II. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"Voorrede. ""Voor-reden. Aen alle onsydighe oprechte liefhebbers der waerheydt."""
"Voorrede. ""Voor-reden. Aen alle onsydighe oprechte liefhebbers der waerheydt."""


VOOR-REDEN.
Aen alle onsydighe oprechte Liefhebbers der Waerheydt.

HET was een wijse verbeeldingh in de oude tyden onser Voorsaten, de Deucht af te malen in de ghedaente van een Maghet, rijck in schoonheyt, ende arm van gewaet; Om uyt te beelden in dese tweesinnighe Schildery, dat de Deucht den ydelen blick van de Wereltsche pomperye veracht . Apelles sulcx schilderende, wiert van een vriendt gevraecht, wat beeldt hy maeckte? Ick schilder, seyde hy, der Goden Godin. Voorwaer een antwoort meer als leerlijc, daer op een verlicht gemoet genoechsame Christelycke bedenckingen can maken, overmits de bewegingen van een Geestelycke schoonheyt, niet min is voor den Goden als de Lichaemelycke voor den Menschen. Appelles dese Godinne door sijne Konstige vinding ‘tgelaet doende hebben in een suyver ende heus gestalt, ’t gesicht aentreckende, maer ’t Lichaem omhangen met afkeerige gescheurde Kleederen, op datmen door die verholentheyt soude bekennen, dat de Deucht alleen eyscht den pronck der Zielen, ende met den smuck des Lichaems, van haer selven sijnde d’Eenvoudige voorsichticheyt, achtse niet minder als de brosse gunsten van versierde Kunsten, daerom niet oneygen noch sonder oorsaec is geseyt, dat diese naect mocht sien, dadelijck van haer schoonheyt soude bevangen wesen. Maer een Hemel Dochter synde, canse niet gheliefkoost worden als met Heylighe zeden, noch vereenigen als met eenen reynen gheest, ende daerom wortse van weynige gezocht, veel min verkregen. De Deucht hebbende die Loffelycke Jalousie dat sy wil eenich ende volcomelyc bemint syn, besittende den wil ende meyning om ’t ghevaer te vlieden van geveynstheyt, niet alleen heersende over die ghebrecken die souden moghen schuylen onder de gunsten van menschelycke swacheyt, maer ooc volstandelijc met haer voeten te verpletteren alle geblinthocte ende openbaere zonde die haer zouden mogen bestryden, om die oorzake is haer kracht vergeleken by een Palmtac, den welcken hoemen hem meer neerwaerts poocht te trecken, hoe hy sich meer om hoog recht, hebbende de Goddelycke Reden als haren eenighen bevel-stock in de hant, daer mede sy op Godes Wetten wijst, ende die alleen bestiert. Met wyze afkeericheyt de vyantsche vertreding aenwijsende, die God ghestelt heeft tusschen ‘theerschende vlees der zonden en salicned’rigen Geest; ja tusschen de verdoemelycke doet en ’t Eeuwighe Leven. Dese Hemel-Godin schijnt dat den Amsteldamschen D. V. Coornhert (van Hendrick Laurensz. Spiegel, in syn Herten-spieghel Deught-heldt genoemt wordende) in syn leven op’t hoochst getracht heeft te believen, sonder eenighsins yemants gunst noch eygen nut te soecken, veel min haet te schromen, ende daerom teghen al syn beschuldigingen niet claerder voor hem spreect als de verantwoording Pauli Act. 24, c. als hy van Felix van de Joden valschelijc voor een oproer-maker beschuldight was, zonder dat sy’t conden bewysen, dede onder ander syne belyding aldus: Dat ic na den eysch van dese Leere, die sy een Secte noemen, den God onser Vaderen diene; ende dat ic alles geloove wat inde Wet ende Propheten gheschreven staet, ende dat ic op God hope hebbe


(het welcke sy selve mede verwachten) datter sal zijn een opstandighe der Dooden, beyde der rechtvaerdighen ende onrechtvaerdigen, ende hier in oeffene ic my dat ic altijt een onbevlecte conscientie heb voor Godt ende de Menschen. Met dese belyding heeft Coornhert ooc getracht zijnen even naesten ende zijn lieve vaderlant als sich selvē in raet ende daet elck vorderlijc ende niemant schadelijc, alcx rust ende niemants onrust te wesen; waer door desen Deuchts-vriendt in eenen onversoenlijcken haet is ghecomen by meest alle ghesintheden, voornamelyc by die conscientie-dwang zochten in te voeren, daer hy sic hopt alderyverigst tegen de hoochste verstanden so Werelts als Gheestelijc heeft durven canten, als blijct aen Iustum Lipsium, dies hy meermalen versocht mondelings over urae & seca te spreken, mede betuyghende voor Godt, dat dit Ketter-doodens ghevoelen d’eerste oorsake is geweest dat hy de penne teghen Calvijn ende Beza in de hant heeft ghenomen , magnanimus verum & libre eloqui amat. daerom ooc tot dienst zijns lieve vaderlants de Politica Lipsi, Calvini en Bezae Ketterstraf, so grondig als bondich wederleyt, ende in sijn twee Vryburghse Synoden samen vernieticht, welcke Schriften neffens meer andere daer toe dienstich nu eenen gheruymen tydt door onderdrucking der boose ende versterf der vrome, nauwelycx meer ghevonden noch ghelesen worden, hoewel in dese tyden ende Landen op’t hoochst noodich, also voor oft na zijnen tyt niemant ons wetens daerin so veel gearbeyt, noch so naect dit helsche monster ontleedt heeft, achten’t derhalven Godsdienstigh te zijn synen arbeydt door den druck wederom ghemeen te maecken, ghedenckende als Seneca Epist. 79 wel seyt, dat den tyt och comen sal, die de begravene, ende door boosheyt hares tijts ondergedruckte waerheyt aen den dach sal brenghen, ende al ist dat de nydicheyt doet suyghen, alle die tot uwer tijt leven, daer zullender noch comen, die zonder gunst of tongunst zullen oordeelen. Met welc oordeel Coornherts Schriften voor Waerheyts Liefhebbers tot de alghemeene lants welstant, niet alleē meest nut connē doe, maer ooc om voor alle omsichtige Religieusē seer naect te bethoonen, dat yeder in al zijne driften so vast niet gaet, of men cander in missen. Gelijc Lipsius teghen H. L. Spiegel bekende, so hy nochmalen met Coornhert te twisten had, mathiger soude zijn, deur den windt der affectien verruct zijnde, bevont sich wankel op dē wech van stantvasticheyt. Daerom Coornhert ooc altijt verstont dat elck-ander so gunstich behoorden te verdraghen, alsmen gaerne verdraghen oft geleden ware, immers heeft hy mede ergens in gedoolt, andere doolen ooc so en hebben die ooc niet altyt de waerheyt, welcke om andere te lasteren vaerdighst sijn, noch die seggen terstont niet beter die’t bitterst berispen, ende om dat doolen menschelijc is, selden gout sonder schuym, oft licht sonder schaduwe sijnde, so can men in sijn schriften, als van allen anderen ’t onsmakelijc verby gaen: Ia veyliger, also andre meest voor Kercstichters of Wettighe Ick-Heeren willen erkent wesen. Hy Coornhert alle zijne schriften maer onder verbetering stellende, draeghtse niemant op als onfeylbare Wetten, maer waerschout veel eer voor Warheyts Kennis niet te oordeelen, veel min te ghelooven, heeft daerom in de nare nacht van Ziel-verderfflijcke Duysternissen, sijn oprechtigheyts lichten ontsteken aen Deughts getrouwe stralen, ende gestelt op de Waerjeyts Kroon so van Eenvoudighe als voorsichtige Heerschappy. Die-Ryck Vol Kaersen de doetse ten claersten tot Bakens branden, om der Landen ende Luyden heylsaem-voedende Coren-Hert elyck aen te wysen,


