II. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Theriakel teghen het venijnighe wroeghschrift by Arent Cornelisz ende Reynier Donteklock"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1630."
"""Theriakel teghen het venijnighe wroeghschrift by Arent Cornelisz ende Reynier Donteklock"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1630."


THERIAKEL
Teghen het Venijnighe Vroeghschrift by Arent Cornelisz ende Reynier Donteklock Delfsche Predicanten (die dat noemen Remonstrantie) aen den H.H. Staten van Hollant in druck uytgegeven Anno 1583, ende weder Anno 1585, van nieus aenden H.H. Staten geschreven voor de Proeve des Catechismi, Vertoonende den

Onschuldt van D. V. Coornhert .

Waer inne meest werdt ghehandelt van de Aengevangen dwang over de Conscientien .

Oock mede
Of de uytlegginghe van de heylighe Schrift, ter saligheydt nootsaeckelijck is dan niet.

Isai . 10. 1.
Wee den genen die ongerechte Wetten maken, &c.

Proverb . 24. 11.
Verlostse die ter doodt gheleydt worden.

Ecclesist . 41. 15.
Draeght sorghe voor een goede naem .

[afbeelding]

TOT AMSTELREDAM,
By Jacob Aertsz Colom, Boeckverkooper op’t Water, Anno 1630.


[leeg]


Aen den goet-willighen Leser.

NIet sonder groote redenen, goet-willighe Leser, werdt de Onschult van D. V. Coornhert nu nae zijn doot in druck vertoont. Want boven alle de bittere, schandelijcke ende doodtlijcke beschuldighinghen: eerst voor den Ed. Mo. H. H. Staten, ende na voor al de werelt in druck met gevaerlijcke onwaerheyt in’t leven van den voor-noemden Autheur uytgebreydt: soo en hebben eenighe onrustige Predicanten hem na zijn doodt noch niet laten rusten: maer zijnen persoone noch openbaerlijck met sodanighe schelt-namen en doodlijcke Calumnien by elck gepooght soo leelijck ende hatigh te maken, dat de licht-geloovige zijne schriften ende goede boecken eer verwerpen dan lesen, of onpartydigh oordelen souden. Soo een yeder sien mach aen’t navolgende, alleenlijck ghetogen uyt een boeck genaemt Antwoorde opte Leydtsche Iustificatie sonder naem opten Name van de Kercke in druck uytghegeven. Waer in den voor-noemden Autheur uytten name van de Kercke voor al de wereldt uyt-gheroepen werdt voor Een valsch op-roerder, eenen op-roerighen Teudas of Iudas Galileus, aldermeest waerdigh by d’Overheyt ghestraft te worden voor een rasent mensche, Bedriegher, Nieu Machiavel, Calumniateur, Pluym-strijcker, Vermetel, Onschamel, Propheet, Droomer, Kerck-uyl, ende de Smit van alle ketteryen, een Procureur van quade saecken, ende van quade conscientie, ende die van alle H. H. Staten immers soo quaden ghevoelen soude hebben als van de Predicanten, ende met dierghelijcke bloemkens meer. Waer nae onlanghs oock eenen R. Donteklock, neven anderen, hem noch bekladt ende ghescholden heeft als oock de voorgaende: 1 1 In zijn proeve ende elders. Voor een ghesworen vyandt vande Religie, voor een spotter, spot-voghel, groot-spreker ende lasteraer, sonder Religie of gheloove, &c. segghende dat de Coornhertisten, de nieuwe Pelagianen, d’alder grootste secte zijn, met de natuer ende conditie van de Hollanders wel over-een komende, die gheen werck maecken van Religie, niet verre verscheyden van de Franckisten, gheest-drijvers, vrye geesten, ende van de grouwelijcke secten van H. Niclaes, ende D. Ioris, &c. met meer dierghelijcke schand-namen ende calumnien sonder eenigh bewijs altoos. Maer niet sonder onware beroeminghe van den voornoemden Autheurs boecken wederleyt ende voorghestreken te hebben. Tot wat eynde zy sulcks doen weten zy best, maer dat sulcks het ghebruyck niet en is van de Christelijcke kercke, of van Euangelische Predicanten, nochte het rechte middel om de Leere te verdadighen, ende partye te overwinnen, weten alle verstandighe. Want licht ghemerckt werdt dat sulcks meer streckt om zijne weder-partye ende zijne schriften met dusdanighe Calumnien te verdrucken daermen mach, oock door d’Overheyts macht (dat aen den wille van soodanigen niet en ontbreeckt) als om de Argumenten ende Redenen van hen berispers te weder-legghen, ende haer selfs Leere ende Opinien te verantwoorden: Soo is mede licht te verstaen wat vreese Gods of Religie by sodanighe is, die soo opentlijck teghen Godts Wet, metten Libertijnen gheen sonde en maken over de valsche a 2 2 a Exod. 20. 14. Deut. 19. 19 Prov. 15. 5. Catech. 11. 2. tuyghenisse van haren Naesten oock soo veel Godvreesende, politijcke, onpartijdige luyden (vry van alle secterije) soo vryelijck derven injureren, naem-schenden, ketteren, ende b 3 3 b Mat. 7. 1 Cor. 4. 5. Rom. 14. 13. veroordeelen. Soo meriteerde oock desen Autheur; die soo naerstigh als yverigh ende vrymoedigh gheweest is om des Waerheydts kennisse (tot des Naesten nut ende der landtstaten heyl) te vorderen: wel anders bejeghent te werden van de rechte Euangelische Predicanten ende Kercke: dat groote dienst ende vrucht soude hebben ghedaen: dan dit is beledt door eenighe vreemde ende hevighe Predicanten: die’t ghebiedt inde Kercken (daer sulcks uyt voort komt) schijnen ingenomen te hebben, ende elck een willen regeeren ende ghebieden in saken des Gheloofs. Welckers heerschappije, aert, gheest ende voornemen soo eygentlijck als vrymoedelijck by den voor-noemden Autheur, in dit ende andere boecken uytghedruckt is, (soo dat hy hem daer over soo wel een waerachtigh Propheet, als nut-berisper ende waerschouwer heeft bewesen. Of dit noch dusdanighe bitterheydt op zijnen persoone verweckt: dat eenighe hem soo langhe nae zijn doot noch soo heftigh met schant-namen ende Calumnien vervolghen, ende poogen leelijck ende hatigh te maecken om de waerheydt by hem betuyght (diese niet konnen weder-legghen) te verduysteren: moghen de verstandighe oordeelen; als oock mede hoe nut ende noodigh het is (nu de tijden sulcks moghen lijden) dat dees langh verdruckte, ende nu opgheweckte Verantwoording van den Autheur, tot overvloedigh bewijs van zijn onschult; eens te voorschijn kome, om het nieuwe venijnighe vuyr met het oude door desen Theriakel te verdrijven. Tot ghenesinghe van die te beteren zijn, ende’t voort-springhen van sulck ende voor-oordeel mach nae-speuren, lesen, kennen ende nae-volghen, dat hy in Christi waerheydt ende Liefde sal oordeelen best te wesen tot zijn selfs ende elckerlijcks verbeteringhe, Amen.


Aen Arent Cornelis ende Reynier Donteklock,
Predicanten tot Delft in Hollant.

Omtrent ses dagen na de xi. Octobris Anno Lxxxiij. als ik ontfangen hadde Brief ter ordonnatien vanden Prince van Orangien ende den H. H. Staten van Hollant, om te verschijnen den xxiiij. der selver Maent ter disputatien in der Hage, wert my behandet u luyder Wroegh-schrift, by u ghenaemt Remonstrantie, vol van so sware, als onware beschuldinghen mijns persoons aen den gecommitteerden inde vergaderinge der H. H. Staten van Hollant. Des vant ick niet gheraden sodanigen hatelijcken Wroegh-schrijft, in openbaren druck, aen den Reghenten des Lants onbeantwoort te laten doorgaen. Daerom ick de selve opter daet, hoewel den tijt kort was, schreef, in voor-nemen omme noch voor mijn komste inden Haghe, namentlijck den xxiiij. Octobris te laten in druck uyt gaen. Doch nae dat mijn Antwoorde nu al ghereet was, om den Drucker ghelevert te werden, hebbe ick dat selve mijn voor-nemen verandert. Ten aenschou vande wichtigheyt des handels tusschen ons-luyden doe aenstaende: die betrefte de Eere Godes ende der Menschen eeuwige saligheyt, Dat vant ick wat grooters te wesen dan de hoedanigheyt van uwe of mijn persoonen. Soo hebbe icx doe uytgestelt, ende d’onware schant-vlecken van mijnen name niet willen achten, op hope van mat duldigh swijghen u hatelijckheyt te versachten, ende daer mede in plaetse van den handel te verbitteren, te verbeteren. Met vermijdinghe van uwe hatelijckheyt op my te vermeeren, soo ick u beyden in by-wesen van Saravia alle’t selve oock vermaende in den Hage: ende dat wy desen Christelijcken handel oock met Christelijcke gemoeden behoorden te verhandelen, etc. ‘Tis nu also, dat ick na u luyder achter-blijven uyt de begonnen disputatie ontwijfelijck vernam dat u luyder Predicanten selve opten Predick-stoelen (behalven van uwer Consistorianten gheklap) mijnen name vast bestonden metten tanden te verscheuren, uyt dit u Libel fameur, rechts of ‘t Euangelie ware geweest, ende als of ick, met ghyluyden, de Disputatie gevloden hadden: so hebbe ick noch al tot vermijdinge van twist-schriften, alle sulcx liever geleden met onschult, dan daer tegen gestreden met ongedult, bevelende mijn sake de Waerheyt, die haer wel hart laet drucken, maer niet verdrucken. Maer ten laetsten gesien hebbende dat ghyluyden dit selve uwe Criminele Libel Fameur boven dat voorsz is, niet anders dan oft u een pronck-schrift dochte ende een lof uwer Christelijckheyt, ander-werven voor dese uwe voorgaende schijn-Wederlegh, hebt willen vernieuwen ende vervarschen in der Menschen gedenckenissen: hebdy my als genootsaeckt om groote redenen, die elck leser so lichtelijcken kan vermoeden dat my onnoodigh zijn die hier te stellen: daer op dese mijne Onschult met naeckten voor-hoofde voor alle Man in Druck moeten laten sien, ende dat so gantsch sonder bitterheyt, als met oprechter waerheyt, die ick niet moghte verswijgen, sonder my’t onrecht te beschuldighen. Ontdeckt die nu ‘tgene dat ghy gaerne bedeckt houden sout, om beter te schijnen voor den Menschen, dan ghy benaerstight voor Gods ooghen te wesen: dat suldy hebben te wijten uwe broot-droncken pennen, die niet dan gal ende sware schant-vlecken met onwaerheyt uytspouwen, ende niet my, die u in desen te lange verdraghen ende gheensins gheterght hebbe:

u beyder ende alder Menschen dienstwillige

D. V. Coornherts.


Den Edelen, vermoghenden, Hoogh-achtbaren ende voorsienighen Heeren Gecommitteerden in de vergaderingh der Staten van Hollandt, werdt ghewenscht in Religions saecken een Salomonische wijsheydt, om te oordelen, welck daer zy die rechte moeder, door der selver

Dienstwillighe Coornhert.

IN de vergaderinghen der menschen vintmen gheen dingh soo goedt, ten mach metter tijdt sulcks verarghen, dat het beteringhe behoeft. Dat blijckt aen de Apostolische Kercke selve. Die was oprecht ende suyver inde leere. Daer in quamen, oock inder Apostelen tijden al, Wolven, jae Antichristen. Dese brachtē in de Kercke een schadelijck verderf. ‘Twelck grootelijck aenwies met aenwas van tyde. Sulcks is oock wel ghemerckt by vele van de ouden, ende onder die selven oock die alder Catholijckste als Gregorius, Bernardus ende andere soodanighe meer. Waer nae’t quade soo merckelijck werdt vermeert in de Kercke, dat oock de Boeren (nae’t spreeck-woort) dat konden mercken. ‘Twelck nochtans des Kercks Vooghden soo weynigh wilden mercken, dat zy oock (als zy nu alder-meest berispelijck waren) niemandts berispen meer en wilden lyden, tot dat haer bloedighe tyrannije, des volcks goedighe ghedult overwan. Doe wierp die verstoorde heffe den bodem van’t vat daer henen. Dat ghevalt ghemeenlick in’t laetste metten verdoolden, als zy door grouwelijck ontsich hem self benemen den eenighen hope van verbeteringhe, te weten het vry en waerachtigh berispen. Want de mensche is gheen al-wetende Godt, ende mach daeromme dolen. Welck vruchtbaer, nut, jae noodigh berispen, ghemeenlijck werdt uyt gheweert onder eenen goeden, maer valschen schijn, namentlijck om’t verstooren van de uytterlijcke Kercken-vrede wech te nemen. Rechts of die Leeraers in dat ampt waren bestelt, niet om wackerlijck te strijden teghen den ketteren, maer om weeldelijck te rusten in wellustigheyden des buycks. Onder sulck grouwelijck ontsich ende straffe teghen het berispen van de Kerckelijcke dolinghen hebben wy veel al hooghlijck gheklaeght. Also wy’t selve hielden (soo’t oock inder waerheydt is) voor een onlijdelijcke Tyrannije ende Godtloose dwangh in den Conscientien. Desen dwangh beschildert die Heere van Plessy meesterlijck in syn Tractaet van de Kercke. Want daer ghelijckt hy den berisper van de gebreecken der Kercken by eenen die siende in’t heymelijck in een stede een brant aengaen, of den vyandt opten wallen klimmen, brandt of alarme roept: ende daerom van de Overheydt dier steden niet alleen niet bedanckt, maer gedreycht of mishandelt wordt: ende seydt daer by dat sulcke Overheydt te houden zijn voor luyden, die metten vyanden heymelijck verstandt hebben. Wat nu by den ouden is gheschiet, dat mach oock by ons geschieden, Ja het sal gheschieden spoedelijck, voorhoetmens in Godes name niet spoedelijck ende voorsichtelijck, daer mede, datmen op’t hoochste vermijdet in sulck verbodt van noodtlijcke ende nutte berispinghen der ouden voetstappen nae te volghen. Want die jongen zijn so wel menschen als die


ouden waren: ende moghen daerom so wel dolen, als die ouden gedoolt hebben. Soo behoeven dan oock die jonghen mede rechte vrienden, welcker berispelicke wonden hem nutter zijn, dan der vyanden pluymstrijckers kussen ende lecken. Sodanigh vriendt mach hy die Kercke verstrecken, die de Kercke zijnre tyden ondersoeckt, of zy in de Leere ende anders oock houdt die ghedaente van de Apostolische Kercke. Dese bevindende dat zy daer af is gheweecken, berispt den Vooghden der selver Kercken, ende so die daer nae niet en willen luysteren, waerschout hy anderen voor sulcken Kercke: sulcks schryven die Predikanten tot Delft, dat Luther ende Zwingel ghedaen hebben in heuren tyden, ende dat oock elck Christen mensche schuldigh is sulcks te doene. Nu houde ick my door des Heeren ghenaede oock voor een Christen mensche. Oock sie ick met open oogen dat die Kercke, die haer noemt Gereformeert, af-gheweecken is van de Apostolische leere, ende dat in hooft-saecken. Derhalven ick doende dat elck Christen schuldigh is te doen, hebbe den hoofden van de voorsz. Kercken tot Delft daer af vermaent in Augusto Anno 1579, ende my selve aengheboden te bewijsen dat haer Catechismus oock inne heeft menschen leere. Welcke Hoofden in plaetse van bereydt te zijn om teghen yeghelijck redene te geven van haren gheloove, hebben sulcks spottelijck veracht, my ghedreyght met d’Overheydts macht, ende my meer schamperlijck dan Christelijck ‘tselve af-gheslaghen, soo die onder-teeckeninghen Arnoldi ende Donteklocks, noch by my wesende, moghen betuyghen. Derhalven ick verstaende voor alsdoe ghedaen te hebben ‘t gene ick doe schuldigh was te doene voorts sweegh, verwachtende met op-mercken, waer henen der Predikanten doen sich soude strecken. Dit sie ick nu te strecken om alleen in gheloovens saecken over allen anderen te ghebieden, ende sich selfs Heeren te maecken over elck mans gheloove. Want zy met haer opentlijck schryven in druck te kennen geven, dat henluyden mishaeght die vryheyt, dat elck soude moghen ghelooven dat hem belieft. Salmen dan (gaet haer voor-nemen voort) oock yet anders moeten ghelooven, dan dat dese nieuwe Heeren des gheloofs wel sal ghelieven? Daer toe streckt oock henluyder voor-nemen met het verbodt van alle andere, ende in-voeringhe van henluyder Catechismum alleen inden ghemeenen scholen. D’anderen souden haest volghen. Welck henluyder voor-nemen so inden dwanghe des gheloofs, als in’t vergiften vande teedere verstanden der jonckheyt, ick niet minder, maer veel meerder schadelijck hebbe gheacht, dan een vyantlijcke in-val ofte verderflijcke brant in een goede Stede. Also achte icks nu tydt, of anders nemmermeer, daer teghen brandt of alarme te roepen tot waerschouwinghe van de Overheydt ende ondersaten, teghen desen smoockende brandt ende heymelijcken in-val der vyanden in den Kercke. Als die geen reden en hadde tot hope van eenigen vrucht meer te mogen doen by den voorschreven kerckelijcken luyden of Predikanten, met mijn schryven ofte vermanen. Welck mijn doen ten gemeenen besten streckende in d’alderbeste ende noodighste saecken, ick niet en mach gheloven my qualijck af-ghenomen te moghen worden: als die in desen gebruycke die vryheydt in gheloovens saecken, wesende wel een vande wenschelijckste vruchten by ons door’t schadelijck ende bloedigh oorlogh inden Nederlanden verworven zijnde. Welcke vryheydt onder andere oock daer in bestaet, datmen in saecken des Gheloofs bescheydelijck ende vrymoedelijck sonder vreese van straffe tot nut van zynen even Naesten die Waerheydt mach uyt-spreecken. Dit doe ick hier nu met ghetrouwer ernst, niet alleen aen allen gemeenen landtsaten, maer


oock mede aen u mynen E. vermoghenden ende voorsienighen Heeren selve: op hope of der selver Godtvruchtighe Wijsheydt gheraetsaem mochten vinden, in desen alder-wichtighste saecke niet voort te varen metten oordeele (swijge met d’executie voor’t oordeel) voor’t volle verhoor van d’ander partye. Die ick my bekenne te wesen, teghen den voorghemelden Catechismum ende teghen allen den ghenen diese voor oprecht willen verantwoorden. Bereyt zijnde, soo dit mijn kort gheschrift niet en vernoeght, om u E. het oordeel wat te doen op-schuyven, ende soo men my wil ghehoor verleenen (niet voor eenighe partydighe Commissarisen, welcker rappoort weynigh is te betrouwen, maer voor u. E. ooren selve, dien’t oock alles aengaet) my breeder daer op teghen den voor-standers deses Catechismi te verklaren. Op dat immers in soo hoogh-wichtighen handel niet en werde, jae ten minsten niet en schijne te werden, gheoordeelt, sonder ghehoor van partie ende sonder ware kennisse van saecken.
Oock mede op dat, soo die Ministeren desen heuren Catechismum niet en konnen verschoonen van veel leelijcke vlecken ende vuyle onsuyverheyden: henluyden als die oock gheen vermoghen hebben haer Sendinghe Wettelijck te bewijsen, geen gheloove meer en werde ghegheven tot verdruckinghe van alle andere Religien: maer dat zy anderen neven haer lyden, ter tydt die Heere self daer inne sal voorsien door zijnen Enghelen met ghewisse uyt-roedinghe van’t onkruyt: op dat menschen sich sulcks voor den tydt van selfs onderwindende, sich niet swaerlijck en besondighen teghen den Heere, met uyt-roedinghe van de goede tarwe. Want het noch niet langhe gheleden en is, dat die onwijse yver des Overheyts Gode gemeynt heeft een dienst te doen in’t dooden van den Jongeren Christi: daer voor wil die genadige God behoeden u. Edele, vermogende, hooghachtbare ende voorsienighen Heeren, in welcker scherm sich beveelt

Der selver onderdanige ende dienstwillige

D. V. Coornhert.


Remonstrantie aen den Edelen, vermogenden, wijsen ende voorsienighen Heeren Gecommitteerden in de vergaderinghe der Staten van Hollant, Ghenade ende Vrede door Iesum Christum, mitsgaders een voorspoedighe regeringhe, &c.

Edele, vermoghende, wijse, gunstighe Heeren: Ghesien hebbennde een boecxken, seer onlancx van D. D. Coornhert in den druck ghegheven, tot proeve ende berispinge der Leere des Nederlandtschen Catechismi, het welcke hy hem niet ontsien en heeft uwen E. te dediceren: zijn wy bedacht geweest, 1 1 i. artic. niet alleen aen te wysen hoe uwe E. op’t alder-Christelijckste ende bequaemelijckste hier inne soude moghen remedieren, maer oock in’t besonder te antwoorden op zijnen brief, voor het voorsz boecxken ghestelt, principalijck alsoo hy hem daer inne over onse persoonen beklaeght: Op dat uwe E. soo wel onse verantwoordinghe, als den aert ende het voornemen des voorsz Coornherts naerder vernomen hebbende, die sake te beter moghen behertighen, ende met ernste doen uytvoeren.
Wij bemercken hoe de voorsz Weder-spreker, vreesende dat zijn menichfuldigh schrijven teghen de leere der Ghereformeerden kercken, 2 2 ij. ende bysonder dit laetste, by uwe E. qualijck ghenomen mocht werden, ‘t selve arbeydt inden ooghen der selven seer schoon ende prysselijck te maken, aenghesien hy gheacht wil zijn niet anders te doen, als de ghene die brant ende alarm roepen, wanneer zy in een stadt een vyer sien op gaen, ofte den vyant de wallen beklimmen, diemen niet en behoort te wan-dancken, maer hooghelijck te prijsen: ghelijck het oock eens oprechten vriendts werck is, het quade vrymoedelijck in den ghenen, wiens welvaren hy soeckt, te berispen. Alsoo laet hy hem duncken, dewijle (nae zijn segghen) onse kercken afgheweecken zijn van de suyvere Apostolische leere, dat hy seer wel doet, de menschen waerschouwende, om door de selve niet verleyt noch vergiftet, noch door den inval der vyanden inde Kercke Christi int verderf ghebracht te worden: ‘t welck de Papisten t’onrecht gheweeret, ende hare berispers Tyrannichlijck mishandelt hebben. 3 3 iij.

Maer nademael men hem hadde moghen voor-werpen, dat dit de rechte wijse niet is, om de inbrekende dwalinghen uyt te weeren, datmen terstont met openbare strijdt-schriften teghen een leere opentlijck in een landt aenghenomen uytvaert, ende daer mede aen de Overigheydt loopt, aenghesien men eerst de Leeraers selve behoort aen te spreken: soo pretendeert hy hem in desen deele behoorlijck ghequeten te hebben, want hy de hoofden (dit zijn zijne woorden) van de Kercke tot Delft daer af vermaent heeft in Augusto Anno 79. ende hem selven aengeboden te bewijsen, dat haer Catechismus oock inne heeft menschen leere. Welcke hoofden (seyt hy) in plaetse van bereydt te zijn om teghen yeghelijck reden te geven van haer gheloove, hebben sulcx spottelijck veracht, my ghedreyght met d’Overheydts macht, ende my meer schamperlijck dan Christelijck het selve afgheslagen, soo de onder-teeckeningen Arnoldi ende Donteklock noch by my wesende, moghen betuyghen, &c. Besluyt daeromme, wel ende behoorlijck van hem ghedaen te zijn, dat hy gheen ghehoor hebbende by den Leeraren, de sake niet alleen aen alle ghemeene Landtstaten, maer oock mede aen u mijn E. Heeren selve laet komen, bereyt zijnde, indien uwen E. dit zijn schrift niet vernoeght, om het oordeel wat op te schuyven in dese alder-wichtichste saecke, hem breeder daer op teghen de voorstanders deses Catechismi te verklaren, teghen welcken Catechismum hy hem bekent partye te zijn, ende teghen allen den ghenen diese voor oprecht willen verantwoorden: op dat de Ghereformeerden gheen gheloove meer en werde ghegheven tot verdruckinghe van alle andere Religien, maer dat zy andere neven haer lijden, ter tijdt de Heere self daer inne sal voorsien, &c.
Dits vast de somme van zijn Remonstrantie ende versoeck. Waer op wy eerst een kort ende waerachtigh verhael doen sullen van al’t gunt dat in deser sake tot noch toe tusschen den voorsz Coornhert ende ons ghehandelt is, op dat uwe E. sien moghen hoe onwaerachtigh het zy, 4 4 iiij.
daer hy ons van beschuldight, dat wy niet bereyt souden gheweest zijn redene te gheven van onsegheloove. Het is dan alsoo, dat als onse met-hulper Thomas van Thielt gesonden was om voor een tijdt te predicken tot Haerlem, in’t Jaer vijfthien hondert ende lxxvij. De voorsz Coornhert aldaer ghesocht heeft niet hem van eenige poincten der Religie te confereren, tot dien eynde hem doende ter handen stellen een seker kort gheschrift by hem ghemaeckt, ende onder anderen verklarende hem langhmoedigh, ghebooghsaem, ende leer-gierigh te willen laten vinden by den selve van Thielt, ende alle andere, om van’t gene daer hy inne mochte dolen, onderrichtet te werden. Op dit Schrift (inhoudende seeckere Argumenten teghen onse leere van de sichtbare Kercke Christi) is daer nae by den voorsz van Thielt een antwoorde ghesonden, met presentatie, dat hy mitsgaeders zijne mede-dienaers hem mondelingh breeder van dien artijckel wilde onderrichten, als hy tot Delft by hem komen soude. Maer Coornhert heeft korts daer aen schriftelijck wederomme in’t langhe gerepliceert: Waer op wy begonnen hebbende een antwoorde te stellen, eer de selve ten eynde ghebracht was, soo is hy tot Delft ghekomen, versoeckende mondelijck met ons te handelen. Hoe wel wy nu verklaerden dat wy te vrede waren met hem te spreecken, soo haest als onse begonnen antwoorde voleyndight, ende hem behandight soude zijn, belovende hem oock als dan dach te beteeckenen: So hebben wy nochtans geerne bewillight, by soo verre het hem niet gheleghen ware te vertoeven op onse schriftelijcke antwoorde, terstondt tijdt te stellen, om in conferentie te treden. ‘Twelck alsoo gheschiet is, ende op den 24. Februarij Anno lxxviij. Onder ons geaccordeert zijnde, op hoedanigher wijsen, ende van wat poincten wy handelen souden, is des anderen daeghs, ten by-wesen van omtrent thien of twaelf persoonen ten beyden zijden


de t’samen-sprekinge begonnen, maer ‘snaemiddaeghs op den selven dach door den Procureur generael verboden daerinne voort te gaen.
Eer nu Coornhert vertrock, quam ons van hem een brief vol schamperheydts, snorckinghen ende Calumnien, niet duysterlijck te verstaen gevende, 1 1 x.
dat door ons ofte de onse ‘tvoorsz verbodt ondersteecken soude zijn: ‘Twelck ons beweeght heeft terstont met een Requeste (daer by voeghende den voorsz brief) aen uwe E. te versoecken om continuatie ende volvoeringhe der aenghevanghene t’samen-sprekinghe. Waer op by uwe E. een openbare disputatie aengestelt zijnde, om te geschieden tot Leyden voor Commissarisen, is de selve op den veertienden Aprilis daer aen voor den middagh opentlijck inde Academie begonnen, ende doch ‘sanderen daeghs ten elf uren opghehouden. 2 2 xj. Want alsoo de Commissarisen niet wilden ghedooghen, dat Coornhert teghen de Commissie haer van uwe E. ghegheven, oock mede teghen de conditien der disputatie by hem selfs te voren aenghenomen, de schriften ofte namen Calvini ende Beze (als oock andere menschelijcke schriften) tot deser sake allegeren soude, maer gheboden hem alleen te handelen uyt de H. Schrftuere, ende ghelijcke wapenen met ons te ghebruycken: Soo beswaerde hy hem in sulcker maniere langher met ons te spreecken (ghelijck hy alreede in’t beginsel, 3 3 xiij. soo haest als hy zijnen mondt open dede, het bevel ons ten beyden zijden ghedaen te buyten gegaen hadde, ghebruyckende een proloogh, in’t welcke hy quereleerde teghen onse personen) ende is seer haestelijck opten selfden middagh van Leyden nae Haerlem vertrocken, ‘snamiddaeghs te vergeefs van ons verwacht zijnde, om met hem voort te gaen, als oock van den genen die ghekomen waren om de handelinghe aen te hooren. Waer uyt elck een lichtelijck kan oordeelen, of van desenweder-spreecker niet met recht gheseyt mach werden, t’gene hy hem niet en schaemt ons aen te segghen, 4 4 xij. dat hy niet bereyt is gheweest redene te geven van zijn gheloove, aenghesien hy soo schandelijck de plaetse gheruymt heeft, hoewel hem niemant en jaeghde.
Daer na in Augusto Anno lxxix. heeft hy aen ons eenen brief ghesonden, 5 5 xiiij. xv. xvj. oorsaecke nemende uyt de korte beschrijvinghe des onderscheydts tusschen de Politijcke ende Kerckelijcke bedieninghe, door bevel uwer E. ghemaeckt ende overghegheven by den Kerckendienaren vergadert in den Haghe: 6 6 xvij. xviij. in welcken brief na eenighe beschimpinghen ende calumnien hy hem aenbiet te bewijsen, dat de leere in onse Catechismo begrepen menschen leere is, ende te weder-legghen ‘t ghene wy tot bewijs van onse Seyndinghe souden weten voort te brenghen, 7 7 xix. daer by verklarende dat hy niet meer voor Commissarisen (want van de ghene die over de Leytsche handelinghe ghweest waren hy hem grootelijcx beklaeght) noch oock mondelijck wil handelen, maer metter penne, op dat het oprechtelijck ghedruckt ende van alle lesers gheoordeelt mocht werden. 8 8 xx. Nu seydt Coornhert hier, dat wy sulcx spottelijck veracht, hem met d’Overheydts macht ghedreyght, ende meer schamperlijck dan Christelijck ‘tselve af-gheslaghen hebben. Maer wy segghen daer en teghen, ons ghedraghende tot onpartydighe Richters, dat hem doe niet anders gheantwoort is, dan nae verdienste zijner goet-dunckender vermetenheydt, 9 9 xxj. die hy dien gantschen brief door hadde laten blijcken. Ende aenghaende dat wy hem ghedreyght souden hebben met d’Overheydts macht, sal hem niet bevinden, maer wel ter contrarie, dat hy hem heeft willen behelpen met der Overicheydt teghen ons, segghende in den selven brief aldus: 10 10 xxij. &c. xxvj. xxvij. xxviij. Weygherdy uwe saecken te verantwoorden met de heylighe Schrift, ick sal’t moeten klaeghen d’Overheydt, &c.
Voorts soo veele zijn presentatie belanght, wy bekennen die af-gheslaghen te hebben, maer niet sonder wichtighe oorsaecken, die wy uwen E. ende allen verstandighen midts desen te bedencken gheven. Want behalven dat ’t ghene hy ons te vooren leyde, 11 11 xxix. xxx. xxxi. gheheel onredelijck was, om met malcanderen in een schriftelijcke handelinge te treden, daer hy die schoone gheleghentheydt van selfs verloopen hadde, die hem by der Overheydt ghegunt was, om mondelijck voor de gantsche werelt onse Leere te mogen bevechten: Soo en saghen wy oock, alsoo handelende, gheen eynde, want het schier van noode soude geweest zijn, om sulcks aen te gaen, dat wy ons van de wercken onses Kercken-diensts ontslaghen, ende tot weder-legghinghe zijner oneyntlijcker schriften gheheel verleedight hadden. Dat dese onse persuatie niet ydel gheweest is, heeft de bevindinghe daer na genoeghsaem mede ghebracht. Want also eenighe, die in sommighe poincten verstrickt waren, ende gheacht wilden zijn nae de Waerheydt te staen, aen ons versochten dat wy tot haer onderwijsinghe met Coornhert wilden handelen, ende wy de selve af-sloeghen: wel verstaende nochtans dat ons wel te wille was met yemandt anders die zy ons mochten voortbrenghen, in haer presentie te spreken, jae bereyt zijnde op de argumenten, die zy tot bewijs van hare opinien wisten voor te stellen, schriftelijck tot ghemeene nuttigheydt te antwoorden, ten eynde dat onse voorsz weygeringhe niet gheduydet soude werden, als of wy geen raedt wisten tot verantwoordinghe onser Leere: Soo hebben wy tot haerluyder begeerte een seecker debat ende handel teghen onse leere van de Erf-sonde, welck zy ons leveren souden, aenghenomen te wederleggen, ende voorts met onse hant-teeckeninge belooft, dat stuck der Leere af-ghehandelt zijnde, te komen tot d’andere, daer inne zy ongherust waren. Als wy nu, dien volgende, ‘tvoorsz debat teghen de Erf-sonde beantwoort hadden met een schrift lanck zijnde xxiiij. bladen, soo heeftmen ons daer op een replijcke in de handt ghesteken, sevenmael grooter dan onse antwoorde was, van welcke replijcke klaer ghenoegh bleeck dat Coornhert de autheur was, met den welcke men ons aldus weder in’t spel heeft willen brenghen, hoe wel hy zijn naem niet en speldet: ende schrijft, dat groote boeck vol-eyndet te hebben binnen den tydt van ses weken 12 12 xxxij. , ende dat noch (dit. zijn syne woorden) in groote onledigheden.
Noch ist gheschiet dat ons goet dochte eenen seeckeren brief, sonder naem des autheurs uytghegeven teghen de suyvere leere van de kercke Gods, te beantwoorden, ende ter oor-


saecke van dien eenighe poincten, met ‘t selve ghemeenschap hebbende, te verhandelen ende t’samen in’t licht te gheven. Daer op is terstont ghekomen een gedruckte antwoorde Coornherts, die hem den voorsz brief aentrock, welcke antwoorde hy inde voor-reden schrijft binnen den tijdt van veerthien daghen ghemaeckt te hebben, hoewelse thien quaternen lanck is, ende dat noch (alsoo luyden zijne woorden) onder een reyse tot Hoorn, oock verscheyden groote huysselijcke onledigheden. Wt dese overvloedigheydt Coornherts in’t vervullen van soo veel papiers, is licht af te nemen, dat wy nemmermeer eynde hebben souden, wanneer wy ons verbonden alle zijn dinghen te beantwoorden, die hy ons mocht toeseynden: waeromme wy onse vryheyt hier inne begheerden te houden. 1 1 xxxiij.
Daer na was ons oock niet onbekent, niet alleen hoe bitter ende bulderigh zijne penne was: maer insonderheyt dat hy niet recht-sinnighlijck uyt der Schrifture en handelt, maer arbeydt meest Calvinum, 2 2 xxxiiij. Bezam, ende andere Autheuren soo teghen ons, als teghen haer selven strijdigh te maecken, seer ontrouwelijck misduydende ende stommelende hare schriften, voorts maeckende zijne argumenten teghen ons uyt ons selfs segghen, ‘twelcke hy dickwils oft niet verstaet, of niet verstaen en wil: door welcke dinghen wy niet anders dan in een oneyndelijck proces ghetrocken souden werden.
Hier uyt laten wy nu uwe E. self oordelen, 3 3 xxxv. met wat reden dese mensche ons beklagen mach, dat wy ons gheloof ende leere niet souden hebben dorven verantwoorden ende wat gheloof hy behoordt te hebben inde reste, nadien hy hier inne bevonden wort soo onwaerachtigh te zijn. 4 4 xxxvj. Voorwaer, ghelijck wy hem toestaen, dat de Leeraers in hare ampt bestelt zijn, om wackerlijck teghen de Ketteren te strijden, ende niet om weeldelijck te rusten in wellustigheden des buycks, die in desen moeyelijcken state niet en zijn te halen: Alsoo sal oock geen verstandige seggen, 5 5 xxxvii. xxxviij. datse gestelt zijn om na den appetijdt der Weder-spreeckeren der waerheydt altijdts bereydt te staen, soo wat zy in’t papier kladden, met uytghegheven boecken te weder-legghen, of altijdts in nieuwe disputatien met haer te treden: Want de Gheest Gods gebiet hen te wijcken van den ghenen die opgheblasen zijnde ende onwetende, 6 6 1. Tim. 6. 5 xxxix. Tit. 3. 10. 2. Cor. 11. 16. uytsinnigh zijn in questien, &c. Ende eenen ketterschen mensche nae de eerste ende tweede vermaninghe te vermijden: niet willende dat de Dienaers of de Gemeenten Godts de ghewoonte van kijven hebben sullen. Want datmen hier soude willen teghen werpen, dat wy hem noch niet van ketterije overwonnen, noch onse leere ten vollen verantwoort hebben: Daer op is de antwoorde, dat ‘tselve aen ons niet en heeft ontbroken, als wy hem het hooft te Leyden gheboden hebben, ghelijck wy boven dien oock in den voorsz brief, na weygheringe van zijn presentatie, belooft hebben, tot stichtinghe der Gemeynte, zijne argumenten, die wy alreede wisten ende noch mochten komen te weten, te weder-legghen, ‘twelcke alreede eensdeels begonnen is te doen, als aen eenighe uytghegheven boecxkens, ende aen den handel van de Erf-sonde te sien is, in welck voornemen wy dencken (soo vele onsen dienst lijden mach) te volherden, 7 7 xl. ten ware dat uwe E. de sake by der hant nemende, met eenighe voeghelijcke ende bequame middelen self een eynde daer van maeckten, gelijck wy hopen datse ter occasie van dit boecxken doen sullen.
Wat hebben wy dan anders ghedaen, dan ons gheweygert te verbinden alle zijn gheraes te beantwoorden, 8 8 xlj. dat hy mochte uytslaen? Ende of wy soo dwaes gheweest waren dat wy’t aenghenomen hadden, waer soudemen ten laetsten met alle de boecken gebleven zijn, of wie soudese ghelesen hebben? Men siet dat den volcke de moeyte nauw en lustet, om een handelincxken van vijf oft ses quaternen te lesen: veel min lust soudense dan hebben tot soodanighe lange schriften. 9 9 xlij. Ende ofse de moeyte getroost waren, wat profijt soudense daer van sonderlingh hebben, dan datse de Sophisterien, partijdigheydt ende roemgierigheydt Coornherts souden leeren kennen, ‘twelck van den verstandighen uyt zijne schriften oock sonder onse antwoorde vernomen kan werden? 10 10 xliij.
Wy bekennen wel gheerne dat van oudts grove dwalinghen inde Christelijcke Kercke inghebroken zijn, ende dat niet min hoogelijck te prijsen is den yver ende ghetrouwigheyt der ghenen, diese bestraft ende gesocht hebben wech te nemen, als de uytsinnigheydt der ghenen, 11 11 xliiij. die tegen haer vermaners zijn opgestaen, is te verfoeyen. Even geerne belyden wy oock, dat in de Gereformeerde Kercke, soo wel valsche leere kan in kruypen, alsse in de oude Kercke in ghekropen is, ende staet over sulcks nu soo wel als eertijts op de Leere 12 12 xlv. te letten, in de welcke soo yemant onsuyverheyt bevint, hy onverbeurt de selve mach ende behoort aen te wijsen: 13 13 xlvj. Maer wy dorven voor uwe E. wel betuygen door Godts genade noch niet bevonden te hebben, dat dese Weder-spreecker soude hebben bewesen in de leere onser Kercken valscheyt ofte logen te zijne: Wy laten ons oock duncken uwen E. nu eensdeels uyt ‘tvoorsz verhael te blijcken, 14 14 xlvij. dat hy de gepretendeerde valscheyt niet op soo Christelijcke ende behoorlijcke wijse aenwijst, als hy wil schijnen te doen. 15 15 xlviiij. Hy wil gheacht zijn ghelijck te wesen den ghenen die brant of alarm roepen, wanneer zy een Stadt in perijckel sien: 16 16 xlix. maer daer is wel somtijts een valsch brant of arlarm roepen, waer de menschen sonder oorsaecke op de been gheholpen zijnde, een schadelijcke commotie ontstaet voor het ghemeene beste.
‘Tis uwen E. niet onbekent, 17 17 L. dat de vyanden der ghemeene saecke (die met een zijn vyanden van de gereformeerde Religie) gheerne saghen, dat de oeffeninghe harer valscher Catholijcker dwalinghen weder in’t lant ingevoert worde, immers beneffens d’Exercitie van de voorsz Religie, waer door de wegh ghebaent mocht werden om wijder te komen. Om daer toe te gheraken, 18 18 lj. dunckt haer seer voordelijck te zijne, dat de voorsz Religie op’t alder leelijckste af-geschildert ende in een persuasie ofte achter-dencken van valscheyt by de Werelt ghebracht werde. Daeromme gelijck zy haer niet ontsien tot het versoeck van de oeffeninghe haerer Af-goderije selfs die te ghebruycken, die’t nochtans met haer Af-goderije niet en houden, maer dies niet min der Religie hier opentlijck geoeffent vyandt


zijn, (als uwen E. wel bekent is:) Alsoo gheven wy uwen E. te bedencken of den voorsz Catholijcken hier inne niet eenen grooten dienst ghedaen wert, datmen de voor-ghemelde Religie met ghedruckte boecxkens als een valsche secte bevechtet. 1 1 lij.
‘Tis wel waer dat dese Weder-spreker hier voor-gheeft, 2 2 liij. dat hy in’t bestrijden des Catechichismi daer mede op siet, dat de teedere verstanden der jonckeyt niet vergiftet souden werden: maer alsmen’t recht bij den lichte besiet, soo bevintmen zijn ooghe elders te zijn, ende dat hem aen de leere soo vele niet gheleghen en is. 3 3 xxxiij. ende liiij. lv. Want indien’t hem daer lettede, soo soude hy niet soo weynigh wercx daer van maken, dat der menschen verstanden door de Papistische leere ende andere secterijen vergiftet worden. Hy schrijft oock in een boecxken onlancx van hem uytghegheven, 4 4 Oogh-water. lvj. dat hy stille soude gheseten hebben met schrijven, ten ware dat hy gemerckt hadde, dat wy niet stille waren om na een nieu Pausdom ende dwangh in de conscientie te staen: Soo ist hem dan om wat anders te doen, dat namelijck elcke secte de vrije oeffeninghe harer Religie mocht hebben, gelijck hy klaerlijck te kennen geeft in’t eynde deses briefs zijn intentie te zijn, 5 5 lvij.Dat den Ministeren geen gheloof meer en werde ghegheven tot verdruckinghe van alle andere Religien, maer dat zy andere nevens haer lijden, tot dat de Heere self daer inne sal voorsien door zyne Enghelen.
Waer uyt oock ghenoeghsaem blijckt zijn meyninghe te wesen, dat allen dien het gelieft, 6 6 lviij. lix. openbare Exercitie gheghunt behoordt te werden, aenghesien het nae zijn verstant een dwangh in de Conscientie zijn soude, yemandt te willen constringeren in’t openbaer zijn Religie niet te oeffenen, ende alsoo zijn licht onder de mudde te stolpen. Anders ware zijn raet wel, 7 7 lx.
dat de Overigheydt alle Exercitie van leere ende Sacramenten den eenen soo wel als den anderen verbieden soude, ghelijck hy niet langh gheleden, in den druck ghegheven heeft, dat dit het rechte middel ware tot minderinghe der secten ende partijschappen: Datmen aen de hooghe Overigheydt ootmoedelijck soude versoecken, dat haer wilde ghelieven by een maniere van een nieuw Interim (ende dit ter tijdt toe dat eendrachtelijck besloten sal zijn, wat Leere man sal volghen) te verbieden allen Predicanten op den Predickstoel dan volcke yet anders te predicken, voor te lesen of te leggen, dat den klaren text der H. Schriftuere, sonder een syllabe toe ofte af te doen. Daer by (seydt hy) mochte den volcke op een ghelt-straffe gheboden werden, alle haer boecken van de Schriftuer, soder een syllabe toe ofte al te doen. Daer by (seydt hy) mochte den volcke op een ghelt-straffe gheboden werden, alle haer boecken van de Schriftuere handelende, ende selfs gheen loutere Schriftuere wesende, te brenghen in handen van de Overheydt met Inventario, daer af men elck dubbele met recepisse gheven, ende de selve boecken tot elcks nut bewaren soude, omme die naemaels elck haer meester weder te geven, ofte anders daer mede te doen, so by de Overheydt nuttelijcks te zijn besloten soude werden. In welcken raet dese Wederspreecker (die uwen E. de Salomonische wijsheydt toe-wenscht om de rechte moeder te kennen) 8 8 lxj. lxij. 1. Reg 3. 26seer aerdigh schijnt uyt te drucken den aert van die quaede vrouwe ende onrechte moeder, de welcke by den Rechter Salomon aenhielt, dat tot een middel van haerluyder partijschap ende gheschil, het levendighe kindeken noch haer, noch haere partije toeghewesen, maer aen tween ghehouwen, ende elck een stuck ghegheven soude werden: Hier-en-tusschen hem selven leelijck verghetende, als hy (die den dwangh in Religions saecken soo doodt-vyant is) selfs d’Overheydt tot den dwangh radet: ende daer hy in desen brief wil, datmen sal toeven, Tot dat de Heere self daer inne sal voorsien door zijne Enghelen, met ghewisse uytwijdinghe van’t onkruyt, 9 9 lxiij. in dit zijn middel de Overheydt raet te voorsien in de minderinghe der secten, ende de menschen wil wijs maecken, dat eenmael By de gheleerden de loghen door de waerheydt uytgheroedet, ende eendrachtelijck besloten sal werden, wat leere men volghen sal: 10 10 lxiiij.. Op dat wy swijghen van vele andere ongheschicktheden ende zijns selfs verwerringhen, by ons in de uytghegheven wederlegginghe zijns nieuwen Interims klaerlijck aenghewesen. De somme is dese: Dat het hem op’t allerhoooghste verdriet, dat uwe E. de openbare oeffeninghe van alleen de ghereformeerde 11 11 xlv. Religie toe-laten ende hant-houden in desen lande: rechts of uwe E. met zijn Excellentie die resolutie lichtveerdelijck op’t stuck der Religie, oock met eetplichtinghe ghenomen hadden, 12 12 lxvj. sonder twijfel lettende niet alleene op d’eere Godts (welck het principaelste is) maer oock op’t ghemeene welvaren des landts, ende op de veyligheyt der inghesetenen des selven.
Soo vele ons aengaet: ghelijck wy, mitsgaders alle andere, belijdenisse doende vande ghereformeerde Religie, schuldigh souden zijn de patientie te nemen, jae noch den Heere voor zijn weldaet hooghelijck te dancken, indien ons onder onchristelijcke Overigheden maer een kleyn plaetsken neffens d’openbare Exercitie van een valsche Religie ghegundt ware (want wy te vreden moesten zijn oock tot diet tijdt, als wy niet dan met groote perijckelen ons levens d’Af-goderije mochten verlaeten, ende den Heere alleen by ons selven moesten dienen: ) Alsoo hebben wy nu meer oorsaecks den heylighen Naem des Heeren te prijsen, als wy sien dat door d’Overicheydt van Godt ghestelt, ende in zijner
Kennisse verlichtet, der reyne Religie alleen de plaetse openbaerlijck inghegheven is, 13 13 lxvij. lxviij. dewijle aldus den Rijcke Jesu Christi meerder aenwas gheschieden kan, ende de gramschap des Heeren door d’openbaere licentie van het drijven der valsche leeringhen ende Af-goderije niet ontsteecken wert. Maer ten is gheen wonder dat de Weder-spreecker de openbaere oeffeninghe van de ghereformeerde Religie alleen, niet verdraghen mach: 14 14 lxix. want hy oock niet mach lijden datter eenighe middelen tot bescherminghe ende voorstant van de selve ghebruyckt werden. Daeromme mishaeght hem soo seer de gheconcipieerde ordonnantie van het ghebruyck des Nederlantschen Catechismi alleen in den ghemeemen Scholen: 15 15 lxx. daer het doch gheheel onbehoorlijck wesen soude dat op de gaigen van de steden ende ghemeenten een andere leere gheleert soude werden in de Schole, dan opentlijck aenghenomen is inder Kercke.
Voort schrijft hy hier, Dat hy der Predicanten doen siet strecken om alleen in gheloovens saecken over alle andere te ghebieden, ende sich self Heeren te maecken over elck mans geloof.


