I. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Van den Heylighen Gheest."""
"""Van den Heylighen Gheest."""


Van den Heylighen Gheest

Eerste Hooft-stuck .

Beduydinghe van t'woort Gheest.

Enghel
Die de Gheesten uwe Engelen maeckt Psalm 103, 4, Apoc. I. 4, Actor. 8. 39
De ziele
Daer inne eenen Gheest des levens is onder den Hemel Gen: 6, 17, Abac: 2, 19
De redelijcke ziele
Heere Jesu ontfangt mijnen gheest Actor 7, 59 Luce 23, 46 Psal. 30, 6
T'ghemoedt
Ende hy wilde Ammons gheest niet bedroeven 2 Reg. 13, 21 Job 7, 11, 9, 18 Prov: 15, 13
Sorghvuldigheyt bekommernisse
Om de benautheyt haers Geests ende de uytnemende harde wercken Exo: 6, 9
Ghedachten
Der gheesten overwegher is de Heere. Prov: 16, 2, 17, 22 1 Cor: 5, 3
Eendracht
Hebben wy niet in eenen Geest ghewandelt? 2 Cor: 12, 18
Quade gheweten
Uwen Gheest sal u als een vyer verslinden Isai: 33, 11
Vertroostinghe
Sijn Gheest is weder levendigh geworden Gen: 45, 27
Godt
God is eenen Gheest Joan: 4, 24
Den Duyvel
Des gheests die nu werckt inde kinderen der wanhopen Ephes: 2, 2
Gave des heylighen Gheests
Den Gheest en wilt niet uyt blusschen. 1 Thess. 5, 19
De gave der prophetien
Den Gheest des Heeren is oock gheworden in henlieden ende sy begonsten oock te propheteren 1 Reg: 19, 20
Sterckheyt oft kracht der zielen
Noch daer en is in ons gheenen Gheest ghebleven tot uwen ingang Josue 5, 1
Sterckheyt des lichaems
Aldus soo is den Gheest Godts haestelijck in hem ghevallen Judic: 14, 19 1 Reg: 30, 12
Den adem
So langhe alsser adem in my is ende den Gheest Gods in mijn neusgaten Job 27, 3
Cranckheyt
Die een gheest der sieckten hadde Luce 13, 11
Goddelijcke inblasinghe
Ende hy is door den Gheest gekomen in den tempel Luce 2, 27
Gheestelijck verstant
Den Gheest maeckt levende 2 Cor:3, 6 Joan: 6, 63 Rom: 2, 29
Gramschap
Haeren Gheest is ghesoncken, daer mede sy teghen hem opgeheven waren Jud. 8, 3. Prov.27. 4
Verstandt , ghedachtenis
Ende mynen Gheest heeft hem verheucht Luc.1. 47, 1 Chess: 5, 23, 1 Cor.2. 11.
Reden
Ende den Gheest mijns verstandts sal my andtwoorden Job 20. 3 , Psalm 76. 4, 7
Openbaringhe
Heeft inden Gheest gheweest Apoc: 1, 10
Ware wijsheyt
Maer wy en hebben den gheest deser wereldt niet ontfanghen, maer den Gheest die uyt God is 1 Cor: 2. 12
Valsche wetenschap
Alsoo is een man die int spreecken synen gheest niet bedwinghen en kan Prov. 25, 28, 29, 11
Gheestelijck mensche
Alle Gheest love den Heere Psalm 150, 6
De Sonne
Alles doorloopende gaet de gheest rontsomme Eccles: 1, 6
Ontsettinghe der herten
Ende sy en hadde voorts gheenen Gheest meer 3 Reg. 10. 5
De windt
Ende hy heeft den windt op aerden ghebracht Genes. 8, 1,Joan: 3, 8, 3 Reg.19, 11
Cracht des lichaems
Ende als hy dat ghedroncken hadde, soo heeft hy synen Gheest vermaeckt Judic: 15, 19
T'leven
Mijnen Gheest sal flau worden Job 17, 1 Psal: 103, 29 Jacob: 2, 26
De wille
Heeft de Heere verweckt den Gheest van Cyrus de Coninck van Persen 2 Par 36, 22, 21, 16 Deut: 2, 30