a ls ooc voor de redelose sucht van Conscientie-dwangh te waerschouwen, sulcx doende niet alleen naer de Wet der natueren, als AEneas sijnen Vader draghende sijnen zone aen de hant leyde, om beyde alst naeste bloet uyt den brant te verlossen, maer ooc naer der Schriftuere als den verachten Samorit aen sijnen behoeftighen, doch niet min onbekenden als half dootlijc geschenden naesten. Ooc in sijn ommegang niet anders uytbeeldende, tot deugts oeffening, alst belevē der Acht salighedē, Mat. 5. daer Chritus lydens vervolging om de gerechtigheyt mede salight. Coornh . met sekerheyts onsydighen Passer, wijsende niet op hem of sijne Leere, maer met het een point op de Deught selfs, met d’ander point op Godes Wetten, daer in het kennen des levendigen Gods en synen gesonden Christum, neffens de Liefde (als zielde des Christendoms) blijcken wisse merck-tekenen der Kinderen Gods te sijn, verrijct met Duyfsche onnoselheyt, die de Serpentijnsche voorsichtigheyt door den Olijf-tack van vrede, als der Christenen opperkleet, in eeuwige rust van Hoop, Geloof en Liefde verknocht hout. 1 1 Naer ’t eendrachtig samen stemmen veler kerken. Beza in sijn ketterstraf fol. 41. De Predocanten hebbē de kennis der ketteryen fol. 166. alsdan comt d’overheyt toe niemant met meerder vlyt uyt dit leven te stoten, fol. 123, 107. wie een ketter is blyckt 195, 203. te Franeker ghedruct, verduytst door G. Geldorp ende J. Bogerman, Preses in’t Dortse Natio. Synodus, seggende inde voorredē, haer dit boeck als een borst-wapen dient van niet anders te gevoelen. Om sulcke ende dergelijcke milde uyt-deelinghen van Godvruchtigheyts Oly te gieten in de wonden van zonden der half vermoorde zielen, (om alsoo niet waenlijck, maer waerlijck te doen genesen (is Koornh. Van veele dese tyts Wet-kundighe Priesters, ende Levijtsche Schrift-geleerde, niet alleen met schijn-proncx-heyl voorby gegaen, noch vernoeght, datse haren natuerlijcken mede-knecht selfs op’t lijf vielen, met dese vinnichste bejegeningen van Hollandsche Boeve, Rasenden Hondt, Onbesneden Goliath, aenblaser des Satans, Prins der Libertijnen, die den Vryen wille uyter Hellen brocht. Smit van alle Ketteryen, oproerighen Teudas, of Judas, ende sulcx als meer blijct in druc teghen hem uyt-ghegalt: (Verghetende niet alleen Calv. Leere in sijn declaration pag. 88. Dat lastren een claer teken is van een vrevel gemoet: Ende so Milevitanus wel seyt: Mach yemant ooc Godvruchtich teghen God syn, die wreet en quaetsprekent tegen synen naesten is?) Maer sommige hebben’t gewelt so verre misbruyct, datmen Koornh. ’t Gemeene recht van vrome Luyden heeft ontseyt, om in de Stadt Delft te moghen plaetsen. Andere met onrijper oordeel vaerdigh, datmen hem behoorde ghevanckelyc te sluyten op’t Huys te Muyden, of elders, ja datmen hem als een Ketter behoorden te straffen, dats niet half doot te laten liggen, * maer den Raet om Lijf ende ziel ontydig t’samen te vermoorden (als Servet binnen Geneven) ende dit puyrlijc alleen om sake van Religie, gedisputeert hebbende int openbaer met de Delfsche Predicanten, tot Leyden, ende in den Hage, ter Ordonnantie vande H. H. Staten, ende Prince Wilhem van Orangie h.l.m. doch dese hem en de nature van’t Lant beter kennende, neyghden tot sulcken Tyrannye niet, soo Cor. Ad. Boomg. tuygt. Echter slijt den laster tegē hem niet, gevoyt sijnde, of door onverstant, of opgesette boosheyt, dat sulcken orderlosen ydelen CAf-geswerm van dese Helsche duysterheyt ‘tgoede Koorens schult is, dat nochtans stillekens tot elcx behulp op den gront sijn rust soect te houden, ick segghe op den gront van Waerheyt ende ’t lieve Vaderlant, ‘twelc niet eygender is, als naer den Lichame de loffelijcke Out-hergebrachte Privilegiën, ende na der zielen, voor God sonder dwang in geloofs vryheyt te leven. Dit heeft Coornhert voor’t gemeen op’t snuggerste met Redens-bant omgort sijnde, niet alleen bearbeyt ende voorgestaen, maer ooc de Lantsaten gewaerschout, (sulcx als door een verrekijcker voorsiende)


dat so men daer niet tydelyc in voorsach, onveyligher waren met de nieuwe Conscientiedwingers, die men nu in ’s Lants boesem koesterde, als met de Oude aenhitsers, waer door den Koning sijne Landen verlooren had. Dies heeft Coornh. ooc by de Heeren van Haerlem aenghesocht: (op maniere van den Venetiaen hare wichtichste Lant-saken:) Pro & contra in den vollen Raet van Staten, teghen de grootste bet-weters die met gewetens dwang-lust swanger gingen op den Effenaer van Reden te wicken, daer by voeghende, indien dan dese aengheheven dwang der Conscientien recht is, door onrecht wederspreken, gheensins sal onrecht worden: blyct sy dan ooc onrecht, men wil immers geen verbeteringhe van saken uyt-sluyten. Maer in plaets van oyt daer toe te connen comen, hielden haer alt’samen voor hem schuyl, achter ‘theyl-lege schijn-deughts momaensicht, van dat oneyndelijcke Theologische verschillen, den voortocht mosten hebben, eermen aen den hinderhalt van’t Ketter-dooden wilde comen, hem aenclagher also uytsluyps-Wetten stellende, om dat vuyltjen gheen ontydighe gheboorte te doen hebben. 1 1 Ghelijck’t ’t slaepent oog blintheyt, alsoo d’opē oog voorsichtigheydt, ende de slincse hāt ontrou de rechte hāt trou behoudenis beduyt. Ondertusschen arbeydende in plaets van verantwoorden, hare wroeg-sucht met de slincksche hant gespitsten Scepter te verdedighen, tot verdruckingh van haren even-naesten, ende met het domme Overheyts swaerdt (’t slapent oogh op ’t punt) d’oude Wetten van de alghemeene vryheyt te vernielen, also d’Overheyt soeckende diets te maken, dat den slangs-Kop op’t hantvest van’t verkeerde Swaerdt voorsichticheyt, ende ’t Swaerts-kruys, ’t opper-gesach der Christ-gelijcke Religie beduyt, daer alle Privilegien om moghen, ja ter noot om moeten verscheurt ende ontzegelt aen ten toon ghehanghen worden: volghens dien Vryheyts-Hoedt gheoorloft te schenden, om also den heelen Aertbodem naer elcx Overheyts Religie een moort-kuyl over Godsdienstighe Zielen te maken; 2 2 By de Romeynen plach niemant een Hoedt te moghen draghen als vrye Luyden. Sulcx Coornh. als met den voet achter uyt vertreet, ende verdedight den Scepter des rechter hants op’t spits, en ’t Overheyts Swaert met een wakend oog op’t tip, samen verknocht met de Kroon van oppergesach , om niet min ’s Lants hoogheyt als vrydom te beschermen, de goede voor te staen, ’t uyterlijc quaet tot krencking van den staet of synen even-naesten te straffen, ende also de Hoedt der algemeene vryheyt onder de bezegelde Privilegien, 3 3 Leeuwsaert is niemant te haten als sijn tergers, Onder veel vervolgers kent zynen quetser tot verghelding. Moetēde vechten, schuylt niet, maer stelt hem inde middelplaets. Gaende, doet sijn eerstē stap met den rechten voet. Slaept met open oogen, ende lydt gheen Heerschers over hem, &c. Gelyck den Hondt niet alleen ter wacht waerschouwende, tot in der doot getrou is, maer oock dubbel gehertst aen sijns Heeren zyde staende, so oock Deughts-Helden, Godt en ’t natuerlyck Recht aen haer zyde hebben met gelijckheyts Balans in rust te houden. Dit doorluchtig hemels verstant schijnt Coornh . natuerlijc ingedruct te sijn met het Zegel-Wapen van sijne geboorte-stadt, voerende dry onderlinge witte Cruycen (Christenen) op swarte grondt (nydt) gaende steyl door’t roode Velt (verlossinge) geplaetst inden Hulck van ’s Lants welvaren, gemant met geharnaste Ridders van Leeuwsche dapperheyt , tusschen beyden den overboort kijckenden Hondt van ghetrouwicheyt, int midden den mast van onsydigheyt toe ghetakelt met het Want van Eendrachticheyt, voerende de Vlagh van oprechtigheyt, ende dat alleen om op den waelbaren Y-stroom van Willekeurs-Rechten door’t stuer van voorsichtigheyt te Havenen aen ’t beloofde Landt van Alghemeene Vryheydt. Blyckelyc synde dat d’eerste stichters van dit Wapen oprechte Deughds-Helden gheweest syn, daer in te kennen ghevende haer onderling suyver, ja heyligh verbondt teghen alle ordenloose Heerschingh haerer vyanden, om als in een Schip ter Woester Zee, daer de kneusende Klippen voor ooghen, elcx hert doet ysen, d’ongestuymheyt der briessende Golven door eenen verbolghden storm ’t Schip dreyght te vernielen, ende boven dat den vyandt naerderende, om by overwel-


