II. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Proces van't ketter-dooden, ende dwangh der conscientien."" ""Het tweede deel, kerckelijck."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1630."
"""Proces van't ketter-dooden, ende dwangh der conscientien."" ""Het tweede deel, kerckelijck."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1630."



PROCES
Van’t Ketter-dooden, ende dwang
der Conscientien
Tusschen
WOLFAERT BISSCHOP,
Advocaet van Theodore de Beza, met den
zijnen daer voor:
Ende
Dirck V. COORNHERT,
Daer teghen spreeckende.

Het tweede Deel, Kerckelijck.

Proverb . 12. 6.

Salomon seydt: Der Godloosen woorden richten bloedt-vergieten
aen: Der Rechtvaerdiger mondt verlostse.

Ioan . 18. 30.31

De Pharizeen riepen teghen Christum tot d’Overheyt: Waer dit
Geen quaet-doender, wy en souden hem u niet overgelevert heb-
ben. Ons en ist niet gheoorloft yemant te dooden.

[illustratie: afb. Coornhert]

TOT AMSTELREDAM,
By Iacob Aertsz. Colom, Boeckverkooper op’t Water.
Anno 1630.



[leeg]


Den E, Vromen, wijsen ende voorsienigen Heeren Burgermeesteren, Schepenen ende Raden der Stede van der Goude
Vertoont ernstlijck uwer aller E. D. W. ende D. HH.

De lieve vryheydt der Conscientien.

U Lieve Heeren ende Vrienden, is kondt, hoe ick wesende uyt het gantsche Nederlant opten halse verjaegt, ende mijne liefhebberen, met branden ende koppen jammerlijck geplaeght, des niet jegenstaende, een onghehoorde sake, niet alleen in uwe hertē, maer oock op’t Raet-huys, ja in uwe vierschare elve noch plaetse vandt: so dat ghy uwer met-burgheren lijf ende leven met hooghster gevaer uwes eygen goets ende bloets verschoonde: ende daerom noch heel bloet-schoon sout zijn, so een onwijs doler wat wijsselicker sich self hadde verschoont. Nu werdt my weder Proces ghemaeckt om van nieus arger dan oyt ghemuyl-bant, ende mijne lief-hebbers ghedoot te werden. Voor my ende tegen ’t ketter-dooden besteet trouwelijck zijn lijf, leven, tijdt, have, ende alles mijn Lief-hebber D. V. Coornhert, hem bevele ick dit mijn Proces u mijn lieve Heeren ende Vrienden aen te geven, op dat het doorsien, verstaen, ende niet sonder hem te hooren in ghedaen en werde, mijne vyanden eer ende loon, dese mijn vrient smaet ende schade, ende de ellendighe landen een nieuwe argher Conscientie-dwangh behale. Daer voor behoede Godt u, O Goude, die de goude Vryheyt so wijsselijck verkiest, dat u gout armoede gedult moet leeren door der gout-rijcken maer deught-armen moet-wille. So volghtmen den lieven Schaep-herder na, niet den hatelijcken Wolf-herder.

Aenwijsingh der boecken in desen Processe ghebruyckt.

A Loci Com. Petri Martiris. Tiguri 1580. Froscoverus Clas. ij. loc. 4. §. 50. Idem Clas. iiij. loc. 4. § 6.
B Bergsche Concordie boeck.
C Henricus Billingerus Huysboeck of Decades, gedruckt tot Dordrecht.
D Commentaires de Mr. Jehan Calvijn fur toutes les Epitres &c. Pas Conrad Badius, 1556.
E Institutiones Joannes Calvini Gene. 1550.
F Wolfangus Musculus Dusanus in Genesim Comment. Basileae per Joannem Hervagium 1554.
G Zent-brief der dienaren, die Gods woort indē Nederlanden verkondigen aenden genen die seker boeck gemaect hebbē, datmen noemt dat Bergische of Concordie boeck. t’Antwerpen by Gillis vanden Rade 1580.
H Expositio Ecclesiastica Aug. Marlor. 1570 Henrici Staphami Olive:
I Commentaires de l’estat de la religion & republiq. Anno 1565.
K Vredehandel tot Colen. Tot Leyden by Silvius 1581.
Q Response a un Petit livret &c. de Don Jan. Anvers Plantin 78.
S Traicte de l’autorite du Magistrat en la
punition des Heretiques. Theodore Beza. par Conradus Badius. 1560.
V Waerhaftighe bekantenisse der dienaren der kercken zu Zurich &c. met zu gethonder kurtz bekantenisse D. Martijn Luters vanden H. Sacramente Zu Zurich, by Christoffel Froschover. 1545.
A.d. Declaration pour maintenir le vraye foy, &c. par Jean Calvijn. Jan Crespin 1554.

Boecken ende schriften der Gereformeerden Consistorianten, handelende van de Ketteren, datmen die behoort te vervolgen, te straffen ende te dooden.

I. Calvijn.
Declaration pour maintenir la vraye foy, &c. par Jean Calvin, contre les erreurs detestables de M. Servet. Ou il est ausi monstre, qu’il est licite de punir les Heretiques: & qu’a bon droict ce mescant a este execute par justice en la vile de Geneve. Imprime a Geneve ces Jean Crespin anno 1554.

T. Beza.
Traicte de l’autorite du Magistrat en la punition des Heretiques. Par Conradus Badius 1560.


Henricus Bullingerus.
Huysboeck. Decadis ij. Ser. vij. 58. &c. ende Ser. viij. f. 63. 64 &c. Ende inde predicatiën tot verklaring vande Openbaringh Joannis by H. Bullingerum, inde sevenste Predicatie, fo. 28. 29.

Predicanten in Nederlandt.
Inden onderscheydt tusschen die Politike ende kerckelycke regeringe den H.H. Staten in Hollant, inden Hage anno 1579. by eenigne Predicanten overghegheven. Int 9. ende 10. artic.
Oock in ondersoeck des onghehoorden middels by de Dienaeren tot Delft, Anno 1582. in B. ende A. 8.
Inden Bybel tot Leyden Anno 1581. By Jan Paets gedruct met Annotatien, op Deut. cap. 13. cap. 18. op Tit. 3. op Levit. 24. &c.

Inhouden van des boecks Hooftstucken.
i. Wat een ketter is.
ij. Van verscheyden aert der ketteren.
iij. Wat bewijs-reden men bruyckt tot het ketter-dooden.
iiij. Of men een ketter moet straffen.
v. Of d’Overheyt den ketteren moet straffen om Gode te eeren.
vi. Oft des waerlijckē Overheyts ampt is met zijnē swaerde den ketterē te straffen.
vij. Of men mette H. Schrift recht bewijst dat d’Overheyt dē ketteren moet straffen.
viij. Of Beza zijn voorstel wel bewijst uyter vreemder volckeren stadige gewoonte.
ix. Hoe Beza het ketter-dooden pooght te bewijsen mette tuyghnisse deser tijden Schrijvers van zijn opinie zijnde.
x. Dat deser tijden nieuwe Vaderen eerst meest al plat jegen het ketter-doden hebben geschreven.
xi. Dat de Luthersche ende oock Gereformeerde met sampt de Oude leeraren tegen dit ketter-dooden zijn.
xij. Oft somtijdts wel bevalt ende voorderlijck is datmē ketters straft metter doot.
xiij. Dat het ketter-dooden en Conscientie-dwangh nemmermeer yet goets maer altijt vele quaden veroorsaeckt.
xiiij. Of men den ketteren moet dooden om des quaets onmatighe grootheyt willen.
xv. Van Moysi wet, of ende hoe die, nopende het ketter-dooden, nu moet onderhouden worden.
xvi. Hoedanigh eenigher sondaren straf nu behoort te wesen naden beschreven woorde Godes.
xvij. Of Moysi wet nu verandert ende vermindert zy.
xviij. Ketter-doodens bewijsinge uyten ouden Testamente.
xix. Oft een ander sake is metten ketteren dan metten af-god-eerders, ende of des Overheydts macht, nopende de bescherminge van des religions state, nu is vermindert doot’t Euangelium.
xx. Bewijs uyt d’exempelen des nieuwen testaments diemen bruyckt tot voorstant des ketter-doodens.
xxi. Ketter-dodens bewijs uyt der Historiē exempelen, diemen naemt Ecclesiastica.
xxij. Middelen, so valsche als oprechte, om ketters te beteren of ketterye te verminderen.
xxiij. Of d’Overheydt behoort te oordelen vande leere.
xxiiij. Dat elcke ghemeente sich rechter maeckt over al d’anderen, ende niemandt een anders oordeel wil lyen.
xxv. Dat niet alleen d’Overheydt, maer oock elck ondersaedt vande leere behoort te oordelen.

PROCES
Van’t Ketter-dooden ende dwangh der Conscientien.
Tusschen
Wolfaert Bisschop Advocaet van Theodore de Beza metten zijnen
daer voor, ende Dirick Volckertsz Coornhert daer tegen sprekende.

Het tvveede deel Kerkelijck.

Eerste Hooft-stuck.

Wat een ketter is.

Wolfaert Bisschop.

Myn voornemen is gheloowaerdelijck te bewijsē Dat d’Overheyt van Gode macht heeft om ketterē metter doot te straffen. Dit mijn voortstel behelst personen ende werck: te weten d’Overheyt, ende ketteren, ende ‘twerck vande ketterē te straffen. Van elck op sich selven moet dan wat gesproken
zijn, ende eerst van de persone des Overheyts, van zijnen ampt ende machte.

D.V. Coornhert.
2. Is u voornemē hier te handelen vander ketteren straf, alleenlijck om saken des gheloofs, of vander quaedt-doenders straf, als dieven, doot-slaghers, oproerders ende dergelijcken: of van beyde t’samen? niemandt ontkent dat d’Overheyt quaet-doenders behoort te straffen, en onder die, oock vele metten lijflijcken dode. Maer datmen ketteren, die niemandt en misdoen, aen lijf, name of have, alleen om het belevē haerder conscientien lijflijck vervolgē ende recht mach dooden, ontkennen vele ende ick onder de selve


Wolfaert Bisschop.

3. Neen: niet van quaet-doenders maer van ketteren sullen wy spreken, en datmen die behoren te dooden naden lichame. Dat geschiet metten stalen swaerde. Dit en gebruyckt de kercke niet, maer de burgerlijcke Overheyt. Daerom wil ick hier niet spreken van des kerckelijcken, maer van des burgerlijcken Overheyts macht.

D.V. Coornhert.

Spaert die moeyten. Daer af is so veel al gehandelt int eerste deel deser twee Processen 1. 15. 25. 34. 41, 43. 59. etc. ende alwaerts daer meer: dat des nu onnodigh sal zijn. Maer so ghy noch yet meer te seggen sult mogen hebbē, tot bewijs dat d’overheyt macht heeft in Religions sake: so dat zijn ampt zy metten swaerde de valsche religie te vernielen ende de ware voor te staen: soo mooghdy na wil, ‘tghene u sal voor vallen, daer af voorts brenghen, om niet een dingh veel malen te verhalen.

Wolfaert Bisschop.

5. ‘Tis niet qualijck geseyt. Ick beginne dan aen d’ander persone, dat’s aendē kettere, van des Overheydts werck in’t straffen der selver sal volghen, oock dickmael daer tusschen komen. 1 1 Syn. ij. 8. 9. En op dat het schickelijck geschiede moet eerst verklaert zijn wat ketterye is, om wel te mogen verstaen wat een ketter is. Gelijck men niet seecker en mach weten wat een dief is, sonder eerst te weten wat dieverye is: daer na men een dief sulcx naemt, recht als een ketter nae de ketterye zijnen name heeft.

Coornhert.

6. Dat seghde alles wel. Wat is dan ketterye.

Wolfaert Bisschop.

7. Ketterye is een verkiesinghe ende khartneckighe bescherminghe der leeringhen, die strijden tegen de Godlycke Schrifture: uytter selver onkonde of verachtinghe, om haer lusten ende baedt des te lichtelycker te moghen bekomen. Petrus Martir. A. ij. 4. §. 50.

Coornhert.

8. Dooltmen niet by wijlen groflijck int oordelen wat ketterije, ende mitsdien oock wat een ketter is?

Wolfaert Bisschop.

9. Merckelijck. Wij Gereformeerden zijn de ware Christenen. Wie heeftmen meer voor ketteren veroordeelt ende ghedoot onder het Pausdom, somen noch doet? om soo godlooselijck dan niet te dolen int veroordelen ende dooden der Christen schapen, voor kettersche wolven hebben onse H. Vaderen soo sorchvoudelijck de ketterye ende ketteren beschreven.

Coornhert

10. Ick sta u toe, dat de beschrijvinge der dingen dienstlijck is tot ware kennise van-
de dinghen diemen handelt, ende ware kennisse tot vermijdinghe der dolingen. Want alle dolinghe komt uyt onkonde, ende niemant en doolt willens. Wie hadde niet liever den rechten wech; ‘twelck de naeste is, te gaen, ende gewis oock op’t spoedigste te komen ter begeerder plaetsen: dan lange op’t onseker te swerven, of nemmermeer, daer men gaern ware, te komen?

Wolfaert Bisschop.

11. Niemant. Ghy seght al recht.

Coornhert.

12. Acht ghy datmen door dese Peters Martyrs beschrijvingh der ketteren, de selve oock inder waerheydt mach kennen ende ontwyfelijck weten wat ketterye is?

Wolfaert Bisschop.

13. Ontwyfelijck.

Coornhert.

14. Ick weet ontwyfelijck datmen aen die beschrijvingh niet seeckerlijck en magh weten wat ketterye is.

Wolfaert Bisschop.

15. Wat hoor ick. Bewijst dat.

Coornhert.

16. Gaerne. Mits dat ghy eerst u seggen bewijst, datmen aen Martyrs (nu uwe) beschrijvinghe der ketterijen, de selve ontwyfelijck magh weten ketterye te zijn. Daer toe is u voor al noodigh te doen blijcken dat de leeringen diemen so verkiest, stryden tegen de Godtlijcke Schrift: dan oock noch de hertneckige bescherminge, ende ten laetsten d’oorsaken waer uyt de ketterye komt, ende waer toe zy streckt.
17. Want so ghy alle sulcks niet mooght bewysen waer te zijn, jae al en gebrake daer oock niet dan een van allen: soos al uwe beschryvinghe onwaer blijcken, ende mijn bewijs gantsch onnodigh maken.
18. Omme dan van het eerste, eerst te beginnen, dat is hier dat de leeringhen stryden teghen de Godlijcke Schrift: soo vraghe ick u, ofmen dat mach weten sonder waere kennisse van saecken te hebben: dat is sonder den ghenen die sulcke ander leeringhe heeft verkooren, daer op eerst volhoort te hebben?

Wolfaert Bisschop.

19. Neen, gheensins, dat moet voor al gaen. Men mach niet recht oordelen, partye onghehoort zijnde.

Coornhert.

20. So ist. Tot dit oordeel moet eerst een rechter zijn. Een rechter segge ick, die; salmen zijn oordeel voor ontwyfelijck oprecht mogen houden; self de waerheyt, daer af hy sal oordelen, ghewisselijck kendt, ende dat hy gantsch onpartydigh is.


Wolfaert Bisschop.

212. Daer inne ben ick met u volcomelijck eens.

Coornhert.

22. Wijst my sodanigen Rechter.

W.B.

23. Wie sal de Rechter anders wesen of een leeringhe ketterye is dan niet, dan de kercke? S. 422.

Coornhert.

24. Welck van vieren: der Roomsche? de Luthersche? de Doops-gesinde? of de Gereformeerde?

W.B.

25. Wat kercke anders dan de ware: dat is d’onse, namentlijck de Gereformeerde.

Coornhert.

26. Bedrieght my niet noch oock u selve. Lieve seght doch, hebben die andere drie kercken in een algemeyn concilium eenstemmelijck de Ghereformeerde kerck voor de ware gheoordeelt?

W.B.

27. Neen sy. Wats dan? ‘tzijn al onse partyen: souden zy de onse de ware te zijn oordeelen: so mosten zy elck de hare voor valsch oordeelen. Dat sullen zy niet doen.

Coornhert.

28. Al waer ist. Maer elck oordeelt de zijne de ware kercke alleen te zijn, ende al de drie anderen voor valsche kercken. Wie van die ander drie oordeelt recht:

W.B.

29. Gheen van drien.

Coornhert.

30. Waer by weet ghy dat.

W.B.

31. Sy zijn elck self party. Elck is zijn eyghen rechter in zijn eygen sake. Soumen dat een oprecht oordeel mogen noemen, datmen betrouwen mach?

Coornhert.

32. Neen voorwaer. Maer wie is de rechter dat u kercke de ware alleen soude zijn: wie anders mede, dan de Gereformeerde selve? partye selve? ende rechter selve in heur eygen sake? soumen dat een oprecht oordeel moghen noemen datmen mach betrouwen? siet daer hoe onseecker u oordeel is vande rechter en van u kercke. Dit heeftmen meer mogen siē int eerste Proces 303. 345. 348.b. Die uwe aenghewesen rechter, namentlijck uwe kercke, mach dan de rechter niet zijn: of
eenige leeringen strijden tegen de Godlijcke Schrifture. Sy en mach dan oock niemant rechtelijck voor een ketter oordelen. Soo blijckt hier oock naecktelijck dat u Geneefsche kercke met heur bontghenootsche kercken, Servet op’t onseecker verbrandt heeft, voor een ketter: immers gantsch onrechtelijck, als rechter ende partye wesende ende dat in heur eygen saecke.

W.B.

33. Mooghdy ontkennen dat hy hartneckelijck zijn valsche leere beschermde? want, seydt J. Calvijn A.d. 5. 6. Voor dese ure ist my ghenoegh datmen wetē dat ick hem (Servet) soo doodtlijck niet vervolght en hebbe, of ten was hem gheoorloft zijn leven te redden, ghevende alleenlijck eenigh teecken van sedigheydt. ‘tWelck hy ghedaen soude hebben indien hy niet heel van sinnen berooft en ware gheweest.

Coornhert.

34. Mooghdy bewijsen dat ghyluyden self niet de rechters en waert, diese voor valsch oordeelde: wat gheloof mach dat u oordeel hebben by onpartydigen: zijn sake en oordeele ick niet, want die is boven mijn verstant. Maer ick oordeele met waerheyt dat u Geneefsch oordeel gheen gheloof en mach hebben nae der waerheydt als wesende onseecker. Hoe moght Calvijn met u kercke ende desselvens aenhangh, dan oock meer met waerheydt seggen, dat hy hertneckigh, dan dat hy stantvastigh was? bekende hy voor zijn doodt van Calvijn overwonnen te zijn: ende volherde hy by zijn leeringe nae sulcke zijne bekentenisse?

W.B.

35. Dat en seggen wy niet, oock Calvijn selve niet. Maer wie weet niet dat hy strijdige saken leerde tegē de Godlijcke Schrifture, ende zijn luste ende baet sochte.

Coornhert.

36. Die sulcks niet en blijckt en weet dat niet. Lieve seght bleeck dat Calvijn mette Geneefsche kercke? waer by? heeft Servet alsulcks self met zijnen monde beleeden? of heeft Calvijn sulcks yemandt uyt Servets schriften doen blijcken?

W.B.

37. Niemandt onser en heeft hem dat opgheseydt.

Coornhert.

38. Wist dan Calvijn of u kercke wat hy in zijn herte verborgen hielt, ende hem soude gewacht hebben te seggen, namentlijck dat hy valsche leeringhe beschermde om lust of baet te bekomen.

W.B.

39. Wat soude dat? God alleen weet wat inder menschen herte is.


Coornhert.

40. So’ t met Serveto ging tot Geneven, so gaet het oock meest met anderē. Immers metten uwen (so ghy klaeght) self mede onder’t Pausdom. Ende doe hier uyt u eygen quaet bewijs, mijn vast bewijs blijcken dat ick sekerlijck weet datmen uyt D. Martyrs beschrijvinge vande ketterye nu ter tijt niet sekerlijck en mach weten wat ketterije is, namentlijck of hy strijdet tegē de H. schrift, of hy zijn leeringh hartneckelick beschermt, ende oft komt uyt verachtingh der schrift, ende om lusts of baets willen. Machmen nu dan niet gewisselijck weten wat ketterye is, so ick bewijse: hoe salmen weten in waerheyt wat een ketter is?

W. B

41. Lichtelijck ende sekerlijck, somen den Gheleerden ende versochten Henrico Bullingero wil gelooven. Die seydt voorwaer eyghentlijck een Ketter te wesen: die teghen de Schriftuere, dewelcke Godes woordt is, tegen des gheloofs articulen, ofte tegen de ghesonde leere der ghemeynte, die uyt Godes woordt gesproten is, door hope eenighs tydtlijckens ghewins, uyt zyn eyghen goetduncken ende menschelycke verkiesinghe, vreemde dinghen verkiest, aenneemt, aengeeft ende volght, hartneckigh behoudt, beschermt ende verspreyt. C. Dec. v. ser. ij. fo. 218. 4. Hebdy daer wat teghen?

Coornhert.

42.Niet min als teghen het voorgaende. Verstaet my, ick wil nu niet ondersoecken, of dese Bullingers beschrijvinge eens ketters recht is dan niet. Neen,

W. B.

43. Stemdyse dan toe voor goedt ?

Coornhert.

44. Neen ick. Maer wil die laten staen in heur waerde: die hier nemen of zy oprecht waer in allen delen: ende ondersoecken alleenlijck ofmen daer uyt dan noch al sekerlijck soude mogen weten, wie een ketter zy. Daerom sal’t u believen te segghen: of ghy my hier meer raedts weet, dan in P. Martyrs beschrijvinghe vande ketterye, om ons te wijsen een rechter, diens oordeel men tusschen den aenklager ende den beklaeghden voor een ketter sal moghen met ghewisse sekerheydt betrouwen ?

W. B.

45. Waer inne ?

Coornhert.

46. Of de beklaeghde oock een ketter zy, of hy aengheeft, beschermt ende verspreyt leeringen tegen Gods woordt ende des gheloofs articulen zijnde, dan daer mede: of de leere der gemeynte, daer hy tegen leert, gesondt is dan onghesont: ende de ghemeynte uyten woorde Godes zy gesproten dan uyt
menschen goet-duncken: of hy leert door hope tijdelijcken ghewins, dan uyt loutere liefde: uyt eyghen goet-duncken, dan uyt Godes geest: ende of hy verwonnen is, dan verwinner. Sijn aennemen, aengeven, behouden, beschermen ende verspreyden, zijn zijne wercken, die machmen onghetwijfelt ende sekerlijck weten: maer of sulcke voorsz zijne wercken wel dan qualijck zijn gedaen, dat is, of zijn leere, dan of der ghemeynten leere waer dan valsch is, en valt so licht niet om weten. Want dit en bestaet niet in de tuyghenisse zijnre daden, maer int oordeel zijns gevoelens eñ meyningen, oock voornemelijck wat hy daer mede soeckt. Wie sal daer rechter over wesen? uwe kercke self, dien hy teghenspreeckt? of d‘Overheyt van uwer leeringē wesende? dunckt u dat recht? soudet ghy den Paus ende den zijnen, of des Koninghs van Spangiens wet-houders oock wel willen lijden tot rechters over u luyden, die zy voor ketteren aenklaghen?

W. B.

47. Dat waer onsinnighe dolheydt.

Coornhert.

48. a Daer openet sich nu, dat, genomen of Bullingers beschrijvinghe eens ketters noch al mocht oprecht zijn: dat daer mede noch niet met allen uytgericht en soude wesen: so langhe ghy geen middel en weet om een oprecht rechter aen te wijsen: die uyt waerheydts kennisse ende liefde des selfs onpartydelijck ende recht soude mogen wijsen: soo datmen sekerlijck mach weten wie een ketter is of niet, eermen hem ter doodt soude oordelen
b Immers oock niet om een rechter aen te wijsen, die daer waerachtelijck weet wat inder ketteren herten steeckt, te weten wat heur meyningh of voornemen zy, daerom zy valsche leere verspreyden, namentlijck, heur lusten, heur baet, of heur roem, of yet anders sodanighs. ‘Twelck voorwaer vermetelheydt waer, uwe kerckelijcke of politijcke Overheydt, dat menschen zijn, toe te schrijven. Want God is alleen die de herten kent.

W. B.

49. So vermetel en zijn d’onse niet. Beza self seyt: Dat de Magistraten niet en moghen noch en willen oordelen vanden heymelijcken ende verborghen quaden. S. 394. Dit heb ick voor al bekendt 41.

Coornhert.

50 So mach men dan so luttel weten wie eenighe leere om zijn lusts, baets, of eeren wille voortspreyt: als dat de leere soude wesen tegen Godes woort. Ende blijckt mits dien noch al mede vastelijck: datmen uyt Bullinghers ketter-beschrijvinghe nu niet vastelijck en mach weten wie een ketter is. Soo bekendt nu dat u volck op‘t avontuer den ketters wil dooden: of datmen gheen ketter wettelijck en mach dooden. Ende daer mede is ons gheschille nu al voleyndt. Want ghy wiltse t’onrecht dooden, of ghy moet het dooden laten.


W. B.

51. Ick hebbe meer te seggen vande ketterye eñ oock vande ketters. Vande ketterye schrijft mijn Heere Beza, dat die is een quade leere of secte, die een mensche heeft verkoren na zijn fantasie om die te volgen, verachtende het oordel vande kercke Godes. Maer een ketter ist, die sich bedeckt met een religions yver: ende des niet te min niet alleenlick niet en bewillight inde ghesonde woorden van de kercke, na dat hy tweemael is vermaent gheweest: maer gheeft oock voor valsche leeringhe, ende breeckt des kercks vrede eñ eendracht. (S.29.) Wat dunckt u daer af?

Coornhert.

52. a T’selve als voor. Want wie sal oordelen vande leere of die quadt, dan goet is? of die nae menschelijcke fantasie is verkoren, dan of die door Godes gheest is ingegeven? ende of die veracht het oordeel van een kercke Godes, dan van een valsche secte? dat zy hier mede gheantwoort, nopende de ketterye.
b Aengaende nu oock den ketter mede by Bezam beschreven, wie sal oordelen of hy de ware religie heeft ende betuycht, so hy seyt: dan of hy sich deckt met een schijn-yver? of zijne woorden (soo hy seydt) gesont zijn, dan des berispten kercx woorden? Eñ of hy qualijck vermaent is, of hy ware leere voortsteldt, ende of hy een valsche vrede ende eendracht eender valschen kerckē breeckt, so hy seyt ende meent: dan oft alles anders zy, so de kercke, die hem aenklaeght, seydt ende meent? of ist recht, dat de kerck partye ende rechter zy? soudy sulcx voor recht achten, als de Catholijcken u also voor ketteren eñ uwe leere voor ketterye oordelen? ghy hebt nu self al anders bekendt 29. 33. siet daer u voorstel van menschen goetduncken, datmen geensins en mach betrouwen.

W. B.

53. Laet dat so zijn. Wat mooghdy te berispen vinden in Calvini beschrijvinge van de ketterije ende ketteren, die niet min kort, klaer, ende seecker is, dan by nae loutere Schrifture self? die schrijft: dat ketterije ende secte die tegenstallen zijn vander kercken eendracht: ende dat Sint Pauls ketteren noemt, alle die d’eendracht der kerckē door verwaentheyt breken. D. Tit. 3.10.

Coornhert.

54.Eerst, dat dit meerdeels Calvini woorden zijn. Eñ voorts dat Calvini uytlegginghe van des Apostels woorden aldaer, niet anders mede brengt dan van een Scismatico of scheurmaker. Het eerst blijckt, als men Pauli woorden maer self leest, ende en behoeft geen bewijs. Het ander dat d’Apostel daer eygentlijck niet en spreeckt, na die uytlegginge Calvini selve, van ketterije, maer van scheuringhe. Nu en is alle scheuringhe niet quaedt, maer alle ketterije (somen die name nu verstaet) is quaet. 1 1 a Want Calvinus brenght selve uyt Augustino voort, onderscheyt tusschen ketters ende tusschen scheurmaeckers met dese woorden: dat de ketters
met valsche leeringhen des geloofs oprechtigheyt bederven: maer de scheurmakers by wylen oock in des geloofs ghelijckheyt, des ghemeenschaps bandt breecken (E. cap. viij §. 26. Vande ketterije is nu tusschen ons al gebleken d’onsekerheydt, vermits ghebreck eens wettelijcken rechters. 2 2 b Maer de scheurmakers maghmen ontwyfelijck kennen, so vele huer werck van sich te scheyden van een uyterlijcke kerck aengaet. Maer of sulck afscheyden wel of qualijck geschiet, is nu so niet te kennen. Ghemerckt daer oock goede scheuringe of afscheydinge is. Maghmens oock met waerheyt een quade afscheydinge noemen, soo yemant sich afsonderde van een quade kercke, van de vergaderinghe der bosen? Pal. 25. 5. ist goet by den goodlosen te sitten? Psal. 1.1/25. 5. sulcke kercke en is niet Christi, maer Antichrists kercke. 3 3 c Wat oprecht Christen sal om sulcken uyterlijcken kercken vrede niet te stooren daer inne blyven? hy gaet uyt het midden van heur ende scheyt sich van heur nae ‘tbevelen Godes ( 2 Cor. 6. 17) die niet en wil dat zy een ander jock aentrecken metten ongheloovighen. Daeromme schrijft Musculus oock alsoo: Wy en ontkennen niet te wesen scheurmaeckers ende verstoorders des Catholijcken eenheydts. 4 4 d Want wy verstoren uyt een lieve ende Christelijcke gheneghenheydt de Babilonissche eendracht: ende leyden af, soo vele als wy moghen, van de onderdanigheydt ende eenheydt des Antichristischen rijcks, totte kercke ende tot het rijcke Christi. Indien alle eendracht goedt is, ende daer niet aen en is gheleghen hoedanigh die sy: soo was oock goedt der gheenre eendracht daer af Moyses hier schrijft: 5 5 e het was een volck, die een sprake hadden, ende timmerden de Stadt ende toorn Babels met een eendrachtigh voornemen, ende so was Godt oock te beschuldigen, die de eendracht verstoorde ende van een scheyde, &c.
Ghy moghet daer voort lesen. F. Gene. 11. 6. 7. 8. Om sulcke scheuringhe ende verstoringhe oordeelt de Roomsche Kercke Martijn Luyter, Zwinghel, Calvijn, met andere uwe voorneemste Leeraren, (die ghy noemt uwe heylige voorvaderen. G. pag. 19.) Schismaticos of Scheurmakers, jae ketters ende doodens waerdich. Hout ghy heur oordeel daer inne oock voor recht?

W. B.

Voor valsch ende onrecht.

Coornhert.

56Waerom dat? ‘tis immers het oordeel van een kercke?

W. B.

57Van een valsche, een Antichristische, ja geen, kercke. Vraegdy dat noch? hebbe ick voor nu niet al gheseyt, dat zy aenklaghers ende Rechters beyde zijn, ende dat noch in heur eygen sake? wie soude dat voor een oordeel houden, ende niet voor openbaer ghewelt ende tyrannye?

Coornhert.

58.So van yemant in u kercke waer geboren ende opghevoedt, oock onderwesen in


uwe leere: ende namaels, meynende of wetende uwe kercke te zijn een valsche kercke, sich daer af scheyde tot de Roomsche, Luytersche of Doops gesinde kercke: eñ tegen uwe leere schreef, anderen daer af lockende tot een van die kercken, of totte zijne, so hy een eygen kercke oprechtede: soudy die oock oordelen te wesen een Scheurmaker, ja ketter ende doodens waerdigh? lieve segt rondelijck u meynighe.

W. B.

59. Voorwaer jae wy.

Coornhert.

60. Wat recht soudy tot sulcken, om voor soodanighen te veroordelen, doch meer hebben, dan de Roomsche kercke heeft om ‘tselve te doen, met Luther, Zwinghel, Calvijn ende d’andere uwe heylige vaderen? hebben wy meer sekerheyt dat u kercke de ware zy dan een vande andere drie kercken? soude oock yemandt anders het oordeel van sodanighe geven, dan u kercke self, die oock selve soude wesen aenklager, partye, ende rechter in uwe eygen sake? merckt doch eens, lieve man, wat gonstigher rechter elck sich selve is: ende hoe strenghen rechter, ja felle Tyran, elck over een ander is, wiens rechter hen d’opperste Rechter nochtans niet en heeft ghemaeckt.

W. B.

61. Langhe hebdy daer ghesproken opte woorden meesters Johans Calvini, nopende de Scheurlinghen of Scheurmaeckers. Mijn Heere Beza onderscheyt die met breeder woorden selve klaerlijcken alsoo: Dat heur ghedencke, dat wy niet en noemen ketters te zijn, d’ongheloovighen, noch de hypocriten, noch de ghene diemen eyghentlyck noemt Scheurlinghen, nochte oock insgelijcx de ghene die eenvoudelijck dolen: maer alleenlycken die een schijn maecken van te wesen groote yveraers vande Christenheydt, des niet te min niet en rusten in des kercks ghesonde woorden, nae dat sy behoorlijck vermaent zijn, maer oock de vrede verstoren, der kercken eendracht verscheuren, ende eenighe valsche leeringhe voort brengen. S. 329.

Coornhert.

62.‘T is nochal ‘toude. Een van beyden moet ghy my noodtlijck toestemmen, te weten dat u kerck d’Overheydt blindelinghen den ketteren doet dooden: Of dat ghy ons ontwijfelijck moet wijsen een soo wijsen, waerheyt lievenden eñ onpartydigen rechter: dat hy in waerheyt weet te oordelē wie de ongelovigen, de Hypocryten, de Scheurlingen, de eenvoudige doolders ende die ketters zijn, wat des kercks gesonde woorden zijn (anders dan de Godlijcke Schrift, die nu al de kercken ende ketters daer voor houden alst recht is) wie des waren kercken (die hy mede moste kennen) vrede ende eenheydt verstoren ende verscheuren, ende wie valsche leeringe voortbrengen. Dit laetste hebdy tot noch toe niet vermoghen. Belijt dan ‘t eerste, te weten dat u kercke de Over-
heyt port om blindelingh menschen om‘t geloof te dooden, sonder te weten oft ketters of ware Christenen zijn.

W. B.

63. Hoe salment dan maken? Mijn Heere Besa schrijft (S. 295.) aldus, ende dat mijns oordeels, recht. Neempt dat inde kerck zy een Christen Magistraet. Ick vrage welck van beyden wy sullen doen. Of dat de Magistraet, die gheen ongheschicktheyt ende tweedracht van wereltlijcke saecken en mach lyden onder zijn ondersaeten, sich niet en moeye om zijn macht te bruyckē als daer questie is, om een sake vande aldergrootste die daer magh zijn: Of dat het dē genen die anders des swaerts macht niet en hebben, toeghelaten sal zijn om dat ter handen te nemen ende sich onderwinden de beteringhe sulcker beroerten mitsgaders de Straffe?

Coornhert.

64. Dat de Magistraet met zijn uyterlijcke swaert van Gode bevel heeft om d’uyterlijcke vrede te besorgen ende te onderhouden leestmen in de wet Christi, namentlijck in het Evangeli ons Christenen wet-boeck. Doet ons blijcken dat daer den Christen Princen oock wort bevolen de vrede in religions saken met zijnen stalen swaerde mede alsoo te besorgen ende te onderhouden, ick sal u dan antwoorden. Maer dat en vermooghdy, noch niemandt.
65. Nu wil ick u wat vragen waer af het doen wel staet inder Princen machte, ende segge also: Daer zy een Christen Prince, of Keyser, na wille volkomen macht hebbende over zijn gantsche rijcke: die dese religions twisten nu moede zijnde, de selve met ernstigh opset wil doen eynden.
66. Daer toe ontbiedt hy aende vier kercken, namentlijck Catholijcke, Luthersche, Gereformeerde ende Doopsgesinde, dat zy op zijnen kosten elck heur verstandigste ende Godtvruchtighste sullen schicken, met volmacht om te handelen in alle’t gene dat heur by zijne Majesteyt sal worden voorghehouden, waer van zijn Majesteyt een afschrift sendet, om immers teffens alt’samē wel beraden zijnde voor zijne Majesteydt te verschynen ten gesetten daghe.
67. Zy gehoorsaemen alle viere, verschynen voor zijne Majesteyt, ende hooren desselfs voorstel, te weten dit: wy vrunden, heten alle Christenen. Die is een vrede-vorst eñ geen twist-heer. Ghy twist onophoudelijck. So vereenigt u nu gesamentlijck in vreden, of bekent dat ghy geen Christenen en zijt.
68. Zy antwoorden d’een voor ende d’ander na, dat het so soude behoren, willigh daer toe zijn, ende dat het der drie anderer schulde is, die valsche leere leren, ende sich niet en willen laten onderwijsen. Sulcks seyt elck van ander.
69. De Keyser seydt, dat zy elck niet en mogen zijn rechter in heur eygen sake, ende dat zy daerom anderen tot heur rechters moeten nemen, die heur saecken horen, verstaen, ende dan vonnissen, wiens religie ende sendinghe recht zy.
70. Daer opent sich de swarigheyt. Niemant der vier kerckē wil ander tot rechter


lijden, noch min yemant anders buyten de vier kercken zijnde. Want zy alle vier sodanige houden voor godlosen. Daerom en konnen zy geensins bewilligen in eens rechters oordeel van heur leere ende sendinghe.
71 De Keyser wil vrede hebben, staet aen ende seyt also: soudy alle viere niet te vreden zijn, dat God selve in desen uwe rechter ware? zy bewilligen dat altesamen. Maer vragen na de wijse, ende hoe zy Godes vonnisse daer af seeckerlijck souden moghen weten? De Keyser antwoordt, het lot wordt inden schoot gheworpen, doch vallet also de Heere wil (Pro. 16. 33.) daer weetmen des Heeren wil. Nu is dit des Heeren sake self, hy kent zijn kercke self. Wie mach daer af beter oordelen dan God self? so wert het lant van beloften by lotingh na Godes wil uytgedeylt (Josu. 1. 6.) so werdt Achan ghemeldet (Josu. 7. 6.) oock Jonathan (1. Reg. 14. 42.) ende so wert Saul tot Koningh gemaeckt (1 Reg. 10. 2.) Doet mede alsoo. Men werpe het lot op u vieren, Godt sal ons te kennen geven welck de ware kercke zy van u vieren.

W. B.

72. Hola dat luyt niet wel, ten is ons niet bevolen nu na te doen, oft schoon so al ghedaen is onder Moysem. Wy zijn onder Christum, dat was den Joden bevolen te doen. Maer nerghens ist den Christenen te doen bevolen.

Coornhert.

73. Soo en kalt ghy noch Beza niet, als ghy uyt Moysem en der Joden doen voort-brenght, ‘tgeen ghy u ketter-doodinge mede pooght te bewijsen. Maer neemt dat de Keyser dan noch seyde: d’Apostelen, dat doe geen Joden en waren, vernamen door ’t lot den wille Godes wie van tween in Judas plaetse Apostel soude zijn (Act. 1. 26.) Wat soudy dan seggen?

W. B.

74. Dat alle exempelen gheen wetten en zijn, ende dat ons nu niet en is bevolen dat exempel hier inne nae te volghen.

Coornhert.

75. Daer’t u goet dunckt seghdy datmen die moet naevolghen, al ist u niet uytdruckelijck bevolen, Maer ghenomen u Gereformeerden sulcx oock antwoorden totten Keyser: ende dat die daer mede niet vernoegende aenstont segghende: dat is schrifture. Dit roert de Schrift. Wijst ons beter middel, of werpt het lot. Dat sal de ware kercke Godes zijn, die’t God door’t lot sal oordelen. Wat soudet dan zijn?

W. B.

76. Meyndy dat een vande vier gemeynten, swijghe alle viere, den Keyser daer inne souden bewillighen, ende de religie in haesaert stellen? neen waerlijck. Elck van ons hout de zijne voor de ware. D’onse souden sich liever met paerden van een laten scheu-
ren, dan Godes kercke in openbare pericule te stellen van vernielt te worden. Ende souden mogelijck d’anderen mede sulcks liever lijden.

Coornhert.

77. Maer of de Keyser dan uwe stijf-sinnighe onwilligheydt siende, ende des niet te minder in zijn ernstigh voornemen volherde, om vrede over zijn gantsche rijcke in religions saecken te hebben, tot hen allen seyde alsoo:
78. Wel aen, mach’t dan niet anders zijn met u luyder wille, so doet dit tegen u wille: ende lijdt malcanderen sonder twisten: of ick sal alle die van u allen een ander yet doet, dat hy niet en soude willen datmen hem dede, als een verstoorder vande gemeen ruste doen dooden of verjagen.
79. Segt my nu de Bisschop, so ghy mede onder die gesanten waert, wat soude u stemme zijn? soudy’t aen’t oordeel vande kercken, u partyen, stellen, of aen neutralisten: of soudy’t lot werpen laeten: of soudy anderen vreedsamelijck neven u religie lijden?

W.B.

80. Ick en soude byloo (om waerheydt te segghen) niet raden tot sulck oordeel te verwachten, noch tot sulck loten, maer tot het vredelijck ghedogen van ander religien beneven ons. Want dan souden wy noch een kercke Godes moghen blyven, die anders in sorghen van te verdwijnen soude worden ghesteldt.

II. Hooft-stuck.

Van verscheyden aerdt der ketteren.

Wolfaert Bisschop.

Alle sulcks sal u mogelijck door andere, die mijn gheleerder zijn, noch, eer dan ghy meynt, wel te recht verklaert worden. Langhe zijn wy daer inne onledigh gheweest. Nu wil ick wat segghen van verscheyden aert der ketteren.

Coornhert.

2 Soodanighe gheleerden sullen sich dan noch eerst openbaren. Maer meest al die daer zijn vanden uwen hebbe ick hier op gelesen: sonder by yemanden van heur allen eenighe seeckerheydt te konnen vinden, noch vande waere leere, noch vande ware kercke, noch van een oprecht ende onpartydigh rechter: die met ghewisser seeckerheyt, soude moghen ghelooft worden te oordelen wat een recht ketter is. Ende duchte daeromme dat ghy nu, sprekende van verscheyden aerdt der ketteren, niet meer seeckerheydts en sult konnen voordt breenghen, welcke die zijn: dan ghy ghedaen hebt van de ketteren in’t alghemeyn ende van heur ketterye.


W. B.

3. Ick meyne wel anders, ghy sullet hooren. Wy houden datter ketteren zijn. Hout ghy anders?

Coornhert.