Tweede Hooft-stuck .
Bynamen des heylighen Gheests.
Den gheest
Der opneminge der kinderen Rom: 8, 15
Des brants Isai: 4, 4
Des Raedts Isai: 11, 2
Christi Rom: 8, 9
Des levenden Gods 2 Cor.3, 3
Der liefden 2 Tim.1, 7
Des Heeren Isai. 11, 2
Des Soons Galat. 4, 6
Der sterckheyt Isai. 11, 2
Der gratien Zach: 12, 10
Des verstants isai. 11, 2
Des oordeels Isai. 4, 4
Der volmaeckter rechtvaerdigher Heb. 12, 23
Der sachtmoedigheyt Gal. 6, 1 1 Cor. 4, 21
Des monts des Heeren Psal. 32, 6
Des monts Christi 2 Thess. 2, 8


Ons Vaders Matth: 10, 20
Der beden Zach: 12, 10
Der beloften Ephes: 1, 13
Der openbaringhen Ephes: 1, 17
Der wijsheydt Isa: 11, 2
Des wetenschaps Isa:11, 2
Der soberheyt 2.Tim: 1, 7
Der vreesen Isa: 11, 2, Tim: 1, 7
Des waerheyts Joan: 14. 17
Des krachts 2 Timo: 1. 7
Des levens Rom: 8, 2

Derde Hooft-stuck .
Byvoeghselen des H.Gheests

De billijckheydt des Gheests Eccl: 16, 25
De liefde des H. Gheests Rom: 15. 30
De ghemeynschap des Gheests 2 Cor: 13, 13
De vertroostinghe Actor. 9, 31
De leeringhe I Cor: 2, 13
De deylinghe Heb.2, 4
De gave Actor: 2, 38
De sterckheyt Mich: 3, 8
De vrucht Gal: 5, 22
Het sweert Ephes: 6, 17
Het wasschen der wedergeboortē des Geests Tit: 3, 6
 Der vernieuwinghen Tit: 3 ,6
Den dienst 2 Cor: 3, 6
De vertooninghe 1 Cor. 2. 4.
Het pant 2 Cor. 1. 22
De belofte Galat: 3. 14, Actor. 2. 33
De eerste vruchten Rom: 8, 23
De heylighmakinghe 2 Thess: 2, 13
De ghemeynschap Phil: 2, 1
De bystandigheyt Phil: 1 19
De eenheyt Ephes: 4, 3
De kracht Rom: 15, 13, 19

Vierde Hooft-stuck .
Hoedanigheden.

Scherp Sap: 7, 22
Een ander Num: 14, 24
T'goedt liefhebbende Sap: 7, 22,
Goedertieren Sap: 1, 6
Goedt Psal: 142. 10, 2 Esd: 9, 20
Seker Sap: 7, 22
Inde welcke gheen bedroch en is, Psalm 31, 2
Welsprekende Sap. 7, 22
Sterck 3 Reg: 19, 11
Groot 3 Reg: 19, 11
Alle deucht hebbende Sap: 7, 23
Onbesmet Sap. 7, 22
Verstandelijck Sap: 7, 23
Groot Eccles: 48, 27
Ruerlijck Sap: 7, 22
Menigherhande Sap. 7. 22
Suyver Sap: 7, 23
Nieuw Ezech: 11, 19
(Almachtigh) Isa: 40, 13
Vol Jer: 4, 12
Costelijck Prov: 17, 27
Recht Psalm 50, 12
Alle dinghen voorsiende Sap: 7, 23
Heyligh Psalm 50, 13, Matth: 1, 20
Onbesorcht Sap: 7,23
Ghestadigh Sap: 7, 23
Soet Sap: 7,22
Subtijl Sap: 7, 22
Den allerhoochsten 2 Macha: 3, 31
Levendich makende 1 Cor. 15, 45
Een Sap. 11, 21, 1 Cor. 6, 17
Eenigh Sap. 7, 22

Vijfde Hooft-stuck .
Benaminghe des H. Gheests.

TWater Joan: 4, 14
Het levende water Joan: 4, 10
Gods vingher Exo. 8, 19, Luce 11, 20
De Leytsman (Israels) Isai: 63, 14
De gave Gods Actor. 8, 20
De fonteyn des waters, springhende int eeuwich leven Joan. 4, 14
Het verteerende vyer Deut. 4. 24
Het inblasen des almachtighen Job. 32, 8
Den vertrooster Joan: 14, 16
De belofte des gheests Galat. 3, 14
De belofte des Vaders Actor. 1, 4
Een ghetuygh (van de verrijsenisse Christi) Actor. 5, 32
De kracht des alderhoochsten Luce 1, 35
De kracht uyt den hooghen Luce 24, 49
De salvinghe 1 Joan. 2, 27