Dat hen mishaeght die vryheydt, dat elck man soude mogen ghelooven dat hem gelieft. Waer uyt hy besluydt, Dat het daer henen wil, dat soo ons voornemen voort gaet, niemandt yet anders sal moghen ghelooven dan dese nieuwe Heeren des gheloofs ghelieft . 1 1 lxxj. Met welcken woorden hy seer bitterlijck scheldet op de ghetrouwigheydt der vromen Dienaren, die haer naerstigheydt doen dat het rijck Christi eenen gheluckighen aenwas mach hebben, 2 2 lxxij. waer toe zy niet konnen komen, sonder haer te stellen teghen het regimendt des Satans, ende te weeren de ghene die de arme zielen af-leyden van den rechten wegh des levens. Hier toe hebben zy ten eersten acht, dat de ghene die professie der Religie ghedaen hebben, 3 3 lxxiij. in ghesontheydt des gheloofs volherden ende toenemen moghen: Ende aenghesien soo wel de ketterijen, als d’uytterlijcke grove sonden der tweede Taefel, wercken des vleyschs zijn, 4 4 Gala. 5. 20. die den mensche sluyten uyt het Hemelrijck: soo stellen zy den ghenen die tot ketterije af-wijcken het oordeel Godts voor, ende nae verscheyden lieffelijcke vermaninghen ende dreyginghen te vergheefs aen yemandt ghedaen (indien hy niet af laet de waerheyt te weder-spreken) verklaert hem de Christelijcke Gemeente van haer ghemeenschap uytgesloten, ende uyt het rijck Christi in des Satans tyrannije vervallen te zijn, gelijck wy lesen dat de Apostolische Kercke gedaen heeft.
Voordts soo waerschouwen de Dienaers in’t ghemeen alle menschen, 5 5 1. Timot. 1, 20 haer te wachten voor valsche leere, vermaenende de ghene die door valsche leeringhen verstrickt zijn, haer te begheven tot de suyvere waerheydt, dewijle zy Godt in sulcke dwaelinghen steeckende, niet behaghen konnen. Die zy het volck sien vervoeren, wederstaen zy, ende belettense met alle behoorlijcke middelen, want zy anders vallen souden in de gramschap des Soons Godts, 6 6 Apoc. 2. 20. die de Dienaers der Kercken bestraft, de welcke zijn knechten van die valsche Leeraers laten verleyden. Wy gheven uwen E. te bedencken, of de Dienaers des Woordts sulcks doende, Haer selven Heeren willen maken over elck mans gheloof.
Die mach geseyt worden te willē heerschen over het geloof der menschen, die hemselven de authoriteyt ende het recht toe schrijft, om alles in Religie saecken te doen, ende de menschelijcke conscientien te binden ende te ontbinden, nae zijn eyghen goedt-duncken, ghelijck van den Paus ghedaen wordt. Maer sulcks en wordt by ons niet ghevonden, aenghesien wy als Dienaers vermanen ende bidden, ende niet ghebieden: als Leeraers de menschen onderwijsen wat zy schuldigh zijn te ghelooven of niet te ghelooven nae’t inhoudt des beschreven woordts Godts, ende niet nae ons goedt-duncken: als regeerders ende dispensiers Godts ontsluyten ende toesluyten, binden ende ontbinden, volghende de commissie ons van den Heere achter ghelaten, ende niet uyt eyghen gunste ende wraecke. Dats verre van Heeren des Gheloofs te zijn.
Voorts, belanghende dat de Dienaers te kennen souden ghegheven hebben, 7 7 lxxiiij. dat henluyden mishaeght de vryheydt, dat elck soude moghen ghelooven wat hem ghelieft: Daer op bekennen wy gheerne ons ghevoelen noch te zijn, dat niet toeghelaeten behoort te werden te spreecken ende te leeren wat elck een ghelieft. Want aengaende ‘t gheloof ende ghevoelen des ghemoedts, dat kan gheen mensche eenen anderen noch gheven noch hinderen ofte weeren, jae niemandt kan’t oock weten, dan voor soo vele alst hem uytterlijck openbaert door de bekentenisse, leeringe ofte andere wercken. Ghelijckerwijs nu het valsche ghevoelen des ghemoedts den Heere mishaeght, ende de Leeraers schuldigh zijn de menschen neerstelijck daer van te vermaenen, 8 8 lxxj ende lxxv. op dat hem niemandt tot zijn verderffenisse laet duncken, dat hy ghevoelen ende ghelooven mach wat hem ghelieft: Alsoo mishaeght den Heere principalijck datmen die quade opinien teghen andere openbaert, ende meest, datmen de selve voorstaedt, stroyt ende de menschen daer toe soeckt te trecken: 9 9 Rom. 16. 17. want sulcks niet anders dan een openbaere onteeringhe zijns Naems, vervoeringhe der eenvoudighen herten, ende een schadelijcke tweedracht ende arghernisse medebrenghen kan. Dit laetste vrymoedelijck te moghen doen, houden wy niet voor vryheyt, maer voor een verderffelijcke licentie, ende ghevoelen dat soo wel de Overheden in haeren dienste, als de Dienaers des Woordts in den haere, ‘tselve schuldigh zijn met alle voeghelijcke ende Christelijcke middelen te beletten, alsoo naemelijck, dat den weder-spreeckeren genoeghsaem ghehoort ende met den Woorde des Heeren overwonnen zijnde, 10 10 lxxvj. bevolen werde haer stille te houden, ende soo zy de suyvere Religie niet konnen toe-stemmen, immers andere menschen in vrede laten, dien Godt de ghenade ghedaen heeft om de weghen der waerheyt te bekennen.
Dit is de rechte middel om den oprechten Godts-dienst in goeden wel-standt te houden, tot het welcke de Overigheden als Wet-houders Godts ende Vassalen des Heeren Christi verbonden zijn: waer teghen het gheen wonder is datse haer soo hardt stellen, 11 11 lxxvij. die inder daedt niet anders dan de verstooringhe der Religie soecken, hoe-welse in den schijne nae de waerheydt ende vryheydt der Conscientie gheacht willen zijn te staen.
Want uwe E. mogen selfs oordeelen, uyt wat gront het komt dat dese Weder-spreecker in sulcke wijse teghen de Ghereformeerde Religie schrijft, 12 12 lxxviij. datter nauw een bladt en is, daer niet d’eene bitterheydt ende schamperheyt oft d’andere in bevonden wert: daer Hy schrijft dat hy grooter ghebreecken siet (so veel de Leere aengaet) in onse Religie, als in de Dopersche, jae in de Roomsche selve. 13 13 Oogh-wat. Fol. 13.
Item, 14 14 lxxix. In een seker schrift. Dat wy een landt-verderffelijcke opinie in onsen boesem voeden, te weten, Een dwangh der conscientien, een nieuwe tyrannye, een Geneefsche Inquisitie, niet een hayr beter als de Spaensche wesende: Item, 15 15 Oogh-wat. Fol. 17. Datter meer zyn die hem lief hebben, dan ons lief is, want zy openlijck sien dat hy tot zyns selfs kosten ende perijckele, zyn gantsch leven besteedt tot haerluyder ende des landts wel-vaeren, in’t voorstaen, ende daer teghen


dat wyluyden tot des landts kosten, ende toe onsen nut, ende tot allervromen pericule naerstigh zijn in’t verdruyven van die lieve vryheydt, &c. Waer toe dient dit anders (ende meer andere dinghen, 1 1 lxxx. die meest over al in zijne boecxkens te vinden zijn) dan om het volck teghen ons, als of wy jonghe wolven ende aen-komende tyrannen waren, te inciteren, 2 2 lxxxj. ende by den selven hatelijck te maecken, als die het landt souden helpen op-eten, ende eensdeels oorsaecke zijn vande groote ondraghelijcke exactien, die van sommighen tot aenstiftinghe harer schadelijcker nieuwigheden soo seer werden uytghemeten? 3 3 lxxxj. Waer toe dient het, dat dese Weder-preecker ‘tvoor-leden jaer een zijner boecxkens, 4 4 Het boecxkē genaems Synodus. vol lasteringhen ende calumnien teghen de ghereformeerde Religie, in druck uytghevende, ‘tselve ghedediceert heeft Allen Godt-vreesenden, onpartijdighen ende recht-verstandigen Ministeren der Gereformeerde Religie (die hy elders noemt Ghedeformeert) in den Nederlanden, anders dan om tweedracht ende scheuringe inder Kercke aen te richten, ende de Dienaers op te hitsen, 5 5 Oogh wat. die uyt weersien in de Kerckelijcke Centuren teghen hare ongheregeltheden ghebruyckt, de Synoden verachten, 6 6 lxxxj. ende hare ghetrouwe mede Dienaers wel opentlijck van tyrannije ende dwangh in de conscientie dorven beschuldighen: om alsoo de selve aen zijn zijde krijghende, ons met ons eyghen volck te moghen bestrijden? Wat is oock d’oorsaecke, waeromme hy voor-hebbende den Catechismum te bevechten, 7 7 lxxxij. begint van den artijckel der Heylighmaeckinghe ende der ghehoorsaemheyt der Wet Godts, die hy teghen den Catechismum sustineert perfectelijck van een gheloovigh mensche in dit leven onderhouden te konnen werden, daer hy doch wel andere artijckelen noch heeft te bestrijden, 8 8 lxxxij. anders dan om eenighe daer door te meer tot hem te trecken, ende de Kercke in roere te stellen?
‘Tis oock eenen yeghelijcke ghenoeghsaem bekent, 9 9 lxxxiij. uyt wat oorsaecke hy eerst teghen Johannem Calvinum eenen doodelijcken haet genomen heeft, door de welcke zijne oogen alsoo met partijdigheydt verduystert jae verblindt zijn, dat hy in de schriften desselven Autheurs schier gheen waerheydt kan sien, of hy moetse teghen zijn eyghen schriften misduyden, om hem teghen hemselven strijdigh te maken.
Doch het is verre van daer, 10 10 lxxxiiij. Edele ende vermoghende Heeren, dat wy dit verhaelen souden, om den Weder-spreecker, als alle voordere antwoorde onwaerdigh zijnde, geheel af te doen slaen, rechts of wy onse leere mistrouwende, niet dan uyt-vluchten sochten, ende de verantwoordinghe van dien niet dorfden aennemen: Maer ter contrarie is onse ernstighe begheerte ende versoeck, dat uwe E. metten aller eersten ordre daer op stellen willen, 11 11 lxxxv. dat hy metten ghenen die hem sullen willen helpen, teghen d’onse ghehoort mach worden. Want de Dienaers des Woordts zijn (Godt lof) die niet, welcke de noodighe ende nutte berispinghen niet souden moghen lijden, 12 12 lxxxvj. noch de ondersoeckinghe harer leere verdraeghen, (want goede aloy den proef-steen niet en vreest: ) Sy soecken oock niet minders dan teghen recht in’t haere voorghestaen te wesen: Maer zijn wel te vrede, 13 13 lxxxvij. indien zy bevonden werden selfs gheloopen Dienaers te zijn, haer diensten te verlaten: soo oock bevonden werdt haer Religie valsch ende vervoerigh te zijn, niet alleen andere Religien neffens haer te lijden, maer selfs te ghedooghen, datse (ghelijck recht is) verboden werde.
Maer wy betrouwen de ghenade des Heeren toe, dat by allen vromen ende onpartijdighen blijcken sal, dat niet inden Catechismo, maer in den ooghen deses Weder-spreeckers, 14 14 lxxxviij. leelijcke vlecken ende onsuyverheden zijn: dat niet de Ghereformeerde Kercke, maer dese diese aen-vechtet, van de Apostolische leere af-gheweecken is, of veel meer in de selve noyt recht ghestaen heeft, ende d’oude ketterijen Pelagij ende Celestij, by de Kercke Christi uyt des Heeren Woordt ghecondemneert, weder aen den dagh helpt brenghen: Dat oock niet onse seyndinghe, maer zijn berispinghe onwettelijck, onbehoorlijck ende ongoddelijck is: Cortelijck, dat niet ons, maer hem gheen gheloof meer van yemandt behoort ghegeven te werden tot verstooringhe der Kercke Christi, ende verduysteringhe der waerheydt. De Heere wille uwe E. meer ende meer verleenen den gheest zijner vreese ende eens Goddelijcken yvers, om de waere Kercke Christi, ende dat Hemelsche Jerusalem (zijnde onser aller rechte moeder) voor te staen, tot Godts eere, salicheydt veler zielen, ende welvaren des Landts, Amen.

Uwer E. onderdanighe dienaers,
Dienaers des Woorts Gods tot Delft,

Arnoldus Cornelij.
Reginaldus Donteklock.


THERIAKEL
Teghen der Delfsche Predicanten
Wroegh-schrift.

1.
V Beginne beschuldight my: Van dat ick my niet ontsien en hebbe de Heeren Staten myne Proeve van de Nederlandsche Catechismo te dediceren, &c.
Dit is een vermomde beschuldiginghe. Te verstaen ghevende als of ick hier aen wat straf-waerdelijcks hadde bedreven. Neen, quade Overigheydt werdt ontsien: maer goede Overigheydt lief gehadt van goede Ondersaten. Die quaedt doet vreest, maer die wel doet begheert het licht. Mijn voornemen was goet, soo was oock mijn werck. Hoe mocht ick met weldoen (in’t berispen van de Dolinghen in u Leere) des goeden Overheydts straf ontsien of vreesen? Of docht u dat d’Overheyt Tyrannigh was, ende dat het daerom wonder was, dat ick niet en vreesde dat zy my om wel-doens wille qualijck souden handelen? Of acht ghy u alreede tot soo grooten aensien ghekomen te zijn, dat niemant met waerheydt uwe Dolinghen en behoort aen te wijsen, sonder ghestraft te worden als een verstoorder van uwe uytterlijcke Kercken-vrede? ‘Tis te vroegh. Wy zijn in Hollant, ende niet tot Geneven of Romen.

2.
Terstondt daer aen hebdy vergheten dat ghy my van stoutheydt hadt beschuldight, ende my alsoo in een ooghenblick Methamorphoriserende, maeckt ghyluyden weder my anghstigh ende bevreest. Qualijck most ick daer aen zijn, soo uwe lichtvaerdige penne de macht hadde van Circes beker, ende my u quaedt spreken in’t quade mochte veranderen?
Aengesien (seghdy) hy gheacht wil zijn niet anders te doen, als de ghene die brandt ende alarm roepen, wanneer zy in een stadt een vyer sien op gaen, ofte den vyandt de wallen beklimmen, diemen niet en behoort te wandancken, maer hooghlijck te prijsen.
Alsoo. Indien de H. H. Staten die selve mijne redenen niet meer met reden voor goet hadden geacht, dan uwe Wroeghlijcke aenklaeght, nemmermeer en souden zy my soo onghehoorden verhooringhe tot alle Mans gehoor inden Haghe op’t Hof selve ten aenhooren van sulcke groot-achtbaren vergaderinghe van Gecommitteerden verleendt hebben ghehadt. Neen waerlijck, de Heeren Staten hebben’t treffelijck begonnen te doen uyt-voeren. Maer wie is ghebreckelijck bevonden om dat begonnen werck uyt te voeren? Niet ick, maer ghy zijt achter ghebleven. Daerom schijnen eenigen dit u Wroegh-schrift eerst gesien hebbende, voor de Disputatie niet heel ongheschicktelijck vermoedt, ende oock met vollen monde doe ter tijdt gheseydt te hebben: soudet wel waerschijnlijck zijn, dat de Predicanten ‘tlicht vreesende, liever saghen dat d’Overheydt, die’t swaerdt heeft, met macht, dan dat de Predicanten met Waerheydt, die zy niet en hebben’, haer Leere aennaemen te beschermen? Ghy, niet ick, mooght dat weten.

3.
Daer ghy voorts berispt mijn wijse van doen, voor niet te zijn de rechte, om inbreeckende dwalinghen uyt te weeren, als oft onrecht ware met openbaere strijdt-schriften uyt te vaeren, ende daer mede te loopen aen de Overigheydt teghen een Leere opentlijck in een Landt aenghenomen: En schijndy niet ghenoegh u luyder heylighe Vaderen deser onser tijden handelinghen met strijt-schriften bedacht te hebben, Immers oock geensins u beyder eyghen dichten (soo icks moet houden) in den brief van Thoma Tilio aen my, daer ghyluyden door hem selve seght sulcks behoorlijck te wesen voor elck Christen in zynen tyden, oock dat sulcks by Luther ende Zwinghel ghedaen soude zyn. Teghen wat Leere deden die sulcks? Teghen een Leere die onlanghs tot Romen teghen d’Overheydts wille was aenghenomen? Voorwaer neen: maer teghen een Leere over gantsch Europa, met bewilliginge van Keyseren ende Koninghen over vele hondert Jaeren aenghenomen ende ghebruyckt zijnde gheweest. Soo moet ghyluyden hier nu teghen’t voorsz u ende Tylij segghen, belijden dat Luther ende Zwinghel de Roomsche Leere op onbehoorlijcker wijsen berispt hebben. Of dat ick nae behoorlijcker wijser in’t voorsz mijn berispen hebbe ghehandelt, als’t selve eerst aenghegeven hebbende, niet den gemeenen luyden, maer d’Overheydt, die macht heeft om daer inne te voorsien.

4.
Waer nae ghyluyden verhaelt hebbende mijn segghen, van dat ick de Hoofden van de Kercke tot Delft Anno 79. Aengheboden hadde te bewijsen dat haere Catechismus oock in heeft menschen leere, die sulcks veracht hadden ende my ghedreyght met d’Overheyts macht; soo ick met u beyder hantteeckenen vermoght te bewijsen, met aenbiedinghe van mijn Proeve op den Catechismo breeder te verklaren, ten eynde den Ghereformeerden gheen gheloove meer en soude werden ghegheven tot verdruckinghe van alle andere Religien: seghdy dat de som te zijn van mijn Remonstrantie, belovende te doen een kort verhael van’t ghene tusschen ons is verhandelt op dat de Heeren Staten souden moghen sien hoe onwaerachtigh het zy, daer van ick u luyden beschuldighe, dat ghy niet bereydt sout gheweest zyn reden te geven van uwen gheloove, &c. Dits daer het sommier in houden van u seggen.

5.
U beyden, Mannen, is kondt, dat ick opten vijfthienden Augusti lxxix. u aenboot in mijnen sendt-brief te bewijsen dat u Leere in den Catechismo Menschen leere is, ende


(boodt daer oock aen) te weder-spreecken uwe Opinie van’t ketter-dooden, oock uwe Sendinghe. Hier op antwoorde my u beyder brief opten xj. Septembris daer aen volgende, 1 1 Desen brief met der Predicantē Antwoorde volght hier achter. met weygeringhe van tegen my te handelen vande voorsz saecken. Nu waren dit immers saken uwe Leere ende Geloove beroerende: uwe woorden van weygheringhe waren dese: Wy bedancken u van uwe presentatie, ende laten u weten dat wy geen tydt so snoode en kennen, die wy in’t verantwoorden van uwe raseryen souden willen aenleggen, want wy souden’t achten tegen een Oven ghegaept te zijn.

6.
Dat zijn uwer beyder eyghen woorden. Toonen die dat ghy bereyt waert om reden te geven van uwen Geloove? Men tast met handen neen. Soo hebbe ick hier van u immers met waerheydt berispt. Noch dorst ghy Predicanten sulcke naeckte waerheydt bestaen te loochenen in openbaeren drucke. Ten mach gheen liefde tot des waerheydts eere zijn die u dit doet doen, maer wel vreese voor wel verschulde schande: hier helpt u noch toe u kort ghedencken. Dit salmen noch een weynigh hier nae mogen sien, daer ghy opentlijck selve bekendt, dat ghy hier niet eerlijck en loochent.

7.
Immers behalven sulcke uwer beyder naeckte bekentenisse onder u beyder handen noch by my wesende: so bekendy sulcke uwe weygeringhe oock noch in dit u ghedruckte Wroegh-schrift selve naecktelijck, ende dit oock in’t naest-volgende bladeken aen dit u ontkennen. So vele krachts heeft de waerheyt, ende soo luttel gedenckenisse hadde dese uwe onwaerheyt. Want dit zijn uwe eygen woorden alhier.

8.
Voorts so vele zijn presentatie belanght, Wy bekennen die af geslagen te hebben, maer niet sonder wichtige oorsaecken, &c. Dit seghdy van mijne voorsz presentatie selve. Dit hadde ick u aengeseyt by u ghedaen te zijn gheweest: ende dit loochent, ontkent ende versaeckt ghy een bladeken hier voor stoutelijck: Ist u beyden oock mogelijck (of ghy’t schoon met opset bestont) u self bottelijcker bekent te maecken voor luyden die plat uyt een selve sake loochenen ende bekennen?

9.
Maer of ghy hier meynende te ontsluypen door dese uwe daer by gevoeghde woorden (maer niet sonder wichtighe oorsaecken) soo sal ick u vraghen ofmen een werck doende, magh segghen datmen ‘t selve niet en doet, om datmen’t doet niet sonder wichtighe oorsaecken? Wie sal u dat toe-laeten? Immers datmen om eenighe wichtighe oorsaecken doet, dat doetmen. Wy bekennen (seghdy self) die (presentatie) af-geslaghen te hebben. Soo hebdyse immers af-geslaghen. Seght nu doch, is dit mijn beschuldighen dat ghy self voor waerachtigh bekent, dan noch onwaerachtigh? Of sullen de Heeren Staten vermidts dit u self bekennen, dan noch al sien mogen (so ghy kalt) hoe onwaerachtigh het is, daer van ick u beschuldighe, dat ghy niet bereydt soudt zijn gheweest redene te gheven van uwen gheloove. Siet daer nu self wat gheloove ghyluyden met sulcke openbare loocheninghe van’t gene ghy terstont daer aen self weder naecktelijck bekendt, behoordt te hebben by den Heeren Staten, die ghy pooght met de duystere benevelinge te verblinden.

10.
Overslaende voordts een deel partijdigh verhaels by u luyden hier ghestelt, ende niet antwoordens waerdigh zijnde, kome ick nu tot u segghen van mynen brief vol schamperheydts, snorckinghen ende calumnien, &c. Desen brief mach elck lesen in mijne uytghegheven begonnen Leydtsche Disputatie onder’t ghetal xx. Daer segghe ick u beyden bevonden te hebben suyr ende onvriendelijck. Item dat ghy onbescheydelijck bestont den meester over my te maken: dat ick my van sulcke twee onversochte, onbeleefde ende jonghe luyden d’ooghen niet blinden ende leyden wilden laeten, ende dat ick niet en mochte ghelooven, dat ghyluyden met goeder conscientien teghen my haddet ghewandelt. Dit zijn aldaer mijn strenghste woorden. Thoont my (vermooghdy’t) daer inne een van de aldersachtste schandt-naemen, die u luyder meester in qualijck spreeckens konste, L. Daneus, ende (daerinne) zijn meester Calvinus, jae schandt-naemen die ghyluyden self, oock onder u eygen handen, my tot verscheyden plaetsen hebben gegeven. Lieve, welcke zijn daer nu dese uwe versierde schamperheyden, snorckingen ende calumnien?

11.
Voortgaende bruyckt ghy ghelijcke eerbaerheydt; dat is d’alder grootste onschamelheydt; in’t verhael van den Leydtschen handel, daer ghy seght van’t niet allegeren van de schriften ofte namen Calvini ende Bezae, van’t gebodt van alleen uyt de H. Schriftuere te handelen, van dat ick my daer in beswaerde. Teghen’t verbodt een proloogh gebruyckte, quereleerde, na Haerlem vertrock, bethoonende dat ick self niet bereydt en was reden te geven van mynen gheloove, aenghesien ick so schandelijck de plaetse ruymde, sonder dat my niemant en jaeghde.

12.
Wat hier van is, mach elck waerachtelijck beschreven sien inden handel van Leyden, by my in druck uyt ghegeven. Daer sal de Leser licht moghen mercken wel naecktelijck ontdeckt te zijn, watter schuylende is onder dese uwe Mom-aensichten. Ende voorwaer, my verwondert niet luttel, dat ghy hier noch pooght roem te soecken in uwe soo openbaren schande. Want ick hier sie dat ghy u niet en ontsiet dese uwe leelijcke wonde nu al by na met vergetenheyts rove bedeckt zijnde, self aldus weder op te klouwen. Ghy bekent hier self (oock hoordet elck daer tot Leyden teghenwoordigh zijnde) dat my was verboden Calvijns ende Bezae schriften voort te halen. Hoe verhaeldy dit hier? Niet anders dan als of ick die met authoriteyt, in plaetse van de heylighe Schrift, tot bewijs hadde willē gebruycken. Weet ghyluyden beyde dan selve niet dat dit


een openbare calumnie is? Was mijn opset of komste tot Leyden inde Disputatie oock anders, dan om Calvijns ende Beze schriften ende Leere te bethoonen valsch te zijn? Haddet ghy beyde in sulck mijn voornemen te aenhooren ende te weder-spreecken (daer ghyse ghelesen mochte hebben) niet eerst by monde, ende daer na by uwe brieven (die ick noch hebbe) bewillight? Loochent dit, ende ick sal u uwer beyder handen thoonen. Soudy my wel soo puyr dwaes achten, dat ick voor waerheydt ende in plaetse van de heylighe Schrift soude willen ghebruycken der geenre schriften, welcker Leere ick wilde betoonen valsch te wesen? Dit was voorneemlijck de leere Calvijns ende Beze, ende geensins u luyder Leere of u Catechismus, die ick opentlijck voor u verklaerde (eñ dat met waerheydt) doe noch niet te kennen of gelesen te hebben. Dit wist ghyluyden wel: So wist ghy mede wel, dat ick de Dolingen deser uwer vaderen, niet en mochte bewijsen, sonder te segghen; 1 1 Nota Dit of dat schrijft Calvijn of Beza daer. Plat anders getuyght de Godtlijcke Schrifture, dus doolt Calvijn of Beza.
Om nu dese beschaemtheydt der selver uwer vaderen te bedecken, misbruyckte ghyluyden d’Overheydts authoriteyt, soo ick moet gelooven. Maer met wat Recht doch? Doet ghy sulcks als ick teghen u voor hadde, niet opentlijck teghen anderen? Bruyckt ghyluyden of die uwen, nerghens Luthers schriften opentlijck tegen den Lutherschen? U luyder brief op heur Concordie boeck sal’t my betuyghen teghen u ontkennen. Soo bruyckt ghy mede Brentij schriften tegen die Vbiquitarios, Insghelijcks mede der Roomschen Catholijcken. Immers uwen schrijver van den spotlijcken Broer Cornelis heeft gaen speelen, sal alleen meer dan ghenoeghsaem bethoonen konnen, dat ghyluyden sulcks teghen anderen pleeght. Wat recht had ghyluyden dan om dit mijn recht, my te doen benemen, ende my sulcks te doen verbieden teghen u luyden, die sulcks met my waert overkomen? Soo en merckt ghy self oock niet, hoe licht elck uyt dit u eyghen seggen mach mercken, wat vrye Disputatie (Godt wouts) tot Leyden was aengevangen: ende oock dat ghyluyden hier qualijck yet hadden moghen voort halen, dat meer mochte dienē tot uwe beschaemtheyt. Want ick was (so geseyt is) daer gekomen, so ick met u luyden te voren was overkomen, om te bewijsen uytter H. Schrift, dat de leere Calvini eñ Beze vol grove dolingen was in Hooft-saken. Men verboot my tot Leyden hare schriften eñ daer na hare Namen te allegeren (soo ghy selve bekent) oordeelt selve wat dat voor een Disputatie was, ende wat handel sulcx was van Predicanten die hen Euangelisch ende Gereformeert noemen? 2 2 Voor 13.

13.
Daer ghy my hier oock wroeght aen den Heeren Staten van 3 3 Pag. 5. dat ick het bevel der Commissarisen te buyten ginghe met het ghebruycken van een prologhe, (die gheen ses reghelkens schrifts langh en was) ende dit moghelijck (ghy weet dat best) om my wat meer hatelijck by de Heeren Staten te maken, ende te minder de handel die ghy u gheliet te versoecken, voortgangh te doen hebben: En doedy niet anders mede dan ghy u selve meer ende meer vuyl maeckt, ende den menschen plompelijck doet verstaen, hoe onbilligh men my tot Leyden voor ende in de handelinghe muyl-bande, want ick werde van u luyden als ketter-meesters ghehandelt, ende moeste handelen ‘gheen u luyden; verweerders; niet dat my als aen-seggher beliefde. Was ick daer tot Leyden beschreven of gekomen om voor u luyden, als Inquisiteurs, rekeninghe te geven van mijnen gheloove? Geen dingh minder. Ick wiste waerlijck doe ter tijdt niet dat ghy twee ondersoeckers waert vander luyden Conscientien, die onder u Leere niet en stonden. Siet hoe loflijck ghy u selve hier noch eert, daer ghy my pooght te beschuldighen, Als of ick niet bereydt en waere gheweest om van mynen gheloove reden te gheven. 4 4 Pag. 6. lin.4. Hadt ghyluyden mijn ghevoelen of gheloove berispt of aenghevochten? Ghy weet wel neen, maer ick Calvijns. Daer toe was ick beschreven, ende daer toe hadt ghy u verbonden. Verbonden met u beyder handt-tekens om zijn Dolinghen te verantwoorden. Ende om dese te bewijsen, was ick tot Leyden gekomen. Dunckt u luyden dese uwe schandelijcke handelinghe dan noch soo eerlijck, dat ghy met desselfs verhael (hoe wel niet trouwelijck) noch in Druck bestaedt te proncken? Dunckt u dat ick ghesondight hebbe in vijf reghelkens noodtlijck te prologeeren? Hoe mooghdy’t verschoonen, dat Donteklock vermidts het verstommen van u, Arnolde, began te stamelen ende te spreecken in de penne: daer hem niet anders en was gheoorloft, dan u (teghen my alleen) te helpen bedencken ende ingheven? Want niet teghenstaende ick was ghekomen als aen-seggher, ende niet als een biecht-kindt, en bleef ick niet so geheel stom op uwe Magistrale vragen, of ghy Arnolde en verstomde bottelijck des anderen daeghs, als een ghevangen in uwe eygen lagen. Doe stommelde, vraeghde, hemde ende bremde, rabbelde ende brabbelde Donteklock een ure of ander half langhe, dewijle u Arnolde den mondt soo gantschelijck ghesloten was door mijn antwoorde, dat ghy van omtrent half ure thien af tot de Clocke elf toe stillekens sweeght. Wie hadde u Donteklock doe het spreecken voor den volcke gheoorloft? Niemant. Dats daer.

14.
Nopende nu u ydele roem van dat ick soo schandelijck de plaetse gheruympt soude hebben, doet my niet luttel verwonderen. Ick bekenne rondelijck, soo ick die onbillijcke wijse van doen tegen my tot Leyden, opentlijck strijdende teghen alle voorgaende voorwaerden, oock teghen u beyder eyghen brieven (die ick noch hebbe) van te voren hadde moghen vermoeden: dat ick nemmermeer om in soodanighen handel te treden, tot Leyden soude hebben gereyst. Maer sulcks daer bevonden hebbende teghen alle mijn vermoeden (wie soude sulcke onschaemele handelinghe op Predikanten die sich self Ghereformeerdt noemen, moghen vermoeden?) En wilde ick de


Waerheyt die oneere niet doen, van vermits het weygheren van dit soo onredelijcke ende onlijdelijcke Wetten wederomme te reysen, sonder yet te doen ende te versoecken voor den volcke. Alsoo gingh ick die hatelijcke conditie, my inder kameren voor geleyt, aen (hoe willighlijck is licht te dencken) ende dit door’t betrouwen op mijn goede saecke ende opte waerheyt, die ick wiste over mijnre zijden te wesen, op hopen dat u luyder loghen haer selve in’t een of in’t ander, liegen, beddriegen ende te schanden maken soude.

15.
In dese hope en was ick oock geensins bedrogen. Want sulcx gheviel des anderen daeghs. Ghy Arnolde verstrickte u self inde loghen, soo dat ghy voor al den aenhoorders plat laeght verwonnen in’t voetsant. Lieve seght doch, wat ancxte mocht ick doch hebben, om schandelijck wech te loopen voor een vyant die met beschaemtheyt lagh verwonnen? Also gingh ick weder na Haerlem, niet uyt vrese voor mijn verwonnen partije, maer uyt onwil van soo gantsch onbillijcke wetten, diemen my tegen voorgaende voorwaerden daer tot Leyden opleyde. Ende dit nae dat ick mijn werck in’t verwinnen van mijne partijen volbracht hadde, ende na dat ick over luyde ten aenhooren van alle den ommestanders hadde verklaert, dat ick wech gingh in voornemen om daer niet weder te komen. Overmits de Commissarisen by my daer op expresselijck ghevraeght zijnde, niet ghedooghen en wilden dat ick de namen alleenlijck van Calvijn ende Beza mochte noemen. Dit wist ghyluyden, dit schaemde ghy u, ende om dese schande te bedecken quaemt ghy nae den noene ter plaetsen, niet teghenstaende ghy wel wist dat ick al verreyst was, soo socht ghyluyden te schijnen, ‘tghene ghy gheensins en waert. Waert dan niet wel eens tijdt dat ghyluyden u eenmael schaemde dese uwe soo leelijcke ende kenbaere beschaemtheyt tot uwer schanden soo dickmael sonder der eeren verwe te verhaelen?

16.
Hier nae maeckt ghyluyden verhael van mijnen brief in Augusto 79. Aen u gesonden, 1 1 Pag. 6. lin. 6. waer inne ick u aenbiede (nae eenighe beschimpinghen ende calumnien, soo ghy dat dicht) ‘t gheen hier voor numero 5. is verhaelt, ende dit opte wijse by my oock vermeldet in den selven brief, &c. Het is waerachtigh, dat ick in desen brief (sonder alle schamp of calumnien) segghe van u voorghenomen dwangh over de Conscientien, van u advijs aen d’Overheydt, om aen den lijve te straffen om gheloofs saecken, ende van uwe goet-dunckenheydt, dat ghy uwe leere dorft noemen Godes woordt. Rechts of uwe leere ende glofen opte Godtlijcke Schrifture, ‘tselve waren ende soo goet als de Godtlijcke Schrifture selve is, soo dat de ghene die teghen u leere ende glofen spraecken, verachters waeren van den woorden Godes selve. Dat is waerlijck wel wat anders, dan u menschelijck goedt-duncken. Oock segge ick daer, dat ghy’t gemackelijcker acht, dat d’Overheydt, door hare Beudels, dan dat ghyluyden Herders (scilicet ) met waerheydt teghen soodanighen luyden souden disputeren.

17.
Seght nu Arnolde ende Donteklock, wat schimp of Calumnie vindy hier inne? Berispinghen zijnder van sulcke uwe verderffelijcke dolingen, dat bekenne ick. Daer is gheen spot noch schamp, maer een waerachtighe ernst, om sulcks (waert mogelijck) te beletten, of ten minsten den voortgangh van dien bloedt-raedt te verhinderen. Dit weet ick, ende dat sulck mijn berispen waerachtigh was, bewijse ick daer met waerheydt, bereyt zijnde om ‘tselve noch breeder te bewijsen. Tot u onschult seghdy nu, Dat die onderscheydt tusschen die politijcke ende kerckelijcke bedieninghe ghemaeckt is door’t bevel der Overheydt. 2 2 Pag. 6. lin. 8. Soude dat onschuldighen zijn? ‘Tis recht beschuldighen van u selfs, want het maken wort bekent. Moogdy nu bewijsen dat d’Overheyt u luyden bevolen heeft die alsodanigh te maken? Daer in te stellen dat d’Overheydts ampt is de verstoorders van de uytterlijcke Kercken vrede met uytterlijcke straffe, dat is met ghevanghenisse, aen den lyve, oft met gelt boeten te straffen. Heeft d’Overheyt (segge ick noch) u bevolen sulcks daer inne te stellen? Henluyden Executeurs van der Ministeren wreetheyt 3 3 Nota. te maken? Dickmael den lidtmaten Christi aen den lijve te straffen, daermen meynt een ketter uyt te roeden? Komt dese roode inckt niet uyt u luyder snedige koker?

18.
Ontkendt ditte, kondy, ende beschuldight de goedertierene Hollantsche H. H. Staten, met uwe Geneefsche, Calviniaensche ende Bezaensche wreetheydt duncket u geraden. Dan eerst suldy wat schijnen te seggen met uwe onware schijn van onschult, dat die onderscheydt (alsoo) ghemaeckt soude zyn door bevel van haere Edelheyden. Die sullen dan oock des te naeckter konnen mercken hoe schalckelijck ghyluyden bevleckt hare E E. goedigheyt, met uwe bloedigheyt. Wie soude uyt sulck u segghen niet moeten vermoeden, dat ghyluyden sulck u advijs tot nieuwe vervolgingen om saken des geloofs, ghegheven hebt, door bevelen der Heeren Staten? Maer dit weet ick so niet te zijn. Het komt door den uwen.

19.
Daer ghy voordts verhaelt, dat ick my bekklaghe over den Commissarisen op onsen Leytschen handel, is u luyden self best kont, tot wat eynde ghy’t selve hier stelt. Ick heb wel eenige hooren vermoeden dat ghy’t niet en hebt ghestelt om my jonstigh te maecken by den ghenen die van beyden noch leeft. Doch komt dit u jonstigh werck al veel te spade. Want ick selve hebbe my van den selven heuren handel beklaeght, niet achter rugge, maer d’een voor eñ d’ander na onder oogen montlijck aen haer eygen persoonen.

20.
Dat ghy my gedreygt soudet hebben met d’Overheydts macht, ontkendy, maer seght dat ick my daer met hebbe willen behelpen na luyden der woorden mijns briefs: hou-


dende: Weygherdy uwe saken te verantwoorden, ick sal’t moeten klaghen d’Overheyt.

21.
Inden voorsz. mijnen brief hadde ick de voorsz. u luyder aengeheven dwangh over de Conscienten, die onlochbaerlijck blijckt inden voor-ghemelden u luyden onderscheyt, genoemt een Weder-schriftlijcke ende Lantverderflijcke meyninge. Daer voor ben ick noch bereyt die te doen blijcken: t’allen tijden als ghyluyden bereyt sult zijn sulcks te ontkennen. Dit dede u te dien tijde ende (soo ick mercke) doet u noch seer. Sulcx dat ghy daer op tot my schreeft dese woorden: Wy hopen dat mijn Heeren de Staten u voor een oproerder ende Lant-verderver eer sullen oordeelen, (ghelijck zy alreede begonnen hebben) als de ghene van de welcke dat selvighe schrift ghekomen is.

22.
Dat zijn Arnolde ende Donteklock uwe eyghen woorden, onder uwe beyder handtteeckenen in mijnen handen wesende. Wat dunckt u nu? Sijn dat gheen dreygementen van Predicanten die gheen kleyn aensien hebben by den Heeren Staten? Sijn dat slechte dreygementen die by verstandigen te verachten zijn? Daer sal niemant der tijden ghelegentheyt aenmerckende, neen toe segghen. Ende noch dorft ghyluuyden sonder schaemte neen daer toe segghende, de waerheyt weder-spreecken.

23.
Niet uwe persoonen, maer u voornemen van’t Ketter-dooden was by my Weder-schriftelijck eñ Lant-verderflijck genaemt. Daer op vaert uwer beyder vuyrighe grimmigheyt uyt op mijnen persoone, ende hoopt dat die Staten my eer sullen oordeelen voor een Oproerder ende Lant-verderver. Is dat niet een bloetgierighe hope in Leeraren die Christenen willen gheacht zijn? Maer waer met dochte u dat ick waerdigh was om voor een Oproerder of Lant-verderver gheoordeelt te worden? Om dat ick erghens oproer aengericht hebbe? Lieve waer blijckt dat? Nerghens op aerden, dan alleenlijck in uwe hatelijcke herten, tot mywaerts argh denckende daer’t niet en is. Maer wat Lant-verderflijckheydt hebt ghyluyden of yemant ter werelt in my vernomen? Gheen altoos. Dan is den Heeren Staten het contrarie van my opentlijck kondt, als die op mijn selfs kosten tot voorhoedinge van geen kleyn verderf vanden Lande van Hollant, in den Hage ben ghereyst in poste, daer ick sulcken wichtighen ende Lant-nutten sake met waerheyt (die verborghen was) aengaf, dat hare E. E. oorsaecke hebben, om my te bedancken, voor een getrou Patriot te kennen ende een Lant-behouder te noemen. Dats nu wel verde van dat ick een Lant-verderver soude wesen. Doch kan ick licht mercken, uyt wat meyninghe ghyluyden my oordeelt voor Lant-verderver, ende volghende dien doodens waerdigh. Vraeghdy welcke? Ick sal’t u segghen. Ghy hout dat al de gene die u Dolingen derren opentlijck bekent maken tot afkeer ende waerschouwinge des volcx, verstoorders zijn van uwe uyterlijcke Kercken-vrede, Lant-verdervers zijn, ende mitsdien vanghenisse ende lijf-straffe waerdigh, nae de schoone onderscheyt by u luyden of den uwen (ghy schaemt u de maker bekent te staen) gemaeckt vande Politijcke eñ Kerckelijcke Regeringhe. Maer anders dan dit u ongoedigh oordeel in desen is noch (Godt lof) het oordeel der Heeren Staten, die sulck u fel advijs noch niet en hebben willen aennemen ofte voor goet kennen. Dats een.

24.
Een anderen luydet sulck u segghen, van dat de Heeren Staten my doe al hadden begonnen te oordeelen voor een Oproerder ende Lant-verderver, voorwaer al seer weynigh tot eere van de Heeren Staten. Want ghy met sulcx te schrijven hare E. E. opentlijcken beschuldight van Tyrannische onrechtvaerdigheydt. Of ist niet sulcx daermen yemant gantschelijck ongehoort zijnde begint te oordeelen voor een Oproerder ende Lant-verderver? Dit schrijft ghy soo schandelijck als onwaerachtelijck (soo ick moet ghelooven) van soo treffelijcken Collegie ende Regeerders van den Lande. Want de Heeren Staten en hadden my noch noyt verhoort of doen verhooren tot mijne verantwoordinghe op sulcke uwe doodtlijcke Calumnien ofte Valsch-wroegingen. Des niet teghenstaende, soo schrijfdy stoutelijck daer by, dat zy sulcx my te oordeelen al hadden begonnen. Soo hadden de Heeren Staten (nae u schrijven) al begonnen my te oordeelen voor een Oproerder ende Landt-verderver al eer zy my oyt gehoort hadden . Heet dat niet oordeelen eer partije is ghehoort (swijghe volhoort) is dat geen tyrannijcke onrechtvaerdigheyt? Wat sal’t dan doch zijn? Sulcx ontsiedy u niet den Heeren Staten tot te schrijven, ende met u beyder naemen te onderteeckenen. Soo ghy op’t hondertste deel van sulcx yet van my wist: hoe snel souden u voeten loopen om my van Crimen Lesae Majestatis te wroeghen? Die hope van den voordt-gangh van sulck oordeel thoondy daer in u gheweest te zijn. Om wat misdaet doch? Om dat ick tot des Lants nut, sulck u verderflijck voornemen in een besloten brief aen u hadde derren berispen. Was dat mijn doen niet seer Oproers ende Lant-verderflijck? Het diende om u van sulck voor nemen af te doen staen, tot voorkominghe van Oproer ende des Landts verderven.

25.
Dat sulcken hatelijcken hope in u luyder borsten stack teghen my thoonde my u brief, soude ick dan niet konnen mercken, dat ghy my daer dreyght met d’Overheyts machte? Men is immers begheerlijck te doen worden ‘tghene men nae is hopende. Wie benaerstight oock niet vlijtelijck, ‘tghene hy nae hoopt ghy als ghy den brief aen my schreeft? Dat de Staten veel eer my voor een Oproerder ende Landt-verderver souden oordeelen. Hoopt hy niet op’t ghevolgh die nae d’oorsaecke hoopt? Wat soude in desen het ghevolghe zijn van de oorsaecke, te weten van dat de Staten my voor een Oproerder ende Landt-verderver souden oordeelen? Wat anders dan d’Executie van


de sententien, dat is de volghende straf van de misdaedt. Straftmen den Oproerders ende Landt-verdervers oock anders dan met een grouwelijcke doodt ende bloetstortinghe? Doch gheve ick u beyden met ernst te bedencken, 1 1 Joan. 8. 44. wat het voor luyden zijn die vanden Heere den Duyvel werdt ghegeven tot een vader.

26.
Daer ghy voorts pooght te doen ghelooven dat ick met dese mijne woorden (Ick sal’t moeten klaeghen d’Overheydt) 2 2 Pag. 6. lin. 27. wil ghehadt soude hebben, om my te behelpen met d’Overheydt teghen u luyden, op sulcker wijsen alsmen siet dat ghyluyden doet, en sal u niemant in gheloove geven, dan de gene die my voor soo openbaeren dwaes houdt, dat ick soude meynen over mijn zijde teghen u luyden te krijghen, ende u te doen straffen door mijne klachten d’Overheydt: die u houdt voor Sendt-boden ende Dienaren Christi, 3 3 Antwoorde op te Leytsche Remonstrantie d. iiij. verso ende e. verso.jae die (soo ghyluyden self in openbaeren druck hebt verklapt) by Eede belooft hebben te handt-houden de oeffeninghe alleen, van de Ghereformeerde Religie, Vraeghdy my wat ick dan meynde met het sullen doen van de klachten aen de Overheydt? Ick sal’t u segghen. Mijn verstandt in die woorden en was niet anders dan tot quijtinghe mijnre Conscientien, hare E. E. uwe Dolinghen aen te gheven (soo ick in mijnen Brief voor den Proef des Catechismi, daer uyt ghy spreeckt, oock ghedaen hebbe) op hope of haere E. E. door behoorlijcke middelen daer inne soude willen voor-sien, So nu oock begonnen is ghedaen te worden door desen aenghestelden Disputatie in den Haghe.