4. Dat houde ick soo seker, als ick der selver kennisse onseker houde.

W. B.

5. Eenighe van niemanden verleydt zijnde, verleyden anderen: vele zijn door andere verleydt ende verleyden oock anderen: ende menighte vindtmer die door anderen verleydt zijn, maer self niemanden en verleyden. D’eerste zijn aertsch-ketters, vande welcke de ketterye ghemeynlijck den name krijght, als vā Manicheo de Manicheen. De tweede zijn ghemeene Leeraers, die soodanighe ketterije voorstaen. Maer de derde en zijn niet dan leerlingen sulcker ketterijen. Hebdy hier wat teghen?

Coornhert.

6. Neen. Maer hoe ende wie sal dese elck in heur onderscheydt ontwijfelijck voor’t geen zy zijn, mogen kennen ende oordelen? want sonder dat, ist al niet.

W. B.

7. Dat suldy hooren, de aertsch-ketters ende heure gemeene leeraren kentmen lichtelijck aen heure woorden, soo mondelijck als schriftelijck: ende aen heur wercken, so int oprechten van eyghen kercken, als int blijven uytte kercken des gemeenen lants. Maer de leerlinghen moghen niet verholen blijven, vermidts heur montlijck vermanen tot anderen die zy voor de ghemeen-landts leere waerschouwen, oock tot de hare aenraden, ende sich uytte kerck-ghebruycken van de ghemeen-landts leere onthouden. Hebdy my verstaen?

Coornhert.

8. Met allen wel. Maer en hebbe niet altoos ghehoort uyt u, 1 1 a noch min verstaen, waer by men ontwijflijck sal mogen weten dat sulcker aertsch-ketters (so ghyse noemt) oock heur ghemeen leeraren leere, ketterye sy. Of wildy’t aldus meynen: al wie een nieuwe of ander leere leert dan in een landt is opgherecht, dat is een aertsch-ketter: ende desselvens gemeen leeraren, diese voort leeren, oock die leerlinghen, al en leeren zy niemanden, dat zijn ketteren. Maer dat en soude niet ghelooflijck zijn: 2 2 b ten waer ghy aertsch-ketteren wilde maecken van Abraham met zijn besnijdenisse, van Moyse met zijne wetten, ende van Christo selve met zijn Euangelio: ende van Christi Apostelen ende Leeraren, ghemeyne ketters, oock vande Christenen tot Antiochien ende elwaerts, dat maer leerlinghen waren. Want alle ende elck van dese zijn soodanighe geweest, als ghy daer uytbeeldt in die onderscheydt der ketteren.

W. B.

9. God behoede my voor die grouwelijcke lasteringhe, maer wildy nu weder lochenen datter ketteren zijn?

Coornhert.
Gheensins.

W. B.

11. Datter zijn die de ketteryen tegen een ghemeen-landts leere eerst versieren, die de versierde anderen voort leeren, ende datter oock zijn diese ghelooven?

Coornhert.

12. Neen oock. Maer nadien ghy niet en mooght ontkennen, dat oock wel ware leere wordt voortgebracht teghen een ghemeenlants leere die valsch is: ende mitsdien kenlijck is, dat yemandt soo wel een ware leere mach voortbrengen, so ghy luyden self oock hout van Luther met d’andere uwe heylige voor-vaderen: als een valsche leere die ketters is, 3 3 b daer voor ghy der Doops-gesinden leere houdt, oock de Luthersche het Nachtmael, met de Zwinghelsche der Heydenen salicheydt beroerende: so luystere ick nae u bewijs waer by een Overheydt verseeckert soude moghen zijn, dat d’eene de ware ende d’ander een valsche of kettersche leere of voortbrenght of heeft. Want sonder waerachtighe kennisse van sulcx ontwijfelijck te hebben, en ist d’Overheydt niet moghelijck yemandt als ketter te dooden dan op avontuer. Dat valt sorgelijck. 4 4 c Want so heeftmen Christum, zijne Apostelen, ende alle ware Martelaren gedoodt onder den name van ketteren ende verstoorders vande ghemeen-landts vrede ende d’aenghenomen landts religie, der ouderen insettinghen, vaderlantsche wetten, seden, ende ceremonien. Soo soudy moeten ander bescheydt ende bewijs voort brenghen, om my vroet te maecken dat d’Overheydt den ketteren wettelijck mach dooden.

III. Hooft-stuck.

Wat bewijs-redenen mē gebruyckt tot het ketter-dooden.

Wolfaert Bisschop.

Dat sal ick u meer, ende treffelijcker voortbrengen dan ghy waent ende dan ghy sult moghen wederleggen.

Coornhert.

2. Spreeckt, ick hore.

W. B.

3. Ick dencke te gebruycken tot bewijs, van datmen den ketteren wettelijck om heur ketterie mach doden, Excellente ende hooghloflicke personagien die ick in eeren hebbe, als


ick behore, te weten, Philippus Melanchton, Iohan Calvijn, Henrick Bullinger, Wolgangh Capito. Die hebben dese materie so breet al ghehandelt: dat ick vele plaetsen van heur boecken maer hebbe uytgheschreven. S. 8. Ick sal oock bruycken tot bewijs (schrijft noch mijn Heere Beza B. 286. ende 287. oock) Luther, Bucer, Capito ende Regius, de welcke het den Heere heeft ghelieft binnen eenighe Iaren te trecken uyt dese wereldt. Ende oock mede, de schriften der gheenre die huyden noch door Godes ghenade, leven, ende sich in des Heeren werck vromelijck gebruycken. Vande welcke ick hier de verstandighste onghenoemt late door gaen. Op dat het niet en schyne, dat ick met der selver personagien grootachtbaerheydt alleenlijck, onse wedersaken wil overvallen. S. 287.

Coornhert.

4. Zijn dat niet menschen geweest, die mede ergens inne mogen gedoolt hebben?

W. B.

5. Het zijn personagien van soo grooter wetenschap, ende welcker achtbaerheydt soo wichtigh is in de kercke: dat Bellie die niet en heeft moghen verachten, sonder sich selve een vileyn ende rabbout te bewysen. Dat zijn de woorden mijns Heeren Besa.

Coornhert.

6. Maer niet onses Heeren Christi. Die woorden hebben schelden in, maer gheen blijck. Besa seyt die, dit blijckt, maer niet dat Bellie die bekēt waer te zijn. Segt dan, mooghdy lyden dat ick daer teghen stelle de redenen uyten schriften Piggij, Hosij, Erasmi, Castalionis, Franckens ende sodanighe meer anderen?

W. B.

7. Wat reden soude dat zijn? zijn’t niet meest al selve onse partijen?

Coornhert.

8. Zijn de uwe oock niet al meest mijn partyen? wilt ghy teghen my doen dat ghy van my niet en wilt lyen? dats immers oock geen reden. Wildy uwe tuygen gelooft hebben, ghelooft de mijne.

W. B.

9. De Schribenten by u daer ghenoemt, en zijnt selve in religions sake onderlinghen niet eens.

Coornhert.

10. Noch de uwe mede niet.

W. B.

11. Hoe soudy dat bewysen.

Coornhert.

12. Ghy moghet hooren. Luther scheldt Zwingelium argher dan een Heyden te zijn:
om dat hy de vrome Heydenen, als Socratem, Aristidem, etc. onder der saligen tal stelt. (D. Kurts. a. iiij.) met Luther ist daer inne oock eens teghen Zwinghel, Calvijn: Die de Heydenen verdoemt (Calvinus Coment. Ad Roma. 2. 12.) oock Besa, diese verlijct byden duyvelē (S. 92.) wederomme zijnt dese twee eens met Zwingel tegen Luther, inde leere vant Nachtmael. Daer siedy nu uwe vier hooft-leeraren in twee hooft-saken hooft-vyanden ende strydigh. Mooghdy dat ontkennen? of wildy noch meer bewysinghs, van die vier met meer anderen uwer leeraren (siet mijn schrift van de Predestinatie int lest des xij. cap.) in noch meer andere wightige saken: ja in dese saecke van’t ketterdooden selve, die wy nu voor hebben ghenomen?

W. B.

13. ‘Tis onnoodigh, waer toe soude dat dienen?

Coornhert.

14. Niet tot gheloofwaerdigheydt vande onsekere, strydighe ende patydighe tuygen in heur eyghen sake, die Besa tot zijn voornemen seydt te willen ghebruycken die al t’samen menschen zijn, ende gheensins vry van grove dolinghen. Niet te min, nu ghy uwer vaderen onschamelheyden ongaerne, soo ick mercke, soudet sien ontdecken, moet ick u vraghen of ghy metten Catholijcken hout: dat de H. Schrift gantsch twyfelijck is ende verdraeyelijck, maer dat des Roomsche kercks traditie alleen te ghelooven is. Lieve antwoordt rondelijck ende bedachtelijck. Want hier op sal ons gheschille meest aenkomen: soo dat ick my niet weder sal laten benemen, t’gheen ghy my nu daer af bewillight sult hebben, indien wy’t hier inne eens zijn.

W. B.

15. Gaerne. Ick houde met mijnen Heere Calvino dat voor een vervloeckelijcke blasphemie (Mar. exposit. ecclesi. Iohan. 17. 20.) Maer houde metten selven voor waerheyt de toetssteen, daer op alle leeringhe beproeft moet worden (Marlo. Exposit. ecclesias. A &. 17. 11.) Ende daer mede stemt oock over een mijn Heere Besa (W. 285. verso) seggende: Wy begeeren alleenljck, dat de Schriftuer de toetssteen zy, om te examineren alle datmen doet ende seyt inde kercke.

Coornhert.

16. Dat stemme ick u toe. Want dat is eenstemmig metter H. Schrift selve (2 Tim. 3. 16. 17.) Nu sal ick horen of ghy toe sult stemmen, ‘tgheen ick nu hier uyt wettelijck wil besluytē. Heeft Beza, om dese zijne meyninge van’t ketterdoden, klare ende eygentlijcke tuyghnisse der H. Schrifturē voor hem: wat noodt is hem menschen seggen, zijn medegesellen zijnde tot tuyghnisse te bruycken? heeft hy die niet, wat helpt hem der menschen tuyghnisse? want niet menschelijcke schriften, maer alleen de Godlijcke Schrift


is alder leeringen ende aller dingen diemen inder kercken handelt, eenige toets-steen of proeve.

W.B.

17. Te vroegh spreeckt ghy. Schriftuerlijcke tuyghnissen sullen u opkomen meer dan ghy meynt, maer dat ter gheleghender plaetse.

Coornhert.

18. Ick spreke ter rechter tijt ende plaetse. Want hier mede betuyge ick eens voor al, dat ick na desen, al u bewijs uyt menschen seggen, het zy oock van wiet magh zijn, anders dan dat van den Heyligen Godes inde Schriftuere door inne geven vanden gheest Godes gheschreven is, gheen antwoordens waerdigh en dencke te achten. Daer door onse redenen te gewisser sullen blijcken, ende behalven dat oock veele te korter sullen vallen, ook te klaerder.

IIII. Hooft-stuck.

Ofmen den ketteren moet straffen.

W.B.

Nv bestae ick te bewysen, datmen den ketteren moet straffen. Van ketteren spreecken wy, niet van ongheloovighen, als Turcken ende Ioden: noch oock niet van quaedt-doenders, als van dieven ende moorders: mede niet van die verdoolt zijn vande waerheydt door eenvoudigheydt ende onwetenheydt die niet moetwillich en is, noch gheen secten en bestaen te maken. want wy hebben bewesen (seyt de Heere Besa) dat alleen ketters worden genaemt, die willende gheacht zijn voor Christenen: ende hoe wel zy wettelijk zijn berispt ende overwonnen van heure dolinghen door Godes woordt, des niet teghenstaende liever willen volghen heur oordeel, ende teghen de kercke voorstaen stijfsinnelijck ende hertneckelijck valsche articulen des religions: sonder conscientien te maken, dat zy door haer ghedeeltheyden, der kercken vrede ende eenheyt verstooren. S. 288.

Coornhert.

2. Nopende d’onderscheyt die verstae ick. Maer d’ander mercke ick niet wel. Wildy datmen sulcke hertneckighe ketteren sal straffen.

W .B.

3. Dat is de meyninghe.

Coornhert.

4. Rechtvaerdelijck? of onrechtvaerdelijck?

W .B.

5. Rechtvaerdelijck.

Coornhert.

6. Magh dat gheschieden sonder seeckere kennisse dat yemant sodanigen ketter is?

W. B.

7. Neen.

Coornhert.

8. Weet ghy nu beter middel, dan ghy hier voren hebt weten voort te brengen, om een oppartydigh rechter, die waerheyt kent ende lieft, die noch in d’een noch in d’ander religie is, ende in wiens oordeel soo wel de beschuldighde, als d’anklager vrywillighlijck haer sake gestelt hebben: so sa lick u toestemmen dat de gene die na het oordele van sulck rechter, wettelijck is berispt ende overwonnen, ende des daer aenvolght noch blijft doende, dat sulck een is een ketter ende te recht strafbaer: ende sullen dan moghen spreken van des straffens wyse. Maer is dat niet in u vermogen, soo seght nu tegen dit u segghen, datmen opt onseecker, dats onrechtvaerdelijck, wettelijck magh straffen: yemant diemen waent, maer niet en weet, een ketter te wesen: of bekent datmen gheen ketter en magh wettelijck straffen.

W. B.

9. Wat hore ick nu. Ick en hadde niet ghemeent dat yemandt gantsch in twyfele soude hebben willen stellen: ofmen den ketteren moet straffen. Want ick en dencke niet datmen onder alle der Stoicienen leeringe soo ongheschickten wonderspraecke magh vinden. Soo zijn oock sulcke wonderbare geesten wonderlijcke periculoose pestilentiën inde kercke ende ware instrumenten des Duyvels om de kercke te vernielen. Dat zijn niet mijne maer des Heeren Bese woorden.

Coornhert.

10. Dat mercktmen wel aen der woorden soetigheyt. Maer ick mercke oock wel, dat ghy mijne woorden niet recht en hebt verstaen. Ick stelle niet in twyfele ofmen ware ketteren, maer ofmen waen ketteren sal straffen. Laet eerst ontwyfelijck blijcken dat het ketters zijn. Ketters salmen straffen. Maer hoe maghmen dat doen, sonder eerst te weten, niet te wanen, dat het een ketter is? of heeftmen noyt Christenen gedoot, die men ketters waenden te zijn? doet blijcken u seecker weten dat het een ketter is. Vermooghdy dat niet, rust, op dat ghy gheen Christen en straft in plaetse eens ketters: so meest altijt is gedaen. Het oprecht oordeel moet voor gaen, of de straf en magh niet oprecht zijn.

W. B.

11. Soude men anders gheen ketteren straffen, men souder gheen of gantsch weynigh straffen.

Coornhert.

12. Beter geen, dan onrechtvaerdige straf. Onrechtvaerdige straf is diemen op’t onse-


ker doet. Dat is quaedt doen. Men moet geen quaet doen, op datter goet uyt kome (Rom. 3. 8.) Voordt seghdy van straffen. Daer by verstaetmen misdaets vergeldingh metter handt of daet. Wat anders is berispen mette mont of met woorden.

W. B.

13. Na ick hoore, soudy den ketteren niet willen gestraft maer alleenlijck berispt hebben. Dits wat nieus.

Coornhert.

14 Dat soudy niet segghen, soo ghy het Proces politijck vant ketter-dooden teghen Justum Lipsium haddet ghelesen (j. 456.) Daer hebbe ick gheseydt ende bewesen: dat alle rechtvaerdige straf niet swaerder, dan de misdaet, maer die ghelijck hoort te wesen? daedelijcke misdaet, eyscht dadelijcke, maer woordelijcke, woordelijcke straf. Ende daer heb ick betoont dat wy Christum verachten, so wy zijn wet hebbende, die verwerpen en volgen menschelijcke geboden: waer mede hy niet ghedient en wil zijn, 448. etc. Ende daer heb ick voor oogen gestelt wie, hoe, ende tot wat eynde men de ketteren sal straffen. Kondy een rechtvaerdigher ende nutter straf dichten, laetse hooren.

W. B.

15. Als de religie wert verdorven, de duyvel inde kercke schuylt, ende men hem in Godes plaetse aenneemt, soo wert de kerck verwoest, ende Satan, vermomt in een Enghel des lichts, is daer meester. Dit is meest te vresen. Moetmen daer niet haesten met een strengher straf, den kancker in een lidt af te snyden op dat het gantsche lijf niet en verderve? S. 289.

Coornhert.

16. Schuylt de duyvel, schijnt hy een Engel, soo en kentmen hem niet, hoe zuldy zijn dienaren, u onbekent, wettelijck straffen? t’ghebeurt meest dat des duyvels dienaren Christi dienaren, voor’t gheen dat zy selve zijn, oordelen ende dooden, so ist met Christo self ghevaren, van de welcke de duyvelsche schijn heylighen seyden: hy heeft den duyvel inne, ende brahcten hem ter doot. Schijn en is geen zijn, of wesen: wat sekerheyt heeftmen van sulck oordeel en straf? men maeckt het quaet seer groot, soot inder waerheyt is: maer wat rechter is men af versekert, sulcx so sekerlijck te kennen, als een goedt wondtarts den kancker seeckerlijck kent, oock in wat lidt hy is?
17. Wilmen dan immers opt onseker de ghesontste leden afsnyden? of is nu Godes oordeel niet meer van der menschen oordeel, als Hemel ende aerde verscheyden? of schynen nu niet meer, als voormaels, de Christenen ketters in der wereldtsche schijndeughden oogen? maer of ghyse noch al seker mocht kennen: wat afsnyden suldy hier anders wettelijck mogen ghebruycken, dan datmen sulck een houde voor een Heyden, op dat het bekende quaet niet meer en schade: 1 1 1. Tim. 1. 20. ende de quade mensch sich uyt schaemte soude bekeeren ende goet worden? magh yemant
in zijn ketterye gedoot zijnde: sich bekeeren ende leven?

W. B.

18. Moyses. Asa, ende Josias hebben sich tegen ketteren gheset. S. 290.

Coornhert.

19. Dat zy doe ter tijdt deden, was heur van Gode kenlijck bevolen. Uwe Princen doen nu heur bevel blijcken, indien zijt vermogen. OOck waren dat niet ketteren, maer blasphemeerders ende valsche Propheten.

W. B.

20. Dat zijn ketteren.

Coornhert.

21. Wie heeft u dat geseyt? de H. Schrift niet. Oock en hebdy geen deser twee gestelt in uwe voorgemelde veelreleye beschrijvingen der ketteren (j. 43. 53. 55. 57. 63. iiij. 1.) Doch, wat hier af zy, sal sich bevinden als ghy sult komen tot uwe bewijsinghe uytter H. Schriftueren.

W. B.

22. Strafmense die menschen misdoen: salmense sparen die teghen de Godlycke Majesteyt sondighen? S. 90.

Coornhert.

23. Neen. Maer men sal eerst seker moeten zijn dat het ketters zijn: en daer na salmense handelen nae de wetten Christi, niet nae menschelijck goet-duncken.

W. B.

24. Sint Paulus strafte Philete ende Hymenee. Dat waren ketters. S. 290.

Coornhert.

25. Dat zeydt Beza, niet Paulus, die schrijft: op dat zy leeren niet blasphemeeren (1. Timot. 1. 20.) leeren de dooden het sondighen laten? hy berispte heur dan niet ten verderven metter doot, maer tot beteringhe ten leven. Paulus hadde macht tot sulcks, zijn uwe Princen Pauli? hebben zy tot sulcks macht? moeten uwe Princen al Pauli doen naedoen, laetse oock alt’samen predicken. Suldy dat toestemmen? het komt dan den leeraren toe, niet den Princen. Sijn die leeraren wettelijck ghesonden van Gode als Paulus was: hebben zy macht als Paulus hadde: zy moghten’t Paulum nadoen, soo’t Paulus dede. Die leverdese om heur te beteren den Satan over, niet den Princen om lijflijck te dooden. Wat ghemeenschap heeft dit met u ketter-doodinge? is dat niet onschamelijck de Schrifture misbruyckt ende ghebogen?

W. B.

26. Dats u glose.


Coornhert.

27. Beze glose heeft niet ghemeens met d’Apostels woorden, maer strijden daer tegen. Mijn seggen is begrepen in Pauli eygen woorden. Immers een uwer vaderen; by u Marloraat; Pauli woorden voorsz uytleggende; schrijft also: Laet den Bisschoppen onser tyden dit overweghen: die niet anders en zijn dan seer wreede kryghsluyden ende Stokebranden eens Godtlosen ende van Gode vervloecten kryghs. Laet heur leeren dat zy behoren, beroepen Hertogen des woorts ende voor-vechters des volcks Godes, onder de venlins des Hemelschen ende kerckelijcken krijgs te verstrecken teghen Sathan, de boosheyden, ende de ketterye. H. 1. Tim. 1. 20.
28. Dat segghen u leeraren selve. Ten is dan niet mijn glose. Immers u luyder leeraren vaen-drager self; op die voorgemelde woorden Pauli schrijvende, duydet sulck overleveren Satans niet op lijflijcke straf, als een Anania, Saphira ende Bar-Jesu ghedaen is, maer opten ban: daer mede de Corintier bloedt-schender was ghestraft. Hy houdt dat (als recht) voor een seer sware straf: niet meer in Christi rijck, maer onder Sathans tyrannie te zijn: tot dat hy weder mette kercke versoent zy, ende tot Christum bekeert (mogen de dooden na den lichame sich bekeeren?) ende acht die beschaemtheyt nut om niemant meer te bederven, als nu bekendt zijnde, om de kerck tot geen argernis te zijn by den vreemden, ende om sich te moghen tot Christum bekeeren. D. 1. Timo. 1. 20.

W. B.

29. Te houden datmen den ketteren niet en sal straffen, is een schadelijcke opinie teghen Godes leere ende door Christum bevestight. S. 290.

Coornhert.

30. Dat hout mijns wetens niemant, men salse straffen, niet nae de wreede insettinghe van menschen vernuft, maer nae de heylsame insettinghe Christi, dats de ban of als Heydens te houden.

W .B.

31. De straf is in alle Christen kercken ende tot allen tyden ghebruyckt met een gemeene eendracht. S. 290.

Coornhert.

32. Allen Christen kercken hebben altijdt Christi wetten ghehoorsaemt, ende gheen menschen goetduncken. Christi wet straftse metten ban, ende niet metten lijflijcken doode. Niet dese verderflijcke, maer Christi heylsame straf hebben zy dan ghebruyckt. Maer hebben sy ketters metter doodt ghestraft, so zijn’t geen Christi maer Antichristi kercken geweest: want dan hebben zy gevolght niet de wet Christi vanden ban: die ‘tverloren schaep soeckt ende draecht tot beteringhe, ende wiens vader niet en wil des sondaers doot, maer zijn leven: maer sy hebben dan ghevolght Antichristi wet, wiens
vader een doot-slager is: (Joan. 8. 41.) en die als een briesschende leeuwe der zielen doot soeckt ende verderven. 1. Pet. 5. 8.

W. B.

33. Sulcke propoosten houdt mijn Heere Beza niet min ongeschickt: dan of yemant seyde, men sal kerck-rovers, oock vader en moeder moorders, niet dooden: om dat de ketters boven maten veel arger ende boser zijn dan sulcke.

Coornhert.

34. Niet wat Beza, maer wat Christus hout, is hier te achten. Tis ‘toude. Men sal ketters straffen, maer na Christi wet: ende men sal dieven ende moorders straffen nae Godes wet: maer geen van allen nae Satatns wet. Die Besanische wet, is meer een Vesanissche dats een dolle ongeschicktheyt, dan eens vernuftigen menschens voortstel, sonder ende plat jeghens onsen wet-gevers wetten, ende daerom gheen antwoordens waerdigh zijnde.

V. Hooft-stuck.

Of d’Overheyt den ketteren moet straffen om Gode te eeren.

W. B.

Wy sullen dan bethoonen (schrijft mijn Heere Beza) inden eersten, dat de Magistraet heur (den ketteren) behoort te straffen: ende daer nae, dat hyse oock wel somtydts mach ende behoort te doen executeren metter doodt. S. 292.

Coornhert.

2. Laet hooren dat bethoon.

W. B.

3. Naedemael Godt alle dinghen heeft gheschapen 1 1 Pro. 16. 4. om zijn selfs willen: soo is het principale eynde des menschelijcken gheselschaps dat Godt ghe-eert soude worden vande menschen, soo dat behoort. Nu is de Overheydt inneghesteldt tot een Harder ende bestierder desselven gemeynschaps. Soo volght dat hy in de bedieninge ende beledinge desselvens voor al behoort opsien te nemen op dat principale eynde voorsz ende noch: Des Overheydts ampt is de uyterlijcke vrede te haesaerderen (alst anders niet en mach zijn) om in zijn lant te hebben ende te behouden des waren Godsdienstes suyverheydt.
4. Soo vele schelet dat hy soude moghen ofte behoren ledigh te staen van het ooghe te hebben op des religions welstandt. Ende hy en mach de religie niet beschermen noch hantvesten: dan als hy onderdrucke metten machte des swaerts, des religions verachters, de hartneckigen ende secte-makers. Dat schrijft also de Heere Beza. (S. 292.) Wat mooghdy daer teghen segghen?


Coornhert.

5. Dat de Magistraet niet min, dan alle ander menschen mede onderworpen is der algemeynen naturen wet, en behoeft gheen bewijs. Want hy is mede als alle andere een mensch. Die wet der natueren ghebiet allen menschen te doen een ander, dat elck gaerne van een ander ghedaen soude zijn. Geen menschen vintmen, die niet gaerne en heeft dat elck hem voordere tot het ghene hem alder beste zy, dit alder best aller menschen is te weten goet of Godlijck. Hier toe brengt den menschen alder meest ware kennisse Godes ende zijns selves. Dese baert liefde, tot Gode boven al, ende totten naesten als sich selve. Dit is de hooft-somme des waren religions.
6. Dat d’Overheydt also gehouden is aller menschen salicheyt te voorderē met aenwijsinge ende raet; na zijne gaven, niet anders dan alle huysvader zijne kinderen ende gesinde; is waerachtich: ende dit uyten alghemeynen wet der naturen, als ghemeyne andere menschen: maer niet uyt zijn staet of ampt, soo hy gheen leeraer en is, van Gode ghesonden, alsmen leest dat eenighe Overheyden zijn geweest.
7. Maer dat d’overheyt met zijnē swaerde niet van Gode en is bevolē des religions bescherminge, is voor inden eersten Processe, (133. a.) maer dat die door de waerheyt werdt beschermt, (324. 71.) klaerlijck ende waerlijck bewesen. Daer mooghdy lesen, ende op veel meer andere plaetsen.
8. Dus en wordt hem door mijn gevoelen ‘topsien eñ voorderinge, noch oock bescherminge des waren religions, niet wedersproken. Want sulcx doende eert hy Gode daer inne met ware ghehoorsaemheydt, als hy dat doet soo’t behoort, te weten nae Godes gheboden ende niet nae zijnen ofte anderer menschen goetduncken. Want dan zijnt niet Godes, maer menschen geboden, daer mede God vergeefs wort ghedient. Mat. 15. 9.
9. Daer Beza nu seydt van d’uyterlijcke vrede te haesaerderen om des waren religions suyverheydt te behouden, en lees ick nergens in den nieuwen testamente (met het oude hevet eē ander bescheyt, somen hier na noch sal mogen sien) den Magistraet bevolen te zijn: dat hy metten swaerde de religie sal beschermen, maer dat is het ampt onses Hemel-Koninghs metten swaerde zijns mondts in zijnen Rijcke, so mede int voorste Proces (95.) krachtelijck is bewesen. Dus doolt Beza hier niet slechtelijck.
10. Oock is daer bewesen dat de Overheydt de suyvere ende ware Gods-dienste ontwijfelijck moet kennen, uyt de valsche, so hy die te recht ende niet een valsche in plaetse vande ware sal beschermen. Die kennis is alleen by de goede, maer by gheen quade Overheyt. Nu schrijft u Beza selve, dat een goedt Prins seer seltsaem is. (S. 205.) Immers Calvijn (A. d. 28.) Dat de Princen deser wereldt dickmael doodt-vyanden zijn van de suyvere ende gesonde leere.
11. Alsmen dan allen Magistraten ampts halven de macht toe schrijft om metten swaerde de religie te beschermē: wat is dat anders dan (so Beza sich self dat tegēwerpt) datmen den dollen ‘tswaert geeft inder hant: daer met hy naemaels der goede luyden keele
afsnijdt? soo hasardeertmen niet alleenlijck des landts vrede, maer oock mede de religie self, diemē meynt te beschermen. Sal de quade Prince de quade religie niet voorstaen, eñ mitsdien de ware, die hy valsch waent, niet vyant zijn ende pogen te vernielen, ende den goeden menschen te doden eñ keel afsteken?
12. Men vraghe Lutheranen, Ghereformeerde of Doops-gesinden, of sulcx niet en is geschiet hier te lande onder Keyser Kaerle ende zijnen Sone de Koningh van Spanjen? Daer blijckt Beze seggen voorsz niet min verderflijck dan ongodlijck ende onschriftelijck.
13. Onschriftelijck segge ick, want hy daer toe gheen sproke te recht voort en brenght: maer de sproke Salomonis, 1 1 Pro. 16. 4. dat hier zijn grontfest soude zijn, gantsch gheweldelijck ende verkeerdelijck daer toe buyght ende draeyt.

W. B.

14. Daer segdy den Eerwaerdigen Heere Bezam lasteringe op. Is dat al eerbaerlijck gedaen? is u sulcx al mogelijck te bewijsen?

Coornhert.

15. Gheen lasteringh, maer ontrouheydt, eñ dat niet oneerbaerlijck, maer waerlijck: ende licht om bewijsen, doch hier korter om dat icks ergens int lange gedaen hebbe: in sulcker wijsen, dat ghy eē uwer hooft-leeraren, te wetē Henricus Bullinger, of Besam hier inne schuldigh sult moeten bekennen.

W. B.

16. Dat mach ick niet gheloven.

Coornhert.

Ghy sullet terstont mogen weten. Want Bullinger beter verstaende dan Beza, dat Godt een * 2 2 Matt. 5. 48. volkomen goedt is dien niet en mach ontbrekē noch † 3 3 Psa. 15. 12 Job 22. 3, 35. 7. 8. Luc. 17. 10. Act. 17. 25 behoeven, als wesende alle goetheydts oorsprongh ende borne, diens goeden altijt uytvlieten ende yegelijck geeft, maer van niemant yet ontfanght, soo de ‡ 4 4 1. Joan. 4 16. liefde, die Godt self is, niet en ″ 5 5 1. Cor. 13. 5. Phil. 2. 3. soeckt dat haer is, maer dat eens anders is, seydt also: (Dec. iij. serm. 10. f. 166.
17. ‘Tis wonder dat sy luyden, niet veel eer by sich self overweghen dit: dat Godt by sich self ende sonder ons ghenoegh heeft om saligh te wesen: ende dat zijn glorie streckt boven alle Hemelen, al en waer daer noyt creatuer gheschapen. Is dan Godt niet al van eeuwigheydt? Nu is Godt al glorioos van eeuwigheydt. Daerom is hy al glorioos sonder ons. Wie soude soo sodt zijn, dat hy mochte vermoeden: dat het eeuwighe licht yet glories soude mogen ontfangen van onse duysternissen? van dese onse stancke? van onse sonden? souder gheen glorie Godts zijn geweest, het en waer dan door onse boosheyden?
18. Dat schrijft so Bullinger, die een uwer voorneemste heyliger vaderen is. Straft nu Bullingher int segghen van sulcke kenbare waerheyt, voor een valsche tuyghe Godes: of seght met my dat Beza die voorsz sproke openbaerlijck verkracht ende teghen haren rechtē sinne buyght tot zijn onware opinie


19. Want wie en siet niet dat uyt Beze verkeerde duydinghe deser sproken, Godt soude moeten gehouden worden voor so eersuchtigen ende eygen-soeckelijcken Godt: dat oock de menschelijcke liefde (niet wesende dan een druppelken uyten afgront der liefden Godes) vele eelder eñ waerdiger dā de Goddelijcke liefde soude zijn? dat is niet eerlijck gesproken vande eere Godes. Ende dat soude de gront-vest zijn van’t voorschreven bewijs Beze: namentlijck op zijn grof onverstandt, of op zijn moetwilligh misbruyck der Godlijcker Schrifturen.

W. B.

20. Maer antwoort my. Is d’Overheyt niet nodigh tot onderhout vant menschelijcke gheselschappe? S. 293.

Coornhert.

Jae.

W. B.

21. Daer zijn tweederleye Overheyden, een burgerlijck of waerlijcke, ende een kerckelijck of geestelijcke.

Coornhert.

22. Alsoo.

W. B.

23. Daer is een uyterlijcke ende een innerlijcke kercken-tucht. Die uyterlijcke moetmen den waerlijcke Overheyt geven, of den Ministers, of een onlydelijcke verwerringe inne voeren. Dees werringe soude moeten zijn, soo men die uytterlijcke kercken-tucht wech name. Dat soude een menghsel zijn van de sleutelen metten swaerde des Magistraets. Ende daer uyt volght dat die de waerlijcke Overheyt toekomt.

Coornhert.

24. Ja, metten name inden schyne, maer u luyden metter daet inder waerheyt. Soo ontguygeltmen de waerlijcke Overheyt het swaert, hem d’ydele scheyde latende.

W. B.

25. Hoe kaldy dat?

Coornhert.

26. Antwoort my. Wie heeft het swaert, de beudel, of de Schepenen?

W. B.

27. De Schepenen.

Coornhert.

28. Nochtans en slaet gheen Schepen met des beudels swaerdt eenigh quaedtdoender doodt: maer dat is alleen des beudels werck.

W. B.

29. Dat is waer. Maer geen beudel slaet metten swaerde eenigh misdadighe: hy en zy dan eerst door den Schepenen ter doodt ghewesen.

Coornhert.

30. So ist. De macht des swaerts en is dan oock niet by de beudel, die d’executie doet, maer by den Schepenen of Rechters die’t vonnis wysen. Want die den beudel macht geven om den misdoender te dooden: ‘twelck hy niet en soude hebben mogen doen, so de Rechters hem vry hadden geoordeelt.

W. B.

31. Daer en segghe ick noch niet teghen.

Coornhert.

32. So en mooghdyer dan oock niet tegen seggen, dat by u kerckelijcke Overheydt de macht is van des Magistraets swaert in der ketteren saken, eñ van de sleutelen beyde: ende gheen van beyden by de waerlijcke Overheydt, die het stalen swaert daer inne draeght, ten dienste der ministeren, welcker minister of beudel hy maer en is in die sake.

W. B.

33. Ghy kalt hemel val. Ick en verstae u niet.

Coornhert.

34. Hoort dan meer ende verstaet my beter. Wie seght ghy luyden dat het oordeel heeft van de ketterye, de kerck of de waerlijcke Overheyt?

W. B.

35. De kercke ende niet de Prince. S. 422. Maer des Princes ampt is de kennis te nemen van de persoon oft oock een ketter is, dan niet.

Coornhert.

36. Is oock yemandt sonder ketterye in sich te hebben een ketter?

W. B.

37. So weynigh als yemant een Melaetsche, sonder melaetscheyt aen sich te hebben.

Coornhert.

38. Ghelijck dan niemant met sekerheyt oordeel en magh geven wie melaetsch is of niet: die de melaetscheyt niet ghewisselijck en kent: soo en magh geen Prince voorseker kennen, wie een ketter is dan niet, ten zy dat hy gewisselijck kent, de ketterye, die den mensche een ketter maeckt.

W. B.

39. Recht.


Coornhert.

40. De Prince en heeft dan oock geen kennis van des ketters persone, dan doort oordeel van de Ministers. Die kennen alleen ende niet de Prince, de ketterye (soo ghyluyden seght) ende den ketter, inden welcken zy oordeelen de ketterye te zijn, die hem een ketter maeckt: ende die zijnt alleen die van de ketterye ende de persone des ketters beyde oordelen, maer van geen van beyden oordeelt de Prince: den welcken yemant voorghesteldt wort van de Ministeren, die hem seggen, dat is een ketter, hy steeckt soo vol ketteryen als een ey vol suyvels, ende is des doots schuldigh.
41. Daer siedy nu de schoone kennisse die de Prince neemt van de persoone die Jan of Pieter heeten magh. Wat kennisse neemt de beudel doch anders van den persoon des misdadighen: dan die hem de Rechters met heur vonnisse in handen doen leveren: om als een verwesen mensch te dooden met zijn swaerde, strop of sack?
42. So maken uwe Ministeren, so Beza oock self seyt, dat vele Koningen ende Princen in desen grootelijck missen. S. 200. Den Princen, by gebreck vant dingh te kennen, ministeren van ander luyder wreetheyt. (S. 223.) ende soo wordt den onwysen Princen des swaerts macht benomen van de ministeren loosheyt: welcker beudels de Princen worden. Die den ministers de rechters laten wesen. Hebdy my nu verstaen?

W. B.

43. Ghy seght seltsame dinghen.

Coornhert.

44. Maer ware dinghen: die u Beza self seydt, doch seyt hy niet dat hy metten zijnen sulcks doen: maer schuyft dat alles opten Catholijcken. Die doent mede dat is waer, maeckende van Keyser ende Koningen heur beudels van onnosele menschen: maer ontschuldight dat Beza, die’t selve mede soo doet, mette zijnen? S. 201.
45. Want Beza hier mede den Catholijcken beschuldighende seyt: so daer huydensdaeghs een lidtmaet Christi te marteliseren is, men hout de selve wijse van oordelen: die onderhouden was int kruycen van Christo, het Hooft. De Joden leveren Christum in Pilatus handen. Die weygert. Sy roepen: hy hoort na onse wet te sterven. S. 201.
46. Recht also gaet het huyden mede toe. Is yemant so stout dat hy wat spreeckt tegen den Roomschen Antichrist, hy wort gevangen, daer komt d’een ongeleerden monnick of d’ander: die wil hem bekeeren. Met belofte van een genadiger doot. Maer blijft de gevanghen stantvastigh, ende wort de monnick verwonnen: daer hoortmen stracx: ‘t is al overlange gedisputeert. Dan disputeertmer voorts met schelden, met vyer ende vlammen. (S. 202.)
47. So maecktmen nu wrede Placcaten, niet dan van branden ende doden sprekende ende niet met inckt, maer met bloet geschreven zijnde. Hier inne wert Pilato bevolen Christum noch te kruycen, of uytte gratie des Keysers te wesen. Dit mercken vele
rechters wel. Maer sy bevelen dat der Theologien conscientie, ende leveren also een onnoosel kindt Godes in des beudels handen. Daer siedy der Papisten tyrannie. S. 203. dat ist hooft-sommelijck dat Beza daer van schrijft.

W. B.

48. Wat wildy hier al mede segghen: dat Beza daer onwaerheyt aen schrijft?

Coornhert.

49. Neen, maer wel dat hy sulck heur doen niet en behoorde te beschuldigen, of’t selve niet nae te volgen ende metter daet prysen, dat hy met woorden berispt.

W. B.

50. Wildy dan segghen datmen met Servet tot Geneven so ghedaen heeft?

Coornhert.

51. Of ick dat al seyde, meyndy dat my bewijs soude ontbreecken? maer neen, ick weet naerder wegh. Want ick wil besluyten uyt het voor-seyde mijn voordt-stel, dat de macht des waerlijcken swaerts, niet meer is by den Princen van u leere, maer by de kercke, gesamentlijck metten sleutelen, soo wel als int Pausdom, soo dat de kercken de daedt hebben, ende den Princen maer den ydelen name.

W. B.

52. Dats onmoghelijck.

Coornhert.

53. Dat dunckt u, anders weet ick: zijn beyde uwe ooren open, ghy sullet mede terstont weten. Mutius Scevola meynende den Koningh Porsenna te doorsteken, trefte zijnē penningh-meester. Des hy zijnen hant verbrande, tot straf dier dolingen. Seght, Lieve, dede hy recht daer aen, of onrecht?

W. B.

54. Hoe komt dat hier te pas? hy dede onrecht.

Coornhert.

55. Ghy sullet te pas sien komen, antwoort maer. Waerom acht ghy die zijn daet onrecht, die elck hooghlijck prijst?

W. B.

56. Onrecht ist eenen onschuldighen te straffen. Die hant was onschuldigh, maer Schevolas onverstandt was schuldigh, of veel meer Schevola selve. Want hy dede dat werck van doot-steken door de handt, ende niet de hant, die maer het werc-tuygh was. De handt most zijn wille dienen: die gaf de hant macht om te doē dat hy voor goet hadde geoordeelt om gedaen te worden. Maer wat behoeft dat veel woorden? soude een


doot-slagher sich moghen ontschuldighen, met het segghen: niet ick maer mijn handt heeft de doot-slagh ghedaen?

Coornhert.

57. Gheensins. Ghy oordelt recht. Soo is hy oock te recht een doot-slager, die door zijn dienaer of gehuyrde yemant doet doodslaen, al en is hy op hondert mijlen na daer niet ontrent. Merckt oft hier anders toegaet. De Prince noch ketterije noch ketter kennende en wil Jan noch Pieter dooden, maer den ketteren: om dat de Ministeren hem vroedt hebben ghemaeckt, Godes wil ende zijn ampt te zijn dat hy den ketteren sal dooden.
58. De Ministeren ende niet de Prins trecken dat oordeel alleen tot sich. Dit zijn de rechters dan die niet alleen en oordelen wat ketterije is, maer oock dat Jan of Pieter een ketter zy. Dit oordeel volght de Prince, die zijnen Officieren beveelt te dooden, alle menschen, die de Ministeren seggen ketters te wesen. De Ministeren ghebieden dan des Princen macht ofte swaert. Des Princen wil volght; als de beudel; heur oordeel: ende misbruyckt soo zijn macht of swaert, ten believen of bevelen der Ministeren; zijn conscientie-maeckers; by de welcke eygentlijck te spreecken, des Princen macht in desen is, ende niet by den Prince.
59. Want zy, door bedroch, zijnen wil betovert hebben, so dat zy zijnen wille ghebieden, niet anders dan des Princen wil, zijn macht gebiet. By wie is hier de macht van des Overheydts swaert: by den Ministeren ghehoorsamende ‘tswaerdt misbruyckt nae heur ghebieden?
60. So sprack eens Hertoghen sone van Athenen: Ick gebiede over de Stadt van Athenen. Gevraegt na de redene, antwoorde hy: Mijn vader ghebiet over de Stadt. Over hem ghebiet mijn moeder, want hy haer lief heeft. Maer ick gebiede over mijn moeder, overmits zy my lievet. Gebiede ick dan niet over de Stadt van Athenen?
61. Recht so moghen de Ministeren mede seggen in heure herten: des Princen swaert heeft macht int dooden der ketteren, want dat schrijven wy hem toe. Des Princen wille ghebiedt over’t swaerdt zijnre amptluyden int ketter-dooden. Maer wy ghebieden met ons oordeel (dat hy ghehoorsaemt) over des Princen wille. Wy Ministeren dan hebben de macht des Princen swaerts, daer wy over ghebieden, ende dat ons ghehoorsaemt. So heeft de Prins inden schijne, maer wy inde waerheydt soo wel het swaert, als de sleutel om saken des religions.
62. Hebdy daer wat tegens, ick sal horen. Soo langh heb ick willen spreecken, om dat aen dese sake vele is ghelegen: ende om dat de Princen so listelijck zijn betovert, dat het woordē behoefde, om dese vernieude Roomsche schalckheyt; nu Geneefsche; wat naeckter te ontdecken.