Seste Hooft-stuck
De werckinghe des H. Gheests

Helpt onse kranckheyt Rom: 8, 26
Drijft den kinderen Gods Rom: 8, 14
Voorseyt de toekomende dinghen 1 Tim: 4, 1
Straft de werelt vande zonde, en vande rechtvaerdigheyt ende vant oordeel Joan: 16, 8
Treckt sich af van de ghedachten, die sonder verstant zijn Sap. 1, 5
Valt op alle de ghene die 'twoort hooren Act. 10, 44
Begrijpt alle gheesten Sap: 7, 23
Verklaert Christum Joan: 14, 14
Begheert teghen t'vleesch Gal: 5, 17
Betuycht ons Ehhes. 4, 17
Weet alleen dat Gode aangaet 1 Cor: 2, 11
Gheeft verstant Job 32, 8
Gheeft (den Apostolen) uytspraeck Act: 2, 4
Leydt inden rechten wegh Psalm: 142, 10
Daelt neder vandē Hemel als een duyf Joan. 1, 32
Deyldt een yeghelijck nae dat hij wil 1 Cor: 12 ,11
Leert alle waarheyt Joan: 16, 13
Leyt (den ghelovighen) Gal: 5, 18
Vliet der geveynsden onderwijsinge Sap: 1, 5
Heeft ghemaeckt (den mensche te weten Eliu) Job 33. 4
Is gheworden op Jepthe Judic. 11, 29
Springt in (Saul) 1 Reg: 10, 6
Rechtvaerdigh 1 Cor. 6, 11
Spreeckt totte Kercke Actor. 13, 2
Spreeckt tot Petrum Actor. 10, 19
Spreeckt inden gheloovighen Matth: 10, 20
Spreeckt door David 2 Reg. 23. 2
 Door Isaiam Actor: 28, 25
Blijft op Christum Joan: 1, 32
Sendt den Propheet Isaiam Isai, 48, 16
Heeft de Hemelen verciert Job 26, 13
Stelt Bisschoppen Actor. 20. 28
Begheert voor ons Rom: 8, 26
Ghetuyght openbaerlijck, Paulo de banden. Acto: 20, 23
Wijckt af van Saul 1 Reg. 16, 14
Gheeft getuyghnisse onsen gheest dat wy kinderen Gods zijn Rom: 8, 16
Rust op Christum Isai. 11, 2
Rust op de (gheloovighen) 1 Pet: 4, 14
Vervult Christum Isai. 11, 2
 Den omganck der aerden Sap: 1, 7
 Den Apostelen Act: 2, 4
Maeckt heyligh Rom: 1, 4
Ondersoekt alle dingen oock de diepten Gods 1 Cor.2, 10


Compt van boven op den Apostelen Christi,Actor.1. 8.
Betuyght dat Christus de waerheyt is 1 Johan. 5, 6
Stelt over (den gheloovighen) in t'selve beeldt (des Heeren) van d'een klaerheyt tot de ander 2 Cor: 3, 18
Maeckt levende Joan: 6, 63
Verbiedt Paulum en Timotheum dat woordt te spreken in Asia Acto: 16, 6

Sevende Hooft-Stuck .
Wat de heylighe Geest niet en doet.

Verlost niet den vermaledijden van zijnen lippen Sap. 1, 6
En laet niet toe dat Paulus ende Timotheus in Bithyniam gaen Acto: 16, 7
Verbiedt niet wel te doen Sap: 7, 22

Achtste Hooft-stuck .
De vrucht des heylighen Gheests.

Goedertierenheyt Gala. 5, 22
Goetheyt Gala: 5, 22
Liefde Gala: 5, 22
Sekerheyt der gheloovighen, dat God in henlieden is 1 Joan: 3, 24
Seechbaerheyt Gala: 5, 23
Onderscheyt der Bheesten 1 Cor: 12, 10
Vuyrigheyt Acto: 18, 25 Rom: 12, 11
T'gheloove 1 Cor: 12, 9
Reynigheyt Gala: 5, 23
Vastigheydt van de kracht der Hemelen Psal. 32, 6
Dat wy Gods kinderen zijn Rom: 8, 14
Blijschap Gal: 5, 22 Rom: 14, 17
Verscheyden talen 1 Cor: 12, 10 Act. 10, 46
De gratie van ghesontmakinghe 1 Cor: 12, 9
Het uytlegghen der talen 1 Cor: 12, 9
Rechtvaerdigheyt Rom: 14, 17
Vryheyt 2 Cor: 3, 17 Gal: 5, 18
Langmoedigheyt Gal: 5, 22
God te loven Acto: 10, 46
Sachtmoedigheyt Gal: 5, 22
Verandert te worden in een ander man 1 Reg. 10, 6
Eerbaerheyt Gal: 5, 23
Werckinghe der deuchden 1 Cor: 12, 10
Lijdtsaemheyt Gal: 5, 22
Vrede Gal: 5, 22 Rom: 14, 17
Prophetie 1 Cor: 12, 10 Acto: 19, 6
Vernieuwinghe des verstants Ephes: 4, 23
De sprake der wetenheyt 1 Cor: 12, 8
De smake der Godtlijcker wijsheydt 1 Cor. 12, 8
Het eeuwigh leven Gala. 6, 8