27.
So bekenne ick nu rondelijck (hebs oock noyt ontkendt) dat ick soo wel, als ghyluyden u teghen my ende teghen alle Landtsaten, de selve ende oock my teghen u luyden hebbe willen behelpen met d’overheydts machte, maer dit tot heel verscheyden eynden. Want daer ghyluyden listelijck arbeyt om d’Overheydts macht soo te misbruycken, datse blinde Executeurs van uwe voornemen: Jae dat zy metten swaerde souden beschermen uwe verderflijcke Dolinghen, ende sonderlinghen uwe roode Opinie van aen den lijve te doen straffen, die met weder-spreecken of berispen (met gheweldt en tast u niemant aen) van uwe weder-schriftlijcke Opinien uwe uytterlijcke Kercken-vrede verstooren: Daer aebeyde ick over d’ander zijde oopenbaerlijck met wettighe middelen, dat u alleen niet de macht in gheloovens saecken over allen anderen en soude werden ghegeven; maer om door kennisse van saecken dat d’Overheydt haer macht te recht mocht ghebruycken tot voorhoedinghe van sulck u voor-ghenomen Ketter-dooden, dat is, van uyt een goede meyninghe Christenen in plaetse van Ketters te dooden, ‘twelck niemandt die verstandigh is, immers ghyluyden oock selve niet, en loochent te zijn geweest de Hooft-oorsake vande verderffelijcke beroerten der Nederlanden.

28.
Nopende het weygheren van u Leere te 4 4 Pag. 6. lin. 30. 33. verantwoorden teghen my, is hier voor numero 8. ende 9. al beantwoort, ende moet hiet ter plaetsen alleenlijck noch dat seggen; dat u des waerheyts krachte hier bedwonghen heeft teghen u dancke haer te belijden; soo dat ghy hier naecktelijck bekent, ‘tgheen ghy een bladeken voorwaerdts, even soo naecktelijck loochent: ende my om ‘tghene ghy selve hier naecktelijck bekent, voor onwaerachtigh scheldet. Soo leelijck nu dese loghen-vlecke is voor u luyden, die u uytgheeft voor Leeraers der Waerheydt: soo onmoghelijck ist u luyden dit leelijcke vuyl met alle’t water ende zeepe vander wereldt af te wasschen. Want daer ghy hier voor gheseyt hebt dese woorden, 5 5 Pag. 4. 25. Op dat V. E. sien moghen hoe onwaerachtigh het zy dat hy ons beschuldight, dat wy niet bereydt souden gheweest zijn redene te geven van onsen gheloove. Seghdy nu plat contrarie de voorsz uwe onwaerheydt dese waerheyt. 6 6 Pag. 6. 31. Voorts soo veele zyne presentatie belanght. Wy bekennen die afgheslaghen te hebben, maer dat niet sonder wichtighe oorsaken. Daer mooghdy nu smaken het soete water des waerheyts, ghevloten uyt uwe selve monden, 7 7 Jac. 3. 11. daer het voor-ghemelde bittere water des onwaerheyts oock uyt was ghevloten.

29.
Hier nae ghyluyden willende reden gheven 8 8 Pag. 6. 33. van sulck af-slaen of weygheren van u Leere tegen my te verantwoorden, brenghdy voort vier Redenen, te weten d’eerste, 9 9 j. om dat ghy’t onredelijck achte met my in schriftlijcke handelinghe te treden, om dat ick de schoone gheleghentheydt tot Leyden verloopen hadde. De tweede, Om dat ick in weynigh tydts veel boecken kan schryven: 10 10 ij. Pag. 7. iij. iiij. De derde, Om dat myn penne bulderigh ende bitter soude zijn: Ende ten vierden, Om dat ick de heylighe Schrift, Calvijns ende Bezæ oock u luyder schriften ontrouwelijck soude handelen, ende de selve dickmael niet verstaen en wil.

30.
Antwoorde. ‘Tis niet ghenoegh, dat ghy opentlijck belijdt my af-gheslaghen te hebben u Leere teghen my te verantwoorden, ‘twelck ghy hier voor (so nu ghehoort is) openbaerlijck hebt derren loochenen: maer ghy stelt hier noch by d’oorsaecken, waerom ghy my sulcks af-sloeght. Hy bekendt immers den doot-slagh, die daer seyt waerom hy den Man heeft doot geslagen. Siet hoe weynigh wercx ghyluyden maeckt van een selve saecke nu te ontkennen ende dan weder te kennen. Siet alsoo kome ick nu op uwe vier voorsz oorsaken, ende eerst op d’eerste.

31.
D’eerste is, dat ghy seght dat ick verlopen hadde van selfs, die schoone gelegentheyt, 11 11 j. Pag. 6. 36. die my by d’Overheyt gegunt was, om mondelijck voor de gantsche werelt u Leere te mogen bevechtē. Dit schrijft ghy so onwaerachtelijck als onschamelijck. Hadde ick oyt begeert of versocht u Leere aen te vechten? Ghy weet wel neen. Hoe mocht my dat dan ghegunt zijn? Was mijn voornemē voor die tijt of doe


oyt gheweest om u Leere aen te vechten? Ghy weet self wel neen. Ghy selve weet dat ick rondelijck daer tot Leyden seyde dat ick u Catechismum noyt ghelesen en hadde (dit was oock waerheydt) ende dat ick u Leere (gemerckt ghy ontkende Calvinisten te wesen, om wiens Leere te bevechten, ende ghy te verantwoorden, wy daer waren gekomen ende overkomen) niet en kende. Soude ick dan soo puyr geck zijn van een Leere te willen aenvechten die ick self opentlijck bekende niet te kennen. Wat magh ick door dit u opentlijck onwaerheydt schrijven, nu doch anders in u kennen, dan een dierlijcke onschamelheydt die teghen de openbare waerheyt, teghen u eygen conscientien, ende tegen alle eerbaerheyt niet en schroomt u even Mensche aen den Heeren Staten in druck voor alle de werelt met wil, weten ende opset te calumnieren? Is dit dan de schoone ghelegentheyt die ick verloopen hebbe, dat ick Kalvijns noch Beze namen niet en moeste noemen, veel min haer schriften voordtbrenghen om die te berispen? Was ick daer toe gekomen? Haddet ghy om die (daer ghyse ghelesen mochte hebben) te verantwoorden, u niet verbonden met u selfs handen (by my noch zijnde) bewillight? Dronght ghy my niet door Commissarisen, dat ick u beyden (als mijne Ketter-meesteren) moeste antwoorden ende biechten op uwe vraghen ende voort-stellen? Was ick tot dien eynde beschreven eñ gereyst tot Leyden? Ende noch dorft ghy hier als met een stenen voor-hooft segghen, dat ick soo schoonen ghelegentheyt verloopen hadde. Is dit al een schoone Reden van de voorsz uwe geloochende ende bekende weygheringe? Doch, wat hier af is, heeftmen moghen sien oock hier voor ende mede inde gedruckte handelinge vande Leytsche Disputatie. O schone Disputatie! Heere God, haddet ghyluyden my (hoe wel uyt alle recht ende billigheyt ghedrongen zijnde) verstomt, gelijck ick u Arnolde, na al u wensch in u onbilligh voordeel beschanst zijnde, verstomde: hoe soudy dan triumphe singhen, naer dien ghy’t u nu in uwe onlochbare beschaemtheydt u niet en schaempt in openbaren druck te singen. Nu gingh ick met eeren wech ende liet u met schanden daer. Noch roemdy u in uwe leelijcke beschaemtheydt. Dat zy hier toe gheseydt op dese uwe eerste schoone Reden, daer door ghy u laet beduncken te recht af-gheslaghen te hebben u Leere teghen my te verantwoorden.

32.
Laet ons nu ondersoecken de tweede Reden. 1 1 ij. Die en is niet een hayrken minder tot uwer eyghen schanden, maer grootelijck tot mijnder eeren. Want ghy zijt soo onwijs, dat ghy tot dit sot bewijs allegeert u eygen schandelijcke traegheyt, ende mijne wackere vlijte in Godtlijcke saken. Eert ghy onbedachte luyden my niet buyten u weten ende tegen u wil, dat ghy my so naerstigen, vlijtigen, ende willigen yver toe schrijft, in’t spoedelijck schrijven van vele boecken, (tot stichtinghe mijns Naesten) op mijn selfs kosten tot mijn eyghen schade, tot meerderinge van vele ende moghende vyanden, alleenlijck tot minderinghe van ander luyden gevaerlijckheyt haerder zielen? Doet ghyluyden u selve niet groote schande aen, dat uwer veel gheleerde Predicanten wesende, niet een eenige Predicant en weten uyt te leveren, om op uwe weddens, buyten alle ghevaerlijckheydt eenen eensamen Idoit met waerheyt schrijven, te beschamen? Of ist eens Krijchs-mans eere die Soudye wel, maer den strijt niet te willen? Of ist u luyden eere uwe gheleerde waerheyt, hebdyse anders, te mistrouwen; teghen mijne ongheleerde loghen, soo die by my is? Of soudy wel te trage zijn om stadelick waerheydt, hebdyse, of te eerbaer om de logen, die by u is, te verantwoorden? Is dit laetste, so roept wederom hier te Velde uwen onschamelen Voor-vechter van de loghen Daneum. Want die derf wel stoutelijck met openbare Calumnien, met valsche loghenen, ende met spotlijcke versieringhen stryden. Dit doende mooghdy een schoone victorie verhopen. Dats nu oock genoegh van dese uwe schoone tweede Redene.

33.
Nopende de derde, 2 2 iij. soude mijn bulderighe ende bittere penne zijn. Seker, indien mijn penne sodanigh is. Wat mach lichter vallen voor u sedighe ende geleerde penne, dan sulcx te bewijsen, my te schanden te maken, ende my soo alle gheloof by den Menschen te benemen? Soude sulcx geen nut werck wesen? Sydy dit niet te doene schuldigh? Maer hoe soetgens u luyder penne is, int aenraden van de straf van uwen Kercken vrede-stoorders, door u quaet toeverlaet opten Heeren Staten, blijckt uyt dit u voorsz aenseggen, maer’t bewijs sietmen niet. Maer wel blijckt de galle van u penne inde voorsz uwen brief aen my, ende oock niet weynigh in dit u teghenwoordige Libel Fameux, dat ghy noch hebt derren schrijven aenden H. H. Staten. Recht of die niet en verstonden wat straf die beschreven Rechten daer op stellen, ende oock of ghy u sulcx verliet op haer gunst tot u, dat u oock het Naem-schenden in ghedruckte boecken gheoorloft ware. Ick swijge noch die vryheydt uwer ruymer Conscientien in desen blijckende, als oft u geē sonde en ware uwen even Naesten met valsche tuygenisse te beswaren. Oock tegens de Leere uwes Catechismi, 3 3 Antwoort op de 112. vraghe.. welcks Leer ghy my thoont te beleven: als te yveren om hare ende uwe grove Dolinghen voor te staen. Wildy bewijs? Neemtse onlochbaerlijck alleē uyt dit u Libel Fameux selve. 4 4 Pag. 8. lin. 15. Daer scheldy my onbedecktelijck voor een weder-spreker der Waerheyt (ghy meent van u onbewesen opinien) Voor een ketterschen mensche, op gheblasen, onwetende eñ uytsinnigh in questien: Daer klapt ghy van Coornherts Sophisterijen, partijdigheyt ende roem-gierigheyt: 5 5 Pag. 9. 1. Daer verhaeldy (als oft waerheyt waer) 6 6 Pag. 10. 1. dat my niet veel aen de Leere is gheleghen, ende dat ick weynigh wercks make dat der menschen verstanden met secterijen vergiftet werden: Eñ (om hier inne te eynden) daer versiert ghy dat ick de oude ketterijen Pelagij ende Celestij weder aen den dagh help brenghen. 7 7 lin. 18. Pag. 15. 18.
Dat ghy sulcke bloemkēs van my schrijft, is niet alleen gheseyt, maer oock gesamelijck by my uyt u ghedruckte schrift bewesen, elck macht sien ende lesen. Soudy nu de Waerheyt hart noemen, indien ick dese uwe penne hielt voor bitter als de doot. Ghy mooghtse


soo vriendelijcken name gheven alst u goet dunckt, maer soet noch beleeft en moogdyse met waerheyt geensins noemen. Waar leesdy sulcke hatleijcke ja dootlijcke woorden in mijne schrijften teghen u? Teghen u die ick al veel meer dan ick aentije, kan overkennen, daer ghy geen der voorsz stucken (soudy aen’t bewijsen moeten) my en mooght overkennen, uyt-ghesondert dat ick (noch oock ghy u selve niet) my niet al en mach ontschuldigen van onwetenheyt. Moet ick dan altijdt u sonde boeten? Soo moest oock het Schaep dat beneden uyten Revier dranck, van’t ander Dier (wiens quijle voor des Schaeps monde afdreef) de schulde dragen van zijn water vuyl ghemaeckt te hebben. Waer’t (soo ghy calumnieert) Dat ick weynigh wercks maecte van dat der menschen verstanden vergiftet worden. Ick en soude nemmermeer tegen Heyndrick Niclaes &c. Vader van’t huys der Liefden, ende anderen geschreven hebben. Tot welcks schadelijcke Dolinghen u luyder groote Liefde totter Menschen wel-varen, in u ghemackelijcke ruste tot noch toe wel heeft konnen swijgen, ende al stillekens ‘tverleyden der onwijsen zielen konnen aensien. Immers soo ick soo weynigh wercx maeckte van’t vergiften der Menschen verstanden, als ghy my op dicht (jae als in u luyden uyt dit u eyghen schrift opentlijck blijckt) nemmermeer en soude ick het perijckele, den Naemschendinge, den ondanck, kosten, schaden ende moeyten, by my voort beginnen al wel voorsien wesende, ghetroost zijn gheweest om uwe Leere in hare Dolingen soo opentlijck ende vrymoedelijck te berispen. Dus en mooghdy gheensins van my, maer wel te recht van u selve met kenbare waerheydt segghen, dat ghyluyden weynigh wercx maeckt, van dat der Menschen verstanden vergiftet worden. Want dit bethoondy niet alleen aen’t Huys der Liefden, aen David Joris, ende Arent Barents secte. Daer toe ghyluyden hebt gheswegen, ende ick daer teghen gheschreven, maer oock mede alhier, daer ghy u self soo traghe bethoont ende arbeyt-vluchtigh, in’t beschermen van u eyghen Leere, die ghy hout voor de ghesonde, ende mijne schriften voor venijn. Want wat wendet ghyluyden (O traghe Mannen) doch anders voor, dan u trage vreese voor de moeyte van’t verantwoorden uwer Leere, teghen mijne vlijtige aenvechtinghe der selver? Wat anders geefdy oock te kennen met u hope, 1 1 Pag. 8. 34. Dat de Heeren Staten de saecke by der hant nemen, ende self een eynde sullen maecken van dese uwe moeyte van schrijven? Souden dat de Heeren Staten self doen, dat soude niet met disputeren, maer met authoriteyt zijn. Soo en behoefde ghy’t niet te doen met u Leere te verantwoorden. In dese uwe hope soudy niet heel bedroghen zijn, soo de Heeren Staten uwen advijse volghende, alle de genen die door schriften of anders met weder-spreken van uwe Leere ende onghesonde Opinien, uwe uyterlijcke kercke verstooren, bestonden te doen vanghen ende aen den lijve te straffen. Maer teghen dese uwe hatelijcke hope, hopen alle Godt-vreesende luyden ende vrome Gereformeerde, dat ghy in u hope bedrogen ende in sulck u dootlijck advijs gheven, niet ghelooft en sult worden by den Heeren Staten, die te wijs ende te vroom zijn, Dan datse Executeurs souden willen werden van ander luyden wreetheydt.

34.
Een vierden ende laetsten was u reden 2 2 iiij. Pag. 7. en 8. van u Leere niet tegen my te willen verantwoorden, dat ick Wt der Schriftuere niet rechtsinnigh handele, dat ick seer ontrouwelijck misduyde eñ stommele uwer Leeraren schriftē, eñ meest arbeyde om Calvijn, Beza, ende andere Autheuren tegen u ende haer selven stridigh te maecken. Seght my doch Arnolde ende Reynier, waer is dit u eerste seggen ghebleken? Tot Leyden? Geen dingh minder, Ick moester niet een van Kalvijn of Beza voortbrenghen. Waerom en bestondy’t daer niet te bewijsen? Wast niet d’oorsaecke van onse t’samen-kompste? Hadt ghy niet aenghenomen Kalvijns schriften (daer ghy die gelesen mocht hebben) te verdadighen? Hadt ghyluyden u daer niet al op gescherpt? Of schreeft ghy sulcx niet aen my, noch onlanghs voor’t aenvanghen van den handel tot Leyden? Soudy dit willen loochenen, u beyder hantschriften sullen sulck u loochenen, loochenen ende te schanden maecken. Daer soudy’t bewesen hebben dat ick ontrouwelijck Kalvijns ende Beze schriften handele. Want dit soude noch eenighen schijn hebben moghen gheven, tot dat onbilligh verbodt my op geleydt, dat ick haer schriften niet en moeste voort-brenghen. Of was u doe noch onbekent, dat ick soo ontrouwelijck met die uwe vaderen schriften handelde? Dat mooghdy niet segghen. Want ghy hadt in mjn gheschrift, Tilio ghelevert, nu al gesien hoe ick Kalvijns schriften handelde. Of hadt ghy doe noch oock niet al ghelesen mijne drye gedruckte boecxkens van de Toelatinge tegen Kalvijn ende Bezam. Waerom versuymde ghyluyden doe aldaer tot Leyden die schoone ghelegentheyt, om sulcke mijne onghetrouheyt tot mijnre beschaemtheyt voor den volcke te doen blijcken? Of waerdy doe met my soo te lijden, dat ghy mijnre verschoonde met waerheyt te beschamen, daer ghy nu met u self soo weynigh te lijden zijt, dat ghy niet en schroomt u self met openbare onwaerheyt te beschamen, alleen op hope van my teghen de waerheyt te beschamen? Wilt ghy Predicanten dan nemmermeer mercken op t gene ghyluyden schrijft of te laet drucken? Of acht ghy alle Menschen voor louter sot ende sonder alle vernuft, ick swijghe kennisse der waerheyt? Of laet ghyluyden u beduncken dat al u segghen ghenoeghsaem daer mede is bewesen, om dat het Arnoldus ende Donderklock segghen ende dichten? Dit schijnt wel doorgaens in u luyder schrijven. Ende hier inne volght ghy meesterlijck de Rethorijck van uwe Geneefsche Leeraren, ende sonderlinghen van haren vermaerden Leerjongher in die Conste Lambart Daneus. Maer dat ick Kalvijns ende Beze woorden wel verstaen eñ getrouwelijck voort-brenge, was by u beyden soo wel verstaen int voorghemelde gheschrift by my Tilio ghelevert: dat ghy daer uyt oock lichtelijck verstondt, wat ick vermochte tot bewijs van Kalvijn ende Beze leelijcke ende verderflijcke Dolinghen. Wie weet nu beter, dan ghy beyde self, of dit de rechte oorsake was dat my tot Leyden in de besloten kamere verboden werde (tegen onse voorgaende bedonghē voorwaer-


den) Kalvijns ende Beze schriften voort te halen? Daer hebdy nu uwe treflijcke Redenen, waer door ghy hier wilt den Menschen vroet maecken, dat ghy te recht weygherde uwe Leere tegen my te verantwoorden.
Hier van pooghdy oock doorgaens in u Schijn-wederlegh op mijn Proeve my te beschuldigen, maer nerghens vermogen te bewijsen. Maer hoe ick u die ontrou al aengheseyt ende metter daet bewesen hebbe in mijnen voort-gangh, sal nu eerst te recht gesien moghen werden.
Dan dat ick poghe te bethoonen dat Leeraren schriften strijdigh zijn, en heb ick noyt ontkent. Dees arbeyt en valt my oock niet swaer, maer licht. Gemerckt den onpartijdighen ooghen in’t lesen van Kalvijn ende Beze schriften heure verwerde strijdigheyden tot allen plaetsen soo menighvuldelijck van self in’t gemoet loopen, datmen niet eens nae behoeft te soecken. Dit bewijs is hier onnodigh, want het is soo ghedaen in dat voorghemelde mijn geschrift dat ghy’s niet meer en sult begheeren.
Maer wildy weten waeromme ick henluyder strijdigheyden mitsgaders oock de uwe ontdecke, ick sal’t u gaerne seggen. ‘Tis ghedaen uyt liefde tot mijn even mensche. Die saghe ick gaerne voorhoet voor verderffelijcke verleydinghen. Daer voor kanmensich best wachten, alsmen de blintheyt der Leyts-luyden kent. Wat blinde sal willigh de hant bieden een leyts-man om af geleyt te worden, dien hy verstaet oock selve blint te wesen? Gheen, ten waer hy begheerde met hem in den gracht te vallen.
So nu yemant die self zijn blintheyt kent, ende met opmercken aenhoort dat de ghene die sich Leyts-luyden der blinden roemen te wesen, onderlinghen twisten om de verwen, jae oock elck met sich selve, segghende d’een blauw te wesen dat d’ander gheel noemt, Ja elck hem selven daer inne weder-spreeckende nu blauw seydt dat hy terstont weder gheel seydt te wesen: sal’t hem waer om verstaen vallen dat dese ghewaende Leyts-luyden soo wel blint zijn als hy selve is? Jae soo veele noch te blinder dan hy self is, om dat hy zijn blintheyt kent, maer dat zy blint zijnde, wanen datse sien? Siet nu, dat is de rechte oorsaecke daeromme ick bewijse, ende mijnen even Naesten kont make, dat uwe Leeraren onderlinghen, ende elck teghen sich self strijdigh zijn, ende dat in Hooft-saecken. Daer aen licht gemerckt kan worden, of zy siende dan blint zijn, ende oock of zy bestiert werden van den eenvuldighen Ware gheest, dan vanden menighfuldigen Werre-geest.

35.
Waer nae ghyluyden dese uwe spotlijcke Redenen, als of die wonder treffelijck waren, besluytende: seghdy totten Heeren Staten als met een Epiphonema: Hier uyt laten wy nu uwe E. self oordeelen met wat reden dese mensch ons beklaghen mach, dat wy ons ghelove ende leere niet souden hebben dorven verantwoorden, ende wat ghelove hy behoort te hebben in de reste, na dien hy hier inne bevonden wort soo onwaerachtigh te zijn.

36.
U dickmael proncken met u eygen schande, doet my, u dickmael onwaerheyt spreecken, dickmael voor sulcx blijcken. 1 1 Nu. 8. 5. 9. 18. Is niet hier voor doorgaens uyt u eyghen bekentenisse met uwe klare woorden klaerlijck ghebleken, dat ghy onwilligh zijt gheweest uwe Leere teghen my te verantwoorden? Steldy niet terstont hier voor noch d’oorsaecken of redenen, waer door ghy’t selve weygherde? Ende al dit niet tegenstaende, dorft ghy hier noch vragen, wat ghelove ick doch inde reste behoore te hebben, na dien ick hier inne werde bevonden soo onwaerachtigh te zijn.
Hier uyt mach nu die ooghen heeft, sien wat de partijdighe blintheyt of de vergheten eerbaerheyt vermach. 2 2 Nu.4. Mijn aenseggen dat ghy niet bereyt en zijt gheweest u Leere teghen my te verantwoorden, ontkendy ront uyt. 3 3 Nu. 18. Terstont was dat vergheten, soo dat ghy’t selve weder ront uyt bekendt, dit is Neen ende Jae gheseyt tot een selve saecke. Sijdy soo blint dat ghy dat niet en saeght: hoe mooghdy u voor Leyts-luyden uytgheven? Saeghdy’t dan oock wel, sonder u nochtans te schamen: waer is u eerbaerheydt? Waer was u vreese voor schande (ick swijge vreese Godts) dat ghy in soo plompen onwaerheyt openbaerlijck schuldigh blijckende, des al niet teghenstaende noch al bestaet my, om de waerheydt gheseyt te hebben volghens u naeckte bekentenisse van u onwaerheyt, te beschuldighen, ende alsoo u self onwaerdigh bevindende in de reste van u Calumnien eenich gheloof te hebben, arbeydy my, om waerheydt gheseydt te hebben, alle gheloof-waerdigheyt te benemen.

37.
Ghyluyden self wel merckende dat uwe voorsz Redenen van onschult uwer weygheringe van u Leere tegen my te verantwoorden niet en dochten, pooght u te behelpen met een ander, niet een aesgen swaerder van ghewichte wesende: Welck is dese: Dat de Predicanten niet ghehouden of ghestelt zijn altijts bereyt te staen te weder-leggen met boecken al dat die weder-sprekers in’t pampier kladden: of altijdts in nieuwe Disputatien met haer te treden.
Is mijn segghen maer kladderije, soo en behoevet gheen antwoorde: ist loghen met listighe waerschijnlijckheydt vermomt, soo behoevet ware antwoorde tot beschaemtheyt van de ondeckte loghen, maer ist dan oock waerheyt, so behoortmense te belijden. Ghyluyden staet my toe Der Leeraren ampte te zijn dat zy wackerlijck tegen den ketteren strijden: Dit strijden doen de Leeraren metten woorde der Waerheydt: niet die Beudels metten gheweldighen swaerde; te weten niet handelijck met overweldigen, maer verstandelijck met montlijck of schriftelijck disputeren. Soo moghen dan de Leeraren van’t disputeren rusten, als die Ketteren van Dolinghen te leeren rusten.
Maer wanneer heeftmen sulcks hier ter werelt te verwachten? Nemmermeer. Soo en hebben dan de waere Predicanten oock langhsaem rust van’t disputeren te verwachten. Want daer moeyten argernissen zijn, so rijsen stadelijck op nieuwe Ketters ende Dolingen. Teghen de selve moetmen dan oock ghestadelijck in nieuwe Disputatien treden. Of anders moetmen metten huerlinghen de moeyten vlieden, den Schapen verlaten, eñ die den Wolven ten besten geven.


Merckt ghy nu noch niet wat het weygeren van met disputeren de Leere te verantwoorden, van soodanighe Leeraren te kennen gheeft? De H. Schrift sal’t u wel seggen. 1 1 Ezech. 34. 2. Namentlijck dat zy hem self, maer niet de kudden weyden. Dat zy de melck eten, sich mette wolle kleeden ende het vette slachtighen: maer de kudde des Heeren niet en weyden. Leeft voort, zy zijn daer eyghentlijck af ghemaelt. 2 2 Johan. 10. 10. Christus self noemt soodanighe Herders dieven, komende om stelen, dooden ende verderven, oock huyrlinghen die siende den Wolf komen, de Schapen verlaet ende vluchtet. Want het loon, niet de Schaepen, gaet henluyden ter herten.
Dit is opten Predick-stoelen by qualijck ghestudeert te hebben, u luyder weerveers vander Catholijcken Pastooren: Sout ghy self niet mijden ‘tgheen ghy in anderen lastert? Nochtans alsmen waerheydt sal segghen, betaemdet den Catholijcken soo wel na haer leere. Sy houden dat haer kercke nerghens inne en mach dolen: derhalven wilden zy haer leere door’t treden in eenige Disputatie niet stellen in twijfele.

38.
Maer ghyluyden bekent selve (oock terstondt hier nae (dat in u Kercke soo wel valsche leere kan in kruypen alsse in de oude ghekropen is, ende dat yemandt daer inne bevindende onsuyverheyt, de selve onverbeurt mach ende behoort aen te wijsen. Hoe kan’t u luyden dan voeghen het disputeren af te slaen. Als dan yemant onsuyverheydt in u Leere bevindt ende die aenwijst: moet daer nootlijck gheen disputeren vallen, wanneer de hoofden van u Kercke sulcx niet en konnen of niet en willen verstaen?
Ick sie nu leelijcke onsuyverheyden in u Leere, die wijse ick u aen in velen stucken. Doe ick daer aen, dat ick (na u selfs seggen) behoore te doen? waerom beschuldight ghy my, om dat ick doe’t gheen men behoordt te doen? Maer seghdy’t voorsz in den schijne metten monde, teghen u ghevoelen in ‘sherten gronde: hoe suldy u selve van beveynsde dubbeltheyt, die jae seyt ende neen denckt, moghen ontschuldighen?
Ick berispe u Leere, ende dat niet in luttel noch kleyne stucken. Doe icks’t onrecht, waerom beschaemdy my niet? Doe icx recht, waerom belijdy u Dolinghen niet? Wy begonsten te handelen van de uyterlijcke Kercke met desselfs merck-teeckenen by u selfs voor-ghestelt, daer bleefdy verstomt zijnde in steecken, maer de Commissarisen bestonden met dreygementen voor u te spreken.
Daer nae hebben wy ghehandelt van de Erf-sonde, daer af, ende gheensins van’t Ketter-dooden, wilde ghy handelen, maer alst aende knoope quam, scheyde ghy met een halve antwoorde uyte begonnen Disputatie. Ten laetsten souden wy handelen vande ghehoorsaemheyt Godes. Ende ghy zijt de luyden die daer dorft segghen, Dat ghy niet schuldigh en zijt bereyt te staen om altijdt in een nieuwe Disputatie te treden? Dat schijnt wel den wegh bereydt te zijn om den H. H. Staten te bepraten, voor u in de Disputatie te treden met de groote Alexander middel om alle twist-knoopen lichtelijck te ontbinden, u de moeyten af te nemen, ende door’t ontsich alle Disputatien te doen eynden. Dit geefdy terstont hier onder ghenoegh te kennen u hope te wesen, daer ghy seght totten H. H. Staten: Ten waer dat uwe E. E. de sake by der handt nemende, &c. Want het is der H. H. Staten werck niet mette Schrift te diputeren, maer met ghebieden te regheren.
Watte? Als dese af-ghedaen souden zijn, die nu al tusschen ons in geschille staen: soudy dan noch wel derren weygeren te treden inde Disputatie vande Vrye wille? Vande Predestinatie? Van de Justificatie? Vande Sendinghe? Van de Overheydts macht teghen de verstoorders der Kercken? Dit souden al’t samen nieuwe Disputatien zijn. Hier inne te treden hebdy met uwer drye Predicanten handen uyt den name van uwe Ghemeente aldaer, ende met bewilliginghe uwes Kercken-raets belooft ende u toe verbonden. Dit u schrift mach ick u thoonen. Of soudy alreede in’t beginne des strijts, sonder noch een eenigh stuck van alle de voorghemelde voleyndight te hebben, wel strijdens sat zijn. Men wort veel eer arbeytsaeme moeyten, dan lustigh ghemack sadt.

39.
Hier komt noch een ander blancketsel van uwe leelijcke traegheyt voort. Daer buyghdy een Schriftlijcke sproocke tot verschooninge van sulcke uwe onwilligheyt in’t verantwoorden van uwe Leere teghen my, ende drayt die gheweldelijck op de qualiteyt van mijnen persoone. Hoedanigh soude die zijn? Opgheblasen, onwetende, uytsinnigh in questien, ende (dit moester by zijn) een Kettersche mensche. Meyndy hier mede niet my, wat brenghdy’t te vergheefs in op my, met wien te handelen ghy u onverbonden wilt achten. Door sulcx? Meyndy dan hier met mijnen persoone (soo men moet ghelooven Jae) soo oordeelt ghy my sodanigh te wesen (siet hier u soete pennie) uyt waerheydt, of uyt loghen. Niet uyt waerheyt. Want ghy bekendt hier selve, dat ghy my noch niet en hebt overwonnen van ketterije. Seght nu Mannen, voeghet u sonder waerheydts kennisse soo verdoemelijcken oordeel over yemanden te gheven? Doedy’t hier niet opentlijck in dit openbaere Libel Fameux? Maer, seghdy, ten heeft aen u luyden niet ghebroocken tot Leyden, daer ghyluyden my het hooft bodet. Waerom seghdy hier niet: daer wy luyden met schanden verstomden? ‘Tis waer, ghyluyden boodt my tot Leyden ‘thooft, maer dat met sulcke veranderinghen van Conditien teghen ons overkomste, als voor ghehoort ende bewesen is. Waren oock; behalven al dat u arghlistigh voordeel; uwe hoofden die ghy my daer boodt, soo verstandigh gheweest, als onbedacht, nemmermeer en waerdy in uwe eyghen stricken soo bestrickt geweest. Soo en ghebrackt niet aen uwen wil, maer aen verstant; dat ghy my niet en overwont, maer ick u. Maer laet ons nemen dat het aen u niet en heeft ghebroocken, dat ghy (soo ghy seght) my noch niet en hebt verwonnen van ketterije so bekendy immers sulcx. So bekent dan mede dat ghy hier voor d'overwinninge victorie droomt: dat ghy my hier voor’t volhoren voor een ketter veroordeelt, ende aende


H. H. Staten beschuldight: Ende dat ghy met dit u soo openbaerlijck Calumnieren in soo wichtighen saecke handelt onchristelijck, schandelijck ende lasterlijck. Heeft de Ghemeynte Godes dan oock de ghewoonte van soo vermetelijck yemanden onvolhoort voor een ketter te veroordeelen? Is Augustinus in uwen oordeele een kijver gheweest om dat hy het meerdeel zijns levens teghen de ketteren met disputeren heeft gheschreven? Voorts so merckt eens op ustalen argument dat aldus staet: Alle die een ander ergens ‘thooft bieden in een Disputatie, die overwinnen haer partije: Wy hebben Coornhert tot Leyden ‘thooft gheboden, daer uyt volght dat wy Coornhert verwonnen souden hebben waer hy daer gebleven. Is dit niet een schone ende vaste bewijsinge dat Coornhert een ketter is, dat hy opgheblasen is, dat hy onwetende ende uytsinnigh in questien is. O subtijle Disputanten.

40.
Daernae seghdy: Dat ghy hoopt dat die Heeren Staten ter oorsaecken van dit mijn boecxken, de saecke self ter hant nemen ende daer van een eynde maken sullen.
Jae Mannen, dit eynde maecken schijnt niet duysterlijck het eynde ende die verhoopte vruchte, daer toe ghy dit Wroegh-schrift hebt begonnen, of ghy u schoon recht anders ghelaet. Maer wat middel wijst ghy hier toe, den Heeren Staten aen? Dat zy in u luyden Ampt tredende tegen my met de heylighe Schrift de Dolinghen uwer Leere souden verantwoorden? Dat en is haer Edelheyts werck niet, dat zy my onverhoort op u bloot aensegghen ende Crucefighe roepen door den Scherp rechter doen swijgen? Dat waer teghen’t behooren nae u eyghen seggen in dit u Libel van dat yemant onsuyverheydt inde Leere bevindende, sulcx behoort aen te wijsen onverbeurt. Men mach immers niemant wettelijck verbieden te doen dat hy behoort te doen. Het waer oock onbehoorlijck u luyden te doen breken u belofte. Welcke? Dat ghy af-ghehandelt zijnde, het stuck van de Erf-sonde dan voordt Soudet handelen schriftelijck (sonder aensien van wien dat quame) van den Vryen wille, Predestinatie, Iustificatie, Sendinghe, ende macht des Overheyts. In’t handelen vande Erf-sonde (‘twelck ghy ten halven laet steecken) hebdy wel behooren te verstaen dat dit disputeren soo haeft geen eynde en soude nemen: Hoe mooght ghy nu dan verhoopen Dat d’Overheyt dese saecke by der hant nemende, een eynde daer afmaecken, ende ghyluyden van’t moeyelijck disputeren verlost wesen sout.

41.
Hier komt noch een ander deck-mantel van u traegheyt voort: te weten, vreese voor veelheydt der boecken ende loeyheydt des volcx, ende Daerom hebdy gheweyghert (soo ghy seght) alle mijn geraes te beantwoorden.
Dit weygeren hebdy hier voor opentlijck gheloochent. Dit schaemdy u, dit quelt u, ende moet ghy dit noch nootlijck doorgaens bekennen, als oock hier. Bekendy’t hier niet opentlijck gheweyghert te hebben? Maer’t ghelochende seydt belijdende, seghdy weder reden waerom ghy’t weygerde. Mijne schriften daer met ick u Leere berispe, noemdy geraes: ende die boecken souden te vele worden voor den volcke om lesen. Hier schijndy vele wijser dan d’oude Vaderen, oock u Geneefsche nieuwe vaderen der ketteren, soo hebben u Geneefsche vaderen der Roomsche schriften ghehouden voor een geraes. Hadden zyluyden maer dit u Compendium (of korte middel) om ketters te verwinnen, gheweten of voor goet ghekent, zy souden gheensins, die teghen der ketteren, dese teghen der Roomsche schriften soo vele boecken hebben gheschreven: maer souden alleenlijck gheseydt hebben, Dat zy soo dwaes niet en waren om sulck gheraes te beantwoorden, noch dat zyluyden sich daer toe niet en wilden verbinden. Meyndy wel dat zy dit u schoone Compendium niet en wisten? Of ist waerschijnlijcker dat zy wel verstonden dat zy, doende soo ghy hier doet met dit u Compendio, den ketteren niet beschaemt, verwonnen, noch ghewonnen, noch den volcke voor ketterije behoet, maer veel eer haer eygen Leere, als of zy die niet mochten verantwoorden, verdacht ghemaeckt souden hebben ghehadt? Nopende nu d’ander uwe uytvlucht, bestaende in den angste vande vermenighfuldiginge der boecken, is niet een hayr beter dan dat u Compendium. Of weetmen niet wat ontallijcke menighte van boecken die uwen selve sich niet en hebben ontsien te schrijven ende te doen drucken teghen vele Lutherschen ende teghen den Roomschen Catholijcken, alleenlijck opten twist des Nachtmaels ende andere dinghen van minder ghewichte? Hebdy dan die moeyten noch der boecken menighfuldigheydt niet ontsien om het tacxken van u Leere teghen soo vele gheleerde Mannen te beschermen: ende schroomdy sulcx nu teghen my een eensame mensche (inder Waerheydt een ongheleerde van School-consten) die moeyten of der boecken veelheyt in’t verantwoorden van de stamme, jae wortel van uwe Leere? So zijdy swaerlijck te verschoonen van anghstige loeyheyt, ende sorgheloose onachtsaemheyt uwer schapen, al hoe schoon ghy sulcx oock bestaet te blancketten met de versierde traegheyt der Menschen, recht of die niet meer nieusgierigh, curieus of yverigh en waren, of gheen werck meer van de Religie en maeckten, of aen de Leere niet geleghen en ware. Wel aen: Is’t volck soo traegh int lesen der boecken: waerom arbeyt ghyluyden ter naevolginghe van de Roomsche Catholijcken dan vergheefs na’t verbodt van die boecken u mishagende ende by u niet toe-ghelaten zijnde, te drucken of verkoopen? Of lust u mede als henluyden, hetonlustighe volck lustigh ende yverigher te maken door’t verbodt, tot het lesen van verboden boecken?

42.
Voorts pooghdy u traghe loeyheyt te verschoonen metten wanhope vander moeytens vrucht: Die anders niet soude zijn (seghdy) dan dat het volck daer door soude leeren kennen Coornherts Sophisterijen, partijdigheydt ende roemgierigheydt.
Siet daer u vriendtlijcke penne. Maer waer sulcx een kleyn profijt? Lieve wat benaerstight ghy doch meer, jae oock in dat u Libel Fameux selve? Ghy hout my voor een verleyder. Maeckt ghy met waerachtigh


bewijs my daer voor bekendt: so sal’t volck my ende mijne schriften vliedende, bevrijdt werden voor mijne verleydinghe. Dunckt u dat een kleyn profijt? Of gaet u der Schapen behoedinghe soo luttel ter herten, dat ghy uyt vreese van de moeyten in sulck bewijs gheleghen zijnde, den Schapen laet swerven, verstroyen, dolen ende verderven? Siet hoe u luyden ter herten gaet het vergift worden (soo ghy’t acht) van u volck, die niet weynigh van u af vallen, ende oock onder de uwe een heel ander ghevoelen krijghen van uwe Leere in hooft-puncten. O sorghvuldighe ende wackere Herders. Ben ick een Sophist, ben ick partijdigh, ben ick roemgierigh, soo ghy hier soetelijck dicht sonder een letter bewijsinghs: Neempt de moeyten van sulcks den volcke waerachtelijck te doen verstaen door waere bewijsinghe, het sal flucks van my ende mijne schriften grouwelen. Dit en behoeft niet soo ghy u laet beduncken, Want die verstandighen vernemen sulcks wel sonder uwe, alleen uyt mijne schriften. Dat zy soo genomen. Maer seght doch: zijt ghyluyden alleenlijck schuldenaren der verstanden, of oock der onverstandighen? 1 1 Rom. 1. 14. Dese ende niet die verstandighen behoeven onderwijs ende waerschouwinghe. De meeste menighte is onverstandigh. Doet dese uwe traegheydt dan al recht, dat ghy daer door, den ghenen die ghy meest schuldigh zijt, ende die sulck u schuldigh onderwijs (nae u oordel) meest behoeven, weyghert?

43.
Ghy bekent datter van oudts dwalinghen in gebroken zijn inde Kercke, ende dat de yver ende trouwe der berispers van dien hooghlijck is te prijsen.
Uwe Dolinghen bestraffe ick nu, ende soecke die te verbeteren ende wech te nemen, soo is, naer dit u eyghen schrijven, dese mijnen yver ende ghetrouwigheydt soo hooghlijck te prijsen: als u luyder onvriendelijckheyt tegen my uwen vriendelijcken vermaender opstaende te verfoeyen is.

44.
Ghy bekent mede dat oock inde ghereformeerde Kercke valsche leere mach in kruypen.
Dit mooghdy oock niet loochenen. Nu berispt ghyluyden allen anderen Kercken, oock alle anderen anders dan ghyluyden gevoelende. Lijdt dan oock sulcks sonder bitterheyt van my, die’t selve behoorlijck ende oprechtelijck doe, of doet het weder-spel eerst blijcken, vermooghdy’t.

45.
Vint yemant onsuyverheydt (seghdy) inde ghereformeerde Leere, hy mach onverbeurt ja hy behoort die aen te wijsen.
Na dien ick nu leelijcke onsuyverheyt in u Leere bevinde, u die aenwijse, jae vastelijck bewijse: Waerom hoopt ghy dan dat de Magistraet my eer als een Oproerder ende Lantverderver sal veroordeelen?

46.
Maer seghdy: Wy derven wel betuyghen, noch niet bevonden te hebben, dat dees weder-spreecker bewesen heeft valscheyt in onse Leere te zijn.
Vele Catholijcken, vele Coefessionisten, veele Doops-ghesinden, jae veele Munstersche Doopers selve ende Baten-burghers ghevraeght zijnde, sullen op heuren solemnelen Eet of seeckerheyt wel bevestighen elck in’t zijne, dat zy gheen valscheydt of loghen bevonden en hebben in haere Leere: soude daer uyt moeten volghen, dat in gheen der selver Leeringhen loghen is of valscheydt? Dat ghyluyden eenige stucken van henluyder leere te recht berispt, lastert ende beschuldight? Dat is voorwaer een al te blauwen verantwoordinghe voor u luyden, want ick derf, niet alleen wel segghen, maer bewijse oock krachtigher dan ghy tot noch toe hebt konnen weder-legghen, datter leelijcke onsuyverheyden ende verderflijcke Dolinghen zijn in uwe Leere. Vande Predestinatie, Justificatie, Ketter-doodinghe, ende anders meer. Soude nu sulck u simpel ontkennen tegen vast bewijs gheloove hebben? Wat loghen of Dolinghe sal dan niet in alle Secten teghen de Waerheyt gheloove moeten hebben?

47.
Hier komdy op mijn wijse van’t berispen uwer Dolinghen. Ghy laet u duncken dat icks op onbehoorlijcker wijse doe. U duncken hebdy noch nerghens, oock hier niet met een eenigher woordt in’t minste niet bewesen. Al u duncken is geen weten. Duncken gelt niet daermen behoort te weten, als in dese saecke. Maer ick weet dat icks op behoorlijcker ende Christelijcker wijse hebbe aenghewesen uwe (niet ghepretendeerde, maer) bewesen Dolinghen. Oock heb ick ghedaen als u schrijven (door Thomam van Thielt aen my) seydt, behoorlijck, ende by Luther ende Zwinghel teghen de Roomsche kercke ghedaen te wesen, die daer aen (soo die brief hout) niet anders ghedaen en hebben, dan elck Christen mensche schuldigh is te doene. Immers ick hebbe meer ghedaen dan zyluyden. Die ginghen verby den Paus, Cardinalen, Bisschoppen, &c. ende openden henluyder ende der Kercken ghebreecken ten eersten met ghedruckte boecken voor den volcke. Maer met desen uwen Catechismo doe ick anders. Want ick gingh eerst aen u luyden Leeraers der selver wesende, als oock nae aen den gedeputeerde van’t Sinodo, boodt u ende hen aen die Dolinghen der selver te bewijsen. Sy ende ghy weygherde met my te handelen (soo ghy selve hier voor meermaelen rondelijck hebt bekendt) ende gingh doe eerst aen den Overheydt naer behooren. Eyntlijck siende datter niet genoegh op gheacht en werde, quam ick ten laetsten totten volcke, verthoonende henluyden de Dolinghen uwer Leere, om sich daer voor te hoeden. Wat mooghdy hier in berispen op onbehoorlijcker wijse by my ghedaen te zijn geweest? Lieve wijst my eens een ander behoorlijcke wijse in desen. Maer dat mooghdy niet doen sonder eerst te bekennen dat noch al vele meer dan ick, Luther, Zwingel, ende u andere Vaders, onbehoorlijcker wijse gehandelt, ende dat ghyluyden door Tilium of hy, qualijck hier af geschreven hebben.
Hy wil gheacht zijn als een die brandt &c. roept. Seghdy van my, soo hebt ghyluyden of die uwen willen gheacht zijn in’t berispen van der Roomscher Catholijcken Do-


linghen. Waeromme ick nu niet in mijn berispen van uwe Dolinghen? Of hebt ghyluyden alleen verkreghen recht, om allen anderen te moghen berispen, maer niemant u luyden? Toont ons die Privilegie.

49.
Maer seghdy: Daer is wel somtijdts een valsch brandt of alarm roepen, daer door een schadelijcke commotie voort-komt, &c. Dat is waer. Bewijst mijn brant roepen valsch te zijn, ende ghy sult uwe Leere eeren, ende mijn berispen beschamen. Maer dit moest anders bewesen zijn, dan op dese spotlijcke wijse die ghy hier ghebruyckt. Want dit is aldus gheseydt: Wat in eenigh werck somtijts is, dat is in dit Coornherts werck van brandt-roepen. Daer is wel somtijdts een valsch brant of alarme roepen. Daerom is dit Coornherts brandt of alarme roepen valsch. Siet ader wat kintscher bewijs ghy niet en schroomt te ghebruycken aen soodanighen treffelijcken Collegie, ende voor allen Menschen in dit u ghedruckte Libel. Dede ick soo eens: O welcken hoonlijcken spot soude ick verwachten. Soo wert ghyluyden van den Catholijcken ende Confessionisten beschuldight voor Oproerders. Ist daerom sulcx? Dat en suldy niet segghen. Verantwoort eerst u selve tegen henluyden, ‘twelck ghedaen hebbende, suldy met een oock my veel meer verantwoordt hebben. Van dit u niet seer bedeckt maer gantsch slim beschuldigen van schadelijcke Commotie &c. Want men weet dat door mijn doen noyt mensch in’t harnasch ghekomen is, noch komen sal in Godt wil, gave Godt datmens met sulcker waerheydt van den uwen mochte segghen.