ding t’samen in een tyrannighe slavernye te moeten vallen, alsdan worter gantsch gheen overslach gemaect wat Geloove het volc int Schip heeft (’t welc alst Godsdienstich ware dan op’t hoochst vereyschten om’t ongeloof over boort te werpen) maer wat tegenweer ter behoudenis datmen can te weghe brengen, ja al waren’t dan d’aldergolooste menschen ter Werelt, alsmen door sulcke Leeuwen-krachts getrouwe hulp, e n door eenparige Scheepsgeoorsaemheyt, lijf en goet t’samen bewaerden, soudent al lieve vrienden wesen (gelijc ooc ’t Amsteldamsche wapen buyten ’t Hulc met 2. Leewen verselt synde getuygt, en de H. Staten aen Ernestus A o . 1594. antwoordē, den oorlog voor de Vryheyt der Privilegiē, ende bescherm der Conscientien, teghen de Spaensche heersching hadden aen-ghenomen. Siet E. de Meter. 6. Boeck, Fol. 124. 125. 126. 128. 129. Noch in de Leydtsche Remonstrantie , Anno 1582. ende Anno 1617, de Staten in hare verclaringhe, dat langen tijdt de Wapenen waren gevoert voor de Vryheyt ende Conscientie selfs, ooc eenen gheruymen tydt naer’t aen-gaen van de Unie t’Uytert, daer na Godt de Landen ghezegent met het vrywillich aennemen vande Christelijcke Evangelische Religie. Dit blijct dat de H. H. Staten Anno 1575. op haren Penning sloeghen: Libertas aurea cuius moderatur habenas ratio. Ende de H. van Leyden in’t beleg: Hec Libertatis ergo , in weerwil van sommighe Predicanten, die versochten daer op ghestelt te worden: Hec Religionis ergo.) Soudt dan niet gantsch onredelijc sijn in stilte, ter behoudenis datmen d’een den anderen om Godsdienstigh Gheloove sach verjaghen (insonderheydt als God tijt gaf om sulcke by-gheloovighe oft Godloose Menschen, door heylsaeme vermaninghen, ende een Christelijc onsydigh leven Godlijc te maken) ende by andere ongheleghentheyt sulcke verjaeghde eerst onse noodt-hulpers quyt te sijn, oft als vyanden dan teghen te hebben, volgens dien door swacheyt ons selven niet connende redden, mede mosten verlooren gaen? E n daerom seerwyselijc dit Amstels Wapen vertoont, dat sulcke nydighe swarte gronden , ende met het roode Wapen-veldt haer bloedigh overwin, ende duur-ghekoste verlossing, tot een Zege-teycken ten thoon stellen, als verkreghen sijnde door sulcke oprechte Leeuwen-herten, ende so onsydighe verdraeghsame als ghetrouwe Bescherms-Heeren. Daer mede sy alle ghemoederen, hoe Barbarisch die soude moghen wesen overtuyghen, ende met haer Vaderlijcke bejegheninghen alle ghesintheden winnen ende uyt Liefde, in plaets van Eedt, aen haer verbinden. Sulckx is ghevest-grondt op de verclaring der H. H. Staten aen Amsteldam, dat sy altijt, alsnoch verclaren: de Wapenen noyt aenghenomen te hebben om de Religie; Noch hare intentie niet te sijn yemand in sijne Conscientie of tot hun Religie te dwinghen, wel te vreden sijnde die van Amsteldam te laten de vrye dispositie op ’t stuck van Religie in den haeren sulcx sy te rade vinden, oft tot gherusticheyt der Conscientien ende van de Gemeente te dienen, den 17. Octob. Anno 76. Hier toe dan ’t Amsteldamsche Wapen niet alleen een Goude Vryheyds triumphs-pronck sijnde, maer ooc eenen Privilegie-Spieghel voor de alghemeene onderdanen, vertoonende d’eene Cruys onder d’ander te staen in een goede Ordre, ende dat het ghetal van drie een volcomentheyt uyt-beeldt, leert ooc also alle Christ-geloovige den anderen, naer den aert der Liefden, te verdraghen, ende elck ander voor ’t uyterlijc ghewelt beschermende, eenen onoverwinlijcken staet te maken, d’een ghesintheyt niet


minder als d’ander, tot salicheyt van haer Ziele, ten bloede voor haer gheloof ghewillich sijnde te storten ende effen gaerne tot ghemeene Vryheydt souden beschermt wesen. So is’t oock niet oneyghen dat den Keyser Maximiliaen Anno 1400. als Godt op der aerden, sulcke eyghenschappen in dit Christenheydts-Wapen be-ooghende. ‘tSelfde alleen waerdigh geoordeelt heeft te verheerlijcken met zijne Kroon van Opperghesach als te kennen ghevende, ghelijc Godt dees Kroon ghegheven heeft tot ’s Werelts Heerschappye, soo heeftse den Keyser vereert tot alghemeene rust op dit Christenheyds-Wapen, om daer mede alle Staten van Menschen d’Overheydt onderdanich te maken, haer sonder onderscheydt als goede Menschen, (niet als geloovigen) beschermende, ende de quaet-doenders sonder aensien van Religie te straffen, Rom. 13. Act, 18. 13. 19. 38. 25. 15. 25. 26.30. volghende daer in ’t verstandt van sijnen voorsaet Adrianus Anno 119. die niet toe-liet, dat een Christen die onschuldich was van eenighe misdaedt, sonder oordeel oft recht moght ghedoodt worden. Mede schrijft Keyser Constantinus Anno 310. aen den Paus, dat hy niemandt met gewelt tot het gheloof dwinghen wilde, maer alleen vermanen, ende Godt het oordeel bevelen. Anno 365. Keyser Iovinianus versocht synde van de Bisschhoppen, dat hy soude uyt de Kerck drijven, die eenen anderen Christum dichten, liet haer Requeste onbeantwoort: Alleen seggende, ick hate de twisten, ende die tot eendracht arbeyden, die lieve ick, ende eere de selve. Anno. 368. was Keyser Valentinianus den Vaderen van Nicena wel behulpich, die met hem ghesint waren, maer die een ander ghesintheyt hadden, niet overlastich. Waer door allencxkens vermaert wiert dat hy Catholijc sich so onsydich droegh tusschen verscheyden Religien. ’t Blijckt oock dat nae Keyser Maximiliaen , volghens Coornherts voorstel tot onse tyden toe, gheduerich sulck Mensch-lievent ende verdraechsaem verstandt onder de grootste Werelt-wijse Heerschers is geweest, doch om cortheyt veel hondert Jaeren over stappende, come tot ANNO 1449. alsdoen bevestighden Keyser Frederick het Concilium tot Basel, daer in besloten was, dat den Paus het Concilium onderworpen ende ghehoorsaem soude sijn, ende alle 10. Iaren een Concilium te sullen houden, mede dat voortaen alle verstandige ende gheleerde Luyden die macht ende vryheyt ghebruycken moghten, om sonder eenige vreese, vry int openbaer haer meyninghe uyt te spreecken ende te bewijsen. ’t Had Coornhert oft sulck verstandt doen ooc vry ghestaen daer ter proeve te comen, waerom niet in sijne ende dese Eeuwe? Anno 1562. Antwoorde Stephanus Pools Coningh aen die van Dantzinck aldus: Het en behoort my niet toe de Conscientie te reformeren, ooc nu ende hier naemaels toelaten, &c. Ic sie datter veelderley gheloovens in Polen sijn, ic wil dat oncruydt laten op-wassen, ende Godt in den tydt des Oogsts ’t selve bewaren laten, wetende dat dit den Mensche niet toe comt, ende dat het ghetal der gheloovighen ende vromen seer cleyn wesen sal. Dit bevestight Christiaen der Saxcen Vorst Anno. 1608. teghen Stephanus Rex Polonie recht ghesproocken, ego sum Rex populorum, & non conscientiarum. Anno. 1574. riet Keyser Maximiliaen den Coningh van Vrancrijc Henry de Valoys tot Vrede, segghende: dat de ghene die met de conscientie te forceren meynden den Hemel te winne, verlooren dickwils ’t gheen sy op aerden bezaten. Anno. 1578. oft


daer ontrent sprack den Cantzelier van Vranckrijc voor des Conincx vergaderingh, dat de ongheschictheyt van de Roomsche Kerck oorsaec is gheweest van de Ketteryen, dat quaede remedien die selve hebben versterct, dat die Wapenen van Liefde ende een goet leven meer predict dan woorden, ende dat het swaert luttel vermach tegen den gheest, ten ware dan om Lijf ende Ziele samen te verderven. Arennius der Gereformeerden Orateur seyt, den Coning behoort daerom alle syne Onderdanen te omhelsen met ghemeene Liefde, ende dat in de aldergrootste ende treffelijckste saken, te weten inde Religie, die so diep wortelt in de herten dre menschen, dat die eendracht anders nergens vaster noch bestandigher plaets mach grijpen, &c. Ne en mach daer geen vaste eendracht wesen, ten sy dat al de Borgheren genieten Gelijckheyt , ende fat aldermeest in Religions-saecken. D’onghelijckheydt onder den Burgheren is van alle wijze Politici ghenoemt een Pstilentie inde Republijcke. Anno 1589. seyde Henricus de 4. Frans Coningh wel, ter weten, datmen niet over de gemoederen als lichamen heerschen moght, maer datmen d’Edele gemoederen aenstoocte, alsmense met ghewelt wilde aengrijpen, in’t teghen-deel datmen den verdoolden met reden ende bescheyt op den rechten wegh moste brengen. Hy den Paus antwoordende seyde, datmen toe most sien dat God noch niet beleieft en heeft dat’t selfde gheschiede al op een maniere, dat het ten minsten gheschiede al met een intentie, ende dat met sodanighe ordre ende reghel, dat daerom onder haer gheen trouble noch beroerte en sy noch onstae. Mede als de Hughenoten hart aenhielden dat hy stantvastich soude blyven by sijne Religie, antwoorde: O dwase Menschen, die ‘tghene sy voor haer selven vry willen hebben, haren eygen Coning niet vrywillen laten. A o . 1600. verclaert Iacobus Coning van Groot-Brittanien over Apocal. cap. 20. Het omringen der Heylighen, &c. beduyt vervolging. ’t Welc een merckteecken is van de valsche Kercke. Niet minder bleeck sulcx in onsen Oorloghschen Vrede-vorst Wilhelmus Prince van Orangien, sijnde eerste herstelder der gheschende Privilegien ende Conscientie-vryheden in dese Nederlanden. Segghende, dat van alle tyden het bloet der Martelaren gheweest is het Zaet der Kercken. Anno 1566. stelt P. Bor ‘t 2. 9. 12. Artijckel des Antwerpsen accoorts in te houden, dat alle Predicanten van wat Religion die sijn, haer sullen onthouden van alderley laster ende schimp-woorden, ende generalijckalle seditieuse ende oproerighe propoosten, het ware tegen de Magistraet oft straffinghe der ongheschicter manieren van leven voor sulcx niet sal ghehouden worden, dat niemant elckander om de diversiteyt sijnder Religie sal moghen bespotten, beletten, beschadighen, noch overlasten in gheender manieren, maer elck den anderen sal moeten helpen ende bystaen, soo verre hem overlast ende ongelijc aenghedaen ware. ‘tSelfde Accoort is Anno 1566. door den Prins H. L. G. binnen Antwerpen doen publiceren, tot ontlastinghe van de Inquisitie ende felle Placcaten. Int selfde Jaer int tweede Accoort tot Uytrecht verbiet Prins Wilhelm alle Predicanten, so vande oude als nieuwe Religie, in maniere als boven, op pene van het Predick-Ampt te moeten verlaten, ende arbitrelijcken ghestraft te worden. Die meer vande vryheyt wil weten, die lese Bor , I. Boeck, Fol. 30. Tweede Boeck, Fol. 44. 50. 53. 55. 56. 61. 72. Derde Boeck, Fol. 84. 86. 98. 99. 123.


