I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Van de ware onderdanigheydt der Christenen,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."
"""Van de ware onderdanigheydt der Christenen,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."


Van de ware Onderdanigheydt der Christenen, Schriftuerlijcke bewijsinge uyt die wille Godes.

DOOR

D.V. COORNHERT.

Malach. 1. 6.

Die Sone behoort den Vader, die Knecht sijnen Heere te eeren. Ben ick dan Vader, waar is mijn Eere? Ben ick Heere, waar is mijn vreese? seydt die Heere der Heyrscharen.

1. Ioan. 2. 4.

Die daar seyt dat hy hem kent, ende sijn Gheboden nyet en onderhoudt, die is een Loghenaar, ende in hem en is gheen Waarheyt.

[portret Coornhert]

t’AMSTERDAM,

By Jacob Aertsz Colom 1631.


Aan den Christ-lievenden Leser.

SO gantsch verkeert, jonstige Leser, wert nu het oordeel der nieuwer Pharizeen, dat sy ’t voor ongeloof, voor ketterije, ja voor een grouwel houden, so yemant metten Vader des Gheloofs ontwijflijck ghelooft, 1 1 Ro. 4. 20. 21. dat Godt machtigh is om sijne Salighmaeckende beloften in den Gheloovighen te volbrenghen. Sy scheldense al voor Perfectionarien, Catharren ende Pelagianen die daar ontwijfelijck ghelooven ende begeerlijck hopen, dat waarachtelijck in ons door die inwerckende kracht Christi sal gheschieden, dat wy die Zonden ghestorven zijnde, 2 2 2. Pet. 2, 24, die Gherechtigheyt sullen leven: dat Godt (door sijnen Christum) sal maacken, 3 3 2, Cor. 5, 15, dat wy in sijne Geboden wandelen, sijne Rechten onderhouden ende die doen sullen. 4 4 Ezech. 36, 27 Ende dat Godt ons (door Christum) sal stellen heyligh, 5 5 Colos. 1, 22, onbevleckt ende onberispelijck voor Gode, om hem te dienen in Heyligheyt ende Rechtvaardigheyt (die hem aanghenaam is) alle daghen onses levens. 6 6 Luc. 1, 17, Die dit vastelijck ghelooven om dat het klaarlijck van den ghetrouwen, warrachtighen ende Almachtighen Gode wert belooft, moeten ongheloovighen, ja ketters, maar die sulcx nyet en gelooven, moeten Gheloovighe heeten in ’t oordeel van dese verkeerde Gheleerden. Souden dat nyet wel moghen wesen die verkeerde Wijsen (in haar selfs ooghen) die daar segghen het quade goedt, ende ’t goede quaat te wesen? 7 7 Isai. 5, 20, Ick hebbe altijdt ghelooft ende gheloove noch, dat alle Menschen schuldigh zijn die beloften Godes ontwijflijck te ghelooven, ja dat die sulcx doen alleen Gheloovigen zijn, ende nyet die daar aan twijfelen, veele minder die sulcx opentlijck wederspreecken ende onschamelijck loochenen. Nu schijnet sulcx te ghelooven zonde, ende sulcx niet te ghelooven deughde te wesen in’t verkeerde oordeel deser verkeerde Gheleerden. Dit heeft my, sulcx gheloovende ende daaromme gelachtert wesende, ghedronghen Redene te gheven van ’t selve mijne Geloove: op dat ick, so ick dole, daar inne onderricht, maar so ick recht geloove, derhalven by den vromen ontschuldight mach zijn. Al ist nu sulcx Leser dat ick hier uyter heyliger Schrifturen voor ooghen stelle die ghedaante vander Mannen onderdanigheyt: so is my onverborgen dat die kindtlijcke of der swacken ghehoorsaamheyt mede al sodanigh is, dat yemandt komende in sijn opwassen te over-lijden, also wel saligh sal zijn als die volwassen Mannen die in Christo den volkomen Ouderdom bereyckt hebben: so men eenighsins sal moghen sien in mijn Tafelken van de Justificatie, ’twelck ick verhope dat onlanghs desen in druck sal volghen, daar ick yet wat van sulcks handele: Maar want het nyet geheel schulde en derft, datmen altijdt een Melck-behoeftigh kindeken blijve, 8 8 Hebre, 5, 12, sonderlinghen alsmen na der tijdt hadde mogen zijn Leeraren, dats meer dan Mannen: soo hebbe ick hier willen voor ooghen stellen, nyet alleen eenighe van de Redenen mijns voorscrijreven Geloovens van de voorsz volle onderdanigheyt Godes, maar oock mede den pinne, binnen in den penningh, in ’t wilt van den doelen des Christelijcken wandels: op dat de ghene die nu al den doelen kan treffen, ja oock het wit kan raken, daar met nyet en vernoeghe, maar voort pooghde om den penningh, ja den pinne selfs (dat is het leven Christi) sulcks in sijnen wandel te treffen, dat hy mede (sonder yemanden te verleyden) metten Apostel mach segghen: Weest mijne navolghers, ghelijck als ick Christi (navolgher ben.) 9 9 1, Cor, 11, 1, Ghemerckt sulcks in den Gheloove vlijtelijck te benaarstighen nyemanden verarghen en mach, maar elcken verbeteren moet, ende meer ende meer Christelijck, dats Christ ghelijck doet worden. Krijght hy (na ’t spreeckwoordt) nyet een asse nochte naghel, die daar staat na een gouden waghen? Mach ’t zonde of quaat zijn datmen het beste verkiest, ende dat men na ’t beste ijver? Dit wilt lieve Leser, gheloovigh benaarstighen dit sal Christus in u vorderen, 10 10 Luc, 10, 42 ende dit wenscht u met herten als sich selven 11 11 1, Cor, 12, 31 14, 12,