50.
Daer op seghdy: Dat des ghemeen saecks vyanden oock u Religie vyandt zijn, dat dese gaerne haer valsche oeffeningen weder hadden om voorder te komen. Hier wort ghy gheestelijcke luyden nu waerlijck, ende treet buyten uwe Kerckelijcke in de Politijcke Regeringhe. Laet ons besien hoe. Die Gereformeerden seggen selve in haer Requeste t’Antwerpen van den xxij. Junij 1578. Dat Don Jan was teghen ghestaen eenmoedelijck by alle goede Patriotten, sonder onderscheydt van Religie. Laet ons hier nemen (nae u segghen) dat meest alle die vyanden van de ghemeene sake, oock vyanden zijn van uwe Religie: volght daer uyte, dat alle de ghene die vyanden zijn van uwe Religie, oock vyanden souden wesen van de ghemeene sake? Alle Catholijcken waren so wel Anno Lxxij. als zy ons in naemen, vyanden van u Religie, als nu: waren zy daeromme niet so wel vyanden van den Spanjaerden ende vrienden van de ghemeene sake, als wy Ballinghen? Of zijnder nu geen Patriotten of goede Politijcken meer/ Of is nu niemant dan die van uwe Religie ende onghesonde Opinie is, vrient vande ghemeene sake, wat wildy de Heeren Staten ende de menschen wijs maecken? Voorts blijcket dat uwe Gheloovens ghenooten Anno Lxxviij. tot Antwerpen versoeckende, mede te hebben hare Religions Exercitie, 1 1 Siet de Requeste. in die voorsz Requeste seer arbeyden om te bewijsen dat twee verscheyden Religien (verstaende by d’eene de Roomsche Catholijcke) in een Lant wel moghen gheexerceert zijn: dat het ontbeeren van Religions Exercitie streckt tot verachtinghe Godes ende godtloosigheyt: ende dat sulcx ghevalt, daer d’een partije bestaet de andere te extirperen met gewelt. Dit verklaerden die uwen daer gheensins haer voornemen te wesen. Was nu dat u volcx segghen so godloos ende schadelijck voor’t Lant, als ghyluyden u nu hier ghelaet: soo hebdy eerst u Ghereformeerde broeders daer af self te berispen, dat zy die openbare Af-goderijen sonder quetse haerder Conscientien bereyt waren neven henluyden te lijden, ende dat zy soo schadelijcke dingen wilden toe-laten.


51.
Voordts thoondy u gheen vrienden des Waerheyts te wesen, daer in dat haer heylsame berispinghe u luyden soo seer doet. U doet seer dat ick met waerheydt u Religie in haer eyghentlijcke leelijckheyt beschildere.
Lieve seght doch, of ick nu siende u luyden met eenighe andere heftige Constistorianten de meester maecken over alle anderen, die te verdrucken, ende uwe Opinien ende Religie soo ghy mette uwe die drijft alleen te planten: se selve op’t leelijckste; soose is; afschilderde, soude ick daer aen meer misdoen dan ghyluyden, als ghy’t selve deedt ende noch doet aen de Pauselijcke Religie ende anderen? Of ist u alleen gheoorloft allen anderen te doen, ‘tghene ghy van niemant en wilt ghedoogen? Bewijst eerst dat uwe Religie ende Leere die ghy drijft die waerachtighe zy, dan seght wat. 2 2 Teghenbericht pag. 71. Maer dit bekendy in openbaren druck teghen my by u noch niet ghedaen te zijn. Ghy sullet oock langhsaem doen.

52.
Om te doen verbieden mijn schrijven teghen u Leere, ende soo door d’Overheydts macht tot u loeye ende ghewenschte rust te gheraken: Geefdy d’Overheyt hier te bedencken, of den Catholijcken niet een groote dienst gheschiet, datmen met ghedruckte boecxkens u Leere als een valsche Secte bevecht.
Neen niet den Catholijcken, maer den uwen self wert grooten dienst ghedaen int berispen van uwe Leere. Want daer met en mach u gheen waerheyt, maer wel logen benomen werden. U schult ist dat ghy onwaerheyt leert, ende van de H. Schrift wijckt tot u menschelijck vernuft. Ende onsuyverheydt aenwijst tot verbeteringhe ende bevestinge van de Religie. Dit seghdy self, dat elck onverbeurt mach doen. Soudet nu ick u op u zeer taste wel anders zijn? Soude ick nu doende dat ick behoor te doen, daer aen moeten verbeuren?
U wordt dienst ghedaen, niet soo seer den Catholijcken, maer meest den Gereformeerden, den Doops-ghesinden, den Politijcken, jae allen Lantsaten. Dunckt u dit wonder? U aengheheven heerschappije over allen anderen Kercken ende Conscientien, ende van die anders dan ghyluyden gevoelen, maeckt onghenoegen onrust ende tweedracht, (oock onder den goeden Patriotten, jae onder de beste Mannen selve van uwe Gereformeerde) die swackt dese Landen ende sterckt den vyanden, soo d’experientie oock in andere


Provincien eñ Steden heeft betoont. Maer mijn teghen-spreecken van sulcke uwe ghesochte heerschappije streckt tot eendracht door’t middel van voor-hoeden van uwen voorder dwangh over die Conscientien ende ander luyden gheloove,&c. Hier soude ick meer antwoorden, en liet icks niet om des tijdts sorghlijckheyts willen: maer ben bereyt voorder Reden te gheven ende bewijs te doen daer ‘t voorderen mach ende niet schaden.
Altijts ist seecker, soo men ghedooght de vryheyt der Conscientien, wy sullen meerder eendracht ende ruste onder den Landt-saten hebben, &c. Daer zijn andere wettige middelen diemen magh gebruycken om anderen hare Af-goderijen of Dolingen te benemen. Waerheydt vermagh dit, niet het ghewelt. Men late het wettigh hooren vry voorghaen over weder zijden, men oordeele onpartijdelijck uyt sulcke kennisse van saken: ende men executere den eerst wettelijck ‘t gene wel ende nae behooren ie gheoordeelt.
Maer anderen te doen executeren voor ‘toordelen, swijghe voor ‘t volhooren, weet elck onrecht te zijn. Dit maeckt onghenoeghen, tweedracht, ende swackheydt. Hier toe streckt alle u doen, maer het mijn om sulcx te voorhoeden daer ick mach om tweedracht te minderen, om eendracht te meerderen, om den Vyanden te swacken, ende om die ellendige Nederlanden te stercken teghen den alghemeenen Vyandt, ende d’authoriteyt van d.Overheydt te stijven, teghen dusdanighe nieuwe Geestelijcke. Seght nu, O ghy nieuwe Politicyenen, of ghy u al te recht onderwindt een sake die ghy luttel verstaet? Dese mogende eendrachts vermeerderinge bedenckt ghyluyden al te luttel, maer den aenwas van uwe Kerckelijcke mogentheyt ende authoriteyt al te veel, ende te schielijck.

53.
Ghy seght dat ick voorgheve, dat ick in’t berispen uwes Catechismi sie op de teedere verstanden der jonckheydt, op dat die niet vergift souden werden, &c.
Alsoo ist oock. Daer op sie ick, daer toe arbeyde ick, ende sulck quaedt saghe ick van herten gaerne voorhoedt: dit loochent ghy ende seght mijn ooge elders te zijn O nieuwe herte-kenners. Soudy u self soo niet wel in Godes plaetse stellen? Ick segge dat ick sie op’t vergiften van de teedere verstanden: ghy seght dat ick daer op niet, maer elders op sie. Wie salmen hier van mijn meyninge ghelooven? U luyden? Of my self? Maer waer met bewijsdy sulck u segghen? Even met het selve dat opentlijck mijn seggen bewijst waerachtigh, ende het uwe valsch te zijn. Soo wijsselijck kont ghy u Reden inne voeren, datse u doorgaens selve teghen is. Dit mijn seggen salmen in het navolghende Artijckel bewesen sien.

54.
Hoort nu uwe schoone bewijs-reden hier af, te weten, Dat my aen de Leere soo veele niet gelegen en is.
Dat uwe groote traegheyt bethoont, 1 1 Nume. 41. dat u luyden aen de Leere niet veele en is ghelegen, hebbe ick betoont hier voor ende ergens meer. Voor’t eerst moetmen bekennen dat den genen meer aen de Leere is ghelegen die niet en vertraeght int benaerstighen datter Waerheyt geleert ende Dolinghe gheweert werde, dan die daer in vertraeght ende over den arbeydt klaeght, dit laetste doet ghyluyden gegagieerde Predicantē hier doorgaens onbeschaemdelijck: maer ick alles alleen tot mijn kosten ende verderf mijnre huys-saecken sulcks doende, en ben noyt traghe noch klachtigh daer inne bevonden. Seker waer my aen de Leere niet meer gheleghen dan u luyden, ick soude sonder alle onderhoudt tot mijnen schadelijck versuym ende hatelijcken ondanck niet soo onverdrietelijck schrijven so vele boecken in so korten tijde: dat ghyluyden veel Predicanten van den kost (so dat voor den waren Leeraren wel billigh is) besorght zijnde, u beswaert vindet om die te beantwoorden, soo dit u Libel doorgaens opentlijck uwe traegheyt bethoont. Soo beschuldight ghy hier al mede my in desen met u eygen schulde eñ gebreck. Voorts maeckt ghyluyden niet seer bedecktelijck hier van my een Godloos, want soodanighen en is niet veel aen de Leere gelegen.
Seght Mannen, wat weet ghy dit van my? Aen mijnen wandel? Segt dat tot Haerlem aen die my kennen, ende siet of men u sal gelooven. Of weet ghy uyt mijn traegheyt in’t schrijven van’t ghene de Leere beroert? Uwe traegheydt soude uyt u eygen monden u daer voor melden. Of hevet mijn mont tot u ghesproocken? Ghy weet neen. Of soudy wel meynen dat ick om eer of baet schrijve? Soo gantsch dwaes ben ick noch niet, Godt lof, dat ick niet verstaen en soude wat eere, bate ende jonste des Waerheydts dienaren behalven by des werelts heyligen (ick meen Schijn-deuchden) te weten spotlijcke verachtinghe, schadelijcke moeyte, doodtlijcke Calumnien ende vervolgh: soude ick sulcks begheeren?

55.
Indient my daer (te weten aen de Leere) lettede, seghdy, hy soude so weynigh wercks niet maken dat der menschen verstanden door de Papistische leere ende andere secteryen vergift werden. Dat zijn uwe woorden tot Reden van’t voorgaende.
Nae dien dat ghyluyden als gheleerde Mannen dagelijcks opten Predick-stoelen ghewoone zijt uwe monden te spoelen metter Roomsche vuyligheyden: naer dien uwe maker van de spotlijcke Byenkorf daer soo soetelijck mede spot, ende nae dien u vaders Calvijn, Zwinghel, Luther, &c. doorgaens haere opperste vlijte ende konste ghebruycken tot ontdeckinghe der selver: soo waer te duchten dat zy’t hen belgen souden, oock ghyluyden self, dat ick ongeleerde nae’t doen van sulcke hoogh-beroemde Mannen (dat is nae Homerum de gheschiedenisse van Troyen te beschrijven (dat werck bestaen wilde te verbeteren. Maer heb ick geswegen tot Calvini ende Beze verderflijcke Dolinghen in hare Leere vande Predestinatie? Heb ick ghesweghen tot de verleydelijcke leere van Heyndrick Niclaes ende anderen meer? Swijghe ick in dese uwe Catechismale leelijcke Dolinghen? Die taste ick aen niet min vrymoedelijck dan waerachtelijck, sonder te vreesen u luyden danck; eer voor den vyanden dan voor sich self wenschelijck; maer want hier af nu al meer is gheseydt,


ende ghy mijne schriften vol verderffelijcke Dolingen waent te zijn, so grijpt ghy in dit onrecht beschuldighen van my te recht u self by den ooren, bethoonende met uwe voorgewende traegheydt ende vreese voor de moeyten van die te wederleggen opentlijck, dat u weynigh ter herten gaet, dat der menschen verstanden door mijne schriften (die ghy fenijnigh acht) vergiftet worden, soo moet ick hier al mede u sonde boeten.

56.
‘Tis my te doen (seghdy) op dat elcke secte vrye oeffeninghe haerder Religie mocht hebben.
Niemant naest Godt weet beter dan ick, waerom het my te doen is. ‘Tis my te doen om u vernieude dwangh in de Conscientien te verminderen: ende d’Overheydt voor u heerschappy ende nieu Pausdom te waerschouwen. ‘Tis my te doen om door gelijckheyt van Previlegien eendracht in den Landen te vermeeren. ‘Tis my te doen om die beduchte eeuwighe slavernije der Spanjaerden uyt te weeren. Ende ‘tis my te doen op dat der menschen verstanden door uwe Leere niet verghiftet ende bedorven en soude worden. Siet daer of my niet vele aen de Leere is gelegen, ende of ick sulcx in mijnen brief voor den Proef niet en verklare. Sijn dat geringe of quade saken?

57.
Mijn intentie seghdy te zijn: Dat den Ministeren gheen gheloof en werde ghegheven tot verdruckinghe van alle andere Religien, &c.
Jae daerom ist my al mede te doen: Is dat onbilligh? Ghyluyden vermooght immers soo weynigh als d’ander uwe Sendinghe te bewijsen ende uwe Leere te verdedigen, waerom suldy meer geloofs hebben dan d’anderen? Om dat uwe Leere ende handel in grove saken strijdigh is tegen de heylighe Schrifture? By wat God-verstandigh ende onpartijdigh Rechter, in wat Nationael (swijghe generael) Concilio is de Leere ende puncten die ghyluyden met eenigen soo hart drijft nae wettige Disputatie alleen voor die waerachtige geoordeelt?

58.
Oock seghdy voordts mijn meyninghe te zijn, dat allen dien’t ghelieft, openbare Exercitie van Religie behoorde gegunt te werden. Dit is daer niet mijn segghen, maer u dichtinghe.
Nu wel aen: Alsmen u voormaels gheen openbaere Exercitie en gonde, hebdy u des beklaeght van den Catholijcken. So klagen nu anderen daer van over u luyden. So doedy nu dat ghy van anderen niet en wilde lijden. Is dat gehandelt na der Wet, begrijpende Wet ende Propheten? Waendy uwe Religie ende Leere d’oprechte ende allen anderen valsche te zijn? Dat wanen die Catholijcken mede, die Lutherschen mede, ende die Doperē mede. Niet op waen, maer op waerheyt bestaet de ware Religie. Doet eerst wettelijck blijcken uwe Religie ende Leere die waerachtighe te zijn. Dan siet noch eerst om, oft u wil betamen in partydige dronckenheyt uwen medeknechten te slaē met d’Overheyts scepter, 1 1 Matt. 14. 40. ende die daer toe te misbruycken.

59.
Ghy seght: Dat het na mijn verstandt een dwangh is inde Conscientien yemant te willen constringeren in’t openbaer zijn Religie niet te oeffenen.
So wast oock voormaels na u luyder verstandt selve ende soo ist oock noch, alsmen u luyden constringheerde of daermen u noch constringeert uwe Religie niet te oeffenen. In’t openbaer: dicht ghy daer by. Maer of ick sulcks al hadde gheschreven: wat suldy daer tegen hebben? Lust u te treden in desen handel met my? Laet ons eens ondersoecken wat dwangh in den Conscientien is? Wat het Ketter-dooden is? Maer desen handel hebdy altijdt ghevloden als het fenijn van dese uwe Calviniaensche ende Bezaensche fenijnigher Leere.
Maer waeromme soude u alleen boven allen anderen het leeren toeghelaten werden? Sydy dan alleen ware Doctoren? Hebdy alleen brieven van u Doctoraetschap of Sendinghe? Thoont ons die eenmael, ende het sal lijdelijck zijn dat d’andere, als van selfs loopende Lapsalvers u wijcken. Maer is dit niet, zydy oock Lapsalvers, loopt ghy mede ongesonden, ende kondy u Leere niet verdedighen mette waerheydt, by wat Reden sult ghy meer rechts hebben dan zyluyden of anderen die Schriftmatigher ghevoelen ende leeren.
Wat recht dat d’Overheyt heeft om d’een Religie toe te laten in’t openbaer eñ d’ander niet, en handele ick hier int minste niet: maer wel wat recht dat ghyluyden met eenighe andere vreemdelinghen, 2 2 Nota. de leere Calvini heftigh drijvende, waent te hebben: van meer dan een ander toegelaten te werden. Lieve doet ons dit u luyder recht eens blijcken.
Ick rade met u volcks eyghen raedt, die Arennius van weghen die Ghereformeerde in Vranckrijck Anno 1575. ten aenhooren des Koninghs gaf, 3 3 V. pars Commētariorum de statu Religionis & Reip. Gallie. Fol. 79. met dese neven meer andere woorden: De nut des Koninghs ende des Rijcks vereyscht een vaste ende oprechte eendracht alder Burgheren. Nu en mach gheen vaste eendracht zijn, ten zy dan dat alle Burgheren ghenieten een ghelijck Recht, ende dat aldermeest in Religions saecken. Soo behoort dan den Koningh alle zyne ondersaten te omhelsen, met een ghemeene ende ghelijcke liefde, ende dat in d’alder grootste ende hooghwaerdighste saecke van de Religie, die haer wortelen inder menschen herten soo diep uytspreyt: dat die eendracht nerghers vaster of bestendigher Zetel en mach bekomen. Maer de onghelijckheydt onder den Burgheren is van alle wijse Politicienen ghenaempt een pestilentie des Republijcks: soo wederomme de ghelijckheydt d’alder seeckerste bandt van de ghemeene eendracht ende vastigheydt. Ist dan soo, dat die van de Religie tot sommige plaetsen werdt benomen die vrye exercitie van hare Religie, in de welcke die den Catholijcken werdt ghegunt: wie en siet niet dat d’een partye door’t bethoon van sulck een voordeel, te fierder sal werden, ende d’ander partye te mistrouwigher: als zy vermoeden moet dat haer van d’ander partye die d’ander Religie houdt, perijckel sal op-komen? Ende sullen alsoo wederomme in de swarigheyden vallen die wy inde voorleden laeren hebben ondervonden. Dat was u luyder raedt, die docht


u in Vranckrijck Anno voorsz. Ende oock tot Antwerpen den 12. Junij 1579. Doen ghy in’t bidden waert, Godlijck, eerlijck ende nut. Kan die van u luyden nu so gantsch quaedt ghemaeckt werden nu ghy in’t ghebieden komt? Soo soudy wel goede knechten, maer quade Heeren moghen wesen.

60.
Dat ghy voorts seght: mijnen raet anders (te weten somen den eenen toeliet ende d’ander niet) wel te wesen, dat d’een soo wel als d’ander alle Exercitie verboden worde, &c.
Dat stae ick bekent, dat kan ick met waerheydt verantwoorden, ende die raedt waer nutter ghevolght, op sulcker wijsen ende in dese tijden, dan datmen uwe gloofen alleen ghelooven, volghen, ende voor Godes woordt (soo dorft ghy uwe Leere, uytlegginghen, ende gloofen, stoutelijck noemen) aennemen ende eeren soude. Maer my verwondertdat ghy hier noch u self niet en schaemt anderwervē aen te vechten, dat mijn boecxken van de Middelen, waer uyt ghy dit neemt. Want mijn Oogh-water opten partijdigen Ooghen van uwe blinden Ondersoecker, hem soo scherp heeft ghebeten, dat ghyluyden nu al wat klaerder haddet behoren te sien. Dat mijn Oogh-water beantwoort eerst, kondy. Daer seynde ick u, ende daer mooghdy sien (so u kaers of brille mach baten) hoe onwijslijck ghyluyden ‘tghene by my daer recht is geschreven, hebt willen berispen, ende hoe jammerlijck ghy daer zijt ghestort in den gracht by u, voor my ghedolven. Maer dat is te verwonderen by den genen die u gewoonlijck vervalschen mijnre woorden niet en kennen, dat ghy soo gantsch sonder voor-hooft hier by voeght tot mijnre woorden ‘tgene ick niet en segge. Lieve siet wat beter om kondy. Waer stelle ick hier die woorden: alle Exercitie? Nergens. Waer stelle ick hier dat woort: Sacramenten? Nergens. Waer stelle ick hier (om verboden te worden) dat woort: Leere? Nergens. Sydy dan tot die valsche Calumnie soo seere ghewendt, dat ghy die immers nergens en kont laten? O Leeraren der Waerheydt, die soo groote ghemeenschappe houdt met die heyloose Calumnie moordersse Christi. Wel aen, laet ons nu dese u galle, die weder by u uyt-ghebraeckt wordt, versoeten, niet met mijne woorden, die in uwe halsen al verbitteren, maer met uwe Leeraren of voorneemste Schribenten woorden selve, tot versoetinghe ende verbeteringhe van dese uwe bitterheydt. Die komt meest in u (soo eenighe vermoeden, ick weets niet, maer ghyluyden) om dat ick u Kerckelijcke heerschappije ende de Keucken schijne aengheroert te hebben, met dat mijn advijs, van middeler tijdt niet dan loutere Schrifture opten Predickstoelen te doen lesen. Want dan soude men uwe glofen soo duyr niet behoeven te betalen. Het is waerachtigh, dat ick sulck mijn advijs in dat mijn boecxken onder verbeteringhe schrijvende, noch noyt en hadde gelesen ‘t gheen ick daer af (langhe nae’t uytgheven van’t selve mijn boecxken) ghelesen hebbe in’t Tractaet des Heeren van Plessy van de Kercke, in duytsch ghedruckt t’Antwerpen by Jasper Troyens. Anno 1580. Te weten ditte:
Irenæus noemt de H. Schrift den gront ende pilaer der Waerheyt. Tertullianus seyt: Neemt van de ketters de boecken der Heydenen, ende windt soo veele op hen, dat zy alleene op de Schrifture rusten, ende zy en sullen niet bestaen konnen.
De Heydenen leerden uyt vernuft. Soo houde ick dat u Calvijn, Beza, ende d’andere veel al mede leeren, in vele saecken daer hoogh aen is gheleghen, uyt enckel duyster vernuft. Wat riede ick hier doch anders met het brengen der glofen ende Commentarien in d’Overheyts handen, dan’t selve dat Tertullianus hier raedt, ende dat goedt gheoordeelt werdt by uwen Plessy selve? Berispt dese beyde dan eerst in desen, dan komt tot my. De selve Plessy seyt daer noch by uyt den voornoemden Tertulliano aldus:
Dat den gheheelen koop van Hermogenes (‘twelck waren seeckere ketters) betooghe dat het gheschreven zy. Soo niet, dat zy vreesen die wee of straffe, die bereedt is, voor alle die daer toe of af doen.
Alsoo hier mede: dat den gheheelen hoop der Calvinisten Predicanten of Schrijvers bethoonen dat het (ghene zy leeren met authoriteyt, ende als voor Godts woordt) gheschreven zy (in den Bybele) soo niet, dat zy vreesen die wee of straffe die bereedt is voor alle die daer af of toe-doen. Of ist nu gheen toe-doen datmen soo lange glofen onder den name van Godts woordt predickt of Commenteert? Staet het in de H. Schrift selve, zy brenghen de Texten voort, ende men sal heure glofen niet behoeven. Staet het inde H. Schrift niet, so brengen zy niet dan haer (of Heydensch) vernuft voort, ende geen omsichtighe en sal henluyder glofen gelooven. Volght noch by Plessy al ditte:
In somma zy komen alle tot dit punct, dat om alle leeringhen te ondersoecken, die rechte Leere te houden staende ende de valsche te overwinnen, men geenen anderen Toet-steen, schilt noch swaerdt en behoeft, dan de heylighe Schrift. Daeromme was in het Concilie van Hipponen, daer S. Augustijn Bisschop af was, geordineert: datmen in de Kercke niet lesen en soude dan de H. Schrift, &c.
Dat zijn Plessys eyghen woorden. Soo lasmen daer geen Commentarien noch gloven van Menschen nae’t instel van dat Concilio. Lieve wat heeft dit mijn advijs onder verbeteringhe nu doch meer argerlijcks inne dan dit articule van dat voorsz Concilio, by uwen Plessy voor goedt daer in ghevoert? Wel aen, ick sie u dit wederom op halen, om my swart daer mede te maecken by hooge ende laghe. Daerom moet ick hier noch wat op antwoorden uyt desen uwen eyghen Schrijver Plessy. Die seydt naecktelijck dat het te bemoeden is, Dat Godt zijn Testament achter ghelaten heeft in sulcke klare wijse van spreecken, alst mogelijck is Nu is hier’t gheschille of u luyder predicatien niet dan uytlegginghen, verklaringhen of glofen vande H. Schrifture zijnde, soo nootsakelijck zijn, dat de ghemeene luyden de heylighe Schrift niet en konnen verstaen sonder sulcke uwe predicatien? Ghy laet u duncken neen. Ick houde ja. So mede met my al hier hout u Plessy. Want heeft Godt ons zijn Testament achter gelaten in sulcken klaren wijse van spreken alst mogelijck is: soo ist u ende allen uwen Predicanten onmoghelijck


‘tselve met een klaerder wijse uyt te spreken. Of soudt ghyluyden met uwen gheest(die meest alle Godvreesenden niet en houden voor den Gheest Christi)meynen ‘tselve klaerder uyt te spreken, dan de ontwijfelijcke Gheest Godes dat heeft uyt ghesproken door zijnen Apostelen? Dat suldy niet segghen. Wat vrucht machmen dan wachten meer uyt uwe Predicatien, dan uyt de lesinghe van de Godlijcke Schrifture? De selve uwe Plessy seydt daer mede uyt Origene, De heylighe Schrift sodanigen Leere der saligheyt te wesen voor alle de werelt: dat die een yegelijck groot ende kleyn gheleert ende ongeleert mach verstaen. Seydt Plessy met Origene hier waerheydt (daer voor Plessy dat houdt) waer toe behoeftmen boven het lesen der H. Schrifturen noch u luyder verwerde glofen, Commentarien ende Predicatien.
Hy seydt daer noch: Christus en seynt zijne toehoorders niet tot de glofen der Rabbijnen, &c. maer by seyndtse tot de heylighe Schrift, &c. Waerom seyndt ghy Delsche Predicanten ons ter contrarien van de heylige Schrift tot uwe Rabbinale glofen?
Hy seydt daer dat S Lucas prijst die van Berreen, 1 1 Act. 17. 11. dat zy de Schrift ondersochten, ende diese ondersochten vonden daer inne haere saligheydt: in de plaetse dat de gene die hen besigh maeckten in menschelijck vernuft de saligheydt verwachten ende misten.Soo bewijst ons nu dat de H. Schrift sedert den tijt der Apostelen duysterder; dan zy doe was; is geworden: 2 2 Nota . Doe hadde sy noch niet dan’t Oude Testament etc. of vermooghdy sulcks niet, soo bekent dat de Menschen noch hare saligheyt in’t ondersoecken der H. Schrift mogen vinden soo wel als doe: ende dat al de gene diese soecken in de Predicatien van u luyder menschelijck vernuft ende glofen, die selve sullen missen.
Noch schrijft Plessy daer, ghenomen of daer sulcke duysterheyt in de Schrift ware: laet ons sien wie datse verklaren wil. Dat laet hy niet toe d’oude Vaders: dat laet hy niet toe de Kercke: dat laet hy niet toe de navolgende Doctoren, als Thome van Aquinen, Schoto, &c. 3 3 Nota. Immers hy seyt dat dese met hare twistighe glofen Godes woort int verwerren stellen. Ende besluydt mitsdien dat wy in’t licht der H. Schrifturen het licht onses verstandts sullen soecken. Wijst hy ons daer tot glofen, uytleggingen of Predicatien van menschen? Neen vryelijck, maer alleen tot die H. Schrift. Wat doe ick in die mijnen middelen doch anders? Doet Plessy wel daer aen: hoe mach ick’t selve doende, daer aen so qualijck doen? Of waent ghyluyden wijser te zijn dan, ick segghe niet Thomam met zijne tijdt-ghenoten, niet de H. Kercke selve, oock niet d’oude Vaders, die hy al het verklaren van de H. Schrift beneemt, maer oock dan Godt selve, Die met ons met soo klaeren wijse spreeckt alst moghelijck is, soo Plessy hier voor mede seyt? Met wat voege mooghdy ons nu wederom uwe glofen ende Predicanten, tot verkleyninghe van de Godtlijcke Schrift, soo groot ende soo noodigh maecken?
Voortvarende seyt Plessy noch dese woorden: Ende aengaende die duystere plaetsen (te weten in de H. Schrift) die werden met die klare lichtelijck uytgeleyt. So datse niet duyster en blyven, dan voor de gene, wien de God deser eeuwen (als Paulus seydt) 4 4 1. Cor. 4. 4 . het verstand verblint heeft. Werden die duystere plaetsen met die klaere lichtelijck (dats niet swaerlijck) uytgeleyt, ende is d’uytlegginghe van Schrift met Schrift seker: wat behoeftmen u luyder moeyelijcke, sware, onsekere, ende twistighe uytlegginghen ofte Predicatien? Blijven die duystere plaetsen alleen duyster voor den verblinden: wat behoeven d’andere, voor den welcken de Schrift niet duyster en blijft, uwe duystere ende onsekere glofen ende Predicatien? Wat baet oock den Godloosen ende verharden blinden tot verklaringe uwer glofen ende Predicatien?
Daer verhaelt Plessy uyt Augustino, Dat al wat den gheloove ende den maniere van leven te weten hope ende liefde aengaet, klaer in de H. Schrift bevonden sal worden. Wat daer dan boven is, dat dient tot curieusheyt ende onnoodige weet-gierigheydt. Is dan alle’t ander dat ter saligheyt noodig is klaer in de H. Schrift: wat behoeftmen u luyder Predicatien ende glofen tot verklaringhe van’t gene nu al klaer is? Die strecken meer ende meer tot verwerringe, verduysteringe, oneenigheydt ende twist. Of meyndy met u beroockte, beschroockte ende duystere Lanteernen den glantse van de klaere Sonneschijn te verklaren?
Het alder duysterste dan (seydt Plessy) mach by de Schrift selve verklaert zijn. Soo mach oock dan het minder duyster, ende in somma alle duysterheyt, geene uytgenomen, der heyliger Schrifturen, by de Schrift selve verklaert zijn. Is dit waer: soo zijnse dol die van de klare eñ verklarende Schrift af-wijcken tot uwe duystere ende verduysterende Predicatien ende glofen om in uwe duysterheyden ende verwertheyden die verklaeringhe van de klaere Schrifture te soecken.
Daer schrijft Plessy noch tot bespottinge der Roomsche Catholijcken, die mede (als ghyluyden nu) heure Predicatien ende glofen tot verklaringhe van de H. Schrift noodigh wilden maecken, aldus: Maer voor die niet dan duysterheydt in het licht en vinden, vreese ick dat het niet vele en helpt dese klare passagien der oude Vaders te verhalē. ‘t Quaetste van al is datmen in de H. Schrift, noch Misse, noch Vaghevier, noch Pausdom, noch aenbiddinge der Beelden noch diergelijcke versieringhe van de Prince der duysterheydt niet en vint, ende daerom moet sy duyster zijn, op dat zy dese schoone Leeringen souden onder hare koude allegorien ende uytlegginghen vinden. Dat zijn de woorden van Plessy. Dit dunckt u luyden soetgens, bevallijcken ende stichtelijcken gheseydt, om dat het voor u is, tegen uwe vyanden. Of ick nu mede op die selve wijse tegen u sprake, dat sal (ben ick seecker) bitterlijck, lasterlijck ende argerlijck gesproken moeten wesen. Daerom en wil ick nochtans niet laten, ‘tRecht dat ghyluyden u aen neemt teghen anderen, oock tegen u te ghebruycken, ende segghe also: Al ist dat ghyluyden selve den Roomschen Catholijcken op’t hartste berispt in haer segghen, dat de heylighe Schrift als duyster zijnde, uytleggingen behoeft: nochtans, alsmen sulcks tegen u selve te passe brenght, so moet dat alles anders, ende de H. Schrift dan mede so duyster, de luyden so bodt eñ onverstandigh zijn; datmen sonder uwe uytlegginge, Predicatien ende glofen, niet en kan verstaen?



Waerom dat? ‘tQuaetste is datmen in de heylighe Schrift; nochte van u Erf-sonde, van u Predestinatie, van u verdoemenisse der onnosele kinderkens: van uwe onvrye wille: van’t Ketter-dooden, vanden dwangh der Conscientien: Van dat wy om der eerster Ouderen sonde van naturen gheneyght zijn Godt ende den Naesten te baten: van dat Godt noch schrickelijck vertoorent oock over d’aengheboren sonde, &c. soo ghyluyden alle sulcks leert, ende van meer diergelijcke versieringen van den Prince der duysternissen; niet en vint. Ende daerom moet zy (te weten de Schrift) duyster zijn, op dat ghyluyden dese schoone Leeringen onder uwe koude oneygentlijcke manieren van spreecken ende uuytleggingen soudet vinden. Dat is onder uwe glofen ende Predicatien.
Eyndtlijck (om Plessy niet heel hier in te brengen) schrijft hy uyt Augustino: Dat alle wat noodtlijck ter saligheydt is, in de Schrift klaer uytghedruckt is in d’een plaetse of d’ander. Daer uyt besluyt Plessy ditte: Al wat dan duyster is, en is niet noodigh ter saligheyt. Hoort nu oock mijn besluyt uyt desē besluyte: Al wat duyster is in de Schrift, en behoeftmen gheen verklaringhe af te soecken by de Schrift (veel minder by Menschē vernuft) want het is niet nodigh ter saligheyt. Maer al wat noodigh is ter saligheyt, is in de Schrift klaer uytghedruckt, dus en behoeftmen gheen verklaringe daer af te soecken buyten de Schrift by Menschē vernuft, glofen, uytleggingen of Predicatien. Wat volgt hier doch nootlijck anders uyt dit segghen Augustini ende Plessy, dan datmen in ghenen saken duystere noch klare uwe uytleggingen, glofen of Predicatien en behoeft ofte van doene heeft?
Daer hebdy, Mannen, door u weder ophalen van mijn in druck ghegheven Middele, van nieus noch boven mijn Oogh-water een toegifte. Behaegt u die ende begeerdy des meer, soo mooghdy noch meer weder voort komen metten selven mijnen Middel: ende ick hoope dat ghy mijn penne niet onvoorsien noch mijn ghemoedt niet onwilligh en sult vinden, om u met meer desghelijcks dienstlijck te wesen in’t mede-deelen.

61.
In de voorsz myne raet seghdy dat ick seer aerdig uytdrucke de valsche moeder des kints doode helfte begeerende, &c. 1 1 3. Reg. 3. 26.
Gelijck daer niet dan een Heere, een Geloof, een Doop is: soo en is daer oock niet dan een ware Leere. 2 2 Ephes. 4. 5. Dese is het woort ende levende kindeken (te weten het woordt des Levens) inde ware Kercke. Al d’andere leeringhen zijn doode kinderen ende der selver moederen hoeren, eñ niet ware Kercken. Nu is dit voorneemlijck de hooghste twist onder alle Kercken, waer die waerachtige Leere is eñ dit levende Woort of het kindeken Christus is. Elck roept hier, of daer, by ons is Christus ende de Tempel des Heeren. Nergens is noch by u luyder tijden daer ghy gehoort zijt, in een wettig Concilium gesloten, by wie de ware Leere; dit kindeken Christus is. Ten waer ghy’t hielt besloten te zijn tot Trenten. Maer dan waer u Kercke een hoere, ende u kint het doode kindt. Dit suldy niet toelaten. So schijnet niet al te sekerlijck te blijcken welck de waere Moeder ende by wien het levende kindt is. Alsmen dan geenen Kercken noch Leere metten swaerde aentaste, ende men niemant en doode, soo en mochte het levende kindeken niet ghedoodt worden, maer moeste levendigh blijven, ende niet de goede Terwe, met, jae voor het Onkruyt uytgeroeyt worden, Drucke ick hier nu soo aerdigh uytte de valsche moeder, die aenhoude om het levende kint aen tween gehouwen, ende elcken partije een deel ghegeven te worden? Of arbeyde ick tegen u doodens raedt, teghen het dooden? Dit laetst weet ghy, ende dit verdriet u. Siet hoe meesterlijck ghyluyden deelt met dit deelen van’t kindeken. ‘Tis wel meesterlijck ghecalumnieert, maer sottelijck gedialectiseert. Ick rade toot niet dooden, ende moet met u heeten daer toe te raden: maer ghy tot lijf-straffe radende, wilt schijnen daer toe niet te raden, Waer machmen doch een syllaba vinden niet alleen in alle dit mijn gheschrift by u hier voort gehaelt, maer oock in alle mijne schriften: daer uyt men trecken mach dat ick aenhoude dat het kindeken aen tween ghehouwen, ende elcken partije een stuck ghegeven soude worden? Soude elcke partije een stuck gegeven worden, so mocht elck nauwelijcks een handeken, veel min een arm of helft te beurte vallen, overmidts de menighte der partijen diemen leyder huyden daeghs vint, ende moest midtsdien het kindeken meer dan aen hondert stucken ghehouwen werden om elck een deel te geven. Om met calumnieren my hatelijck te maken, en hebdy noch (God danck) niet wel ghenoegh ghestudeert in de practijcken van uwe Gheneefsche Magistris nostris in die hare konste. Dit is al te bodt. Ende uyt dese loflijcke ende subtijle calumnie voerdy noch met gelijcke subtijlheyt inne dat ick my selve leelijck verghetende d’Overheyt tot dwangh rade in Religions saecken, die ick soo doot-vyant ben, ende daer ick noch in desen brief wil datmen sal toeven tot dat de Heere self door zynen Enghelen daer in sal voorsien. Hebdy my daer nu niet al vast in’t strick. O subtijle konstenaers. Nergens en raede ick tot het dooden van’t levende kint, oock hier geensins, maer ben (soo ghy in dit stuck recht seght) sulck dooden doot-vyandt. Maer uwe Geneefsche moeder, met oock die broeders van’t Basilischen eye, te weten, vanden schoonen onderscheydt tusschen die politijcque Kerckelijcke regheringe raden opendtlijck tot de lijflijcke straf. Soo speelt ghyluyden (ende niemandt minder dan ick) het personagie van de bloedt-gierighe hoere. Ende soo arbeydt ghyluyden hier al wat te groflijck ende te bottelijck, om my met sulcke uwe roode vuyligheydt te bekladden.
Och of ghyluyden konde doen blijcken mette affectie ende liefde (niet van de moordersse Medea, maer) van de rechte Moeder totten verdoolden, dat u kindeken het levendighe, ende uwe Kercke, die waere Kercke ende Moeder ware: hoe stom soudy my sien teghen u voor-ghenomen dooden om religions saecken. Want dat dan niet meer in u soude wesen, ende ick soude terstondt by u wesen. Maer hoe machmen dat ghelooven? Wildy oock niet hier (als tot Geneven) aen de lijfs straffe om’t geloove? Raedt ghy niet opentlijck (als een valsche moeder) datmen den verstoorders


van uwe uyterlijcke Kercken-vrede, aen den lijve sal straffen? Soeckt ghy soo niet met de Geneefsche Synagoge, den doot der lichamen van den Christenen, ende van den verdoolden den doodt van lijf ende ziele?

62.
Voort seghdy dat ick, die de dwang in Religions saecken soo doodt-vyandt ben, my self leelijck verghetende, self d’Overheydt tot dwangh rade.
Vergeet ghyluyden u self hier niet leelijck? Ghedenckt u oock hoe leelijck ghy u self in dit begrijpen hebt vergrepen? Of en hebdy het 139. Artijckel van mijn Oogh-water niet ghelesen, soo leest ende ghedenckt hier noch, dat u doen, my dat heeft doen raden. Niet om yemant te dooden: niet om yemant beter te benemen ende arger te geven: maer om Godes leer behoudende der Menschen leer voor een tijdt t’ontbeeren. Der Menschen gloofen soude men wisselen voor de Godtlijcke Schrift. Waer dat een quade mangelinge? Hier toe heeft het Concilie van Hipponen gheraden, hier toe heeft u Plessy gheraden (soomen hier voor heeft ghesien Numero 60.) ende hier toe hebben vele oude Vaderen gheraden. Hebbe ick dan’t selve mede ghedaen, waerom heb ick daer meer quaedts aen ghedaen dan Plessy? Somma dit roert geen bloet, daer toe ghy dit calumnieuselijck draeyen wilt. Immers ist in allen gevalle noch veroorsaeckt door u luyder doen. Vraeghdy hoe ick dat mach bewijsen? Ick segghe aldus: Ghyluyden met uwen aengeheven dwangh inder Conscientien ende Ketter-doodinghe stelde my inde beradinge, niet tusschen goedt ende beter, niet tusschen goet en quaedt, maer tusschen quaedt ende argher. Soo soude een onnoosele, metter doodt ghedreyght zijnde van een Tyran, het gheesselen voor den doodt verkiesen: een Coopman van een storm ghedreyght, het over-boordt werpen zijnre waeren, voor’t verdrincken zijns lijfs verkiesen: ende een wandelaer onder den roovers, ‘tverlies zijns ghelts, eer dan zijns levens verkiesen. Soo boodt oock Loth (als in mijn Oogh-water artijckel 139. gheseydt is) den Sodomiten ende d’oude den Benjamiten, d’een zijne dochters, ende d’ander zijne dochter ende den bysidt aen, om gheschent te worden, om arger quaedt te voorhoeden. Ende so heeft Godt om der Joden herten herdigheydt het Echt-scheyden toe-gelaten, Matt. 5. Maer meyndy oock dat zy sulcks sonder noodt anders van selfs ghedaen souden hebben? Het minste quaedt verkozen zy ter noodt. Soo sach ick u luyden mede naerstigh aenhouden om; door misbruyckte macht; die swacke Conscientien der Landtsaeten te verkrachten ende te schenden. Dit noodtsaeckte my te verkiesen het minste quaest (ist anders quaedt) namentlijck alle glofen ende uytlegginghen der Schrifturen (midts haer selfs behoudende) voor een wijl te ontbeeren: dan die duyr gekochte vryheyt der Conscientien eeuwelijck, op zijn Roomsch ende Gheneefsch, te verliesen. Maer oft oock quaedt is in dese twistige ende partijdige tijden voor een wijle te ontbeeren uwe, ende alder Secten Predicatien ende Leere, oock uwe, alder Menschen ende daer onder oock mijne schriften, al t’saemen, d’een min, d’ander meer, (oock buyten ons weten) wat onsuyvers inne hebbende, omme in plaetse van dien, alleen te gebruycken ende te genieten die Goddelijcke Schriftuere, een reyne Borne, ende suyvere Fonteyne, vry wesende van alle onreynigheydt, ende (soo Paulus wel uytdruckelijck seyt) 1 1 2. Tim. 3. 16. nut wesende om te leeren, om te berispen, om te beteren, om te onderwysen in de Rechtvaerdigheydt, op dat de mensche Godes tot alle goet werck bereydt zy, en kan ick soo lichtelijck niet ghelooven, bevelende dit oordeel den Godt-verstandighen. Maer uyt dit u van nieuws voort-halen van sulck u segghen in mijn Oogh-water meer dan te vollen ydel bethoont zijnde, acht ick dat ghy oock den ghemeenen verstandigen oorsaecke gheeft te oordeelen, dat ghyluyden niet en weet of ghy voor, dan tegen u selve spreeckt, ende dat ghy met u eyghen oneere schijnt te willen proncken.

63.
Het dunckt u luyden een groote ongheschicktheydt dat ick raede te toeven, volghens het bevel Christi, tot dat de Heere zijn Enghelen sal seynden om’t Onkruydt uyt te roeden, &c.
Ja Mannen; dat toeven houde ick in desen nacht des onverstandts, in dese dwerelwinden ende in dese menichfuldigheydt der Leeringhen voor’t sekerste. Dat raedt ons oock de Meester selve met zijne gelijckenisse, by my daer verhaelt, van’t Onkruydt niet uyt te wieden. Dien trouwen ende wijsen raedt jae verbodt Christi suldy langhsaem verbeteren, met u raedt van de verstoorders uwer uytterlijcken Kercken-vrede aen den lijve te sttraffen; ende der Conscientien vryheydt niet toe te laeten. Dit raeden oock de bittere ende bloedighe Jesuwiten, ende willen teghen Christi verbodt het Onkruyt door den Princen voor den tijdt uytgheroeyt hebben.

64.
Voorts roemdy u veel ongheschicktheyden klaerlijck aenghewesen te hebben in u Ondersoecker op myne Middelen, &c.
In dit u dichten mooghdy gheloove hebben by blinden in partijdigheydt, by die u ydele beroeminghen niet en kennen, ende by die mijn Oogh-water niet en hebben ghelesen. Maer anders siet elck met open oogen, dat ghy nergens meer in’t voet-sant en let, dan daer ghy aldermeest victorie roept, als oock hier.

65.
Daer ghy nu voordt komt metten Eedt van alleen u Religie hiet te laten exerceren, ende ontdeckt sodanigen verholentheyt voor al de werelt in druck, &c. sie ick dat ghyluyden handelt wat minder dan grove politicienen, ende en begeere oock gheen deel aen den danck, die ghyluyden aen zijne Exceltie ende aen den Heeren Staten daer mede hebt verdient. Maer want dese handel voorder siet, wil ick daer af swijghen.

66.
Dat d’Overheydt ghelet heeft op d’eere Godes ende op’t wel-varen des Landts, &c. (soo


ghyluyden seght) geloove ick so wel als ghyluyden. Maer daer by sien wy datter wel Overheyden oock Keyseren ende Koningen van valsche Leeraren mis-leyt zijn geweest, ende wy weten dat gheen onwaere Leere mach strecken tot d’eere Godes, noch tot het gemeen wel-varen des Lants, noch tot veyligheyt (inder zielen) van desselfs inghesetene. Nu vindtmen my meer willigh ende bereyt in’t bewijsen dat uwe Leere onwaerachtigh is in Hooft-stucken, dan u luyden in desselfs verantwoording. Dit siet het volck wel, ende dit sal d’Overheydt licht moghen sien, als zy eens met ernst wettelijck letten op mijne berispinghe ende op uwe verantwoordinge van u Catechismo.

67.
Hier ende doorgaens noemdy ende roemdy u Religie de reyne te wesen. Maer nergens bewijsdy sulcks, immers ick bewijse die onreyn te zijn.
Ende onder’t decksel van de gramschappe Godes te vlieden raet ghyluyden tegen de licentie van valsche Leere ende Afgoderye.
Dit wenden de Jesuwiten oock voor aen den Koningen van Hispanien, Vranckrijck, den Keyser, eñ andere Princen. Henluyden oock dreygende met Godes gramschap ende straffe by aldien zy den ketteren licentie gheven van haer valsche Leere, ende die niet en straffen. Seker na dien ghyluyden u gelaet dus seer te vreesen des Heeren gramschappe door die licentie der valsche Leeringen ende Af-goderijen: soo soude ick u luyden hier in druck u onvromigheydt ontdecken. So ick der tijden quaetheydt (daer ghyluyden te weynigh op let) niet en verschoonde: maer wilt u luyden (begeerdy’t) gaerne in een besloten sent-brief openen.