Dat dit Predicken niet alleen van twee Religien verstaen wort, blijct Anno 1576. den selven Prins aen de stadt Middelborch schrijvende int 27. Artijckelvoor de Doopsghesinde, dat den Oorlogh om de vryheyt van de Conscientien was ghevoert teghen den Coning van Spagnien, dat die verkregen sijnde, onbehoorlijc soude zijn, die den Dooperen af te nemen, die de selve met Schattinghen ende andere lasten te draghen, in perijckel haers lijfs ende leven hebben helpen winnen. Dits Anno 1593. by syn Excell. Prins Maurits geconfirmeert. Mede onder sijn regeering Anno 1619. t’Aerdenborch een Doopsgesint Leeraer Frans de Knuyt door last der H. H. Staten Generael weder los ghelaen. Prins Wilm. L. M. spreect noch in sijne Apologie voorsichtich aldus: So en sijn wy in de oprechte Christelijcke Religie soo onervaren niet, dat wy niet en souden weten, hoe dat alle dese banden der Conscientien vande Menschen ghedraeyt, gheensins en deughen, om yemant daer mede voor God te binden. Item, wat prijs oft loon van onse langhduerighe moeyte ende arbeyt tot in onsen Ouderdom, ende met verlies van al onse goederen, connen wy anders verwachten, dan dat wy begeeren selfs, met onsen bloede soo’t noot is V. L. een vryheyt te gewinnen ende te coopen. ‘tWelc hy ooc met sijn niet min Edele als vrome ziele bezegelt, naer dat hy verradelijc geschoten was van den Iudas Balthazar Gerearts , in syn uyterste Godt biddende sijn ziele ende ’t arm volck genadich te wesen. Siet Ed. de Veer, fol. 158. 14. deel, ooc Bor. Behalven dat hy voor de Nederlanden sijnen af-ghesloofden ouderdom als eenen Phoenix met nieuwe krachten doet herleven in sijne 2. zonen daer van Prins Maurits L. M. t’synen tyden Oorloghs wonder geweest sijnde, door den wijsen Lants-raet, heeft na veel victorien voor de Nederlanden eenen 12. Iarigen Treves verworven, onder den Tytel als vrye Landen, ende naer Maurits af-lyvigheyt, synen jongsten zoone, onsen ingeboren Prins Frederick Henderick , niet minder de vryheyt Patriaeque Patriaeque , schijnt te leven (so als Iupijns blixem de Hemel-stormende Reusen ) met de Wapenen alles plettende van’t gene hy tegen des Vaderlandts algemeenen vyan voorneemt. Waer door neygich achtende ’t selfde in vrede te brengen met recht syn Naem lofwaerdig aenmelt, te weten in Vrede-rijc, is hende by, als in hem selven rijck, alsoo vrede rust baert: ende rust begeertens eynde. ofte in Vrede rijck met de vereenichde Nederlanden, ende Hende-rijck in Oorloch teghen syne vyanden, sijne krachten hende by hebbende, mits de goede saeck, ’t kloec wel geoeffent beleyt, ende Eemdrachts macht, daer God hem vorder in zegene. so dat L. M. Prins Wilms getrouwigheyt voor de vereenichde vryheyts Nederlanden, niet alleen in syn leven dus langh, maer na zijn doot opt hoogst ende sekerts blijct, des niet tegenstaende soo heeft desen gheexperimenteersten Prins in de geheele Christenheyt in saken van State (so Bor tuyght) evenwel om syne onsydige goedertierenheyt de vinnighe Pijlen van eenighe Kerckelijcke persoonen in zijn leven niet min als Coornhert connen ontgaen. Daer tegen hy eens clagende seyde: Ce ne sont que 4. ou 5 meschants Ministres qui nous font touts ces troubles. ‘tGevolgh blijct in’t antwoort der E. Heren Staten Anno 1587. aen de Predicanten an wghen haer Delfsche Synodus, beginnende aldus: Alle vrome Christenen ende goede Patriotten hebben meer als reden om neffens de Staten bedroeft te zijn, &c. Dat het voordeel op onse alghemeene vyanden des Vaderlants nu in de vier voorleden Iaren inde Kercke Christi gesluyt is, &c. Ende dat door eenige groote personagien, onder pretext vande Gereformeerde Religie, &c. Die aen haer syde eenighe voornaemste Dienaeren des G. Woorts krygende, het vyer van tweedracht so hebben gestooct


dat sy int openbaer als onder de hant, niet anders en hebben ghetracht dan om mijn H. de Prins van Orangien ende H. Staten, &c. onder de goede Gemeente in haet, op-spraec ende nadencken te brengen, &c. Ende daernaer de steden in haer gewelt wesende den gemeenen vyant over gelevert, &c. staet te vreesen dat veele andere so wel Kerckelijcke als Wereltlijcke onder voorsz. pretext van Religie sulcke verderf-voncken mede in Hollant, Zeelant, ende andere vereenighde Provincien verspreyt hebben. Siet noch Ema. de Met. Fol. 273. Calum. 4. Fol. 291. ende 262. Anno 88. Daer by men dichtelijc can af-meten wat Helsche vruchten voort comen uyt blinde sydigheydt, die men meest onder de driftichste Religions-personen siet schuylen, ’t sy dan dat haer onnoselheyt door snode menschen ingeven verleyt is, haren yver als Godsdienstich wel meynen, oft datse onder dat Engel-schijnende mom-aensicht in eens anders Religie den hypocrijt maken, om also naer Coningen ende Princen haer leven te staen, ende daer door de Lantregeeringhe d’onderste boven te keeren, sonder aensien van Privilegien ofte Wettighe Willekeuren. Welc alle Menschen buyten sucht van Religie in gezont oordeel staende, elc van andre sijn daet opt sekerst weet, niet alleen qualijc gedaen te sijn, maer ooc ‘tquaet gevolgh daer uyt oordeelen, als by Exempel dat alle Gereformeerde sullen vervloecken de Boscruyt-mijne onder de Raet-plaets van Engelant, de Monick-moort aen den Coning van Vrancrijck Hendrick den 3. Ende aen onsen Prins Wilm geschiet, daer de Catholijcken nochtans op gloriëren, in een Lof-boecxken gedruct te Douay, met Privilegie, ende geapprobeert by Guill. Estius; S. Theod. Doctor. Inhoudende onder ander grouwelen aldus: wy behooren dan grootelijcx te dancken dese souveraine providentie hem (den Prins) niet langer heeft laten leven, ons verweckende in den wel geluckigē Balthazar Geraerts een nieuwen Aod, &c. geraect vanden heyligen yver, brandende van ware Liefde tot het Huys Gods, &c. Desen B. Geraerts was wel waerdig langer te leven, maer God die dese saecke heeft beleydt, &c. gheliefden hem wech te nemen, &c. om hem in de Hemelen so veel grooter loon te geven, &c. Door welcke overgroote voorsienigheyt Gods, sijne ( B. Ger ) memorie eeuwelijc sy gebenedyt, en God de glorie e n Eere, tot groot-making van sijne Catholijcke Ro. kerck. Siet Bor A o . 84. So datmen met recht wel seggen mach dat het een groote laster was als de Duyvel sprac: Ic wil opstygē om God gelijc te sijn, maer grooter laster ist, datmen God maect te seggen: Ick wil nederwaerts dalen om den Duyvel gelijc te sijn, ‘twelc gebeurt alsmen de religie oorsaec maect tot oproer, verradery, ende Princenmoordery. Dit sullen de Cathol. Willigh toestemmen over de Lycesterse tyden, mede als Poltrot Duc de Guise voor Orliens doorschoot; Ende Felton den Hertogh van Bockingam. Ia tot meerder bewijs van’t alderonghestadichste der Kerckelycke (alle vrome zielen onder alle religien uytgesondert) diemen siet veranderen naer der tyden loop tegen haer eygen opstel, als blyct Anno 1578: so Bor tuyght, de reformatie in haer eerst request aen sijne Hoogheyt ende Raet van Staten. Op’t breetst met bondige reden vertoonen, hoe haer de Catholycken t’onrecht waentrouden geen goede Patriotten te sijn, &c. Mede, tot rust inde Nederlanden 2. religien ‘theylsaemst, niet alleen Catholycken met Reformeerden in Polen en elders, maer ooc Luthersche, Joden, en Mahometisten samen in rust leefden, &c. Nu ter contrarie waentrouwen de Calvinisten ommer s oseer de Remonstranten, die immer min van haer als de Catholycken (die nu verswyge) verschilden. Syn evenwel so verre vervallen datse Synodaliter durven versoecken ’t vernieuwen der Placcaten tegen de selfde quansuys tot rust der Landen, ende vast-stelling der Religie.