VI. Hooftstuck.

Of des waerlijcken Overheydts ampt is met zijnen swaerde de ketteren te straffen.

Wolfaert Bisschop.

Men moet de gheestelijcke mette waerlijcke jurisdictien of gherichts-dwangen niet t’samen mengen. Dit wil ick bewijsen.

Coornhert.

2. Dat bewijs is onnodigh, ‘tis self mijn seggen. Ghy luyden vermenght de sleutelen metten swaerde, desselvens macht treckt ghy luyden aen u, ende ghebiedt d’Overheyt u oordeel daer mede te dienen tegen, die ghy ketteren seght te wesen. Daer geeft niet de Prince, maer de kercke het vonnis over. Maer over dieven ende moorders heeft hy, ende niet ghy, het oordeel. Dese straft de Prince, maer de ketters straft de kercke eñ heeft in dien deele de macht des waerlijckens swaerdts.
3. Over quaet-doenders straft hy nae de burgerlijcke, maer over ketters na de kerckelijcke wetten: daer ghy, ende niet de Prince, rechters zijt. Wie anders dan die rechter, wiens vonnisse metten swaerde wordt geexecuteert, machmen seggen ‘t swaert te voeren? Hier inne mengt ghy nu ‘t swaert metten sleutelen. Dat behoordy niet te doen, maer den Prince de macht des swaerts geheel te laten behouden, ende ‘t selve niet tot u te trecken in dat deel den straf der ketteren beroerende.

W. B.

4. Men machs anders niet maken, somen den ketteren niet ongestraft wil laten. Daer seghdy self neen toe.

Coornhert.

5. Men straffe die nae Christi wet, die daer af is, dats metten banne: maer niet na wetten die het menschelijcke goet-duncken daer op versiert. Wat hier inne Christi wet is, mooghdy int eerste Proces sien, 447. 448. &c.

W. B.

6. Neemt dat eenig Weder-doper sy beschuldight. De Ministeren vergaderen, ende doen hem roepen wat sal de kercke doen? S. 294.

Coornhert.

7. Is de kerck seker van zijn onlijdelijcke dolinge ende van zijn stijf-sinnige hart-neckigheydt, sy hoort te doen niet dat Joffrou vernuft, maer dat de Heere Christus beveelt, dats hem voor een Heyden houden.

W. B.

8. Maer ofmen dat al dede, ja hem den Satan over leverde (soo dat door’t woordt Godes is


geordonneert) op dat hy leere niet meer blasphemeren. Hy sal sich gaerne afscheyden van de kercke, ende niet beters begeeren dan alsoo gestraft te worden. S. 294.

Coornhert.

9. Voorder macht heeft u Christus niet gegeven: waerom begeerdy beter macht? of meynen u Ministeren beter ordeninghe inde kercke te konnen maken dan Christus heeft ghemaeckt?

W. B.

10. Salmen die verachtingh der kercken gedogen, wat sal’t int eynde worden? Neen. Ick wil met myn met-dienaers tot Delft wat meer hebben, dat de Overigheden, behalven het voor-ghemelde, oock de valsche Leeraers, niet konnende haer leere verantwoorden, verbieden te leeren ende discipelen te maecken. (Ondersoeck des &c. ghedruckt 1582. pa. b.) als die behoort den waren Godsdienst met hare macht voor te staen. Idem pag. a. 8.

Coornhert.

11. Wat eynde sal van dit u begin wordē, anders dan vander Pausen oock soodanigh begin is geworden? wildy mede dat vande kercke Christi een moort-kuyl worde?

W. B.

12. Wat meyndy met dat woort beginne?

Coornhert.

13. Dat ghy mede begint wijser te willen wesen dan Christus is, ende bestaet u kercke beter te willen besorgen, dan Christus self, oock door zijne Apostelen die besorght heeft met zijne ordonnantie. Want die acht ghy nu niet ghenoegh te zijn om de kercke voor verachtinge te behoeden. Soude de kercke so doende om verachtinghe, ja dat meer is, vervolginghe, die Christus haer voorseydt heeft, vernuftelijck te willen mijden, niet wel onvernuftelijck ende sondelijck, Christum self in zijne geboden verachten?

W. B.

14. Als Christus self oock met zijn gheest door d’Apostelen geen swaerder straf opten ketteren en stelde, dan den ban, voor Heyden te houden, ende den Satan over te leveren: so en wasser geen Christelijcke Overheyt, die met macht de kercke voor verachtinghe ende vervolginghe mocht beschermen. ‘Tis nu heel anders. Wy hebben mogende Christelijcke Overheydt. So onbescheyden en hadde ick u niet ghewaent, dat ghy de tijden niet beter soudet hebben konnen onderscheyden.

Coornhert.

15. Eenige hondert jaren voor datter Koninghen waren in Israel heeft Godt door Moysem niet alleenlick voorseyt dat Israel Koninghen soude hebben: maer heeft oock wel ordentlijck der Koningen recht, macht
ende wetten beschrevē, daer na zy heur souden schicken (Deut. 17. 14. 15. 16. &c.) soo seght nu dat inde laetste ende quaetste tijden (2. Tim. 3. 1,2. Pet. 3. 3. Luc. 17. 22. 27.) de waerheydt by de werelt ghelooft, hoogh geacht, gelieft (Mat. 24. 12. Luc. 18. 8.) eñ voorgestaen sal worden: dat de jongheren beter dan heur meester sullen wesen (Mat. 10. 24.) dat de kercke Christi eñ die Godsaligh willen leven (2. T. 3.12.) niet meer en sal vervolght worden maer anderen vervolgen, niet meer een lijdende eñ strijdende, maer verblijdende eñ triumpherende kercke opter aerden sal wesen: ende dat God nu min heeft voorweten, dan in Moyses tijden, datter Koninghen souden komen die Christi kercke met heur gewelt soude beschermen, datter nu veel machtighen ende edelen zijn verkoren, veel wijsen na dē vleesche (1. Cor. 1. 26.) ende dat het rijcke Christi een werelts rijck sal wesen (Joan. 18. 3.) ende besoeckt wie sulcke uwe groote onbescheydenheyt sal gheloven.

W. B.

16. Salmen dan quaet-doen onghestraft laten? of en acht ghy’t voor geen quaet doē, dat zy de kercke Christi verstoren ende verachten? immers Christum selve? Want wie zijne lidt-matē veracht, die veracht immers ‘thooft selve. Daerom seyt onsen H. Bullinger Huys-boeck fa. 63. tal. 3. De lasteraers ende verstoorders, jae de verdervers der ghemeynten machmen met recht dooden . Ia datmen de genen die tegen God de heylighe wetten ende Richters wederspannigh syn, sal sonder bermhertigheyt dooden.

Coornhert.

17. Ick acht het een lasterlijck quaet, ick weet dat het straf-weerdigh is, maer dat met straf by Christum daer toe gestelt, ende niet verder. Maer ghyluyden neemt al voor bewillight, als of u kercke Christi kercke waer ende ghy zijne lidt-maten. Dit hebdy noch nergens geloofwaerdelijck doen blijcken: daer af wat geroert is hier voor (j. 27. 28. &c.) De Doops-gesinde houden u niet min voor een valsche kercke, dan ghy de Roomsche eñ de hare daer voor acht. Lieve segt nu: als het Trentsche Concilium vergadert zijnde de Luytersche, oock uwe kercken voor kettersch beschuldighde ende daer ver-dagh-vaerde, met aenbiedinge van vry geleyde: zijt ghy of de Luytersche daer verschenen om uwe saken te verantwoorden?

W. B.

18. Souden wy sottelijck betrouwen, die ketters geen geloof en houwen? zy houden ons uyt heur voor-oordeel al voor ketters. Of weten wy niet hoe zy handelden met Joanne Hus?

Coornhert.

19. Maer laet ons nemen of ghy so volcomelijck vande Catholijckē versekert waert, van geloof ghehouden te worden: als uwe voor-naemste hoofden namaels daer af waren versekert inde groote vergaderinge tot


Poyssi in Vranckrijcke Anno 1561. ende ghy daer by wiste dat niet ghy, maer zy, daer rechters souden wesen in heur eyghen sake teghen u: soudy daer gheroepen zijnde om uwe saken te verantwoorden ende heur oordeel daer af te verwachten, daer oock verschijnen?

W. B.

20. Soudy ons dat oock raden? souden wy teghen den beudel te biecht gaen? soo sot en zijn wy niet. Dat proces waer al verlooren eert begonnen waer, eer wy ghehoort waren.

Coornhert.

21. Soudy met sulck niet komen als ghy waert ontboden, de kercke niet verachten, ja Christum selve? de heylighe wetten ende richters niet wederspannigh zijn? waer dat geen quaet doen, niet strafbaer metter doot sonder barmhertigheydt? Soo u Bullinger vooren seyt.

W. B.

22. Doet hy quaet die Antichrist veracht? de Roomsche kercke is Antichristi, niet Christi, een valsche, niet de ware kercke. Doet hy onrecht, die zijn party ende aenklager selve, weygert voor zijn rechter te kennen?

Coornhert.

23. Nadien ghy luyden u selve recht geeft in sulck u doen tegen de Catholijcken: waerom geeft ghy den Doops-gesinden onrecht, als zy dat selve oock doen teghen u? waerom oordeelt ghy een selve werck van u tegen anderen voor wel ghedaen: ende ‘tselve van anderen tegen u ghedaen, voor quaedt ende strafbaer? of houden de Doops-ghesinden uwe kercke voor een ware kercke? u niet voor hare partyen? ende u voor heur wettige rechters in uwe sake tegen heur?

W. B.

24. Dat en seggen wy niet. Maer weten wel dat zy ons houden voor een valsche kercke, voor heur formele partyen, ende dat zy ons niet en souden voor heur rechters willen lijden.

Coornhert.

25. Nu make ick u selve rechter, of ghy so een Doops-gesinde, die ontboden zijnde voor u Consistorie weygerde te verschijnen, oock voor den Princen als zijns swaerts straffe verschult hebbende, met meerder recht soude mogen beschuldigen: dan de Catholijckse kercke u voor heur Princen souden moghen aenklaghen, van verachtinghe der kercken Christi, der lidtmaten Christi ende volgens dien van Christo selve: ende van wederspannicheyt teghen de rechters?

W. B.

26. Wy en segghen dat niet alleen van de Doops-ghesinden, maer daer sal oock op-
staen eenigh Discipule van Servet, of van Schwenckfelt, of van Osiander. Gheroepen zijnde sal hy komen. Maer dat om de kerck te oordelen. Die wort ghedronghen hem in den banne te doen. Hy houdt niet op, vindt aenhangh, ende maeckt noch een ander secte.
27. Entlijck rijst daer oock op eenigh Academijck of Twyfelaer. De kerck ontbiet hem, hy verschijnt, spreeckt soetelijck, bekent zijn onwetenheyt, ende sal nochtans tegens der Secten aert seggen, dat hijt alles alleen weedt, ende dat alle anderen niet en weten, met protest nochtans dat hy niemant en veroordeelt noch en blameert: men doet hem mede inden ban, hy vergadert leerlinghen, ende hout schole van zijne dromen. Wat sal de kercke hier doen? S. 294. 295.

Coornhert.

28. So daer geen hoop meer en is, zijnenthalven, magh de kercke rusten, als het heur gedaen hebbende: ende Gode bidden dat hy de zijne voor verleydinge beware, door dn rechten harder zijnre schapen; zijnen soone Jesum Christum: ende sich niet onderwinden wijser re willen zijn dan dese heure eenighe harde: als of zy zijne wetten konden verbeteren met toevoeginge tot de selve dat ver vloeckelijck is verboden. Apo. 22. 18. Deut. 12. 32. Deut. 4. 2. Pro. 30. 6.

W. B.

29. ‘Tis wel geseyt. Die honger heeft, sal den Heere wel aenroepen. Maer hy en sal nochtans ten exempel van Helias niet wachten tot dat een Engel hem te eten brenge. Maer hy sal nemen; als vander hant Godes; de spyse die hem een ander sal gheven: of die hy self door eerlijcke ende gheoorlofde middelen sal hebben verkregen. S. 295. Dat seyt Besa.

Coornhert.

30. Is u Besa hier self al bescheyden, dat hy so heel onbescheydelijck onghelijcke dinghen by een vergelijckt?

W. B.

31. Waer inne dat?

Coornhert.

32. Gelijck als Godt den mensche naden lichaem voedet gemeenlijck door ordinarisse, soo voedt hyse oock, alst hem beleift door extraordinarisse middelen. Ist niet so?

W. B.

33. D’ordinarisse sien wy noch dagelijcx ende bruycken die oock selve. D’extraordinarisse heeftmen moghen lesen van Moyse, van Helia, van Christo, van Daniel inder leeuwen kuyle, immers van Israel metten Manna, ende anders meer.

Coornhert.

34. Heeft de kercke Godes soo mede niet een ordinarisse ende extraordinarisse bescherminghe?


W. B.

Onghetwijfelt.

Coornhert.

35. Welcke zijn die? is d’ordinarisse bescherminge der kercken Godes oock yet anders dan zijn wort, zijn wapeningē ons by Paulum beschreven, 2. Cor. 10. 4. 5. , 2. Thes. 2. 8. Heb. 4. 12. te weten Christus self, wiens tegenwoordigheyt hy self den zijnen tot des werelts eynde toe heeft belooft (Matt. 28. 20.) die Emanuel is, dat’s Godt met ons (Matt. 1. 23.) so dat niemant en mach tegen ons zijn (Rom. 8. 31. Jer. 1. 19.) vermits zijn wijsheydt alle onse wederstanders niet en sullen mogen verstaen? Luc. 21. 15. Act. 6. 10. Isa. 49. 2, 41. 11. Jer. 1. 10.

W. B.

36. Dat zijn de ordinarisse middelen van Gode der kercke Christi verleendt tot haer bescherminghe: dit weten wy mede wel, van ghelijcken zijn ons noch den onsen niet onbekendt, de extraordinarisse middelen, daer door Godt, alst hem belieft, de kercke wonderbaerlijck beschermt, somen leest van Loth (Gene. 19.) van Israel (Exo. 14.) van Gedeon (Judic. 6. 14.) ende anders meer. Maer wat meyndy hier mede?

Coornhert.

37. Vraegdy dat? merckt ghy noch niet hier aen, of Beze onbescheydenheydt, of arghelistigheydt, int verlijcken van sulcke ongelijcke saken? Seght dan: soude hy Gode niet terghen die Godes ordinaris middele verachtende; op een boom gingh sitten bidden ende wachten nae ’tHemelsche broodt, daer hy ander middel hadde om lijflijck broodt te bekomen?

W. B.

38. Wie twijfelt daer aen? seydt de Heere Beza sulcx hiet niet selve? so en wilde Christus niet vanden Tempel af-springen, ende Gode temteren, de wijle daer trappen waren om af te gaen. Dit u seggen is gantsch voor ons.

Coornhert.

39. Dat suldy nu hooren. Heeft Christus erghens de kercke bevolen, dat zy in noode zijnde van de ketteren ofte valscher Propheten aenvechtingen, hulp of bescherminghe soude soecken aen Princen, ende heuren toevlrucht souden hebben totter menschen arme of macht?

W. B.

Dat en segghen d’onse niet, noch dat en weet ick oock niet.

Coornhert.

40. Ick weet het jeghendeel, immers dat Godt sulcx verbiet. Ja oock dat Paulus dat verkorē vat selve biddende tot verbrey-
dinghe vanden Euangelie om verlossinghe van Satans kaeck-slaghen, vanden Heere hoorde: dat hy sich soude vernoegen mette genade des Heeren, wiens macht wort volbracht in kranckheyt. 2. Cor. 12. 8. 9.

W. B.

41. Al versoecken wy der Princen hulpe, daerom en vertrouwē wy ons daer op niet. Maer wat grover misbruyck der Godlijcker Schrifturen laet ghy daer mercken? die sproke Pauli te allegeren tot het niet begeeren van menschelijcke hulpe? die dient eyghentlijck om der menschen aengheboren sondelickheydt te bewijsen, daer ghy teghen zijt, ende d’onse staet toe die woorden Pauli te ghebruycken, die zy verklaren met zijn woorden totten Rom. 7.

Coornhert.

42. Hoe recht zy dat Capittel Rom. 7. verstaen, heeftmen moghen sien in mijn gheschrift genaemt Na-dencken: ‘twelck na al eenighe jaren in druck zijnde geweest gheen vande uwe yet daer teghen heeft bestaen te schrijven. En hoe wel uwe Hooft-leeraren dese woorden Pauli hebben verstaen suldy nu mogen verstaen. Seght dan, houdy dat verkoren vat so godloos te zijn geweest ten tijde als hy dit totten Corinteren schreef, dat hy sich self gheroemt soude hebben in zijn sondelijckheyt of quaetheyt?

W. B.

43. Dat zy verde. Wie soude dat houden?

Coornhert.

44. Dat moet ghy selve houden metten uwen: of ghy moet houdē dat d’Apostel daer niet en spreeckt van een aengheboren sondelickheydt, of quaetheydt, of yet desgelijcks, maer van eenrehande ander kranckheyt die niet sondigh noch quaet en is. Want Pualus seydt daer uytdruckelijck: dat hy in zijn kranckheyt wil roemen (2. Cor. 12. 9.) ende dat hy een wel-behagē heeft in zijne kranckheyden (2. Cor. 12. 10.) Soo moet d’Apostel sich daer van sonden beroemt, ende een wel-behagen in zijn quaetheyt gehadt hebben, so uwer Hooft-leeraren glosen hier op waer zijn, ende d’Apostel sich godloselijck beroemt hebben. Wat seghdy hier toe?

W. B.

45. Dat stemme ick niet toe. Maer wat soude dan (na u meyninge) de kranckheyden hier zijn, die Paulus daer soo klaerlijck noemt met dat woort kranckheyt?

Coornhert.

46. Hoort niet mijne, maer des Apostels verklaringhe daer af selve, daer soo naecktelijck uytghedruckt zijnde. Wie weet zijn meyninge beter dan hy selve? die seyt: Daerom hebbe ick een behaghen in kranckheyden (welcke?) in versmaetheyden, in nooden, in vervolginghen, in benautheyden om Christi willen. Want als ick kranck ben, dan


ben ick sterck (2. Cor. 12. 10. oock 2. Cor. 6. 7. 8. &c.) Dit was zijns roemens eyndelijcke oorsake in zijn kranckheyt, daer af hy int voorgaende versken hadde gheseyt: op dat de macht Christi in my woone. In Christo vermocht hy’t alles, die hem sterckte (Phil. 4. 13.) namentlijck homgheren, ghebreck lyden, &c. Ende dit was de kranckheyt daer af hy oock gesproken hadde, (2. Cor. 11. 21.) te weten het lijden van arbeydt, van slaghen, van gevangenisse, doodt, geesselinge, steeniginge, &c. 2. Cor. 11. 23. &c.
47. Salmen u dan, die een Predicant zijt, noch moeten bewijsen dat Godt zijn kercke heeft willen oprechten ende vesten door arme krancke, ongeachte, weer-lose visschers, ende niet door des wereldts vorsten, achtbare, geleerde ende mogende luyden, sonder heur hulpe, immers teghen heur vervolgh ende tyrannye: op dat niet menschen, maer Gode alleen de eere daer van soude zijn, ende de gelovigen een vast betrouwen daer uyt souden vaten in alle noden ende vervolgingen: dat de almoghend trouwe Godes de selve nu niet verlaten, maer sonder, oock teghen alle hulp van menschen, wel staende houden ende als zijn oogh-appel beschermen? Zach. 2.8.

W. B.

48. Die text en hebbe ick so noyt verstaen, de onse verstaen die als ick seyde. Doch vinde ick u seggen nadenckens waerdigh.

Coornhert.

49. Vindy niet nadenckens waerdigh dat ghy met u versoecken van de macht des waerlijcken Overheyts Christo de eere niet en wilt gonnen, maer den Princen, van’t beschermen der kercken Christi? dat ghy Gode mistrout ende menschen betrout?

W. B.

50. Soude hy juyst Gode mistrouwen ende menschen betrouwen moetē, die der Princen bescherminge tegen den ketteren versochte? Mach de kercke daer tegen niet gebruycken eerlijcke ende geoorloofde middelen?

Coornhert.

51. Ja. Maer bruycken die eerlijcke end geoorlofde middelen die Gode verachtende, de middelen die hy heeft te ghebruycken bevolen verwerpt, ende daer teghen die hy heeft verboden ter handen neemt?

W. B.

Geensins. Maer dat en doen onse kercken niet.

Coornhert.

52. Niemant meer. Sal ick u moeten bewijsen dat God zijn kercke, in noode zijnde, gebiedt op hem alleen heur betrouwen, toeverlaet, hoop ende troost te setten, ende dat hy heur hulpe, vaste-burgh, ende getrouwe bystander te zijn vastelijck belooft ende toeseydt?

W. B.

Neen. Daer af is de gantsche Bibel vol. Dat weten wy selve al wel.

Coornhert.

53. Maer niemandt en doet dat minder dan uwe kercken. So mede en behoeve ick u niet te beruygen metter H. Schrift, dat zy al vervloeckt wordē van Gode (Jere. 17. 5.) die menschen betrouwen, die op Princen betrouwen, ende dat het beter is opten Heere te betrouwen, dan opten menschen, Psal. 8. 9. Dat het beter is opten Heere te betrouwen dan opten Princen. Psal. 145. 3.

W. B.

54. Onnodich is dat bewijs, wy zijn des al wel wijs.

Coornhert.

55. Soo staet u nu toe my te bewijsen, dat Christus Jesus zijn kercke ergens heeft bevolen, des werelts Princen in noden aen te roepen, om heur met haer gewelt te beschermen: of dat de kercke sulcks eerlijck mach doen ende dat het geoorloft zy: niet jegenstaende Godt in zijn woordt u dat uytdrackelijck verbiedt, ende op hem alleen (desem aengaende) te verlaten u gebiet: Of rondelijck de waerheydt te belijden, dat God niet met u en is, Christus niet uwer kercken hooft, noch de waerheyt niet in u kercke is: maer dat ghy de waerheydt niet en kendt, haer niet en betroudt, noch Christum, oock Gode niet: en dat ghy navolght der Catholijcken voet-stappen, en met heur der ouder Phariseen onverstant en mistrouwen Godes in’t hulp-soecken van Pilatus beschermen mede, als die bloedt-mannen met listen of dreyghementen de Princen tot uwe vernieude tyrannye aen-lockende of dringende. Maer want hier af vele is ghehandelt int eerste stuck van desen Processe, soo laet ick af. Wat ghy hier tegen sult seggen wil ick horen, ende te dien eynde swijghen.

W. B.

56. Wat sal’t dan zijn, als men des Overheydts hulpe niet aen en roept: of als de Magistraet door den vingher siet, ende zijn behoren niet en doet, nae eysch vande saecke: is daer dan de kercke niet in grooten pericule van een openbare verderffenisse? ick segghe de kercke van dien lande? S. 296.

Coornhert.

57. Ja, daer wast. Daer springt het mistrouwen Godes ende Christi naeckt uytte borst van Beza. Daer thoont hy opentlijck dat hy niet op Godes, maer opter menschen, op Princen macht betrout: ende daer laet hy sien dat hy de waerheyt niet en kent, dat zijn kerck met hem hier inne Christum niet en heeft: en dat zijn kercke geen ware, maer een valsche, niet Christi, maer Antichristi, ende niet Godes maer des Duyvels kercke is, die niet der sondaren leven, maer heur doodt benaerstight aen ziel ende lijf.


58. Betrout Beza niet Godes, niet Christi, noch niet der Apostelen woort: Hy hoort immers ten minsten zijns meesters Calvini woort te betrouwen: die hy hout voor soo hooghwaerdighen ende getrouwen dienaer Godes. Die schrijft dat oock de Engelen Godes, door Godes bevelen, sorghe dragen voor de kercke. Ghelooft hy daer inne zijn meester, wat van node ist hem menschen beschermenisse in node aen te soecken?
59. Wel aen, wildy met Beza en d’anderē immers noch sonder, ja plat jeghen Godes gebodt met des Princen gewelt beschermt hebben de kercke: so moet ghy voor al twee saken ontwijfelijcken doen blijcken.

W. B.

Welcke?

Coornhert.

60. Eerst dat u kercke die ghy wilt beschermt hebben de ware kercke Godes zy: want zy en zijn so heel onschamel niet, dat sy souden derren begeeren, dat de Princen een valsche bescherme: ende ten anderen, dat de Prince self versekert zy dat hy gheen valsche, maer een ware kercke beschermt: want wat niet uyten gheloove en gheschiet is sonde (Rom. 14. 23.) sonderlingen in so wichtigen sake, daermen dolende, niet ketters, maer Christi lidtmaten soude dooden. Weet ghy nu middel tot het eerste, laet hooren. Tot noch toe en hebdy’t niet waerschijnlijck vermogen te bewijsen.

W. B.

61. Dat neem ick in bedencken. Wat ick nu niet en vermach, sa lick mogelijck op een ander tijdt vermoghen, of andere meer dan ick vanden Heere begaeft zijnde.

Coornhert.

62. ‘Tis my lief. Maer wat seghdy op het tweede. Is des kercks oordeel (genomen oft een waere waer) altijdt oprecht? mach de kercke niet dolen?

W. B.

63. Waer dat, wy waren noyt afgescheyden vande Roomsche. Immers inder Apostelen kercke self (die was ontwijfelijck de ware) is metter tijdt dolinghe in gheslopen, jae oock wolven onder schijn van harders. Hier mede stemt H. Bullinger (Huysboeck Dec. v. sex. J. f. 214. 3.) schrijvende: Dat de Israelitische ende Apostolische ghemeenten schandelijck ende swaerlijck ghedwaelt hebben.

Coornhert.

64. Mach dat nu mede niet geschieden in dese u luyder kercke, of zy nu schoon al gantselijck suyver ware van eenige dolinghe?

W. B.

65. Niet ick, maer de Heere Beza sal u dat self beantwoorden. Die schrijft hier
(S. 296.) Dat het alle daghe gebeurt, dat de herders self wolven worden.

Coornhert.

66. Dat is so. Mede schrijft hy hier oock (S. 205. 206.) Dat ter wereldt gheen dingh seltsamer is dan goede Ministers des woorts: ende datmen gheen dingh ordinaerlijck meer en siet, noch in grooter ghetale, dan valsche Propheten.

W. B.

Soo ist. Maer waer wil dit heen?

Coornhert.

67. Dat merckt nu. Het oordeel, of kennisse vande leere ende ketterye, laet Beza den Princen niet toe, maer alleen de kercke. (S. 422.)

W. B.

Alsoo.

Coornhert.

68. De Ministerē, niet het volck, oordelen dan, of de beklaeghde kettersche opinien heeft, ende volgens dien of hy een ketter is: den welckē zy dan den Princen overleveren, om met heur swaert gedoot te worden.

W. B.

Sy doen.

Coornhert.

69. Inde kercke is dan het meeste ghetal Wolf-ministers ende valsche Propheten: ende dit al nootlijck nae Beze eyghen klare ende naeckte woorden. Of wildy daer teghen segghen?

W. B.

Sy staen daer. Ick mach noch wils niet wederspreken.

Coornhert.

70. De meeste stemmen maken’t vonnis. Die zijn dan wolfs of valsch Propheten stemmen. Wat oordeel heeftmen van uwe kercken dan anders te verwachten, dan wolfs oordeel, dan valsch Prophetē oordeel? daer sullen de wolven een schaepken Christi voor een wolf, en een dienaer der waerheyt, een valsch leeraer te zijn oordeelen, voor een ketter ende verleyder veroordeelen ende den onwijsen Prince voor sulcks om ghedoot te worden over-leveren. Moet dit uyt Beza leere ende u alder opinie niet ontwijfelijck volgen? ist oock noyt geschiet dat so de rechte Wolf-bisschoppen of Bijt-schapen onnoselen schapen verslonden? dat Godlose ketters also ware Christenen deden dooden?

W. B.

71. Ghy schampt op mijnen name. Doch mach ick de waerheydt niet ontkennen


Maer ist daerom waer dat sulcx altijdt geschiet? Mach’t niet wel vallen dat een oprechte Gamaliel sulck quaet belet? of meyndy datter niet een Gamaliel onder onse kercken en is?
72. Ick selve, om waerheyt te seggen, en hebbe noyt mijn dagen behagen ghehadt in dit dooden der ketteren, maer daer aen in mijn herte ghetwijfelt. Ende vernemende door uwe schriften dat ghy daer teghen waert, socht ick oorsake om eens grontlijck met u daer af te spreken. ‘Tis my geluckt, ick vandt middel, ende om de sake des te beter te ondertasten: stelle ick u voor het ghedruckte boeck by Beza daer van gemaeckt: die in mijnen oordeel subtijlder is dan d’anderen, die mede van’t ketter-dooden hebben gheschreven (welcker argumenten ick mede eenige daer onder menge) ende dat daeromme, so ghy Beze argumenten kondt wederleggen, dat d’andere dan minder kracht by my souden hebben.

Coornhert.

73. U doen is my lief. Nopende nu u seggen datter Gamaliels ende vroom-hertige mannen oock zijn (swijghe van mogen zijn) onder de Gereformeerde Ministeren, gelove ick wel, hope sulcx oock. Maer dat onder alle Ministers, Predicanten of Dienaren des woordts verde het meerdeel gheen harders en zijn, maer wolven: geen ware Leeraren, maer valsche Propheten, bekent hier Beza self.
74. Waren tegen een Eliam hiet 450. en teghen Micheam niet wel vier hondert valsche Propheten? Lieve merckt doch, somen noch maer drie valsche leeraers en vant, tegen twee oprechte: nadien na de meeste quade, en niet nae de minste goede stemmen, het oordeel plaets grijpt: in wat ghevaerlijckheydt datmen Christi schapen stelt: alsmen om’t geloof yemant soude dooden. Wat vallet dan voor een bloet-stortinge der onnoselen, nu de oprechte harders soo gantsch seltsaem zijn, ende de wolf-harders so onmatelijcke veel zijn, na Beze eyghen belijdenisse, na der Schriftueren tuyghnisse, ende na de experientie selve?
75. Sullen de wolvē oock wolven verslinden? neen waerlijck, maer schapen. D’een wolf en bijt d’ander niet. In dese groote gevaerlijckheydt stellen de uwen de schapen Christi: ende dat sonder noot: (want Christus sal self zijn kercke beschermen) oock sonder, ja tegen Christi bevelen: alleenlijck uyt heur onkunde der waerheyt, mistrouwē Godes, en uyt menschelijck goet-duncken: waer mede God niet en wil gedient wesen. Soude die grove ende verderflijcke dolinge dan noch recht mogen schijnen inden oogen van eenigh mensch, die den Bybel oock maer eens heeft door lesen?

W. B.

76. Daer is swarigheyt inne te mercken. Mae rist over d’ander zijde al veyligh? Gheeftmen d’Overheydt de macht niet, om naer eysch des misdaedts te bedwinghen de verachters der uyterlijcken Disciplinen van de kercke ende de hart-neckighe sectmakers: daer sal noorlijck volghen moeten een oneyn-
delijcke ende ongelooflijcke confusie of werringhe. S. 297.

Coornhert.

77. Gheen ander, dan dat sulcke ketters (zijn zijt) uwe kercke van selfs sullen suyveren van’t schuym, door heur willighe afsonderinge vande kercke. So lietse Christus onbehindert van sich scheyden, die sich sieten aen zijne woorden (Joan. 6. 66.) dat is gheen confusie maer veel meer een naerder ende eendrachtiger vereeniginge te noemen. So zy dan oock daer en boven door den ban bekent ghemaeckt worden, moghen zy min dan inde kercke schuylende, schade doen met arghernisse te gheven: ende daer en boven meer oorsaecke hebben om door beschaemthey heur te bekeeren.
78. Ende heeft dan de kerck in allen ghevalle ’t haer gedaen in’t ghehoorsamen vande wet Christi: daer zy ander straf buyten ende teghen Christi wet door d’Overheydt, uyt heur goet-duncken doende, opentlijck sondicht ende Christenen mach dooden in plaetse van ketteren. Sydy daer Christi wet verlatende ende u vernuft volghende, voor beschermt? maer seght my, zydy versekert dat de Overheydt altijdt sal zijn wijs, onpartydigh, ende een lief-hebber der waerheydt?

W. B.

79. Neen. Ick hebbe hier voor ghesien (v. 10.) u uyt Beza voortbrenghen, dat een goet Prince seer seltsaem is, ja dat de Princen dickmael zijn doot-vyanden vande suyvere Religie, so Calvinus daer oock seyt.

Coornhert.

80. Die dat soude ontkennen, die soude moeten segghen dat Christus, zijne Apostelen ende alle Martelaren niet om de religie, maer om misdaet ghedoot zijn geweest. Ja hy soude moeten seggen dat Keyser Kaerle, zijn Sone, de Koningen van Vranckrijcke, onser tijden gheen tyrannen noch vyanden des ware religions, maer goede Princen zijn geweest: ende daer tegen die zy om religions saecke ghedoot hebben gheen Christenen, maer doodt-schuldighe oproerders. Wat dunckt u nu. Hebben die Princen heur macht wel of qualijck ghebruyckt?

W. B.

81. Dat beantwoordt de Heere Beza self, met dese vraghe: Maer wat sal’t zijn (suldy segghen) als d’Overheydt zijn macht misbruyckt? sullen wy niet vallen int selfde pericule, dat ghy wilt voorkomen: of in een ander, dat noch grooter is? Ick belijdt seker, ende bekenne oock dat het sulcks is. Want men mach de kercke hier ter wereldt soo niet oprechten, dat zy gheen pericule en zy onderworpen. (S. 297.) Dat zijn Beze eyghen woorden.

Coornhert.

82. Die eyghen woorden Beze brenghen ontwijfelijck mede dat hy een lidt wil doen


af-snijden, uyt vreesen datter een vlecxken aen’t lichaem soude moghen komen: dat hy een raedt gheeft tot genesingh des beduchte kranckheydts die veel argher is, dan de sieckte self soude zijn, als die al in’t lichaem waer. Inden raedt jae wet Christi, is met allen geen pericule te beduchten: maer niet dan beteringe te verhopen, so by my nu terstont is bewesen.
83. Maer in dese raet Beze bekent hy self groter pericule te zijn dan, die hy daer door meynt te voorkomen. Soo raedt hy dan in allen gheval niet tot veyligheydt, maer tot pericule, jae tot de meeste pericule. Sijn zy dan al heur sinnen die liever sondigende dan veylighen raedt Christi versmaden dan volghen: ende Beze so periculosen raet tot heur tijdtlijck ende eeuwigh verderf gheloven: ende dit noch plattelijck teghen’t ghebodt Godes, willende dat wy Christum sullen horen? Besa noch de Ministeren en zijn Christus niet. De pericule bemint sal daer inne vergaen. Ecli. 3. 27.
84. Wel aen, Besa, Calvijn, oock de Delfsche Predicanten schijnen so grooten vrese te hebben voor der kercken Christi grondelijcke vervallinge, soo d’Overheyt die met heuren swaerde niet en beschermde: (Also sonder coercio of dwangh geen kerck en heeft bestaen. P. P. antwoordt Leytsche Remonstrantie, etc. f. e. ij. eerste Proces 75.) die en beschermdese daer mede niet als zy int teghendeel die grouwelijck daer mede vervolghden. Dit hebben onse oogen selve ghesien. Is de kercke Godes daer door (dat arger is dan’t niet beschermen) grondelijck vervallen?

W. B.

85. ‘Tis recht anders gevallen. Want zy is daer mede uytghebluscht, recht als inwerpsel van droogh hout int vyer, den vlammen leschet. Sy is daer door vele meer vermeert. In vervolginghen bloeyt, in vreden verdort de kercke. Besa en ontkent self oock niet, dat de kercke magh bestaen sonder d’Overheyts bescherminge. Sijn woorden zijn dese: So dick ende menighmael als de Heere zijn kercke niet en verleent de ordinarisse middelen ende hulpe: soo is hy ghewoon die te onderhouden door extraordinare oordeelen ende middelen. S. 298.

Coornhert.

86. Wat noodight heur dan Godes hulpe te mistrouwen, tegen zijn verodt menschen te betrouwen, ende des kercks gront opter Princen arm te bouwen? Opter Princen arm, segge ick, die noch meest vyanden der waerheyt zijn, ende kercke so verwoedelijck als bloedelijck vervolgen?

W. B.

78. Neen, seyt Besa, daer-en-tusschen en is ons niet gheoorloft, onder eenen schijn van te vallen onder een tyrannijcke wreetheydt, den Overheydt te benemen het voorneemste deel zijnder jurisdictien: ende achterlaetende de ordinarisse remedie, een ander, die extraordinaris is, van Gode te begheren. Want het is een besloten punt, dat d’Apostel seydt: dat
alle ziele onderdaenigh moet zijn d’overste macht. S. 298.

Coornhert.

88. Men magh d’Overheyt niet benemen dat hy niet en heeft, dat d’Overheyt gheen jurisdictie noch ghebiedt en heeft int rijcke Christi, dat maer een Prins, Coningh of gebieder en heeft, ende gheen twee: daer inne Koningen ende Princen soo wel ondersaten ende gheen ghebiedende Heeren en zijn, als de gemeenten, is voor int eerste Proces bewesen (j. 19. 20.) dus is dit segghen Bese hier loutere ydelheyt. Wilt ghy bewysen dat d’Overheyt gebieden heeft in Christi rijck, dat niet en is van dese werelt, so des Overheydts rijcken zijn, ick sal’t aenhooren ende antwoorden. Maer datmen d’Overheydt moet onderdanigh zijn on wereltsche saken, als in heur gheboden over lijf ende have, is buyten twyfele. Immers Besa maeckt hier inne self onderscheyt buyten zijn weten, soo’t schijnt.

W. B.

Dat en sie ick niet.

Coornhert.

89. Ick wel, oock dat hy spreeckt tegen sich selve. Want int slot seyt hy, sonder yet uyt te sonderen, dat alle zielen des Overheydts macht onderdanigh moet wesen. Rechts daer voor schrijft hy weder dit: ende soo ons yet wort gheboden (van een ongheloovige Overheyt) dat tegens Gode is: soo moetmen Gode meer ghehoorsamen dan menschen. Beveelt hier Besa niet het een tegen’t ander? of is het gehoorsamen des Overheyts ende heur niet te ghehoorsamen niet plat strydigh teghen elckander?

W. B.

90. Het is. Maer hier inne en kan ick u niet recht geven van dat Besa sich self soude tegenspreecken. Want daer Besa eerst seyt datmen Gode in moet ghehoorsamen ende niet den Princen: spreeckt hy van Godlijcke saken, inde welcke de Prince niet, maer God alleen te gebiedē heeft. Maer daer hy int slot schrijft dat alle ziele des Overheyts macht onderdanigh moet wesen: spreeckt hy van wereltsche saken, daer over Godt selve den Princen het gebieden heeft ghegeven. Van dese onderscheyt hebdy self tersont geroert. Hebdy self in Bese woorden desen onderscheyt niet konnen mercken? dat wondert my waerlijck in u.

Coornhert.

91. Meer dan ghy meynt, vrient. Want hier door self gheefdy my reden uwent halven te verwonderen.

W. B.

Waer af?

Coornhert.

92. Dat ghy self niet hebt willen noch konnen mercken, dat hy sich self wederspreeckt


in dese twee stucken hier vanden Prince niet te ghehoorsamen ende van hem te ghehoorsamen: maer (dat meer is) dat Beza hier Balamiserende, dats tegen zijn voornemen hier opentlijck weder-spreeckt zijn opinie van’t ketter-dooden, die hy met dit boeck door-gaens meynt te bevestigen.

W. B.

Kondy my dan bewijsen, ick sal bekennen dat ghy u te recht van mijne, ende ick my t’onrecht, van uwe onachtsaemheydt hebbe verwondert.

Coornhert.

93. Daer is niet langhe toe. Antwoort dan. Ick houde dat een Prince te recht wert gheseyt ghebiedens macht te hebben, in alle saecken daer Godes bevelen blijckt datmen hem in sal ghehoorsamen: ende daer toe hy van Gode macht heeft ontfanghen, om te doen worden, ‘tgheen hy ghebiet, het zy dan oock met of teghen wil zijnder ondersaten. Sydy daer teghen?

W. B.

Neen. Die beschrijvinghe van d’Overheyts macht houde ick voor oprecht. Meyne oock niet dat yemant van d’onse daer tegen souden willen segghen.

Coornhert.

94. Het teghendeel moet dan in sich mede waer zijn, te weten: dat geen Prince rechtelijck mach worden gheseyt macht te hebben om te gebieden in eenige saken, daer niet en blijckt by Gode bevolen te zijn, datmen hem sal gehoorsamen: ende daer inne hem macht gebreeckt om in zijn onwillighe ondersaten te doen worden, ‘tgene hy ghebiet.

W. B.

Daer en hebbe ick mede niet jeghen, het volght nootsakelijck.

Coornhert.

95. Alle ondersaten hebben van Gode bevel de waerlijcke Overheyt onderdanigh te zijn in alle zijn geboden ende verboden, nopende goede of quade seden, nae den wet der naturen, so int doen van’t eene, als int laten van’t ander: tot welcks onderhoudinge hy oock blijckt van Gode de macht ontfangen te hebben om uyterlijck te doen worden, en zijnen ondersaten daer toe te bedwinghen met straf aen goet of bloedt, nae eysche des misdaets so groot, dat hy’t oock tegen zijnre ondersaten wille, ‘tgeen hy ghebiet, meest mach doen worden of ’t verbodene beletten te worden.