68.
So veel alleen moet ick u seggen, dat uwe geloovens genootē Anno 1578. tot Antwerpen niet soo vreesachtigh nochte soo nauwe van Conscientie (over ander luyden Religie) en waren: 1 1 Anme. 50. alsse arbeyden omme te bewijsen dat twee verscheyden Religien in een landt wel mochten geexerceert zijn. Vreesden zy doen voor Godes gramschap (so ghyluyden hier wilt schijnen te doen) als zy daer eñ elders verbont maeckten metten Afgoden dienaren, ende doen zy beloofden ende swoeren hare Exercitie toe te laten, &c. Of vreesdy de straffe Gods niet in’t breken des verbonts, Eedt eñ beloften. Of was het misdoen doen geen Afgoderije? Of is u Leere eñ Conscientie sedert verandert? Of wil God niet datmen geloove houde? Twijfeldy aen dit laetste, so leest Eze. 17. 15. 16. 18. 2. Para. 36. 13. Jere. 34. 15. 16. 17. 18. Amos. 1. 9. &c. ende sonderlinghe Josu. in’t 9. Capit. vande Gabioniten, die vanden luyden waeren van Gode bevolen uyt te roeden die Israel argelistelijck hadden bedrogen, ende den welcken al des niet tegenstaende, gheloove wert ghehouden, &c. Ende leest hoe Saul metten zijnen naemaels dit verbont (uyt een sotte yver) breeckende, daer over ghevaren is, 2. Reg. 21.
Seker so d’Overheyt so onvroom ende onverstandig ware datse dusdanige Conscientie-makers eñ aenhitsers tot verdruckinge van haer partie, over al ghehoor gaven ende volghden: soude niet geheel Europa overhoop liggen, ende in een inwendige Madianitische Krijgh ende moordt vallen, ende de heele Christenheyt tot een spot vande Turcken, Joden eñ Heydenen onse vyanden werden? Waer voor ons de lieve God (die zijne gramschap over de Tyrannen, ende zijne goedigheydt over den sachtmoedigen Overheyden bewijst) wil bewaren.

69.
Hier methamorphoseert ghy my weder. Want hier voor numero 54. Seghdy dat my aen de Leere soo veele niet en is gelegen, ende maeckt daer van my niet seer bedecktelijck een Godtloos. Dits maer een bladeken voorwerts in dit Libel fameux. Dit was u hier alreede soo vergeten, dat ghy hier seght dat my so vele aende Leere of Religie is geleghen, Dat ick niet en mach verdraghen dat uwe Religie alleen openbaerlijck wert gheoeffent. Lieve seght doch: Is my aen de Leere niet vele gheleghen, hoe soude icks niet alles verdraghen moghen? Mach ick dit niet verdraghen, hoe mach waer zijn dat my niet veel aen de Leere is gelegen? Wel aen, soo steldy my hier weder in mijn eere, die ghy my daer benaemt. Doch seghdy qualijck daer aen, dat ick dit niet en mach verdraegen, want ick verdraeght ende en hebs geen macht noch wil om op u luyder wijse metter daet te keeren. Maer arbeyde mijn best om met raedt ende waerheyt daer ick mach, dat de Leere verbetert ende nae den Euanghelie gereformeert mochte wesen, op datse bestendigh mochte blijven. Ende daer ick mach dit uwe nieuwe Pausdom ende heerschappije te helpen keeren. Dit en mooght ghyluyden niet al te wel verdraghen, so dit u Libel fameux te degen wel bethoont. Ick houde u Religie nerghens nae voor die waerachtighe. Hebbe ick dan niet recht te bethoonen dat my die Religie so ter herten gaet, dat ick niet alleen mijn eyghen schade, maer oock u luyden vervolgelijcke hate niet en ontsie in’t dadelijck bewijs dat ick van herten ongaerne sie dat sulcke uwe onwaere Religie ende Opinien meest door eenighe vreemdelinghen seer heftigh alleen hier de meester maecken? Doedy dit met behoorlijcke middele, te weten met de waerheydt? Of arbeydy meer ende noch voorder om d’Overheydts macht te misbruycken ende die een dienaer van uwe wreetheydt te maecken tot bederf van dees Landen ende luyden: soo elders ghebeurt is.

70.
Hier gaet my nu de Leere weder hoogh ter herten. Maer hier seghdy naer u ghewoonte, sonder eenigh bewijs, ‘tgheen u lust ende onwaerachtigh is. Thoonet my eens waer ick segghe of waer uyt eenighe mijne woorden mach ghetoghen worden, Dat ick niet en mach lyden datter eenige middelen tot bescherminge ende voorstant van uwe Religie ghebruyckt werden? Ghy behoort u immers eens van soo openbaere onwaerheyden te schamen. Porre ick u luyden selve niet aen met mijn Proeve van u Catechismo om u Religie te beschermen met het eenige eñ ware middel tot het voorstant vande Religie dienende? Welck is nu dat middel? Des Overheyts swaert? Daer met can oock de Turck,


de Catholijck, ende alle machtighe Godloos zijn religie voor een tijdt beschermen. Neen. Het stalen swaerdt vermach wat in Antichrists, maer niet altoos in Christi Rijck: daermen teghen onsienlijcke ketterijen het twee-snijdighe ende onsienlijcke swaert des Woorts gebruyckende is. De waerheyt is alleen het middel om de loghen te beschamen ende te verwinnen, ende die ware Religie te beschermen ende voor te staen. Hebdy die: waerom roept ghy d’Overheydts macht te hulpe? Hebdy die Waerheydt oock niet: waerom roemt ghy u des waren Religions: Nae dien ghy nu d'’verheyts arm betrout ende aenroept tot bescherminghe van uwe Leere: wie merckt niet dat ghy de Waerheydt niet en hebt, of dat ghy haere Almogentheyt niet en kent? Mach hy de Waerheyt kennen die haer Almogentheyt niet en betrout? Hebdy of kendy de Waerheyt dan oock niet, hoe mooghdy haer Dienaren zijn, haer anderen met-deylen, ofte van haer oprechtigheyt ghetuygen?

71.
Ghyluyden seght ende dat te recht: Dat my mishaeght dat alleen in de gemeene scholen den kinderen gheleert soude werden uwe Catechismus Ghemerckt ick die houde voor een fenijn van de teedere verstanden, so oock mijn Brief opentlijck mede brenght, daer op dit u Libel is gemaeckt. Seght dan noch meer, dat my aen de Leere niet en is gheleghen. Voorts moet hier waerheyt spreecken mede al heeten bitterlijck te schelden, om dat ick segge u doen daer henen te strecken, Dat niemant anders en sal moghen ghelooven, dan dat dees nieuwe Heeren des geloofs en gelieft. Seghdy hier nae in dit u Libel selve niet opentlijck: Op dat hem niemandt tot zijn verderffenisse en laet duncken, dat hy ghevoelen ende ghelooven mach wat hem belieft. Jae ghy opendtlijck met dese selve woorden: Mach niemant dat hem ghelieft, gelooven. So moet hy gelooven dat een ander gelieft. Dese ander sal d’Overheydt zijn, of ghyluyden. Niet de Overheydt Politijck; maer ghyluyden Kerckelijcke Overheydt: die de rechte gebieden wat zy moeten gelooven, ‘tzy of dat noodigh ter saligheydt is, ende in de heylige Schrift klaerlijck uytgedruckt staet of niet. Die nu allen anderen wil doen ghelooven dat hem gelieft: maeckt sich die niet een Heere des geloofs? Bewijst nu kondy, dat dit geen eenvuldige nootlijcke, ende uytgeseyde waerheydt en is: of bekent ende betert u Dolinghe ende oock u qualijck segghen, als of ick met sulcke mijne woorden bitterlijck scholde.

72.
Niet den vromen, maer den onvromen Dienaren berispe ick met waerheydt. Dit heet ghy bitterlijck schelden, om dat u die Waerheydt bitter valt. Aen lapkens leeren de honden leer eten. De beginselen van’t quaedt salmen teghenstaen met Waerheydt. Dit quetst den ghenen welcks quaedt voornemen zy hindert.U quaedt voornemen blijckt aen veel saecken, te strecken tot heerschappije ende tot dwangh inder Conscientien. Ende bevinde u vrome Dienaren, die met eenighe andere haer naerstigheydt doen om het nieu Pausdom een aen-was te doen hebben. Begheerdy hier af meer blijck, ick salse u doen hebben, met hulpe der Waerheydt.

73.
Voorts segdy te dien eynde acht te hebben op’t volherden ende toenemen int Geloof der gheenre die Professie van religie (ghy meynt den uwen) gedaen hebben, oock hoe ghy handelt met die van u af-wijcken.
Och of ghyluyden noyt voorder en waert getreden, dat ghy binnen die palen van uwe Kercke alleen waert ghebleven, ende niet bestaen en haddet te heerschappen over de ghene die buyten u Ghemeente zijn ende anderen haer gheloove te meesteren: Hoe eendrachtigh souden de Lant-saten zijn. Dan soude men u niet aenseggen dat ghy Heeren des Gheloofs wilt wesen. Maer dat ghy voorder gaet ende u selven Heeren des Gheloofs maeckt, is terstondt hier voor Numero 71 al ghebleken, soo’t noch terstont hier nae oock sal blijcken uyt uwe eyghen woorden. Soo luttel acht ghy op’t ghene ghy schrijft, soo bot acht ghy ende eenige vreemdelinghen, allen Hollanders dat zy’t souden mercken, ende soo kloeckelijck meyndy met u aes van schoone woorden, den dootlijcken angel bedeckt te hebben, datmense niet soude moghen sien.

74.
Op mijne woorden die ghyluyden te kennen hebt ghegheven, dat u mishaeght de Vryheyt, Dat elck soude moghen ghelooven wat hem ghelieft, en antwoordy niet rondelijck, maer met een kromme tonghe, want mijn woorden houden van te moghen ghelooven dat hem ghelieft. Dit laet ghy ongemerckt, ende valt op’t spreecken ende leeren wat elck ghelieft dats niet fijn, ende ghy moet doch terstondt daer aen daer oock op komen. Doedy dit met opset, waer is u oprechtigheyt? Doedy’t onwetens, waer is u omsichtigheyt? Maer laet ons dit u gevoelen soo ghy’t hier stelt, handelen. Behoort elck niet toeghelaten te werden te spreecken ende te leeren (in Religions saecken, daer af ende niet van de Politie handelt ghy hier) dat hem gelieft? So moet immers elck niet anders spreken ende leeren (daer u seggen by de Overheydt gheloof heeft ende ghevolght wert) dan dat u luyden gelieft. Want ghy laet d’Overheyt politijck het ghebiedt noch het oordeel van de Leere ende ketterije niet toe: soo is zy immers dan u slave ende u onderworpen, die in Religions saecken niet en mach spreken ende leeren, dan dat u luyden gelieft. So zijt ghyluyden dan immers over sodanigen ende over haer spreecken ende leeren in geloovens saken self de Heeren. Segt nu, is dit verde van Heeren des Gheloofs te zijn? Noch wildy sulcks den Menschen hier vroet maken, stracks hier voor. Hier blijckt het teghendeel uyt u eyghen woorden. Soo loochent ende bekent ghy doorgaens een selve saecke. Laet ons dit Mom-aensicht (hier is aen gelegen) noch wat naeckter af-rucken. Men neme dat yemant inder waerheyt verstae grove Dolingen te wesen in uwe Leere: ende dat hy sulcke Waerheyt zijnen Naesten ontdeckt. Suldy dat oock toelaten? Neen, maer hem’t selve door dreyghementen van


d’Overheyts straffe doen verbieden, als een verstoorder van uwe uytterlijcke Kercken-vrede aen den lyve doen straffen. Hier tegen gebiedt hem Godt tot zijnen Naesten Waerheydt te spreecken, 1 1 Z ach. 8. 16. ende eenen anderen te doen als hy wilde dat hem gheschiede. 2 2 Mat. 7. 12. Wie op een verdoemelijcke onwegh wesende, waer daer af niet gaerne van een ander gewaerschouwet? Wat sal dese doen? Wort hy niet ghedwonghen om zijn Conscientie volghende, door’t spreken in de straf te vallen, of d’Overheyts verbodt gehoorsamende door’t swijgen zijn Conscientie te quetsen? Wie mach dit loochenen? Wat dunckt u nu? Is dat geen dwang over de Conscientien? Maeckt ghy also u self niet Heeren des geloofs? Sulcks deden oock de oude Pharizeen aen de Apostelen. Henluyden verboden zy op straffe inden name Jesu meer te leeren. 3 3 Act. 4. 18. Alsoo stonden zy mede in den dwangh van haer Conscientie met swijghen, of haer lichamen met spreken ende leeren te quetsen. Als dan niemant en soude mogen spreken noch leeren dat hy wil, maer alleen ‘tgheen u belieft: maeckt ghy u self dan geen Heeren des geloofs? Dwinght ghy dan niet die Conscientien? Dat suldy niemanden vroedt maecken dan die gheen onderscheydt en verstaet, tusschen Heere ende Slave zijn, ende tusschen vryheydt ende dwangh.
Alsmen seyt van den dwangh des geloofs, soo en verstaetmen niet dat yemandy eenen anderen mach dwinghen te gelooven of niet te ghelooven: maer datmen yemandt mach sulcx dwinghen in de werkinge des geloofs, soo in’t doen als in’t laten van dat het gheloove hout voor recht of onrecht: dat hy gestelt werde (so hier naest voor is geseydt) in den noot-stal, om te quetsen zijn Conscientie, of zijn lijf, of have, name, of anders yet uytterlijcks. Mooghdy dan oock niemandt te ghelooven dwingen: wat vermach d’Overheyts swaert hier doch anders, dan datmen in’t heymelijck doe of late nae’t gebiedt der Conscientien: of datmen hypocrijten maeckt of Martelaren?

75.
Ghy saeght wel dat u uytsluyp niet en hielp, doe moest ghy noch uwes ondancks aen de sake, eñ op-nemen de Redenen die de Catholijcken voortbrengen. Totten dwang des gheloofs ende ketter-doodinghe seghdy wel uytdruckelijck, een verderflijcke licentie te wesen, datmen mach ghevoelen ende ghelooven, dat elck ghelieft.
Wel aen nu. Het gelieft den Catholijcken te gevoelen dat Christus wesentlijck na den Lichame ende oock aenbedelijck is inde gheconsacreerde Hostie vander Missen, oock opgesloten ende omgedragen wesende. Het gelieft den Lutheranen te ghevoelen dat Christus nae den Lichaeme wesentlijck is in’t broodt onder’t ghebruyck des Nachtmaels. Ende het gelieft u te gevoelen dat Christus niet wesentlijck is nae den Lichame, maer figuerlijck ende Gheestelijck in’t broodt des Nachtmaels. De twee uwer drie, moeten in desen hebben een onrecht gevoelen, d’welck den Heere mishaeght. Elck van drien (is hy Godvreesende) mach niet laten, volgens zijne Conscientie, sulck zijn ghevoelen (dat hy voor recht hout) anderen te openbaren, ‘tselve voor te staen, voort te stropen, ende te soecken om de menschen daer toe te ttrecken. Sulcx segdy mede te brengen een onteeringe van den name Godes, een vervoeringe der eenvoudigher herten, ende een schadelijcke tweedracht eñ argernisse. Dat zy hier nu so genomen. Daer voor achtens oock met u, die Luthersche ende Catholijcken. Want men weet dat die Luthersche u luyden om u ghevoelen met die voort-stroyinghe ende voorstant van dien, schelden voor Swermers, Sacramentschenders, verderflijcke verleyders ende ketters. Neemt nu dat zy mede toestemmen dese uwe meyninghe, dat d’Overheyt schuldigh soude zijn in haren bedrijve sulcx te beletten met ghedreyghde straffe van vanghenisse, aen de uyterlijcke Kercken-vrede. Laet ons mede nemen, dat die uwen onder’t bedrijf van soodanige Luthersche Overheydt wonende met ongequetster Conscientiē niet en mogen laten sulck haer gevoelen te stroyen, voor te staan, ende den Luterschen voor Canibalen ende Vleysch-vreeters te bespotten, waer door d’Overheyt niet willende die ghedreyghde straf Illusoir of tot een spot laten worden, maer den uwē daer mede dwingen tot swijghen tegen haere Conscientie, of in gevangenis, of inden doot te gaen. Seght nu vrienden: soudy niet klaghen dat die Lutherschen u met-broederen dwongen in hare Conscientien? Als oock de Catholijcken u luyden voormaels hiet te Lande (soo noch gheschiet in Hispanien, Italien ende elders) den uwen om te leeren ende te sprekē schamperlijck ende spottelijck van Melis inde halve Mane, van den Broot-godt, vanden backers godt ende derghelijcken, oock mede om andere voor sulcke Afgoderijē te waerschouwen, om een ander ghevoelen van’t Nachtmael dan by henluyden is, onder den volcke te stroyen ende voor te staen, ende zyluyden door Keyseren ende Koninghen, soo wel by henluyden als by u, genaemt Voetster-Heeren der kercken Godes, den uwen sulcks strenghelijck te leeren ende te spreken verboden, ende mitsdien in noode stelden om alle sulcks met quetsen haerder Conscientien te laten og ghebrant te wordene: Klaeghde ghy doe niet dat sulck doen der Catholijckē was een dwangh der Conscientien? Riept ghyluyden doe niet, of schreefdy niet menighte van boecken dat het ghevoelen, dat het gheloof, dat het spreecken ende leeren in Schriftuerlijcke saken des geloofs behoorde vry te wesen? Wie weet niet jae? Doe hielt ghy waerlijck dese vryheydt, niet alleen in’t ghevoelen of ghelooven, maer oock het spreken, het leeren, het aenlocken, ja het boecken maken in saken des gheloofs, niet voor een verderflijcke Licentie, maer voor een heylsame vryheydt in der Conscientien, maer doe en was by u niet de macht om d’andere niet te willen lijden, of te dwingen als ghy nu meer ende meer hoopt te verkrijgen, ende daerom waerdy doe wat ootmoediger ende geduldiger dan ghy nu zijt. Want aengaende ‘tgeloof ende ghevoelen des gemoets (seghdy voorts) dat en kan gheen mensche eenen anderen noch geven noch hinderen ofte weeren, jae niemant kan’t oock weten, dan voor soo veele alst hem uytterlijck openbaerdt door de bekentenisse, leeringhe ofte andere wercken. Dats waer, neemt nu dat u gheloof recht zy. Daer de Roomsche Catholijcken heerschappen en lij-


den zy’t niet, dat die uwen moghen leeren of spreken dat u gelieft, op straf der Overheyt.Sy mogen den uwen ‘tgevoelen des gemoets niet weeren, maer zy weeren haer ‘tghevoelen haers gemoets te beleven. Is dat geen dwangh des geloofs? Waerom hebdy u dan daer over soo swaerlijck beklaeght? Ist dwangh des gheloofs, waerom doedy’t nu anderen?

76.
Daer ghy nu seght de rechte middel tot onderhout van den Godts-dienst te wesen: dat d’Overheyt soo wel’t zijn, als de Predicanten ‘theur moeten daer toe doen, Sulcks dat den weder-sprekeren, volhoort ende overwonnen zijnde, bevolen werds haer stille te houden: Hebbe ick voor al hier moeten vraghen wie de Rechter sal zijn om te oordeelen wanneer yemant wettelijck van u luyden is overwonnen? Ghyluyden self? Of d’Overheyt Politijck? (die ghy so noemt om van u Kerckelijcke te onderscheyden) U schaemte is niet seer groot, noch mach ick u dat seer quaelijck toe betrouwen, dat ghyluyden u self soo opentlijck Aen-klager ende Rechter soudet willen maken. Ghyluyden moest immers self Aen-klagers zijn, als ghy yemanden aen d’Overheyt wroegende voor een die zijn quaet gevoelē (so ghy’t waent) spreeckt, voorstaedt, anderen zijn onghesonde Leere voort leert, uwe uyterlijcken Kercken-vrede verstoort, ende hem midtsdien oordeelt verschult te hebben dat hy ghestraft werde met ghevangenisse of aen den lijve. Soudet dan u luyden oock eenighsins voeghen alsoo self Aen-klager ende Rechter over sulcken van u beklaeghden; het oordeel te strijcken? Vryelijck neen. Mooght ghyluyden hier inne dan geen Rechter zijn, so sal’t d’Overheyt Politijck moeten wesen. Laet ghy’t henluyden oock toe? Het oordeel, segge ick, of eenighe Leere ketterije is dan niet? Beza gheensins a. 1 1 a Traicte 422. De la punition des heretiques. Die seyt sulcks gheen Princen, maer de Kercke toe te behooren. Dat ghyluyden hier in dit Hooft-stuck oock den Overheydt Politijck gheensins souden willen toe-laten eenigh gebiedt over uwe Kercken, bethoondy niet dan al te veel, oock daer inne dat ghy geen Kercken-ordeninghe van henluyden en wilt aen-nemen. Dat ghy henluyden niet en wilt toe-laten Diakens ende Predicanten te verkiesen, af ende aen te stellen, ende diergelijcke uytterlijcke dinghen meer, dat al wat minder is dan macht om te oordeelen of een Leere ketterije is, ende wat een ketter is, dan niet. Maer sout ghyluyden hier inne d’Overheydt noch voor’t eerste met een sachter toomken willen berijden, ende seggen dat den Princen van Gode die macht is ghegeven, in sulcker voegen dat alle hare ondersaten henluyder oordeel in desen onderworpen zijn (dat ick qualijck van u luyden kan ghelooven, al waren zy oock van u gheloove: ) hoe suldy u luyden mogen ontschuldigen van rebellije? Rebellije segghe ick, niet alleen teghen den Koningh van Spanjen, der Roomschen Catholijcken Leere voor de waerachtighe oordeelende, maer oock tegen den God des Hemels selve, den Koningh dan sulcke macht in desen gegeven hebbende, ende dien ghy in’t wederstaen van den Koningh selve dan wederstaet. So en laet ghy dan de Politijcke Overheyt niet toe het oordeel van de Leere ende ketterije. Seght nu hoe sal dan d’Overheydt mogen seecker zijn of yemant door u wettelijcken is overwonnen van ketterije? Als ghyluyden in uwe Consistorien, Classen of Synoden sulcks suldt besluyten, dat maer sult segghen? Als ghy met d’oude Pharizeen sult roepen: 2 2 Joan. 18. 30. Waer dit geen quaetdoender, dat is, gheen stroyer van zijn quaetgevoelen, geen verleyder der onnoselen, geen verstoorder van onse uytterlijcke Kercken-vrede, niet heel onghesont in de Leere, wy en souden hem aen u niet beschuldight hebben: ghelooft maer ons oordeel, al zijn wy beklagers ende partijen, ‘tis u ghenoegh dat wy’t u segghen. Seght nu ghy Predicanten, soude dat dan met u overwonnen heeten metten woorde des Heeren? Of en mach’t nu niet meer (als voormaels) ghebeuren dat die herders selve in wolven veranderen? 3 3 Traict. 296. U Beza seyt hier toe niet alleen jae, maer oock dat het alle daghe ghebeurt. Nu maeckt ghy d’Overheyt blindt in’t oordeel van de Leere ende Ketterije, als die hen dat selve beneempt, ende u luyden self alleen toeschrijft. Als dan sulcke Wolf-herders een Schaepken vernemen, sullen zy moghen laten haer aert te thoonen, d’Overheyt daer op te heffē, om dat Schaepken by den Wolven voor een Wolf beschuldight zijnde, blindelingh met zijn swaert te slaen ende vernielen? Seght nu meer dat ghy dus doende, u self niet en maeckt Heeren des gheloofs, ende dat noch over alle Man, dat Paulus self niet en wilde wesen over den zijnen. 2. Cor. 1. 24. Daermen dan d’Overheyts yver soo onwijs vindt (so noch daghelijcks tot veel plaetsen niet dan te veel ghebeurt) wat sal hy anders doen, dan (soo u Beza oock selve schrijft) dat hy sich self in plaetse van een beschermer ende yverige van de Waerheyt Godes, sal stellen tot een Dienaer van een anders wreetheyt? 4 4 Traict.
Dit is de grondt van dese uwe meeninge: ende dit soude (Godt wouts) noch moeten zijn de rechte middel om den oprechten Godsdienst in welstandt te houden? Het ist rechte middel daer door van aen-beginne af, alle het onnoosele bloedt van alle ware Martelaren, ja oock van’t Lam Godes selve, jammerlijck gestort is geweest. Want de Wolfherders begheerlijck zijnde nae der Schaepkens wolle, vleesch, ende bloedt, maeckten den onwijsen Princen vroet, dat die Schaepkens Wolven waren: ende dat zy Princen schuldigh waren den zone te kussen, dat is (soo’t Beza wonderlijck gloseert) den Ketters te doodē. O rechte Judas kusse. Barmhertighe Godt behoedt doch uwe onnoosele Schapen voor sulcken middel hier te Lande, als des hevighe Mannen hier segghen het rechte middel te wesen om den oprechten Godsdienst in welstant te houden: want dat het rechte middel is om het nieuw Savoyaensch Roomen in’t Ketter-dooden nae te volghen.

77.
Waer teghen het geen wonder is datse haer soo hart stellen, die inder daedt niet anders dan de verstooringhe der Religie soecken, hoewelse in den schyne nae de Waerheydt ende vryheydt der Conscientien gheacht willen zijn te staen.
Het vervolgh van dese uwe woorden bethoont opentlijck, dat ghy van my spreeckt,


dat ick niet anders en soecke dā verstooringe van Religie. Machmē yemant godlooser injurie aenseggen? Waer met bewijsdy’t? Om dat mijn schriften bitter eñ schamper souden zijn. Zijn alle ware schriften sulcx, so zijn de mijne sulcx. Waerheyt schrijve ick die treft, niet schamperheydt die afschampy. Maer van dese uwe kintsche reden ghestelt tot bewijs van dese bittere injurie, wil ick in’t naest-volgende handelen. Ende segghe hier maer hoe soetelijc u soete penne my hier handelt. Seker nae dien ghy den verstoorders van uwe uytterlijcke Kercken-vrede lijfstraffens waerdigh oordeelt: so kan ick wel verstaen wat oordeel ghyluyden (vraeghde men u, over mijn advijs) gheven sout; dien ghy dorft aen-seggen te soecken niet anders dan verstooringhe van de Religie selve, dat al wat arger is in uwen oogen dan verstooringhe van maer uwen uytterlijcken Kercken-vrede. Siet nu of u penne dit Libel aen den Staten niet met Draconische inckt en heeft geschreven, ende hoe soetgens die is.

78.
Want u E. E. moghen selfs oordeelen, uyt wat grondt het komt, dat dese Weder spreker in sulcke wijse teghen de Ghereformeerde Religie schrijft, datter nau een bladt en is, daer niet d’eene bitterheydt ende schamperheydt of d’andere in bevonden werdt.
Hier komt het schoone bewijs voort van sulck u leelijck ende doodtlijck injurieren, ende staet in den gront aldus: Alle de ghene in wiens schriften nau een bladt en is, daer in niet d’eene bitterheydt ende schamperheyt of d’ander en werdt bevonden, en soecken inder daedt niet anders dan verstooringhe der Religien.
In dese Dierick Coornherts schrift wert sulcks bevonden. Daer by blijckt dat dese D. Coornhert in der daedt niet anders en soeckt dan de verstooringe der Religien.
Loochent nu, kondy, dit den grondt uwer bewijsinge te wesen. Dit vermooghdy niet: maer ick loochene met waerheydt het eerste, oock het tweede deel, ende midtsdien oock ‘tbesluyt van dien dat valsch is. Aengaende mijn loochenen van’t eerste deel, is elck kont dat Martijn Luthers, Calvijns oock sonderlingh Beze, ende meest alle uwe Vaderen schriften doorgaens overvloeyen van berispinghen (dit noemdy bitterheydt) ende schamperheyden teghen die Roomsche Catholijcke Religie. Soo volght nu nootlijck (is dese uwe bewijsinghe goet) dat Martijn Luther, Calvijn, Beza, ende meest alle uwe Vaderen inder daedt niet anders ghesocht hebben dan verstooringhe der Religie. Dit segghen u oock aen die Roomsche Catholijcken, ghelijck ghyluyden my. Suldy nu noch wel soo onbeschaemt zijn, ende werpen den eersten steen op my? Wanneer houdy eens op van my te beschuldigen met uwe sonden? Belanghende nu uwe tweede deel, te weten, van de bitterheyt ende schamperheyt in alle mijne bladen: bekenne ick gaerne datter in mijne schriften nau een bladt en is, of daer en is d’eene waerheydt of d’ander inne, uwe schurfte ghebreecken ontdeckende, jae seer doende. Schijnt dat nu bitter voor u, dat wijt met d’eenvuldige Waerheydt; u sulcks tot uwer ende ander luyder nut aenwijsende: maer wijt dat die menighfuldighe schurftheyden ende ghebreken in uwe Leere wesende. Daer inne leydt de smerte ende bitterheydt, ende niet inde waerheydt noch in mijn herte, noch in mijn penne. Bitter valt allen Schijn-heyligen die beschaemde kracht der Waerheydt. Soo vielen des Waerheydts woorden (in wiens herte of mondt immers geen bitterheyt altoos en was) so recht bitter den ouden schurftigen Pharizeen, dat zy hem sochten te dooden. Ende soo vallen gemeenlijck voor den krancken die gheneselijcke plaetsers of drancken bitter: heeft daerom de Chirurgus of Medicus een bitter herte totten krancken die zy arbeyden te ghenesen? Daer blijckt nu die u geheele bewijsinge in al haer drie deelen valsch.

79.
Nu brenghdy voort het treflijcke bewijs van mijn bitterheyt, dat laet ons ondersoecken: Dat ick schadelijcker gebreken sie (voor soo veele de Leere beroert) in uwe, dan in de Doopersche, jae oock dan inde Roomsche Religie, stae ick bekendt, segghe dat oock onbeveynsdelijck tot uwer ende elckerlijcks beteringe, ende ben bereyt (dit webbe des Catechismi eerst afgheweven zijnde) sulck mijn segghen staende te houden voor loutere ende nutbare Waerheydt. Haer mooghdy’t wijten, of veel eer uwe seerighe schurftheyt ende geensins mijne trouwe Vermaninge, indien u sulcks bitter valdt. Aengaende nu mijne woorden tot u ghesproken tot Leyden in de kamere van’t voeden eender Lant-verderflijcken Opinie in uwen boesem, &c. streckten sich alleen op uwe dwangh der Conscientien, invoeringe van de Geneefsche Inquisitie ende Opinie van’t Ketter-dooden.
Dese Lant-verderflijcke Opinie seyde ick doe ter tijdt opentlijck in u aensichten, dat ghy bedecktelijck in uwen boesem voede, om dat ghy die Opinie haddet in uwe borsten, maer doe noch niet openbaeren en dorsten, niet teghenstaende ick arbeyde om ja of neen uyt u hier af te weten, maer mocht u tot het belijden van’t een of’t ander niet brenghen, overmits ghy u schaemde eñ noch te vroegh achte om sulcke verholentheyt te openbaren in dese Landen. Alsoo hebbe ick in desen gesproken niet bitterlijc of schamperlijc, maer warachtelijck ende nuttelijck, soo’t daer nae ghenoegh is ghebleken. Ben mede bereydt te bewijsen waerheyt te zijn dit mijn seggen, te weten dat dese Opinie van’t ketter-doden (hoe ongaerne ghy het secreet vā dese bloetmisse sout derren voor als noch bekent staen) in u luyden is, eñ daer by oock (hoe gaerne ghy aen desen handel komt) te bewijsen waerheyt te zijn, dat zy is Lant-verderflijc. Maer wat bewijs behoeft dit laetste, nae die wy ‘t alle (leyder) met smerte gevoelen? Smert u dese mijne soo seeckere Waerheyt, dat mooghdy niet rechtelijck haer, maer u zeerigheyt, by haer geroert wijten.
Beroerende nu het derde stuck, van datter meer zijn die my lief hebben, dan u luyden lief is, &c. Heeft dese oorsaecke:
Ghyluyden haddet uwen Onder-wijser a vij. verso, doen spreken aldus: Dit is nu een groote saecke, daer op den aenhanck ende liefhebbers Coornherts wel moghen letten, de welcke gheen Religions dwangh in’t kleyn noch in’t groot, die van de Magistraet soude moghen ghedaen worden, aennemen willen;


voor de ware vryheydt houden dat een yeghelijck mach spreken wat hy wil, ende die ernsthaftighe luyden straffen, die d’Overheyt aenporren, als die behoort den waren Dodtsdienst met macht voor te staen, &c.
Hier op was by my gheantwoort alsoo: Dat ghyluyden hier verhaeldt van myne aenhanghers, die en hebbe icker niet een daer af ick wete (dese mijne woorden laet ghy uyt) maer die my lief hebben zijnder meer (soo ick mercke) dan uwe onvrientlijckheydt wel lief is, &c. Ende voorts als ghy hier hebt verhaelt, by my daer by ghevoeght voor Reden dat zy my meer dan u luyden lief mochten hebben, daer toe diende dat. Lieve seght nu: wat is hier inne dat soo bitter of schamper is? Wat, dat niet waerachtigh is? Ghyluyden pooghde met dat woordt aenhangh te doen verstaen, dat ick een Secte aenrichte. Dit mocht een calumnieuse bitterheyt zijn. Dese wilde ick met waerheyt afweeren, eñ seyde soo voor staet. Hebdy nu al reden om sulcks voor bitterheyt te schelden? Merckt nu doch Leser. De Predicanten willen my hier eerst aen den Heeren Staten eñ voorts in dit gedruckt Libel voor de werelt beschuldighen van bitterheydt ende schamperheydt mijnre schriften. Om sulcx te bewijsen hebben zy (soo licht te dencken is) niet gheslapen, om sulcx wt alle mijne schriftenmetten spinnen te spinnen: zy en brenghen maer voorts de drie voorghemelde stucken voor’t alder-bitterste ende schamperste dat zy in mijne schriften hebben konnen vindē tot bewijs van sulcke hare betichtinghe. Sal u, vrundtlijcke Leser, nu oock swaer om verstaen vallen dat dese Predicanten Calumnieren, ende my onrechtelijck wroeghen aen den Heeren Staten, ende dat noch met het ghene zy self ter recht in schuldigh zijn? Dat zy dit doen, weet ick, tot wat eynde, weten zy best. God sal ten laetsten oock eens Rechter wesen, hem is niet verborgen.

80.
Na sulck u onbewijslijck bewijs vraeghdy: Waer toe dat anders dient dan om u luyden als aenkomende Tyrannen &c. haetelyck te maken by den volcke.
Waer toe dit diende is my best bekendt, ende ick hebt hier voor gheroerdt, te weten om reden te gheven waerom my die Landt-saeten mochten liever hebben dan u luyden, want obsequium amicos, maer, veritas odium parit. Dit bevinde ick hier beyde, als dat vroome luyden merckende wat dienst ick in desen Lande doe, my lief daerom hebben, eñ u luyder schorftheyt ontdeckt zijnde door de waerheyt by my voordt ghebracht, maeckt sulcken dootlijcken hate in u tot my, als dit Wroegh-boecxken aen den Heeren Staeten self opentlijcken betuyghende is. Ick selve kan best het voornemen mijns doens wetē, dat is sulcx als ick hier naecktelijck ontdecke, ende niet als ghyluydē hatelijcken trect, te weten, om’t volck teghen u te inciteren. Neen neen, ghy zijt soo groote personagien (Godt lof) noch niet, dat sulckx de moeyten waerdig soude zijn of my al schoon luste het volck teghen yemanden te inciteren, ‘twelck noyt mijn ghedachte is gheweest, ende noch (God lof) geensins en is. Maer ick schrijve waerachtelijck dese waerheydt tot u ende van u, dat u voornemen is te heerschen, dwangh in der Conscientien, ende het Ketter-dooden inne te voeren: op dat d’Overheyt sich daer voor hoeden, u daer inne niet souden ghelooven ende hen macht laten misbruycken, ende’t volck u mach kennen voor dat ghy zijt, ende te minder verleyt of in uwe Dolinghen verstrickt blijven soude, by aldien ghy u Leere niet in tijdts en betert. Siet daer hebdy waer toe dan dit diende eñ hier noch dient,

81.
Daer ghy seght van’t Landt te helpen op eeten, &c. is eē leelijcke Calumnie ende valsche duydinghe mijnre woorden, sonder dat ick voor, of onder, of nae dat schrijven oyt sulcx ghedacht hebbe ghehadt. Noyt heb ick gheschreven of ghesproken dat een goedt Predicant (daer voor ick doch u luyden niet en mach kennen) zijn onderhout niet waerdigh en is. Soo is oock my d’alderminste ghedachten niet in-ghevallen daer te handelēn van des Landts exactien door uwe luyder wedden veroorsaeckt te wordene. Maer wel om d’oorsake te verklaren, waerom meer luyden my lief hadden, dan u lief is. Te weten dat ick op mijne selfs kosten des volcx nut, maer ghy op des Lants kostē des volcx schade (in vryheydt der Conscientien te verliesen, &c.) benaerstighen. Dit was daer mijne meyninghe, die houde ick noch voor waerachtigh, ende ben sulcx te bewijsen machtigh, wanneer het u sal believen my daer af te bemoeyen.
Waer toe dient het dat dese Weder-spreecker ‘t voorleden laer een zyner boecxkens, vol lasteringhen ende Calumnien tegen die Gereformeerde Religie, in druck uytghevende ‘t selve gedediceert heeft allen Godt-vresenden, onpartijdighen ende recht-verstandighen Ministeren der Ghereformeerde Religie, &c. anders dan om tweedracht ende scheuringhe in de Kercke aen te richten, &c.
Waer toe dienen dese uwe Calumnien van’t dediceren mijnder schriften, ghenaemt Synoden, die ghy my valschelijck opdicht, doch anders, dan om den Heeren Staten te doen Pilatizeren? Waer met bewijsdy dese uwe doot-waerdighe Calumnie? Met u simpel segghen? Met het navolgen van den ouden Pharizeen: waer dit gheen twist-maker in de Kercke, wy en souden hem daer voor niet beschuldighen? Hier voor Numero 78. is meer dan ghenoegh ghebleken dat uwe beschuldiginge van mijne schamperheyt valsch is, ende dat die bewijsinghen, daer gestelt, ydel zijn. Dit achte ick by u selve in’t voortgaen wel beducht te zijn gheweest. Alsoo hebdy (ghy weet het best) achter weghen ghelaten een eenige plaetse tot bewijs van dese uwe Calumnie voordt te halen uyt die mijne boecken vande Synoden. Hier inne dedy oock wijslijck, want ten is niet bewijslijck. Want ghy noch oock d’alder-weynichste spinnen ter wereldt, niet een eenigh schelt-woordt (swijghe lasteringhen of Calumnien) daer uyt sult mogen suygen. Want sy zijn soo vol nutte waerheyden datter niet een schelt-woort plaetse mocht vinden. Eñ seecker soo u luyden die Waerheyt wat meer ende de Loghen wat minder lief ware: ghy sout u wat meer schamen my soo opentlijck te Calumnieren, ende wat minder sodanighe naeckte onwaerheyden te schrijven. Daer


door ghy oock meer goedt-hertige menschen tot u Leere aenlocken, ende der selver minder daer van af-schricken, ende midtsdien my oock minder oorsake gheven souden, om u luyden (niet den Godt-vreesenden Predicanten, dien ick die boecken toe-schrijve) te noemen Ghedeformeert. Niet om scheuringhe ende tweedracht te maken, niet om yemanden op te hitsen, niet om ongheregeltheyden te veroorsaecken, oock niet om aenhangh teghen u luyden te bekomen, soo uwe onvriendtlijcke herten my hier onwaerachtelijcken opdichten: maer om der onvromen Predicanten authoriteyt te minderen, haer leven ende Leere te beteren, om der vromen veyligheydt te meerderen, om niet met onwijse Conscientiē uyt d’eene Kercke in d’ander (niet Kercke, maer) Kercker te zwerven, ende om den Landen nut te zijn tot minderinge van partijschappe ende dwangh inder Conscientien, soo ick waerachtelijcken wete, ende by my met naeckte woorden uyt ghedruckt is gheweest in de Voor-reden van de voorsz mijne Synoden was d’oorsaecke soo van’t schrijven als van’t dediceren der selver. Ghyluyden klaeght hier al weder, dat ick u opentlijck van dwangh inder Conscientien derf beschuldighen: (om te tyranniseren ghebreeckt u noch meer macht dan wille) dunckt u dat ick hier aenliege, so neemt dese sake (by u tot noch toe gevloden) eens tegen my ter handen: ende ghy sult haest vernemen dat ick u met eenighen van den uwen sulcks waerlijck (doch te spaerlijck) aensegghe. Maer wat d’oorsake is dat ghy tegen mijne meyninge, in mijne schriften soo naecktelijcken verklaert, my een andere ende onware meyninghe opdichtet, mach niemandt sekerder dan ghyluyden self weten: behalven de Herten-kenner die’t u noch eens tot u treuren te recht sal doen weten, so ghy’t self niet by tijdts betreurt in u geweten.

82.
Vragende na d’oorsaecke waerom ick’t artijckel van de Gehoorsaemheydt in uwen Catechismo eerst aentaste: Seghdy die te wesen, meer tot my te trecken ende de Kercke in roere te stellen.
Hier mach ick met ghelijcken rechte vraghen wat d’oorsake is, dat die timmer-luyden uwes Catechismi dat stuck van de ghehoorsaemheyt als tot een grontfest des selfs stellen voor aen, terstont nae de partitie, in de vijfde vraghe, ende de selve daer met sulcke openbare onwaerheyt loochenen moghelijck te wesen? Is dat om eenighe daer door tot hare Leeringhe te trecken, ende den Roomschen Catholijcken Kercke het platte tegendeel leerende daer door in roere te stellen? Of dit nu al schoon mijn oorsaecke van dat articule eerst aen te tasten ware gheweest tegen dese uwe onware Leere: soudy my, om sulck mijn doen teghen u, oock meer dan u selven om sulck u eygen doen tegen den Roomschen Catholijcken, oock wettelijck moghen beschuldigen? Nu en is dat mijn oorsake geensins gheweest, maer wel om d’onwaerheydt van u Leere te ontdecken in dit hooghwichtighe poinct, anderen daer voor te waerschouwen, u authoriteydt nu velen vromen ontsichlijck zijnde; wat te minderen, ende door dien oock der zielen verderf wat te minderen. Duncken u dat niet oorsaecken ghenoegh? Ghyluyden seght wel de waerheyt, daer inne datter noch ander articulen ghenoegh voor my zijn, om te bestrijden: maer daer inne mist ghy de waerheydt, als ghy waent dat ick voorts meer van meeninghe soude zijn (soo ick tot Leyden moeste zijn) u Leere, naer u ghebieden, niet dan in articulen die’t u best ghelieft, te bestrijden. Dese mijne onghehoorsaemheydt van sulcke uwe aenghenomen heerschappije over my, was so toeghenomen in u, datse u dus seer doet, om d’onghewoonheyts wille. Maer dat overgeslagen, Dunckt u dit articule niet de pijne waerdigh om eerst ghehandelt te worden? Waerom ist voor aen in den Catechismo gestelt? Of staet het daer vergheefs? Of is daer weynigh aen ghelegen? Die wichtigheyt der saecken, die schadelijckheydt van de Dolinghe in desen, ende u luyder grof misverstant in die saecke, heeft my eerst daer af doen spreecken, niet om u Kercke in roere te stellen, of om my een aen-hangh te maken, maer om uwe soo grove Dolinghe, daer ick mochte, ende ghy waerheyt lijden mochte, te beteren, ende om die aen sulcke uwe Dolinge verstrickt of toe ghenegen zijn, vermidts Godes hulpe, daer af te verlossen, of voor te waerschouwen tot henluyder voorhoedinghe.

83.
Daer ghy versiert een dootlijcken haet in my teghen Calvijn, segghende d’oorsake yegelijck bekent te zijn, sonder die te noemen, &c. Bethoondy al mede (als door dit gantsche Libel) u penne so soet ende vriendelijck, dat ick hier moet hatigh, blindt ende partydigh zijn: Dit seghdy so verkeerdelijck, als sonder alle bewijs. Maer hoe soudy bewijsen ‘tgene niet en is. Calvinum heb ick mijn dagen noyt gehatet, hate oock noch hem, noch niemant. Soud’ick dan door die oorsaecke, die niet in my en is (dat weet ick) partijdigh verduystert ende blindt zijn, soo en ben icks niet. Soo Godtloos en ben ick noch niet (God danck) als u ongodlijcke penne my beschildert. Sodanige vryheyt van alleen uyt u selfs argh dencken yemandē met onwaerheyt te beschuldighen, hadde ick waerlijck minder by u luyden vermoedet, dan by den Libertijnen, die even ‘tselve mede doen tegen my, om dat ick haer Leeraers leeringhe berispe, seggende zyluyden mede, dat ick sulcx doe uyt hate.

84.
Ghyluyden ten laetsten als vermoeydt zijnde van uwe menighfuldighe doodtlijcke Calumnien, merckte self wel, dat sulcke criminele ende Jootsche wroeginghen seer bequamelijck schenen te dienen, om my, als alle antwoorde onwaerdigh zijnde, niet te doen hooren, ende soo te mogen ontgaen den noot van uwe Leere te verantwoorden, hebt self opētlijck sulcke uwe vriendelijcke wroeginghen daer voor suspect of verdacht, segghende dat ghy sulcks daer toe niet en verhaelt. Dat kan ick soo wel ghelooven, oft schoon anders ware. Maer ist oock anders, soo moet ghy’anders dan ghy’t hier seght te zijn, met een quaet gheweten weten. Lieve seght doch dese uwe woorden van my: Als alle voordere antwoorde onwaerdigh zijnde: zijn die by u luyden daer ghesteldt, om den


Heeren Staten aen te porren, van my tegen u te doen hooren? Wie moet het teghendeel niet daer uyt verstaen? Nochtans ghelaet ghy u anders in den schijn.

85.
Ghy ghelaedt u ernstigh versoeck te zijn dat ick ghehoordt soude werden teghen den uwen. Maer, nadien ick niet en mach ghelooven u verholen te zijn gheweest wat aengaende het ghepresenteerde boecxken, ghenaemt Proeve, in de vergaderinghe van de Staten al opten xiij. Februari 83 besloten was: soo moet ick ghelooven dat dit u versoeck met dit u Wroegh-schrift aen den Heeren Staten, al verde een ander meyninghe heeft gehadt dan ghy hier voor geeft, of dat het niet en is gheweest dan een spiegelvechterije. Wat behoefde ghy dit (al in Martio) te versoecken? Of lust u te begeeren anders dan de Heeren Staeten u ordonneren? Die hadden al in Februario daer voor 1583, gheordonneert dat een Professor tot Leyden met een Minister aē my van desen Catechismo souden schrijven. Socht ghy geen uytvlucht u Leere te verantwoorden: waerom ghehoorsaemde ghyluyden niet die voorsz opdonnantie van den Heeren Staten? Waerom sonden de Professor met de Minister geē Theses aen my soo hen was bevolen? Off was u die ordre, doe by den heeren Staten hier op ghesteldt, niet van uwen sinne? Of moeten die Heeren Staten u niet ordonneren dan dat u luyden behaeght? Of lust u haere Ed. Mog. Met grootwichtighe Lant-saken soo veel bekommerdt zijnde, onophoedelijck meer te bekommeren ende tijt te berooven? Of meendy dat die Heeren Staeten sulck u schrijven u bevalen vergeefs, ende hier in te doen sonder soo wel my als u te hooren?