U alder-dienstschuldighe

D. V. Coornhert.


IN den eersten moet alle Christenen gelovē mogelick om geschieden (immers dat het geschiet) t’gunt die Geest der Waarheydt in de heylige Schrift verklaart te wesen den wille des Almoghenden Godes dat gheschieden sal.

Want wat die Heere ghewilt heeft, 1 1 Isal. 134. 6. heeft hy ghedaan in den Hemel, inder Aerden, in de Zee, ende in allen den afgronden.
Maar onse Godt is in den Hemel, die heeft al ghedaan dat hy wilde. 2 2 Isal. 113. 3.
Hy is alleen, 3 3 Iob 23. 13. nyemandt mach sijn ghedachten af-wenden, ende soo wat sijn Ziele wilde, heeft hy ghedaan.
Mijn Raadt sal bestaan, 4 4 Isai. 46. 10.
Want al dat hy sal willen sal hy doen. 5 5 Ecles. 8. 3.

Dat nu Godes wile zy dat die Gheloovighe Man hem; Ghebenedijt; onderdanigh zy in sijne Gheboden, ende dat (nyet voor een deel, maar) in’t gheheel, blijckt uyt
i. Godes Gheboden.
ij. Godes beloften.
iij. Die endtlijcke oorsaken van de Menschwerdinghe ende lijden Christi.
iiij. Die verkiesinghe der Gheloovighen.
v. Klare Sententien.
vj. Die wenschen ende begeerten Godes.

i. De Gheboden Godes.

BEroerende die Geboden Godes, het is wonder datmen moet bewijsen dat Godt ons Gheboden gheeft, ten eynde wy die souden doen. Wie geeft Wetten om nyet volbracht te worden? Wilt Godt dan ghedaan hebben in’t geheel, so ist deel sonde. Wilt Godt maar in’t deel, soo ist deel ghenoegh na Godes wille vollle onderdanigheydt. Nochtans moetmen nu sulcx bewijsen, overmtits men siet dat eenighe arbeyden om te bewijsen, dat die Gheboden voornementlijck souden zijn ghegeven, om te bethoonen onse onvermoghen, maar gheensins om volbracht te werden. Maar dat dit thoonen der zonden (t’welck neven meer anderen oock wel een werck des Wets is) nyet het eynde alleen en zy, daar toe die Wet is gegeven, maar voornemelijck om metter daadt volbracht ende ghehoorsaamt te werden, betuyght die heylige Gheest door die navolgende ende veele meer andere naackte, klare ende openbare sproken, als:
Hoort nu Israel die Gheboden ende Rechten die ick u leere, op dat ghy die doen soudt. 6 6 Deut. 4. 1.
Ende ghy sult onderhouden ende metterdaadt volbrenghen. 7 7 Deut. 4. 6,
Ende hy heeft u sijn Verbondt ghetoont dat hy 8 8 Deut. 4. 13. gheboden heeft, op dat ghy’t soudt doen.
Ende ick sal tot u spreken alle mijn Gheboden 9 9 Deut. 5. 1. ende Ceremonien ende Rechten, die ghe henluyden sult leeren, op dat syse doen.
dit zijn dan die Wetten ende Gheboden ende Rechten, 10 10 Deut. 6. 2. die de Heere uwe Godt gheboden

heeft, dat ghyse leeren ende doen sult in den Lande.
Alle Gheboden die ick u ghebiede, sult ghyluyden houden dat ghy daar na doet. 11 11 Deut. 8. 5. Deut. 6. 3. 10. 12. 13. Iosue 1. 8.

