoe veele te meer sal u Vader die in den Hemele is, goedts gheven den ghenen die hem bidden? Matth.7. 11.
Bidt in’t verborghen, ende dijn Vader die’t in’t verborghen siet, sal’t dy gheven. Matth. 6. 6.
Ende alle soo wat ghy biddet met een gheloovigh Ghebedt, dat suldy ontfanghe. Matth. 21. 22
Ende al wat ghy bidden sut in mijnen name, dat sal ick doen, op dat die Vader in den Sone werde gheeert. Ioan. 14. 13.
Ist dat ghy wat bidt in mijnen name, dat sal ick doen. Ioan. 14. 14.
Ist dat ghy wat blijft in mijnen Woorden, ende mijne Woorden in u blijven, soo suldy wat ghy wilt bidden, ende t’sal u ghewerden. Ioan. 15. 7.
Op dat die Vader u gheve, soo wat ghy hem bidt in mijnen name. Ioan. 15. 16.
Bidt ende ghy sult ontfanghen, op dat u blijdtschappe volkomen zy, Ioan. 16. 24.
Voorwaar voorwaar segghe ick u, al wat ghy den Vader bidt in mijnen name, dat sal hy u geven. Ioan. 16. 23.
Daeromme segghe ick u, alle wat ghy biddende begeert, ghelooft dat ghy’t sult ontfanghen, ende t’sal u gheworden. Marc. 11. 24.
Ende al wat wy bidden, dat sullen wy ontfanghen. 1. Ioan. 3. 22.
Dan suldy aanroepen ende die Heere sal u verhooren. Ghy sult roepen, ende hy sal seggen hier ben ick. Isai. 58. 9.
Ende het sl zijn dat ickse sal verhooren, al eer sy roepen, ende sy noch sprekende, sal ickse verhooren. Isai. 65. 24.
Die Heere sal volbrenghen den wille der geenre die hem vreesen, ende haar Ghebedt sal hy verhooren, ende hy salse saligh maken. Psal. 144. 19.
Die bespot werdt van sijnen vrundt als ick, sal den Heere aanroepen, ende hy sal hem verhooren. Iob. 12. 4.
Die ghebeden der Rechtvaardigen sal hy (die Heere) verhooren. Pro. 15. 29. siet Ierem. 29. 12, 33. 3. Isai. 30. 19 Psalm. 9. 15. Sach. 10. 6, 13. 9. 2. Paral. 7. 14. Ozee. 2. 21. Baruch. 4. 21. Luc. 18. 7. &c.

Dat xl. Capittel.

Leergierighe Mensche .
DAt en is gheen enckele of eensame sproke, ten zijn oock gheen duystere of twijfelijcke woorden, maar menighvuldighe klare ende uytghedruckte beloften van Christo die selve de Waarheyt is, ende oock van den ghetrouwen Gode door sijnen Gheest der Waarheydt den Gheloovighen so vast toegheseyt. Mogen sy oock met eenighen schijn van Waarheyt den name van Gheloovighe voeren die sulcke uytghedruckte beloften, ick segghe nyet aan twijfelen, maar neyt ghelooven, ja opentlijck loochenen ende vyandtlijck wederspreken? Men bidt immers dat Vader ons biddende na den wille Christi, die selve ons leert alsoo te bidden. Bidt dan yemant sulcx gheloovigh ende inder Waarheyt, soo moet hy sulcx waarachtelijck verkrijgē: of men moet seggen dat Godt, Christus ende die heylighe Geest onwaarachtigh, ontrou, ja valsch zijn in hare beloften. Waar dat een openbare ende grouwelijcke lasteringhe? Doch beswaart my hier noch al wat. Want hier mercke ick dat de Heere by die beloften van’t verhooren by-wijlen al voeght saken, die in alle man nyet en zijn, soo dat alle mans ghebedt gheen belofte van verhoort te worden en heeft, maar wel t’ghebedt der geenre die hem vreesen, die Rechtvaardigh zijn, ende derghelijcken meer. Dus bidde ick u, hoogh-wijse Meestersse, dat ghy my oock een weynigh wilt verklaren van de ghesteltenisse der gheenre.