86.
Ick sie u voorts schrijven: Dat ghyluyden wel nutte berispinghen moogt lyden, ende niet en begeert teghen recht voorgestaen worden. Maer hoe ghelijckmoedelijcken ghyluyden die die ondersoeckingen ende nutte berispinghen uwer Leere kont verdraeghen, bethoont (behalven uwe andere schriften) oock dit soet eñ vruntlijck Wroegh-schrift doorgaens meer dan te veel, behalven noch dat ghy’t voor misdaet eñ voor strafbaer hout, dat yemandt van de Religie spreeckt na zijn ghevoelen, te weten anders dan’t u ghelieft dat elck moet ghelloven, ick swijge in druck sulcx te ondersoecken. Vreesdy den Proefsteen niet, waeromme seghdy, schrijfdy ende doedy opentlijck drucken uwe meyninghe te zijn, dat niet toeghelaten en behoort te worden, dat elck spreke ende leere (in Religions saken, daer af handeltmen) dat hem gelieft? Of soudy den arbeyt wel ontsien in’t wederlegghen der Dolinghen gelegen zijnde? Dit gheefdy in dit u Libel tot vele plaetsen self opentlijck te kennen. Of soudt wel zijn dat ghy die waerheyt niet en hebt, of niet en betrout? Dat druckt ghy niet duuysterlijck uyt met u derde middel, ‘twelck ghy seght tot minderinghe der Secten (boven mijne twee ghestelde middelen) noodigh te wesen, te weten d’Overheyts macht (siet oock voor arti. 65.) die ghy oock in dit u Libel opendtlijck daer toe aensoeckt. Siet nu ofmen dese uwe woorden van wel berispinghen ende ondersoeck te willen lyden ende den Proef-steen niet te vreesen, teghen soo vele uwe andere woorden ende wercken, oock met Redene mach ghelooven. Maer (suldy segghen) wy spreken van noodige ende nutte berispingen? Also: Wie sal’t oordeel van de noodigheydt ende nutheyt geven? Ghyluyden selve. Wanneer? Als ghy u Dolinghen sult willen bekennen. Die tijdt mercke ick nu eer te wenschen, dan te verhopen staende. God verbetere ons allen.

87.
Voordts wildy den Heeren Staten ende elck vroedt maecken, dat ghy niet minder en soeckt dan tegen recht in’t uwe voorgestaen te wesen. Daer teghen weet ick dat ghy sulcks boven ende voor allen dingen hebt gesocht tot Leyden, als die dat hebbe inder waerheydt versocht. Dus mach ick sulck u seggen niet ghelooven boven d’ondervonden waerheydt: maer wel dat ghy meer arbeyt met schoone woorden om goedt te schijnen, dan met oprechte daden om goedt te wesen. Ist anders, dat weet ghy best, maer’t is dan noch altijdt u schuldt, dat u schuldigh doen, my wettelijck veroorsaeckt, u onschult in desen niet te mogen gelooven. Aengaende uwe Sendinghe, die heb ick meer dan eenmael aengetast, die hebdy noch noyt verantwoordt, ende die waerdy voor alle predicken schuldigh sulcks te bewijsen, dat oock uwe hoorders seecker mochten zijn dat zy gheen huyrlingen of verleyders na en volgen. Soo moetmen u dan wettelijck houden voor Predicanten die onghesonden van selfs loopen, tot dat ghy wettelijck uwe Sendinghe; om met authoriteyt Ghemeenten te leeren; sult hebben doen blijcken. Maer wanneer sal dit worden? So mede behoort ghy te bewijsen u Religie oprecht te zijn teghen diese berispen. Dits tot noch toe niet wettelijck gheschiet. Ende dat maeckt den omsichtighen u Leere verdacht, als die’t voor eē verderflijcke vermetelheyt houden (ist onrecht?) In dese twijfelijcke tijden in so grooten sake te oordeelen ende eenige ander Religie toe te stemmen, al eermen d’ander partije of partijen ghehoort heeft ten vollen ende wettelijck. Wat hier af nu sal vallen, sal ons de tijdt leeren.

88.
Ten laetsten seghdy:Dat niet ghyluyden, maer ick (te weten die u Kercke aenvechte) van de Apostolische Leere af gheweken soude zyn, &c. dat ick d’oude Pelagiaensche ketterye weder voort help brenghen, dat niet u Sendinge, maer mijn berispinge onwettelijck is, ende dat niet u, maer my gheen geloof meer behoort gegeven te worden tot verstooringe uwer Kercke, die ghy Christi noempt, ende wenscht d’Overheyt een Godlijcke yver om de Kercke voor te staen, &c.
Nu kome ick aen uwen staert, daer schuylt het meeste fenijn. Hier wroeght ghy my opentlijck voor een Pelagiaen ende Celestiner. Is dit noch al een soet ende vrientlijcke penne? Maer waeromme doedy dit? Om dat ick geloove, dat Godt als wesende Almachtigh ende waerachtigh, den geloovigen wil ende mach geven, ‘tghene hy henluyden inde heylige Schrift vastelijck ende ontwijfelijcken te geven belooft? Dit is het onderhouden zijnre Geboden hier inder tijdt: ‘twelck


nu in dit mijn berispen van u Catechismo alleen ons geschille is. Also veroordeelt ende lastert ghy my, al eer ick van u, of yemanden hier inne ben volhoort, jae eer onse disputatie is begonnen. Dit voeght u luyden niet, die den Catholijcken om sulcks tegen u te doen, swaerlijck beschuldight. Die beschuldigen u luyden (soo ghy my hier oock doet) mede by hoogh ende neder om u hatelijck te maken, eñ schelden u metter ouder Ketteren namen, welcker ketterijen voormaels by de Kercke is verdoemt. Ende segghen dat ghyluyden die weder voort haelt uytten graven, ja uyter Hellen. Datter vele Catholijcke schrijvers zijn die u luyden sulcx te laste legghen weet ghy wel, van de welcke ick uwe afmalinge by Lindanum in zijnen Dubitantio gestelt, hier maer alleen wil stellen: of ghy noch eens wilde mercken, dat elck licht kan mercken, dat ghy dese Catholijckschen aert, by u so bitterlijck ghescholden, selve hier teghen my ende anderen nu hanteert. Want daer suldy vinden, dat hy u Calvijn, of u luyden in hem, op leydt, die ketterije van Arrio, als niet willende belijden dat Christus is Godt van Gode: van Samosateno, om dat Calvijn by de name: Woort: verstaet d’eeuwige wijsheyt: van de beelt-stormers, van Berengario loochende Christi lijflijcke tegenwoordigheydt in’t Avontmael, eñ van Symon Magus, leerende dat wy door’t geloof alleen saligh worden. Hy schelt uwen Calvijn voor een Novatiaen, om zijn gevoelen van’t Vormsele, voor een Manicheum, om het loochenen van datmen de Wet Godes hier mach volbrengen: voor een Donatist, om dat hy leert die heylighe Olye te bespouwen ende te vertreden: ende voor een Jode, om dat hy nae de Joodtsche wijse het scheydē van’t Houwelijck toelaet om Overspels wille. Daer siedy nu maer een deelken van de oude eñ nu al by de Kercke verdoemde ketterijen, daer mede die Catholijcken, Calvijn, ende oock u luyden in hem, in velen stucken bespouwen met dit selve spousele dat ghy nu hier uytbraeckt. So doedy my dat ghy ongaerne van een ander lijdt, ende dit maer met u simpel segghen, sonder een eenig woort bewijsings van sulcken schandelijcken Calumnie. Niet tegenstaende mijn ghevoelen in desen stucke niet en is Pelagiaensch, maer recht Christiaensch. Want ick ‘tselve heb bewesen ende noch meer dencke te bewijsen, niet uyt Pelagij, Celestij of andere menschelijcke, maer alleenlijck uyt die Propheetsche, Euangelische ende Apostolische, dats uyt de Goddelijcke Schriften, al lange voor Pelagium of Celestium geweest zijnde. Lieve seght doch: waer haelt ghy uwe Opinie van u Nachtmael? Wt Berengario? Van’t niet eeren der Heyligen ghebeenten: uyt Vigilantio? Eñ d’andere, daer met u die Catholijcken beschuldigen, uytten verdoemden ketteren? Dat suldy u wel wachten te belijden. Waerom oordeelt ghy van’t selve so verkeerdelijck in mijn saecke? Ist al ketterije dat by den ouden ende by de Kercke verdoemt is gheweest: hoe suldy u gevoelen met Berengario, Vigilantio ende meer anderen als Ketteren veroordeelt zijnde, van oude ende veroordeelde ketterijen mogen ontschuldigen? Wel aen, icklate nu het voor-oordeel vande Vaderen, oude Kercke ende Concilien varen, ende vraghe u, hoe ghyluyden u mooght ontschuldighen van de Manicheeusche (jae van noch arger dan die is) ketterije? Verwondert u van dit mijn vragen: so neemt bewijs vaster dan u mach behagen. Die Manicheen hielden dat God alle datter geschiet self wil ende doet, sonder yet toe te laten: Dit houden u Geneefsche vaderen oock. Die Manicheen merckten wel dat daer uyt noodtlijck moeste volghen dat Godt dan moeste zijn oock oorsaeck ende werck-man van’t quade of die sonde. Daeromme hebben zy, willende den goeden Godt verschoonen van sulcke quade vruchten, neven hem een quade Godt of Boom versiert, doe alleen oorsaecke ende werck-man soude zijn van’t quade ende sonde. Dit en doen (dat bekenne ick) die Geneefsche vaderen niet: maer laten God blijven die eenige God, ende daer by oock die eenige oorsake ende werck-man van’t quade of sonde. Ende hier inne zijn uwe Gheneefsche Doctoren (in mijnen ooghen) argher dan die Manicheen. Want dese (hoe wel met een valsche eñ quade middele) den goeden God noch pooghden of schenen te verschoonen van’t quade ende van de sonde: ‘twelck uwe Geneefsche vaderen niet en doen, maer laten sulcke grouwelijcke ende godtloose gedachten in haerder Leerlinghen herten nestelen. Want als zy seggē dat God niet met allen toe laet, maer selve alles doet datter gheschiet, soo zy oock uytdruckelijck seggen: moeten zy dan oock niet nootsaeckelijck seggen dat God oock selve doet het quade of de sonde? Of ten minsten datter niet quaets en geschiet? Maer dit laetste strijdt plat tegen de gantsche heylige Schrift, ende is opentlijck eens met de Godloosigheyt der Libertijnen. Soo derren zy dat niet seggen. Sy moeten dan’t eerste seggen, namentlijck dat de goede Godt selve doet alle’t quade of sonde datter gheschiedt. Dit segghen die Manicheen niet. Wiens ketterije van beyden is hier de arghste?
Soo vele heeft dit u Libel Fameux my genootsaeckt hier te segghen ende te bewijsen van uwe ende der uwen onware Leere, van uwe onware Wroeginghe, ende van u onbedeckt voornemen van heerschappije ende dwangh des gheloofs, oock d’onnoodigheyt van uwe gloofen ende uytlegghinghen op de heylighe Schrift, mitsgaders van de openbare blijcken van mijne oprechtigheyt. Beroerende de Doolinghen uwer Leere: wat ick daer toe sal vermoghen, sult ghy ende andere vernemen in onse bykomste in dē Haghe, soo verde die wert vry; wettigh ende in ghelijkheydt. ‘Twelck ick den Heere te willen voorderen bidde, indien sulcks voordelijck is tot groot- makinghe zijns Namens, tot meerderinghe van den Rijcke Christi, ende tot verbeteringhe vande ghemeene Landt-saten deser bedroefde Nederlanden. Amen.


SENDT-BRIEF
Van D. V. Coornhert, met Antwoorde van de twee Predicanten te Delft daer op, ende Replijc van D. V. Coornhert.

Coornherts schrijven aen den Twee Predicanten tot Delft, va, 15 Augusti 79. began alsoo:

j.

U Arnolde eñ Donderklock, met oock my selve, wensche ick met herten ware kennisse van ons selve ende van Gode door Jesum Christum onsen Heere, Amen.

Wie ende wat d’oorsaecke was van onse begonnen gespraken, eerst tot Delft, nae tot Leyden: wat groter onbilligheyt ghyluyden door Commissarisen tot Leyden teghen my bethoonden: ende hoe ghy Arnolde in u selfs stricken verwert zijnde voor den volcke verstomde: is u beyden, moet ick achten, gantsch onverborghen.

j. Der Predicanten Antwoorde.

Dierick Volckertsz Coornhert, 1 1 a. wy hebben uwen brief ontfanghen, ende uwen ouden aert, die ons nu ghenoegh bekent is, lichtelijck daer inne ghespeurt. 2 2 b. Ghy seght dat wy groote onbilligheydt door de Commissarisen tot Leyden bethoont hebben. Wy dencken dat ghy meent in’t weygheren om met u van’t ketter-dooden eerst te handelen, maer of dat onbilligheyt zy,dat wy van de swaerste dingen ende daer meer aen ghelegen was, te weten van de sichtbare Kercke, Rechtvaerdighmakinghe ende Vrye wille, met u eerst hebben willen spreecken, ende van dese questie laetst, die wy verklaerden het fundamendt des Gheloofs niet aen te gaen, laten wy een yegelijck oordeelen, Principalijc dewijle wy van die dingen tot Delft begonnen hadden, ende van mijnen Heeren den Staten verworden, dat wyse ten eynde toe uyt-voeren souden. Indien ghy meent dat u by de voorsz Heeren verboden is gheweest eenige Voorrede of Prologhe voor den volcke te maecken, ende noch Calvini noch Bezæ, maer alleen de heylighe Bybelsche Schriften te allegeren, wy en trecken ons dat niet aen. Want mijn Heeren dat buyten ons voor raetsaem aenghesien hebben, achtende dat die heylige Schrift tot ondervindinghe 3 3 c. der Waerheydt ghenoeghsaen ware, ende dat die Allegatien van andere Authoren niet dan een oneyndelycke twist ende woorde-ghekijf mede brengen soude. 4 4 d. Wy hebben opentlijck verklaert, soo ghy weet ende oock doen bekendet dat wy bereyt waren te hooren, wat ghy uyt Calvini ende Bezæ schriften wistet voort te brengen, ende ’t selve met u te examineren, hadden ons daer op oock ghescherpt ende waren des ghetroost. Te meer dat wy vertroudē dat uwe valsche, 5 5 e. partysche, ende (ghelijck wy dat moeten gheloven) moet-willighe verdrayinghen, waer mede ghy die woorden der selver Leeeraren verkeerende zijt, daer door kennelijck ghemaeckt souden werden. 6 6 f. Soo ghy dit nu sulcke onbilligheyt achtende zijt, waerom gingt ghy het aen? Ende na dat ghy’t aenghenomen hadt, waeromme dedet ghy daer tegen? Wilt ghy weten waer voor dat wy, ende alle verstandige dese klachte der onbilligheyt die ghy dedet, ende noch doet houden? 7 7 g. Wy houdense voor een voorwendinghe ende ghesochten uytvlucht, om alsoo met die meeste eere alst doenlijck was daer van te geraken. 8 8 h. Hadde niet te voren geconditioneert gheweest, datmen noch Calvinum noch Bezam, noch hare schriften en soude allegeren, ende dat onversiens in t’samen-sprekē sulcx u verboden hadde geweest, soo haddet meer schijns gehadt, nu en kan’t nerghens voor dan voor een middel om te ontsluypen gherekent worden. Het blijckt oock wel dat ghy beteutert waert, 9 9 i. dewijle ghy seydet wel bereyt te zijn, niet alleen twee, maer oock wel thien andere toe te laten met u te spreken, indien het u vergunt ware de schriften Calvini ende Bezæ als authoriteyten te ghebruycken. Maer twee waren u te veele, als daer gheconditioneert werde, dat ghy uyt Godts woordt alleen handelen soudt. Wie en merckt niet waer dat heenen wil? Wie en sal niet oordeelen dat u de volle mate op ghemeten is, als u gheoorloft is uyt Godts woordt vryelijck met ons te handelen? Wat kan ons scheyden dan even dat selve? Hier mede van desen ghenoegh.

Coornherts Replijcque.

Ghyluyden niet moghende ontkennen dat ick gheen oorsaecke en ben gheweest van dese aen-gheheven Disputatien, ghemerckt gyluyden selve beyde sulcx hebt beleden voor den Commissarrisen tot Leyden, soo’t verbael noch mede brenght, ende wel-verstaende naedien ickx niet ver-oorsaeckt en hebbe, dat ghyluyden selve die rechte oorsaken daer af zijt, soo ghyluyden oock zijt, midtsdien ghyluyden Thomæ Tilio, met wien ick tusschen hem ende my alleen meynde te spreken, niet toe en vertroude die sake wel uyt te voeren, ende u sulcx met u beyden in zijn plaetse quaemt stellen, willende niet alleen met my spreken, Ghaet properlijck al swijgende verby mijne woorden, houdende, wie eñ wat d’oorsaecke was, &c. sonder een eenich woordt daer af te vermaenen.
Daer ghy seght dat myn oude aert u nu ghenoegh bekent is, 10 10 a. doet ghy dat my niet en lust u nae te doen, te weten niet heel bedecktelijck te injurieren. Hier inne laet ick u den prijs behouden, als die in sulcken on-christelijcken strijdt liever ben een overwonnen dan een verwinner.
Daer ghy kompt opten onbilligheydt by 11 11 b.


u luyden door Commissarisen tot Leyden aen my bethoont, raemt ghy daer nae uyt u duyster ghoetduncken qualijck, maer wil u die hier uyt mijn onder-vonden wetenschap verklaren wel.
In’t eerst mooghdy niet loochenen dt ick berispet hadde in mijn schrift of verklaringhe mijnder woorden aen Thomam Tilium, die leeringhen Calvini ende Beze, ende gheensins uwe Leere of Kercken, alsoo ick die wel uyt-druckelijcken uyt-ghesondert hadde, ende namentlijck oock u Kercke tot Delft. Volghens dien was oock mijn voornemen in’t spreecken met u luyden tot Delft noydt om yet te berispen in u luyder Leere, die ick niet en kende, maer wel in Calvijns ende Beze leere, die ick seer wel kende. Soo onschamel mach ick u beyden niet houden dat ghy sulcx soudet loochenen, want daer oock al meer dan twee ghetuyghen by gheweest zijn ende sulcx ghehoort hebben. Tot bewijsinghe van mijn berispen ende van u verantwoorden der Leere van Calvino ende Beza ick selve uyt-sloegh, ende ghy beyde bewillighde dat wy niet en souden ghebruycken eenighe Patres noch andere Authoren, maer alleen die H. Schrifture. Dit suldy oock gheensins noch derren noch moghen ontkennen.
Soo ghy mede niet en mooght dat ghy bereydt waert my op’t gunt ick uyt Calvijns ende Beze schriften soude weten voordt te brenghen, te antwoorden daer ghy hem af haddet ghelesen, sonder gghehouden te zijn te beantwoorden ‘tghene ghy-luyden in hem niet en haddet ghelesen, ende dit was d’eerste voet tot Delft ghenomen.
Wae nae ghy willende spreecken van de Kercke, ende ick niet, liet ick u, doch ongaerne, toe dat ghy beginnen soudet te spreken, ende dat ghy’t van soo verde soudet halen alst u beliefde, met ghedinghe dat ick swijgen soude ter tijt toe dat ick hooren soude saken die ick in Calvijns ende Beze Leere soude willen wederspreken, te weten daer ick soo soude weten teghen te segghen, waer nae de saecke soo verde ghekomen zijnde dat wy tot Leyden quamen voor den Commissarisen, merckte ick terstondt dat ghyluyden bestont u self te willen draeyen uyt den aenghenomen last vande schriften Calvini ende Beze te verantwoorden, om de welcke te weder-spreken ick alleenlijck daer was ghekomen, ende gheensins om u Leere te berispen die ick niet en kende, oock niet aenghetast en hadde, noch vele min om by u beyden voor den volcke van mijn gheloove ondervraeght te worden.
Daeromme ick u luyden doe seyde dat ghy u soudt verklaeren eens te wesen mette Geneefsche Kercke ende die leeringhen Calvini ende Beze voor goedt te houden, daer door ick u dan soude mooghen houden voor mijne partijen, sonder welcke gheen Disputatie en mach zijn: of soo ghy dat niet en wilden doen ende den leeringhen Calvini ende Beze (volghens ons eerste voet tot Delft) niet wilde verdadighen, dat ick dan voor mijne partijen niet en mochte bekennē, maer dat ghy dan u rust mochtet houden, ende dat ghy my dan oock mocht latē berusten. Leest in’t verbael, ende beschaemt my van logentale, ist dat ghy’t daer niet en vint.
Ghyluyden en wilde u niet verklaeren met Calvijns ende Beze Kercken eens te zijn, nochte oock van hare Leere voor goedt te houden, maer droeght u als ghebiedt hebbende over my, ende hebben die Commissarisen al des niet tegenstaende verklaert, dat ick u luyden voor mijne partijen moeste kennen, d’welck ghyluyden nochtans niet en waert. Eñ dat is een groote onbillicheyt die Commissarisen tegen my daer bethoonden, die ghy wel wetēde waer te zijn verswijgt, ende die de Commissarisen nemmermeer met eeren verantwoorden en sullen mogen.
Nae dien ick oock tot Delft noyt bewillight en hadde in u voorstel te handelen, soo mede blijckt in’t voorsz verbael, ende ick aenseggher was van gebreecken in den leeringhen Calvini ende Beze, die my wel, u luyden niet, bekendt waren, Soo wast oock een over groote onbilligheydt dat Commissarisen my dronghen van u luyden verweerders (hoewel mijne partijen niet) te ontfanghen wetten waer af wy souden handelen, dat is wat ick soude moeten aen-segghen. T’welck niet anders en is, dan soo ick yemanden moort soude weten te over-kennen, dat de moorder my aen-seggher wilde dringhen dat ick hem niet van moort, die ick bewijsen konde, maer van diefte, die ick niet van hem wiste, veel min bewijsen konde, soude moeten beschuldighen, ende die Richters daer inne voor sulcken moorder teghen my pronuncieerden. Rechts soo onbillick handelden die Commissarisen voor u luyden teghen my.
Ende (om meer andere groove onbillickheyden om lanckheyts vermijdinge voorby te lijden) en was oock geen kleyne onbilligheyt, dat Commissarisen, niet min dan ghyluyden, nu wetende dat ick aengetast hadde, niet u luyder, maer Calvijns ende Beze leeringhe, my dronghen dat ick Calvijns ende Beze schriften niet en soude moghen allegeren, ‘twelck ick wilde doen, niet om daer mede als met autoriteyt (so ghy qualijck schrijft) te bewijsen eenighe waerheyt, maer om met d’autotiteyt van de Waerheyt der heyligher Schrifturen te bewijsen die onwaerheydt in sulcke gheallegeerde schriften Calvini ende Beze begrepen zijnde. Dit was groote onbilligheydt, ende en ben soo gheheel bodt of plomp niet, dat ick niet en soude konnen mercken u beyder ende der Commissarisen voornemen in sulcke grove onbilligheyt geweest te zijn al ditte:
Dese Coornhert arbeyt om die leeringhen Calvini ende Beze in hooft-saken onwaerachtigh te doen blijcken. Daer toe alleen is hy hier ghekomen. Nu en mach hy sulcks geensins bestaen, veele minder doen, sonder eenighe schriften van henluyden voorts te brenghen, ende te segghen daer of daer seydt Calvijn of Beza dit of dat. Daer ende daer spreeckt de heylighe Schrifture opendtlijck daer tegen, Dus schrijven Calvini of Beza daer weder schriftelijck ende midtsdien onwaerachtigh. So is nu geen beter raet, dan dat wy hem Coornhert verbieden eenighen schriften uyt Calvijn eñ Beza te allegeren. ‘Twelck hy hoorende oock licht sal mercken dat zijn tonghe ghebonden is, ende dat hy altoos en sal mogen uytrechten van ‘tghene hy voor heeft ende om is gekomen. Soo sal hy hem benaudt vindende wederom t’huys seysen, so blijven Calvijn ende Beza,


oock mede wy al t’samen in eeren. Al hoe wel ick alsulcks licht merckte, soo bleef ick vrymoedelijck teghen u luyder vermoeden, die daer inne sulcx te vreden waert, als ghyluyden self best weet. Gaet nu meer heen eñ seght dat my door u van de Commissarisen geen onbilligheyt is weder-varen.
Of was’t gheen onbilligheydt dat zy my dronghen te laten ‘tgunt wy tot Delft inne over een waren ghekomen, te weten dat ick Calvijns schriften eñ Beze soude mogen allegeren? ‘Tgunt de Heeren Staten als wesende den voet tot Delft by ons al genomen door haer E. schrijven (daer af ick Copije autentijcke hebbe) hadden bevolen? ‘Tgene ghyluyden beyde ende u eygen handen noch geen drie weken voor onse bykomste tot Leyden aengheboden haddet ende bewillight? Immers ‘tgene ghy beyde noch selve schrijft in desen brief dat ghy op getroost waert ende u op haddet gescherpt? Seghdy noch hier selve niet dat ghy bereydt waert te hooren wat ick uyt Calvijns ende Bezæ schriften wist voort te brengen, ende ‘tselve met my te examineren? Sijn dit niet u eyghen woorden in dese uwe leste brief aen my? Is dit alles waer, alst ontwijfelijck is, wie porde den Commissarisen my te verbieden Calvini eñ Beze schriften te allegeren. Nochtans verboden zy’t my, tegen onsen voet tot Delft genomen, tegen der Staten openbaer schrijven, teghen u eygen handt ende tegen alle behoorlijckheyt. Was dat noch geen onbilligheyt? Maer dese pooghdy in henluyden voor u self te verschoonen so ick moet gelooven. Om te bedecken u voornemen by my hier voren ontdeckt ende wel ghemerckt.
Voorts ghyluyden pooghende die Commissarisen ende u beyde in henluyden hier inne te verschoonen seghdy, 1 1 c . Dat zyluyden die H. Schrift ghenoeghsaem achteden tot ondervindinge der waerheyt, rechts of ick die niet genoeghsaem daer toe en achtede sonder allegatien van andere Authoren. Dat ghy dit met goeder Conscientien sout hebben mogen schrijven, schijnt my niet gelooflijck, na dien u beyden onlochbaer kondt is, dat ick tot Delft d’eerste was die self voortstelde dat wy die allegatien van allen Menschen souden ter zijden stellen, ende ons alleen souden houden aen die heylige Schrifture.
Wy hebben (seghdy) opendtlijck verklaert, 2 2 d . &c. dat wy bereydt waren te hooren wat ghy uyt Calvini ende Bezæ schriften wistet voort te brengen ende ‘tselve met u te examineren, &c. Immers te meer dat wy vertrouden dat uwe valsche, &c. verdraeyingen, &c. daer door kennelijck gemaeckt souden worden.
Dit u schrijven is my onmoghelijck om voor waerheyt te gelooven, want het blijckt dat ghyluyden soo veele vermooght by den Heeren Staeten selve, dat de selve (als oft hun vergeten ware gheweest, dat zy drie of vier dagen te voren den aengeheven Disputatie tusschen ons, tot Delft hadden doen verbieden) dese Disputatie tot Leyden terstondt daer nae weder bevalen aen te heven. Soudet ghy dan niet vermoghen hebben by dese twee Commissarisen te verwerven dat gheoorloft werde, my voordt te haelen uyt Calvini ende Beze schriften die ick wiste, ende u luyden die met my te examineren tot mijnder beschaemtheydt, daer op ghyluyden u soo wel haddet gescherpt? Maer hoe soudent die Commissarisen u hebben mogen beletten, soo ghy’t begheert haddet, of bereydt daer toe waert, naedien sulcks den voet was tot Delft tusschen ons ghenomen ende die Heeren Staetenons belast hadden op dien voet voort te varen?
Uwe valsche partysche ende (ghelijck wy dat moeten ghelooven) moedt-willighe verdrayinghen. 3 3 e .
Hier volght ghy die Rethorijcke van uwe twee soo seer facunde Geneefsche Schoolmeesteren in’t lasteren, die ick niet willende leeren noch naevolghen, u luyden laet behouden.
Soo ghy dit nu sulcke onbilligheyt achtende zijt, 4 4 f . waeromme ghingt ghy het aen? Ende nae dat ghy het aenghenomen hadt, waeromme deedt ghy daer teghen?
Hier grijpt my u konste met een Dilemma, doch al onvaster dan ghy waent. Onbillich achte icks ende en ghingt daerom (te weten om die onbilligheyts wille) niet aen. Maer om dat ick begonst te mercken dat u grondt grondtlijck Calvinisch was, ende daer by sach dat u verstant meer stout dan rijp was of omsichtigh. Alsoo dacht ick dat uwe onrijpe stoudtheydt u lichtelijck yet Calviniaensch soude doen uytspreecken, daer by ghy niet min dan Calvijn of Beza te grijpen soudet wesen? In dese mijne meyninghe en was ick niet bedrooghen, want uwe onbedacht spreken u haest so verwerde, dat ghy verstrickt zijnde in u Net door my by u eygē woorden so ghegrepen waert, dat ghy met schanden voor alle den volcke opentlick verstomde, dat is d’oorsaecke waerom dat ick die Conditie noch aengingh, al niet teghenstaende die soo gantsch onbilligh was. Beroerende nu het tweede lidt van u Dilemma, is openbaer onwaerachtigh, ende daerom gheen antwoordens waerdigh, want ick wel die naemen Calvini ende Beze noemde (dat my niet verboden en was) maer noyt heure schriften en allegheerde. Siet daer u konstighe Dilemma verdwenen in roock.
Hier houdt ghyluyden sulcke mijne klachten 5 5 g . over die onbilligheydt tegen my betoont als hier vooren gheschreven staen voor ghesochte uyt-vluchten. Alsoo soudy gaerne u sonde my tot schande maecken, maer dat vermooghdy niet teghen soo naeckte waerheydt, die door u houden ofte wanen in geen loghen en mach verandert worden. Seecker waer mijn meeninghe gheweest om door een uyt-vlucht met eeren van daer ghebleven, ende soo opendtlijck verstomt ende beschaemt gheweest. 6 6 h . Maer of ghyluyden uytvluchten socht in’t Conditioneren (soo ghy hier self bekendt gheschiet te zijn) van datmen Calvijns noch Beze schriften niet soude allegeren, om welcker schriften, die ick u soude weten voordt te brenghen, te verantwoorden ghescherpt waert soo ghy selve schrijft, en souden gheen knechtghens van vijfthien of sesthien jaeren aen twijfelen, ghemerckt elck wel kan verstaen dat ick sulcks niet begheerde te conditioneeren, als die alleen om sulcks te doen daer was ghekomen. Siet vrienden soo moest ghyluyden al wat beter memorie hebben om sulcken onwaerheydt waerschijnlijck te schrijven.


Het blijckt oock dat ghy wel beteutert waert, dewyle ghy (schrijfdy tot my) seyde wel bereyt te zijn, niet alleen twee, maer oock wel thien anderen toe te laten met u te spreecken, indien het u vergunt waere die schriften Calvini ende Bezæ als autoriteyten te gebruycken, maer twee waren u te veele, als daer gheconditioneert werde, dat ghy uyt Gods woort alleen handelen sout, &c.
Is dit u segghen vry van Calumnie, soo zijt ghyluyden gantsch vry van sonden. Dit weet ghy wel neen. So dat mede. Wie anders dan ick conditioneerde eerst tot Delft (dit mooghdy immers niet loochenen) dat wy geen andere authoriteyten en souden gebruycken dan alleen de heylige Schrifture? Was daer by nu gheconditioneert , dat ick Calvini ende Beze schriften niet soude allegeren? Dit weet ghyluyden wel neen. Maer hoe soude ick Calvini ende Beze schriften allegeren? Om eenighe waerheydt mede te bewijsen? Ghy weet wel neen. Maer ick wilde die schriften Calvinus ende Beze allegeren om haer onwaerheyt te bewijsen, ende dit alleen met’t getuygh der waerheydt van de H. Schrifture. Merckt ghy nu wel dese uwe Calumnie. Dit boodt ick aen tot Leyden te doene, te weten met de H. Schrift Calvijns ende Beze dolinghen te bewijsen, daer inne ick sulcks getroost was dat ick op die conditie u beyden toeliet noch thien anderen tot u te nemen (so ghy hier self bekendt) om tegen my alleen te spreken. Heet dat met u luyden beteutert zijn? Dit mijn aenbieden en dorst ghy beyde niet aengaen: soude dat met u luyden vroomheyt wesen? So moest ghy die woorden ende der dinghen aert veranderen, ende van jae neen maecken. Ghyluyden beyde en dorstet noydt bestaen Calvijns ende Beze schriften met my te examineren, daer op ghy u luyden hier nochtans schrijft ghescherpt te zijn gheweest. Soude dat niet met recht beteutertheyt, bloodheydt ende uytvlucht mogen heeten? Ick bekenne gaerne dat ick bekommert was als ick sach dat ghyluyden door den Commissarisen my dronget tot soo gantsch onbillicke conditien als voor geseyt is, ende dat met groote redene daerom by my gheweygert was u onbilligh voorstel, van dat ick ongeleerde Idiot alleen alle die listen van sulcke twee geleerde Mannen (daer voor ghy u selve hielt) soude moeten beantwoorden. Doch was ick soo noch niet bekommert dat icks af-sloegh, soo die daedt bethoont heeft, al niet tegenstaende ick wel merckte dat sulcks, te weten van u beyden teghen my alleen te handelen (is dat met u noch al billigheyt?) mede streckte om my vertzaeght te maken, ende voor alle disputeren te doen wijcken. ‘Twelck u luyden miste. Maer omme te vol-voeren ’t ghene waer toe ick daer was ghekomen, naementlijck om metter heyliger Schrift grove Dolingen in Calvini ende Beze schriften te doen blijcken, was ick so vrymoedigh, dat ick u aenboodt alleen tegen u twaelven teffens te handelen. Ende dit soude met u luyden beteutertheyt wesen?
Ende ghyluyden voorts van mijne klachten over uwe ende der Commissarisen onbilligheydt komende op’t verantwoorden van de hier voor-ghestelde dese mijne woorden: Ende hoe ghy Arnolde in uwe eygen stricken verwerret zynde, voor den volcke verstomde, is u beyden moet ick achten gantsch onverborghen. Schrijfdy’t ghene volght.

ij. Der twee Predicanten
Antwoorde.

Aengaende het verstommen Arnoldi voor den volcke, wy mochten ons verwonderen, 1 1 a . waert dat ons uwe vermeetene goedtdunckenheyt, ende die konste om alle dinghen sinisterlijck te interpreteren niet bekendt en waere, die sulcks wel betaemt, daerom ghy het oock waerdigh geacht hebt onder andere dinghen in uwe fraeye Annotatien, 2 2 b . die ghy neffens die Acten met gheschreven copijen onder’t volck ghespreyt hebt, ghestelt te werden. Schaemt ghy u niet sulcks in’t papier te kladden sonder eenigh bescheet, soo moet ghy wel een houten aensicht hebben. Welck die oorsaecke was waerom Arnoldus sweegh ende Donderklock began te spreken, 3 3 c . is ghenoegh bekent, den genen die daer by zijn geweest.Want alsoo ghy wel een vel papiers ghedicteert haddet, ende Arnoldus dat selvighe ex tempore began te verantwoorden, soo bemerckte Donderklock uyt zijn notulen, die hy uyt uwen monde aen-geteeckent hadde, dat Arnoldus u meeninghe (also al u saecken wel duyster ende intricaet zijn) niet verstaen en hadde, ende dat daeromme d’antwoorde ter saken niet dienende en soude gheweest zijn, dat heeft hy hem te kennen gegeven, ende opentlijck gheseyt, Frater laet ons zijn meeningh eerst verstaen, ende heeft op de Commissarisen begeert, dat het toeghelaten mochte wesen, dat ghy u meeninghe verklaren sout, ‘twelck geschiet is. Dewijle nu hy Donderklock int spreken was, so begeerde Arnoldus dat hy voortgaen soude. Kanmen hier seggen, O vermetele mensche, dat hy voor het volck verstomt heeft, dat hy verstrickt is geweest in zijn eygen Net, even als of het wonder waere, datmen u verstrickte ende verwerde dinghen ten eersten niet en konde verstaen, ende daerom oock niet bequamelijck verantwoorden. Voor breeder verklaringhe, wie en merckt hier niet uwen onbeschaemden hoomoet. 4 4 d . Hoe dat sulck blasen uwe grijse hayren, ja dat meer is, hoe dat sulcke Calumnien u betaemen, laten wy u selven bedencken.

ij. Coornherts Replijcque.

Waert dat ons uwe vermeetene goet-dunckenheydt 5 5 a . ende die konst om alle dinghen sinisterlijck te interpreteren niet bekendt en waere.
Vermach uwe ootmoedige eenvuldigheyt soo vry-moedigh eenen anderen die zijnen Heere valdt ende staedt te lachteren ende te oordeelen, dat geeft my wonder. Maer dat ick sulcks niet alleen onverantwoordt, maer oock onvergolden kan laeten (Gode zy lof) als die hier inne liever onsen Heere Christum dan sulck u doen navolge vernoeght my wel mede. Konst om alle dinghen sinisterlijck te interpreteren en heb ick niet; maer wil ende lust om rondelijck te handelen bethoon ick in al mijn doen ende laten. Wat ghyluyden hier tegen my doet weet Godt, die ende niet ick, u Rechter is.
Van fraye Annotatien gheschreven, 6 6 b . ende die onder den volcke ghespreydt te hebben,


en ghedenckt my niet, maer ben wel seker niet in desen handel ghedaen te hebben, dan dat ick met een naeckt ende opgeheven voorhooft wel sal mogen verantwoorden. Dus heb icks my niet te schamen.
Dit verstommen van u Arnolde is so kenbaer, 1 1 c . dat ghy beyde teghen u ghewoonte, ‘tselve niet en hebt derren bestaen te loochenen. Maer ghyluyden seght redene daer toe gehadt te hebben. Welcke? Dat Arnoldus my niet en hadde verstaen. Waerom dat? Om mijn langh ende duyster of verwerdt spreecken. Beroerende mijn langh spreken weet ghy beyde dat ick onder’t spreken al vroegh u Arnolde aenboot op te houden soo ghy daer inne wilde spreecken, maer ghy seyde ick soude voort gaen. Over mijn duyster spreken heb ick noyt klaghten ghehoordt dan nu van u luyden, welcke klaere ende konstige oogen sulcks doch wel behoorden te verstaen. Maer men sie in’t Protocol, ick gheloove datmen die mijne Redenen niet duyster noch intricaet, maer klaer ende so vast gesloten sal vinden, dat uwe verwerde Redenen daer door verwert waren ende beschaemt. My wondert hier van u beyder onbedachtheyt in desen soo blindt zijnde, dat ghy beyde niet eens en siet dat ghy Donderklock Arnoldum schandelijck beschuldight met die selve Redene, daer met ghy zijn schande meyndt te bedecken ende te verantwoorden. Want om dit te moghen doen, schrijfdy voor redene, dat ghy Arnolde op mijne redenen, al eer ghy die verstaen hadt bestont te antwoorden. Is dit niet u eygen belijdinghe? Hoort daer op nu niet mijn, maer Salomons oordeel, die seydt: 2 2 Pro, 18. 23. Wie antwoordt eer hy die reden verstaedt, die is een dwaes ende beschaemtheydt waerdigh. Siet daer veroordeeldt u die Gheest Godes selve voor een dwaes die schant-waerdigh is, ende dit wt u eyghen belijdinghe, waer mede ghy beyde soo seer arbeydtom u dwaesheydt ende beschaemtheydt te verschoonen. Dat heedt te recht sich met dreck te willen schoon wasschen.
Ick hadde geschreven dese woorden: 3 3 d . Ende hoe ghy Arnolde in u selfs stricken verwerret zijnde, voor den volcke verstomde, is u beyden, moet ick achten, gantsch onverborghen. Hier op schrijft ghyluyden (nae u gewoonlijcke vriendelijckheyt ende Geneefsche stijle van mijnen onbeschaemden hoomoedt, van mijn blasen ende van mijne Calumnien. Desen laster-bal en wil ick u luyden niet weder toe kaetsen. Maer u alleenlijck vragen of ghy Arnolde niet en verstomde? Ende of ghy Donderklock (dien’t spreken niet, maer wel het aen-tekenen ende ingeven voor Arnolde geoorloft was) niet al stamelende,al hoestende, al bremmende, ende nu dit, dan dat vraghende, rechts als een Predicant die van zijnen teem verzeylt is, niet en begond te spreecken? Ende of ghy Arnolde niet voorts doorgaende en sweeght tot dat die tijdt van elf uren verloopen was? Ghy moet bekennen jae, of etlijcke hondert sienders ende hoorders van sulcks logenachtigh maken. Immers ghyluyden bekent u verstomminge hier self onder u beyder handt, wie is hier onbeschaemdt een blasere ende een Calumniateur? Ick die soo simpelijck schrijve sonder amplificatie die ick met waerheyt hadde moghen stellen van de voorsz, ommestanden? Of ghyluyden die u luyder waere onwijsheyt ende beschaemtheyt (so voor blijckt oock wt u eygen belijdinghe) bestaet te verschoonen, met een versierde hoomoedt ende calumnie, die ghy my teghen alle billigheydt pooght op te legghen?

Coornherts schrijven aen den Predicanten.

Soo is my mede (te weten onverborghen) wat menigfuldigh geklap niet min schandelijck dan onwaerachtigh, my nochtans derhalven nae ghezaeydt is gheweest. Alle ‘twelcke ick tot vermijdinghe (niet van mijn ongemack, maer) van de gemeyne onrust in dese onrustighe tijden, met eenen ghelijcken moede (lof zy den Ghevere) wel hebbe konnen draghen.

iij. Der Predicanten Antwoorde.

Ghy seght dat u menighfuldigh gheklap niet min schandelijck als onwaerachtig na ghezaeyt werdt van den onsen, maer mogelijck buyten onsen schulde. Wat u voor onwaerheyt nae ghezaeyt wordt, en weten wy niet. Ende daerom moogt ghy wel vryelijck gelooven dat het buyten onse schult is. 4 4 a. Wat u met waerheyt na gheseyt wordt, hoewel het tot uwer eeren weynigh dient, daer in hebben wy soo groote schult als eenige van den onsen, want zy en konnen ‘tghene ’t welck zy ghesien ende ghehoort hebben, noch wy dat ons weder-varen is, niet verswyghen, 5 5 b . te weten dat ghy niet eens den gantschen handel deure op de voorghestelde questie van de ware wel-gestelde sichtbare Kercke geantwoort en hebt, ende dat ghy ten laetsten een stock in’t wiel steeckende, 6 6 c . schandelijck verloopen zijt, ende u uyt de Stadt hebt ghepackt. Daer het nochtans meer als eens verklaert werde dat het u toe-gelaten was uyt Godts woort met ons vryelijck te handelen, 7 7 d . ende noch dorft ghy uwen roem draghen als of ghy het ghewonnen hadt met kosten met al. 8 8 e . Ende om den Menschen sulcks wijs te maecken, 9 9 f . hebt ghy uwe schoone glofen by den Acten gheklampt, daer in dat ghy ghenoegh u eyghen Trompet blaest, op dat de schande die ghy behaelt hebt, so niet gheheel wech genomen, immers ghemindert mochte werden. Wy souden al langhe uwe glofen verantwoordt ende alsoo onder’t volck verspreydt hebben, maer wy en vreesen niet meer dan datmen van ons soude segghen, dat eenen dwaes meer dwasen ghemaeckt hadde. 10 10 g. . Oock vertrouden wy wel dat sulcx ‘twelck van u gheschiet is, meer tot uwer schande als eere soude strecken, ende en zijn oock daer in niet bedrogen. Want veele u daer uyt voor een blaes-kaecke hebben leeren kennen. 11 11 h . Oock was die sake so klaer ende openbaer, dat wy meer profijts sagen in’t stil-swijgen als in’t schrijven, uyt dien datmen ons verantwoorden mochte duyden, als of de sake noch duyster eñ twijfelachtigh hadde gheweest.

iij. Coornherts Replijcque.