’t Welck soo’t gheenen Cains haet is, soo schijnt datse Godt haer Religie niet vertrouwen, als oft syn Waerheydt haer niet en conde bevryen, noch de Magistraten de Policie, als oftse niet wijs ghenoegh waren om een roede te maken, te besighen, ende weder te doen rusten oft verbreken. Mede blijct sulcx aen de Catholijcken in Enghelant, Conscientie-vryheyt versoeckende, segghende onder ander van alle d’ellenden, geen so groot te sijn als de Conscientie der Menschen te dwingen in pointen ende vryheden der Religie, blijckende also dat den verstocten blinden yver van Religie, den mensch so verre verruct, datter niet so wel gheseyt oft gheset oft ghedaen wort oft sy durvent op’t hatelijck berispen, ende selfs niet so Godloos bedencken, oft poghent halstarrich te verantwoorden, want dit Geslacht en is by na gheen Wet noch Geestelijc noch Wereltlijc onderworpen, maer al watse willen is heylich. Over sulcx op sulcke losse Drift-zanden gheen regheeringh te bouwen zijnde, can gheen beter ghevonden worden als den keur uyt de rijckste, redelijckste, ende ghequalificeerste Ingheboorene. Ghelijc d’eerste gront-legghers der opgheheven vryheyt met groote reden so beslooten hebben, sonder aensien van Religie. Door welcke heylsame Ordre dese Landen (als herberghe van alle verdructe ghemoederen) meer als gheluckich sijn geworden, ende eeuwich sullen blyven soo langhes y sulcke redelijcke Over-heeren moghen hebben, alleen onsydich oordeelende ende rechtende in’t ghene sy buyten Religie onfeylbaer weten uyterlijc goet oft quaet te wesen. Anders geen insichten vontmen Anno 79. in’t Vertoogh van Hertogh Matthias. Neffens de Generale Staten in den Vrede-handel tot Ceulen Anno 81. tot Delft gedruct, behalven ontallijcke meer Passagien fol. 38. aldus: Den Artijckel van Religie is den swaersten van allen, mits dat de Religie niet den Mensche, maer Godt aengaet, ende moet niet den Mensche, maer Godt bewesen worden, ende den selven is den Coning soo wel onderworpen als’t volck, beyde hopen oft vreesen sy, beyde ooc naer’t beleven haerder Religie of’t eeuwighe leven of d’eeuwighe doot, also begeeren ooc beyde so den Coning alst volck, Gode te dienen naer haer Consciëntie. Noch Ellert de Veer Anno 82. de Staten Generael den Coningh af-sweerende, segghen onder ander, in stede van zijn Ondersaten te beschermen, de selve soect te verdrucken, t’overlasten, hare Oude Vryheyt, Privilegien ende out hercomen te benemen, ende haer te ghebieden ende ghebruycken als slaven: Daerom meot ghehouden worden niet als Prince, maer als een Tyran, &c. Ende besonder aenmerckende dat hy niet alleenlijc socht te tyranniseren over haer Persoonen ende Goet, maer ooc over haer Conscientien, waer van sy verstonden niemant dan aen Godt alleen ghebonden waeren reeckenschap te gheven oft te verantwoorden.
Item, Mete. Anno 90. int stuck vande Religie, daer de LAnt-regeeringe veel aen gelegen is (seggen de H. H. Staen Generael) dat sy altijdt opsicht ghehadt hebben te volghen de redelijcke Resolutie vande Staten der Generale Nederlanden. Ten tyden van wylen Wilhelm Prins van Orangien, na-comende de Religionsvrede, hebbende eenen grouwel dat de Menschen souden dencken de Conscientie te dwinghen anders dan met goede leeringhe, goede wercken, oft leven en gebeden . Ende bevindende de Gereformeerde wel de yverichste tot de vryheyt ende welstant des Vaderlants, mits dat sy by ghelijcke persecutie van de Spagniaerts aen den anderen gehecht waren, so hebben de Landen op die meest haer Fondament gemaect, dan staet en regeeringe bestaende in so vele Hoofden ende Gesintheden, hebben sy


Ghesocht ende getracht sulcke verscheyden Ghesintheden van Opinien al te vereenighen tot Deuchde ende Liefde des Vaderlants, daer sy principalijc d’ooghen op hadden om haer staende Oorlogen. Meter. 1. Editie. 16. Boeck, Fol. 304. Int Tractaet des vredehandels tpt Coln spreken de H. Staten door haren Annoteerder, 1 1 Geweest sijnde Aggeus van Albada, Doctot in beyde rechten, Orator ende taelman in desen handel tot Collen. onder menichvuldighe Wederleggingen des Conscientie-dwanghs aldus: Daerom ghy Princen wilt niet ghelooven den ghenen die u Lieden raeden bloedt te vergieten om Religie, wilt haer-luyder Beuls niet sijn, etc. maer beschermt de Godtvruchtighe teghen de injurien van anderen, dat’s U. L. Ampt, etc. De leeringhe vande Theologie moet met V. L. Swaerdt niet ghehandelt sijn, anders indien’t Theologanten van V. L. vercrijghen, dat ghy hun Leeringhe met de Wapenen beschermt, so sullent oock naerderhant de Medecijns en Dialectici durven versoecken, etc. Hy verhaelt ooc D. Olradus de Ponte zijne consultatie op de vraghe: Oft de Prince soude moghen uyt zijn Lant jaghen, Ioden, Saracenen, oft ander Heydenen, ten eynde’t gheen men dese ongheloovighe wil ghehouden ende ghedaen hebben hedendaeghs ooc soude gheven ende toelaten ten minsten den ghenen, hoe sy ooc genaemt zijn, die eenighen schijn van gheloove hebben, antwoort den Prins sonder Wettighe oorsaeck vredich levende, sulcx niet vermach, de reden sijn also hy niet gaerne uyt syn Rijck ghedreven ware, ooc andere niet behoort te doen, so ooc int gemoet, ten anderen de Ioden ende vreemder te beminnen, haerder natuere niet alleen in der ziele, maer ooc inden Lichame deelachtich sijnde. Siet Fol. 157. 158. heel schoon int breede. Noch Fol. 193. ’t Ampt van’t tydelijc lichamelijc Magistraetschap is van God den Heere niet ingestelt, om dat se souden bevel hebben over den Godsdienst des Nieuwen Testaments, oft dat de Personen die dat Ampt bedienen altyt behooren geestelijc oft Christenē te wesen, haer Ampt alleen streckende totter Ordinantie van dese Werelt, waeromme S. Peter de wereltlijcke Magistraet noemt Menschelijcke Overicheyt, daer door de Wereltlijcke vrede, menschelijcke gerechticheyt, liefde, ende Borgerlijcke Eendrachticheyt onderworpen wordt. Om dat de Luyden souden samen woonen, de goede beschermt, de quade bedwonghen worden. Noch Fol. 194. d’Apostel Paulus schrijft niet een woort van de Christelijcke (Jodische oft Heydensche) Magistraey: welcken naem nu onlangs aldereerst is gevonden, ende tot particulier profyt van sommighe gepractiseert, maer leert den verstroyden Christenen, ende die binnen Romen woonden, de Magistraet (sonder onderscheyt van geloovighe oft ongheloovighe) te ghehoorsamen, in’t ghene haerluyder uytwendighe Officie aengaet. Derghelijcke overschoone leeringen is dit Tractaet so vol, dat alle Politici ‘tselfde behoorden te lesen, ende als een uytmuntent Juweel in haren boesem naer te dragen. Welc tractaet waerdich is tegen gout opghewoghen te moghen worden. Veel meer honderden Exempelen van Princen ende Heeren soude men hier connen verhalen; Ooc uyt de Iustificatie van Leyden Anno 77. gestelt, waerom de voorsz. Magistraet seght nu door Godes genade verlicht sijnde, geen nieu Iock van eenige andere op der Gemeenten schouderen heeft willen ontfanghen, etc. alsoo’t den verstandigen ghenoech, ende den onverstandighen alreets te veel sal wesen: Misschien uytvlucht nemende, dat al dese voorstellinghen maer comen uyt Werelt-wijse ende Politique Menschen, onervaren in de Bybelsche schriften, e n gants onkundig van’t verstant der Godlijcke Theologanten. Om dan alsulcke het teghen-deel mede te doen blijcken, sullen uyt duysenden hier ende daer een aenwijsen, ende dat by elck bekent