Ende en mach nyemant ontkennen Godes wille te zijn dat gheschieden sal, t’gunt Godt den Menschen beveelt ofte ghebiedt, dat oock Godt volmaacktheyt ende gheheele onderdanigheyt den Menschen ghebiedt, sietmen in de navolghende ende meer andere ontwijfelijcke plaatsen.

Wandelt voor my ende weest volmaackt. 12 12 Genes. 17. 1.
Dat ghy den Heere uwen God vreeset, 13 13 Deut. 6. 2. ende houdet alle sijne Rechten ende Gheboden die ick dy ghebiede.
Weest volmaackt ende sonder vlecke met uwen Heere ende Godt. 14 14 Deut. 18. 13
Weest ghyluyden daaromme volmaackt, alsoo de Hemelsche Vader volmaackt is. 15 15 Mat. 5. 48
Hoort mijne Woorden, so wil ick u Godt zijn, 16 16 jerem. 7. 22 ende ghy sult mijn volck zijn: ende wandelt op allen weghen die ick u ghebiede, op dat het u wel gae.
Ick bevele u voor den Heere &c. dat ghy sult 17 17 1. Tim. 6. 13 onderhouden het Ghebodt totten toekomst ons Heeren Iesu Christi, sonder smette onberispelijck.
Daarom achterlatende het beginne der 18 18 Hebr. 6, 1. Redenen Christi, laat ons voort-varen ter volmaacktheyt.
weest volmaackt. 19 19 2. Cor. 13. 11
Hierom neemt aan die wapeninghe Godes, 20 20 Ephes. 6. 13. op dat ghy-luyden mooght in den boosen dagh teghen staan, ende volmaacktelijck staan in allen dinghen.
Weest naarstigh om onbesmet ende onstraffelijck van hem bevonden te wesen in vrede. 21 21 2. Pet. 3. 14.
Dat ghy den Heere uwen Godt bemint ende wandelt in alle sijne Weghen, 22 22 Iosue 22. 5. ende sijn Gheboden houdt ende hem aanhanght, ende hem dient van gantscher herten, ende van gantscher zielen.

Het is dan ontwijfelijck Godes wille dat het geschiede, ende en mach daarom nyemant het gheschieden loochenen sonder Godts Almoghentheyt te loochenen.

ij. De Beloften Godes.

SO veele dese Onderdanigheyt beroert, bethoont sich oock die wille Godes in sijne vaste beloften. Want men moet bekennen dat Godt wil volbrenghen dat hy belooft: nu belooft Godt in de navolghende ende meer andere plaatsen volmaackte Onderdanigheyt.

De Heere sal besnijden dijn herte ende t’herte dijnes zaadts, 23 23 Deut. 30. 6. dat du den Heere sulste liefhebben in alle dijn herte ende in alle dijn ziele.
Ende ick sal haar gheven een herte, 24 24 EZech. 12. 19. ende eenen nieuwen gheest sal ick gheven in henluyder ingheweyt, ende sal wech nemen het steenen herte uyt haren vleesche, ende sal hen een


vleeschen herte gheven, dat sy in mijne Gheboden sullen wandelen, ende mijne Rechten onderhouden ende die doen sullen.
Ende ick sal maken dat ghy in mijne Gheboden sult wandelen, 1 1 Ezech. 39. 26.
ende mijne Rechten sult bewaren ende wercken.
Die Heere des vredes heylighe u in allen, 2 2 1. Thes. 5. 22 op dat u gheheele gheest, ende ziele, ende lichaam sonder op sprake in den toekomste onses Heeren Iesu Christi bewaart werde. Hy is ghetrou die u heeft gheroepen, hy sal’t oock doen.
Om te bereyden den Heere een volmaackt volck. 3 3 Luc. 1. 17.
Het is Godt die in u werckt het willen ende volbrenghen. 4 4 Phil. 2. 13.

Voeghtmen hier by noch die beloften Godes van te gheven al t’ghene dat wy hem in den Gheloove sullen bidden, men sal die selve vinden so menighvuldigh dat ick maar eenighe plaatsen van dien al hier hebbe willen aanwijsen.

Alle soo wat ghy biddende sult begeeren, 5 5 Mat. 11. 24. ghelooft dat ghy’t sult ontfanghen, ende het sal u gewerden. Ierem. 33. 3. Esai. 30. 19, 58. 9, 65. 24. Psalm. 49. 15, 144. 19. Sach. 13. 9, 10. 6. 2. Par. 7. 14. Proverb. 15. 29. Matth. 18. 19. Iohan. 14. 13, 15. 7, 16. 16, 24. 1. iohan. 3. 22, 5. 14. 15.