W. B.

Noch stemme ick dat u seggen toe.

Coornhert.

96. Wert den ondersaten oock van Gode bevolen heur waerlijcke Overheydt te ghe-
hoorsamen in alle zijne gheboden of verboden, in saecken des gheloofs of uyterlijcke Godts-dienste beroerende? ghebiedt heur Godt te geloven alle dat de Overheyt (‘tzy teghen of na Godes ghebodt) ghebiedt, of niet te geloven dat hy heur verbiedt? heeft hy macht om heur te doen hebben ’t gheboden ende in heur te beletten het verboden geloof tegen heur wille?

W. B.

97. Elck mensch is alleenlijck schuldich te gheloven dat God self ons in zijnen woorde heeft bevolen, ende niet te geloven dat ons daer is verboden.

Coornhert.

98. Soo mede inden uyterlijcken Godsdienste van ceremonien, kerckelijcke ghebruycken met dat daer meer aen-kleeft. Want daer inne mach een onwijse ende moet een Godloose Overheydt missen, ende ghebieden ‘tgheen Godt verbiedt, of verbieden ‘tgheen God ghebiedt te doen. Ende heeft hier inne gheen macht om sulcks te doen worden, inden ghenen die liever heur leven hebben te verliesen, dan heur conscientien te quetsen.

W. B.

99. In al dese uwe redenen moet ick u recht geven. Ja oock mijn Heere Beza begrijpt sulcks mede in die zijne terstont ghemelde woorden: Datmen Gode meer moet ghehoorsamen dan den Princen, als ons yet werdt gheboden dat teghen Gode is. (S. 298.) Ende hy schrijft oock daer voor, Dat Godt niet en wil ghedoghen, dat yemnadt anders, dan hy alleen dominere (of heerschappe) over de zielen. S. 39.

Coornhert.

100. Alsoo ist. Ende daer hebbe ick nu mijn voort-stel vast bewesen: namentlijck dat Beza hier self schrijft teghen sich selve: dat hy willende bewijsen het ketter-doden, sulcks pladt selve zijns onwetens teghen spreeckt. Want hier blijckt uyt zijn eyghen woorden de groote onderscheydt tusschen Godes gheestelijck rijck, ende der Princen wereltlijck rijck. Oock dat de wereldtsche Princen gheen ghebiedens macht altoos en hebben over der ondersaten zielen, maer alleenlijck over heur lichaemen ende goeden, dat zy niemenaden met gewelt moghen ghelovigh noch onghelovigh maken: ende dat zy buyten heur palen treden ende in Godes rijcke bestaen te ghebieden: als zy heur ondersaten ghebieden (al waer’t schoon sonder ghedreyghde straf) dit of dat te gheloven: ende dese Ceremonie of die, dus of alsoo te ghebruycken. Ende ten laetsten (‘twelck int eerste Proces mede werdt ghelesen ende bewesen) dat alle Prince daer teghen doende, zijn ondersaten gheweldt doet, teghen Gode sondight, die sulcks oock straft met verderffenisse van Lantschappen ende Koninghrijcken.


VII. Hooft-stuck.

Ofmen metter schrift recht bewijst dat d’Overheydt den ketteren moet straffen.

Wolfaert Bisschop.

Dat alle menschen schuldigh zijn Godes eere te soecken schrijft Beza. Daer toe voert hy inne de sproke totten Collos. 3. 17. Ende al wat ghe doet met woorden ofte met wercken (doet het) al inden name des Heeren Iesu, danckende Godt ende den Vader door hem. Want de eere Godes ist principale ende laetste eynde, daer toe men alle des lichaems ende der zielen wercken moet straecken. S. 298. 299.

Coornhert.

2. In Godes name begint alle ongeluck ende sloegh de boer zijn knecht doodt, seydt Sebastiaen Vranck uyt het spreeck-woort, daer mede hy zijn Kronijcke begindt. So heeft oock in Godes name ende Gode ter eeren (somen’t noemde) de Roomsche kercke groote menichte dienaren Godes gedoodet. God wort ghe-eert, niet na ons goet-duncken, maer nae Godes wille; blijckende in zijnen beschreven woorde. So behoorlijck het is dat wy in allen dinghen Godes eere soecken: so onbehoorlijck ist dat wy die buyten (swijge tegen) zijnen bevelen soecken.

W. B.

3. Daer toe beval Godt dat de Koningh het wet-boeck soude lesen. Deut. 17. 19. (S. 299.)

Coornhert.

4. Daer toe worde oock de wet, insgelijcx Pauli brieven voor den Israeliten ende den gelovigen bevolen te lesen. Deut. 4. 8. 9., 31. 9. 11., 1. Thes. 5. 27. Col. 4. 16. Hebr. 9. 19.

W. B.

5. ‘Tis wel soo dat de Koningh de wet mede moste lesen, om als andere menschen, die oock te leeren onderhouden: maer beneven dat oock als Koningh, om met strengheydt wetten te gheven die rechtvaerdighe dingen gebieden, ende onrechtvaerdige verbieden. S. 300.

Coornhert.

6. Waren die wettē van Gode door Moysem gegeven: so waren’t niet des Konings, maer Godes wetten: maer waren die niet door Moysem gegevn, so waren’t des Konings, ende niet Godes wetten. So en waren d’ondersaten niet ghehouden, om die te onderhouden. Ende so was de Koningh self onderworpen alle de vloecken des wets, als die zijn goet-duncken daer toe voeghde teghen des Heeren uytdruckelijck verbodt. Deut. 4. 2, 12. 32.
7. Behalven dat, soo is die onderscheyt hier, dat der Israeliten Koninghen hadden
een uyterlijck Koninghrijck ter werelt, datmen sien mochte ende weten waert was, daer over zy te ghebieden hadden (doch niet na hare, maer na des Heeren wetten) maer der Christenen Koninghs-rijck en is niet van dese wereldt (Joan. 18. 36.) noch ten komt niet met uyterlijcken ghebare, so datmen oock niet en mach seggen: siet hier of siet daer. Want het rijcke Godes is binnen u. Luc. 17. 20. 21.
8. Men handelt hier niet vander Koningē dienst, van lijf of have, maer vande Godsdienst, vande ziele, van’t gheloove ende conscientie. Int Moysaische rijck was een ander regeringhe dan in Christi rijck is. Hier ghebiedt Godt alleen over de zielen ende conscientien: ende en wil niemands ghebieden anders daer over lyden: noch en heeft niet een vande menschen macht gegeven om wetten daer over te maecken. Dit schrijft Beza selve int selve boeck (S. 39.) dus zijn dat al verloren woorden, die niet anders en bewijsen, dan dat Beza sich niet en ontsiet de H. Schrift te drayen na zijn opinie, ende het een plat tegen het ander te schrijven.

W. B.

9. Als een ghemeen man verblijde David mede inden Heere, hoopte opten Heere ende en wanckte oock niet. Maer als een Propheet verkondighde ende loofde hy Jacobs God, ende bemoeyde sich oock met des Religions staet. Ick sal, seyde hy, breken der boosen hoornen, (Psal. 74. 11.) ende der rechtvaerdigen hoornen sullen worden verheven. S. 301.

Coornhert.

10. Dat laetste is trouwen een Koninghs eygentlijcke ampt, namentlijck recht doē int straffen der bosen ende int verheven der goeden. Maer wat gaet dat den ketteren aen?

W. B.

11. Immers hy seydt noch: vroegh morghens wil ick vernielen alle boos-wichten van der aerden, ende alle quaedt-doenders uyt des Heeren stadt verdrijven. Psal. 100. 8. (S. 301.)

Coornhert.

12. Wat brenght Beza hier voort? waer leestmen dat David d’aerde, of ten minsten, Jerusalem ghesuyvert heeft van sodanighe menschen?

W. B.

Hy hevet willen doen, al en hadde hy de macht niet. God neemt de wil voor’t werck.

Coornhert.

13. Hadde hy de macht niet om te dodē de suster-schender Ammon, noch de broeder-moorder Absolon, noch de Koning-lasteraer Semei? Al anders duydet desen sproke Augustinus, die, als hy voor heur schijnt, heur Euangelist schijnt. Die rekent dese tijt den nacht te zijn, daermen uyt onwetenheydt


doolt, ende daer d’aertsche Princen duyster is, wat inder schijn-deuchden hertē steeckt. Maer dat de Heere (in wiens name David dit seyt) vroegh morghens na dese nacht, te weten int laetste oordeel, alle sulcke booswichten sal vernielen ende uyt zijn rijck sluyten, etc. (Aug. Enar. in. Psa. 100.) Maer laet ons nemen (dat doch onghelooflijck is) dat David een onmoghelijcke saecke, voor hem, ghewilt soude hebben, te weten, dat hy aller menschen herten op aerden kennende (dat mede gheens menschen, maer alleen Godes werck is) alle de booswichten, onder andere Koningen geseten zijnde, wilde uytroeden. Wat sal dat noch dan moghen dienen tot bewijs van’t ketter-dooden, dat hy hier bestaet te doene? Of zijn nu quaet-doenders ende ketters met Beza een selve dingh gheworden?

W. B.

15. Dat selve werpt Beza daer oock sich selve teghen, segghende: maer yemandt sal, by avonteur willen segghen: dat dese dinghen verstaen worden, van de ghene diemen ghemeenlijcken quaet-doenders noemt. Iae voorwaer. Ghelijck of moghelijck waer gheneralicker te spreecken, dan die plaetsen en doen die ick nu heb gheroert, ende als of daer inne niet en waeren begrepen alle de ghene, tegen de welcke de Heere zijne wetten heeft ghemaeckt. (S. 301.)

Coornhert.

16. Daer de beschreven rechten strengh schynen, worden die by alle goedertieren rechters op het finalste mogelijck is inne getogen: ende daer zy goedigh zijn, reckense die opt breetste wijt uyte. Recht anders doet hier u Beza in de wet des bermhertighen Godes, die der sondaren doot niet en wil: wiens goeidge wetten hy versmalt, maer de strengh schijnende breder, dan zy mogen gereckt werden, wijt uytspreyt. Maghmen dan Catellion onrecht geven in zijn seggen: dat de Calviniaensche God wreet is en fel, ende daeromme kinderen teelt, die van zijnre aert zijn? maer ter saken.
17. Hy doet tegen des Heeren wet so wel die yet begeert, toestemt, of wil metter herten alleenlijck dat daer tegen is: als die metter daet het gewilde volbrenght: so Christus selve verklaert met het aensien eender vrouwen, om die te begeeren (Mat. 5. 29.) ende Paulus meteer gierigheydt (Col. 35. ende Ephe. 55.) dat al overspel ende afgoderije is inder herten, oft schoon niet inden lichame en gheschiet metter daet.
18 Het toestemmen dan inder herten vande alder-minste dolinge teghen des Heeren wet, moetmen bekennen sonde ende quaedt doen te zijn, al en waert oock maer van datmen op een vrydach geen eyeren en behoort te eten sonde sy. Want het geschiet uyt onsekerheyt, ende niet uyten gheloove: ende is alles sonde wat niet uyten gelove geschiedt (Rom. 14. 23.)
19. Nu seydt d’ander Apostel dat wy alle in velen dingen feylen of doolen (Jac. 3.2.) Hier hebbe ick nu te doen met een Stoicien, niet min daer inne dat hy hier alle sonden ghelijck maeckt: als oock daerinne dat hy
met zijn ende zijns meesters leere vande predestinatie Godes dichtet een onvermydelijcke noot wet alder dingen.

W. B.

20. Van de predestinatie en handelen wy nu niet. Daerom ick dat laet varen. Dat de Stoicienen alle sonden so gelijck maeckten, dat hy niet min en sondight na heur opinie, die een schip met stroy gheladen door zijn qualijck stieren verloor, dan of hy een schip vol tarwen strande, is my wel kenlijck: maer ick en mercke niet dat Beza in dit zijn seggen een Stoicus is.

Coornhert.

21. Nu suldijt mogen mercken. Beza en handelt hier niet in desen boecke of alle sonden straf-waerdigh zijn. Maer ofmen de ketteren behoort te dooden met d’overheyts swaerde. Omd dat te bewysen voert hy de voorschreven woorden Davids inne. Ne en is gheen der selver (immers int gansche oude testament niet) niet eenmael vermaent van ketterye of van eē ketter, maer spreeckt David niet dan van booswichten ende van quaet-doenders.
22. Ende want Beza wel merckte dat sulcx niet wel mochte passen opten ketteren die hy voor heeft straf-waerdigh te maken metter doot: die Christus niet sulcken strengen, maer een minder straf op leyt: recht of hy willende segghen datmen den dieven behoorde te hanghen, die achter na de wet ghestraft waren, soo bestaet hier Beza den ketteren mede te trecken onder dat woordt quaet-doenders. Hoe dat?
23. Anders te ghevoelen ende leeren dan Godes wet inhout is sonde. Sonde ist algemeyne of generale woort van quaet doen. Alle ketters zijn dan oock quaet-doenders. Daerom nae dien David die een Koningh was, nae Moysi wet alle quaedt-doenders vander aerden wilde uyt roeden: soo behooren nu oock alle Koningen nae Christi wet mede alle ketters, dat oock quaet-doenders zijn, te straffen metter doot. Is dat niet de rechte gront vant bewjs Beze al hier, soo berispt my.

W. B.

Ick sie daer geen reden toe. Sijn besluyt is sodanigh.

Coornhert.

24. Hier mocht ick op seggen eerst, nadien God door Moyses geen wet en heeft gegeven van ketteren noch min van der selver straf: ende door Christum ende zijnen jongeren uytgedruckt bevel geeft datmen den ketteren sal straffen, met oock de wyse, hoe immers oock tot wat eynde: so en meotmen niet Davids doen, tegen de gene die geen ketters en zijn, navolgen, daer hy oock geen wet af en hadde: maer het doen der Apostelen, die Christi ende Godes Wet daer af hadden, in dese navolgen: soo wy Christi ende Godes wet niet opentlijck en willen verachten ende ons menschelijck goetduncken buten, tegen ende boven zijn gebodt navolgen.


25. Oock soude ick hier noch mogen seggen alsoo: behoren de Christen Koninghen David int voorschreven zijn doen na te volghen: so en behoren zy de gene die openbaerlijck ketters te zijn blijcken, al waert oock dat de wet Moysi uytdruckelijck die geboden hadde te dooden (dat verde is te soecken) niet te dooden maer te sparen ende te laten leven.
26. Want de wet Moysi ghebiedt klaerlijck datmen als quaet-doenders sal dooden die zijn susters schamelheydt ontdeckt (Levit. 18. 9. 29.) oock die een mensch doodslaet (Levit. 24. 17.) dit heeft David niet gedaen. Want hy liet Ammon, die zijn suster hadde verkracht, oock de broeder-moorder Absolon, onghestraft levendigh. Veel te meer behooren dan de Koningen David hier inne na te volgen, dat zy oock den bekenden ketters, daer van geen wet noch ghebodt altoos en is by Moysem, levendich ende ongestraft te laten.
27. Maer dit alles stelle ick ter zijden, ende kome op het bewijs eerst van Beze felheyt int wijt uytstreckē zijnre bloet-wetten, ende dan dat hy int gelijck maken aller sonden een volmaeckt Stoycus hier is.
28. Om dat de ketters quaedt doen, wil Beza oock de ketteren gedoot hebben. Want David wilde al de quaet-doenders dooden, overmits zy doen tegen de wet. So moeten oock alle menschen, die teghen de wet doen, ghedoot worden. Daer maeckt hy metten Stoycienen opendtlijck alle menschen die quaet doen ghelijck: dat zy alle moeten nae de wet gedoot worden, sonder eenigh onderscheyt: uytghenomen alleen de wijse vant dooden metten vuyre, met steenen, metten swaerde of anders. Is de wet Moysi soo fel, soo bloedigh dat zy alle ghedoot moeten worden die teghen de wet sondigen?
29. Sondighen zy niet teghen de wet, die daer tegen sondigen uyt onwetenheyt mits heur doen van yet dat de Heere gebiedt dat niet en soude geschieden? Moyses tuyght ja. Gebiedt God den gesalfden Priester te dooden die gesondight heeft ende het volck heeft doen sondigen? Moyses tuyght neen (Levit. 4. 1.) sondigt het gantse volck niet tegen de wet, dat daer yet tegen heeft gedaen uyt onwetenheyt ende ondersochtheyt, ende naemaels heur sonde verstaedt? Moyses tuyght ja. Gebiedt God daerom het gantsche volck te dooden? Moyses tuyght neen, (Levit. 4. 13. 14.) sondight de Prince niet, die uyt onwetenheydt yet doet dat in des Heeren wet wort verboden? Moyses tuygt jae. Ghebiedt Godt hem daerom te dooden? Moyses tuyght neen (Levit. 4. 22.) sondigt een ziele yet uyt onwetenheyt doende, dat in des Heeren wet werdt verboden? jae tuyght Moyses. Ghebiedt God de ziele of mensche daerom te dooden? Moyses tuyght al mede neen, maer wijst oock al, als d’andere sekere offerhande aen voor die sonde. Levit. 4. 27. 28.
30. Met die viere als Priester, Prince, al ‘tvolck en elck bysonder, houde ick op, want daer inne begrepen zijn alle staten der menschen: te meer nadien u; een Minister zijnde, niet verborghen en mach wesen, hoe groottallighen menighte van verscheyden aerdt, soo van sonden als vander selver straffe, ick soude moghen aenwijsen uytdruckelijck in-
de H. Schrift beschreven zijnde, of begeerdy des meer?

W. B

Neen, ‘tis onnodig, ‘tgeseyde is genoegh.

Coornhert.

31. Soo is oock nu genoegh bewesen, nadien Beza de zielen met zijnen wreeden wet ter doodt oordeelt, die doch niet en souden sterven (Eze. 13. 19.) namentlijck die oock teghen de wet Moysi hebben ghedaen: dat Beza fel is, daer mede hy sich bethoont te zijn een zoon, niet vanden fellen vader, die vanden beginne een doot-slagher was (Joan. 8. 44.)
32. Oock mede dat hy een Stoicien is, daer inne dat hy een dolende sondaer uyt onwetenheydt, te weten een ketter, ghelijck maeckt, ende so wel metter doodt ghestraft wil hebben, als een broeder-moorder ende een bloedt-schender: daer mede hy niet alleen sich self, ende zijnen meester Calvijn, maer oock allen menschen, ja den heylighen Godes, ende herborenen, veroordeelt ten lichamelijcken doode: Ghemerckt zy beyde metten heuren hartneckelijck self leeren dat alle menschen niemant uytghenomen, noch alle dage moeten sondigen, soo langhe zy in desen leven zijn.

W. B.

Ghy besluyt daer ongehoorde saken.

Coornhert.

32. Niet minder ware saken. Die my soo lange daer inne hebben gehouden eensdeels om te betoonen hoe weynigh vreese Godes in uwe voor-barighste leeraen is, in’t misbruycken vande Godlijcke Schrifture: ende oock eensdeels op datmen sodanigher menschen schriften wat minder ende de Godlijcke Schrifture wat meer ghelooven soude. En op dese schoone bewijsinge steeckt Beza de hoornen op, spreeckt den konigh David aen, ende seydt dat die over sodanige tegensprekers, dat quaedt-doenders, maer gheen ketters en zijn, wel goede straf soude hebben gedaen, te weten metter doodt.
34. Immers Beza schrijft daer voort aldus: Eyntlijck hy (David) wist, dat de Heere vande Koninghen ende Princen eyscht, datmen niet en moet roeren des Heeren gheselfden ende Propheten: ende dat soo dick ende menighmalen als de Koninghen niet en beletten; na de macht die zy van Gode hebben ontfanghen; datmense moeyelijck is ende quellick: dat het niet anders is, dan of zy heur self vervolghden. S. 302.

W. B.

Dat is Schrifture. Vindy yet berispelijcks daer inne?

Coornhert.

35. Dat Koningen ende Princen beschermen allen heuren ondersaten die dadelijck gewelt wordt aenghedaen, is altijdt recht:


dat zy leeraren of Propheten tegen het berispen of weder spreecken met woorden beschermen, is niet noodigh, want de waerheydt, is die by heur, is machtigh genoegh om heur teghen de loghen te beschermen: maer dat zy valsche leeraers of valsche Propheten teghen heur berispers die heur met woorden weder-staen, metten swaerde beschermen, is altijt onrecht ende Gode mishaghelijck. Want Godt en ghebiedt heur dat niet.
36. Nu en zijn alle Princen ende Koningen gheen Daviden noch ware Propheten Godes: maer verde het meerder-deel Godloosen ende der waerheyts vyanden. Oock is een goet Prince seer seltsaem, na het bekennen Calvini ende Beze (soo voor is gebleecken v. 10.) soo mede en isser niet seltsamers ter wereldt dan goede dienaren des woorts, ende niet gemeenders ende in meerder getal, dan valsche Propheten, soo Beza self mede schrijft. S. 205. 206.
37. Dese leeren dan valsche leere ende zijn valsche Propheten, niet Godts maer des Antichrists gesalfde. Die worden dan metten swaerde beschermt van de Princen die vyanden der waerheyt zijn. So oock meest is ghebeurt.
38. Nu voerdt Beza dese schriftuere op David, luydende inne, omme te bewysen dat alle Koninghen ende Princen behooren den gesalfden des Heeren ende Propheten metten swaerde te beschermen van de moeyelickheyt ende ‘t gequel der gheenre die heur berispen. Soo behorent dan oock te doen de godloose Princen ende Koninghen. Die sullen dan beschermen die zy voor ghesalfde ende Propheten des Heeren houden, naementlijck Antichrists ghesalfden ende valsche Propheten.
39. Die dan sulcks doende, doen ‘t geen zy nae heur verstandt vermoghen ende behooren te doen. Dit hebben de Koninghen ende Princen int beschermen voordt moeyelijck disputeren van des Pausens ghesalfden ende valsche Propheten getrouwelijck nae heur beste wetenschap ghedaen. Die hebben daer aen dan ghedaen dat zy behoorden te doen. Wie magh heur dan oock daerom berispen of voor Tyrannen schelden.
40. Is sulck beschermen allen Koninghen ende Princen van Gode bevolen, nae de macht die zy van Gode hebben ontfangen (so Beza schrijft) zy hebben van Gode gheen ander kennisse of macht ontfanghen int onderscheyden van de valsche uytte ware gesalfden ende Propheten. Moet Beza niet self bekennen dat zy recht ende behoorlijck hebben ghedaen int beschermen met al heur macht van de valsche Propheten ende Antichrists ghesalfde?
41. Soo ontwyfelijck als ick dit weet onwaerheyt te wesen: soo waerachtelijck geloof ick mede, dat Beza metten zijnen sulck ghemackelijck beschermen van herten wel souden begheren. Want dan souden zy verlost zijnde van het hooft-brekelijcke studeren ende moeyelijcke disputeren int verdadingen van heur leere, hier wesen hoofden, niet van de strydende kercke in de wereldt, maer, van de triumpherende kercke in den Hemele, ende alsoo heur Hemele hebben hier opter aerden.

W. B.

42. David bemoeyde sich mette uytterlijcke Godts-dienst, ende dede d’Arcke des verbondts van d’een plaetse op d’ander leden. 2. Reg. 6. (S. 303.)

Coornhert.

43. Brenghdy die Schriftuere met ernst voort? hoe? voor oft tegen u opinie?

W. B.

De Heer Beza alllegeertse voor zijn meyninghe, met ernst, hy schempt niet mette H. Schrift.

Coornhert.

44. Leeft den text, ende die sal u seggen, dat David al dat voornemen ende werck van d’Arck des verbondts te verplaetsen ende wederomme te halen, niet ghedaen en hadde door des Heeren bevelen, dien hy oock geen raets en hadde ghevraeght: maer uyt zijn selfs goet-duncken by rade oock vanden Princē ende den volcke van Israel: welck voornemen gantschelijck buyten Gode te zijn blijckt, vermits de straf van Oza, die willende de hellende arcke voordt vallen beschermen, doot bleef. Daer door David so verschrickte (was daer voornemens versekerheydt of bevel Godes?) dat hy d’Arcke Godes niet tot sich (dats in Davids Stad) en brachte, maer stondt af van zijn goetdunckens bestaen, ende liet d’Arcke onderweghen blyven.
45. Soude dat exempel voor Beze opinie dienen? het is plat daer tegen. D’een wille uyt sich self d’Arcke voor vallen beschermen, soo Beza nu zijn Princen raet te doen zijne vallende kercke, ende viel door zijn vermetelheyt self in Godes straf: ende d’ander meynde sonder Godes bevel, Gode te vereeren, maer laet zijn voornemen achter uyt vresen, als hy vermercte sulcks Gode te mishaghen. Seght nu, mocht Beza exempel voortbrenghen dat hem meer tegen is? Of hy acht allen menschen voor beesten, of zijn partydigheyt maeckt zijn verstant min dan menschelijck.

W. B.

46. Maer Salomon sette af van zijn ampt Abiathar den oppersten Priester. (S. 303.) Hy bemoeyde sich dan immers oock niet d’uyterlicke kercken-dienst. 3. Reg. 2. 27.

Coornhert.

47. Willen uwe Ministeren dat nu van de Overheydt wel lijden? wat gheldet neen? wat anders veroorsaeckte de Leytsche Justificatie? wat anders maeckte nu noch des Sondaeghs voor Pincxteren der Gereformeerden vergaederinghe buyten de Stadt Utrecht in den velde? souden die exempelen voor Beze opinie zijn? zy stryden daer plat teghens. Ende wat doen hier nu doch onder den Euangelium de Mosaische ghebruycken? wijst ons nu de Arcke Godes, thoont ons den tempel Salomonis, met


heur uyterlijcke Priesterdom, ende de Leviten? welck is nu heur dienste? Of wilmen nu allegoriseren ende van den arcke ende kercke u sienlijcke vergaderinge, oock vande Priesteren uwe Ministeren etc. maken?

W. B.

Waer dat soo vreemt?

Coornhert.

48. Beza spot met d’allegorie, ende en wil sulck bewijs niet lyden. Maer waer toe alle dese vergeefsche woorden.

W. B.

49. Dat de Princen sich moetē bemoeyen met der kercken bestieringe blijckt oock daer inne aen Salomon: dat hem veel quaden op quaemen, soohaest als hy d’oude kerckentucht verlatende, een nieuwe sinede. S. 303.

Coornhert.

50. Salomon hadde bevel van Gode omme tot Jerusalem sodanigen kercke te timmeren: ende verbodt vant afgoderen: hebdy sulck bevel voor uwe Princen, zy moghent hem nae doen. Maer de Roomsche Princen hadden beter moghen rusten van sich mette kercke te bemoeyen, dan der Paeussen afgoderyen met doden, ende moorden van levende beelden so te helpen styven: als zy ter navolgingh veler Israelitische Koningen hebben gedaen tegen Godes bevelen.

W. B.

51. Asa dede wech der vreemder Goden Altaren. S. 303.

Coornhert.

So wy noch onder Moyses wet zijn, ende soo de ketteren blijcken te zijn Altaren der vreemde Godē, laet uwe Koningen hem dat na doen, indient Godt heur beveelt. S. 303.

W. B.

52. Hy brack de hoochten af, onder welcke nochtans eenighe waren, daermen den waren Godt Israels offerde, maer die daer offerden waren ketteren. Vermits zy sich verantwoorden met der vaderen oude ghebruyck, somen merckt aen des Samaritaenschen wijfs redenen. S. 304.

Coornhert.

53. Beza noemtse ketters, die de Schrift so niet en noemt eñ behelpt sich hier self met het navolghen van der Joden Koninghen oude gewoonte: ‘t welck hy hier in anderen scheldet voor ketterye: soude dat zijn doen niet mede ketterye maken?

W. B.

54. Asa en vernoeghde niet met het uytroeden van d’openbaere ketteryen ende afgoderyen. S. 304.
Coornhert.

55. Besa en vernoeght niet mette woorden der H. Schriftueren van hooghten, van beelden, van bosschen, van afgoden ende derghelijcke afgoderyen: maer voeght noch uyt zijnē hoofde daer toe ketteryen, die daer noch int gantsche oude testament niet ghevonden en worden, welck toevoeghsel totten gheschreven woorde Godes hem ende allen menschen verboden is. (Deut. 4. 2. etc.) vervalschende alsoo met zijn onware glofen der Schriftueren klare woorden.

W. B.

56. Hy doet het volck versamen, recht weder op de ware Gods-dienst, eñ vernieuwet het verbont mette ceremonien. S. 304. 305.

Coornhert.

57. Luter heeft een ander, dan de Roomsche Gods-dienst, opgerecht: Zwingel ende Calvijn een ander dan de Roomsche ende Luytersche beyde: Menno hier weder een ander dan die vorighe drie Gods-diensten: des moghen zy alle vyer wel valsche, maer niet al te samen ware Gods-diensten zijn: weet Beza, of ghy, den menschen wettelijck te versekeren dat al d’ander drie valsche religien zijn, maer die zijne alleen een ware Gods-dienste? of salmen die zijne opt avontuer aen-nemen, op twyfel, in ongeloof ende sondelijck? Rom. 14. 23.

W. B.

58. Jae hy deder noch den eet toe, dat hy soude sterven, so wie den Heere God Israels niet en sochte van den meesten totten minsten, van man of vrouwe. S. 305.

Coornhert.

59. Bewijst Besa dat zijn Gods-dienst de ware is? neen. Datmen gehouden is sulcken Godts dienst te onderhouden als elck Koningh in zijn rijck besweert ende zijnen onder-saten op doots-straf te onderhouden beveelt? dats verde dat alle Koningen bevolen wort dit eenigh exempel van Asa, ende niet van Moyse noch van Josue, immers van Christo self, na te volgen?
60. Moyses gaf den volcke keur, of zy den God des Hemels wilden liefhebben, of verlaten (Deutro. 30. 15. 16. 17.) so dede oock Josue (Josu. 24. 14. 15.) ende Christus gaf noch oock zijn Apostelen vrye willekeure om hem te verlaten als veel anderen deden (Joan. 6. 66. 67.) wat reden heeft nu Beza om den Koningen Asa meer te doen navolgen, dan Moysem, dan Josue, ende dan Jesus die ons wetghever is, ende die ons van Gode self te horen oock zijn voet-stappen na te treden is bevolen, ende niet Moyses noch Josue, veel min Asa.

W. B.

61. Heeft Elias niet vyer hondert ende vijftigh Baels papen gedoot? 3. reg. 18. 40. (S. 305. Item Bullinger huysboeck dec. ij. ser. viij. fo. 63.


Coornhert.

62. Niet alle exempelen der menschē, maer alle geboden Godes zijn onse wetten. Jacobus ende Joannes; noch niet te recht kennende Christi geest; wilden uyt een onverstandige yver Eliam na volghen: ende die van Samarien met vuyr verghelden heur versmaetheydt Christo bewesen, ter naevolginge Elie: maer de Heere Christus bekijft heur onverstant, ende seyt dat hy niet gekomen is om de zielen te verderven, maer om die te behouden. Luc. 9. 54. 55. So bewijst hier Beza sich doorgaens eñ H. Bullingher hier een jongher Moysi te zijn ende niet Christi, wiens geest hy niet en kent. Want Beza ende H. Bullinger willen de zielen niet behouden, maer bederven.
63. Maer wie leert henluyden een exempel (alst hen al na te volghen bevolen waer, als neen) soo verkeerdelijck nae volghen? Elias doode afgodendienaren. Dat was bevolen in de wet. Beza ende H. Bullinger willen ketteren dooden, dat inde gantsche Bibel niet en is bevolen. Elias geen Overheyt zijnde doode d’afgoden-dienaren selve: Beza ende de zijne willen dat d’Overheydt ketteren doode op zijn oordeel: ghelijck de Pharizeen wildē dat Pilatus Christum soude dooden op heur oordeel. Elias hadde twee ware ghetuygen van’t gheen hy dede, namentlijck het gheschreven woort Godes, met sampt dat uytnemende wonder werck Godes: Beza ende de zijne en hebben geen van beyden, te weten noch woort noch wonder-daet Godes, maer niet dan een wraeck ende bloet-gierigh herte: dat een seker tuyghe is van des loghens gheest, Joan. 8. 44. Ende Elias vonnisse (niet Achabs) bleeck uyten Hemele Godes, maer Beze eñ zijns ghelijcke vonnisse blijckt uyte helle des duyvels oordeel te wesen.

W. B.

64. De Koningh Jehu dede oock Baals Propheten dooden. 4. Reg. 10. 23. 24. (S. 305. Item H. Bullingh. C. 63.

Coornhert.

65. Wijst ons wie de waere Koningh is vandē volcke des Heeren, wat Godes kercke is, wie de rechte ketters zijn, eñ dat Baals Papen eñ ketteren een selve dingh betekent. Of bekent dat Beza met zijn ghesellen onschamelijck de H. Schrift misbruycken, den Princen bedrieghen, ende die beudels heurder wreetheyt bestaen te maken.

W. B.

66. So soude oock de heylige Koning Josias een wreede beudel moeten wesen, nae uwen oordeele. Want diens straf streckte sich oock opter dooden gebeenten, eñ offerde de Offer-papen der hooghten op heure outaren. 4. Reg. 23. 20. (S. 305.) Idem H. Bull. C. fo. 63.

Coornhert.

67. Neen. Die Koningh dede dat alles na Godes bevel. Daerom dede hy in al sulcks
wel, ende is te prijsen. Maer hoe mooghdy nu int dooden der ketteren Godes ghebodt bewijsen? bewijst eerst, vermooghdy’t, dat het ketteren waren, ende dan dat den Koninghen nu is bevolen den ketteren soo te handelen. Dat vermooghdy niet. Maer Beza mette zijne bewijsen metter daedt in desen selve dat zy de H. Schrift nae heuren sinne ende niet heur sinne nae de H. Schrifture buyghen.

W. B.

68. Josaphat heeft de hooghten vernielt, de boschgens af-ghehouwen, leeraren inde Steden bestelt, oock mede kerckelijcke rechters. 2. Par. 17. 7. (S. 306.

Coornhert.

69. Dat d’Overheydt, door Godes bevel d’afgoden vernielden moetmen prijsen: prijst ghy dat het volck oproerlijck de beelden stormen?

W. B.

70. Sulcke yver des volcks kanmen niet mis-prijsen, als men voor goedt houdt des volcks yver in’t doodt-slaen Mathans; Baals Priester. Die daedt houdt mijn Heere Beza voor goedt. 4. Reg. 11. 18. (S. 306.

Coornhert.

71/ De doodt-slagh van Pineas wert van Gode gepresen. Dit werck des volcx niet. Oock is beelden vernielen wat anders dan menschen dooden. Neemt nu dat door’t willen nae-volgen van dit exempel de Gereformeerden doot sloeghen, sonder ander bevel van Gode of d’Overheyt, de Catholijcken, waer zy mochten, als afgoden-dienaren: de Catholijcken weder heur als ketteren (daer op Beza dit wil trecken) die Luthersche den Ghereformeerden ende Doperschen, soudemen grouwelijcker Madianitische of onderlinge moorderie mogen versieren? soude hy sulck werck der Catholijcken (soo’t heur de Paus toe-liet) oock prijsen of seggen’t volck geoorloft te zijn?
72. Sullen zijne Consistorianten oock prijsen der Overheyden nae-volginghe Josaphats, int stellen der leeraren ende kerckenrechters inden Steden? zy en waren te Leyden daer in niet te vreden over neghen of thien jaren, immers oock tot Utrecht ende ander plaetsen nu niet. Of dunckt u Christelijcker ende lijdelijcker, dat de ghemeyne man gheoorloft zy metten Batenborgers; sonder Overheyts vonnisse; doodt te slaen al wie heur een afgoden-dienaer of een ketter dunckt te zijn: dan dat d’Overheyt heur ondersaten best kennende: ende niet de Consistorien macht hebbe, omme een Predicandt, die vreedsaem is, in heur Steden te stellen, tot voorhoedinghe van der twistvoncken oproerige muyteryen? suldy u dan niet eens self schamen of ten minsten moede worden van exempelen die u luyder eyghen daden beschamen, of in allen ghevalle niet altoos ter saken dienende, aldus al aen een voort te brenghen?


W. B.

73. Moetmen niet magnifiquelijck verheven de wonderlijcke naerstigheydt Ezechie in’t weder oprechten des waeren Godtsdiensts? S. 306.

Coornhert.

74. Jae men waerlijck. Maer moetmen niet schandelijck lachteren al dese self-loopende kerck-oprechters die gheen Koningen (noch min Ezechiassen) zijnde, tot noch toe gheen van allen en hebben konnen bewysen dat Godt heur sulcks heeft bevolen; nochte oock niet dat heur kercken eñ Godsdiensten de ware zijn?

W. B.

75. Blijckt niet by alle dese exempelen Godes wil te zijn, dat de Koningen behoren altijt by heur te hebben het wet-boeck omme daer inne te lesen? Deut. 17. 18. (S. 306.

Coornhert.

76. Wie ontkent dat? wie soude dat niet wenschen? maer wat dient dat ter saken? maer wat soude Beza met u hooft-leeraren meer tegen zijn, so de Princen sulcx na Godes bevelen benaerstighden?

W. B.

Hoe dat?

Coornhert.

77. Merckt ghy dat niet? Asa hadde het wet-boeck so al ghelesen, dat hy des Heeren wil in dat zijn werck so wel verstont: dat hy (soo Beza daer oock seydt) van self dede na des Heeren ghebode, sonder den papen raet te vraghen of het oordeel van heur te halen. So nu de Princen mede so verstandigh waren, en souden zy de Consistorie niet toeschryven het oordeel vande leere: noch niet op het onseker. Alleen door der Consistorien oordeel, alles doen ende laten in saken de afgoderye ende ketterye beroerende: om heur macht na u moet-wille te misbruyckē, so d’oude Roomsche Pausen gedaen hebben, ende dese nieuwe Geneefsche Pausen gaern souden doen. Want de Princen uyt heur selfs ooghen siende, niet behoeven der Consistorianten valsche brillen. Soude heur dat lief zijn? gheen hooft der hoofden, maer self mede maer leden te wesen? maer gaet voort. Beze voorstel is om te bewijsen dat de Princen met heur stalen swaerde behooren de ketteren te dooden. Daer af hoore ick noch niet een woort bewijsinghs. Wanneer sal dat voort-komen.

W. B.

78. Ghy sullet nu haeft vernemen. Dit is maer een voor-bereydtsel daer toe. Nu bewijst hy, dat sich de Princen behooren met de religie te bemoeyen.

Coornhert.

Dat ontkent niemant.

W. B.

79. Also. Maer op een ander wijse dan een ghemeen mensche, maer als een Prince des ghemeen volcx.

Coornhert.

Hoe dat?

W. B.

80. De Overheydt, naedien hy een Christelycke Overheydt is, ende Christo niet alleen als een ghemeen man, maer als een Overheydt dienen moet, soo moet hy met het swaerdt der justitie oock het fenijn vande ghemeynte weren, ende straffen die oopenbaere lasteringhen. (H. Bullinger op Apocalips. ghedruckt Anno 1566. Predic. 7. f. 28 29) Als die behoort den waren Godtsdienst met hare macht voor te staen (Predicanten tot Delft in Ondersoecker fo. A 8) Want hedendaeghs verweckt de Duyvel de oude ketteryen van Hebion, Cherinthi, ende meer anderen in Serveto den Spangaert ende in de Weder-doperen, Libertynen ende meer andere monsteren. (H. Bul. Ibidem.) Daerom, de Princen behooren den zone te kussen (Psal. 2. 11. 12.) dat is, zy behoren haer macht te gebruycken principalijck tot dien eynde, waer toe Godt heur die heeft verleent, namentlijck, om te conserveren, te hant-vesten ende te vermeren de religie tegen alle heur vyanden, al souden alle de landen daerom verderven. Beza. S. 306. (want) het swaert heur inder handt is gegeven omme te beschermen die waerheyt Godes alst van node sal wesen, straffende de ketters diese ommestoten . I. Cal. A. d. f. 52. 53.

Coornhert.

81. Van dat zoon kussen, sullen wy noch moeten spreecken. Van der Princen macht ende verstandt tot sulck beschermen, vande onderscheydt van der Princen ende Godes rijcke, ende van dat sulcks niet en is der Princen, maer Godes werck door zijnen Christ, is voor nu al vele geseyt en desen eerste Processe, soo dat niet noodigh en is nu hier een woort daer af te maken. Wat noot ist het geseyde te segghen? daer mooghdy lesen. Immers den voorgangh moste hier hebben een vast bewijs welck de ware kercke zy: op dat hy niet een valsche beschermende, de ware verdrucke, als hy meynde de ware te beschermen. Weet ghy hier raet toe? laet hooren.

W. B.

82. Isaias seydt niet vergheefs dat de Princen sullen zijn beschermers ende voetsters van de kercke.

Coornhert.

83. Neen dats niet vergeefs by Isaia geseyt, noch oock by David: mijn Godt voet my, &c. Psal. 23. noch by Christum: de mensche en leeft niet alleen by den brode, &c. (Mat. 4. 4.) van gelijcken niet dat Christus ten eyndē toe by zijn kercke sal wesen (Mat. 28. 20.) die voeden met des Hemels broot,


dat hy selve is (Joan. 6. 50. 51.) dat hy die sal beschermen (2. Thes. 3. 3.) als onse Prince des vreden (Isa. 9. 6.) van dese ware, wonderlijcke raet-wijse ende stercke Godt ende Prince zijn wy seker dat hy altijt wil, ende dat hy nae wil vermach zijn kercke te beschermen ende te bewaren als zijn ooghappel, so dat hy gebenedijt by ons wesende, niemant teghen ons en mach zijn, oock niet de poorten der hellen.
64. Dese Prince is ons belooft, dees kent zijn kercke, dees is getrou, soo datmen veylighlijck op hem mach betrouwen, soo seer dat hy oock den zijnen geeft mont ende wijsheydt, die alle onse vyanden niet en moghen wederstaen. Soudet niet een verachtinghe deses Hemelschen Princen zijn, dat wy daer voor op menschen betrouden ende hem verlieten?

W. B.

65. Men soude Christum niet verlatē, maer die middelen zijnder hulpen niet versmaden. Of en bruyckt God gheen middelen meer?