Welcker Menschen ghebedt beloften heeft van verhooringhe.

Onderwijsende Godtlijcke Schrifture.
Godt verhoort het ghebedt der Gheloovigen a , der armen b, der droeven c, ende ootmoedighen d, hy gheeft daar hy om wert ghebeden van de ghene die hem vreesen e, die hem ghehoorsaam zijn f, ende vande Rechtvaardighen g, ende hy doet dat ghebeden wert by den ghenen die sich in den Heere verlustighen h, die barmhertigheyt hanteren i, ende die hem inder Waarheyt aanroepen k.
a Al wat ghy begheert in uwen ghebede, gheloovende, dat suldy ontfanghen. Matth. 21. 22. 1 1 Gheloovigen.
Al wat ghy biddende begheert, ghelooft dat ghy’t sult ontfanghen, ende het sal u gheworden, Marc. 11. 24.
b Noch hy (Godt) en veracht des armen ghebedt nyet. Psal. 21. 25. 2 2 Armen.
Het ghebedt der armen en heeft hy nyet vergheten. Psal. 9. 13.
Die arme heeft gheroepen, ende die Heere heeft hem verhoort, ende verlost hem uyt alle sijnen ancxten ende nooden. Psal. 33. 7.
c Want als my die schielijcke schrick over-viel, 3 3 Droeven . dachte ick, dat ick nu voor dijnen ooghen al was verworpen. Maar du hebste mijn klaaghlijcke bede verhoort als ick tot dy riep. Psal. 3. 23.
Daarom dat dijn herte is vermorwet, ende hebt dy verootmoediget voor Gode, als du sijne woorden hoordeste teghen dese Stadt ende hare inwoonders, en hebste dy voor my verootmoediget, ende dijne kleederen gescheurt ende voor my geweent, so hebbe ick dy oock verhoort spreect de Heere. 2. Paral. 34. 27.
d Hy heeft ghesien opten gebeden der ootmoedighen, 4 4 Ootmoedigen ende en heeft henluyder ghebedt nyet veracht. Psal. 101. 18.
Want Godt wederstaat den hoovaardigen, maar den ootmoedigen gheeft hy ghenade. 1. Pet. 5. 5.
e Hy (die Heere) doet den wille der gheenre die hem vreesen, 5 5 Die hem vreesen . haar ghebedt verhoort hy ende hy helptse. Psal. 144. 19.
f Ende al wat wy bidden, 6 6 Gehoorsamen dat ontfanghen wy van hem, want wy houden sijne Gebodē, ende wy doen dat behaaghlijck is voor hem. 1. Ioan. 3. 22.
Ist dat ghy in my blijft, ende mijne Woorden in u blijven, so suldy begeeren alle dat ghy wilt, ende het sal u ghewerden. Ioan. 15. 7.
g Die oogen des Heeren mercken opten Rechtvaardighen, 7 7 Rechtvaardighen . ende sijn ooren op haar Ghebeden. Psal. 33. 16.
Verde is Godt van de Godtloosen, maar der Rechtvaardighen Ghebedt sal hy verhooren. Proverb. 13. 19.
Dat die Godtloose vreest, sal op hem komen, maar den Rechtvaardighen sal t’ghene hy begeert ghegheven worden. Pro. 10. 24.
h Verlustight u in den Heere, ende hy sal gheven t’ghene u herte begeert. Psal. 36. 4. 8 8 Die verlustigen in den Heere .
i Breeckt den hongerighen dijn broodt, 9 9 Barmhertighen . leent den behoeftighen, swervenden in dijnen huyse. Siedy een naackten, deckt hem ende en verachte dijnen vleysche nyet. Isai. 58. 7.
Dan suldy aanroepen, ende de Heere sal dy verhooren. Isai. 58. 9.
k De Heere is na by allen den ghenen die hem 10 10 Die in waerheyt bidden . aanroepen, allen den ghenen die hem aanroepen inder Waarheyt. Psal. 144. 18.