voor de vroomste zielen der eerster Christen Kerck, als mede de voornaemste grondtlegghers, sowel vande Augsborchsche Confessie als der Gereformeerde Hooft-Leeraers (eens met den Phariseschen Gamaliels-raed Acto. 5. 35. En den redelijcken Gallio, die sich als Rechter in Geloofs-saken ontslaet, Act. 18.) hebben met Christum verstaen Mat. 13. 24. dat met het Onkruyt, Ketters, en met den mayers Engelen, maer gheen Kooren oft Onkruyt om ’t Onkruyt uyt te trecken ghemeent is. Dit bevestight Christus Marc. 9. 37. Ende Luc. 9. 49. niet verbiedende die Duyvelen uyt-dreven in Christi naem, al volghden sy Christum niet naer. Ooc Joh. 6. 66. Christus siende veel af-vallen, gaf gheen Exempel van dwang, maer vraegde zijn Jongheren oftse ooc wilden gaen. Leert alleen op’t aldersachtmoedighst eenen hartneckighen Broeder (niet die int Geloof dwaelt) maer die zondight, te houden als een heyden, oft ander gemeen ongeacht Mensch Mat. 18. Gelijc tot dier tijdt die na den vleesche ghebooren was vervolghde die naer den Geest ghebooren was, also gaet het ooc nu. Gal. 4. 29. Verwondert u niet Broeders dat u de Wereldt haet. 1. Ioh. 3. 13. ’t Hooghe by de Menschen is een grouwel voor Godt, Luc. 16. Maet wat ist dan, seydt Paulus, Phil. 1. 18. Op dat alleen Christus verkondight worde in alderley manieren, het gheschiede uyt de waerheyt oft uyt toe-val, so verblyde ic my daer in. De Ghemeente niet aengaende wat daer buyten is. 1. Cor. 5. Dat’s verre om yemandt in Geloovens sakena en te claghen, ende te verjaghen die noyt in de Gemeente gheweest zijn, sulcken verstant vindtmen Anno 100. by Ignatius ghenaemt Theoporus, Discipel van d’Apostel Iohannes, leerende te haten die Godt haeten, maer de selve niet slaen, noch vervolghen ghelijc de Heydenen doen die Godt niet en kennen. Maer als de Heere Iesus ghelastert wesende, heeft niet qualijc weder gesproken; ghecruyst werdende, niet wederstaen; Noch lydende ghedreyght, maer voor zijn vyanden ghebeden. Ireneus leert over eens anders Conscientie te oordeelen, is zijnen stoel boven God zetten. Anno 120. leerden Alexander den 5. oft 6. Bisschop na Petrus dat de boose alderweghen de goede vervolghen. Welcke Spreuck ooc in de Gheestelijcke Rechten aengetekent is, maer nu (seyt hy) ist omgekeert, want onse vervolghers willen nu de vroomste sijn. Anno 200. leert Tertullianus: Dewijle eens anders Religie ons niet aengaet, also en staet gheen Religie toe den anderen te dwinghen, welck met goede wil moet opghenomen, ende niet met ghewelt moet opghedrongen worden. Anno 240. leert Origenes: datmen niemandt om sijn Geloof behoort te dooden. Anno 250. leert Cyprianus: Laet ons naer ons vermogen arbeyden, om Goude ende Silvere Vaten te wesen, maer die aerde Vaten in stucken te breecken, is alleen des Heeren Werck, Christus can dat oncruydt alleen uyt-roeden, ende de menighte der hertneckighe schaedt de Kerck niet. Anno 300. schrijft Lactantius Firmianus: Sy segghen, men moet die dinghen diemen opentlijc ende in’t gemeen aengenomen heeft verdedigen. Och hoe seer dolen dese arme menschen met oneerlijcke wille, etc. Maer ghelijc sy in de Religie, soo worden sy ooc in de bescherminghe der Religie bedroghen, want de Religie te beschermen is niet te doen met doodt slaen, maer met vermanen, noch met laster, maer met gheloove, het een hoort tot het quaet, het andet tot het goet. Anno 350. Hilarius teghen Auxengelium: het is besonder te ontfarmen de grove zotheydt by desen tijdt, ende te beweenen de opinie van dese Wereldt, datmen meynt met menschelijcke dinghen God te helpen, ende met Wereltlijck gheweldt de Christen Kerck te beschermen.


Athanasius antwoort Constantino volghens ’s Keysers begheeren ist redelijc u te gehoorsamen datmen den Arrianen een vergadering-plaets binnen Alexandrinen toelaet, maer int teghendeel versocht hy een bid of versamel-huys in die steden die d’Arrianen verleyt, ende daerse de Kercken in hadden. Anno 380. leert Gregorius Nasianzenus, dat het den Christenen niet en wil schicken yemanden tot den geloove te dwingen, want de verborgenheyt der saligheyt is den willende, ende niet den ghedwonghene. Anno 390. Hieronimus, datmen de bose niet lichamelijc maer Geestelijc straffen sal, e n met den Ban haer van de Gemeente af-houden, dat mense schouwe, want den vleeschlijcken mensche vervolght den Geestelijcken, maer die na den geest gebooren is vervolgt gheen lichamelijcke. Montluc. Bisschop van Valencen wijst den Coninc van Vranckrijc op het Consilium van Nicea Anno 455. daer 318. Bisschoppen waeren, ende op 150. Bisschoppen int Constantinopelsche Consilie, ende op 200. Bisschoppen opt Ephesische Consilie, ende op 630. Bisschoppen int Calcidoonsche Concilie, die alle verstonden gheen Wapenen, maer Gods Woort te ghebruycken teghen d’Arrianen, Macedoniten, ende andere Ketters. Dese 4. Consilien worden in de Ro. Kerck by 4. Evangelisten vergheleken, so dat de Roomsche Kerck over 500. Jaren vry is gheweest van dese meer als Wolfsche wreetheyt, eerst Anno 553. van Pelagius Paus, ende Nestor met Theodosius, 2. Bisschoppen inghestelt synde, evenwel tot Berengarij tyt toe, dat’s Anno 800. is het Ketter-dooden weynich bekent geweest, doch Anno 1154. ten tyden Bernardi wort de Kerck meer door byt-schapen als Waerheyts-voedende Herders bestiert. Desen Bernhardus comende uyt een Consilie sprac: Op andere tyden ben ic verwondert geweest, dat onder het cleen getal van 12. Apostelen een verrader was, maer nu verwonder ic my veel meer, dat onder het groot ghetal van so veel Bisschoppen ende Prelaten niet een Apostel oft oprecht Discipel Christi te vinden is; Dit blyct by Clemens de 5. Anno 1310. die dese God-losse Wetten maecten, datmen de Ketters het wereltlijcke Hof soude over leveren, daer sijn Gloseurs by voegen datmense soude verbranden. Evenwel schijnt datter noch vrome Zielen in de Catholijcke Kerck van tyt tot tyt gevonden sijn, daer men den geur Christi by speurt, als Anno 1340. by Iohannes Taulerus, Anno 1450 by Thomas de Kemp. Anno 1510. tot 1536. ’t Heldre dagh-licht van onsen Hollandtschen Phenix Erasmus Rotterdamus, daer Coornhert in veelen met over een stemden, niet alleen daer hy seght ’t Nieuwe Testament des Geests gheensins gheheel gheen ghebodt van uyterlijcke dinghen heeft, als daghen, cleederen, spyse, vasten, bidden, noch Sacramenten, etc. Soo gheheel wil God ons vry hebben, ooc van sijn eyghen Wet, dat wy niet uyt noot maer alle ding vrywillig doen sulcx sijnde in vrye behagen by de Christenen, ende dat ghelijckt de Liefde ordonneert, ende niet als dees of die Wet dwingt, anders waer’t niet uyt den gheloove. Siet de ratione Vere Theolog. Maer ooc dat hy de Consciëntie-dwangh ende Ketter-moorders ders vyant was, blijckende in syne Paragraf. (by Coornh. verduytst) over Mat. 13. Item, Math. 18. vers. 17. 2. Cor. 10. 1. Cor. 15. Item, in syn Supputation, tot den tyt Augustini, dat is meer als 400. Iaren, en lesen wy nergens dat de voorgangers e n Bisschoppen der Kercken ’s Keysers hulp tegen de Ketters hebben aengheroepen oft versocht. Item, doen sy des Keysers hulp al sochten teghen der Donatisten boosheyt, so behaeghden het veele goede niet, daer Augustinus een van was; Maer verstonden den Bisschoppen