Wat my met waerheydt in desen handel nae gheseydt wordt, 12 12 a . dat dient doch niet tot mijner eeren, maer oock tot eere


van Gode. Diens ghetrouwe ghenade volghens zijne waerachtighe beloften, my niet denckende te vooren wat ick segghen soude, als niet wetende wat my van u luyden (die de meesters waert ghestelt by den Commissarisen, om my voor te houden ende te vraeghen dat u luyden soude lusten) voor-gehouden ende ghevraeght soude worden, des niet te min op dier uren self in-gaf te spreken soo slechte ende eenvuldighe, maer naeckte ende krachtighe waerheydt, dat alle uwe schalcke ende verwerde listen soo te schande worden dat ghy niet siende wat antwoorden als een visch verstomde, doch zijdy onschuldich aen’t waerheydt segghen in desen, die sulcke uwe onbeschaemheydt nerghens tot Godes eere en segt, maer over al loochent ende verswijght. Siet soo verswijghdy immers die waerheyt, ende seght onwaerheyt, daer aen dat ick niet op u voor-gestelde questie geantwoordt en hebbe, dat ick schandelijck wech liep, met andere meer derghelijcke openbare onwaerheyden, die uwe blinde koenheyt niet alleen en derf segghen, maer oock schrijven, ende dat noch aen my selve, dien ghyluyden selve wel weet met u luyden het platte contrarie te weten. Also sal ick gelooven moeten dat ghy aen de logenen my nae gezaeyt, in desen onschuldigh ende aen’t waerheydt seggen schuldigh zijt: als ghyluyden of yemant my kan vroet maken dat waerheyt logen, ende dat logen waerheyt is.
Hier swijghdy’t gene u weder-varen is, ende seght of schrijft ‘tgunt u niet weder-varen is. Dats wel het platte teghendeel van u segghen. Wildy bewijs van dese uwe soo openbare onwaerheyt. Leest inde Acte den eersten dagh voor’t volck gevallen, ende ghy suldt daer ontwijfelijck bevinden, dat daer noch gheen Status quæstionis of questie tusschen ons en was, maer ghyluyden visschede daer nae uyt mijne antwoorde. Ghyluyden stelde in’t begin onses ghespraecks een Definitie van de Kercke, ende begeerde daer op te hooren mijn ghevoelen, dat versweegh ick u niet, maer verklaerde ‘tselve stracks eñ naecktelijck met twee Definitions, een vande sichtbare ende een van de onsichtbare Kercke, metter heyligher Schrift bevestight elck in allen stucken. Hier saeghdy geen vat aen. Daerom en schaemde ghy Arnolde u niet stracks daer op u te beklaghen, als of ick u niet gheantwoordt en hadde, segghende ghy daer by voor redene, dat ick maer mijn ghevoelen op u vrage geseyt en hadde. O onbescheyden Man: wat hadde ghy doch anders van my begeert? Leest u eyghen woorden: houden die niet dat ghy begheerde dat ick mijn ghevoelen daer op segghen soude? Seyde ick u niet mijn Definitie? Was dat niet mijn ghevoelen gheseydt? Wat reden hadt ghy te klaghen over my, doende ‘tghene ghy van my begheerde? Hier nae in’t vijfde artijckel quaemt ghy Arnolde self opten merck-teeckenen van de Kercke, die seyde ghy in’t artijckel te wesen die suyvere Leere met het rechte ghebruuyck der Sacramenten. Hier toe seyde ick opendtlijck neen. Hier werdt doe eerst onse questie gheboren: hier teghen sprack ick vol volherdelijck, te weten teghen u segghen, dat die suyvere Leere een waere merck-teecken zy van de Kercke: ende hier waert ghy belaghere in uwe eyghen stricken van my belaeghde so vast bestrickt, overtuyght ende ghevangen, dat ghy met openbaere beschaemtheydt niet wetende een eenigh woordt meer te spreecken gandtschelijck verstomde. Soude dat noch met u luyden moeten heeten niet antwoorden? Ick houde dat het wel te recht gheantwoordt was. Wie mach u in sulcke openbaere onwaerheyden ghelooven? Hoe mooghdy die oock met voordacht schrijven sonder u luyden te schaemen voor my, voor u Conscientie, ende voor den Al-wetenden Gode die het teghendeel weet waer te zijn? Immers ghy dorft hier noch segghen dat ghy ende die uwen ‘tghene u weder-vaeren is, ende ghyluyden ghesien ende ghehoordt hebt niet en kondt swijghen. Swijght ghyluyden dese waerheydt niet? Spreeckt jae schrijft ghy dese onwaerheydt niet? Wat van noode wast u te verstommen, soo ick u opte voor-gestelde questie noyt en antwoorde? Of soudet u swaer ghevallen hebben tot my te segghen: al u segghen dient niet ter saecken, ick wils niet beantwoorden, maer antwoordt ghy Coornhert my op mijn questie? Spraeckt ghy Arnolde oock een woordt hier af? Neen, want ghy spraeckt niet meer, maer verstomde. Seyde ghy Donderklock oock yedt van sulcks? Ghy weet wel neen. Soo moet ghy nu oock weten dat ghy hier stoutelijck waerheydt verswijght, naementlijck dat ick u al te wel antwoorde ter saken: ende dat ghy onwaerheyt seght, te weten dat ick noyt opte questie en antwoorde.
Hier op volght noch een ander onwaerheydt, 1 1 c. niet minder dan dese naest voorgaende onschamel ende plomp: te weten dat ick ten laetsten een stock in’t wiel stekende, schandelijck verloopen ben, ende my uytter Stadt ghepackt hebbe. Lieve seght doch, wat verwe hevet doch dat yemandt die zijn wedersaecke ten eersten aengreep int voedt-sant werpt, den verwonnen vyandt vreesen ende uyt vertsaechtheydt daer van wech loopen soude. Was onse eerste questie niet om het ware merck-teken van de Kercke? Laeghdy daer inne ten eersten niet onder? Maer ghy seght uyt dien ghy my niet verstaen en haddet. Ick dencke ghy die mijne redene nu langhe ghenoeghom te verstaen ghelesen ende nae-ghedacht hebt. Doet noch u beste, ghy en vermoghet noch niet te weder-spreken. Die waerheyt is krachtigh, niet huyden ende morghen niet, maer eeuwelijck ende sonder op-houden. Dit was de stock die ick in’t wiel stack, te weten die Almogende ende bestendighe waerheydt, daer door den voortgangh van u om-draeyende logen-wiel soo krachtelijck behindert ende u tonghe soo vast ghebonden worde, dat zy een woort niet meer en vermoght te spreecken. Dit merckte u Commissaris wel, die werdt my gram om dat my eens of twee maelen uyt den monde was ghevallen, niet eenighe Allegatien van de schriften, maer alleen die naemen Calvini ende Beze. Dat scheen crimen lesæ Majestatis. Hy dreyghde my metten Heeren Staten. Ick begheerde hy soude my toe-laten die namen te noemen, sonder ‘twelcke ick niet altoos van mijn voor-nemen mochte bewijsen, soo wilde ick voordtvaren metten aen-ghevanghen Disputatie: of hy soudet my verbieden, soo wilde icks af laeten, ende oock die Disputatie als die dan


niet mocht uytrichten, alsoo ick die Leere Calvini ende Beze, ende geensins u luyder Leere aenghetast hadde. Dit mocht gheen van beyden worden, men dreyghde my hart metten Heeren Staten, men wildet my toelaten noch verbieden. Des ick niet willende op sulcke slipperighe wegen wandelen, ende siende datmen my allen middelen my noodigh wilde benemen, opentlijck voor allen den volcke protesteerde, dat ick dan dacht te vertrecken nae Haerlem. Daer op d’een Commissaris seyde, dat staet aen u. Ick sal’t dan oock doen sprack ick opendtlijck, ende gae wech sonder weder komen: so ick oock dede. Alsoo gingh ick eerlijck wech, maer ghyluyden bleeft daer schandelijck.
Jae my was doch toeghelaten uyt Gods woort te handelen, 1 1 d . hier schrijfdy waerheyt, maer onwaerheydt ist dat ghy daer by stelt vryelijck. Was dat macht om vryelijck te handelen, dat ick Godts woordt niet mocht expliceren op mijn voornemen? Lieve seghdy doch, of die Catholijcken erghens daer zy’t ghebiedt hebben, in’t perck quamen tegen u, in voornemen zijnde om des Paus Leere te straffen, ende zy lieten u toe vryelijck die Schrifture te allegeren, maer verboden u des Paus leeringhe te allegeren, om te mogen seggen dat leert de Paus daer, hier leert de Schrift plat contrarie. So blijckt nu dat des Paus leere valsch is. Soudet ghyluyden oock verstaen dat u dan oock toegelaten ware met Gods woordt vryelijck te handelen? Ick achte vryelijck neen. Wat soudet dan zijn, of men u niet en wilde toelaten den Paus te noemen? So dat ghy niet eens soudet moeten segghen de Paus leerdt een Vaghevuyr, Aflaten, Ziel-missen, &c. maer de Schrifture leert sulcks niet, immers het teghendeel. Seght doch Mannen, (zydy niet heel blindt uyt partijdigheydt of eyghen behaghen) soudet ghy u oock mogen laten beduncken dat u toegelaten ware vryelijck met de Schrifture te handelen? Waer toe soudet ghy die moghen appliceren ofte op duyden, als u het subject daer toe ghyse voegen wilde (naementlijck de Paus met zijne Dolingen) verboden ware te noemen? Mooghdy jae dorft ghyluyden oock ontkennen dat my niet mochte toeghelaten worden die naemen Beze ende Calvini te noemen? Mooghdy oock lochenen dat ick uwe Kercke expresselijck by eygen name uytghesondert ende alleen Calvijns ende Beze leere aengetast hadde? Mooghdy’t oock wederspreken dat ick nergens anders, eerst tot Delft ende nae tot Leyden, teghen u luyden was gekomen dan om te bewijsen grove Dolingen te zijn in die leeringen Calvini ende Beze? Was my dit oock moghelijck sonder heure schriften, immers noch ten minsten sonder heure namen te allegeren? Was dit macht om vryelijck te mogen handelen? Of is hier al mede vryheyt met u eygenheyt, ende eygenheyt met u luyden vryheyt, ende sulcke openbare logen, waerheyt?
Van veele roems te draghen en weet ick niet, 2 2 e . maer of ick my al in den Heere beroemde dat ick zijn waerheyt te hulpe hebbende, geender menschen logentael, list, konst noch macht en vreesde, en soude ick my sulcken roem tot eere vande waerheydt, niet van my (worm ende mugge) geschiedende, geensins behoeven te schamen.
Ghyluyden klapt vast veel van mijne schone glofen, 3 3 f . daer af my niet vele gedenckt. Maer wonder ist, indien die soo valschen roem met brengen, of so onwaerachtig zijn, dat ghy die nergens uytdruckt, weder-leght ende beschaemt. Ick moet achten dat zy haer eygen wapen (namentlijck waerheydt) met haer brengen, ende u mitsdien te hart zy om te bijten of te ghenaken, daerom ghy die van verde vast bespot, maer nergens aentast met ernst.
Hier worde ick een dwaes eñ blaes-kake, 4 4 g. h . na u gewoonlijcke konste. Op gelijcke wijse seggen dagelijcx die uwen, dat Beza ende die zijnen, ‘tboecxken van de Toelatinge by my tegen zijne ende Calvini Leere gheschreven, so zot ende ongeschickt achten, dat het niet te pijne waerdigh is daer tegen een penne inde hant te nemen. Dats oock een Rethorijckelijcke konst. Maer met sulcke af-wijckinge ende wech-sluypinghe en verwintmen zijne vyanden niet. So meynt de gejaeghde Ezel, dat als hy zijn hooft in een ruyghte stekende, niemandt en siet, hy oock van niemandt en wort gesien. Maer daer en tusschē vintmen noch al Godvreesende menschen die met klare sienden oogen in den lichte Godes daer af onpartijdelijck weten te oordeelen.

Coornherts schrijven aen den Predicanten.

Maer siende nu u luyden metten uwen tot sulcker vergetenheydt uwes selves ende Godes gekomen te zijn, dat ghyluyden opentlijck bestaet den Heeren Staten vroet te makē, dat het gene behoorlijck soude zijn, d’welck ghy beyde tot Leyden in besloten kamere noyt en dorstet bekendt staen, nochte u meyninghe af verklaren, en hebbe ick tot ontlastinge mijns gewetens, oock geensins mogen laten te verklaren mijn meyninge in dese sake, te weten in u luyder aengheheven dwangh over die Conscientien, die ick houde voor weder-schriftelijck ende Lant-verderflijck. Daeromme ick oock gheensins swijgende, hebbe moghen door laten gaen het overleveren aen mijnen Heeren den Staten van u luyder schrifteloos gheschrifte, geintituleert: Kort ende schriftmatigh gevoelen der Kercken Christi, van de ghemeynschap ende onderscheydt, d’welck tusschen die Politische ende Kerckelijcke regeringe is.
Soo ghyluyden Arnolde ende Donderklock in u selven kont dalen, suldy mijn verwonderen van dit so schielijck wassen uwes moets, moeten recht geven. Want my waerlijck hoogh verwondert dat ghyluyden sulcke Draconische bloedt-wetten in den ghenadigen Rijcke der goedertieren Christi, den Heeren Staten (ende dat noch in dese tijden) hebt derren voorschrijven. U beyden ghedencket noch wel, of ghy moghet lesen, dat ghyluyden dese uwe meeninge van’t Ketter-dooden ende dwangh inder Conscientien tot Leyden inder kameren, soo gheheel anghstelijck pooghde te vetbergen; dat ick, niet konnende u luyden brengen tot belijdinge uwer meyningen in dese saecke, was genootsaeckt teghen u luyden in de penne te spreecken dese navolgende woorden:
“En mach hy Coornhert niet anders ghelooven, dan dat zyluyden Ministers sulcke verklaringhe te doen, ghelaeten hebben uyt


schaemte van deser twee naevolghende stucken: Te weten dat zy’t niet voor goedt houdende, hen schamen te bekennen dat die twee hoogh-geachte Leeraren gedoolt souden hebben in een Leere soo gantsch fundamentael wesende, dat Beza wel naecktelijck uytdruckt dese meyninghe, te weten: Dat die Kercke in grooten pericule is van een openbare ruyne, indien de Magistraet in’t straffen der ketteren dissimuleert . Ofte over d’ander zijde dat zyluyden (Ministers) dese tyrannische Leere voor goedt houdende, hen selve schamen sulcks te bekennen, overmidts zyluyden wel bemercken dat ‘t ghemeen volck den wonde van sulcken Leere noch dragende met smerten, die selve Leere vyandtlijcken hatet: dat die Magistraten noch niet ghenoegh gheimbueert en zijn met die Landt-verderflijcke Opinie: ende dat die generale Staten opentlijck verklaren het teghendeel te gevoelen: Ende dese Ministers also noch heymelijck dit schaedelijcke Monstrum binnen heure borsten soveren, om tot zijnder tijdt het deerlijcke quaedt van dese dwangh der Conscientien, ende’t dooden om Opinien, tot een nieu verderf van die gantsche Nederlanden uyt te geven, ende dan haren tijdt siende, dese Geneefsche Inquisitie (niet een hayrken beter dan die Spaensche wesende) inne te voeren in de Nederlanden, die alsoo dit Spaensche jock om een Geneefsche wisselen, maer die Tyrannije niet af-werpen en souden. ‘Twelck oft in Predicanten hier in Hollant te gedoogen staet, die E. E. Heeren Staten rijpelijck ende met hooger ernst moghen bedencken. Ende is dit die voorneemlijckste ende hooft-oorsaecke, die den selven Coornhert ghedronghen heeft dese Disputatien niet af te slaen. Te min noch so hy verseeckert is dat die selve Leere onrecht blijckende, drie hooft-saecken uytghericht sullen zijn, als namentlijck d’onsuyverheyt vande Leere, d’onseeckerheyt van der Kercken, ende d’onghewisheydt van de Sendinghe der Predicanten.”

Dit waren doe ter tijdt tot u luyden mijne woorden, die maeckten alarm onder u luyden ende oock onder den Commissarisen, die vonden daer inne sulcke swarigheyt, dat zy sulcx den Heeren Staten gingen aengeven in den Hage, ende en mochten die selve mijne redenen nochtans u luyden gheensins brengen tot belijdinghe ofte openinghe van dit u secreet ende Landt-verderflijck voornemen, by my doe ter tijdt ende langhe daer voor al in u luyden ghemerckt soo ontwijfelijck, dat ick des nu niet meer seecker zy dan te voren, niet teghenstaende ‘tselve nu onlochbaerlijck ontdeckt is, door dit voorsz u luyder over ghegheven gheschrifte, sulcke dwangh met brengende in velen articulen, ende sonderlingen in’t neghende ende thiende, houdende aldus:

ix. Ten tweeden, der Overheydt ampt is, de verachters ende vervalschers des Goddelijcken woorts, zy zijn den Kercken-dienaers, publijcke of private personē, uyt krachte haers gebiets te dwingen, omme der Kercke den uytterlijcken vrede te laten Maer des Kerckendienaers ampt is, de selve in Christi name te vermanen, om vreetsamelijck God te dienen, ende zijn Woort behoorlijcke eere te bewijsen.

x. Ten derden, der Overheydt ampt is, den uytterlijcken mensche met uytterlijcke straffen, dat is die gene die den uytterlijcken vrede der Kercken verstooren met ghevanckenisse aen den lijve of met gheldt-boeten te straffen, maer des Kercken &c.

Daer steldt ghyluyden wel stoutelijck die verba van dwingen ende van’t straffen met gevangenisse aen den lijve ende gheldtboeten: machmens oock plomper uytdrucken? Maer wat luyden salmen so dwingen ende straffen? Den verachters, den vervalschers des woordts, ende die d’uytterlijcke vrede der Kercken verstooren. Hoe breet nu elck deser woorden by den geesten subtijl om bloedt te storten zijnde, uytghestreckt soude worden, kan elck omsichtigh mensche licht bedencken: Immers die luyden wel, die wel mercken u luyder goet-dunckenheyt nu al so hooghe opghestegen te zijn, dat ghyluyden u Leere het Godtlijcke woordt derft noemen, rechts of die Goddelijcke Schrift niet wat anders ware dan u luyder menschelijcke interpretatien ende glofen van dien, ‘twelck u luyder Leere is. Also souden’t alle verachters ende vervalschers van Gods woort by u luyden moeten zijn, die u Leere niet aen en nemen, swijghe die daer tegen spreken, door welcker tegensprake u uytterlijcke Kercken-vrede dan soude heeten verstoort te wesen. Want het wel schijnt dat ghy’t metten Catholijcken (dien ghy in desen nae volght) gemackelijcker acht, dat die Politique Overheydt door henluyder beudels, dan dat ghy Herders (scilicet) metter waerheyt tegen sodanigen luyden soudet disputeren, ‘twelck u dan soude verlossen van dat moeyelijck studeren, ende beschermen uwer Opinien. Hoe wel nochtans uwe Leere noch door gheen Nationael (veele min door eenigh Generael) Concilium of door andere wettige middelen, maer al wat minder dan nae d’Apostolische sachtmoedigheyt hier is inne ghevoert, sonder oock dat noch oyt eenighe behoorlijcke proeve van de oprechtigheydt uwer Leere is gebleken. Soudet dan so lichtvaerdigen sake zijn een ander Religie in Lantschappen in te voeren? Neen waerlijck. Ende ghyluyden een nieuwe vreemde ende onbeproefde Religie (niet opter Schaepkens wijse) invoerende, ende noch gheensins in den zetel van dit u nieuwe Pausdom bevestight wesende, dorft den meester in dit groene houdtken alreede so maecken, dat alle andere Religien ende verstanden voor u wijcken, ende ghyluyden alleen (d’Overheydt het swaert ontguychelende, latende henluyden de scheyde jae schaduwe van dien houden) als met een yseren Roede over allen anderen soudet heerschappen?

iiij. Der Predicanten Antwoorde.

Aengaende het schrift mijn Heeren de Staten van sommige Dienaren over gelevert, ghelijck ghy dat acht voor wederschriftelijck ende Lant-verderflijck, also achten wy alle u Opinien te wesen, 1 1 a . die ghy so de Religie als de Politie aengaende, drijft. 2 2 b . Ons verwondert van dese uwe stoutigheydt, waer mede ghy dit selvighe schrift voor Lant-verderflijck houdt. Wat doet ghy anders daer


mede, dan het gantsche Collegie van mijnen Heeren de Staten te verwijten hare indiscreetheydt ende onbedachtheydt, dat zy, welcke ghesteldt zijn tot bewaeringhe van den Lande, niet eens ghemerckt en hebben, dat dit schrift henluyden overghegeven, tot verdervinghe des Lants streckte. Verlaet ghy u hier in op uwe Ouderdom, of op uwe deursichtigheydt, die ghy meent meerder te hebben, als die ghene, die welcke Landen ende Steden toe vertrout zijn? Wy hopen dat myn Heeren de Staten u voor een op-roerder ende Landt-verderver eer sullen oordeelen (ghelijck sy alreede begonnen hebben) als de gene van de welcke dat selvighe geschrift ghekomen is. Ghy seght dat wy tot Leyden anghstelijck pooghden te verberghen ons ghevoelen van den dwangh der Conscientie. 1 1 c . Wanneer wy aen-namen door toe-latinghe van mijn Heeren de Staten naer af-handelinghe van de eerste puncten van het Ketter-dooden, soo ghy dat noemdet, te handelen, soo meenden wy genoegh ghedaen te hebben, den tijdt ghekomen zijnde, souden wy vernomen hebben wat ghy van’t dwinghen in de Conscientie wildet seggen. 2 2 d . Want wy rondt-uyt bekennen datmen niemandt in zijn Conscientie dwingen en mach, 3 3 e . maer men kan den verstoorders der ghemeender ruste die nier anders en soecken dan haer selve een name te maecken, die de fundamenten der Christelijcke Religie gantsch om-wroeten, die verscheyden seltsame Secten ende scheuringhen aen-richten, die noch niet en rusten naer dat zy Occasie ende ghelegenheyt by de Overheyt haer vergunt om hare Opinien te verdedighen schandelijck verloopen hebben, bedwingen ende wederstaen.

iiij. Coornherts Replijcque

Dit u luyder over ghegheven gheschrift 4 4 a . aen den Heeren Staten heb ick niet alleen gheacht, maer my oock erboden in den selven mijnen brief teghen u luyden als wederschriftelijck te weder-spreken, oock uwe Leere in uwen Catechismo begrepen, te bewijsen menschen Leere te wesen. Dit behoorde ghy wat meer te achten, ende zijt schuldigh dese uwe Opinien ende Leere te verantwoorden. Want hoe laet het dat ghy uwe Religie, Leere, ende Opinien niet en en derft verantwoorden teghen my Idioot? Dit en derfdy immers niet doen, dit weygherdy opendtlijck, ende dit mooghdy nemmermeer met recht verantwoorden. Verantwoort eerst uwe saecken by my so opentlijck bestraft, dan tast my aen in mijne Opinien Politijck ofte Schriftuerlijck, ende ghy suldt vinden (met Godts hulpe) dat ick niet min bereydt ben ’t gundt ick kan verstaen Dolingh by my te wesen, soo opendtlijck ende rondelijck te belijden, als ghetroost om’t ghene ick weet waerheydt te zijn, metter heyligher Schrifturen te verdedighen.
Verwijtelijck ende spotlijck handelt ghyluyden hier (naer u konste) mijn Ouderdom, 5 5 b . sonder dat ghy jonghe luyden Gode of zijne wraeck-beyren ontsiet. Van mijne deursichtigheyt en heb ick my niet beroemt, doch weet ick (door Godes ghenade) dat ick in desen uwen aengeheven dwangh inder Conscientien al wat deursien hebbe dat u onbejaerde onbeduchtheydt hier niet en heeft gemerckt, soo ick bereyt ben teghen u beyden, teghen alle uwe Classes ende Synoden, ende teghen alle die willen, metter H. Schriftueren te bethoonen. Dit derft ghyluyden niet bestaen, maer weygert dat onschamelijck. 6 6 2. Reg. 20. 16. Eccles. 9. 14. 15. Een wijf, swijghe een Man (al waer hy schoon arm) kan by-wijlen wel zijn, daer door een Stadt uyt nooden werdt verlost, ‘twelck by den Regeerders niet en wert bemerckt. Ende na dien uwe al te onbedachte vuyrigheydt hier opentlijck pronckt met u beyder onwijsheyt ende Calumnie, soo moet icks u beyden ten goeden (of ghy’t noch eens wilde mercken) wat naeckter aenwijsen, want hier oock hoogh aen is gheleghen, ende eerst u luyder onwijsheyt.
Onwijsheyt ist dat ghy daer bedectelijck bouwet op een valsche major, te weten dese: Alle die tot bewaringhe van de Landen gesteldt zijn, dat zijn discrete ende wel-bedachte luyden. Hier op grondet sich u segghen. Dat zy alle stoutelijck doen die daer yet segghen daer uyt men verstaen soude mooghen dat eenigh Overheydt indiscreet of onbedacht soude zijn, is dat niet onwijslijck gheschreven? Heeftmen dan noyt onbedachte of indiscrete Overheydt gevonden? Lieve seght doch, soude yemant stoutigheyt bedrijven, die daer seyde dat Saul in’t dooden van Abimelech met alle zijn huys: dat Achab in’t vervolghen van den Propheten: dat Roboam in’t naevolghen van der jonghelinghen raedt, Nero in’t opsnijden van zijne Moeder, Herodes in’t dooden der kinderkens, d’ander van Joanne, Pilatus int cruycen van onsen Heere Jesu Christo, ende veele andere Keyseren in’t dooden ende vervolghen van Christi lidtmaten, in sulcks indiscretelijck, onbedachtelijck, ja tyrannichlijck, ende moordelijck ghedaen hebben gehadt? Siet daer valt dese gront, waer op uwe gheleertheydt gantsch onwijslijck bouwet dese botte calumnie alleenlijck streckende om den Heeren Staten (als of der selver eere by my aenghetast ware) teghen my buyten alle schult te verbitteren. Condy daer aen dese uwe grote onwijsheyt noch niet bemercken? Is hier noch al mede mijn stijle te duyster ofte intricaet, soo mooghdy’t noch ten minsten, wildy eenighsins, hier aen mercken.
Dat de Keyser Kaerle met Philippo zijn Sone, oock die vijf laetste Koninghen van Vranckrijcke ghesteldt zijn gheweest tot bewaringhe elck van haere Landen en mach niemant ontkennen. Soo en mach oock niemandt loochenen dat alle die selve Potentaten of bewaerders van den Lande den ouden Pausen in dese selve sake van’t Ketter-dooden, (die Calvijn ende Beza metter daet, ende ghy of die uwen met dit overgheleverde gheschrift den bewaerders van den Lande oock hebben doen doen, ofte versocht te hanteren) gheloove ghevende, het selve verstaen hebben of oock noch verstaen, te strecken tot Godes eere, totter Menschen heyl, totter uytterlijcker Kercken-vrede, ende totter Landen wel-varen ende mitsdien goedt gheoordeelt hebben, oock ernstlijck geboden datmen alle die ghene, het waren dan gheestelijcke of waerlijcke menschen, die met predicken, met disputeren, met uyt-gheven van boecken, met schriften ofte andersins


der ouden Pausen Leere berispten, ende sulcx haren uytterlijcken Kercken-vrede verstoorden, overmits alsulcke luyden Godes woort (te weten der Pausen Interpretatien ende Leere) vervalschten, soude straffen met ghevangenisse, ofte aen den lijve, dats met hanghen, verdrincken, onthalsen, branden, jae oock levendigh braden au petit feu. Welck naevolghen ende gheloove gheven van sulcken moordt-leer der oude Pausen by den Potentaten voorsz soo verwoedelijck als bloedelijck gheexecuteert, ghyluyden selve met alle die uwen, houdet voor een indiscreet ende onbedacht werck, oock dat die voorsz Potentaten sottelijck, Godlooselijck, jae tyrannighlijck daer aen ghedaen hebben ghehadt. Soudt ghyluyden dit oock derren loochenen? Ick meyn wel neen. Soo en mooghdy oock geensins loochenen dat ghyluyden selve sulcken Landt-bewaerders opentlijck scheldet ende verwijdt, niet alleen haere indiscreetheydt ende onbedachtheydt, maer oock mede (dat al wat meer is) haere sotheydt, Godtloosigheydt ende tyrannije. Blijckt hier nu niet leelijck u beyder onwijsheyt, dat ghyluyden self opentlijck aen grooter dan ghy my t’onrecht opleght schuldigh zijnde, bestaen derft my te wroeghen ende te beschuldighen van’t gene ick noyt ghedacht noch gedaen en hebbe? Soudet niet wel dit zijn, ‘twelck d’Apostel heet self stelen, ende des niet te min anderen te leeren datmen niet en sal stelen?
Daer siedy, meyn ick, ghenoegh u onwijsheydt, merckt nu oock, wildy, op uwe calumnie. Het is openbaerlijck onwaerachtigh ’t ghene dese uwe calumnie presupponeert. Vraeghdy watte? Ghy beyde ghelaet u hier niet anders, dan of’t gantsche Collegie van de Heeren Staten dese u luyder Opinie van de dwangh inder Conscientien ende lijf-straf om gheloofs saecken, al eendrachtelijck hadden bewillight. Ende dit niet teghenstaende ghyluyden selve (O groote onschamelheyt) wel seeckerlijck weet, dat daer inne by den Heeren Staeten noch niet altoos en is gheresolveert, of bewillight. Wat segh ick van eendrachtelijck daer inne bewillight te zijn? Is u beyden dan alleen verborghen dat die Stede van Leyden als een Hooft-lidtmaet der Heeren Staten bethoont dat zy te recht discreet ende deursichtigh is, voorneemlijck daer inne, dat die Overheydt aldaer dese u luyder wederschriftlijcke ende Landt-verderflijcke Opinie niet alleen niet en bewillighen, maer oock openbaerlijck in druck verwerpen ende weder-spreecken als een nieuwe Inquisitie. Dats al een quaedt beghinne van bewillighen, ‘twelck ghyluyden eer suldt wenschen dan verwerven.
Seght nu, O scherp-sinnige Dialecticienen, mach den Heeren Staten oock eenighsins tot verwijdt van indiscretie of onbedachtheydt staen, ‘tghene zyluyden noch niet bewillight en hebben? Wie merckt hier niet uwe eygen indiscretie ende openbare calumnie? Arbeyden also oock niet die oude Pharizeen, om den onnooselen valschelijck voor d’Overheydt te beschuldigen? Uwe Opinie in’t overgegeven gheschrifte, d’welck u luyder werck is, hebbe ick wederschriftlijck ende Landt-verderflijck genoemt, soo ick noch bereyt ben te bewijsen dat het is: wat gaet dit den Heeren Staten aen? Hebbe ick daer mede den Heeren Staeten yet wat verweten? Of acht ghyluyden alreede u self voor den Heeren Staten, soo dat u luyder werck der Heeren Staeten soude moeten heeten? Ende al wat ghyluyden of uwe Kercken ordonneren ende sluyten, dat het de Heeren Staeten souden moeten toestaen ende executeren: dat’s waerlijck noch te vroegh. Merckt ghyluyden hier noch niet uwe groote onschamelheydt ende calumnie? Ick berispe u luyder verderflijck aengheven, ende gheensins der Staten aenhooren ende beraden op’tselve. Dus was’t onnoodigh den Heeren Staeten, van my in’t minste niet beschuldight zijnde, maer wel u selve met uwe Landt-verderflijcke Opinie, by my te recht aenghetast, te verantwoorden. Hier toe zydy onwilligh, want ghy en vermoghet niet, maer sulck soo doodtlijck als valsch beschuldighen van my onschuldighe vermooghdy wel, ende doet dat oock: wildy zijn wien ghy hier in nae volght ende tot wien ghy vader mooght segghen? Leest Joan. 8. 40. 41. 44.
Verstaet my recht, uwe bloedighe Opinie heb ick mispresen, maer der Heeren Staten vrome ende goedighe wijsheydt heb ick ghepresen. Dat schillet veel dat ick henluyden heurder indiscreetheydt ende onvoordachtheydt soude verwijten.
Leest noch eens mijnen brief, daer suldy vinden gheschreven dese selve woorden. Nemmermeer suldy die bloedighe macht van de wyse ende goedertieren Magistraet verwerven. Is dat niet wel plat het contrarie gheschreven van’t ghene uwe onvriendelijckheydt soo onwijslijck uyt mijn schrijven arbeydt te duyden? Niet een eenigh woort vindy in mijnen gantschen brief, luydende vander Heeren Staten indiscreetheyt, immers oock niet daer uyt men sulcks met eenigen verwe soude mogen draeyen: daer tegen schrijf ick opentlijck ende met uytghedruckte woorden van der Heeren Staeten goedertierenheydt ende wijsheyt selve: wat sal voorts by u luyden veyligh moghen zijn van gecalumnieert te worden, als dit daer af niet vry mach blijven?
Maer laet ons hier noch wat minder duyster ende intricaet (hoe wel dit voorgaende meer dan te klaer ende naeckt staedt voor u luyden) ondersoecken, wie onder ons luyden loflijcker ghevoelt van den Heeren Staten Wijsheydt ende Rechtvaerdigheydt, als wesende twee deughden, sonderlinghen noodigh in Lant-regeerders. Ghyluuyden beyde schrijft vrymoedelijck aen my, dat de Heeren Staeten nu al begonnen hebben my te oordeelen voor een Lant-verderver ende Oproerder? Daer tegen houde icks voor ongelooflijck dat die Wijsheyt van soo treffelijcken Collegie sonder ware kennisse van saecken, uyt een valsch voor-oordeel handelen, ende het onseker voor’t seker aennemen souden, ende dat noch in een saecke van sulcker consequentien datter lijf ende leven aenhanght. Soo hoopt ghyluyden mede dat die Heeren Staeten my voor een Landt-verderver sullen oordelen, so ghy schrijft dat sy al begonnen hebben te doen. Daer teghen vreese ick niet, mach’s oock niet ghelooven, dat der Heeren Staeten Rechtvaerdigheydt door yemandts crucifige roepen Pilatizeren, ofte yemandt onghehoort veroordeelen sullen, te


weten parte in audita. Dat ick hier op noyt ghehoordt en ben by noch door den Heeren Staten, is u niet min dan my bekendt. Soo hebben oock die Heeren Staeten in desen gheen kennisse van saecken. Des al niet tegenstaende seghdy stoutelijck dat die Heeren Staten nu al begonnen hebben my te oordeelen voor een Op-roerder ende Landt-verderver, dat beyde zijn doodts-waerdighe stucken. Dit betroudt ghy dan den Heeren Staten toe. Dits openbaere sodtheydt, onrechtvaerdigheydt ende tyrannije. Die mach ick den E. Heeren Staten gheensins toe-betrouwen. Wiens ghevoelen van den Heeren Staeten is hier eerlijcker ende loflijcker? Het uwe, dat henluyden opentlijcken bekladdet met sotheydt, met onrechtvaerdigheydt ende met tyrannije? Of het mijne dat den Heeren Staeten niet toe en betroudt dan Goedertierenheydt, Wijsheydt ende Rechtvaerdigheydt? Seecker soo ghy-luyden in desen naeckten spieghel niet en wilt mercken uwe onwijsheydt ende calumnie: soo bedenckt u of ghyluyden niet wel gemeynt soudet zijn met den woorden Matth. 13. 13.
Is u luyden u anghstigh pooghen om u ghevoelen van’t Ketter-dooden tot Leyden inder kameren vergheten, soo leest het Verbael, ende sullet daer licht moeten herdencken. Dese uwe uytsluyp van dese sake uyt te stellen tot naemaels, ende dat noch opte toe-latinghe van de Heeren Staten is wat te plomp.
Lieve wat toe-latinghe haddet ghyluyden van den Heeren Staeten om te disputeren tot Delft van al dat u soude believen, als ghy daer enckel in by zijn van veelen, teghen my wilde handelen? Soo neemdy verlof aen u selve alst u lust, maer als ghy lont ruyckt (soo men seydt) en mooghdy niet altoos doen sonder toe-latinghe.
1. Want wy rondt uyt bekennen datmen niemandt in zyn Conscientie bedwinghen mach. 1 1 d. Traicte de l’autorité du Mag. Fol. 176.
Hier ghevoeldy opendtlijck teghen Bezam, die daer pooght de Overheydt vroedt te maecken datmen den menschen al dwinghende teghen haeren wille den wille doet hebben: Maer ghyluyden sult moghelijck hier willen uyt-sluypen met de ghemeyne uyt-vlucht, datmen den menschen niet en mach dwinghen dit of dat te ghelooven, als wesende het gheloove een gaeve Godes.
Wel aen, soo ghevoeldy hier noch opentlijck teghen Bezam, ende en seght hier noch niet met allen mede, wie weet niet dat gheen mensche den sotten mach beletten in haere herten te segghen daer en is gheenen Godt? 2 2 Psalm. 13. Machmen daerom die uytterlijcke oeffeninghen ende werckinghen des gheloofs niet bedwinghen? Hoe komet dan dat ghyluyden selfs daer soo seer voormaels over hebt gheklaeght? Macher gheen dwangh vallen in’t ghebieden of verbieden van aldusdaenighe ofte soodanighe Doop, Avondtmael, Predicatien, betuyginghen der Dolinghen te hanteeren? Ghy moet bekennen jae.
2. Alsoo macher dan dwangh inder Conscientien vallen teghen yemanden die daer weet of waent verstandt te hebben om eenighe Dolingh die hy siet of waendt te zijn in de Kercken zijnre tijden te berispen, (laet ons dit een stuck ter handen nemen) ende midtsdien van zijne Conscientie ghedronghen wordt om’t selve te doen. Want men mach hem stellen in den noodt dat hy sal moeten swijgen tegen zijne Conscientie; Of dat hy straf moet lyden met ghevangenisse aen den lyve, ofte met gelt-boete.
Dese dwangh tot swijghen door dreyghementen van uytterlijcke straf benaerstight ghy-luyden nu, door u voorschreven overghegheven gheschrifte aen mijnen persoone dadelijck, als die u Leere wederspreecke (dats al wat meer dan verachten of niet willen aennemen) ‘twelck met u moet heeten die uytterlijcke Kercken-vrede verstooren, rechts of ghyluyden nu al in den Hemele sittende in een triumpherende Kercke waert, ende niet opter aerden in een strijdende Kercke.
3. Leest in de H. Schrift, ende merckt of ghyluyden hier met my oock anders handeldt dan d’oude Pharizeen handelden teghen Jeremiam, die oock Petro ende Johanni verbooden Jesum te verkondighen: meynende alsoo Jeremiam met slaen ende vanghen, 3 3 Jere. 20. 1. 2. etc. Jere. 26. 7. etc. Actor. 5. 28. ende d’ Apostelen met dreyghementen tot het swijghen te bedwinghen, om mede haere uytterlijcke Kercken-vreede te moghen behouden teghen sulcke verstoorders ende verachters der selver. Also veroordeeldt ghyluyden my oock voor een man des doodts, te weten voor een Op-roerder ende Landt-verderver, pooghende der Heeren Staten macht te misbruycken om my te doen swijghen of te doen straffen. Ende dit alleen om dat ick uwe bloedtwetten weder-spreecke ende voor dat zy zijn berispe.
Wien salmen hier meer ghelooven? Uwe penne, schrijvende, datmen niemanden in zijne Conscientie en mach dwinghen? Of uwe daden pooghende om my door dreyghementen te doen bedwinghen tot swijghen? Ghy hoopt, schrijfdy, datmen veel eer my dan sulcke uwe bloedighe Opinie (die taste ick aen, niet die Autores van diere) voor een Landt-verderver ende Op-roerder sal oordeelen. O Christelijcke hope, die liever soude sien den doodt der onnooselen, dan die beschaemtheyt van uwe valsche ende Christmoordende Opinie.
4. Maer men kan (seghdy voordts) den verstoorders der ghemeender rusten, &c. ende duydet alsulcks ten laetsten met die woorden van’t vergunnen van heure Opinien ende schandelijck verloopen niet seer bedecktelijck op mijnen persoone. Wat my nu vergunnet is gheweest (niet om mijne Opinien te verdedighen, die ghy-luyden noyt aenghetast en haddet, maer) om Calvini Dolingen te bewijsen, oock hoe schandelijck ick verloopen ben, is hier voor meer dan genoegh gebleecken.
Soo ist mede ende stae oock gaerne bekendt, dat ick niet en ben sulck een als uwe konstighe penne in’t lachteren my daer qualijck af-maelt, maer wel die persoone, die door Godes hulpe met een goede Conscientie u luyder Landt-verderflijcke Opinie, als een bloedighe verstoordersse van de ghemeyne ruste, bestae te weder-spreecken tot voorderinghe van de ghemeyne ruste: die niet anders en soecke dan des Heeren Chri


sti Naeme groot te maecken; 1 1 Nota . die daer arbeyde die fundamenten van alle valsche Religien (my voor sulcks bekendt zijnde) gantsch omme te stooten: ende die eensaem levende gheen aen-hangher ter wereldt noch secte altoos en hebbe, maer tot waere ende onpartydighe eendracht arbeyde: Siet soodaenighe luyden zijnt, tot dwangh van de welcke door lijf-straffe ghyluyden den Heeren Staeten gaerne soudet brenghen door u weder-schriftlijck ende Landt-verderflijck overghegeven gheschrifte.
5. Hier toe arbeydt ghyluyden, ende dit werdt door u op’t vlijtighste benaerstight ende gewenscht. Waerom dat? Lieve seght doch, waerom oordeeldt uwe wreede vierschaere my doodts-waerdigh? Voorwaer niet om eenighe mijne mishandelinghe, als die (door Godes hulpe) alle Menschen op aerden mach trotsen, van my met eenighe straf-waerdighe daeden te beschuldighen. Ick meyn teghen den Menschen, voor Gode ben ick een arm sondaer. Nerghens anders omme dan om ghedaen te hebben ‘tghene ghyluyden selve leert, te weten, Dat elck Christen (daer ick my oock voor houde) schuldigh is te doen, naementlijck te straffen die misbruycken die hy siet in zijne tyden gheslopen te zijn inder Kercken, ende dit aen den ghenen die de Ghemeynte is bevolen.
Dit wildy niet lijden, maer arbeydt ende hoopt datmen my daeromme voor een Op-roerder ende Landt-verderver sal oordeelen. Wat leer-linghen werden doch van heure Meesters ghestraft; om dat zy doen ’t gundt de Meesters selve hun leeren?
Hier machmen sien wat sorghlijcker saecke het is u luyder Leer-jonghers te zijn, ende u luyder Leere nae te volghen. Ick mercke wel, soo yemandt nae dese u luyder Leere den Catholijcken, den Confessionisten of den Dooperen bestondt te straffen van de Dolinghen heurder Kercken, dat het Christelijck ghedaen te zijn sal heeten by u luyden. Maer soo de selve sulcks bestaedt aen u luyder Kercke, hy sal by u luyden flucks een verstoorder van de uytterlijcke Kercken-vrede heeten, ende van u luyden (hier inne) zijne Leeraeren selve als een Op-roerder ende Landt-verderver veroordeeldt, ende daer voor aen den Heeren Staeten ghewroeght worden. Waeromme dat? Om dat hy uwe woorden hoort, daer inne blijft ende die doet, ende hier inne u luyder jongher is. Vindtmen dan oock wel gevaerlijcker saecke dan u luyder Leer-jongher te wesen?
6. Maer behalven alle dat leydt hier noch al wat anders onder verborghen. Seecker zijn uwe Leerlinghen Op-roerders ende Landt-verdervers ende voor sulcks te straffen met recht, ende dit alleenlijck om dat zy doen ’t ghene ghyluyden leerdt dat elck Christen schuldigh is te doen: wat salmen van sulcke u luyder Leere doch moeten houden? Sal die niet moeten zijn een Op-roersche ende Lant-verderflijcke leere? Men kent immer den boom aen hare vruchten. Is die vrucht van de Leere op-roerigh ende Landt-verderflijck, die boom selve, te weten die Leere, saloock moeten zijn op-roersch ende Lant-verderflijck.
Is nu de Leere oock een vrucht van de Leeraer, ende is de Leere op-roersch ende Landt-verderflijck, wat sal de Leeraer selve doch anders moghen wesen? Sal dan de Leeraer selve oock de verschulde straf niet alleen van self op-roersch ende Landt-verderflijck te zijn, maer oock overmidts hy door sulcke zijne Leere veele andere Menschen tot Landt-verdervers ende Op-roerders te maecken, al minder, immers niet al veel meerder straf-waerdigh zijn? Immers hoe sullen dan die Heeren Staeten selve sulcke Landt-verderflijcke ende op-roersche Predicanten over’t volck stellende, het volck om der Predicanten Leere te volghen, moghen straffen, jae oock selve onstrafbaer moghen blijven? Doen de Staeten alsoo het volck dan sondighen in op-roerscheydt, soo men leest van veele Koninghen in Israel gheschiet te zijn in Af-goderije, met wat voeghe souden die Heeren Staeten yemanden van den volcke om sulcke Leere metter daedt nae-ghevolght te hebben, moghen straffen, sonder heur eyghen misdaedt in het volck te straffen?
7. Dat sulcks alle quaedt, onrecht ende tyrannije soude wesen, is licht om mercken voor den ghenen, wiens onpartijdighe ooghen sien konnen door’t gheblanckette Mom-aensicht by u luyden daer voor ghehanghen. Welck is datte? Het behouden van uwe uytterlijcke Kercken-vreede. Dits het Mom-aensicht ende schijn, maer het dingh selve is ghemackelijck ende veylighe weelde, eere ende heerschappye. Ghy arbeydt metten ouden Papen om met gheweldt ende metten Beudel, maer niet met studeren ende waerheydt uwer Leere ende doen te beschermen.
Alsoo arbeydt ghyluyden opentlijck door misleydinghe der Overheydt, die hier toe te vroom, te voorsichtigh ende te doorsichtigh sal zijn, (soo ghy tot u groot mishaghen nu al bevindt aen die doorsichtighe Magistraedt tot Leyden) die haer soo niet laet verleyden met desen uwen voorghewenden dwangh inder Conscientien, Christum te wederstaen in zijne lidt-maten, die daer komen met waerheydts tuyghnisse om dese uwe onsalighe vreede (voormaels al vaster by den Romanisten gheweest zijnde) te verstooren. Sulcks dat ghyluyden nu pooghende om sulcke heylsaeme verstoorders van dese uwe heyloose vreede, met ghevanghenisse of aen den lyve te doen straffen, niet anders en bestaedt dan den moordelijcken ende Landt-verderflijcken onwegh der oude Pausen inne te gaen, ende hen-luyder onmenschelijcke wreedtheydt nae te volghen.
Want die oude Pausen metten heuren klaeghden mede over Luther, over Zwinghel, over Oecolampadium, Bucerum, Brentium, Calvinum ende andere soodaenighe meer, als die haeren uytterlijcken Kercken-vreede verstoorden. Desen insghelijcks heuren jongheren vervolghden zy-luyden oock daer zy mochten, met ghevanghenissen, met tormenten ende grouwelijcke moorderijen, als verstoorders van de uytterlijcke Kercken-vrede ende ghemeen ruste, als Op-roerders, als Secte-maeckers, als omwroeters van der Missen,, van de Aflaten,


van’t Vaghevuyr, ende van meer andere derghelijcke fundamenten van haere Religie, ende als luyden die niet anders en sochten dan door’t ghemeen verderf hen self een name te maecken.
Soo eerdtmen der oude Martelaeren standtvastigheydt met historien ende liedtboecken, daermen des niet te min naerstelijck nae-volght der Tyrannen voedt-stappen om nieuwe Martelaeren te maecken: ende soo doetmen of bestaedtmen ten minsten om te moghen doen, onder den selven meyninghe van Gode eenen dienst te doen het moordelijcke quaedt, 1 1 Joan. 16. 2. datmen voormaels self te recht ende wettelijck in den ouden Pausen heeft ghelasterdt. Maer noch moet ick al hoopen dat ghy dese wijse ende goedertieren Magistraedt tot sulcken Herodiaenschen kinder-moordt niet en suldt moghen brenghen. Want ghyluyden spreydt u Netten vergheefs voor den ooghen der omsichtigher voghelen, die van Leyden.
Voordts laet ghyluyden gheheel onghemerckt ende onbeantwoordt deurgaen mijn segghen in mijnen brief van de maeniere van d’inne-voeringhe uwer Religien in den Nederlanden: als wel bemerckende selve, dat ghy die, nochte u ghesochte Kerckelijcke heerschappije niet en mooght verschoonen voor op-roersch, ende midtsdien daer af handelende u selve soudet moeten schaemen my ende anderen sonder allen aen-hangh te maecken, ende Acten teghen die Politie te bedrijven voor Op-roerders te schelden. Alsoo mede ghy-luyden niet siende middelen om te bewijsen dat uwe Leere by eenigh vry Concilium (swijghe Nationael) is bevestight of aenghenomen, en roerdt daer af niet een eenigh woordeken, maer laet alle sulcks deur-gaen als of mijn brief niet een woordeken daer af vermaendt hadde, niet teghenstaende ‘tselve u luyden soo hooghlijck beroert dat u sulcks boven allen anderen stucken toestont te wederlegghen. Maer hier af niet een eenighe syllaba.

Coornherts schrijven aen den Predicanten.