Leergierighe Mensche .
HOe ick u, O Godtwijse Meestersse, meer hoor spreken: hoe ick minder mercke dat ick oprecht ghebeden hebbe: hoe’t met anderen gaat, daar moet elck self voor sorghen. Maar nu en ghevet my geen wonder meer dat ick nyet en verkreegh, t’gheen ick om scheen te biddn. Als die noyt in de Waarheydt te recht hebbe gebeden. Daarom bleef ick oock als ick was, huyden als gister, ende morghen als huyden. Ja ick verarghde soo dat met het vermeeren mijnre jaren, mijn zonden vermeerden. O Heere Godt in wat blintheyt hebbe ick met meest elck gesteken? Conde ick dan nyet merken dat ick nemmermeer van de quaatheydt, daar ick teghen badt, verlost en werde, immers dat sy my meer ende meer heerschapte? Dat ick die begeerde Deughde nemmermeer en verkreegh? Maar wat soude ick die verkrijghen of sulcx mercken: nadien ick nyet en geloofde datmense mochte verkrijgen? So badt ick ongheloovigh. Maar nu sie ick dat Godt, die waarachtigh is, so opentlijck het verkrijgen belooft. Ick sie mede hoedanicgh die luyden zijn dien hy t’verkrijgen haarder begeerten belooft. Sodanighe bidders moetende zijn, of al dese beloften zijn nyet dan ydelheyt ende gespot, ende nyet anders dan of Godt seyde: wat Mensche vliegen kan, diens ghebedt sal ick verhooren: wat Mensche hem self een cubit langer dan hy is, kan makē, diens bidden sal ick verhooren: wie mach den vriendelijcken, goeden ende ghetrouwen Gode sulcke bittere spotternije toeschrijven? Nochtans moetē sy dit seggen, die daar segghen datter geen Rechtvaardigen en zijn, dat nyemandt Godes Gheboden onderhoudt, dat nyemandt hem verlustight inden Heere, etc. Wel-aan ick wil sodanigen te bedencken gheven, hoe dat sy sulck haar loochenē sullen konnē verantwoorden van schandtlijcke lasteringen tegen Gode: ende ick wil mette genade Godes in Christo onsen Heere meer benaarstigen te worden een van den luyden voorsz, welcker Ghebedt verhoort wort: dan met anderen (so ick placht) mijn tijt misbruycken in’t wederspreken, van dat die waarachtige, Almachtige ende milde Godt, getrou soude zijn in’t volbrengen ende geven van t’gene ick nu opentlijck by Gode belooft te zijn hoore: ende dat nyet uyt menschelijcke glosen, vernuft of goetdeuncken, maar uyt u selve, O waarachtige ende onghevalschte dochter des heyligē Geests Godes. Dien ick van dit so minlijck als waarachtigh onderwijs nu nyet meer en weet te dancken (nadien ghy gheen loon en wilt heben) dan met hertelijcke ende rechtmeynende woorden: maar verhope in den Heere u noch onlancx metter daadt, overmits eenen Christelijcken wandel, soo te bedancken ende te eeren: dat oock ander Menschen my tot noch toe ghekent ende vernomen hebbende dat ghy alleen mijn Leermeesterinne zijt sonder alle glosen, oock een lust daar door sullen verkrijghen om der Menschen onsekeren Leeringen te verlaten ende u sekere Waarheydt te aankleven. Dat gonne Godt henluyden ende oock my, ende make in ons een soo begheerlijcke lust om nacht ende dach te denckē op de Wet des Heeren: als een Amoureus op’t dencken van sijn minneken, ende als een Coopman op’t dencken van sijn ghewinneken. Amen.

"""Van wel bidden onderwijs uyt die goddelijcke schrifture self,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."