Alleen dat swaert Godts ende des Ghebedts te ghebruycken, ende ghelijc by de Rechts-Geleerden, die verzendinghe in ballingschap een Borgherlijcke doodt wiert ghenoemt, alsoo by d’Apostelen ende haere Nacomelinghen ’t hooghst hals-gherecht, van de Ghemeente der Kercke af-ghescheyden te sijn, naer Matth. 18. meldt hy hier ooc van vyer-vlammen? Hy heetse myden, maer niet verbranden. Noch Anno 1529. seyde hy tot eenige Gereformeerde, had ick t’eenigher tyt sin tot u ghehadt, ick soude hier door (u quaet leven) te rugh gekeert hebben, etc. U en helpen niet op de Prophetien ende miraculen, ende alsdan u leven geen goet getuyghnis gheeft van u leeringhe, maer beneemt so veel meer ’t gheloof. So ghy desen goeden lof versuymt, ende stelt u betrouwen in Godloose Conspiratien, in seditieuse oproeren, in Wapenen, in leughenen, in listighe treken, my verdriet te verhalen wat vreese ick voor V. L. hebbe: d’Apostels Leere wort den menshen et veel dingen aengepresen, dat sy leerden was Hemels ende lieflijc, de vyerige Geest was by haer, die in haer aensicht uytghedruct wiert, sy deden gheen dingh met ghewelt, sy bruyckten alleen het Swaert des Gheests, sy en verdreven niemant uyt den Lande, sy en namen eens anders goet niet in , Ia selfs ooc der Heydenen beelden en braken sy niet, etc. Siet de Cronijc van den onderganc der tyrannen, 2. deel, 16. cap. 1060. Pag. Hier scheydende met Lutherum uyt de Catholycke Kerc, schrijft hy Anno 1520. teghen Eckij Bulle: Ich houde dat Ketters te dooden daer uyt ghecomen is, dat sy vreesden die met de Schrift niet te sullen overwinnen, gelijc de Papisten te Romen, met den doodt alle argumenten solverende, ende sulcken voorvechter der Waerheyt ware mijn D. Eck ooc gaerne. De Duyvel, een vyant van Gods Kerck synde, is een logenaer ende menschen-moorder. Item, het Wereltlijcke regiment heeft sijn Wetten, die niet wyder en strecken als over lijf ende goet, ende ‘tgene uyterlijc is op aerde, want over de Ziele wil God niemant laten regheeren dan hem selfs alleen. Math. 22. Gheest den Keyser dat den Keyser toe-behoort, ende Godt dat God toe-behoort. Dit een sijnde, soudt Christus niet onderscheyden hebben. Item, wanneer nu uwe Vorst u gebiet met den Paus te houden, oft aldus oft also te ghelooven, oft hy ghebiet u Boecken van u te doen, seght dan, ten behoort Lucifer niet neffen God te sitten. Thesaur. Fol. 679. Die verwecken oproer die de Princen tot vervolgh om de Religie op-wecker. Syn mede-hulper Philip Melanthon over Ioh. 18. Sulcx is den aert der Godloose Leeraers, dat als sy door den Evangelio gheoordeelt worden, so begheeren sy sich te beschermen met menschelijc ghewelt, want sy en betrouwen God niet, als’t bleeck aen Judas, die een schaer Kryghsvolc tot hem riep. Iohan Brentius van Anno 1525. tot 1571. leert alsmen wil ongeloof ende hare bloote Kettery met den swaerde weeren, so richtmen niet anders uyt, dan dat wy den Duyvel in sijn voornemen helpen, de saecke also met sulcken onrustighen leven veel argher wordende. Hy bestraft ooc hardt met Goddelijcke reden ’t Vervolgh der Weder-dooperen. Item, soo men nu alle dat met den swaerde oft ghewelt soude uyt-roeyen, daer men besorghden dat in midlertyt hem een oproerte verheffen mochte, etc. soo had David ooc moeten verbieden der Ioden Offer; Want syn zoon Abselon een oproer by den Offer tot Hebron had aengherecht, ja men most alle menschen de herten uyt-rijten, nademael uyter herten alle oproer hun verheffen. Anno 1581. leert Iohan Ocolampadus, een van de eerste der Gereformeerde, dat Wijf, welck in de Woestyne ghevlucht was, beduyt de


Gemeente Christi, want alle die daer Godsaligh willen leven die lyden verachtinghe oft vervolch om Christi wille. Martinus Lucernus in sijne Bernsche Disputatie seyt: zijn sy Geestelijcke so moghen sy voor haer selven oordeelen, ende ons ooc laten voor ons selven oordeelen, etc. Also de Heere seyt: Den Gheest der Waerheyt (niet Paus met de Concilie) in alle waerheyt leyden Ioh. 16. Item, wie yet ghebiet daer mede hy de Consciëntie bint, die is een Antechrist. Noch elders, maer wy volghen onsen Herder als Schaepkens, die haer teghen gheen gheweldt stellen, maer alleen sien op onsen Herder, ende laten Christum met den Wolven handelen. Wolfgangus, die Anno 1563. sterf, wierdt van Copornhert ghenoemt den sachtmoedighen, onbloedighen, maer goedertieren Musculus, sich belydende sonder alle dissimulatie van die Luyden te wesen, den welcken met allen seer mishaeght, dat menschen gedoot worden, daermen de doolingen soude dooden . Ioh. Calv. Instit. 4. boeck, cap. 11. vers. 4. 5. onder andere: Het en bethaemt ooc niet dat wy den ghenen die onse vermaninghen niet willen gehoorsaem zijn d’Overheyt overgheven; het welcke nochtans moste gheschieden waer de Overigheyt in plaetse van de Gemeente gecomen. Petrus Viretus in sijne Troost-brieven: sijt gedachtigh, ic zende u als Schapen onder de Wolven, hy zeyt niet, ic zende u als Wolven onder de Schapen, oft als Wolven tegen Wolven. De Ghereformeerde in hare Remonstrantie Anno 1567. seggen: Car nous privant de nostre Religion on nous riendroit en une continuelle mort corporelle & spirituelle. Noch in een discours aen Duc d’Alencon. Anno 1676. Wat conscientie vryheyt biet men ons aen? Te zijn Machiovellist? Dats te seggen sonder religie, etc. Noemt ghy conscientie vryheyt te sijn sonder oeffening van Religie? Jae voorwaer ’t is een waer ende slaefsche dienstbaerheyt. Petrus Martyr, Comment. Iud. 1. cap. Men moet niet anders handelen ,et den Ketteren dan met den ongeloovigen ende Ioden, etc. die lydt men sonder dooden oft branden. Gerard. Noviomagus seght niet te vermoeden is dat het Ketterdooden uyt den vryen wille der Keysers ghecomen sy, maer door’t schalckachtigh gijlen der Bisschoppen, etc. Want als de Gheestelijcke sulcx niet conden verwerven, soo hebben sy de Keysers uyt Italien gesloten, de Kroone geweygert, in suspitieghebracht den Adel, en de onderdanen ontslagen vanden Eedt, e n tegen d’overheyt tot oproer verwect. Hier voor waerschout Iac. Trigil. D’Amsteldamsche Heeren A o . 1624. de Iesuyten om dit gevoelē niet te duldē in haer gebiet, siet zijn voorreden op Witaken Boeck tegen Camp. 10. Reden. Och of de Heeren volgden sijnen raedt, lettende op alle sulcke raet-gevers. Om cort te makē, so sal ick’t met dat Godvruchtig licht Sebastian Castalion besluytē, mede-lidtmaet der Gereformeerde Kerck van Bazel, na hun ghetuyghnis, overmits sijn geleertheyt e n heyligheyt van leven een waerachtigh Israelyt (alhoewel vande Geneefsche Ministers in haren Bybel te Lyons A o . 1566. als een verkorē zaet des Duyvels genoemt wordt) behalven d’overschoone Voorredens sijnder overgezette Bybels uyt Hebreeus, daer van eenen in ’t Latijn ghedediceert aen Coningh Hend. de Valois Anno 55. Meest over’t onderling Godloos veroordeelen der Geleerde om Religions zaken. Schrijft in sijnen Raed aen’t verwoeste Vranckrijc, neffens andere menighvuldighe Wederleggingen der bloetdorstige Conscientie-Heerschers, na dat hy de Catholycken hart bestraft ende haer Schaeps-vacht oplichtende, den Wolf naect ten toon stelt, eyst hy’t antwoordt


0p een punt dat hun voorgehouden zal worden in den dagh des gherechts. Wout ghy wel datmen u also dede? Te weten: vangen, spannen, braden, branden, om niet ghelooft te hebben een ding teghen dijne conscientie, etc. Van de Catholycke comende tot de Evangelische of Gereformeerde, schrijft hy, ghy hebt tot andere tyden verduldelijc om dat Evangelie vervolgh geleden, uwen vijanden lief hebbende, quaet met goet vergolden, ende die u vloecken welgesproken sonder wederstandt, naer ’t ghebodt des Heeren. Van waer comt nu so groote veranderinge in sommige van u? Heeft de Heere sijn gebodt verandert? Ende hebt ghy nieuwe openbaringe, om het tegendeel over al te doen? etc. Oft hebt ghy zijn gebodt te rug ghekeert? Ende zijn Joc verworpen om te leven naer u droomen? Ia dat ghy doot, verbrant, ende uytroeyt, ende uwe Kercken met der selver bloet bevlect ende vervult, voor de welcke Christus so wel gestorven is als voor u, ende die ooc in sijnen naem ghedoopt sijn soo wel als ghy. Maer wat zal ic seggen dat ghyse dwingt in uwe Predicatien te comen, Ia dat noch arger is sommighe de Wapenen aen te grijpen tegen haer eygen Broeders ende Geloofs-genoten tegen haer conscientie, ende dat meer is, ghy ondervraeght de Luyden, naer uwe Leere, ende laet u niet genoegen datment eens sy mette voornaemste Poincten der Religie. Siet daer de Recepten die ghy gebruyct, namentlijc, bloet-vergieten, der conscientie gewelt aen te doen, daer toe verdoemen, ende voor ongeloovige te houden, die niet overal met uwe Leere eens en sijn, daer in u vyanden volgende, ende des gheens die ghy gewoonlyc gewent zijt Antechrist te noemen. Ic weet u uytvlucht, namentlyc, dat ghy recht hebt, ende sy onrecht, ende u daerom ’t vervolgen ende dwingen toe comt; Dat’s geseyt, eens anders have te moghen rooven, maer een ander d’uwe niet. Maer verbloemt de sake voor de Menschen met opgeproncte uytvluchten, so ghy wilt. Men weet wel, endei c neme dies u eygen conscientie tot getuygen, dat ghy een ander wat gedaen hebt, dat ghy niet zoudt willen u te gheschieden. Wanneermen haren raedt, die dat vervolgen ontraden, ende tegenspreecken volchde, so zouden sy selfs, namelijc die dat vervolgen leeren, ooc niet vervolcht maer verschoont worden, daer sy nu om datmen hare Leere van’t vervolch volcht, haer zelfs ooc vervolcht? Om dan van sulcken vervolch ende tytannigen overlast dese vrye Nederlande, so veel in Coornhert was, te waerschouwen, ende de verbetering door sijne onsydighe voorstellingen in de Gereformeerde ende andere Kercken te brengen, aengesien alle Kercken, behalven de Catholycke, belyden te connen doolen in de Leere, mede dat goede Schapen, quade bijt-wolven connen worden, heeft hy sich niet alleen uyt Liefde des Vaderlants partye gestelt, als meer geseyt, tegen sulcke Werelt en Kerck waenwijse Lant e n ziel-verdervers, maer ooc den Heeren Staten ende Stadt Haerlem in ghetrouwicheyt ghedient. Dese trou blijct mede in een Brief aen H. L. Spieghel (die den twist tusschen Coornhert ende Lipsium over zijne Politica geresen, socht neder te leggen, als oft Lipsius so arch niet gemeent had, antwoort cort ende scherp aldus onder andere reden. Nopende I. Lipsius, uwe Liefde tot ons beyden uwe vrienden moet ic loven, etc. schrijft hy Ja daer hy Neen meent; Wie nach sijn woorden ghelooven? Etc. Ic acht het behooren so hooch dat noch mijn name, noch mijn leven, noch al mijn vrienden, by my niet sullen vermogen te doen cleyn achten mijn weten in desen (niet wanen) van der Luyden ende Landen verderf, datmen uyt sulc syn schrijven heeft te verwachten, so daer gheen blus-water op die Moort-brant-poppen wert gegoten, etc.