Coornhert.

66. Ja. Maer wijst ons sekerlick welck die Princen zijn, die de kerck sullen voeden eñ beschermen: ende daer by, welck van allen de kercke is die zy sullen beschermē. Kondy dat doen uyt Godes beschreven woort. so en behoeftmen geen menschen woort. Vermooghdy dat niet, men acht hier in gheen menschen woort. Of sal’t volck den sekeren Prince begheven, om onsekeren te soecken? hoort de Princen op’t onseker een kercke te beschermen?

W. B.

67. Elck mensch is schuldigh Gode te belydē met monde, oock met uyterlyke daden. So is de Prince mede ende buyten ander gemeen menschē met zijn macht te bestedē tot bescherminghe vāde kercke Godes. Anders sal hem Christus oock niet belyden voor zynen Hemelschen Vader, ende daer-en-bovē schuldigh bevonden worden van’t gemeenbesten dat Godt hem in bewaernisse hadde ghegeven, verraden te hebben aenden duyvele. S. 307. 308.

Coornhert.

68. Sullen wy altijt de weer-klanckē van ‘t oude deuntgen moeten horen? voor is gelesen ende bewesen dat Godes ende der Koninghen rijcken verscheyden zijn, dat Godt door Christum der menschen zielen self bestiert eñ beschermt, maer dat de Koninghen over lijf ende goedt, niet over der menschen zielen en heeft te ghebieden. Daer magh de Prince gheen wetten over maken. Wil dan Beza immers dat de Princen sich self onberoepen in-dringen in Godes heerschappie, gelijck hy mette zynen sich selve onberoepen van Gode, innedringen in’t ampt der leeraren inde kercke? so hebben altijt alle valsche Propheten ghedaen, ende so hebben alle de Koninghen van Israel ghedaen. D’eerste versierde een valsche Godts-dienst, die hy beschermde, ende dat om zijn rijck niet te
verliesen, daer in hem oock al d’ander naegevolght hebben. 3. Reg. 12. 27. 28.
69. Jeroboam was van Gode self tot Koningh ghemaeckt, ende was midtsdien een wettige Koningh. Maeckte zijn Koninghlijcke staet hem Godtvruchtigh? recht verstandigh? bequaem om de kerck te regeren, daer wetten te maecken ende die dan te beschermen? hadde hy van Gode macht om daer inne na zijn goet-duncken te gebieden: so moste het volck van Israel hem daer inne ghehoorsamen. So en hebben d’afgodeerende Israeliten daer aen niet ghesondicht, maer alleen de vromen, die heure Koninghen onghehoorsaem waren daer inne, ende sich van afgoderye onthielden. Dit soude wel goet Libertijns, maer niet goet Christiaensch zijn.
70. Of segt dat d’Ondersaten Gode meer dan den menschen moeten ghehoorsaemen in saken de ziele beroerende: ende dat mitsdien elck van alle ondersatē een vry oordeel moet hebben welck van alle religien hy wil aennemen of niet: of segt dat het volck gehoudē is aen te nemen ende te onderhouden sulcken religie alst den Prince mette Consistorie, of een van beyden belieft, zy sy dan waer of valsch: ende dat zy sulcx doende salich sullen zijn al volghden zy oock een valsche religie door heur Overheydts ghebieden: ende daer tegen onsalich al volghden zy oock een ware relige tegen heur Overheyts ghebieden. Wildy dat seggen?

W. B.

71. Als de Princen onvroom zijn ende traegh om te doen dat heur betaemt, so heeft Godt sekere personagien verweckt; buyten ghewoonte; om de ketteren te straffen, als Phineas, Joiadas, Elias eñ Matathias. Dat behoort niet elck man nae te volghen maer de Koningen. Want die hebben daer toe ordinarisse macht. S. 309.

Coornhert.

72. Van de ketteren schrijft Beza hier openbare onwaerheyt, so mede vander Koningen ordinarisse macht om de ketteren te vernielen. Dit is nu al dick bewesen.

W. B.

73. Ten laetsten is waer datter veel dootlijcke straffingen zijn ghemaeckt tegen den over-treders van d’eerste tafele. Der kercken dienaren staet en gheeft heur de macht niet des swaerdes. Men moet dan Gode lasterende seggen, dat hy sulcke wetten vergeefs heeft gemaeckt: of dat God der selver executien ghestelt heeft inder burgerlijcken Overheyts macht.

Coornhert.

74. Doe God die wetten gaf, doe gaf God d’Overheyt oock macht om die also te straffen. Maer nu zijn der gelovigen zielen noch Moyses rijck, of zy zijn Christi rijck: dat is wy zijn noch Joden onder Moysi wetten eñ onder eenen uyterlijcken Koningh, welcker rijckes sichtbaer is ende van dese werelt: of wy zijn daer niet onder, gheen Joden maer


Christenen ende in Christi rijck, dat niet van dese werelt en is.
75. Wildy dat uwe Koninghen nu noch Moysi swaerdt bruycken, soo zijn’t gheen Christen Koningen, maer Jootsche Koninghen ende Moysi knechten, maer geen vrye dienaren Christi. Die vermoghen over de zielen alles ende meer, dan Moysi swaert vermochte over den lichamen. Of soude het Moysaissche Koninghrijck ende Priesterdom noch in volle macht staende blijven, als Christus al waer in zijn ampt ghetreden, ende zijn rijck aenghenomen soude hebben?
76. Of behoeftmē in Christi rijck over der gheloovighe zielen ander swaerdt, dan zijn woordt; het swaerdt zijns mondts? Dat Christus nu hier mede zijn rijck beheert, en maeckte Moyses wetten en swaerdt in het Moysaische rijck niet vergheefs. Moyses rijck, Koningh, swaert, Priesterdom heeft zynen tijdt ghehadt tot Christum, tot zijn geestelijck Koninghrijck, Priesterdom ende wetten toe, maer niet langher. Of salmen noch Jootsche Koninghen, Priesteren ende wetten beneven de Christen Koningē, Priesteren en wetten (die geestelijck zijn. 1. Pet. 2. 9.) moeten uyterlijck hebben mettē Ebioniten? Immers beneven Christum, die selve is onse Koningh ende Priester inder eeuwigheydt? (Joan. 18. 37. Psal. 2. 6. Isa. 9. 7. Hebre. 7. 21.)

W. B.

77. Wt een Hebreeusch boeck ghenaempt Massecehitsenhedrin bewijst Wolfgang Capiton; een man van groter wetenschap; dat de Koning indē grooten rade van’t seventig rechters self voor aen sadt, ende kennis nam vande beschuldigden van afwijckinge vanden Heere. S. 309.

Coornhert.

Ende of Moyses self sulcx al seyde, so en mocht dat niet altoos doē tot Beze voornemens bewijs. Wat maght nu anders daen dan tot bewijs dat Beza niet hebbende Goddelijcke schrift, bestaet hulpe te soecken aen menschelijcke schriften?

W. B.

79. Ende, seydt de Heer Beza, wy hebben in Ieremia 26. een exempel vande beleydinge, diemen hieldt in sulcken sake te oordeelen, of ten minsten diese ghenaeckt.

Coornhert.

80. Hier is Beza soo loos geweest, dat hy die gheschiedenisse daer niet en stelt, soo die staet by den Propheet: niet tegenstaende hy de moeyte sich niet en heeft ontsien van gehele plaetsē die langer zijn in dit zijn boeck te stellen uyt menschen schriften, als Luther, Brentio, Bucero, en andere zyne mede-ghesellen.

W. B.

Waerom soude hy sulcks uyt loosheydt laten?

Coornhert.

81. Dat weet hy self best, maer licht ist te vermoeden dat hy wel sagh sulcx geen ghemeenschap met allen te hebben mette sake daer hy afhandelt. Gemerckt daer gehandelt wordt niet van een valsch Propheet, noch van een afgoden-dienaer, noch lasteraer, noch af-wijcker vanden Heere, maer van een waer Propheet, naementlijck van Jeremia selve.
82. Behalven dat so strijt dat exempel heel ende al teghen Beza leere selve: soudet hem dan goet hebben moghen duncken dat daer in zijn gheheel metten omme-standen uyten Propheet te stellen? so bot en is hy niet.

W. B.

Waer inne strijdet tegen zijn leere?

Coornhert.

83. Beza leert dat niet de Overheyt, maer de kercke of Ministeren het oordel toekomt of een leere valsch is dan niet (S. 422.) op dese plaetse hadde Jeremias een sware straf uyt des Heeren name over de Steden Juda voorseydt, indien zy sich niet en bekeerden. Die Priesteren, Propheten en ’t volck grepen hem seggende: du sulste dē doot sterven.
84. Daer versaemden oock by de Princen van Juda, die dit hadden vernomen, en uyt des Konings huys daer quaemen. De Priesteren ende de Propheten beklaeghden hem noch daerom als doodt-schuldigh aen den Princen ende Propheten. Jeremias bleef volstandigh ende verantwoorde sich. De Princen ende ‘tvolck hem gehoort hebbende verstonden de sake Jeremie voor recht: ende seyden dat hy niet en was des doots schuldigh ende wert entlijck verlost.
85. Wie hadde daer het oordeel van Jeremias lere of Prophetie: de Priesteren mettte Propheten alleen? neen waerlijck. Anders waer dat schaep van de wolven verslonden geweest. De Princen hadden daer oock een segghen in, ja oock ‘tvolck selve mede. Dit heeft onghetwyfelt Beza wel gemerckt, hy wist licht dat dese schriftuerlicke waerheyt zijn valsche leer vant oordeel soude beschamen, soo hy desen handel met zijnen ommestanden daer heel hadde gestelt. Ende schijnt soo de Schrift tot een onrecht eynde argelistelijck te willen misbruycken om zijn logen waer te doen schijnen, ende de waerheyt te verberghen.

W. B.

86. D’overheydt is van Gode ghestelt om te doen onderhouden oock d’eerste tafel vande wet selve, in’t ghene beroert d’uyterlijcke discipline. Daeromme moeten dan onse wedersakers bethoonen dat Christi toekomst yet besnoeyt heeft van d’Overheyts jurisdictie: of zy sullen moeten belyden, dat der Princen ampt sich alsoo verde strecket als van oudts. Dat zijn Beze woorden. S. 309.

Coornhert.

87. Beza arbeyt om den Princen vroet te maken dat zy heur macht behoren te bruy-


ken om ketteren te onder drucken en te dooden. In alle Moyses boecken vintmen niet een eenighe wet die van ketteren spreeckt. Dus en heeft Christi toekomst niet moghen besnoeyen ‘tgheen niet en was, namentlijck des Overheydts macht om ketteren te onder drucken ende te dooden. Want daer toe en gheeft heur Moyses wet nerghens bevel, last of macht. Wil Beza segghen dat Moyses d’Overheydt daer macht toe heeft ghegheven, dat moet hy eerst bewijsen. Want dat ontken ick opentlijck. Wat niet en is, machmen niet verminderen of besnoeyen.

W. B.

88. Het is nochtans soo verstaen ende ghedaen 1 1 j. gheweest sonder eenigh wederspreecken van de gheloovighe, soo wel in de Christen kerck, als in d’oude kercke van Israel. Ick segge soo dickmael ende t’elcken als zy Christen Princen hadde. 2 2 ij. Dat blijckt ghenoegh by de Ecclesiastique Historie.
89. Men lese Eusebius, Theodorite, Nicephorus: men lese de brieven ghenaemt Synodales: men lese der Concilien handelinghen ende bysonder die van Carthago, 3 3 iij waer inne wordt ontdeckt het bedrogh van Romen: 4 4 iiij. men lese alle ’t gheen Sint Augustijn heeft gheschreven teghen de Donatisten ende Circoncelliers: ende wy sullen bevinden datter niet een Concilium ghenerael en is beroepen, 5 5 v. ghehouden noch besloten gheweest dan door d’autoriteyt vande Christen Keyser die doe was.
90. Wy sullen mede bevinden, 6 6 vj. dat de ketters; nae dat de excommunicatie door den Bisschoppen teghen heur was uyt ghesproocken; veroordeelt zyn gheweest ende ghebannen door’t vonnisse der Keyseren, ende door de selve somtyds weder naemaels in gheroepen sijn. 7 7 vij. Wy sullen oock vinden dat de Keysers wetten hebben ghemaeckt van de Bisschoppen ende klercken, ende dat sy placcaten verkondight hebben teghen den ketteren, 8 8 viij. roerende het Catholycke ghelove, metten kortsten, 9 9 ix. dat zy alles hebben ghedaen datter behoorde tot de beschrijvinghe van de uytterlijcke kercken-tucht: ende dat de heylighe Bisschoppen daer inne niet alleenlijck heur werck hebben gheapprobeert, maer dat zy’t oock met een ghemeen toestemmen by monde ende ny gheschrifte hebben versocht gehadt. S. 310. 311. Wat seghdy daer toe? Dat seydt Beza.

Coornhert.

91. Niet met allen. Ten verdient gheen antwoordt.

W. B.

Waerom dat?

Coornhert.


‘Tis alles buyten het voortstel of propoost vā Beza, oock en macht niet bewijsen.

W. B.

Bewijst dat.

Coornhert.

92. Gaerne. Hoe houdt het hooft deses capittels by Beza daer voor ghestelt?

W. B.

Het tweede argument, genomen uyt d’autoriteyt vanden woorde Godes. S. 298.

Coornhert.

93. Meldt dat oock van dat boeck Capitons genaemt Masseceth Senhedrim, van oude gewoonten, van de Ecclesiastique Historie. Van de handelinghen Synodale, of van Augustini schriften, of van der Keyseren of Bisschoppen ghebruycken, ofte van yet anders sodanighs?

W. B.

Dat en segghe ick niet. Siet selve.

Coornhert.

94. Daer staet, soo ghy hebt gheseydt. Dat de tweede bewijsinghe of argument genomen is uyt d’autorityet vanden woorde Godes. Nu vraghe ick u, of ghy dat vreemde Hebreeusche boeck van Capito, d’oude ghewoonte, met alle dat daer volght ende by Beza wordt verhaelt, of oock yet van alle ’t selve, houdt voor’t woordt Godes?

W. B.

Dat moet verde van my zijn, soo ist oock van mijn Heere Beza.

Coornhert.

95. Ick ghelooft, ende moet daeromme oock ghelooven dat Beza hiet niet vry en is van opsettinghe ende schadelijcke bedriegherije. Want onder de dierbare terwe des woordts Godes, daer mede hy belooft zijn voortstel te bewijsen, menghet hy het snode kaf van oude ghewoonten, ende van menschen schriften. Soude dat niet wel dienen omme die alsoo onder een schijn van Gods woort gelove te doen hebben, den lesers argelistelijck te bedriegen, ende menschelijcke wane voor Godlijcke waerheyt te verkoopen? is dat geen valsch bedrogh?

W. B.

Mogelijck dat anderen daer teghen sullen moghen segghen.

Coornhert.

96. Dat mach zijn, maer niemandt vermachs met redenen noch min met waerheyt. Ick hebbe waerheyt geseyt, daer aen, dat alle sulck seggen Beze geen antwoorde en verdiende. Want hy met schrifture, niet met menschen seggen beloofde zijn voortstel desselvens capittels te bewijsen. Dat doet hy niet alhier. Immers dat moet hy doorgaens al dit zijn schrijven dien, wil hy eenigh geloof hebben.


W. B.

Waer mede bewijsdy dat u seggen?

Coornhert.

97. Wt Beze eygen woorden. Is u dan vergheten wat ghy self hier voor, uyt hem Beze selve, oock uyt Calvijn hebt voort gebracht? namentlijck uyt Beza: Wy begeeren alleenlijck dat de schrifture de toets-steen sy, om te examineren alle datmen seyt ende doet inde kercke: Ende Calvijn, Dat de Schrifttuer is inder waerheydt de toets-steen, daer op alle leeringen beproeft moeten worden.

W. B.

98. My gedencket nu ghy’t my weder inden sinne brenght. Ick verneem oock daer uyt u besluyt: dat Beza oock self moet lijden de wet die hy anderen steldt: dat is, wil hy gheen bewijs van anderen aennemen dan uytter H. Schrift: anderen en zijn oock niet gehouden van hem ander bewijs, dan uytte H. Schrif, aen te nemen. Daer inne mach ick u dan geen onrecht geven, oock niet van dat ghy hem ontrouwelijck seght te handelen. Maer sullen anderen daer mede vernoeght zijn, van u niet met allen antwoordens op alle sulck seggen van Beza?

Coornhert.

99. Reden met waerheydts blijck behoort elck te vernoegen: doe heb ick ethoont van dat dit seggen Beze geen antwoorde en verdient. Doch om elck meer dan te vollen vernoeghen te geven, soo sal ick op elck wat, maer op’t kortste ick kan, segghen. Neemt dan eerst vande oude gewoonte opte woorden van Beza. Het is nochtans soo verstaen ende gedaen geweest, &c. 1 1 j.
100. Beza in dit selve boeck (S. 201.) sprekende van des Antichrists supposten, seyt: Dat zy, willende bekeeren eenigh ghevangen die yet heeft ghesproocken teghen des Roomschen Antichrists (soo noemt hy den Paus) blasphemien; allegeren de oude ghewoonte vande kercke, of eenighe andere oude argumenten, die nu al duysentwerven zijn wederleyt, &c. Die voert hy nu voor hem in: behoeftmen nu oock het wederleyde te wederleggen? Siet daer Beze stadigheyt.
101. Aengaende die Ecclesiastique Historien 2 2 ij. schrijft Beza self mede in dit selve boeck van de selve Historien; daer zy zijn meyninghe tegen zijn; dese woorden: Maer daer is gheen dingh meer waerachtigh, dan datmen opentlijck vermerckt de ydelheydt der Griecken, int verhael dat zy doē van dese Historien. (S. 415.) Ende Beza bestaet hier zijn onware opinie waer te doen schijnen, vermits der selver Historien loghenen. Daer siet Beze bedrieghlijcke lichtvaerdigheyt.
102. Beroerende nu der Concilien handelingen 3 3 iij. zijn onder meer anderen Beza woorden deze navolgende: Ende seker, houdende d’eene Concilien teghen d’anderen, sullen sich bevinden soo veele contrarieteyten onder hen selve: datmen nootlijck sal moeten belyden: dat daer de H. Gheest niet altydt ghehoor en heeft ghehadt: maer dat Sathan sich nu al over langhe verkapt heeft int licht der ghenerale
Concilien om zyn valscheydt te vermommen (T. 284.) Daer blijckt nu dat Beza hier met dat selve Sathans mom-aensicht zijn loghen-leer heeft bestaen te vermommen, ‘twelck valscheyt is.
103. Op Beze voorthalen van Sint Augustijns seggen: 4 4 iiij. seyt Beza, Dat Augustinus wat te seer heeft gevolght den loop zijns tyts, nopende d’allegorien: want my gedenckt wel (seydt Beza) dat hy erghens gheroert heeft dese allegorie van’t sienlijcke ende onsienlijcke swaert. S. 364. Daer blijckt Beze vermetelheydt, die self Augustijn niet en acht, als het hem ghelieft, ende anderen Augustini woorden wil doen ghelooven, ende dat noch onder’t menghsel van’t aensien der Godlijcker Schrifturen.
104. Nopende nu’t versamen der Concilien, 5 5 v. wat wil Beza hier mede bewijsen? dat noyt Concilium beroepen, &c. is gheweest sonder dē Keyseren. Wat meer? dat de Keyseren sich Mette religie bemoeyt hebben. Ick gelooft Wat mogen sy van sulcx niet doen? maer hevet Christus, ja Moyses heur bevolen? dit most blijcken. Maer wat soude dat dan noch al doen tot bewijs dat zy ketteren mogen dooden? niet. Ten waer int Concilio van Constans, daermen Johannem Hus doode. Soude Godt sulcks den Paus ende Keyser wel bevolen hebben? daer blijckt Beze onwijsheyt.
105. Daer Neza seyt dat de Bisschoppen den ketteren eerst excommuniceerden, 6 6 vj. die de Keyseren na banden? is een bewijs dat zyse niet en verbranden, en dat het ketter-deden doe geen gewoonte en was. Mocht Beza; willende hier mede bewijsen zijn voortstel van’t doden der ketteren; oock meer spreken teghen sich selven? daer blijckt Beze verwertheyt, int navolghen des logen-geests.
106. Nopende het makē van wetten over Bisschoppen ende klercken: 7 7 vij. en soude Beza sulcks niet gaerne lijden vande Geneefsche Magistraet, ten waer door zijn versoecke ende na zijnen wille. Immers en willen de Delfsche Superintendenten, noch Utrechtsche Consistorianten, noch en wilde Pieter Cornelis &c. sulcx vande waerlijcke Overheyt geensins lijden. Daer aen mercktmen Beze ydelheydt.
107. Belangende nu het Placcaten maken teghen den ketteren, 8 8 viij. en hebben gene Euangelische, in Keyser Kaerle ende zijn Sone, ghepresen: noch en soudet Beza, soo hy in Spangien Of Italien woonde, niet prijsen maer wel grouwelijck vervloecken, so hy en zijnen meester voormaels hebben ghedaen. Daer blijckt zijn windige veranderlijcheyt.
108. Ende, 9 9 ix. seyt Beza noch, sy hebben (te weten de Keyseren) alles gedaen datter behoorde, &c. Neen niet alles, maer meerder dan’t behoorde ghedaen tot bescherminghe vande uyterlijcke kercken-tucht. Want de dwang met heur swaerde en was heur niet bevolen van Christo over de conscientien: maer zy behoordē Christum daer over alleen de Heer te latē wesen. Dat hebben vele van de Keyseren niet gedaen. Maer dat die Bisschoppen sulcke dwang-macht der onwijse Keyseren tot heur gemacks bescherminghe self versochten en toe-stemden, is mede wel soo, ‘twelck mede alle valsche Propheten versochten ende toe-stemden aenden Tyran-Koningen die den waren Propheten gedoot


hebben in’t oude Testamendt, daer door die Tyrannen sich mette religie moeyende, de ware Propheten dooden. Immers so moeyde sich de Heyden Pilatur met de Godtsdienste, als hy Christum doode, ten versoecke vander Joden Bisschoppen. Maer hebben zy sich daer in niet te vele bemoeyt ende niet meer gedaen dan zy behoorden te doen? hadde het niet doen van sulcks niet behoorlijcker gheweest int laten van’t gheen heur niet te doen en was bevolen? siet daer Beze wijsheyt int allegeren van zijn eygē dwaesheyt: ende dit al noch bedrieghlijck. Want dat zijn de listen om menschelijck goet-duncken den licht-gheloovers voor Godlijcke waerheyt inde hant te steecken.
109. Maer dat mach elck hier oock lichtelijck by mercken, hoe Beza self wel merckende, dat hy niet een eenighe klare sproke vindende inde gantsche Bybele die dienen mach tot bevestiginghe zijns ketter-doodings, hier ende daer t’samen schraept eenighe sproken die hy met gheweldigh draeyen eenen schijn daer toe pooght te maken: ende siende dat d’een logen d’ander geen veruwe van waerheyt en mach geven, soeckt hy bystant aen een onbekendt Joots-boeck, oock aen een schijn van d’oude ghewoonte aen menschelijcke schriften: ende wercken, niet zijnde geweest soo’t behoorde. Wat anders is alle dat, dan met openbare ydelheydt te pogen zijn quade saecke (die so wichtigh is) goet te doen schijnen?

W. B.

110. Dat hebben de Roomsche Pausen so bestaen ende ghedaen, ende zijn allenskens Heeren geworden boven Keyseren ende Koninghen. S. 311.

Coornhert.

111. Nae’t selve wilt-braedt jaghen oock Beza met zijn aenhangh, maer alle jaghers en zijn geen vanghers.

W. B.

112. Arger dan der Papisten felheydt is, seyt daer Beza te zijnre weder saecken soetigheyt. Die noemt hy Academium, ende seydt dat het beter waer te hebben een Tyran, ja oock wel wreet: dan eenigh Prince, die elck toe-liet te doen wat hy wil. S. 312.

Coornhert.

113. Die de misdaden straft nae de beschreven rechten, niet teghen Gode wesende, is een recht Prince: maer die d’ondersaten straft om dat zy anders; dan’t hem ghelieft; ghelooven, ende nae heur consciëntie spreecken, is een Tyran. Luther gheloofde ende sprack ’t gheen hem beliefde teghen de Roomsche Religie Anno 1518. de Hertogh Frederich van Sassen ghedooghdet. Nae dit segghen Beze was die Hertogh argher dan een wreedt Tyran: sullen de Luthersche dat oock toestemmen? Neen zy. Jae soude Beza dat wel derren belijden? voorwaer neen, maer hy prijst Luthers vry spreken Hemel-hoogh. Soo eens is Beza met sich selve.

W. B.

114. Hoort Beze beslodt van dit Hooft-stuck. 1 1 i. Wy segghen dat zy het uytghedruckte woordt Godes verachten, 2 2 ij. ende d’authoriteyt van alle outheyt verwerpen, dat is ’t gebruyck ‘twelck tot allen eeuwen is geweest, 3 3 iij. ende dat sy poghen nae een vernielinghe ende uyterste verderffenisse voor de kercke: die daer niet en willen dat sich d’Overheydt met des religions handel bemoeye, ende principalijck met de ketteren te straffen. S. 312.

Coornhert.

115. Dat seydt Beza doch, 4 4 j. uyt zijn stout onvernuft: maer niet het beschreven woort Godes, noch bedecktelijck noch uytdruckelijck, ‘twelck hy daer inne onwaerheydt opdichtet. Ende die selve, 5 5 ij. daer’t hen is geleghen (so nu bethoont is) d’outheyt ende het oude gebruyck verwerpt (is waerheyt niet ouder dan alle outheydt? wat vermach het menschelijck misbruyck, tegē Godes waerheydt?) maer dat die sulcke waerheydt weten, 6 6 iij. poghen na de grondelijcke vernielinghe sulcker loghen kercken, sulcker moort-kercken (wie mach wat tegen Godes ware kercke?) is waerachtigh: ‘twelck sy oock alt’samen schuldigh zijn te benaerstighen die te recht verstaen en metter H. Schrift krachtelijck connen bewijsen: dat d’Overheyt sich sonder Godes uytdruckelijck bevel (swijge daer tegen) sich niet en behoort te bemoeyen met des religions handel ende principalijck niet met eenighe onboosdadighe ketteren te dooden. Want God dat niemant en beveelt, maer (soo noch nae meer sal blijcken) elcken verbiedt.

VIII. Hooft-stuck.

Of Beza wel bewijst uyter vreemder volckeren aen-een-volgende gewoonte, zijn voortstel.

Wolfaert Bisschop.

De vreemde volckeren, het lichte vanden woorde Godes ontberende, hebben selve wel konnen sien de quaden, ende ghevaerlickheyden die daer souden komen uyte opinie der Donatisten van outs, ende huydens daeghs uyte secte van Bellie. Soo dat het allen Christen Princen een groote schande soude zijn: by aldien zy minder dan d’andere, die Heydenen waren, verstonden: wat heur last waere ende het behoren van heur ampt. S. 312.

Coornhert.

2. Beter wachtende verneme ick argher. Vande misbruyckte sproken der H. Schrift, bracht ghy uyt Beza voort, tuyghnisse die hy self hout voor onwaerachtigh; namentlijck de kerckelijcke Historie. Nu verwachte ick meer Schriftuers ende ghy haelt der Heydenen gewoonte uyt hem. Lieve merckt doch of Beza het licht des Euangeliums mocht


hebben, die dat gaedt soecken Heydenen die hy selve seydt dat zijt niet en hebben. Is dat niet den Princen bevolen de Heydensche duysterlingen tot leyts-leuyden na te volghen? heeft Beza in desen de waerheyt, ist recht dat hy den Princen aen-wijst tot ghewoonten, ende dat noch Heydensche? Beza schrijft selve hier voor (S. 92.) dat hy niet en vindt inde Heydenen (die hy by den Duyvelen verselt) noch gheloof, noch een goet leven. Soude men sodanigher luyden gewoonten navolgen? Soude Besa den Heydenen al willen na-doen, dat zy gewoon zijn te doen, hy bevele zijne Princen oock te afgoderen?

W. B.

3. Dat en wil Besa niet seggen. De Heydenen zijn wel seer te berispen, van dat zy hebben willen wetten maken om eenighe religie nae haer lust op te rechten. (‘tWelck wy hebben bewesen alleen Gode toe te behoren.) Maer ten is oock gheen twyfele of zy en verdienen oock groot lof daerinne: dat zy waenden dat het heur waerdigheyt of state niet qualijck en betaemde, dat zy sorge droegen voor de religie. S. 313.

Coornhert.

4. So verdienen mede dan groote lof daer inne de Koninghen ende Synagogen daer Christi tuyghen voor ghetrocken zijn gheweest, ende noch voor ghetrocken worden in Spangien, Italien, etc. ende die gedoodet hebben oock noch doden, wanende de religie te beschermen ende Gode eenen dienst te doen (Luc. 21. 12. Johan. 16. 2.) want zy oock wanen dat het heur waerdigheyt niet qualijck maer voorneemlijck wel betaemt (so Beza hier leert) dat zy sorghe draghen voor de Religie. Men prijse dan Keyser Kaerle zijn soone, oock de Fransche Koninghen die een bloedighe ende grouwelijcke sorghe hebben ghedraghen voor de religie, jae oock met openbare sorghlijckheyt vant verlies of vernielinge heurder rijcken. Wat noode wast Beza om exempelen van sulcke tyrannische sorghvuldigheydt voor de religie voort te halen uytten oudē vergelegen Heydenen: na dien wy genoeg hebben van dese onse tyden, in Europa selve, ende van Princen die den Christen jae den alderchristelijcksten name voerden?

W. B.

5 Maer onder d’exempelen der vreemde Princen woorden oock sommige ghevonden, die waerdigh zijn om op een sonderlinge wyse ghepresen ende wel ghenoteert te worden: als daer zijn die seer heylighe Placcaten van Nabuchodonosor, van Darius, van Cyrus, van Darius Hystapses, van Artaxerxes, die welcke niet te twyfelen en is, of de Heylighe gheest en heeft heur willen in de H. Schrift ghestelt te worden: op dat de Christen Princen aengheport souden werden om heur ampt te doen, ende dat oock ten minsten door d’exempelen der vreemde ende Heydensche Princen. S. 313.

Coornhert.

6. daer schrijft Beza by na soo vele onwaerheyden als woorden. Soo moeten zy doen, die leeren uyt heur menschelijck vernuft teghen de Godlijcke schrift. Soo vraghe ick u voordt eerst, of alle exempelen wetten zijn, ende ons bevolen nae te volghen?

W. B.

7. Geensins. Dat seyt Beza niet. Maer set dat niet te twyfelen en is of Godt heeft sulcks inde schrift doen stellen tot aenporringh der Princen, haers ampt te volbrenghen.

Coornhert.

8. Prijst de H. Schrift sulck maecken der Princen van Placcaten?

W. B.

9. Beza en vermaent daer oock niet af. Maer seydt dat aen’t ghene hy verhaelt, niet en is te twyfelen.

Coornhert.

10. Acht Beza zijn duncken alree voor H. schrift? aen diens woorden is niet te twyfelen: maer ist soo met Beze woorden. Daer toe wil hy ons van de H. Schrift af voeren. Dats gheen leyders, maer verleyders werck. De H. schrift seyt hy ende zijn meester self d’eenige toet-steen te wesen, soo en ist Beze goet-duncken niet. Aen zijn niet twyfelen moet ick twyfelen, soo ick aen de H. Schrift niet wil twyfelen. Die brenght ny niet voort. Die toets alleen geef ick geloof, niet Beze duncken, ende en achte daerom alsulck zijn onschriftelijck wanen, niet dan voor valsch aloy ende haghemunt, die ick niet en ontfangh, noch eenigh antwoorde ghewaerdighe.

W. B.

11. Suldijt daer mede laten doorgaen?

Coornhert.

21 Wildy Bezam sonder schrift, uyt zijn goet-dunckenheyts glosen opte schrift ghelooft hebben?

W. B.

13. Dat en segge ick niet. Maer wat segdy van zijn besluyt deser exempelen?

Coornhert.

14. Wt dat zijn besluyt, besluyt ick met seker weten, dat Beza uyt zijn goet-dunckens waen stoutelijck heeft derren onwaerheydt besluyten tegen (dats arger dan sonder) der H. Schriftueren waerheyt.

W. B.

Wat hoore ick nu.


Coornhert.

15. ’t Gheen ghy sult moghen weten, dat meer is dan gelooven. Want Beze bsluyt, uyt die Heydensche exempelen, staet in zijn gront aldus.
16. Nademael dan die Heydensche Princen wesende godtlosen dat is sonder Godt (S. 68.) in groote duysternissen (S. 312.) jae niet beter van gheloef ende leven dan de Duyvelen (S. 92.) sonder ‘tlicht van den woorde Godts ende daeromme oock sonder kennisse vande ware religie, uyt heur waen of vernuft, wetten hebben ghemaeckt over heurder onder-saten conscientien, ende sich onderwonnen hebben te ghebieden in Godes rijck, namentlijck over der menschen zielen: hoe vele te meer hooren de Christnamige Princen daer inden Heydensche princē na te volghen ende te ghebieden een religie (die zy oock self niet en weten de waere te zijn) op lijf-straf te onderhouden, sonder dat heur sulcks van Gode is bevolen, alleenlijck door eenen goeden yver ende doort vroetmaken eeniger wolf-herders? S. 314.
17. Maer nu ick u noch so veel te gemoet kome, so laet ons horen, wat de wetten waren daer mede die godlose (soo Beza heur noemt) Heydensche Princen, den Christen Princen tot een exempel souden dienen?

W. B.

18. Beza noemtse daer te zijn teghen de blasphmeerders ende oproerigen gemaeckt te zijn.

Coornhert.

19. Wat moghen noch die exempelen dienen om nae te volgen teghen onnosele menschen die niemandt in goet of bloet en misdoen of zy noch al schoon erghens in geloovens saecken doolden? wie soude levendigh blyven, somen elck om erghens in te dolen, soude doden? hebben die Heydensche Princen ketteren gedoot? dat en leestmen niet. Maer men leest wat anders van heur dat al veel beter in heur is, ende dat Beza om na te volgen, den Christen Princen niet aen een wijst.

W. B.

Wat soude dat zijn?

Coornhert.

20. Die Princen waren Heydenen, noch geheughden zy den Joden heur Jootsch gelooft te beleven: ende leden also een ander religie beneven de hare, niet tegenstaende de Joden onder heur gebiedt waren. Daerom zijnse rechtelijck te prijsen.
21. Waerom en prijst Beza dan oock niet den Christen Princen, die ander Christenen, heur onder-saten zijnde, lyden, niet tegenstaende die een weynigh in’t gheloove van heur verschillen? waerom hitset hy de Princen aen om die te doodē? dat werck is grouwelijck, maer het ghedogen is menschelijck ende recht Princelijck.
22. Calvijn, Bullinger, Beza, jae alle vrome Ghereformeerden, vervolght zijnde, preesen voomaels Constantini Magni wyse goeder-
tierenheydt, vermidts zijn schryven aen den Paus Anastasinm, dat hy niemanden ghewelt en wilde doen noch ten gheloove dwinghen, maer alleenlijck vermanen ende Gode het oordeel bevelen. K. 127.
23. Van ghelijcken den Keyser Constantium, om dat hy een yeghelijck toeliet, nae zynen wille te ghelooven ende Gode te dienen: achtende met sulcke zijne soetigheydt ende goedertierenheyt meer te voorderen, dan met strenghe placcaten. Welck zijn doen van elck wert ghepresen. Ende en was hy oock in zijne meyninghe niet bedroghen. Ibidem. Seght ghy, prijst u Beza nu oock sulcke Christelijcke goedigheyt inden Christen Princen.

W. B.

24. Neen, maer dreyghtse met Godes oordeel ende vraeght niet wat conscientie de Christen Princen heur onder-saten van crimen lesae majestatis konnen straffen, als zy gedogen dat de Godlijcke Majesteyt schandelijck wort gelastert. S. 314.

Coornhert.

25. Heeft Beza al bewesen dat alle ketteren Gods-lasteraers zijn? dat alle dolinge inden gelove Gods-lasteringen zijn? waer leestmen sulcks?

W. B.

Doorgaens in Bese schriften ende in H. Bullinger dec. ij. ser. 8. f. 63. 64.

Coornhert.

26. Dat en zijn geen Bibelsche schriften. Maer hoe sal d’Overheyt mogen ontgaen Godes oordeel, van Christum in zijne lidtmaten vermoort te hebben: als een Prince wredelijcken doot Godes dienaeren, hem tot zijn saligheydt waerheyt verkondighende? Of lochent Beza dat vele Princen verleydt zijnde sulcks gedaen hebben ende noch dagelijcks doen?

W. B.

27. Neen ick, maer lochent ghy dat de ketters de Gods-dienst besmetten ende Godts woort te schande maecken?

Coornhert.

28. Vermogen de verdoolden sulcks met logen: rechte harders vermogen met waerheydt Gods-dienst onbevleckt te bewaren: ende Godes woort in eeren te houden. Of is de loghen nu stercker dan de waerheyt?

W. B.

29 Maer onder een beveynsde soetigheydt ende sedigheyt vallen zy des woorts dienaren moeyelijck. S. 314.

Coornhert.

30. Daer wast. Wie soude niet liever rust, lust, ende eere genieten: dan verdriet, moeyte ende beschaemtheyt hebben? heur lijfs weel-


de wert ghedreyght, met armoets verdriet: heur loeye rust, met meoyelijcke disputeerstrijt: ende heur soete eerwaerdigheydt met smadelijcke beschaemtheyt.
31. Want zy weten dat zy de waerheydt niet en hebben, oock dat tegen de waerheyt logen niet altoos en vermagh: maer dat der Princen swaert des waerheyts tuygen wel (voor een tijdt) van kanten helpen magh. Hier om pogen zy het vry berispen van een aengenomen lants leere soo sorghvuldelijck te doen beletten, door der Princen placcaten. Dit plegen uwe leeraren met waerheyt te berispen inden Catholijcken: nu maken zy dat anderen ‘tselve met waerheyt in heur berispen. Is alsulck bewijs Beze oock yet anders dan een vast bewijs van zijn onwijsheydt?

IX. Hooft-stuck.

Beza bestaet het ketter-dooden te bewysen mette tuyghenisse deser tijden Schrijvers, van zijnre opinien zijnde.

Wolfaert Bisschop.

Neen, de Heer Beza brenght al veele meer ende ander bewijs noch inne, dat d’Overheyt den ketteren behoort te doden.

Coornhert.

Laet hooren.

W. B.

2. Beza seydt, Achterlatende alle de storie Ecclesiastycq, d’exempelen der oude Koninghen, Princen ende Bisschoppen, de Keyserlijcke rechten Iustiniaens nieuwe Constitutien, de Canones der Concilien ende eyntlijck Sint Augustijns boecken: soo laet ons sien wat d’opinie is der ghenre, door de welcke het de Heere heeft belieft in dese tyden weder op te rechten het licht des Euangeliums, dat als uytghebluscht was onder den menschen. (S. 315.)

3. Seght my, leestmen een woort van alle sulcke schriften inde Godlijcke schrift?

W. B.

4. Dat en seyt Beza niet. Maer waerom vraeghdy dat? houdy datter niet waerachtighs en is gheschreven, dan alleen in de H. Schrift?

Coornhert.

5. Neen ick, maer doet ende handelt Beza dese saecke niet inde kercke? roertse de leere niet?

W. B.

Onghetwyfelt ja.

6. Seydt Beza niet self zijn begheeren te zijn (tot Poyssi totten Catholijcken) dat de Schriftuer alleen de toet-steen zy, daer op men alle sulck sal proeven? (iij. 15.)

W. B.

Ja zy beyde. Maer wat wildy hier mede?

Coornhert.

7. Dat ick niet een woort wil antwoorden op alle dat Beza daer voort brenght uyt zijne mede leraren of Schrijvers. Want heurder gheenre schriften en zijn de toets-steen der H. Schrift. Buyten dese wil ick so weynigh eenigh menschelijck seggen, dat Beza tegen my magh voort halen, tot bewijs aennemen: als Beza ende Calvijn vanden Catholijcken eeniger menschen schriften, die zy tegen heur mochten voort halen tot bewijs wilden toelaten. De wet die zy anderen stelden, moeten zy self oock lyden. Dus acht ick dit voort-gestelde bewijs tijt-questingh, verloren moeyten en niet antwoordens waerdigh. Een sotte aenspraeck, eyscht een verstandigh swyghen.

W. B.

8. Hoordy dan niet dat Beza daer seyt de selve sodanige menschen te zijn: door welcken het Godt heeft belieft weter te voortschijn te brenghen des Euangeliums licht, dat na by was uytgebluscht?

Coornhert.

9. Beza, niet Lucas, seyt dat. Wat hoore ick nu? Om dat David Jorissen ghenoegh ‘tselve hadde ghekalt, wert hy van die van Basel, ende van meest al uwe geleerden voor een aertsche ketter gescholden: sal Beza nu voort komen met veele David Jorissen of nieuwe lichten des wereldts uyt zijn bontghenoten? Immers sal Beza self oock gheen David Joris moeten wesen?

W. B.

Hoe datte?

Coornhert.

10. Hy heeft konnen sien, soo hy schrijft, dat geen vande ouden hebben konnen mercken, namentlijck des duyvels list in de allegoerien (S. 360.)

W. B.

11. Ghy mooght van de voorschreven nieuwe Euangeli-lichten soo spotlijck spreken als ghy wilt: de onse noemen Luter, Zwingel, Oecolampadium, Capito, Bucer, Melanchton, Martyr, Bullinger ende Calvijn onse heylige vaderen te wesen. (B. 19.)

Coornhert.

12. Die vaderen mooghdy ernstlijck noemen soo ghy wilt: maer Beza met zijn aen


hangh verdient by namen, die ghy ongaerne sout hooren.

W. B.

Welcke doch?

Coornhert.

13. Van lichtvaerdigheyt, van onghestadigheydt, van dubbeltheydt, ende van derghelijcken meer.

W. B.

Waer mede soudy dat bewijsen?

Coornhert.