Nadien dan Godt in de voorschreven plaatsen belooft ..ken volmaackte Onderdanigheyt in sich behelsende, oock mede te gheven watmen gheloovigh biddet na sijnen wille: ende die Christenen beiddende na den wille des Heeren dat Godes Rijcke toekome, dat Godes wille gheschiede hier inder Aerden (hier in den Mensch) als in den Hemel (boven in den Enghelen) ende dat hy hun verlosse van alle quaden, (daar onder die Zonde het voornaamlijckste is) soo meotmen ghelooven dat sulcx gheschiet: of dat Godt onghetrou is in sijne beloften, ende dat die teghensprekers van dien (als bethoonende dat sy sulcx nyet en ghelooven) den woorde Godts nyet en ghelooven ende ongheloovigh zijn.

iij. De eyndtlijcke oorsaken van de Menschwerdinghe Christi.

NIet minder en bethoont sich oock die wille Godes in de eyndtlijcke oorsaken van de Menschwerdinghe, Leeringhe, Lijden Christi ende openbaringhe der ghenaden Godes in Christo in de na-beschreven ende meer andere plaatsen, soo men nyet en wil segghen dat Godt nyet en wil dat sal geschiedē, t’gunt tot welcken eynde hy belooft heeft ende gesonden sijnen eenigen Sone Jesum Christum.

Alsoo Christus sijn Kercke heeft bemint, 6 6 Ephes. 5, 24 ende hem selven voor haar ghegheven, &c. op dat hy sich daar soude stellen een gloriose Kercke, nyet hebbende een vlecke of rimpel ofte yet sodanigh, maar op dat sy soude zijn heyligh ende onbevleckt.
Soo hy onsen vader Abraham heeft gesworen, 7 7 Luc. 1. 75. dat hy ons soude geven dat wy sonder vreese van onser vyanden handt verlost zijnde, hem souden dienen in Heyligheyt ende rechtvaardigheyt voor hem alle de daghen onses levens:
Nu heeft hy versoent in den lichame sijns vleesches door den Doot, 8 8 Colos. 1. 22. omme u luyden te

stellen voor hem heyligh ende onbevleckt ende onberispelijck.
Ende ick heylighe my voor henluyden, op dat sy oock ghehylight souden zijn inder Waarheydt. 9 9 Ioan. 17. 9.
Die self onse Zonden heeft ghedraghen aan den houte in sijn lichaam, 10 10 1. Pet. 2. 24 op dat wy den Zonden ghestorven zijnde, leven souden die Rechtvaardigheyt des gheens, door wiens bloedt wy zijn ghenesen.
Want Christus is eens ghestorven voor onse Zonden, 11 11 1. Pet. 3. 18. die Rechtvaardighe voor die onrechtvaardighe, op dat hy ons Gode op-offeren soude, ghedoodet na den vleesche, maar levendigh ghemaackt na den Gheeste. 1. Petr. 4. 1. 2. Roma. 8. 3. 4. Tit. 2. 14. 2. Cor. 5, 14 15. 1. Ioan. 3. 5. 8.

Is nu Christus Mensche geworden en gestorven ten eynde die voorschreven, behelsende volkomen Heyligheydt, suyverheydt ende onderdanigheydt: soo moetmen bekennen dat sulcx waarachtelijck in yemanden gheschiet: of men moet des Heeren doot krachteloos maken, onnut ende onvruchtbaar.

iiij. De verkiesinghe der Geloovighen.

HIer en boven sietmē den voorschrevē wille Godes oock naacktelijck in sijn verkiesinghe ende beroepinghe der Heylighen. Want te willen loochenen dat Godts wille zy, dat sy soodanigh souden werden, als sy-luyden van hem toe zijn ghepredestineert oft daar toe sy van Gode zijn verkoren, waar openbaar Godtloosigheyt.
Dat nu Godt die selve heeft verkoren omme te wesen volmaackt ende ghehoorsaam, betuygen ontwijflijck die navolgende ende meer andere sproken.

Want God en heeft ons nyet gheroepen tot onreynigheyt, maar tot heylighmakinghe. 12 12 1. Thess. 4. 7
Den verkorenen &c. na de voorwetenheydt Godes des Vaders tot heylighmakinghe des Geestes ende onderdanigheyt. 13 13 1. Pet.1. 2.
Alsoo hy ons heeft verkoren in hem voor des Werelts Scheppinghe, 14 14 Ephes. 1. 4. op dat wy souden zijn voor hem heyligh ende onbevleckt inder Liefden. Ephes. 2. 10. Deuter. 26. 18, 7. 6, 14. 2. Rom. 8. 29.