Neghende Hooft-stuck .
Door de kracht des H. Gheests

Wort de Vader aenghebeden Joan. 4, 24.
Worden de kinderen Gods ghedreven Rom. 8, 14
Waren de Apostelen getuygē Christi Act. 1, 8
Bidden wy 1 Cor. 14, 15
Worden wy ghedoopt Marc. 1, 8
Wordt Christus ghedreven in de woestijne Mat. 4, 1
Is Christus ontfanghen Luce 1, 35
Worpt Christus de Duyvelen uyt Matth. 12, 28
Heeft Christus hem selven geoffert Heb. 9, 14
Keert Christus weder in Galileen Luc. 4, 14
Roepen wy Abba Vader Rom, 8, 15
Worden wy ghetimmert tot een wooninghe Gods Ephes. 2, 22
Wort bevestight de leere des Evangelij Heb. 2, 4
Worden wy versterckt inden inwendigen mensche Ephes.3, 16
Worden de geloovende geteyckent Eph. 1, 10
Worden alle dieren gheschapen Psal. 103, 38
Wordē de Duyvele uytgeworpē Mat. 12, 23
Heeft God ons gheopenbaert t´ghene hy bereydt heeft den ghenen die hem liefhebben. 1 Cor. 2, 10
Heeft God Christum ghesalft Acto. 10, 38
Wort gheseyt Heere Jesus 1 Cor. 12, 3
Is de liefde Gods uytgestort inde herten (der gheloovigher) Rom: 5, 5
Heeft Gedeon krijgh ghevoert Judic: 6, 34
Heeft Jepthe onbevreest den kinderen van Ammon aenghetast Judic. 11, 29
Wort de Godloose van Christo omghebracht. Isai. 11, 4
Wort de onrechtvaerdige gedoot 2 Thes. 2, 8
Spreken (de gheloovighe) verholentheden. 1 Cor. 14, 2
Doodē wy de werckē des vleesches Ro. 8, 13
Heeft Othoniel Israel verlost Judic. 3, 9
Reyst Paulus te Jerusalem Actor. 20, 22
Volbrenghen wy niet de lusten des vleeschs Gala. 5, 16
Hebben de Propheten het lijden ende de glorie Christi verkondight 1 Pet. 1, 11, 12
Singhen wy 1 Cor. 14, 15
Wort de mensch herboren Joan. 3, 5
Heeft Samson met een ydele handt een jonck welpen van een Leeuwe verscheurt Judic. 14, 6
 Dertigh mannē verslagen Judic. 14, 19
 De banden ghebroken Judic. 15, 14
 Duysent mannen vernielt met een kaecxbeen van een ezel Judic: 15, 15

Thiende Hooft-Stuck .
De plaetse van den H.Gheest.

Over al Psal. 138, 7
Het hooghe Isai. 32, 15
De gheloovighe 1 Cor. 3, 16 2 Tim: 1, 14

Elfde Hooft-stuck .
De H. Gheest wort belooft.

Den Apostolen Joan. 14, 16
Die penitentie doen Actor. 1, 38
Het huys van David Zacha. 12, 13
De bewoonders van Jerusalem. . .
Den zade Jacobs Isai.44,3
 Is ghegheven
Den Apostolen Acto. 2, 4
Alle den ghenen die Gode ghehoorsaem zijn Actor. 5, 32
 Is ghegheven door het middelende
Ghehoor des gheloofs Gala. 3, 2
Oplegghen der handen Acto. 19, 6
 Ghestaltenissen des H. Gheest .
Een columne des vyers indē nacht Exo. 13. 21
Een kolumne der wolcken Exod. 13 , 21
Een duyve Joan: 1 , 32
Olye Cant. 1, 3 Psal. 44, 8 Luce 10, 34
Den douw Can. 5, 2
De kusse des (bruydegoms) mont Cant. 1, 1
De schaduwe des appelbooms Cant. 2, 3

Eynde.



[leeg]

"""Van den Heylighen Gheest."""