Mijn armoe, of rust sal niet verschoont worden, dus is dit een lijf-kamp om de nieuwen moort-brandt wat naer mijn macht te verhinderen, ben ick in dit myn voornemen vermetel, int bestaen boven mijn macht, die spot lyde ick liever dan wroeghen van niet mijn cleen vermogen besteedt te hebben, sterve ick int harnas als my rust noodigh was, zoo sal ten minsten yemant mynen goeden wil niet lasteren. Valt dat ooc anders, my vernoeght met mijn onschuldigh ghemoedt, dat moght ick ooc niet hebben, soo ick uyt hate op hem niet dede, ende niet uyt liefde ten ghemeenen besten, etc. Hy wil ghedoodt hebben die anders van religie ghevoelen, spreecken ende doen (te weten nieuwigheyt inbrengen) dan de Patres leges ritus veteres, ende dat sonder ghenade Branden, snijden, ten ware d’Overheyt des niet machtigh ware, dan zoudt met Eedt vergeven worden, tot datmense veyligh tegen Eedt moght branden, dat’s Machivelliseren; sijn schryven gheeft den Spangiaert recht, maer de H. H. Staten ende Ghereformeerde, etc. onrecht, dat rebellen sijn, zo hy waerheyt schrijft. Siet vorder in sijn Kunstboec. Ten anderen blijckt sijn getrouwigheyt voor den staet des Landts der H. H. Staten Secretarius sijnde, wiet in Commissie gezonden om informatie te nemen teghen eenighe onordentlijcheyt van Lumees Caputainen op de Dorpen van Kennemerlandt bedreven, daer hy zulcken ontzach onder had gebrocht, dat Lumee (door quaedt bericht) aen eenighe Caputainen last gegeven had Coornhert te doorschieten, in so vele dat hy opt lant noch inde stad op de straten sijne levens niet zeker was. Ia al had hy’t sijn Excell. Geclaeght, geen middel sagh om beschermt te worden, daer over zijn afscheyt ghenomen, behalven twee andere oorsaken sijn conscientie ende Eere betreffende, die hy voor de H. H. Staten t’haren believen soude openbaren, maer anders verswijghen; Naer luydt de verantwoordingh teghen Lamb. Daneum. Mede thoont hy een oprecht Patriot voor ’t Vaderlandt te sijn ANNO 1582. eenen Wouter Verhee Emckhuyser Borgher hem openbaerende den aenslagh die den Koningh van Spangien meenden te maecken op Enschysen, daer Brieven aen de Borghery gheschreven, Coornhert dat hoorende, hielt periculoos sijne Magistraet sulcx te verswijghen, ’t welc nu so sijnde, was van meyninghe ’t selfde noch dien avondt ner den Haghe daer om varende, den H. H. Staten aen te dienen, met beloften aen Verhee van so te bestellen, dat niemant daerom soude sterven, ende alhoewel Verhee badt sulcx niet te melden, kreegh ten antwoort, al waer hy sijn eygen Broeder, dat hy’t wetende niet zoude laten te openbarendaer’t behoorde, wat hy ’t Vaderlandt uyt kracht van sijnen Borghers Eedt schuldigh ende gehouden was te doen, ‘twelc ooc zo behendigh door hem beleyt is, dat dien gantschen aenslagh des Conincx vruchteloos, ende de stadt verseeckert wierdt, daer van P. Bor int langh 2. deel 17. boeck fol. 20. 21. neffens Copie der 2. Konincx brieven aen de 72. Hoofden van Echuysen geschreven. So dat alle Schriften, ommegang ende leven betoonene een vrome ziele, ende een ongeveynst Waerheyts voorstāder e n liefhebber vande algemeyne vryheyt geweest te sijn, in so vele dat hy meermalen hem getroost heeft sich selfs ende sijn eygen vryheyt daer voor te wagen, altijt volstandigh blyvende met de uytmuntenste verstanden der Politijcste Princen ende Godvruchtighste Herders van verscheyden Kercken, geduerende het Christendom gestaen heeft. Dies waerdigh om met Erasmum ende ander voor de beste Hollandsche deughts-Helden getelt ende ge-eert te worden. Hy doende den Godlijcken Plato door Boetium


in schoon Nederlandtsch spreecken, in’t Eerste Boeck, vierde Prosa: O hoe salich ist ghemeene beste als Liefhebberen der wijsheyt Heerschappen: ofte als die ’t selfde heerschappen, na wijsheydt speuren. Sijnde eenstemmigh met de Voorreden op de H. H. Staten vredehandel van Coln, seggende, waer’t dat de Magistraet ghemaect ende geordonneert ware, sonder te ontsien eenigh onderscheyt van Religie van Mannen die om hare rechtvaerdigheyt ende natuerlijcke deughden gepresen sijn, alle corruptien van alle opinien geweert sijnde, ’t soude te hopen sijn dat God door sijne oneyndelijcke genade een eynde soude maken van onse quaden, ende dat wy souden sien aen de ghene die ons verdrucken wonderlijcke straffen van de gramschap Godes. Men soude ooc door de partiale schijndeughden ende staetsuchtighe reigieuse hypocrijten so niet bedrogen nochte misleydt worde, tot verderf van Landt ende Luyden, niet minder comt met sijn insicht over een den heylsamen raedt vanden Coning van Enghelandt Jacobus in’t Conincklijc gheschenck aen sijnen zoone, te weten: dat hy om goede Kerckelijcke ordening te houden, neerstigh studeren moet, om wel ervaren in de schrift te sijn, om de Kerck te houden in haer beroepinge. Want die te regeeren (seyt hy) is geen cleen stuck uwes ampts, nemende insonderheyt acht dat sy van den Text niet af-swerven op den Predickstoel, ende so ghy immermeer vrede wilt hebben in u Landt, zo lydt niet dat sy op die plaetse haer moeyen sullen met den staet der Politie, maer straft strengelyc den eersten die hem verstout dit te doen; doet gheen ding tegen haer sonder een vaste grondt ende zekerheyt, maer en hebt niet veel woorden met haer, want ick heb haer seer dickwils daer van overredet, ende ten is haer wijse niet op te gheven, ende en lydt gheen samen-comsten ende vergaderinghen van Kerckelijckelijcke Mannen, dan by uwe kennisse ende toelatinge. Desen Coning is by de Ghereformeerde hier te Lande meermalen voor eenen anderden David uytgesproken, ende in Engelandt voor ’t Hooft der Kercke erkent, gheduerende sijn leven; Welcke Coninglijcke wijsheydt voornamelyc by dē E. Heeren van Coornherts Vaderlycke ende eyghen gheboorte-stadt nu boven alle Hollandtsche Steden ghepleeght wordende, vinden ons schuldigh verplicht den goeden God altyt voor de selfde te bidden, om zulcke regheering niet alleen te continueren, maer in voorspoet te vermeeren, mede niet alleen tot rust van alle goede Inghezetenen maer ooc tot een levendigh voorbeeldt van andere steden ende Landt-Regenten, om alsoo onse Vereenighde Nederlanden door de onderlinghe Liefde ende Borgherlycke verdraeghsaemheyt als eenen ys’ren Bergh voor alle heymelijcke als openbare vyanden, tot ontzach ende tot een pronck van wonder voor al de Werelt ten toon te stellen, ghelyck dese Coornherts Wercken aen alle onsydighe Waerheydts Liefhebbers, ter Liefde van de Waerheyt ende ’t Alghemeene Vaderlants beste ten toon ghestelt ende opgedragen worden, neffens sijne andere resterende soo voor desen gedructe als noyt gedructe Wercken, de welcke eer langh in een Derde Deel oook hoopt te doen volghen

Uwen alder Dienst-schuldighen
Iacob Aertsz. Colom.

"Voorrede. ""Voor-reden. Aen alle onsydighe oprechte liefhebbers der waerheydt."""