14. U luyder eygen bekentenisse des gheloofs in druck sal u dat wijsen. Daer seggen de gelovighe inden Nederlanden verstroyt zijnde Anno. 1565. pag. 10. verso. dat zy de H. Schrift geloven, dat de heele Godsdienst daer inne is beschreven, dat geen menschen ons anders moghen leeren, datse toe-doen noch af-breck en wil lijden, datse seer volkomen is, datmen daer niet teghen en mach stellen ghewoonten, veel-tallighe personen, outheyt, succesien, decreten noch besluyten. Want, segghen sy daer voort, alle menschen zijn loghenachtigh ende ydeler dan de ydelheydt selve. Dit ende meer sulcks hebt ghy luyden doe ter tijdt in druck uyt ghegeven. Gheloof dy’t niet, leset, daer leydt het.

W. B.

Onnodigh, ‘tis my bekent.

Coornhert.

15. Sonder Schrift, ende plat teghen de Schrift, komt Beza nu voort met menschen schriften zijns ghelijcke medeghesellen om door heur getuygenissen in zijn onware opinie ghelooft te worden. Hoe mooghdy hem voor wijs achten? is sulck zijn werck niet verloren moeyte?
16. Maer hoe mach hy oprecht zijn, die met onware tuyghen loghen pooght waer te doen schijnen? hoe mach u volck, die nu sulcke menschelijcke versieringhe teghen de H. Schrift gelove geven, ernstigh, stadigh, eenvuldigh wesen, jae schijnen, die als een weer-haen met allen winden der dool-leeringhen veranderen?
17. Wat behoefde Beza dese uwe nieuwe H. vaderen voort te brenghen, indien d’oude vaderen voor hem waren? maer die laet Beza looflijck achter, niet teghenstaende outheydt eenighe schijn van autoriteyt maeckt. Want zy meest al daer tegen, of ten minsten elck by sich selve niet eens zijn.
18. Heeft Beza int ketter-dodē de heylige Schrift voor hem, waerom bruyckt hy menschen dichtingen: heeft hy dat stalen swaert niet, wat helpt hem dit loden swaert? wat waerheyt mach Beza in desen bewijsen uyt loghen-boecken, uyt Heydensche schriften, uytte beschreven rechten, ja uytten schriften Augustini tegen de moort-ketteren, (als de Donatisten waren) die hy noch niet gedoot maer gespaert wilde hebben? soude dan niet
opentlijck strijden teghen Beze voortstel van’t dooden der onnoselen ketteren?
19. Wijslijck, jae arghelistelijck heeft dan Beza gedaen, dat hy alle sulcx, als hem onnut, jae schadelijck wesende, achter rugghe steldt, onder een schijn als of hy ander ware blijcken ghenoegh hadde: niet tegenstaende hy niet blijcks altoos en heeft, dat ghelden mach: soo ghy int vervolgh deses handels self sult gewaer worden, ist dat ghy merckt op’t geen sal worden geseydt.

W. B.

20. Of ghy dat alles recht neemt, en weet ick niet. Maer ‘tis kenlijck dat Beze wedersaecken hem die Schrijvers; by den onsen nieuwe vaderen genaemt; tegen werpen, tot wederlegh zijnre meyningen in desen. Dit nootsaeckte moghelijck hem, die voort te brengen, ende te thonen dat zy met, ende niet teghen hem waren.

Coornhert.

21. Als ick daer tegen oock doe blijcken dat zy tegen Beze opinie van’t ketter-doden hebben geschreven: wat sal Beza dan noch al daer mede winnen, dan dat zy het een tegen’t ander schrijvende het geloof verliesen? maer u seggen blijckt onwaer uytten titule self van’t capittel dat wy nu handelen: welcx op-schrift is: het laetste argument; genomen uytten Doctoren der kercken van onse tijden: en daer by noch zijn seggen voor aen, daer hy, om de selve gheloof-waerdigh te maken, heur die luyden te wesen noemt: door de welcke het den Heere heeft belieft in dese tijden weder te voor-schijn het licht des Euangeliums, dat by na onder den menschen was uyt-gebluscht. S. 315.

W. B.

22. Ick laet dat daer ende kome op Martijn Luthers segghen; eerst by Bezam voor gestelt zijnde; in dese meninge dat d’Overheyt het onkruyt niet uyt en roedet: als die strenghelijck straft de verstoorders van de kercken-vrede: maer dat hy dan zijn beste doet, op dat de terwe niet en soude verdruckt worden. Sulcks seydt Melanchton mede. Mat. 13. (S. 316. 317.)

Coornhert.

23. Onnodig is hem van anderen wedersprooken te worden die sich self wederspreeckt. Dit doen hier Luther ende Melanchton beyde self. Dus is my onnodigh heur te weder-spreecken.

W. B.

24. Maer u is noodigh te bewijsen dat dese geleerde mannen, sich self daer wederspreecken.

Coornhert.

25. Recht seghdy, nu bewijs ick dat mijn segghen, antwoordt ghy my met berispen daer ick qualick, ende met toe-stemmen daer ick wel sal mogen seggen.


W. B.

Ick en sals niet laten.

Coornhert.

26. Luther ende Melanchton nemen hier het onkruyt voor ketters, d’overhyt voor d’Enghelen, ende het uyt-roeden des onkruyts voor ketteren dooden.

W. B.

27. So houden zijt, nae de meyningh van Beza, niet alleen inde woorden onkruyt en uyt-roeden, maer oock int woort Engelen: ‘twelck Beza met lange woorden self poogt te duyden opten Overheyt, dat Godes dienaren zijn. S. 231. 232. 233.

Coornhert.

28. Dats wel onthouden van u, maer niet wel gheglooft van Beza. Want is ketter-dooden onkruydts uyt-roeden: ‘twelck Christens voor den ooghst (des werelts eynde) te doen verbiedt: ende dooden de Princen ketters, soo roeden zy onkruyt uyt: soo doen zy immers ‘tgheen Christus heur verbiet te doen. Nochtans schrijft Luther met Melanchton dat zy niet en doen ’t gheen Christus verbiedt.
29. Soo moet nu het doen ende het niet doen, dat Christus verbiedt, een selve dingh zijn: of Luther met Melanchton spreecken beyde teghen sich selve ende plat het een tegen’t ander. Maer want jae ende neen, soo strijdighe saecken zijn, dat zy beyde teffens van een selve sake niet en mogen waer zijn: welcke beyde saken, te weten, doen teghen Christi verbodt, ende niet daer teghen doen, zy beyde hier seggen van d’Overheyts uytroeden des onkruyts: soo blijckt hier opentlijck dat zy beyde sich self weder-spreken, ende kenbare onwaerheydt leeren. O verkeerde gheleertheyt.
30. Niet anders dan sulck heure onwaerheydt daer blijckt nopende het werck van’t onkruydts uyt-roeden: soo blijckt heur onwaerheyt mede in den tijt des uyt-roedens, te weten den ooghst. Die seydt Christus te wesen deses werelts vol-eyndinge (Matt. 13. 40.) so moet Beza met zijne voornoemde twee heylighe Vaderen segghen, als Karolus quintus ende Francoys de Valoys eerst begonden ketteren te dooden, jae als Joannes Hus al werde gedoodet: dats het onkruyt uyt-roeden, dat de wereldt doe al vol-eyndight was. Wie mach die openbare onwaerheydt Lutheri, Melanchtons ende Beze gelooven?

W. B.

31. Ghy doolt. Dat en waren geen ketteren maer Christenen.

Coornhert.

Ghy meynt moghelijck Hus ende de Gereformeerden.

W. B.

Also, oock de Luthersche, souden dat ketters zijn?

Coornhert.

32. Dat zy soo neen, na u seggen. Maer zijnder dan geen Doops-gesinden noch anderen gedoot om heur gelove? zijn dat met u geen ketters? immers die door Calvijns beleedt (na zijn selfs beken (A. d. II.) vande Geneefsche Overheyt gedoot worde, namentlijck Servet, en meyn ick niet dat ghy lochenen sult een ketter te wesen, ende in’t dooden van hem, onkruyt uyt-gheroedet te zijn. Seght nu, was doe de werelt al voleyndight?

W. B.

Wie mach dat met waerheyt seggen?

Coornhert.

33. Wie moet dan niet met waerheyt seggen dat Luther ende Melanchton onwaerheyt segghen ende sich self weder-spreken, dat Beza ende Calvijn onwaerheyt leeren, met heur ketter-doodinge, ende dat de Geneefsche Overheydt Calvijns raedt teghen Christi ghebodt volghende, voor den tijdt bestaen hebben ’t onkruydt uyt te roeden, dat heur Christo niet en was bevolen maer uytdruckelijck verboden? dat ist noch al niet.

W. B.

34. Wat? hebdy hier op noch meer te segghen?

Coornhert.

Vryelijck. Van’t werck ende vande tijdt van dat onkruyt hebdy ghehoort: hoort nu mede wat van des verbodts oorsake. Want Christus en verswijght die niet.

W. B.

Welck was die? op dat zy niet gesamentlijck met het onkruyt oock niet uyt souden rucken de terwe?

Coornhert.

35. Ghy hebbet geraden. Dat moet vallen daermen niet sekerlijck en kent de terwe uyt het onkruydt: tusschen de welcke int wassen voor den ooghst so merckelijcken onderscheyt niet en is by den menschen. Seker somen ontwijfelijcken den Christenen uyten Hypocriten of schijn-deughden, dat is den waren gelovigen uyten ongelovigen of ketteren hier in der tijdt kende: wat kercke soude de bekende Hypocriten of ketteren in haer gemeenschap lijden?
36. Onkunde wast dan in den dienaren? Daer door Christus heur niet toe en liet het onkruyt uyt te roeden, niet tegenstaende zy daer nochtans al eenighe alghemeyne kennisse af schenen te hebben als zy vraeghden: waer uyt komt het onkruydt. Maer soo zy volle kennisse daer af gehad hadden, ‘twelck voor den oogst niet licht en valt: en soudet de Heere heur niet verboden hebben, soo’t den tijdt waer geweest, ende d’Engelen met geen sekerder kennisse naemaels soude worden bevolen.


37. Heeft iemant tegen dit verbod Christi gesondight, soo en zijnder ter werelt, nae dat verbodt Christi was ghedaen, gheen martelaren onder den naeme van ketteren, van oproerders, van verleyders of van verstoorders van d’uyterlijcke kercken-vrede, of van des gemeen-lants ruste gedoot: ende soo zijn niet alleen alle martelaren Christi voormaels, maer nu in onse tijden alle Lutheranen, Gereformeerde, Doops-gesinden ende Catholijcken, als ketters, oproerders ende verleyders rechtvaerdelijck ghedoodt. Sal oock yemandt van al d’Euangelische kercken dat mogen toe-stemmen?

W B.

In geender wijsen.

Coornhert.

38. Sy zijn dan onrechtelijck gedoot ende voor den tijdt teghen Christi verbodt inde plaetse van onkruydt uyt goedt-dunckens onverstant uyt-geroedet: ende hebben alle Princen, die sulcks meest door sulcke bloetraden ghedaen hebben, sich swaerlijck aen dat onverstandigh ende verboden werck besondight: daer zy int laten van sulck moordelijck uyt-roeden sich niet en mochten besomdight, maer Christi verbodt ghehoorsaemt souden hebben.
39. Ende seecker nadien nu ter tijdt noch elck van de vier uytterlijcke kercken sich acht voor terwe, ende daer beneven al d’anderen; buyten haer ghemeente zijnde; hout voor onkruydt: soude niet elck d’anderen machtich wesende (soo’t metten Catholijcken ghebleken is, ende noch blijckt, daer zy de macht hebben) moeten ende bestaen te doden als ketteren: so zy alle t’samen d’opinie van Beze toe-stemden, dat d’Overheyt nu het onkruyt behoorde uyt te roeden? wat Koninghrijck, wat lantschap, ja wat Stadt soude dan van onderlinghe moorderye vry moghen blyven?
40. Elck wil rechter over ander wesen, niemandt een ander tot zijn rechter kennen: wie sal dan rechter zijn over alle dese ghemeenten? soude de eenige ware rechter Christus selve, by alle de kercken oock voor heur rechter aengenomen werden: soo hy al self noch andermael in den vleesche quame, in dese laetste ende arghste tijden? of heeft de werelt nu niet, soo wel als voormaels, heur Pharizeen, ende Pilatus?
41. Of is de werelt nu so heyligh geworden, dat zy Godes Heylighen niet meer en vervolght, maer eert ende weldoet? Of bemintse nu de waerheyt, so datse Christi jongeren niet meer en haet, maer lief heeft? Of is des werelts oordeel nu so oprecht, dat zy niet meer ’t quade seydt goet te wesen, noch ‘tgoede quaet, maer’t geen goet noemt, dat goet is, ende quaet dat quaet is?
42. Siet vrient dat verkeert oordeel en dat onverstant des werelts mistroude Christus, niet willende ’t selve macht geven om’t onkruyt uyt te roeden om des terwen willen. Den dienaren Godes, die Beza d’Overheyt te zijn acht, verboot de Heere dat onkruyts uyt-roeden. Waerom? om heur onverstant, dat gheen volkomen onderscheydt en heeft tusschen onkruyt ende terwe: maer seyt daer
toe zijnen Engelen te sullen senden. Sullen zy gheen beter verstant daer af hebben, soo is dat wachten totten ooghst ende ’t senden der Engelen te vergeefs. Want heur misverstant en soudet dan oock niet beter konnen maken dan der voorsz dienaren onverstandt. Wie sal den Heere Christo, die de wijsheydt self is, sulck onverstandt derren toe-schrijven?
43. Wie sal hier niet liever met waerheyt segghen, dat Luther ende Melanchton, in’t ghene voorsz staet, onverstandigh zijn gheweest, onwaerheydt hebben gheschreven ende plat uyt strijdigh zijn, niet alleen tegen sich self, maer oock tegen onsen Heere Christum, die de selve de waerheydt is, ende heeft allen menschen te doen verboden, dat voorsz werck van’t onkruyt uyt te roeden, ‘twelck Luther ende Melanchton den Princen qualijck segghen gheboden te zijn van Christo. Want die wil dat het eerst in des wereldts vol-eyndinghe ghedaen sal worden van zijnen Enghelen; niet die nu hier al zijn, maer die hy dan eerst daer toe sal senden. Niet minder thoont sich hier mede Beze partydigh onverstant, ‘twelck ontberende Christi naeckte waerheyt: zijn onwaerheyt bestaet te blancketten, met menschen goedt-dunckenheyts waen.

W. B.

44. Ick mercke dat ghy die parabole onses Heeren met ernst nae hebt ghetracht. Daer af schrijven vele veelreleye meyningen. Stuck-wijs hebdy oock daer wat van verhaelt. Lieve seght, wat houdy daer van, desen aengaende, den hooft-meyninge Christi te wesen?

Coornhert.

45. U vraghe dient ter saken, daerom ick die onder verbeteringe beantwoorde alsoo: Inde gantsche parabel en mercke ick geen ghebodt, maer alleen een verbodt te wesen: dat sal de Heere naemaels inden ooghst zijn Engelen des aengaende geven. So besluyt ick voor’t eerst dat nu ter tijt derhalven genen menschen yet wat is geboden.
46. Voort sie ick dat de Heere daer gaf een verbodt, van’t onkruydt uyt te roeden. Segt nu, meynt de Heere daer mede alle, of maer eenreley menschen die quaedt, dats onkruyt zijn, ende quaet doen?

W. B.

47. Niet alle quaden ende quaet-doenders maer eenighe. Anders souden d’Apostelen tegen heur meester gheleert hebben. Ghemerckt die leeren dat d’Overheyt ’t swaert niet vergeefs en draeght, maer tot straf der quaden. Rom. 13., 1. Pet. 2.

Coornhert.

48. Recht antwoordy my. Of anders soudet verbod vergeefs zijn, gemerckt daer niemant niet uyt te roedē en sou zijn verboden. Welcke zijn die quade menschen die quaedt doen by dat onkruyt niet ghemeynt, soo dat die niet verboden zijn te dooden: ende welck zijn die quaden die quaedt doen ende beteec-


kent zijn met dat onkruyt, ‘twelck de Heer verbiet uyt te roeden, dats te dooden?

W. B.

Dat soude ick liever uyt u horen, dan uyt my laten horen.

Coornhert.

49. Daer zijn tweederleye quade menschen die quaet doen: namentlick openbare quaetdoenders, als doot-slaghers die niet goedt en zijn, nochte oock niet goedt en schijnen. Dese wordt d’Overheyt bevolen te straffen oock metter doot. Van dese en spreeckt dan dit verbodt van niet uyt te roeden niet, ende en moghen daerom oock gheensins verstaen worden onder dat onkruydt daer de Heere hier af spreeckt: want daer is niet lichters dan dese quaet-doenders te onderscheyden vande onnosele jae goedt-dadighe Christenen.
50. Maer men vint oock Hypocryten, ketters en verleyders die so deughdelijck schijnen: datse niet wel by den menschen maer wel by den Engelen Godes hier alleenlijck konnen onderscheyden worden vande ware Christenen, namentlijck vande oprechte terwe: eensdeels om dat dit onkruyt van handel ende wandel dickmael den Christenen in schijn van deughden te boven gaet: ende eensdeels om dat heur leer, die valsch is, altijdt de werelt bevallijcker is, dan de ware leere der ware Christenen.
51. Sodanighe schijn-deughden vintmen veelreleye, de welcke niet wel by den menschen onderscheyden en konnen werden van den goeden terwe, den welckē sulck onkruyt van aensien seer gelijck is. Onder dese schijn-deughden zijn begrepen alle sondaren, die geen openbare ende vande Overheyt straf-waerdighe sondaren en zijn, ende in heure herte, niet metten monde, seggen, daer en is geen Godt. Psal. 13.
52. Dit zijn de gierighe die’t gelt betrouwende daer met afgoderen: die’t hert aen man, wijf of kindt hanghende de schepselen boven Gode lief hebben: die hooge staten, menschen lof, lijfs-lust, beter dan Gode achtende, meer dan na Gode daer na jeghen en andere meer derghelijcken, ende daer beneven een eerbaren wandel voerende, onstrafbaer zijn na de politijcke wetten. Want dese ween quaet-doenders geacht en worden.
53. Ende mede menschen welcker herten opset is Gode gantschelijck te dienen na zijnen geboden, maer door vermetel toe-stemmen van’t gheen zy niet en verstonden gheraeckt zijn in eenighe dolingen die zy vastelijck houden waerheydt te wesen, hoe-wel dat soo niet en is. De welcke men ketteren noemt. Dese achte ick onder alle de voorsz andere onbekende sondaeren minst quaedt te wesen, ende meest ja voorneemlijck byden Heere daer ghemeynt te zijn. Het gheloven is een werck des ghemoets, men ghelooft wel of qualijck.
54. Qualijck geloven is een quaet werck. Dat quade werck doen zy alle die qualijck gheloven. So achte ick dat qualijck-gelovers meest in dat onkruyt verstaen zijn geweest by den Heere, ende niet alle quaedt-doenders ander menschen goedt of bloedt.
Verstaet my. Alsodanige quaedt-doenders zijn oock qualijck-gelovers, maer alle qualijck-gelovers en zijn niet soodanige quaet-doenders. Anders mosten alle ketters, oock moorders, doodt-slaghers ende sulcke uyterlijcke quaet-doenders zijn. Dat feylt meest. Maer nemmermeer en mist het, of sulcke quaedt-doenders en zijn oock mede qualijck-gelovers, onghelovige of ketters. Hier opent sich nu merckelicke onderscheyt in desen zijnde.

W. B.

Welcke soude die zijn?

Coornhert.

55. Al wie qualijck ghelooft doolt onwetens: maer al die so quaet doet, weet dat hy quaedt doet. Oock gheschiet alle dolinghe onwillens: maer niemant doet quaedt van doodt-slaen of stelen, &c. dan willens. Onmoghelijck ist willens ende wetens te dolen: want elck komt gaern haest ende seeckerlijck daer hy gaerne waer: daer teghen maeckt de dolingh des doolders gang lang ende onseker. Ende soo yemant onwetens ende onwillens een mensche doot-sloegh of bestale, soo soude sulck werck gheschieden, maer het soude zijnen naeme verliesende geen doot-slagh of diefte, maer eygentlijck dolen moeten heeten.

W. B.

56. Ick mercke by nae waer ghy henen wilt. Noyt en heeftmen ghehoort dat yemant, die in zijn ketterye vol-herdende ghedoot werde, beleden heeft dat hy quaet dede, ick swijghe dat hy doolde int geloof. Daer by blijckt dan dat hy niet en waent, swijghe weet, dat hy doolt. Soo en mach oock van’t geen men niet en waent of weet, geen wille zijn. Dus blijckt dat de ketter onwetens ende onwillens doolt. Is dat niet uwe meyninghe?

Coornhert.

Voorwaer ja. Wel hebdy’t gemerckt.

W. B.

57. Aen d’ander zijde versta ick u aldus: Niemant mach te recht een quaedt-doender worden door doot-slagh, diefte, ofte dergelijcke uyterlijcke quade wercken, sonder te voren wil ghehadt te hebben om die doodt-slagh, ofte diefte te doen, want sonder wil en wort geen werck: en niemant tot redens gebruyck gekomen zijnde (kinderkens noch geen onderscheyt hebbende, en moghen geen quaedt doen dat strafbaer is) en heeft wil om doot-slaen of om stelen, of hy en weet te voren dat hy’t ongaerne van anderen ghedaen ware ende dat het quaet is. Ende doet daeromme alle quaet-doenders willens en wetens quaet. Heb icks recht gevaet?

Coornhert.

58. Gewis. By dit onderscheyt die groot is, komt noch een ander die niet kleyn en is, ende haer werck meest heeft in desen.


W. B.

59. Waer af is onder den menschen de meeste sekerheyt, nopende een anders werck om recht af te moghen oordeelen: te weten van yemants qualijck gheloven, of van yemants qualijck doen met doodt-slaen, stelen of desghelijcks?

Coornhert.

Dat was’t geen ick te segghen meynde. Wat dunckt u daer af?

W. B.

60. De experientie, so dagelijcks als oock die van allen ouden tijden, soude my ontwijfelijck doen ghevoelen: datmen meer doolt int dooden van mis-gelovers, dan van mis-doenders. Het mach oock by wijlen vallen door valsche tuygen of anders dat onschuldigen voor misdaders worden gedoot, doch selden: maer welcke ontallijcke scharen der ware Martelaren betuygen met heur onnosele bloedt, datmen meest ware ghelovighen doodt voor ketters, blasphemeerders ende doolders inden geloove?

Coornhert.

61. Ghy seght de waerheyt nopende ‘tgewuyghnisse van de ondervindinghs ghewisheyt. Mette welcke oock gantsch over een stemt de tweede waerheyts tuyghe, die t’samen over een komende ontwijfelijcke wetenschap des waerheyts baren.

W. B.

Welcke is die?

Coornhert.

62. De Godlijcke ende gheoeffende redene. Want die en vernoeght niet alleen met het weten datter yet gheschiet: maer zy bespeurt oock d’oorsaken waer door sulcks geschiet: de welcke recht verstaen zijnde, dan eerst sulcks den naeme van seecker weten waerdigh is.

W. B.

Hoe meyndy dat? Lieve verklaret my wat naeckter by eenigh exempel.

Coornhert.

63. Houdy niet waerheydt te zijn, dat waerheyt vyantschap baert?

W. B.

64. Vastelijck. Want d’experientie betuyghet, ende is oock die waerheydt uyt experientie gheboren: waer door dat oock een spreeck-woort is.

Coornhert.

65. Daer hebdy een halve waerheyt (doch ist niet altijdt waer in allen) bestaende int ghelove dat sulcks waer is om dat het alle
man seyt, maer hier gebreeckt noch d’ander ghetuyghe, die dat gheloven in weten soude veranderen, namentlijck de redene, verklarende wat d’oorsaecke is, waer door waerheyt vyantschap baert: weet ghy die?

W. B.

Sa lick waerheydt spreecken, so moet ick neen seggen. Welck is doch die redene?

Coornhert.

66. Hoortse. Elck mensch heeft van naturen een hatige af-keer des herten van’t gene hy waent of weet hem quaet te wesen.

W. B.

Alsoo ist.

Coornhert.

67. Meest alle menschen wanen hun goet te wesen, dat zy eerlijck worden gheacht, al en zijn zijt niet. Als dan de waerheyt sodanighe menschen by ander menschen heur oneerlijckheyt ontdeckt, soo bevint sich nootlijck in heur herte een hatelijcke af-keer van sulcken waerheydt seggher, soo dat hy hem moet haten. Siet daer hebdy nu de reden of oorsake waer door de waerheyt vyantschap baert. Ende dan heeftmen eerst ware of gewisse wetenschap der saken.

W. B.

68. Maer wat meynden u woorden dat sulcks niet altijt noch in allen waerheyt is. Soude dan waerheyt nu waerheyt zijn ende dan niet?

Coornhert.

69. Een ander spreeck-woordt verklaert dat mijn segghen: namentlijck, die my seyt dat my mis-steyt, dat is mijn vriendt al waert my leyt. Dats nu een ander mensch. Die waent of weet hem goet te zijn: dat hy zijn verholen gebreecken wete. Dese sulcke ghebreken door yemant die hem waerheydt seyt ghewaer wordende, verstaet dat hem goets gheschiet, ende daer is de redene van’t ander deel des spreeck-woorts voorschrevē namentlijck: weldaet maeckt vrienden. Derhalven he sulcke waerheyt seggen lief is, ende de seggher vrient. Hoewel hem leet is dat sulck quaedt noch in hem is buyten zijn weten. Hebdy mijnen sinne wel verstaen?

W. B.

70. Gewisselijck, ende houde die voor oprecht, hoewel icks noyt en hoorde noch las. Ghy hout datmen geloof uyt onder-vinden, maer datmen eerst recht weet als by’t ondervinden de redene wort verstaen, waer door sulcks geschiet. Ist niet soo?

Coornhert.

71. ‘Tis so. Laet ons dit nu voegen tot de sake daer af wy zijn gheweken om dese ver-


klaringhs wille, die my daer toe noodigh dochte. Dat was om de reden of oorsake te weten, waer door het gemeynlijck gheschiet dat de rechters meer dolen int oordelen van misghelovigen dan van misdaders. Want dat bekent elck dat dickmael, maer t’ander selden gheschiet.

W. B.

Ghy seght wel. Wat dunckt u die redene te wesen?

Coornhert.

72. Alle jarige menschen; niet onsinnigh zijnde, stemmen volkomelijcken over een inden dinghen die den wet der natueren aengaen, namentlijck datmen hoort anderen te doen datmen daerne van anderen, ende niet te doen datmen niet gaerne van anderen gedaen ware.

W. B.

Recht.

Coornhert.

73. Ist so metten over-natuerlijcken dingen, ick meyne de Godlijcke? stemmen alle menschen volkomelijck over een int ghevoelen wat ende hoedanigh God is? wat ende hoedanich Christus is? wat ende hoedanich de geest Godes is? het eeuwigh leven is? des menschen opperste saligheydt is? wat ende hoedanigh de ware sinne der Godtlijcker schrifture is? wat de Ceremonien ende het recht ghebruyck der selver is, waer toe die zijn gheboden met ontallijcke andere dergelijcke saken, die niet natuerlijck maer over-natuerlijck zijn ende Godlijck? stemmen, vraghe ick noch, hier inne alle menschen gantschelijck over een?

W. B.

74. Stemmen wel twee menschen in sulcke saecken oock wel gantschelijck over een? ick houde waerlijck neen.

Coornhert.

75. Ghy antwoort recht. Ende daer hebdy reden waer door het komt dat so menichmael gemist wort int oordelen van den misgelovers. Ende daer tegen so selden int oordelen van misdoenders. Want als de misdaet van moort, moet-willighe doot-slagh, vrouwen kracht, dieft of anders, maer seeckerlijck blijckt, ’t welck zijn magh: so moeten alle de rechteren nootlijck weten, datmen sulck misdader rechtelijck behoordt te straffen. Maer metten misgelovers ist heel anders. Hebben alle rechters (swyghe alle menschen) het ware gheloof, als alle menschen den voorschreven wet der naetueren hebben?

W. B.

76. O neen, het geloof is een sonderlinge gave Godes, dat alle mans ding niet en is: daer int tegendeel de wet der naturen allen
menschen wordt aengeboren. Beza self seyt datter niet seltsamers en is dan goede Ministers des woorts (dese wijsen in gheloofs saken de vonnissen) en niet overvloedighers dan valsche Propheten. Siet voor vj. 65. 66. Immers de Heere schijnt self twijfelijck te vragen: of h tot zijnder komste oock geloof op aerden sal vinden, Luc. 18. 8. Mat. 24. 12, 2. Tim. 3. 1. Dat is altijt buyten twijfel dat het ghetal der ghelovigen kleyn, maer der ongelovigen groot is. Exempelen zijn Noe inden Arke, Loth in vijf steden, en twee mannen onder meer dan ses hondert duysent menschen. Gene. 7. 1, 19. 12. 13. 14. Luc. 17. 27. Deut. 1. 35. 37.

Coornhert.

77. Hier door komet dat meest ghemist wordt int oordelen over mis-ghelovers diemen ketters noemt, ende veel-maels Christenen zijn, terwe zijn ende geen kaf. Want de rechters zijn meestendeels elf onghelovigen, die geen kennisse der waerheyt in ghelovens saken en hebben, ende self onderlinghen soo gantschelijck verscheyden in opinien, dat een belijder vande waerheydt heur alder dool-opinien teghen is, daeromme zy alle hem oock vrymoedelijck voor een ketter veroordelen.
78. Siet daer hebdy nu de redene en oorsake waer door het komt dat so vele in misgelovers, en so weynigh in mis-daders oordelen wort gemist. Want of noch by wijlen mocht ghebeuren dat onder den rechteren oock sate een Gamaliel, die d’anderen vermaende niet vermetelijck van onbekende saecken te oordeelen, sonderlinghen waer inne Godes gebod niet uytdruckelijck en blijckt: so verwinnen gemeenlijck de meeste quade, de minste goede stemmen. Daerom schrijft oock Luther selve wel: Dat de gene die daer willen datter gheen onkruydt onder heur en zy: daer door maecken datter gheen terwe altoos onder heur en is. Mart. Lut. super. Mat. 13. 29. annotat.
79. Ende nadien ick wete; door’t ondervinden ende reden einder wijsen voorsz; datmen selden doolt int oordeel van openbare quaet-doenders, maer meest altijdt int oordeelen over mis-gelovers: so moet ick houden dese meest te zijn het onkruydt by Christum verboden te zijn geweest uyt te roeden, vermits men die niet so licht ende ghewisselijck en mach kennen voor onkruydt: als men wel sekerlijck mach kennen de quaedtdoenders, de welcke de Heere niet en heeft verboden uyt te roeden, maer ghestraft wil hebben naet’t openbaer getuygh zijns geests inden Apostelen. Rom. 13, 1. Pet. 2.
79.a En daer mede komen gantsch over een Beze woorden selve in zijn bekentenisse des Christelijcken gheloofs cap. 5. art. viij. Houdende aldus: Maer hier moetmen sich wachten van verder te treden dan billich is, op dat wy niet vermetelijck en oordeelen. Want men moet verbeyden het oordeel Godes, int ontdecken van de Hypocryten ende valsche broederen.

W. B.

80. Daer inne zijn wy nu langhe, maer niet te langhe gheweest, vermidts der saken


eysche. Laet ons no komen aen die daer volght, namentlijck Urbanum Regium.

Coornhert.

‘Tis my lief. De twee uwer eerste Vaderen zijn misluckt, versoeckt nu of dese derde wel het schoonste inkomen sal verdienen van dese statie.

W. B.

81. Beza seydt voorts dat Urbanus Regius mede so gedaen heeft als de voornoemde twee, maer hy stelt zijn eyghen woorden niet, overmidts hy desselfs boecken niet en hadde.

Coornhert.

82. So maeckt die oock Engelen Godes van de Princen of ten minsten van Beza een die anders leert, dan de schrift ende mitsdien een ketter nae Beze selfs oordeel (T. 28.)

W. B.

83. De kercken van Sassen segghen dat d’Overheydt wetten moet maecken teghen d’af-goden-dienste, tegen den blasphemeerders ende meyneedighen.

Coornhert.

84. Sullen dat andere wetten zijn dan Moyses wet, wie heeft heur macht ghegeven, om ander wetten te maecken? zijnt de selve, waerom gebieden zy niet Christi wet in desen te verwerpen ende die selve Moysaische wetten nu noch te onder-houden? sal oock d’Overheyt die wetten maecken of voort-stellen, soo en salt oock de Consistorie niet doen. Laet ghy heur dat toe?

W. B.

85. d’Overheydt (segghen zy) sal d’eerste ende tweede tafel des wets doen onderhouden, beroerende die kercken-tucht. Oock sal d’Overheydt gaern de leeringhe Christi hooren, de selve aenhangen ende zijn kercke beschermen. Want zij zijn voetsters ende oock lidt-maten der selver ende hebben recht verstant vande leere. Ende en moeten daerom gheen valsche leere helpen, noch wreet zijn teghen den gheloovigen.

Coornhert.

86. Laet d’Overheyt al sulcks doen: wat roert al dit het ketter-dooden. Maecken de kercken daer een eenigh woort af? laet heur dat alles doen, segghe ick noch, oock gheen ketters helpen noch gheloovigen quellen: is dat geseyt zy moeten de ketters doden? maer seght doch. Hebben de Overheyden dan mede ‘tverstant vande rechte leere, daer door zy oock de valsche leere kennen ende hulp weygheren moghen: waerom beneemt hen Beza het oordeel vande leere? (S. 422.) hebben zy dat verstandt niet, hoe sullen zy hun moghen wachten dat zy de valsche leere niet en helpen noch oprechten? Of sullen zy daer inne blindelijck nae’t oordeel alleen van de
Consistorie met Karolo Magno de heylige Roomsche kercke boven hen self verheven, styven ende een roede tot heur eyghen verderf maecken? (S. 317.)

W. B.

Ghy duydet alle saecken averrechts.

Coornhert.

Maeckt ghy die kromme saken met slim beduyden recht, kondy.

W. B.

87. Brentius seydt eens Princen ampt te zijn dat hy voor al goede weyde besorghe voor zijn schapen, te weten, het woort Godes, oock dat het suyver ende met vreden gepredickt worde. (318.)

Coornhert.

Soo ist oock eens Princen ampt de kennisse te hebben vande ware lere. Want sonder die te hebben en magh hy niet besorgen dat het woordt suyver ghepredickt worde. Hier moet dan alle Prince ampts halven recht oordeelen vande leere. Is dat gelooflijck? heeft noyt Prince valsche religie in zijn lant doen predicken ende de ware leere vervolght? Keyser Kaerle noch zijn soone Koningh Philips mede niet?

W. B.

Ghy weet wel dat Beza d’Overheyt het oordeel of de leer waer dan valsch is, niet toe en laet.

Coornhert.

Soo moet hy dan toelaten, dat zijn volck rebellen zijn, die sich teghen heur Prince in wapenen stellen om de lere of Gods-dienst.

W. B.

Dat volght niet.

Coornhert.

87. a Nootlijck. Want doet d’Overheydt behoorlijck daer aen, dat hy niet nae zijnen oordele, maer nae’t oordeel der Consistorien een leeringhe ghebiet onderhouden te worden van zijn ondersaten: so ist onbehoorlijck ende tegen God dat zy heur Overheyt daer in met ghewelt wederstaen. Ende moeten dan oock een valsche Godts dienst onderhouden als hy heur sulck een gebiet. So doen de Catholijcken in Spangien recht int onder-houden vande Pauslijcke Gods-dienst.

W. B.

88. Neen soo niet. Dan moetmen met d’Apostelen Gode meer dan den menschen ghehoorsamen.

Coornhert.

89. So moetmen dan oock den volcke selve het oordeel vande leere gheven, daer door zy


weten wat de Prince heur ghebiet na of teghen Godes ghebodt.

W. B.

Dat moet nootlijck volghen.

Coornhert.

90. Soo moet oock nootlijck volghen, dat noch Prins noch Consistorie van Gode niet en hebben de macht om’t volck te ghebieden met macht hoe of wat zy sullen geloven, ende wat Gods-dienst zy sullen onderhouden.

W. B.

Wat sa lick segghen.

Coornhert.

91. Dat gheene Princen last hebben om yemandt te dooden, te vanghen of bannen om de religie.

W. B.

92. Dat soude rechts dienen om onse volck te verschoonen van de religie. Daer mede men de Gereformeerden vast tot veel plaetsen beschuldight van teghen heur Koningh opghestaen te hebben.

Coornhert.

Dat en weet ick niet. U Beza leert recht anders.

W. B.

93. Waer? dat magh ick niet gheloven.

Coornhert.

94. Siet daer de plaetse. (S. 397.)

W. B.

95. Hier staet ditte: Maer so dick ende menighmalen als sal ghebeuren, dat de kercke heeft ongheloovighe Princen, het zy dan dat onse sonden dat soo verschulden, of door eenigh verhoolen oordeele Godes, op dat de beproefde openbaer souden worden: soo behooren wy, al warent oock d’alder-seltsaemste saecken ter wereldt, onsen staet gheduldelijck te draghen. Ende soo ons yet werdt geboden, dat teghens Godt is, Gode meer dan den menschen te ghehoorsaemen, in sulcker wysen nochtans dat wy gheen seditie (of oproer) en maecken. (S. 297.)

Coornhert.

96. Daer siedy dat ghy niet konde gelooven. Leert Beza sulcx met ernst ende is dat recht: soo doen de uwe tallen plaetsen, daer zy om de religie tegen heur Overheyt dadelijck stryden, niet recht. Daer siedy nu Brentium dat de vierde is, oock nergens in eenigen stucken nopende het ketter-dooden voor u: maer in Beze blint-hocken van d’Overheydt, aengaende ‘toordeel vande leere, dat hy heur beneemt, plat teghen zijn selfs
seggen te wesen. Laet nu Bucer, die ick sie volghen, oock hooren.

W. B.

97. Die schrijft dat voormaels alle goede verstanden ghehouden hebben, ende noch houden, datmen niemant ten gheloove of tot een religie behoort te dwinghen.

Coornhert.

Dat is de waerheydt, ende teghen Beze opinie, die hy schrijft (S. 176.) Dat u dunckt datmen niet en moet den menschen dwinghen omme die waerheydt te volghen teghen heur wille? ghy doolt, niet verstaende die schriftuere nochte die krachte Godes. Die de wyle men’t volck dwinght tegen heur wille henluyden wille doet hebben. Idem H. Bul. Huys-boeck dec. ij. ser. viij. fo. 64. 2. ende ser. viij. f. 58. 3.

W. B.

98. Hoort. Maer daer uyt en volght niet (seydt hy) dat d’Overheydt sich niet en behoordt te bemoeyen Mette religie ende den gheloove.

Coornhert.

99. Dat seydt niemandt, mijns wetens, noch ich mede niet.

W. B.

Hy seyt d’Overheyden Goden ghenoemt te zijn, daerom behooren zy’t quade vanden menschen af te weren, ende ‘tgoede voor henluyden te voorderen.

Coornhert.

Recht.

W. B.

De ware religie (seydt hy) der menschen meeste goet te wesen, ende behoort d’Overheydt die dan oock meest te besorghen ende te beschermen.

Coornhert.

100. Noch stemme ick dat alles gaerne toe, als waerheyt wesende, als dat beschermen geschiet met Godes woort, niet metter Princen swaert. Maer seght ghy my, sal dat besorghen ende beschermen by d’Overheydt ghedaen moeten worden blindelijck op een anders, of met kennisse uyt zijn selfs oordeel?

W. B.

Met kennisse.

Coornhert.

Dat en seyt Beza niet, soo nu gehoort is, maer sonder zijn oordeel: want d’Overheyt heeft daer af gheen kennisse.


W. B.

101. Dat en seydt Bucer hier niet, maer wil dat d’Overheydt de wet Godes self leer verstaen. Daer toe seyt hy inde wet gheboden te zijn dat d’Overheyt (behalven heure Raden, Leviten ende Priesteren) oock selve sorghvuldelijck de wet Godes sal lesen, om de dienste Godes, te beleven alst behoort. Dats verde van dat hy die niet verstaende blindelinghen eens anders oordeel soude volghen.
102. Maer ghy mooght oock niet ontkennen, lieve Coornhert, soo Bucer daer oock seyt, dat d’Overheyt daeromme macht ende bevel hadde om metter doot te straffen, niet alleen misdadigen als over-speelders, doot-slagers ende dergelijcken, maer oock mede af-god-eerders, raedt-soeckers aen waerseggers, ende blasphemeerders. Dat gaet immers de religie aen.

Coornhert.

103. Al dat bekenne ick gaerne. Maer seyt Bucer dat God daer beval ketters te dodē?

W. B.

Dat staet hier niet.

Coornhert.

Kende Bucer den name van ketter of ketterije niet? dat suldy niet segghen. Maer men moet segghen dat hy de name ketter by Moysen niet en vant, ende dat hy wijslijcker sich wachte yet van’t zijne tot de heylige schrift te voegen, dan u Beza doet.

W. B.

Hy seydt nochtans datter niet sorchlijckers en mach wesen, dan valsche leere, ende dat daerom de Overheydt daer op hoort te letten.

Coornhert.

104. Magh dat d’Overheyt uyten geloove doen sonder self sulcks te verstaen?

W. B.

Dat waer sonde.

Coornhert.

Nochtans wil Beza dat hy in desen niet en oordele, maer der Consistorien oordeele volghe (422.)
105. Als dan de Consistorie uyt een schaepskoy in een wolfs-kuyl is verandert (Beza kent dat de herders in wolven mogen veranderen, ja dat sulcks dagelijcks geschiet, 296.) ende daer door d’Overheydt bedroghen zijnde synen onder-saten wat te doen of te laten gebiet, tegen Gods gebodt: wat sullen d’ondersaten dan doen?

W. B.

106. Dat laet Bucer niet onbeantwoort, maer op derghelijcke teghen-worp seyt hy:
dat zy met Sinte Pieter sullen antwoorden: ‘tis beter Gode dan den menschen te ghehoorsamen. Maer daer by seyt Bucer noch: men moet so verde niet treden, dat d’Overheyt sich niet en behoort te bemoeyen mette religie, om dat vele van heur macht daerinne misbruycken. (S. 323.)

Coornhert.