Soo moetmen nu segghen dat Godes verkiesen ende Predestinatie gantsch ydel zy ende krachteloos, t’welck Godts-lasteringhe is, ende gheensins den Evangelischen en mach betamen: of men moet bekennen dat Godts wille in desen volbracht werdt, ende datter Gheloovighe, soodanigh als Godt hen heeft ghepredestineert, werden ghevonden in dese Werelt.

v. De naackte Sententie Godes.

MAar wonder ist datyemandt derf loochenen Godes wille te zijn, of onmoghelijck segghen te wesen, t’gunt die heylighe Gheest in de Godtlijcke Schrift self rondelijck verklaart te wesen Godes wille, want daar leest men ditte:
Dit is die wille Godes u heylighmakinghe, 15 15 1. Thes. 4. 3. op dat ghy u onthoudt van Hoerderije, ende dat elck van u luyden sijn vat weet te besitten in heylighmakinghe ende in eere.


Het moet doch Godes wille zijn dat hy Ghebenedijt voor t’beste prijst, hier van leestmen:

Beter is Onderdanigheydt dan Offerhande. 1 1 2. Reg. 15. 20.

Is sulcx Godes wille, is Godt so Almachtigh dat hy al doet dat hy wil, soo beyde voor blijckt, wie mach t’gheschieden van de ware ghehoorsaamheyt Godes loochenen?

vj. De wensch ende begeerte Godes.

TEn laatsten moet elck toe-laten dat Godes wille zy dat sal gheschieden, t’ghene men nyet mach ontkennen by Gode gewenscht ende begheert te zijn gheweest.

Och dat sy sulck hert hadden, 2 2 Deut. 5. 29. my te vreesen, ende te houden alle mijne Gheboden haar leefdaghe: op dat het hen wel ginghe ende hare kinderen eeuwighlijck.
Nu Israel, wat eyscht die Heere u Godt van u, 3 3 Deut. 10. 12 dan dat ghy den Heere uwen Godt vreeset, dat ghy in alle sijne Weghen wandelt ende hem liefhebt, ende dienet den Heere van gantscher herten, van gantscher zielen?
O dat ghy op mijne Gheboden merckedet, soo soude uwen vrede zijn als een waterstroom. 4 4 Isai. 48. 18.

Besluyt.

ALso moetmen hier, nyet uyt duystere Collectien ofte Menschelijcke glosen, maar uyt klare sproken der Godtlijcker Schrift, ontwijfelijck besluyten moghelijck te zijn, ja dat het wert, dat eenighe Gheloovighe (te weten Mannen den volkomen Ouderdomme Christi bereyckt hebbende) Gode onderdanigh zijn na Godes Heylighe wille, in Godes almogende krachte: Of men sal Godslasterlijck moeten Gode dichten te zijn.

j.
EEn Godt die willende wat volbrenghen, sulcx nyet en vermach, ende mitsdien nyet en is Almachtigh.
ij.
Die niet willende te gheschieden t’gunt hy beveelt ghedaan te worden, dubbelt is.
iij.
Die nyet moghende ofte nyet willende t’beloofde gheven, een bedriegher is.
iiij.
Die niet volbrenghende in den Gheloovighen t’ghene daar toe hy die ghepredestineert heeft ende verkoren, veranderlijck is of onvoorsichtigh.
vj.
Ende die nyet willende t’ghene hy seydt te willen, loghenachtigh zy.

DAar siedy Leser een deelken van de Schriftuerlijcke naackte ende klare sproken, op welcke ghegrondet is mijn ghevoelen dat die gheloovighe Menschen door Godes ghenade in Christo Jesu Gode mach gehoorsaam zijn na sijnen heylighen wille in sijn Gheboden ende anders ons gheopenbaart. Nerghens hebbe ick ghelesen in de gantschse heylighe Schrift, dat het Godt nyet en wil, noch veele minder dat Godt sulcx nyet en blijckt klaarder dan ick hier het teghendeel bethoont hebbe, sullen alle Godtvreesende Menschen my nyet qualijck moghen af-nemen, dat ick gheen Menschelijcke vernuft en kan ghelooven boven, ja plat tegē die Godlijcke Schrift. Want Menschen mogen, maar Godt en mach gheensins, lieghen ende bedriegen. Vaart wel in den Heere.

FINIS.


[leeg]

"""Van de ware onderdanigheydt der Christenen,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."