Dats noch al wat tew vroegh, het Nedt spreydt ghy t’ontijdt voor der voghelen ooghen, Ende nemmermeer en suldy die bloedighe macht van de wijse ende goedertieren Magistraedt verwerven. Ghyluyden niet, welcker gheleerdtheydt ende konsten niet en vermoghen, niet alleen sulcks, te weten dat d’Overheydt yemanden om saecke van de Conscientie aen den lijve behoordt te straffen, maer oock u luyder Sendinghe wettelijck te zijn. bewijsen teghen my Idioot. Daer teghen my (door Godts hulpe) niet swaer en sal vallen te bewijsen, dat u luyder Leere begrepen in uwen Catechismo, menschen leere is (dats wel verde van Godes woordt te zijn) ende dit in hooft-saecken. Tot sulck u bewijs (naemendtlijck van u luyder Sendinghe) te wederlegghen, ende tot sulcke mijne bewijsinghe (te weten teghen u Leere te doen) biede ick my wil-vaerdigh aen in den Heere. U leeringhe te verantwoorden, ende uwe Sendinghe te bewijsen (dat voor moet gaen) staedt u luyden toe: my als een Christen staedt toe uwe Leere (daer ick die verdorven waene of weete) Christelijck te berispen: sulcks dat u vuyrighe yver gheen reden en heeft om my derhalven een Perturbateur van u uytterlijcke Kercken-vreede te achten. Ghemerckt ick dit doende naevolghe u luyder (soo icks moet achten) eyghen Leere door Thomam Tilium aen my gheschreven, luydende als dit nae-volghende extract:
Soo isset eenen yeghelijcken Christen gheoorloft die vergaederinghe ende Ghemeynte zyns tydts ende daer nae (te weten nae de forme van de Christelijcke Ghemeynte in den woorde godes vervaetet) te examineren, ende te sien offe daer mede over een komt. Soo hy bevindt dat de Ghemeynte van de ghesonde Leere af-gheweecken is, &c. soo en ist hem niet alleen gheoorloft, maer hy is oock schuldigh sulcke misbruycken te straffen, ende die ghene, die de voorschreven Ghemeynte bevolen zijn, daer van te waerschouwen, op dat het door haer middel mochte ghebetert worden. Dit heeft Lutherus ende Zwinglius ten eersten ghedaen. Ergo en hebben zy niet meer ghedaen, dan een ghemeen Christen gheoorloft is.
Daer nae dewijl zy saghen dat gheen vermaeninghen ofte waerschouwinghen konden ghehelpen, maer dat die ghene die de macht hadden sulcks te verbeteren, haer tyrannighlijck daer teghen stelden, ende haer vervalschte Leere met die verdorven Godtsdienste voorstonden, ende het nochtans niet moghelijck en was dat een vroom Christen met goeder Conscientien hem tot sulcke ghemeenschap konde begheven, soo hebben zy hen daer van onthouden, ende anderen uyt liefden vermaendt haer daer van te ontrecken ende niet deelachtigh te weesen sulcker Af-goderye. Hier inne en hebben zy oock niet ghedaen dan dat een yeghelijck Christen schuldigh is te doen.
Alsoo en mach ick nu mede met goeder Conscientien tot desen uwen aen-ghevanghen dwangh ende lijf-straffe in ende om die Conscientien, met meer andere uwe ondrachlijcke ende verderffelijcke Dolinghen in de Leere uwer Kercken, in gheender maenieren meer swijghen, maer hebbe u luyden Christelijck daer af willen vermaenen.
Weygherdy u saecken voorschreven te verantwoorden metter heyligher Schrift, ick sal ’t moeten klaeghen d’Overheydt. Steldt sich die (dat ick niet verhoope) met macht voor u luyden teghen my, ick sal’t moeten lijden, ende dan noch ghelijcke-wel uyt liefden anderen daer voor waerschouwen, ‘twelck ghyluyden self leert dat elck Christen (daer voor ick my oock houde) schuldigh is te doen. Ist oock sulcks dat ghy dese mijne voorschreven aen-biedinghe bewillight, soo denck ick mijns rechts te ghebruycken, ende my niet meer (als tot Leyden) van eenighe Commissarisen, noch veele min van mijne partijen, laeten dringhen om te ghehoorsaemen uwe wetten, waer af ick sal handelen. Soo is oock mijn meeninghe niet meer mondelijck, maer metter pennen te handelen, op dat het oprech-


telijck ghedruckt ende van allen Leesers gheoordeelt mach werden. Weygherdy ditte? Waer voor salmen u luyden anders moghen houden, dan voor licht-vluchtighe duysterlinghen? Gaedy’t dan aen, soo bethoondy metter daedt, dat ghy u waerheydt meer betroudt dan brachio seculari. Dan sullen wy malkanderen over-schrijven hoe, ende van wat saecken wy sullen handelen. Hier op beraet u, ende versoeckt metten eersten oft ghy metter heyligher Schrifturen u Sendinge bewijsen ende uwe Leere verantwoorden kondt teghen

U luyder ende alder goedthertigen luyden dienstwillighe

D. V. Coornhert.

Ghesonden opten vijfthienden Augusti,

Anno 1579.

v. Der Predikanten
Antwoorde.

Ghy presenteert u selven om teghen ons te bewijsen, 1 1 a . dat de Leere in onsen Catechismo begrepen, menschen leere is. 2 2 b . Item dat onse Sendinghe niet wettelijck en is. 3 3 c . Item te weder-legghen onse Opinie van den dwangh der Conscientie. 4 4 d . Ende begheert dat te doen niet mondelijck, maer metter penne. 5 5 Nota. . Wy bedancken u van dese presentatie. Ende laten u weten, dat wy gheen tijdt soo snoode en kennen die wy in’t verandtwoorden van u raseryen, 6 6 e . souden willen aenlegghen, noch mondelijck, noch schriftelijck. 7 7 f . Want wy souden’t achten teghen een Oven gegaept te zijn. Op dat ghy nochtans niet en soudt segghen dat het u af-gheslaghen waer sonder oorsaecke, soo sullen wy die wichtighste hier voor stellen.
Ten eersten, 8 8 1. om dat u meer als ghy waerdigh zijt, ghegundt ende by authoriteydt van mijn Heeren toe-ghelaeten is gheweest tot Leyden om sulcks als ghy presenteerdt, ende nochtans niet ghedaen en hebt.
Ten tweeden, 9 9 2. om dat u hooghmoedigheydt ende goedt-dunckenheydt, die haer in als ende over al bewijst, te groot is, waer door ghy by ghebreck van andere u eyghen Trompet slaedt, met grooter onbeschaemtheyt ende calumnie.
Ten derden, 10 10 3. om dat wy achten uwe Dolinghen ende valscheyden so menighfuldigh te zijn, dat de sommighe verslegen zijnde, die anderen als in een veel-hoofdige Hydra weder op komen souden?
Ten vierden, 11 11 4. om dat die Opinien die ghy, contrarie onsen Catechismo zijnde, sustineert, nae dat wy hebben konnen vernemen uyt die handelinghe van Haerlem, soo grouwelijck ende Godts-lasterlijck zijn, dat wy sonder groote verschrickinghe ende ont-settinghe, die niet en mooghen aenhooren.
Ten vijfden, 12 12 5. dat ghy nae ons ghevoelen, ‘twelck ons vry is, soodaenigh zijt, die d’Apostel Paulus gebiedt te vlieden, als die daer verkeert is, sondight, ende by u self veroordeelt is.
Ten sesten, 13 13 6. om dat wy bemerckt hebben uyt een schrift, waer van ons Lecture ghedaen is, dat ghy u niet alleen teghen die waere Religie, maer oock teghen u eyghen Vaderlandt (ontrouwelijck by u verlaeten) ghestelt hebt, dat selvighe een uyt-ghepudt ende uyt-gheteert Landeken noemende, ende in zijn hooghste benautheydt van verre daer mede spottende.
Dit zijn die Redenen ende de oorsaecke die wy tot sulcke weygheringhe hebben.
Aenghesien nu uwe meeninghe is, soo wy konnen uyt u brief verstaen, die Overheydt sulcks te klaeghen, daer toe gheven wy u volle macht. Op dat nu u klaghte te beter ghelde, hecht desen onsen brief aen u Requeste, ghelijck wy metten uwen ghedaen hebben, de welck ghy tot Delfft schreeft.
Doch verwonderdt ons hoe dat ghy ons metter Overheydt hier dreyghende zijt: daer wy meenen u ghevoelen te zijn als dat d’Overigheydt in’t minste niet en behoordt haer mette Religie te bemoeyen, 14 14 g. j . noch die met haer authoriteydt te beschermen. 15 15 g.ij . Liever soo u die Overheydt vraeghde wat voor een Leere datmen behoorde in desen Landen opendtlijck te leeren, 16 16 h . ende wat Religie te oeffenen.
Wat soudt ghy hier antwoorden? 17 17 i. Soudt ghy haer aen hat Pausdom wijsen, ghelijck u nae gaet dat ghy ’t selve neffens de Ghereformeerde Religie gaerne weder op-gherichtet saeght? 18 18 k . Ofte soudet ghy die Leere, die ghy in u eyghen hooft ghesmeedt hebt 19 19 l . , ende noch daghelijcks smeedet, haer recommanderen willen, daer ghy den eersten Autheur van zijt, 20 20 m . dan moest ghy opten Predick-stoel klimmen, ende ghy seght daer geen roepinge toe te hebben.
Ofte denckt ghy dat het volck uwe Opinien 21 21 n . van gheen vergaederinghe te houden, noch exercitie van Religie te hebben (eyghen middel om tot een Atheische verwilderinghe te gheraecken) 22 22 o . terstondt aen-nemen soude?
Het schijnt wel dat ghy ons weygheren alsoo duyden wilt, 23 23 p . als of wy licht-vluchtighe duysterlinghen waeren,die niet en dorften in’t licht komen, maer ghy suldt wel tot zijnder tijdt bevinden: ende soo’t onse Occupatien hadden moghen lijden, langhe bevonden hebben, dat wy het licht niet en vlieden, wy dencken wel tot stichtinghe der Ghemeente Christi ende aller onpartijdighen, soo van de sichtbaere Kercke als van onse Sedinghe ende andere articulen door u gheinpugneert,, te handelen, ende daer uwe argumenten die wy alreede weten, 24 24 q . ende noch mochten komen te weten


weder-legghen, maer met u en willen wy gantsch gheen doen hebben, u verklaerende onse intentie midts desen, dat wy gheene brieven, ofte wat het wesen wilde, van u komende, meer en dencken te verandtwoorden. 1 1 r .
Hier mede blijft den Almoghenden Godt bevolen, die u geve dat wy van herten u ende ons ghelijcke wenschen.

Geschreven uyt Delft den elfden September,

Anno duysendt vijf honderdt neghen ende ‘tseventigh.

By ons die’t geerne met u wel saghen,

Reynerus Donteklock,

Arent Cornelisz. &c.

v. Coornherts Replijcque.

Dat ick uyt liefden ende met een goede Conscientie 2 2 a . u hier presenteere te bewijsen: waert ghyluyden schuldigh (als voorstandersvan u Leere) uyt liefden ende trouwe, sorghfuldigheydt voor die u bevolen zijn te verantwoorden, het welck ghy opendtlijck weygert. Tot oorsaecken versierdt ghy mijn hoovaerdije, grouwelijcke Dolinghen, ende andere sulcke beuselinghen.
Maer nae dien ghy tot Leyden in u eyghen argumenten, in onse eerste questie, ( die oock de laetste was) openbaerlijck verstomde, ende met schaemten in u selfs laeghen waert ghevanghen, is veel eer te vermoeden ende te vertrouwen, dat ghy uwe saecken mistroudt, die waerheydt ontbeert, desen uyt-vlucht soeckt, ende gheerne die Heeren Staeten met macht teghen my stelde, daer alle desen uwen brief arghelistelijck toe arbeydt, dat dicht ghyluyden uyt u hooft, noydt heb ick u ghepresenteert te bewijsen dat u luyder Sendinghe niet wettelijck is, 3 3 b . maer wel u bewijs van de wettelijckheyt te weder-spreecken.
Is dit met u al een dingh: wie mach u voor discreet achten? Verdraeyt ghy dan oock mijne woorden met voordacht: wie sal u voor oprecht houden?
Ende begheerdt dat te doen mette penne, 4 4 c . schrijft ghy-luyden dit konstelijck, maer niet oprechtelijck voeghende aen de voorgaende drie presentatien. Rechts of tusschen die selve ende mijn schrijven van het selve metter pennen te willen doen, niet altoos by my en ware gheschreven. Niet teghenstaende het vierendeel van mijnen gheheelen brief daer tusschen staet.
Maer dit alles hippeldt ghy-luyden al swijghende over, rechts of het u luyden niet aen en gingh, ende het selve ter maeterien niet altoos en diende. Waeromme dat? Om dat die waerheydt uwe onwaerheydt daer oock soo onweder-spreeckelijck beschaemt, dat ghy hier mede (als tot Leyden voor het volck) teghen my moest verstommen.
Liever wat wist ghy, of weet noch daer teghen te segghen? Bewijse ick daer niet uyt u eyghen schrijven aen my, dat elck Christen schuldigh is te doen, het ghene ick daer doe? 5 5 Vide voor 4. d. 5. 6.Bewijst ghy niet met u hope dat die Magistraedt my voor een Op-roerder ende Landt-verderver sal oordeelen, om te doen het gundt ghy selve leerdt, dat u Leere op-roersch is ende Landt-verderffelijck?
Dat ghy selve zaeyers zijt van Op-roersche ende Landt-verderflijcke luyden? Dat ghy Leer-meesters u Leer-jonghers om u Leere te volghen, begheerdt veroordeeldt, ende als quaedt-doenders ghedoodt te hebben?
Dit alles merckte ghy-luyden wel daer inne begrepen te zijn, oock mede dat ghy het niet en moocht loochenen ofte ontkennen, ende dit heeft u soo gheheel grooten deel mijns brieffs, sonder een eenigh enckel Woordt aff te vermaenen, stillekens voor-by doen lijden.
Ende soo voordt-gaende in uwen konstigh Rethorizeeren, 6 6 d . danckt ghy my wel seer spottelijck van mijne presentatie: Het welcke ghy oock wel schuldigh waerdt gheweest met oprechten ernste te doen, soo ghy wel verstaen haddet het spreeck-woort: Die my seyt dat my misteyt, dat is mijn vrient al waert my leydt.
Maer bethoonende u te zijn van den luyden daer Salomon af schrijft, Proverb. Capittel neghen ende twintigh Vers. een. Thoondy u self lustigher om die berispende Waerheydt te bespotten, dan aen te nemen.
Raserijen en weet ick niet uyt my voordtghekomen te zijn. 7 7 e . Raesde ick tot Leyden, waerom beschaemde ghy my niet? Maer soudent al raeserijen moeten zijn daer mede ghyluyden van yemandt erghens inne wert berispet, soo moet het al waerheydt ende wijsheydt zijn dat by u luyden is, want dan mach niemandt ghesont van zinnen u luyden erghens inne berispen.
Is dit waer, soo en mooght ghyluyden nerghens inne missen: soo zijt ghyluyden al-wetende, soo zijdy Godt selve, wiens eyghendom off proprieteydt alleen is nerghens inne te missen, maer alles te weten.
Dit schreven sich selve die oude Pausen toe: desen volght ghyluyden (dolende jae loghenachtighe menschen, als d’andere zijnde, soo hier voor oock blijckt) meesterlijcken nae. Soude dat oock wat anders zijn dan sich selfs voor een Godt op-werpen.
Ick en was gheen Oven, 8 8 f . doe ghy tot Leyden voor den volcke u mondt niet meer


openen noch tegen my gapen en mocht, ofte en konste.
Maer hoe kompt dit niet willen gaepen teghen my Oven (soo ghy schrijft) over een met u schrijven in desen selven brief by het laetste, houdende dat ghy mijne argumenten sult wederlegghen? Of handelt hy niet teghen my, die mijne argumenten pooght te weder-legghen ofte teghen te spreecken? Siet hoe luttel ghyluyden hier ghedenckt dat ghy daer segghet ende voordtbrenght.
Nu saeghdy wel dat dese uwe uyt-sluyp ende af-wijckinghe van uwe saecken te verantwoorden te leelijck was: Het welck u drangh die selve wat beter te vercieren ofte te blancketten.
Alsoo steldy daer by van de wichtighste oorsaecken, waer deur ghy u laet beduncken dat ghy met redene af-slaet ende weygherdt uwe saecken teghen my te verdeedighen, ofte te verantwoorden, die ick elck in’t korte sal roeren, op avontuyr of ghy noch eens wilde mercken (het gundt elck onpartijdigh Leser met een oogh-opslagh licht sal mercken) dat ghy eu selve blancket met Lamp-swart.
Eerst seghdy dat my tot Leydensulcks als ick presenteere toe-ghelaeten is gheweest. 1 1 j .
Dat segghe ick voor Gode inder waerheyt, dat voor dit onder-vinden onghelooflijck gheweest ware, dat ghyluyden u voor Leeraers ofte Predicanten der Waerheydt uyt-ghevende, soo onschamelijck onwaerheyt geschreven, veele min gesproocken soude hebben ghehadt.
Want ick presenteere u nu te bewijsen dat u luyder Leere begreepen in uwe Catechismo menschen Leere is. Dit mooghdy niet loochenen te staen in desen mijnen brief.
Seght nu Mannen. Heb ick u sulcks oyt met een eenigh woordt tot Delft of tot Leyden ghepresenteert? Seyde ende verklaerde ick niet opentlijck dat ick uwe Leere niet en kende? Dat ick die oock niet en berispede? Ende dat ick daer quam om te bewijsen die Dolinghen in Johan. Calvijns ende Theod. Beze schriften? Dit weedt ghy-luyden immers alsoo wel als ick.
Soo weet ghy immers oock wel dat my daer tot Leyden noyt toe-ghelaeten en was het ghene ick nu presenteere, ende doe noyt af ghesproocken, veele min ghepresenteert hadde.
Dats een openbare onwaerheyt. Voeght u luyden oock wel sulcks? Hadt ghy sulcks erghens in my bevonden, hoe soude dan u lachter-penne klincken?
Maer dat ick tot Leyden presenteerde te handelen van het Ketter-dooden, mooghdy niet loochenen. Immers ghy schrijft ende bekendt selve, in’t beginne van desen uwen brief, 2 2 j. b . dat die Commissarisen my weygherden te handelen van het Ketter-dooden. Mochten zy my oock weygheren het ghene ick niet presenteerde of versochte? Vryelijck neen. Nu schrijfdy daer self dat zy het my weygherden. Hier schrijfdy weder daer pladt teghen, dat de Commissarisen my tot Leyden toe-ghelaeten hebben het gene ick presenteere.
Wat presenteere ick? U luyden daer inne te weder-spreecken dat die Overheydt yemandt om saecke van de Conscientie aen den lijve behoordt te castijden ofte te straffen. Dat meyn ick is immers het Ketter-dooden te weder-spreecken. Dit presenteere ick, dit weygherde ghyluyden selve soo het Verbael in der kameren voor den Commissarisen noch naecktelijck betuyght, ende dit bekendy in’t begin van desen brief selve, dat de Commissarisen my weygherden tot Leyden.
Ende noch derft ghyluyden onbeschaemdelijck schrijven dat my tot Leyden sulcks als ick presenteere, toe-ghelaten ofte gheconsenteert is gheweest. Dat is nu de tweede onwaerheyt, sulcke soude icker al meer (hoe wel een te veele is) moghen stellen, so my de moeyten niet en verveelde.
Gaedt nu eens in u selven wildy, ende denckt of die alder-onschaemelste Duyvel wel onschamelijcker soude moghen looghen spreecken, hoe wel hy die spreeckende uyt zijn eyghendtheydt spreeckt, voeght sulcks u luyden?
Die tweede uwe uytvlucht is, 3 3 ij . Om dat myne hoogh-moedigheydt ende goedt-dunckentheydt (soo ghy-luyden oock schrijft) te groot is.
Ick ben niet soo ootmoedigh als ick door hulpe van het ootmoedighe Lam Godes, noch verhoope te worden. Dat bekenne ick u gaerne, ende gheve u hier inne recht. Maer gheensins daer inne, dat dit oorsaecke soude mooghen zijn ghenoeghsaem om met my niet te moghen handelen. Waer datte, soo waerdy onghehouden teghen eenighe aen-vechters van u Leere die selve te verdedighen.
Tot wien en souden u luyder tonghe ghewendt tot lasteren, niet konnen segghen: Ghy zijt te hoogh-moedigh dan wy met u souden handelen? Maer of ghy self oock recht ootmoedigh zijt, gonne ick u meer met goeder herten, dan ick met waerschijnlijckheydt mach ofte kan ghelooven. Ghemerckt het een kleyn teecken van oodtmoedigheydt is zijn even Mensche alsoo lichtelijck te lachteren ende te veroordeelen.
Ten derden (schrijfdy) 4 4 iij . achten wy uwe Dolingen ende valscheyden so menighfuldigh te zijn, dat die sommighe verslegen zijnde, die andere als een veel-hoofdigh Hydra wederom op komen souden.
Of ghyluyden u selve niet opendtlijck en beschuldight van luyheydt ofte traegheydt mach u selfs gheweeten oordeelen.. Maer vreesdy de moeyten in’t verslaen van mijne valscheyden, overmidts haere menighfuldigheydt, die des te meer een recht Christelijcken Medicum souden beweghen om sulck een te ghenesen: waeromme vertraeghdy ofte en zijt niet wacker uwe Leere te verantwoorden? Daer toe ende niet om mijne valscheyden (noyt by u aen-ghevochten) werdt ghy-luyden nu van my beroepen.
Of ghebreeckt u waerheydt? Of hebdyse, ende mistroudt haere almoghentheydt?


Of zijdy van de wachters in het sessenvijftighste Capittel vers. thien by Isaiam beschreven? Of gaen u niet aen die woorden Pauli, geschreven int tweede Timoth. vier, twee. 1 1 2. Tim. 4. 2.
Of ist woordt dat by u luyden is, nu niet machtigh ghenoegh den teghen-spreeckers van u Leere te berispen? 2 2 Tit. 1. 9. Of voeghet den Leerlinghen, maer niet den Predicanten, den Doolenden van de Waerheydt te bekeeren. 3 3 Jac. 5. 14.
Of soudet u luyden wel lustigher zijn te schuylen in traeghe weelde ende uytterlijcke Kercken-vrede (rechts of die strijdt hier ter wereldt al vol-eyndet waere) onder die macht des Overheydts swaerdt beschermt zijnde: dan metter waerheydt teghen die valsche Opinien (soo ghy-luyden die mijne noempt) te strijden ende die te beschamen.
Ten vierden, 4 4 iiij . Om dat die Opinien, &c.
Hier doedy opentlijck teghen my het ghene ghy hoopt dat de Heeren Staeten oock teghen my deden. Vraeghdy watte? Parte inaudita te veroordeelen. Oordeelt ghy hier niet van my, my onghehoort zijnde? Gheheel sonder waere kennisse van saecken? Ghy ghelooft immers het segghen van mijn partije achter rugghe tegen my. Want ghy luyden en waert niet by die handelinghe tot Haerlem.
Die was by my des anderen daeghs beschreven, ende by twee gantsch onwraeckbaere ende gheloof-waerdighe ghetuyghen gheteeckendt. Waer inne die handel der uwen soodaenigh blijckt teghen my, dat zy het hen schaemende gantschelijck t’onvreeden waeren dat ick sulcks beschreven hadde.
Noch en schaemdt ghy met die uwe niet met onwaerheydt te arbeyden om uwe beschaemtheyden my op te legghen, my voor den luyden leelijck te maecken, ende mijn naeme door onwaere achterklap te lasteren ende schenden. Hebdy dan niet ghelesen dat gheen achterklappers het Rijcke Godes en sullen beerven? Datmen gheen valsche ghetuyghenisse teghen zijnen Naesten en moet gheven? Soo leest die Antwoorde opte hondert ende twaelfste Vraghe in uwen Catechismo.
Of is sulck valsch over-draeghen uwer mede-broederen gheen achterklap, of valsch ghetuyghenis? Of gheloofdy niet dat dese woorden des Wets, oft der thien Gheboden Godts, ende des heylighen Apostels Pauli waerachtigh sullen bevonden werden? Maer wat verlicht u dese lachteringhe ende stoute veroordelinghe u van u Leere teghen my te verdeedighen? Soude elcke partije aen-ghevochten zijnde, zijnen aen-vechter geen logentale moghen tegen-werpen, ende mitsdien ongehouden schijnen van zijn Leere te verantwoorden?
Dunckt u dit noch al een deghelijcke uytsluyp, soo leest daer die oude
Pharizeen, 5 5 Actor. 7. 57. oock niet willende hooren die heylsame berispinghe des eersten Martelaers Christi (nae wiens onnoosele doodt zy mede hoopten) heuren ooren stopten, niet anders dan tegen Godts-lasteringhen: ende ghy suldt bevinden (soo ghy’t met onpartijdigen ernst wilt insien) dat dese uwe uyt-sluyp van de selve aert ofte conditie is.
Ten vijfden, 6 6 v . Dat ghy naer ons ghevoelen, &c.
Hier worde ick buyten mijn weten ende schulde een ketter niet seer bedecktelijck veroordeeldt van u luyden, die miijne Rechters niet en zijt, die u eyghen Leere teghen my niet en dorft verantwoorden; die my noyt van Dolingen hebt beschuldight, maer daer en teghen ick u luyden: die mijne verantwoordinghe noyt en hebt ghehoort, ende die u selfs oock derft toe-eyghenen het kennen vander menschen herten, ‘twelck Godes eyghendomme alleen is. Seghdy niet stoutelijck dat ick in my selve veroordeeldt ben? Dit en weet ick selve niet.
Lieve luyden, waer by weedt ghy doch sulcks? Wt mijne Godts-lasterighe (soo noemdyse) Opinien? Die en hebdy noch uyt mijnen monde, noch uyt mijne schriften u leef-dagen noyt ghehoort noch oock gelesen, my voorghehouden noch bewesen.
Of weet ghy dit uyt mijnen Godtloosen wandel? daer en soude u jeughdelijcke stoutigheydt, ofte onbedachtheydt (hoe wel die niet kleyn is) u luyder wandel niet eens by derren thoonen. Waer uyt weet ghy dan dat ick by my self veroordeelt ben? Wt mijne woorden tot u luyden? Dit weet ghy wel neen. O vermetel veroordeelen. Dat en leert u de Heere niet.
Oock den heylighen Apostel Paulus op dese selve plaetse niet, 7 7 Tit. 3. 10. 11. maer wel ter contrarien, datter een of twee vermaeninghen of berispinghen moeten gaen voor het vermijden. Nu hebdy my (soo gheseydt is) van selfs noydt berispt, vermaendt of aenghesproocken van Dolinghen, die ghy my soo veele, soo grouwelijck ende soo menighfuldigh toe-schrijft. Maer ick hebbe u luyden berispt in hoofdt-saecken. Dit wildy niet lijden, nochte oock u Leere verandtwoorden.
Merckt ghy-luyden dan noch niet hoe plompelijck ghy desen sproocke Sanct Pauli misbruyckt plat tegen zijne naeckte ende uyt-ghedruckte woorden, swijghe sin ende meeninghe? Seecker ist u luyden den vry, die heylige Schrifture te misbruycken, ende anderen van uwe Ghemeynte niet zijnde te veroordeelen, (soo uwe woorden mede brenghen) ende dit noch sonder alle kennisse van saecken: soo en hebdy voorwaer geen Christelijcke, maer daer en teghen wel een liefdeloose stoute ende vermetele vryheydt, die niet vreemt en is van de Conscientie-loose ende hatelijcke vryheyt der Libertijnen.
Ten sesten, 8 8 vj . Om dat wy bemerckt hebben, &c.
Hier zijn by-nae soo vele Calumnien ende onwaerheyden als woorden, op dat immers het besluydt den beginne niet onghelijck en soude wesen.
Dat bekenne ick gaerne, soo uwe Kercke ende oock Leere die waerachtige waer, dat ick my teghen die ware Kercke stelle, want ick stelle my teghen u Kercke ende heftighe heerschappije.
Ende dit voorneemlijck om dat u Kercke met eenighe andere nae Menschen bloede staet ende nae dwangh in der Conscientien,


t’welck ick betuyghe voor Gode ende voor mijn Conscientie. Maer ick betuyge mede dat ick uwe Kercke geensins en houde voor een ware Kercke. Immers ick berispe hare Leeringe, ende uwe Sendinge wederspreke ick. Die en derft ghyluyden niet bestaen te verantwoorden ende te bewijsen. Dat staet u luyden eerst toe te doene. Doet (vermooghdy’t) blijcken dat uwe Kercke ende Leere die ware zy, stelle ick my dan daer tegen, soo mooghdy met waerheydt segghen, ‘tghene ghy nu met onwaerheyt verziert.
Daer ghy nu Calumnieert dat ick my stelle teghen mijn Vaderlant, (d’welck ick ontrouwelijck verlaten soude hebben) ende dat icks bespot hebbe in synen node, en haeldy niet uyt dat mijn gheschrifte, daer af u lecture ghedaen soude zijn, maer haelt dat daer die spinnen t’gaern (daer sy heure webben af maken) plegen te halen, dats uyt u selve. Men thoone u den Missive by my in mijn vertreck uyten Lande aen den Heeren Staten geschreven ende ghesonden, ende by den Heeren Staten ontfanghen: die sal met valsche redenen, den Heeren Staten self grontlijck kondigh zijnde, dese uwe Calumnie genoeghsaem te schanden maecken, want daer sal blijcken dat ick niet hooghers begheerde dan met mijn kleyn pondeken mijn Vaderlant dienst te doen. Maer siende dat ick sulcks met allen niet meer en vermochte, dat die Inlandtsche vyanden t’Landt arger handelden dan die Wtlandtsche, ende datmen opentlijck tegen beloften, eere ende eede handelde teghen onnooselen, goet ende bloet, ende dat die moetwil vande hoofden des onghebonden Crijchs-volcx die sulcx al bedreven, opentlijck stondt na mijn leven, om dat ick henluyder boosheyt ontdeckte, ende (daer ick eenige middel sach) pooghde te beletten, welcke middelen my voorts gheheel ende al ontbraecken, hebbe ick my, die dach noch maent verbonden was, in een ander Landt begeven, also (niet die uytlandighe vyanden ende der selver verwoestender rasernijen niet op en hielden, over die welcke syne Princelijcke Excellentie doe ter tijdt noch soo weynigh gebiedens hadde, dat ick met gene redenen bescherminge van syne Excellentie en mochte verhopen. Siet daer is sommierlijck d’oorsake ende redene van mijn wech gaen uyt Hollandt.
Buyten Landts wesende, ende siende mijn Vaderlandt in hooger noot, hebbe ick, die arm ende oudt was, niet mogende met gelt te senden, oock niet met vechten eenighe hulpe bewijsen, t’selve na mijn kranck vermogen bestaen te doene met mijn penne. Alsoo heb ick dat gheschrift (daer af ghy wilt segghen) ghesonden, niet aen den Spaengiaerden, oock niet onder t’volck in druck, maer aen mijn Heere den Prince ende Heeren Staten, ende dit oock niet tot spot (soo’t u Calumnie draeyt) maer tot voorhoedinge van spot onses Vaderlandts, ende dit met een eyghen bode, op mijn eyghen buydel, die doe ter tijdt (als die oock noch is) seer magher was.
Ist nu dat ghy u selve acht voor sulcke politique luyden, dat ghy in’t voorsz. mijn ootmoedigh Advertissement, sulcke leelijcke fauten meynt te sien, als ghyluyden hier schrijft, spreeckt my aen metten monde ofte penne, ende onderricht my des. Ick sal terstont (bevinde ick u segghen recht) met willigher beschaemtheyt mijn zotheyt (dier noch al te veele in my is) maer geensins spot, ontrou ende Rebellije, (die gheensins in my is, al leghdy’s my soo stoutelijck op) rondelijck bekennen ende belijden.
So dan u luyder onbarmhertighe zinnen sulck Christelijck berispen te goedertieren of te sacht soude achten voor my, soo mooghdy selve, of door eenigh wroeger, my beklagen voor den Staten of voor den Hove van Hollant, ter saken van sulck mijn geschrifte ofte Advertissemente, ofte oock vande Missive aen u, of van beyden. Daer salmen my al mede vinden willigh ende bereyt om my daer inne met eeren te verantwoorden, ende te bewijsen dat ick oock daer deur selve wel verdient ben aen mijn vaderlandt: ofte, soo men my daer inne schuldigh vint, eenen onverbiddelijcke straf te gedooghen.
Gaet nu metten eersten desen wegh inne, naer dien uwe Christelijcke liefde soo seere hoopt dat die Heeren Staten my voor een Oproerder ende Landtverderver sullen oordeelen, veel eer dan uwe bloedige Opinie van’t dwinghen ende straffen om der Conscientien wille, voor wederschriftlijck ende Landtverderflijck. Neemt desen wegh daer toe voor handen soo’t u goet dunckt, ende versoeckt of ghy ergens eenen Pilatum (dat aen die twee soo vrome ende wijse Collegien niet en sal vallen) kondt bekomen, die den onnooselen wil ombrenghen om u valsche Opinie te beschermen. Want soo hoopten mede d’oude Pharizeen eer te sien het sterven van’t bloet des onnooselen Lam Godes, van die wel verschulde beschaemtheyt van hare valsche Leeringen. Siet, soo veele hebbe ick u willen seggen, of ghy noch eens wilde mercken wat kindische ende onwijse uytsluypingen ghy voortbrenght om te moghen ontgaen die schuldighe ende behoorlijcke verantwoordinghe uwer Leere, ende die bewysinghe uwer Sendinghen. 1 1 g .
Voorts verwondert ghyluyden u, dat ick u, &c. Van mijn gevoelē oordeelt ghy (als na ghewoonten) uyt u meynen, dats uyt waen, niet uyt weten. Lieve wat heb ic u mijn leve dagen oyt hier af gesproken of geschreven? Maer wildy mijn gevoelen hier inne weten? T’is ditte, die Overheyt behoort sich ernstlijc met u Religie daer inne te bemoeyen datse die ende u luyden in goede ordre ende subjectie houde, ende voorsichtelijck voorhoede dat ghyluyden van nieus den ouden Pausen volgende, niet daer toe en gheraeckt, dat ghy d’Overheyt ende Monarchen onder u voeten tredet, ende dat haer Godtvruchtigheyt belette dat ghyluyden door u Kerckelijcke decreten ende advijsen henluyden niet so verde en verblindet, dat sy meynen door u ingeven Gode een dienst te doen, den lidtmaten Christi verdrucke, verjage, of om den halse brenghe. Daer hebdy nu mijn gevoelen waer in sich d’Overheyt te bemoeyen heeft met de Religie. Dunckt u dat noch al dat het zy, sich niet te bemoeyen met de Religie? Ghyluyden die d’Overheydt over u Kercke geen ghebiedt laet, wilt schijnen haer wat groots toe te laten: om dat ghy haer (als de Joden Pilatum, ende de Pausen den Princen) tot straffinge vande Ketters of die u Kerckenvrede verstooren, blindelijck wilt ghebruyc-


ken alleen op u bloot aengeven of voor-oordeel van u Consistorie, Classe of Sinodo: maer die verklaren dat sulcx niet des Overheyts met het stalen, maer der Predicanten ampt is met het Gheestelijcke swaert, die soeckt ghy te Calumnieren, als of die des Overheydts Authoriteyt verminderden, niet tegenstaende datse houden dat d’Overheyt regerende ende gebiedende Heeren over u ende uwe Kercken, ende met uwe blinde Dienaren moeten wesen.
Noch die (Religie) met haer Authoriteyt te beschermen.
Wat d’Overheydt daer inne behoort te doene, 1 1 g ij . heb ick u noch niet al gheseyt: maer segghe u luyden nu, dat ick houde, dat alle Leeraren die d’Overheydt aenroepen om met haer stalen swaert haer Leere te beschermen, het swaert der Waerheydt niet en hebben, noch betrouwen.
Liever, so u die Overheyt vraeghde, &c. 2 2 h .
Dese vraghe weet ghyluyden wel dat onnut is, als die self wel weet d’Overheydt u u luyden sulcx toeghedaen te zijn, datmen my in sulcken sake geen raet en sal vragen, soude ick antwoorden, niet uyt mijnen hoofde (gelijck ghyluyden meest uyt u vernuft den volcke leert) maer uyt die heylighe Schrifture, ende dat sulcx dat mogelijck den Euangelio al veel ghelijckformigher soude zijn dan u luyder Leere ende Exercitie is. Derhalven ick henluyden voorwaer gheensins daer toe wijsen en soude.
Soudt ghy daer aen het Pausdom wijsen, &c. 3 3 j.
Des Pausdoms Dolinghen verstae ick (Gode lof) eensdeels, ende soude die (soo’t die tijdt eyschte) moghelijck al veele krachtiger konnen aenvechten met Schriftuerlijck bewijs, dan ghyluyden daghelijcx doet met u bitter lasteren ende schelden.
Ghelijck u na gaet, &c. 4 4 k .
Het toelaten vande Exercitien van henluyden Religie, volghens die beloften ende Eede int alghemeyn voor gantsch Hollandt Anno 72. tot Dordrecht, ende oock daer nae aen eenige Steden noch bysonder wel solemnelijck ghedaen, heb ick toeghestaen. Want ick dat gaerne sage, so om die eere ende Conscientie vande ghene die de beloften ende Eeden daer toe ghedaen hebben, als om dat het benemen van henluyden Exercitie openbaer dwangh is inde Conscientie, teghen die wet der Natuyren, quod tibi fieri non vis, ende tot een verbitteringhe, niet tot verbeteringe van die Catholijcken, die als mede menschen zijnde, gheleydet ende ghelockt, maer niet ghedwonghen ende ghedronghen willen zijn tot een Religie: maer voorneemlijck om die versekertheyt deser Landē tegen den Spaengiaerden, alsoomen den Catholijcken daer mede contentement soude gheven ende eendracht (die eenighe bandt van’t menschelijck vermoghen) veroorsaken soude. Daer ter contrarie dit voornemen vande Papisterije dus met ghewelt ende niet met waerheydt te willen uytroeden, den rechten padt schijnt in mijnen ooghen om t’Landt vol malcontents te maken, Landen, Steden ende luyden teghen malkanderen te verbitteren, ende soo den Spangiaerden een deure te openen om ons in een eeuwighe slavernye te brenghen. Dat zijn dan redenen daer door ick gaerne saghe datmen den Catholijcken soetelijck handelde, ende toeliet het ghebruyck van hare Religie so de uwe gaerne in Vranckrijck ende elders toeghelaten waren, ende heb hier al veel min gheseyt dan ick in desen vermochte, ende meer dan op u schampaer vraghen noodigh was.
Voorts sie ick u hier u const Dialectijck, int deylen niet seer abel te zijn. Want ghy stelt die religie vanden Pausdom, van de Ghereformeerde, ende van die ick in mijnen hoofde (soo ghy’t noemt) smede: rechts of daer gheen Doopersche Religie ende uyterlijcke Kercke en ware. Soude ick die niet moghen noemen? Siet hoe meesterlijck dese uwe partitio is? Seker somen in den noodt stont om te kiesen van twee quaden het minste, soude ick noch al eenighe Gemeynte der Dooperen weten te noemen, die (in mijn kleyn oordeel) minder quaet is, als minder ende lijdelijcker Dolingen hebbende, dan uwe Calviniaensche Religie. Maer ter zijden stellende die Dooperen, die my soo niet en behagen dat ick my met goeder Conscientien soude konnen begheven in haren Gemeynte: Wie soude my verbieden te raden tot sulcken Religie als die Princelijcke Excellentie Anno 66. ende 67. Tot Antwerpen, tot Breda, ende oock tot Amstelredamme dede oeffenen? Dit was die Religie der Confessionisten, soo luttel eens zijnde metten uwen, dat sy u luyden Sacramentschenders, Beeldestormers ende Rebellen noemende, meer vyant zijn, dan die Catholijcken selve. Ghyluyden weet oock wel dat die Confessionisten nerghens en lijden, daer sy t’ghebieden hebben. Daer siedy noch aen’t tweede lidt in dese uwe meesterlijcke partitie vergheten te zijn. Denckt nu hoe vastelijck ghyluyden mooght sluyten uyt sulck blindt deylen.
Of soudet ghy die leere, &c. 5 5 l .
Ick bekenne u gaerne, dat ick grove Dolingen sie in u Leere, inder Papen Leere, in der Confessionisten Leere, inder Dooperen Leere, (die al uyterlijcke vergaderingen hebben) oock inde Leere van Swenckfelt, van David Joris, van Heyndrick Niclaes, van Arent Beerntsen, ende van alle andere Sectendrijvers, nu te menichfuldigh (leyder) in de werelt wesende. Dit maect my een groot mistrouwen ende afkeeren van allen Menschen met heure Leeringen op Aerden. Ende siende dat my wijsheydt ghebreeckt om het recht te verkiesen, bidde ick den Vader des Lichts om een oprecht verstant, speurende alsoo in die vreese des Heeren na die suyvere kennisse vande ware Leere Christi, wiens Waerheyt alleen ende geender Menschen loghenen, ick mijn ziele gaerne soude betrouwen. Heet dit nu met u een eyghen Leere in mij hooft te smeden, soo doe icks onghetwijfelt, ende schame my des so weynigh, dat ick anders doende, my voor Gode ende mijn Conscientie soude moeten schamen.
Maer dat ghy schampaerlijckspottende segt vanden eersten Auteur, 6 6 m . ende dat ick opten Predickstoel soude moeten klimmen, is veroorsaect uyt u hatelijcke herten, ende niet uyt mijn eenvuldigh speuren na de Waerheydt. Noemt yemant op Aerden die mijn Leerjongher is: ende ghy sult wat schijnen te seggen. Want ick tot niemant en spreke als een Autheur van eenighe Leere, of als


Autoriteyt hebbende, maer spreke als mensche tot mensche, het mijne om beter gevende. Als die wel wete ende opentlijck tot elck belijde, dat ick gheen beroepinghe en hebbe, soo ghyluyden hier self recht aen schrijft. Dus sal ick my wel wachten met Godes hulpe u luyden daer inne na te volghen, dat ick gheen Godtlijcke beroepinghe hebbende ende die niet konnende bewijsen, op gheen Predickstoe sal klimmen, soo ick sie dat ghy luyden al wat te vrymoedelijck doet.
Of denckt ghy dat het volck uwe Opinien, &c. 1 1 n .
Hier dicht ghy al weder onwaerheyt uyt uwe eyghen herssenen, want ick heb die Opinien niet datmen gheen Vergaderinghen sal houden noch Exercitie van Religie hebben. Dus behoorde ghy u te schamen onwaerheyt te schrijven. Noyt heb ick sulcx ghesproken, veel min geschreven. Dit bekenne ick gaerne gesproken ende gheschreven te hebben: dat het minder quaet is geene, dan quade vergaderingen ende valsche Exercitie van Religie te hebben. Dit is mijn Opinie, die ben ick bereyt te verantwoorden met waerheyt, ende soo ick des niet vermach, mijn verschulde beschaemtheydt te dragen.
(Eygen middel om tot een Atheische verwilderinghe te gheraken,) 2 2 o .
Tot sulcke verwilderinghe en gheve ick niemant oorsake, maer of ghyluyden hier u eyghen zonde op my wilt legghen, soo ghy doorgaens doet, als oock terstont hier voor met het ongesonden leeren van Gemeenten, dat ghyluyden self doende, my sulcx niet doende noch voor-hebbende, wilt opleggen, ende ghy alsoo arbeyt om met u eyghen vuyl my te bekladden, suldy (wildy) hier uyt moghen mercken. Het is onlochbaer dat ghyluyden arbeyt om den Papisten die Exercitie van hare Religie te benemen. In de plaetse van hare Exercitie pooghdy haer den uwen te doen volghen, ende dit met aenlockinge van Waerheyts onderwijs, oock van u luyder minnelijck kolen (door stadige weldaet) op henluyder hoofden te vergaderen: of door dwangh vande Overheyt. Het eerste en vermooghdy niet te doen door uwe hatighe schampere ende bittere partijdigheydt, die inde plaetse van minnelijck aen te locken, vyandtlijck afschrickt ende van u drijft. Het tweede vreesdy noch te doen, door dien ghy’t noch te vroegh weet te zijn, om so opentlijcken t’volck met ghewelt tot u gheloove te dwinghen. Na dien ghy dan den Catholijcken heure vergaderinghe ende Exercitie soo beneemt, dat sy die ontbeerende gheen vergaderinghe noch Exercitie altoos en hebben: wat mach hier anders uyt volghen (soo uwe Opinie van dat geen vergaderinge te houden noch Exercitie van Religie te hebben het eyghen middel is, om tot een Atheische verwilderinghe te gheraecken,) dan dat ghyluyden den Catholijcken dringet ende nootsaeckt tot een Atheische verwilderinghe? Siet nu of ghyluyden self niet en doet t’gene ghy my wilde oplegghen.
Al anders dan ghyluyden hier spreeckt ende handelt, handelden die Gereformeerden tot Antwerpen in heurluyder Requeste aen den Eersthertoge ende Raden van Staten Anno 78. den xxij. Junij over ghegheven. Want voorwaer die soo luttel arbeyden om die Catholijcken hare Exercitie ende vergaderinghen te doen benemen, dat sy daer oock bewijsen dat verscheyden Religien (sonder tegen Gode of den Landen te misdoen) wel moghen gheoeffent worden, niet alleen in een selve Landt, maer oock in een selve Kercke. Deden sy dit nu uyt arghelist om metter tijdt die machtighste geworden zijnde, d’andere religien soo wel Confessionisch als Catholisch uyt te roeden: wie sal in Protestanten, willende leven nae de Reformatie van’t Euangelie (is nu het Evangelie ooc Gereformeert) sulcke bedrieghlijcke valscheyt mogen prijsen? Deden sy’t dan oock met rechten ernst, wie sal u luyden poogende den Catholijcken heure vergaderinge ende Exercitie henluyden soo heel solemneelijck toe geschreven met macht te doen benemen, moghen ghelooven eens gesindt te zijn in so grooten sake met u broederen in Brabandt? Soo bestonden die Dooperen oock niet lange in eendracht, ende verdeylden sich haeft in een Babylonische verwerringe van veelderleye spraken der Secten.
Het schijnt wel dat ghy ons weygheren, &c. 3 3 p .
Het schijnt oock wel dat ghy siende dat u redenen van’t weygeren daer voor al gestelt, u self niet en vernoegen ende niet en doogen, ghy hier in’t laetst noch wat wilt schijnen te beloven van u saken te verantwoordē, rechts of ghy noch niet heel het licht en vliedet. Maer ghy neemter dach aen. Waerom dat?
V occupatien en moghens niet terstont lijden.
Gaen u luyden dan eenighe occupatien ter herten boven het verantwoorden van uwe Leere? Betaemt u luyden oock eenigh ding meerder? Isset oock yet nutters, ja nootlijckers voor u luyden? Wie mach dat ghelooven, dat ghy’t een ure sout uytstellen u Leere te verdadigen, so ghyluyden wist dat ghy dse macht haddet om doene?
Met my wildy gheen doen met allen hebben. 4 4 q .
Dat komt om dat ghy tot Leyden sulcke lasterlijcke Opinien uyt my hoorde, ende so groote onbescheydenheydt in my bevant dat het u luyden ondraechlijck is: Of het komt door dien ghy bevant dat uwe Opinien niet ghenoeghsaem en zijn om te wederstaen die Waerheydt die over mijn zijde was, ende u den mondt met schaemten stopte. T’eerste sal niemandt, maer t’laetste sal elck, oock ghyluyden selve, moeten bekennen.
Dat ghy geen mijnre brieven meer en denckt te verantwoorden: 5 5 r .
Comt (acht ick) uyt versochtheyt dat ghy’t siet boven u vermoghen te zijn, ende mach u geen onghelijck geven daer inne, dat ghy u niet en wilt onderwinden yet onmogelijcx te bestaen: t’welck vallen soude so ghy met onwaerheyt sout poogen Waerheyt te vernielen. Van sulck voornemen bevrye Godt door onsen Heere Christum, die self die Waerheydt is, u allen ende oock my.

u Dienstwillige D. V. Coornhert.

FINIS. Ll 2











"""Theriakel teghen het venijnighe wroeghschrift by Arent Cornelisz ende Reynier Donteklock"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1630."