107. Hy seyt daer recht inne. Maer men magh oock gheen dingh misbruycken, datmen niet recht en magh gebruycken. Recht mochten de Jootsche Koninghen heur wet ende macht gebruycken int doden van quaet-doenders, oock vā af god-eerders, blasphemeerders ende derghelijcken meer: want zy hadden daer af Godes utygedruckt gebodt.
108. Maer soo en ist niet metten quaelijck ghelovers of ketters, want zy hadden geen sulcke wet van Gode: die niet nae menschen goet-duncken of gheboden, maer alleen nae zijne geboden ghedient wil zijn. Daer by blijckt datmen; segghende dat d’Overheyt den jetters niet en behoordt te dooden; niet wegh en neemt het rechte ghebruyck vande ketter-doodinghe, maer den meyn Godsdienst nae menschen gheboden ende een Tyrannigh dooden, datmen niet recht en magh ghebruycken, als gheen Godes bevel noch recht gebruyck in hebbende. Dats u vijfde nieruwe licht, een klare beschaminghe van Beze duystere ende valsche opinie, niet altoos in hebbende dat die sterckt, maer alles dat die vernielt. Wie sal nu de seste zijn van dese uwe vaders?

W. B.

109. Wolfgangh Capico. Die seyt: dat God d’overheyt met wereltsche macht heeft gewapent om te straffen de saecken daer in men misdoet tegen de ware dienste Godes.

Coornhert.

Dat zy so. Heeft Godt in zijn wet sulcke saecken versweghen?

W. B.

110. Neen, maer heeftse verklaert.

Coornhert.

Dat is waer. Mosten de Overheyden onder het Jootsche rijck die selve misdoenders alleenlijck ende anders geen, straffen, ende dat nae des wets inhouden alleenlijck? of wast hen gheoorloft alle anderen; inde wet niet ghenoemt zijnde; nae heur goet-duncken te straffen, doede alsoo tot ende vande wet Godes ‘tgeen hen belieft?

W. B.

Neen. Dat was niemanden gheoorloft, maer uytdruckelijck verboden. (Deut. 4. 2, 12. 32.)

Coornhert.

111. So en was der Jodē Overheyt oock niet geoorloft een ketter te dooden: want die


is daer nerghens inde wet onder den doodtschuldigen noch anderen verhaelt noch ghenoemt. Vele minder ist dan d’Overheyt int rijcke Moyses gheboden geweest een ketter te dooden. Met wat schijn van waerheydt staet Beza hier dan den Christen Overheyt int Rijcke Christi te willen Vroet maken uyt de wet Moyses datmen den ketters behoort te dooden, dat den Jootschen Overheyt self niet en was bevolen?

W. B.

112. Hy sal (seyt Capito noch) het volck dwinghen Godes woordt te hooren ende te beleven. (324) Idem voor ix. 97.

Coornhert.

113. Sulck bevel geeft Moyses de Jootsche Overheydt nerghens, oock Christus niet zijn Christen Overheydt. Wat helpt Beza nu dat seggen van zijn ghesel Capito uyt zijn vleeschelijck vernuft sonder schrift, alst Godt self niet seyt? maer of God dat noch al seyde: volght daer uyt dat d’overheydt ketteren sal dooden? of ist een ketter die somtijts een predicatie versuymt, ja diese nemmermeer en hoort, al-hoe-wel hy den Bybel leest ende ghelooft? Of soudet een ketter zijn die in zijn leven ende seden ergens inne sondight?
114. Merckt ghy noch niet wat onnuter bewysinghen Beza uyt zijne onbedachte mede-gesellen voort-brenght, voor zijn felle opinie vant ketter-dooden? ja dat zijn ghesochte ende metten haer ghetogen bewysinghen self bewysen dat Beza doolt? seght voort, hebdyer meer?

W. B.

115. Jae d’Achtste soude Bullinger zijn met de Switser kercken. Maer want hy daer breet af heeft geschreven in zijn Huysboeck ij. decad. sevenste f. 58. &c. ende achtste sermonen, f. 63. 64. ende wy noch, so my bedunckt daer noch op sullen moeten komen, soo maecke ick daer af hier nu gheen meerder woorden, maer kome op Musculum; een man van grooten name ende naerstigh uyt-leggher der schriftueren.

Coornhert.

Hem achte ick sonder twyfel de alderverstandighste, Godtvruchtichste ende beleeftste schribent, die minste scheldet onder alle uwe vaderen. Wat brenght Beza uyt desen man, tot dese saecke voort?

W. B.

116. Dat de Overheydt moet schicken (seyt hy 325.) dat de leere suyver blyve inde kercke, dat de af-goderije ende valsche Gods-diensten werden wech ghedaen, dat de dienaren eerlijck worden onder-houden, het blasphemeren verboden, de gheloovigen beschermt, ende de boosen ende verstoorders ghestraft. Soude men dan noch willen segghen dat d’overheyt sulcks doende Christo niet en dienen?

Coornhert.

117. Geensins. Want alle sulcks is elck mensch mede ghehouden na zijn vermoghen te doen. Laet d’overheyts vermoghen, dat niemant en ontkent, meer zijn, so is hyt mede ghehouden te doen nae sulck zijn meerder vermogen. Maer dit zijn doen moet hy wel doen. Ist niet soo?

W. B.

Trouwen jae. Als hyt niet wel en soude doen, so soude hyt qualijck doen. Dan waert beter ghelaten.

Coornhert.

118. Moghen de menschen yet wat wel doen, als zijt niet door ende nae Godes bevel doen?

W. B.

Gheensins.

Coornhert.

119. Laet dan d’Overheydt in alsuck heur doen thoonen dat Godt heur heeft bevolen alle dat te doen ende also te doen, men salt niet moghen weder-spreecken. Maer dit en vermagh; opte wijse soo Beza dat leert; Beza noch niemant. Daerom wort sulck Overheydts doen te recht wedersproken: als zy dat doen niet door ende nae Godes uytgedruckt bevel: maer nae’t goetdunckē van Calvijn, of Beza, of Bullinger, of oock alle de Consistorien en Consistorianten. Wat bewijs brenght nu Beza uyt dit segghen Musculi, tot zijn voordt-stel: van dat d’Overheydt magh dooden den ketteren, die Musculus daer nerghens en noempt?

W. B.

120. Ten laetsten beroerende de Geneefsche kercke, is onnodigh, achte ick, te verhalen heur opinie in desen.

Coornhert.

Dat is waerheydt.

W. B.

Alsoo. Want elck weet sulckx (seyt Beza) door de rechtvaerdighe straf daer ghedaen over Servet.

Coornhert.

121. Dat is onwaerheydt. Want het blijckt dat Servets rechters zijn partyens elf waren.

W. B.

Servets straf blijckt rechtvaerdigh uyt dat schoone boeck dat daer van is gemaeckt by Calvijn, die excellente Theologijn, ghetrou ende van grooten oordele. (326.)


Coornhert.

122. Is dat schoone boeck blijcs ghenoegh, soo Beza seyt: so heeft hy int navolgende jaer dit zijn boeck om’t ketter-dooden te bewysen sonder noot gheschreven: of hy heeft in sulcke bermhertige wreetheyt ende ontrouwelijck schrift-buyghen zijn meester willen te boven gaen. Van Calvijns trouheydt ende oordeel laet ick Godt oordeelen. Maer zijn theologie of Godt-gheleertheyt oordelen de verstandighsten voor onschamele verkeertheyt.

W. B.

Hier vraeght Beza int besluyt, waer men sulcken grooten eendracht vint, te weten als onder de voornoemde leeraren ende kercken inde meeningh van datmen ketters moet dooden.

Coornhert.

123. Ghy hebt nu mogen sien, dat zijn eyghen metghesellen nergens yet waerschijnlijcks vant ketter-dooden tot sulcks en bewysen. Dat zy al oneens zijn met malkanderen, ende dat hy verlooren moeyten heeft gedaen zijn opini gesellen voort te brengen, ten ware om te bethoonen de besten van de Gereformeerden, die; ‘tketter-doden vyant zijnde; lochenen dat heur H. Vaders die meyninghe van vervolgen, dwinghen ende dooden om gheloofs wille, hebben gheleert: dat zy bedroghen zijn door datse op ander plaetsen eerst inde voorspoedighe dronckenschap quamen, anders van hen gheschreven vinden.

X. Hooft-stuck.

Dat Beze nieuwe vaderen deser tyden meest al self plat teghen het ketter-dooden gheschreven hebben.

Coornhert.

Ick hebbe gheantwoort gister avondt op ‘tgeen ghy voort brocht uyt Luyter ende ander schryvers deser tyden, by Beza aenghetogen. Nu wil ick u int korte aenroeren eenige plaetsen by andere aengetogē, (want ick alle der uwen boecken niet en hebbe) uyt uwe nieuwe vaderen, die pladt uyt stryden tegen dese Bezaensche ketter-dodinge: tot betoon dat zy eendrachtigh zijn geweest teghen die dodinghe der ketteren met klaren uytgedruckten woorden, daer af ter contrarien Beze beroemde eendracht der selver in zijn opinie, onwaerachtigh is gebleken.
2. Hoort dan eerst het seggen van d’eerste u luyder vaderen, nemaentlijck Martijn Luters (X. 168.) ende luyt aldus: Daerom, naedien dat het aen yeghelijcks conscientie staet, hoe hy ghelooft, ofte niet gelooft, sulcks dat daer by verminderinghe gheschiet aende wereltsche macht: soo behoort zy haer te vernoeghen, met de waernemingh haerder dinghen, ende elck een toe te laten, dat hy ghe-
loove soo hy wil ofte magh, ende niemanden dwinghen te gelooven. Want gheen dingh en behoordt soo vry te wesen alst gheloove ende de religie, daer toe niemant magh ghedrongen worden. Item siet Luters segghen noch j. proces hier voor tal 71. b. Ist dat hy wederom &c.
3. Diet lust lese meer by Mart. Lut. int boecxken van de wereldtlijcke Overheydt. Item inde Postil opten 4. sondach na Trinitatis. Item int boeck vande weder-doop. Men behoordt een yeghelijck te laten geloven wat hy wil. Ghelooft hy onrecht soo heeft hy strafs ghenoegh aent eewigh vyer ende hel. Waerom wilmense noch dan tijtlijck pynigen? Item noch opt 1. Pet. 2. capittel. in de Huyspostil van de thien Lasarissen. Item vanden krijgh der Turcken. Int sermoon opten II. sondagh na Trinitatis, oock opten tweeden sondagh na Paesschen, opten Pincxterdagh. Item van de Eckischen bulle. Het ketter-verbranden komt daer van, als zy niet en mogen de waerheyt wederstaen, soo worghen zy de menschen, ende metten doot solveren zy de argumenten. Item noch op Deut. 18. 20. opten 8. Psalm, inde Postil op Katharinen dage inde Epsitel opten eersten sondagh Epiphanie, &c.
4. Melanchton in Johan. cap. 18. Dit is de aert der godtlooser leeraren, als zy vant Euangelio geoordeelt worden, soo bestaen zy sich te beschermen met menschelijck ghewelt. Want zy en betrouwen Gode niet. Dat ist, dat Iudas krijghs-knechten met hem nam. P. 90.
5. Urbanus Regius verklarende zijn gevoelen opten woorden Christi vant onkruyt (Mat. 13.) schrijft alsoo: Der Christenen geest is goedertieren, zy en brant niet dan metten vyere der liefden. Item (Luce 9. 55.) Weet ghy niet van wiens geeste ghy zijt? &c. Die en soeckt geen wraeck over den sondaer, maer dat hy sich bekeere. Ezecb. 34. Godt en leert niet datmen de dolende schapen sal verbranden, maer datmen de ghewonde sal ghenesen, &c.
6. Brentius in zijn schrift van der Overheyts ampt tegen den Weder-doperen ondersoeckt of de selve met oock ander ketters vande Overheyt rechtelijck mogen gestraft worden. Daer steldt hy gheestelijcke ende lijflijcke sondē, als ongeloof, wanhoop, ketterije, &c. ende doot-slagh, moort, diefte, &c. seggende dat Godt d’eerste met het gheestelijcke swaert zijns woordts, ende d’ander met het lijflijcke swaert des Overheydts straft. Welck lijflijck swaert misbruyckt zijnde tot straf van de geestelijcke sonde, die selve niet meer magh quetsen dan de duysternissen, ende niet meer en vordert maer wel argert, als olie int vyer. Maer datmen de ketterie, dats de loghen, met haer rechte tegenweer, te weten de waerheyt, licht doet verdwynen, als de duysternissen wanneer de sonne zijn licht doet verschynen. Ende sluyt dat d’overheydt gheen macht of last heeft om een ketter te straffen: die niet en misdoet tegen de burgerlijcke wetten.
7. Ghy mooght, Bisschop, self hem daer int breede lesen. Dan suldy u verwonderen: dat Beza desen schryver heeft derren voorthalen, als of hy met zijn ketter-doden overeen stemde: want hy daer teghen immers so krachtelijck ende waerachtelijck schrijft: als Martini Luter, ende d’andere by Beza


daer toe metten hayre gheweldelijck ghetoghen zijnde.
8. Ende noch. De Princen en hebben niet te beroemen dat zy beschermers zijn der Christelijcker kercken. Want de kercke en magh met gheen wapenen beschermt worden: om des-willen dat het rijcke Christi niet en is van deser werelt. Iohan. Brent. op Ioan. 18. 36.
9. De selve noch het ongheloof ende ketterye en laten sich niet metten borgherlijcken, maer wel metten gheestelijcken swaerde straffen. Derhalven soo ist veel rechter ende beter dat sich de Overheydt alleen heur ampts aenneme, ende late geestelijcke sonde op geestelijcker wysen ghestraft worden. Want het is veel beter datmen vier jae thien valschen int gheloove lydet: dan datmen een rechtgeloovighe eens vervolght. Ioan. Brent. Hoemen metten ketteren sal handelen.
10. De selve Brentius schrijft noch in zijn bericht of d’Overheyt den Weder-dopere of ketteren magh dooden. d’Overheydt is schuldigh, dat hy alle oeveldaedt straffe, als doodt-slaghers, moorders, ende die in openbare lasteringhe legghen. Maer de ongheloovighe of ketteren, soo zy anders ontschuldelijck ende eerbaerlijck voor de wereldt leven, die sullen nae desen leven van den Euangelio ende van Gode self ghestraft worden. Daerom heeft Christus Matth. 13. zijn Iongheren bevolen dat zy het onkruydt niet en souden uytroeden, maer dat laeten opwassen totten ooghst toe. Met welcke woorden de Heere Christus te kennen heeft willen gheven: dat de Christenen niet en sullen metten swaerde dooden, den ongheloovighen ende ketteren, die door dat onkruydt worden verstaen.
11. Dat oock Bucerus ende Capito niet minder dan Brentius, Luther ende d’ander, lyn-recht tegen de ketter-doodinge Beze stryden, is nu tusschen ons gebleken (cap. ix. Talen 97. ende 109.) uyten woorden die Beza selve aentreckt uyt hun-luyder schriften, die ick niet en hebbe, ende daeromme ghenoegh laet wesen, dat Beza daer opentlijck met zijn eyghen swaert is gheslagen. Ende is niet te twyfelen, soo my heure beyder schriften ter handt waren, of ick en soudese mede doorgaens vinden opentlijck te stryden teghen het ketter-dooden. Want zy schreven mede ten tyde datmen rontsomme, daer de Roomsche Catholijcken macht hadden, heure geloovens ghenoten om heur gheloove dooden, als ketters, dat hen geensins en magh behaeght hebben, somen noch niet dan te vele siet uyt het schoonste broot (heurder schriften) dat Beza hier hier ter thoon opt venster leydt, soomen seydt. Wat heur ander schriften des aengaende inhouden, kan daer uyt elck verstandighe licht bedencken.
12. Hoe eens Henricus Bullingerus met Beza ende zich self is, maghmen sien (Act. Apost. cap. 6. p. 39.) aen dese zijne woorden: Niemandt en vertwyfele dan om zijnre sonden willen. Want indien de Heere ruymte tot berou heeft ghelaten den Priesteren, die een groot behaghen hadden int veroordelen des soons Godes: wie sal dan noch lichtelijck wanhoopen? ende ‘tis te vermoeden dat zy te liever ghelooft hebben, als beweeght zijnde door d’oprechtigheydt van de Apostolische kercke. Want door heyligheydt, niet door
ghewelt, werdt de kercke ghebouwen, maer soo wat de menschelijcke kracht opricht, dat selve werpt oock de menschelijcke kracht ter neder &c.
13. En noch int huys-boeck dec. v. ser. 1. fo. 214. De alghemeyne ende heylighe kercke Godes; die d’Apostelen Christi van den beginne door verkondiginghe des Euangeliums gefundeert hebben; en wort door gheen ander middel noch wyse noch instrumendt opghebout, bevestight ende bewaert: dan door de oprechte ende eenvoudighe leere der waerheydt.
14. Daeromme wiw meynt dat de ghemeynte Godes, door pracktijcken, door listighen raet ende bedrogh der menschen kan versamelt worden, of, wanneer zy versamelt is, kan behouden worden, die is onwijs ende uytsinnigh. Het is een ghemeyn ende waerachtigh woordt: dat het ghene, dat door menschen wijsheyt is ghebouwet ende opgherecht, wederomme door menschen wijsheydt ghebroken wordt.
15. Boven desen heeft de Heere selve ghewelt ende wapenen vande opbouwinghe der gemeynte verworpen: daer hy het ghebruyck des swaerts zijnen jongeren verbiedt, ende tot Petrum seydt steeckt u swaert in zijn plaetse. Mat. 26. 52. Luc. 22. 51.
16. Van gelijcken schrijft Bullinger noch ter voorschreven plaetsen aldus: Wy en lesen oock niet dat oyt eenighe krijghs-knechten vanden Heere gesonden zijn omme door ghewapende macht de wereld te dwinghen. Ia de Schrift betuyght dat selfs de groote vyandt Godts; de Antichrist; sal door den gheest des mondts des Heeren, ghedoodt worden. (2 Thes. 2. 8.) Daerom is het sonder twyfel dat het al is gheestelijck te verstaen: dat al omme inden Propheten ende voorneemlijck by Zachariam cap. xij. ghelesen wordt van de krijgh, daer mede d’Apostelen ende d’Apostelsche mannen souden alle Heydenen bekryghen. Want de Apostelen stryden nae haer wyse als Apostelen; niet met spietse, swaert ofte boghe des vleeschelijcken krijghs: maer mette waepenen des gheestelijcken krijghs. Het Apostolische swaerdt is Godes woordt. Daer maghmen naecktelijck sien of Bullingher hier voor of teghen sich self, voor of tegen Bezam, ende oock voor of teghen het ketter-dooden zy. Ende met een wat geloof sulcke tweevoudich schrijver verdient.
17. Beza pooght met gelijcken onwaren schijn als nu van eenighe voorghenoemde schryvers is ghesien, den sachtmoedighen ende onbloedigen maer goedertieren Musculum in zijn Beze ende zijns meesters Calvijns bloet-stortinghe velt-leger te trecken. Maer hoe sal hy dat vroet konnen maecken den ghenen die in zijn loci commu. cap de haeresi. heeft ghelesen dese navolgende zijne eyghen woorden, die hy niet uyten wreeden gheest Calvini, maer uyten bermhertighen gheest Christi, van hen selven is getuygende? Sonder alle dissimulatie (seydt hy) belyde ick my van die luyden te wesen, den welcken met allen sere mishaeght: dat de menschen gedoot worden, daermē de dolingen soude dooden. Gheen goede menschen (seydt Augustinus) en behaghet datmen totter doodt toe in yemandt, al ist oock een ketter strenghelijck handele.
18. Ten laetsten kome ick aen de Geneef-


sche kercke, dats aen Calvijn selve, die dit ketter-vuyr (niet als Elias uyten Hemele, maer) als een Prometheus, uyten Roomschen Hemel heeft gestolen en tot Geneven gebracht. Maer dit, na dat hy daer tot veylighe macht was ghekomen om anderen te doen, daer over hy eerst gheklaeght hadde (Anno 1536.) inde voor-reden zijnre Institutien, aen den Franschen Koningh over ‘tbranden ende blakeren der zijnen.
19. Doe was hem haest vergeten dat hy selve int werck der Apostelen; de seghe van Pauli disputeren teghen den Joden vertellende; gheschreven hadde, seggende aldus: Waer door behielt Paulus de Overhandt, anders dan overmidts de schriftuer zijn swaerdt was? hy en misbruyckte dan des Overheydts swaert niet. Voort seyt Calvijn: Daeromme, soo dickmalen als de ketters opstaen om het rechte gheloove aen te vechten: soo dickmalen als zy alle Godsvruchtigheydt poghen om te stoten: soo dickmalen als de Godloose hartneckelijck wederstant doen: soo laet ons hier (te weten uytte schrift) ghedencken onse wapenen uyt te nemen.
20. De Papisten, overmidts zy gheen wapenen inder schrifturen en vinden, immers dewyle zy die sien gantsch teghen heur te wesen, nemen zy heur toevlucht tot het ellendighe kerck-hof: datmen metten ketters niet en sal disputeren, ende datter uytte schrift niet seeckers besloten en mach worden.
21. Seght doch lieve, mocht Calvijn yet seggen dat meer tegen het geen is, dat hy en Beza naemaels schreven? salmen de wapenen inde schrift soecken: waerom soecken zy die nu by de Overheyt? waerom loopen zy op’t Pauslijcke kerck-hof met vuyr ende swaert disputerende? Calvijn seyt voorts: Maer nadien Sathan selve metten swaerde des woorts wort verwonnen: waeromme en sal’t niet vermogen den ketters te verwinnen? niet dat zy sich op sullen geven, of ophouden van morren, maer dat zy in heur selfs overwonnen zijnde onder leggen sullen.
22. Wat mach in dit stuck beter ghesydt worden? wat dat Calvijns seggen namaels meer tegen is? ist swaert des woorts Godes ghenoeghsaem om den ketters te verwinnen: waerom mistrout Calvijn Mette Consistoriantē nu dat, soeckende beschermt te worden met des Overheydts staelen swaert? De heylige Bisschoppen (seyt Calvijn noch Inst. viij. 172.) En hebben heur macht niet ghebruyckt met gelt-boeten, met ghevangenissen, nochte met andere burgherlycke straffingen: maer hebben alleenlyck gebruyckt het woordt Godes, alst oock betaemde. D’alderstrenghste straf, als d’uyterste blixem, der kercken, is de ban: die men noch niet dan ter noodt en pleeght. Die en behoeft geen gewelt, noch handt, maer is te vreden metten macht des woorts Godes.
23. Is de ban de strenghste straf, waerom wil u kerkcke nu datmen sal dooden? of is u kercke geen kercke, maer een kercker? Of is het doden hier niet wreeder dan’t bannen? gebannen zijnde machmen sich tot de kercke bekeeren, maer in verdoemelijcke ketterije ghedoodt zijnde, geensins. Is de kercke metten macht des woordts oock te vreden, die d’Overheyts macht te hulp roepen, als die behoort den waren Godts-dienst met hare macht voor te staen (in Ondersoec-
ker pag. A. 8.) Ende de personen te dwingen om der kercken den uyterlijcken vrede te laten, ende de gene diese verstoren met ghevanghenisse aenden lyve of met gheldt-boeten te straffen? (Predicanten anno 1579. inde Onderscheyt 9. 10. artic. Aende Staten gegeven, ende die aensoecken en aenhitsen om de gebannen luyden te dooden? Dit doet Beza (hier self) onbeveynsdelijck (T. 131. b. 7. b. 403. c. &c.))
24. Ghy hebt hier voor ghesien dat de vaders Beze zijnre tijden, alt’samen wesende partyen over zijnder sijden, oock tegen zijn ketter-doden opentlijck strijden, inde plaetsen self die Beza voortbrenght om zijn opinie te stijven, hier hebdy nu de selve zijne vaderen met klare woorden sien uytdruckelijcken dit dooden der ketteren tegen spreecken ende verwerpen als onschriftelijck ende onchristelijck.
25. Nu wil ick daer af noch het gevoelen van eē goet deel uyt groote menichte Schribenten deser tijden soo Luthersche als vervormde in’t korte verhaelen, op dat ghy mooght sien hoe openbaerlijck sich Beza hier tegen de waerheyt roemt met zijn versierde eendracht (T. 327.) der Doctoren van der kercken (te weten Luthersche ende vervormden) deser tijden. En daer noch by voegen, so kort ick mach, het oordeel in desen vande oude vaderen, die Beza; wel wetende tegen zijn wreede opinie te wesen; looflijck swijghende voorby gaet. Recht of zy daer niet af en hadden geschreven.

XI. Hooft-stuck.

Dat vele andere Luthersche ende vervormde leeraren oock d’oude vaderen selve teghen dese verresen ketter-doodinge zijn.

Coornhert.

Zwinglius int boeck dat hy vande Godlijcke ende menschelijcke rechtvaerdicheydt heeft gheschreven, ende by Rudolphum Gualterum uytte overlandtsche inde latijnsche tale is overghesedt, handelt wijt end ebreet van des Overheyts ampt. Nochtans al hoe wel hy daer vele seydt datmen de misdadigen metten swaerde moet straffen, ende hy heur oock op-leydt den last om de Goodts-dienst te beschermen ende te voorderen, soo en vindtmen daer niet een woordt van den ketters te straffen of te dooden, immers hy ontkendt tot vele plaetsen aldaer dat d’Overheydt daer macht toe heeft.
2. Dit zijn sijne woorden onder meer anderen. De ghehoorsaemheyt diemen d’Overheydt schuldigh is, noch heur macht die zy van Gode hebben, en streckt soo verde niet, dat zy in de zielen ende conscientien der menschen souden heerschappen en ghebieden. &c. Ende een goede wijl daer na seyt hy: dat wy d’Overheydt onderdanigh moeten wesen, in saken dit lijflijcke leven ende de menschelijcke wetten belangende, maer (seydt hy int laetste) van den dinghen die des menschen


conscientie aengaen, staen de oordelen alleen in Godes hant.
3. Wat magh Zwinglius met minder woorden ende klaerder bewijs-reden tegen dit Besanische eñ Consistoriantsche ketterdoden voort-brengen? Na het voor-gaende zijn eerste segghen seydt hy oock stracks aldus: soo weynigh alsmen het verborghen van ‘smenschen herte, beradingh ende ghedachten magh kennen: so weynigh maghmen over der menschen zielen ghebieden ende die goet of quaet, ghelovigh of ongelovigh maecken, &c. Niemandt en magh de ziele vanghen, noch al des werelts macht en helpt niet om yemant een ander geloof dan hy van Gode heeft ontfanghen in zijnen ghemoede met ghewelt in te planten.
4. Caspar Hedio. Wtlegghende de woorden Christi: (diemen byden Catholijcken leest de achte sondagh nae drievuldigheydt) hoet u voor den valschen Propheten, seyt also: Hier behooren wy Christi goedertierenheyt te aenmercken. Want hy en seyt niet, straftse die sodanighe zijn: noch hy en seydt oock niet, dootse: maer hoet u, op dat ghy van heur niet en wort gewont of bedrogen. (L. 116. 117. etc.)
5. Isleven schrijft opte plaetse tot Titum, daer Paulus verhael maeckt vande ketter; verklarende wat een ketter zy, ende seydt: dese leere Pauli inde kercke seer verkout te wesen. Wy sien (schrijft hy) dat woort devita: dat mijt of schouwet, beteeckent, van velen gespouwen te worden, in twee woorden, te weten in de ende in vita, daer toe zy voeghen: in vuyr. Willende daer mede seggen: neemtse wech uyt het leven, werptse int vuyr, slaet doot, brant, hanght, versmoort, of verdrencktse. Soo wijt verdolen zy van Pauli, voet-stappen, die sich stede-houders Godes, ende ware navolgers der Apostelen beroemen te wesen. (L. 118.)
6. Jacobus Steuchus seydt opte voorschreven plaetse Pauli tot Titum datmen, so wanneer de ketters ons aenkomen, heur niet en behoort te myden: maer veel eer sonder alle onwaerdigheydt, thoorn, smaedtwoorden &c. metten woorde Godes vriendelijck te leeren, te onderwysen, te berispen, te overwinnen, ende voor te bidden. Door dese middel worden zy bekeerdt of afgheweert. Christus heeft inde woestyne, op ten tempel ende op ten bergh den Sathan overwonnen, niet met gramschap of scheltwoorden, maer alleenlijck metten woorde ende inde kracht.
7. Ottho Bruynfelsius willende bewysen datmen den ketteren niet en behoort te dooden, stelde uyt beyde testamenten dese naevolghende texten: Isa. 2. 4, 11. 9. Mat. 18. 17, 13. 24. Luc. 9. 55, 1. Tim. 1. 13. Paulus was een blasphemeerder, ende heeft nochtans barmhertigheyt verworven, Tit. 3. 10. een kettersche mensche schout, hy seyt niet doodt hem. Christus seydt (Mat. 16. 6.) hoet u vanden desem der Phariseen, hy seyt niet doot de ketters &c. heeft Christus oock yemanden metten swaerde of met vuyr ten gheloove ghedwonghen? de Heere seyt (Mat. 7. 15.) Wacht u voor de valsche Propheten, hy seydt niet, doodt de valsche Propheten &c. (L. 91. 92.)
8. Coenrads Pellicanus int verklaren van de Parabel des onkruyts (Mat. 13.)
Steldt de dienaeren; willende voor den tijdt het onkruydt uyt roeden; te wesen, de ghenen die daer wanen, datmen de valsche Apostelen ende Aertz-ketters met swaerden ende dooden behoort wech te nemen. Daer nochtans de huys-vader de selve niet uytgebluscht, maer gheleden wil hebben, of zy moghelijck sich bekeerden, ende uyt onkruydt in terwe veranderen. Indien neen, datse dan heuren rechter sullen bewaert worden, om van hem noch eens heur straf te ontfanghen. (L. 92)
9. Petrus Martyr schrijft op 1. Cor. 5. pa. 127. Dat wy zijnde ghevraeght waer henen men de verbannen sal dryven: antwoorden wy, voorwaer niet inde vertwyfelinge, noch tot de wanhope heurder saligheyts. Want soo langhe wy zijn in desen leven, en is nemmermeer de hope te verwerpen, ten zy datter ghesondight waere teghen den H. Gheest. maer want die niet gheweten en wort, dan door een sonderlinghe openbaringhe, soo en is de hope niet te verwerpen &c. Ende noch in zijne Commentarien opt eerste cap. lib. Jud. int laetste, seydt hy: men moet niet anders handelen metten ketteren, dan metten onghelovigen ende Ioden , &c. Die lijtmen, sonder dooden of branden.
10. Bartholomeus Westhemerus in zijne Conciliatione pag. 590. verhaelt dese woorden Hieronimi op Mat. Het gekroocte riet en sal hy niet breken, segghende dat hy den Sondaer de handt sal bieden ende zijnre broederen last dragē, ende het roockende vlasch en sal hy niet blusschen. Daer verklaert Hieronimus welck van beyden navolgers van Christi of Antichristi zijn, (te weten de voor-seyde, of dese) die vlammen, vyer, ende doot uytspouwen, roepen ende voort-brenghen.
11. Want het niet seer Christelijck en is, met wreedtheydt, meer dan krijghsche, met dolheydt, meer dan hontsche, met onbermhertigheydt meer dan tyrannische, op een verdoolt schaep te vleysch-houwen, op een dubbelt ellendighen te verwoeden, ende een ellendighen ende van Godt verlatenen mensche te overvallen. Om sulcks dreyght Godt by Eze. 34. den Harders die behoorden te weyden, ende niet te dooden: segghende wee den Harders Israels die sich self weyden &c. om dat ghy’t gunt ghebroken is, niet en hebt verbonden &c.
12. Andreas Altamerus Conci. 116. pa. 110. Schrijft dat de burgerlijcke Overheyden geen bedieninghe en hebben dan in burgherlijcke saecken. Want zy zijn rechters ende Princen vant wereldtsche, niet vant Hemelsche rijck of der conscientien. Godt is alleen rechter des herten. Godt alleen sal vant gheloof ende ongheloof oordelen. Daerom en ist den Princen niet geoorloft in saecken des gheloofs (daer gheen openbare overtredinghe en is der burgherlijcke wetten, als diefte, doot-slagh, &c.) yemanden te veroordelen. Want zy zijn rechteren over den lichamen, niet over den zielen. Meer sulcks maghmen daer lesen fo. 175. b. ende 176. daer hy den Paus metten zijnen omt dooden der ketteren schelt, opentlijck berispende in sulcks der Princen ofte Ministeren ghewelt.
13. Thomas Naogeorgus op 1. Joan. 5. 1. schrijft vrymoedelijck dat eenighe nu de Christen kerck te engh bepalen willen, seggende: soo wie ghelooft ende belijt dat Iesus is Christus: die houde ick voor een kint Go-


des ende voor een Christen: al ist schoon dat hy in sommige opinien met my niet eens ghevoelens en is. Alsoo ghedoghe ick daer vele te wesen in de kercke, die andere daer uyt werpen, maer oft recht is, en weet ick niet.
14. Waer Cyprianus in dese tyden gheweest, men soude hem voor een weder-doper gheoordeelt hebben. Want hy hielt ende leerde, datmense moste weder-dopen die van ketters ghedoopt waren. Maer ick houde hem voor een Christen ende uyt Gode gheboren. Want hy belijt dat Iesus is Christus. Desghelijcks gevoele ick mede, soo wel vande ouden, als van de nieuwen: hoewel zy dolen, of gedoolt hebben, in vele opinien: als zy maer gelooven dat Iesus is Christus. &c.
15. De selve seyt noch op 1. Joan. 4. 1. Merckt dat den Christenen is gheboden niet alles te ghelooven, maer de leeringhen te beproeven. Dit is teghen eenighe nieu-schrivers, die de luyden heurs ondancks tot haer leere willen dwingen. Men moet aen’t gheen zy voordt-stellen niet twyfelen: als oft al articulen des gheloofs waeren. Dits een quaede vryheydt des gheloofs. Elck vischt aenhanghers. Die dan eenigh aes in zijn bootghen gheanghelt heeft, houdt sulcke voor zijn eyghendom, ende moet nae zijn wincken ghelooven.
16. Wat Heydensche meester heeft sulcks yewerlt van zijne Leeringhen gheeyscht? nu is dit noch onbillicker in gheloovens saecken, daer de meeste omsichtigheydt van noode is, als alder-sorglijcxt zijnde. Ende int laetste vant capittel noch. Elck seydt dat hy Gode lieft, daer nauwelijcks yemandt zijn broeder lief heeft. Sy willen alle Gode dienen ende wel doen, maer niemant zynen broeder. Recht of Godt, sonder den broeder mocht ghelieft worden.
17. Waerom dat? wy vernoegen met een waen-lieft, sonder dadelijcke lieft. Ende so wanen wy God seer lief te hebben, ist maer dat wy Theologienen zijn, schrijven, leeren, bidden ende dergelijcke dingen doen. Maer ick houdet voor een logenachtigh Theologum, die na zijnre broederen bloedt dorst, eñ heur doot benaerstight, om dat zy een weynigh anders, dan hy ghevoelen.
18. Sulcke Theologienen heeft het Pausdom al vele gehadt, die Gode niet en lieven noch heur broeders, maer heur selve: soeckende dat heur is, niet dat Godes , noch der broederen is. Sy vreesen de verminderinghe van heur eere, baet ende tyrannie: weynigh achtende oft schoon al de wereldt overhoop laghe, door oorloghen, doot slaghen, ende oproerigheyden: als zy maer so geacht ende ge-eert mogen blyven, dat niemant teghen heur en derf kicken.
19. Dat houden zy voor een broeder, niet die ghelooft in Jesum Christum; maer die heur leeringen heeft besworen ter doot toe te beschermen, ende niet een stroy breet daer af te wijcken. So daer yemant afwijckt, of niet en beschermt, als moghelijck anders ghevoelende, die wort verworpen, om te dooden gesocht, gevangen, gekerckert, &c. (L. 95. 96.)
20. Dat weynigh zy genoegh uyte schriften van eenige Luytersche ende vervormde leeraren, vant ghene ick uyt meest al der selver boecken van sulck weder-spreken van dit ketter-dooden, noch al veel meer soude
konnen voort-brenghen, waert nodigh, als neen. Nu sal ick my oock alsoo vernoeghen met weynigh verhaels, uyt eenige (niet al maer de treflijckste ende grootachtbaerste) out-vaderen: die Beza siende in desen tegen hem wesende, niet onvoordachtelijck (soot wel schijnt) achter-gelaten heeft. ‘tWelck hy oock wel sagh als hy dese looflijcke sproke van heur schreef (epist. 5.) Sy-luyden (te weten d’oude vaderen) hebben meer conscientie eñ minder werenschap gehadt: maer wy hebbē meer wetenschaps eñ minder conscientie dan zy-luyden. Soudet dan oock wel mogen zijn (nae Beze woorden self) dat hy meer opgeblasen nydigheyt ende minder ootmoedighe liefde heeft dan de oude vaderen hadden?
21 Tertullianus een van de outste ende gheleertste vaderen schryvende aen Scapulam President van Carthago, seydt: Het is na’t recht der natueren, ende na het natuerlijck vermogen: dat een yegelijck ‘tghene dat hem goet-dunckt diene: noch dat niemants Godts-dienst een ander bate of schade. Maer ten is oock des Godts-diensts saecke niet, te dwingen totte Godts-dienst, die willigh, niet door gewelt aenghenomen behoort te worden, &c.
22. Augustinus schrijft vande Circuncellionische Donatisten, dat zy wreede ende verwoede doot-slagers waren (de Hæresib. Ad. &c. nu. 69.) Des niet tegenstaende heeft hy voor eenighe der selver ghebeden, datmense niet en soude dooden, niet tegenstaende zy eenen Priester vermoort, ende noch een ander Priester nae dat zy hem d’oogen uytghesteken oock gedoot, ende sulcks selve bedreven te hebben beleden hadden (epla. 159.) Dats verde van dat hy ketters die van handel ende wandel onschuldigh zijn, d'Overheyt om te dooden aenghegheven, ende daer toe geraden soude hebben gehadt.
23. Dit betoonde hy oock als hy voor sulcke manslachtighe Donatisten biddende schreef aen den Lant-vooght van Aphrica (eplan. 127.) aldus: Wilt het niet snode noch verachtelijck achten eerwaerdelijck seer beminde, dat wy u bidden, dat zy niet ghedoot en worden: voor den welcken wy den Heere bidden dat zy moghen ghebetert worden. Behalven noch dat wy vant gheduerighe voornemen niet en behoren te wijcken: van’t quade int goede te verwinnen.
24. Dat heeft uwe wijsheydt oock te betrachten, dat niemandt sorghe en draeght om u de kerckelijcke saecken te doen verstaen, dan die kerckelycken. Daerom soo ghy de menschen in dese misdaden sout dencken te dooden: soo suldy ons af schricken, dat door ons doen sulcks niet meer voor u gericht en kome. Want dat vernomen zijnde, sullen zy met vrymoedigher stoutheydt om ons te verderven verwoeden. Daer door wy ghenootsaeckt souden worden: dat wy ons liever van henluyden sullen laten doodt slaen: dan dat wy heur aenbrenghen souden in u vierschaer, om ghedoot te worden.
25. Augustinus bad dan voor sulcke grouwelijcke dieren. Daer mede stemt over-een dat de geestelijcken niemants doodt moeten benaerstigen (j. Proces, tal 82. 87. a.) Hoe soude hy gewilt hebben datmen gantsch onschuldighe ketters of onnoosele verdoolde schapen doden soude? neen. Hebt de menschē lief seyt hy. Doot de dolingen. Vecht voor de waerheyt, sonder wreetheyt. (K. f. 39.)


26. Hieronymus opten sevenden Psalm. Die daer seyt dat hy in Christum gelooft: behoort als hy heeft ghewandelt oock te wandelen. Die en quam niet om te slaen, maer om gheslaghen te worden: hy gaf niemandt kaeck-slagh, maer ontfinckse: hy en kruyste niet, maer werdt ghekruyst: hy en doode anderen niet, maer hy leedt de doodt. Die ghedoodt wordt, volght Christum nae, maer die dooden volgen Antichristum. Die woorden Christi (Matth. 13.) Laetse wassen totten oogst, beduydt hy opentlijck opten ketters, datmense sal ghedogen, maer niet dooden: overmidts dat heurluyder sonde niet openbaer en is, als der doot-slagers ende overspeelders misdaet. Siet hem oock, wildy, op het 2. cap. Ozee.
27. Christostomus schrijft int sermoen de Anath. also: De godlose leeringen ende die van den ketteren zijn voortghekomen, moetmen berispen ende Anathematiseren: maer den menschen moetmen sparen. Lieve Wolfaert leest dat sermoen doch voort. Daer suldy sien dat Christostomus niet anders en doet dan dat hy den dienders des woordts af-schrickt, den ketters metten laetsten verbanninghe van Christo af te scheyden, niet teghenstaende zy oock hardtneckelijck de waerheydt wederstaen: hoe vele te meer heeft hyse willen af-schricken van meninghen te dooden?
28. Laet ons Hilarius meyninge in desen oock horen (lib. ad Const. & August) die seyt dat Godt zijn kennisse leert, maer niet aen en dwinght: onderwijst, maer niet en nootsaeckt. Hy versmaedt de belijdinghe eens gedwongen willen. Den willigen, alleen, neemt hy aen, den biddenden tekent hy. Ende noch erghens ( contra Auxent. Arianum) Eerst machmen sich erbarmen over den arbeydt onser daghen, ende suchten over de sotte opinien onser tegenwoordighe tyden, door welcke men ghelooft dat de menselijcke (macht) Gode voorstaet, ende door welcke men arbeyt met een gheestelycke eer- suchtigheydt om Christi kercke te beschermen. Seght door ghy Bisschoppen (die sulcks u selve ghelooft te weten) wiens bystandt hebben d’Apostolen ghebruyckt, om het Euanghelium te predicken? door wiens machten gheholpen zijnde hebben zy Christum gepredickt? hebben zy eenighen hooghen state uytten palaise aenghenomen: zy songhen danck-liederen nae de geesselinghen inden kercker inden ketenen. Heeft Paulus Christo sijn kercke vergadert met Koninghlycke placcaten, &c.
29. Cyprianus de heylighe Martelaer (Epist. lib. 3: Epist. 3.) Laet ons (schrijft hy) naerstigh zyn ende nae ons vermoghen arbeyden, om gouden of silveren vaten te wesen. Maer de aerden vaten aen stucken te breken, is alleen den Heere toegelaten. De knecht en is niet meerder dan syn Heere, &c.
30. Lactantius van dese sotheyt sprekende, als of de religie te beschermen waere meer met wreetheydt, met swaert ende met vuyr, dan met ghedult ende met waerheydt (lib. 5. cap. 20.) seydt also : Daer toe en behoeft geen gewelt noch injurie: want de religie en mach niet ghedwongen worden. Om daer toe wille te maecken moetmen handelen met woorden, niet met moorden.
31. Daerom en wert niemant van ons zijns
ondancks ghehouden. Want hy is voor Gode onnut, die geen geloof noch devotie en heeft. Ende noch. Wat woeden zy dan om haer sotheydt, die zy willen minderen, te vermeeren? het bloet-storten ende de Godsvruchtigheydt zyn te verde verscheyden: soo de waerheydt met het ghewelt, noch de rechtvaerdigheyt mette wreetheydt niet t’samen bestaen of by een gevoeght worden.
32. Ende een weynigh daer na seyt Lactantius noch: Gheen dingh en is so willigh, als de Godsdienste: in de welcke soo des offerendens ghemoet afgekeert is, soo is zy verdwenen, soo is zy niet meer. De rechte middel dan ist, datmen de Gods-dienst bescherme met lijdtsaemheydt ende met de doodt, &c. De leser mach sulcks meer, dat treflijck is sien int eerste Proces hier voor, tal 407. b. alhier uyt gelaten om’t boeck niet vergeefs te beswaren.
33. Theophilactus in zijne uytlegginghe op Mat. 13. seydt het onkruyt de ketterije te wesen, klaerlijck uyt-druckende datmen den ketteren niet en moet dooden.
34. Severus Sulpitius in’t beschrijven van des heylighen Bisschops Martini leven, verthoont daer dat hy in’t dooden der ketteren niet en wilde toe-stemmen, immers dat hy’t belette eñ de ketteren vander doot verloste door zijn voor-spreken ende sorghvuldigheydt.
35. Damascenus (3. Sent. c. 33.) schrijft, dat het Euangelium over de gantsche werelt is gepredickt geweest: maer dat sonder geweer, wapenen of oorloghe heur wederstanders zijn verwonnen: ende dat die wijsen deser wereldt van weynigh naeckte, arme, ongeleerde, ende gegeesselde menschen beschaemt zijn geweest: hoe soude de kercke Martelaers mogen hebben: so zy self Martelaren maeckte?
36. Hier voor hebdy moghen tasten ende sien Wolfaert dat Beza bestaende met zijnder geloovens genoten ghetuygenissen (dat doch niet anders gheseyt en is, dan ick ende die mijne ghetuygen so in onse eyghen sake) die hy voort-brengt te bewijsen datmen den ketteren hoort te dooden, de selve tuygen, die zijne opinie niet mede, maer oock plat daer teghen waren.
37. Soo hebdy nu oock wel mogen mercken dat dese laetste by my verhaelde leeraren onser tijden, so Luthersche als vervormde leeraren mede soo krachtelijck als waerachtelijck tegen dese ketter-doodinge Beze op verscheyden plaetsen schrijven ende strijden. Dats nu wel verde van daer, dat eenighe geloofwaerdigheydt soude wesen in die onware roem Beze: daer met hy voor hem wil doen schijnē te hebben Luther met d’ander seven of acht, by hem voort-gehaelt, als of zy wel over-een stemden met hem, die heur selve, oock hem tegen zijn.
38. Wat eendracht zijn felle opinie oock heeft met der Oudt-vaderen Christlijcke eñ goedertieren waerheydt, hebdy nu oock wel gehoort, te weten als de doot met het leven: ende de duysternisse metten lichte.
39. Eñ seker de wijle so groot-wichtigen saken niet op menschelijcke, maer alleen opte Goddelijcke schriften gegront behoren te worden: soo en hebbe ick u die woorden der leeraren soo deser als der oude tijden hier niet voort-gebracht, om daer mede te bewij-


sen dat dese leere van’t dooden der ketteren valsch is: neen hem staet toe te bewijsen dat die zijne opinie oprecht is.
43. Maer want Beze mistrouwende de schrifture die hy gheweldelijck tot zijn meeninge ghebogen voortbrenght, hulpe soeckt aen Luther ende andere zijne tijt-genotens ende religions mede-gesellen: soo hebbe ick sulcke zijne grove list ende onschamele ydelheydt daer mede willen ontdecken: ende te dien eynde een goet deel van den zijnen selve, teghen sulck zijn doen voortgehaelt, oock ‘tgetuygh van veele oudt-leeraren: op dat ghy; wildy niet moetwilligh bedrogen zyn; dan slimmen, dubbelden ende ontrouwen handel Beze in dit zijn werk te recht mercken, ende u van het Besanissche bloedighe, tot het Christelijcke goedighe ghevoelen in desen soudet moghen begheven.
44. Oock suldy weten dat ick alle der voorverhaelde schribenten boecken niet selve en hebbe: maer oock eenighe bevonden hebbe by andere aenghetogen te wesen, van de welcke ick nae-siende sommighe die ick hebbe, alsoo opte aenghewesen plaetsen bevonden hebbe: des ick d’ander mede gelove recht ghestelt te zijn.
45. Soo vele zy nu gheseydt op u verhael uyt Beza van zijn vergeefs bewijs uyt, ende een versierde eendracht, met Luther ende ses of acht leeraren deser tyden. Hier in hebbe ick nu langhe alleen ghesproocken uyt de aentekeninge die ick huyden morgen vroech op u voortbrenghen van Beze leraren deser tyden (daer af wy ghister avont laest spraken) ghestelt hebbe. Ghy hout dit schrift by u, dat mooghdy na-denken, ende my daer op (alst u belieft ende ‘tgeen u ghoedtdunckt) antwoorden.

XII. Hooft-stuck.

Oft somtijts wel bevalt ende voorderlijck is datmen de ketters straft oock mette doodt selve.

Wolfaert Bisschop.

Aenghaende ‘tghene ick gister in’t gheschrift onser ghespraken uyt uwe inghebrachte aentekeninghen ghestelt hebbe: wil ick ‘tselve by my selve alleen overlesen, overweghen, ende dan beantwoorden, indien ick mercke sulcx van noode te wesen in dese onse handelinge. Maer nu komen wy op’t gheschille: oft somtijts niet wel en bevalt ende vorderlijck is datmen ketters straffe, ende dat oock metter doot.

Coornhert.

2. Een onnut geschil, tot bewijs van u voornemen.

W. B.

Waerom dat?

Coornhert.

Wy en handelē niet van’t wel bevallen of gelucken, maer van’t behoren eñ recht doen.

Wat bewijsdy dan, ofmen u al toe-liet, dat dit voor-nemen Beze, van zijn ketter-doden somtijdts wel gheluckt in’t voorderen van d’uyterlijcke kercken-vrede? of dat al waer (als neen blijckt) soude daer by blijcken dat het ketter-dooden Godes wille zy, ende mitsdien behoorlijck is? Wat somtijts ghevalt, en gevalt niet altijt. Oock is alle uyterlijcke kercken-vrede niet altijt nut. Anders soude Christus gheen nut, maer schade ghedaen hebben inde Jootsche kercke: daer hy niet vrede, maer’t vuyr ende ‘tswaert quam senden. (Mat. 10. 34.)
3. Hout ghy die langhe uyterlijcke kercken-vrede der Catholijcken in heur dolinghen (soo ghy-luyden selve dat achten) dan oock nut te zijn gheweest: hoe kont ghy Luther ende uwen Zwingel eenighsins verschoonen, van schadelijcke verstoorders te zijn gheweest vande voorschreven uyterlijcke kercken-vrede?
4. Soudet Beza nut gheacht hebben, soo de Keyser Kaerle u Martijn Luther ende Zwinglium hadde doen dooden, eer dat zy de groote verstoringhe hadden veroorsaeckt in de uytterlijcke kercken-vreede van de Roomsche kercke?

W. B.

Dat en segghe ick niet.

Coornhert.

5. So en seyt oock Beza dan niet met allen als hy al schoon dit zijn onnut voort-stel vastelijck hadde bewesen. Nu sal dit noch niet blijcken, maer het platte tegendeel.

W. B.

6. Hy doet. U seggen en seyt niet met allen. Want de Roomsche kerck is een valsche kerck, ende haer vrede een valsche oock schadelijcke vrede. Daerom was die verstoringhe nut. Maer onse kercke is de waere kercke ende midtsdien haer vrede een oprechte ende nutte vrede. Is dan het verstoren vande selve niet schadelijck?

Coornhert.

7. Dat u segghen komt altijt voort, maer ten blijckt nemmermeer. Seght doch lieve in wat algemeen Concilio, ende voor onpartydighe rechters, is u kercke met vryheydt aenghevochten gheweest, daer u leere voor de waerachtige is gheoordeelt? int Trentsche Concilio?

W. B.

Daer waren onse partyen self rechters, daerom verschenen d’onse daer oock niet.

Coornhert.

8. Waer zijn de Ro. Catholijcke, de Lutersche of Doops-ghesinde oyt ergens na volhoringe over weder-syden, van onpartydighe rechters, in valscheyt van leere veroordeelt, ende die uwe voor de waere leere ende kercke gheoordeelt gheweest? noemt tijdt of plaetse, kondy. Wat geloof kondy dan meer


hebben, dan elck van d’andere, om voor de ware kercke gehouden te worden? segghen zy alle ende elck, mede niet als ghy lieden, dat zy alleen de ware kercke zijn? wat helpt nu dien ydelen uytsluyp, van te segghen, de Ro. kercke is een valsche, maer d’onse, een ware kercke ende vrede? maer ter saken.
9. Wat brenghdy, of Beza doch voort, tot bewijs van dit teghenwoordige ons onnutte gheschille?

W. B..

Beza seydt eerst selve, dat dese leeringhe sommige Godt-vresende ende verstandighe menschen mishaecht (328.)

Coornhert.

Daer aen seydt hy niet qualijck, maer soude beter gheseyt hebben, dat alle Godtvresende ende verstandige menschen zijn ketter-doden met gantscher herten mishaeght.

W. B.

Daer na seyt hy wat ketters zijn (329.)

Coornhert.

10. Dat hebben wy hier voor (i. 43.) nu al ghesien, oock mede hoe swaerlijck die nu van menschen gekent magh worden.

W. B.

Daer nae bidt hy daer inne ghelooft te worden, dat zijn wil niet en is, om den Princen tot wreetheyt te porren (330.)

Coornhert.

Voor is al klaer ghebleken (viij. 37.) dat hijt na vermogen doet. Wat salmen in desen geloven: zijn schoone praet: of lelijcke daet?
11. Maer wat dienen al dese dinghen tot bewijs van’t voorstel Beze hier? te weten dat het somtijts vorderlijck is datmen den ketters straft, ende dat oock metter doodt. Ick sie u noch hem niet een woort tot bewijs van dat zijn segghen dienende voortbrengen: maer wel dat hy arbeyt, om’t gunt hem ende den zijnen wort aengeseyt van ander saken te weder-leggen. Is dat een bewijs van dit zijn voorstel ende eygen seggen? het mach een grove afsluyp zijn om niet aent voorgenomen bewijs te komen: ende om een spiegel-bewijs te maken inden schijn, daer hy inder waerheyt geen middel toe en weet.
12. Behalven dat zijn voordt-stel voorschreven noch al schoon vast bewesen zijnde, (dat ick ondoenlijck achte) uyt sulck somtijts wel bevallen of ghelucken, int minste niet soude konnen bewesen worden (soo gheseyt is) dat d’Overheyt int dooden van ketters wel souden doen, dat zijt behooren te doen, of dat zy van Gode last ende bevel hebben om sulcks te doen. Dit most Beza bewijsen. Dit doet hy hier niet alleen niet, maer hy en bestaet niet eens sulcx te wysen, hoewel hem dat dan noch niet altoos en soude helpen in dese gehele sake. Des niet te min so wil ick (hoe wel ick tot sulcks ongehouden ben) het platte teghendeel bewijsen, te weten:

XIII. Hooft-stuck.

Dat het ketter-dooden ende dwinghen inde conscientien nemmermeer yet goets, maer altijt vele groote quaden veroorsaeckt.

Coornhert.

Seght dan Wolfaert, of ghy een man saeght toornighlijck opten vlammen zijn huys brandende, met swaerden ende met steenen daer in slaen ende werpen om den brant te blusschen: soudy niet seggen dat hy dwaes waer ende een onnut werck dede met sulck zijn slaen ende werpen?

W. B.

Ongetwyfelt. Want steenen noch swaerden, en moghen gheen brandt uyten, maer water.

Coornhert.

2. Alsoo ist. Soo ghy oock een ander saeght olie int vuyr gieten, om alsoo den brant zijnder huysingen te uyten: wat soudy van sulcken een ende van sulck zijn doen segghen?

W. B.

Ick soude hem niet alleen voor dwaes, maer oock voor dol houden, bysonder soo hy siende ende oock noch vermaent zijnde van anderen, dat door zijn doen de vlammen niet alleen niet verminderden, maer grootelijck vermeerderden.

Coornhert.

Soo soude ick mede.
3. Lieve seght nu welck acht ghy wel de voorneemlijckste eynden, om waer toe te komen, den ketteren ghedoodt souden worden vande Overheydt?

W. B.

Beza stelt het voorneemste d’eere Godes.

Coornhert.

Waer in is die gheleghen nopende desen handel?

W. B.

Datmen die vordere int 1. vernielen der ketteryen, op dat het wel ghelucke, ende int 2. beschermen der kercken: op dat de kerck 3. vermeeren ende de ketteren 4. verminderen souden.

Coornhert.

Sterckt het ketter-dooden nergens meer toe?

W. B.

4. Ja, maer d’eere Godes is de voorneem-


lijckste sake, d’andere zijn der menschen saligheydt ende der landen wel-varen na vermoghen te voorderen.

Coornhert.

Laet ons nu komen ter saken. Segt dan, Wolaert, zijn de R. Pausen sedert 50. jaren herwaerts traegh, slap ende versuymel geweest int aen-porren vanden Keyseren ende Koninghen om de ketteren; door’t dooden der selver, grontlijck te vernielem?

W. B.

Neen, maer hebben sulcks, van gelijcken de Princen met hooghster yver vuyrighlijck benaerstight ende alle landen met groote bloet-stortingen besmet.

Coornhert.

5. Sijn daer door de ketteren vermindert gheweest?

W. B.

Men moet bekennē neen, maer vermeert.

Coornhert.

Het ketter-dooden is dan inder daedt onnut ghevonden in dese tijden, als oock voormaels.

W. B.

Sulcx heeft oock de bloedighe Cardinael van Lorainen uyt ondervinden selve moeten bekennen dat in Vranckrijcke tot die tijdt toe (dit zijn advijs gaf hy den Koning anno lx.) alle de straffingen niet met allen en hadden gheholpen (J. 103.)

Coornhert.

6. Dat is waer. Sat wast oock dat de vervormden in Vranckrijke al drie jaren daer te vooren in een ghedruckte brief aenden Koningh geseyt hadden met dese woorden: Soo en hebben oock uwe Cradinalen door heur wreetheydt niet moghen beletten den loop des Euangeliums, d’welck soo diep is ghewortelt in u Koninghrijck, dat, soo u Godt u al schoon toe-liet ‘tselve uyt te roeden, ghy Koningh sonder ondersaten sout wesen (I. 8.) Want (seyden zy inden selven brief) so wy niet metten woorde Godes en werden overwonnen: noch de vlammen, noch de swaerden, noch de wreede pijn-bancken en sullen ons niet vervaert maken. (C. 11.)

W. B.

Tis sulcks.

Coornhert.

7. Men moet oock bekennen dat het dooden om’t ghelove den menschen niet en heeft moghten af-schricken.

W. B.

Soo ist.

Coornhert.

8. Het dooden is dan een onnut middel geleken om den ketteren te doen verminderen. Dit segghen oock de Staten generael: Want daer is een oneyntlijck volck, jae Steden self, die sich veel eer aen stucken sullen laten houwen, dan te verbeyden de wreedtheydt van soodanighe executie. Want wy sien hoe luttel dat Keyser Kaerle hogher memorien ghevoordert heeft met zijne wapenen, derhalven te handen ghenomen in Duytslandt. Oock hebben nu al drie Koningen in Vranckrijcke, de Hortogh van Alve, ende de Commandeur van Castille in Hollandt ende Zeelandt kennisse daer van ghegheven doort versoecken, ende dat ‘tonser grooter schaden. Willen wy ons dan noch altijdt stoten aen eenen selven steen? (Q. 19.)
9. Siet Wolfaert, sulcks seyt de wijsheyt van de Lants-reghenten in Vranckrijck ende oock hier, oock de Gereformeerden in Vranckrijck ende Neder-lant; geleert wesende by de ghewisse onder-vindinghe selve, die een scherpe leer-meesterinne is oock van den dwasen. Soudy u noch wel laten beduncken datmen daer teghen de partydighe ende wreede herssenen eenighe Geneefsche schrift-gheleerden soude behooren te ghelooven?
10. Daer inne zijn wijt dan eens, dat u raet Beze metten zijnen heel onnut is ende niet wel en geluckt: Want door zijn ketter-dooden deketteryen soo weynigh vernielt worden, als de vlammen door swaerden of steenen ghebluscht, soo geseyt is. Laet ons nu besien of doort dooden der ketteren de kercken, diemen daer door meent te beschermen, daer door niet opentlijck verminderen ende verderven. ‘tWelck blyckende, sal dese raet Beze niet alleen onnut, maer oock schadelijck te wesen blijcken.
11. Hier toe en wil ick geen andere bewysinghen ghebruycken dan als voor: te weten het oordeel van de verstandighste der landen, ende het ontwyfelijck ondervinden. Want daer uyt segghen de ghenerale Staten der Neder-landen door heur ghesanten opten begonnen vreede-handel tot Colen (K. 51.) ‘tghene volght: Aengaende ‘teerste begheren wy geaenmerckt te worden, dat wy daghelijckx sien ende ondervinden: dat, hoe men den menschen meerder ghewelts aendoet ter saecken van de religie, hoe de staet van de Roomsche Catholijcke Religie meer vermindert. Volght noch: Immers wy mercken openbaerlijck, hoewel des Koninghs voornemen ende raedt niet anders en is dan de Cat. Ro. kercke met haer dienaren te handthaven ende te beschermen: dat nochtans zijne stadt-houders ende heyr-legher tot der selver berderffenisse altijdt oorsaecken heeft ghegeven ende noch huyden gheeft. &c. Volght een weynigh daer nae. Hoe dat het zy, dit is waerachtigh, dat alle’t ghevolgh der saecken bethoont ende bewijst: dat de middelen, die de Koningh teghen ons ghebruyckt, niet en dienen tot dien eynde, daer toe zijn Majesteyt de selve heeft ghedestineert, maer dat zy ganschelijck het contrarie wercken. Daeromme en behooren die niet voor goet, maer voor quaedt ghehoudem te worden. Lieve van wat middelen spreecken de Staten hier anders, dan van de placcaten, van de


Inquisitie, van de gheloofsdwangh ende vant ketter-dooden?
12. Dear sietmen den raet van u Geneefsche niet alleen onnut te zijn tot bescherminghe der kercken, maer int tegendeel te veroorsaken verminderinghe, jae vernielinghe der selver. Ende over d’ander zyde blijckt oock opentlijck dat doort ketter-dooden de ketteren (of diemen daer voor hout) geenssins en verminderen, maer by duysenden vermeerderen. Is dat niet wel het platte weder-spel vanden goeden raet Beze, die hy seyt dat somtijts wel gheluckt? seght doch, lieve Wolfaert, of ghy dat oock selve alsoo te wesen hout met uwen Beza?

W. B.

13. Niet alleen ick niet, maer oock de vroomste van onse ghelovens genoten selve niet, soo in Vranckerijck als inden Nederlanden. Want in Vrancrijcke segghen ons volck selve (soo ick terstondt verhaelt hebbe, xiij. 6.) dat het Euangelium door der Cardinalen wreetheyt sulcx was vermeert: dat die Koningh, soo hy die uytroeyde, sonder ondersaeten wesen soude. Daer by voeghden zy Tertulliani woorden: dat der Martelaren bloedt, het saet is vant Euangelio (I 88 verso.)
14. Immers de Bisschop van Valence seyde daer ten aenhoren van de Koningh, Koninginne en de drie Staten (I. 88.) Dat de experientie al de wereldt hadde gheleert dat de straffinghen (nopende de religie) niet altoos en hadden ghevoordert: maer dat daer teghen de lijtsaemheydt, die zy betoont hadden midden in heur tormenten, veel menschen getrocken hadden om heur saken jonstigh te wesen.
15. Hoordt nu wat u volck inden Nederlanden noch anno lxxviij. tot Antwerpen heeft aenghegheven in heur request die gedruckt is ende daer leyt.

W. B.

Daer weet ick best af, als mede self daer over gheweest zijnde.

Coornhert.

Ghy moghet wildy lesen, daer int eerste Proces 227. b. ende noch daer voordt terstont volgende inde selve requeste.

W. B.

Ick weet het, onnodigh is my het lesen.

Coornhert.

Wat dunckt u nu, Wolfaert: komt dit met het wel ghelucken van Beze ketter-doodinghe oock wel over een?

W. B.

16. Ick moet bekennen neen: maer dat het recht over een komt, als ick de waerheyt sal seggen, met u voor-verhaelde gieter van olie int vyer, om dat te blusschen: ende dat het navolgen ende vol-herden in sulcken verderflijcken raet onsinnighe dolheydt is.
Maer d’onse verschonent daer mede, dat der Papen religie valsch, maer d’onse recht is: ende dat daeromme gheen ghewelt magh helpen tot vernielinghe van de ware religie, die onder’t vervolghen vermeerdert.

Coornhert.

17. Is de Doops-gesinde een ware religie in uwes volcks oordeel?

W. B.

Neen, maer een valsche.

Coornhert.

Heeftmen die niet met onthalsen ende branden wreedelijck vervolght?

W. B.

Boven al.

Coornhert.

Sijn zy vermindert of vernielt?

W. B.

Gheen dingh minder. Maer zijn aengewassen by hopelijcke menighten.

Coornhert.

So blijckt hiet uyt noch al mede, dat het dooden der ketteren selve den ketteren niet alleen niet en mindert, maer daer tegen vermenighvuldight, ende dat mitsdien desen raet Beze ende der zijnen vant ketter-doden verkeert ende niet alleen onnut, maer oock gantsch schadelijck is.
18. Soude dan het ketter-doden, soot Beza den menschen wil Vroet-maecken, noch somtijts wel ghedyen? soudet verminderen van de ware ende het vermeerderen van de valsche kercken tot Godes eer strecken? souden de Christen Princen door sulcke onnutte ja verderflijcke bloet-stortingen de eere Godes voorderen, den sone kussen, ende zijn rijcke verbreeden?
19. Of is de voorderinge van Godes eere daer inne ghelegen, datmen den armen verdoolden menschen in heur onverstant doodende vermoort aen lijf ende ziele? of datmen door vrese des doots uyt eenvuldighe menschen; die Gode vresen; het lant vol dubbelde hypocryten, ja, dats ergher, Libertynen ende Atheisten of Godt-losen maeckt? dat is soo onghelooflijck, alst waerachtigh is: dat dit ketter-dooden ende dwinghen in den conscientien van Beza daer toe seer dienstlijck is.

W. B.

20. Dat eerste bekennen uyt ervaringhe de Papisten selve, ende namentlijck de Cancellier van Vranckrijck, die inde groote vergaderinghe der drie Staten voor den Koningh ende hen allen heeft derren segghen (J. 132.)
21. Dat de ongheschicktheyt vande Roomsche kercke oorsaecke is gheweest van de ket-


terien, dat quaede remedien de selve hebben versterckt, dat de wapenen van liefde, ghebeden ende onderrichtingh metten woorde Godes tot sulck ghevecht bequaem zijn, dat een goet leven meer predickt dan woorden, ende dat het swaerdt luttel vermagh teghen den gheest, ten waer dan om lijf ende ziele ghesamentlijck te verderven. Desgelijcx verthoonde daer oock uyten name vande derde State, te weten het volck, M. Bretaigne: datmen doodende de veroordeelden voor ketters, indien zijt sijn: verderft aen lijf ende ziele (I. 227. verso.)
22. Nopende ‘tander stuck, te weten dat geloofsdwangh Hypocryten, Libertynen, ende Atheisten maeckt, is dadelijck bevonden onder’t vervolgh aen menigh duysenden Nicodemiten, ende hinckers over beyden zyden, daer int laetste uytghebroedet zijn vele duysenden onsichtbare ende vermomde Libertynen.

Coornhert.

23. Leest oock, believet u, wat daer af is gheseyt i. Proces 649.a Insgelijcks wat u volck self daer af seyt inde 10. pag. vande requeste 1578. tot Antwerpen, namentlijck: Dat het ghedwonghen ontberen van exercitie met sich brenght versmadingh Godes, verachtingh des religions ende godtlosigheydt. Daer uyt dan volght overtredingh van Godtlijcke ende menschelijcke rechten.
24. Sulcks en voordert byloo niet tot der menschen saligheyt, maer wel tot heur verderven. Dat en streckt oock niet tot Godes eere, die Beza wil schijnen soo ernstlijck te soecken met zijn verderflijcke ketter-doodinghe. Magh dan noch eenigh redelijck verstant ghelooven dese soo wrede, als valsche Paradox, van Beza, dat het somtijdts wel gheluckt datmen den ketteren doodet? hoe magh die klaerlijcker valsch blijcken in zijne voorghemelde beyde deelen, van dat het voorderlijck soude zijn tot vermeerderinghe van Godes eere ende der menschen saligheydt?
25. Laet ons nu oock het derde ondersoecken, dat was der landen wel-varen. Behoevet oock voor u, Wolfaert, bewijs, dat in alle republijcken eendracht macht maeckt?

W. B.

Neen. Dat mercktmen licht uyt het teghendeel in ons Heeren woorden houdende: dat alle rijck dat teghen sich selven gedeylt is, verwoest sal worden (Mat. 12. 25.)

Coornhert.

So ist. Dit verstonden oock de Staten der Neder-landen wel, als zy seyden (Q. 20.)
26. Indien men dat onkruydt des tweedrachts eens brenght tusschen ‘tvolck, ende datmen teghen de belofte d’een of d’ander wil doen uytroeden, het staet uyterlijck te bevresen, dat de tweedracht ander-werf komt tot een brandt des burgherlijcken oorloghs, in verderf-vlammen, ende sal verslinden het alghemeyne landt met oock de kerckelijcke luyden bysonder: gemerckt die rijck zijn, vry van veele lasten, ende den nijdt onderworpen.

W. B.

27. Dat bekenne ick. De onse seggen ‘tselve oock tot de Luterschen (G. 89.) te weten dat, soo heur raet ghevolght worde vande Vorsten int verdryven met ghewapender hant van de ghene die het Berchsche boeck niet en onderschryven, dat gantsch Duytschlandt met een grousaem inlantsch oorloghe afghebrant soude worden.

Coornhert.

Dat zijn dan de vruchten van de tweedracht, een nootvolghelijcke dochter vande dwangh inden conscientien, ick swyghe vant ketter-dooden selve.
28. Dit is nu ghebleken uyt het segghen van uwe Gereformeerden selve, ende vanden Raden ende Staten deser Neder-landen uyt smertelijcke ende versche ondervindinghe: sal yemandt dit merckende noch eenighsins konnen verschoonen het verderflijck voornemen dat dese Geneefsche stokebrant drijft, om met de helsche poppen des religions dwangh ende ketter-dodens door den licht gheloovenden Overheyden de landen, weder te stellen inde vlammen van burgher-kryghen ende Madianiter bloetstortingen? Dat zy tusschen ons van dat onschamel voort-stel Beze ghenoegh, hoe wel nerghens nae genoegh na verdienst van der saken leelijckheyt selve. Laet ons nu voortreden tot zijne voorder bewysinghen van dit dooden der ketteren.

XIIII. Hooft-stuck.

Ofmen de ketters moet doden om des quaets onmatighe grootheydts.

Wolfaert Bisschop.

Hoort dan: alle misdaet wort ghestraft nae zijn grootheydt tot afschrick van anderen, om’t ghemeen besten wille. Sommige zijn by alle vockeren reden ghebruyckende doot-schuldigh, als vader-moordt, opsettighe doodt-slagh, kerck-roof, blasphemie Godtlosigheydt of misdaet teghen een Godts-dienst die int landt aenghenomen is.

Coornhert.

Hola Wolfaert, ghy mengelt Hemel ende aerde te samen. Is dat seggen daer u meyninghe?

W. B.

Het zijn Beze woorden. Ende seker der menschen blintheyt is groot; sonderlingh in de Gods-dienste. Daromme ist oock datter byde menschelijcke wetten gheen straffinge is ghestelt tegen alle lasteraers ende Godtlosen, maer alleenlijck teghen de gene die in sulcks sondighen wetens ende met voorgenomen opset. Nadien het dan seer swaer valt te oordeelen van yemandts herte ende


affectien: soo ist van noode geweest een gedurighe reghel te stellen, daer by men mach weten: wanneer een mensche by zijn wel weten ende met opsettigh voornemen inden Godts-dienst heeft ghesondicht. (S. 336. 337.)

Coornhert.

2. Ick verwachte vaster sekerheyt in desen, dan ghy hier voor hebt voort-gebrocht. Want die is heel onseker.

W. B.

Ghy sult een regel hooren die seecker is, ghenoeghsaem, ende so oprecht datmen yet mach vinden, dat rechtvaerdigher zy. (T. 337. d.)

Coornhert.

Dar waer wenschelijck. Ghy doet my verlanghen.

W. B.

Ghy sult nu haest vernoeght zijn. Seght dan Coornhert, mach eenich bejaert mensche oock verholen wesen de Godts-dienste ende leere die in zijn vader-lant is ende daer inne hy is op-ghevoet?

Coornhert.

Qualijck. Dat meyne ick niet dat vele ghebeurt.

W. B.

Als dan sulck een yet doet of seyt om die Gods-dienst of leere om te stoten, moetmen niet nootsakelijck int seecker weten, dat hy, die sulcks doet of seydt, dat doet wetens, en met een voor-genomen op-set.

Coornhert.

Ick stae u dat toe.

W. B.

3. Het is oock waerheydt, des neemt een voorbeelt. Socrates wert van Melite tot Athenen van Godloosigheyt beschuldight, met dese woorden: Socrates heeft ghesondight ende misdaen, overmidts hy de Goden deser Stadt niet en hout voor Goden, maer andere nieuwe Goden invoert (T. 337.) Want Socrates wist wel wat Goden tot Athenen voor Goden ghehouden ende ghe-eert worden.

Coornhert.

4. Dat is so, maer Socrates wiste (soo’t schijnt) oock wel dat het valsche Goden waren diemen tot Athenen leerde ende eerde. So ghy nu daer by wilt seggen dat Socrates derhalven, als met wille ende op-set gedaen hebbende teghen een ghemeen-landts Godts-dienste, wettelijck is ghedoodt gheweest: hoe suldy Martijn Luther, Zwingel, Calvijn, Beza ende alle uwe voor-neemste
leeraren moghen verschonen van wettelijck den doot verschult te hebben ghehadt, so zy vanden Keyser, Koningen ende Overheyden metter doodt gestraft hadden gheweest? de ghedoode waren dan quaet-doenders ende geen Martelaren.
5. Immers met wat aensicht soudt ghy luyden veel treffelijcke mannen, die in Enghelant onder de Koninginne Maria jammerlijck heur bloedt ghestort hebben voor u ghelove, Martelaren Christi, ende niet veel eer op-roerders ende doot-schuldighe, moghen noemen?
6. Of berespten alle dese niet willens ende wetens met op-set de Godts-dienste ende leere daer inne zy gheboren ende op-gevoet waren? voerende een ander leere en Godsdienst daer teghen inne? dit suldy niet ontkennen meyn ick, bekent dan dat alle sulcke uwe leeraren doot-waerdighe ketters zijn geweest, of bekent dat dese uwe alder sekerste regule, onseker ende boven alle de voorgaende bedriegelijck is.

W. B.

7. Ghy doolt. Ick weet wel dat de Heydenen dolen. Anders ist metter Christenen kercken. Die dolen niet. Daer ist licht des woordts. Hier is die voorschreven reghel soo seecker, dat ick gheloove datter niet rechtvaerdigers mach ghevonden worden. (T. 337. c.)

Coornhert.

8. Alle hoge Overheyt heeft een gemeyne Gods-dienste, en leere in zijn lant. Die hy selve hout voor valsch of voor waerachtich. Of hout ghy’t anders?

W. B.

Neen, maer ick hout alsoo.

Coornhert.

Hout hyse self voor valsch, soo acht ghy hem voor een Godloos ende een vyandt der waerheyt, die des waerheyts dienaren; de logen weder-sprekende; wil dooden.

W. B.

Soo is hy doch.

Coornhert.

Hout hyse voor waerheyt, soo is hy schuldigh, volgens dese reghel van u Beza, ende zijn gheweten of conscientie, de weder-sprekers van dien, metter doot te straffen.

W. B.

Dat volght.

Coornhert.

9. Mach’t niet gheschieden dat een ghemeen-landts Godts-dienst ende leere, die eerst oprecht was, verdorven werdt ende vervalscht?


W. B.

Vraeghdy dat? men siet ende tast sulcx met handen aende Roomsche lere. Die was eerst oprecht, ende nu by na de valscheyt, de loghen ende ‘tbedrogh selve.

Coornhert.

Wy nement nu sulcx. Hebben vele hooge Overheyden die niet voor de ware ende oprechte Gods-dienste ende leere ghehouden? die voor sulcks beschermt? desselfs wederspreeckers met alle heur macht bestaen te straffen, te dooden, ende te vernielen met vyer, water, swaert, ende strick?

W. B.

Vryelijck.

Coornhert.

10. Hout ghy die voor onschuldigh ende Godt-vresende Overheyden?

W. B.

Voor bloedt-schuldighe ende Godtloose tyrannen.

Coornhert.

Met wat recht? nadien zy hier inne naer dese uwe reghel sulcks door ghetuygh van heur gheweten uyt grooten vyer ende goede meyninghe ghedaen hebben?

W. B.

Hier inne en verschoont geen blinde yver noch menschelijck goet-duncken. Daer mede en wil Godt niet ghedient wesen (Mat. 15. 9. Joan. 16. 2.) maer nae zijnen wille ende uytghedruckten woorde. Hebt ghy dit niet self voor gheallegheert? hebdy self oock niet betuyght uyt Godts woordt, dat al wat niet uyten gheloove is, dat is sonde? (Mat. 14. 23.) nu en macht immers niet nae Godes wille gheschieden, datmen zijn ghetuyghen der waerheydt vervolght ende doodet.

Coornhert.

Dat is soo.

W. B.

11. So moet ghy dan bekennen dat Karolus quintus, met Philippus zijn soone Koningh van Spangien, item Franchoys de Valoys met Henrick zijn soone Koninghen van Vranckrijcke &c. niet tegenstaende heure goeden yver ende goede meninghe int doden van onsen gheloovens ghenoten ghetyranniseert, onschuldigh bloedt ghestort ende teghen den Godt des Hemels swaerlijck ghesondight hebben.

Coornhert.

My wondert uwer woorden.

W. B.

Hoe dat?

Coornhert.

12. Seghdy niet doorgaens dat alle Overheyden schuldigh zijn Godes eer boven al te handt-haven?

W. B.

Ick segghe.

Coornhert.

Seghdy die eere Godes niet boven al geleghen te zijn int beschermen vande religie?

W. B.

Jae ick.

Coornhert.

Seghdy oock niet, dat niet d’overheydt, maer de kercke of Consistorie het oordeel toekomt vande ware of valsche leere?

W. B.

Onghetwyfelt.

Coornhert.

13. So is dan alle Overheyt schuldigh te beschermen sulcken leere ende religie, als hem de kercke seyt de waerachtighe, ende te vernielen die zy hem seyt, valsche leere ende leeraers te wesen.

W. B.

Dat volght.


Coornhert.

Soo volght dan mede dat de Keyser ende Koningen voornoemt int beschermen vande Roomsche, ende int vernielen van u religie ende leerearen na haer vermogen niet anders daer an en hebben gedaen, dan zy na u ende Beze eygen seggen, schuldich waren te doen.
14. Lieve seght nu met ernst magh oock yemant sondigen of qualijck doen, int gheen dat hy schuldigh is te doen?

W. B.

Dat soude alsoo wesen indien zy een ware leere ende Gods-dienst voorgestaen, ende een valsche weder-staen hadden ghehadt. Maer nu ist recht anders.

Coornhert.

Nae u, maer niet nader Roomscher Catholijcken segghen, die seggen recht anders. So seyt elck anders leer valsch ende de zijne waerachtigh te wesen. Ist niet sulcks?

W. B.

‘Tis soo.


Coornhert.

15. Neemt nu dat een van beyde die leeringen waerachtigh ende dat d’ander valsch zy. Neemt oock dat een Prince die lere, die hem van dese twee waerheyt soude duncken te wesen, zijnen onder-saten wil ghebieden, ende d’ander verbieden te onderhoudenop lijf-straf; dese vraeght u Theodore Beza, oft hem oock is gheoorloft van die beyde leeren te oordeelen: meyndy oock dat Beza hem sulck oordeel sal toe-laten?

W. B.

16. Gheensins. Dat hebdy nu hier voor al ghehoort. (T. 422. 200.)

Coornhert.

Indien sulck Prince Bezam dan oock vrwaeghde of de Roomsche kercke, die haer seyt niet te moghen dolen de waerheyt daer aen seyt, soude dat Beza toe-stemmen?

W. B.

Gheen dingh minder.

Coornhert.

Of hy dan vraeghde of in u kercke oock valsche leere magh inkruypen, wat meyndy dat Beza antwoorden soude: ja? of neen?

W. B.

Hy soude gewislijck ja antwoorden. Immers Aernt Cornelisz. ende Donderklock Predicanten tot Delft in Hollandt belyden sulcx selve opentlijck (L. 8.) ende H. Bullinger (huysboeck. dec. v. ser. I. f. 214.3.) seyt dat de Israelitische ende Apostolische kercke ghedwaelt heeft inde leere.

Coornhert.

17. Mooghdy dan over-weder zyden inde leere dolen, moet oock nootlijck een van beyden daer inne dolen, ende moet hy niet oordeelen welck van beyden inde leere doolt: soo magh hy int bestaen vant beschermen oock vant vernielen van een van beyden in zijn gebiedt swaerlijck dolen int voorstaen van een valsche ende int vervolghen van een ware leere: ghemerckt hy sonder selfs kennisse van saecken hebbende gheen versekertheyt van sulck zijn doen met allen en magh hebben. Immers hy soude in sulck t’voorstaen of int vervolghen opt onseecker seeckerlijck moet sondigen, als niet gheschiedende uyten gheloove. ‘tWelck is bewesen alles sonde te wesen.

W. B.

18. Het is oock sonde, ick segghet noch.

Coornhert.

Soude hy sondighen in seulck zijn onseker doen: hy soude niet sondighen in sulcx niet te doen, te weten, indien hy gheen van beyden en beschermde of en vervolghde, ten waer hy
eerst seeckerlijck wiste welck van beyden de waer of de valschel ere; dat is welck de tarwe, of’t kaf; ware. Merckt nu, Wolfaert, of sulck Prince dan aenmerckende den groten ghevaerlijckheyt int doen, ende de veylighe seeckerheyt int laten van met ghewelt op lijf-straf zijn ondersaten eenighe leere te gebieden of te verbieden tot uwen Beze (of oock totten Paus) aldus seyde:
19. Ick wil u raet volghen daerinne, dat ick my het oordeel vande leere, of zy ketterie is, of oprecht, niet en sal onder-winden. Ende dat doende en mooghdy my niet beschuldighen van onrecht te doen sonder u eyghen raet te beschuldighen. Ick wil oock Godes raet volghen daer inne, dat ick in desen swaren handel niet met allen en doe opt onseecker, ende dat niet uyten gheloove is. Soo en sal my Godt om sulck niet doen oock niet beschuldighen. Want niemant en magh sondighen int navolghen van Godes raet, immers int laten van’t gene dat Christus verbiedt, namentlijck het uytroeden vant onkruydt, op desen zijn acker. Maer wilt beyde nae zijn bevelen laeten opwassen totten ooghst, of eynde des werelts toe, ende dat werck zijnen Enghelen bevelen. (Mat. 13. 30.)
20. U leere, lieve Beza, is waerheyt of logen, Godt weet welck van beyden, ick niet. Is u leere waerheyt: soo behoeftse mijn bescherminghe teghen die swacke, ja nietighe loghen niet. Maer is zy loghen so en magh ickse teghen d’almogende waerheyt niet beschermen, immers ick en wilt oock niet bestaen al vermochte icks, als neen. Daer twee vechten moet de stercktste de kranckste verwinnen. Hier zijn waerheydt teghen logen, de twee kampioenen. Laetmense beyde alleen begaen, de waerheydt sal d’Overhandt houden ende Godt alleen d’eere hebben. Maer soo en soudet niet wesen aengaende de eere. Waert dat ick met mijn swaert, d’een of d’ander te hulpe quame.
21. Seght nu Wolfaert, soudy sulcken Prince soo sprekende, ende sulcx oock in zijn lant doende, eenighsins nae de Godtlijcke schrift of na de menschelijcke reden, daer inne oock onrecht moghen gheven?

W. B.

Maer Beza nemet nu uyte grootheydt vande misdaedt te weten nadien men misdaden tegen menschen, als doot-slagen ende anders straft metter doot, ist niet groote reden datmen misdaden teghen Gode, diens eere sonder mate excellenter is dan de menschen, metter doot moet straffen?

Coornhert.

22. Salmen na de grootheydt des gheens daermen teghen sondight straffen, so moetmen de alder-minste sonde tegen God, oock metter doodt straffen, om datmen d’aldermeeste sonden tegen den menschen soo straft. Want d’alderminste sonde teghen Gode, is grooter ende swaerder straf schuldigh nae die reghel Beze: dan d’alder-grootste sonde die van mensch ghedaen magh worden teghen mensch, al waer hy oock Koningh, Keyser, jae d’alder-grootste van alle menschen.


23. Lieve seght doch, houdt ghy oock dat eenigh mensch op aerden leeft die niet en sondight teghen Gode?

W.B.

Neen.

Coornhert.

So moetmen na dese regel Beze alle menschen op aerden metter doot straffen. Want alle sondigen zy tegen Gode. Ende alle sonde teghen Gode, hoe kleyn oock, is doodtwaerdigher, dan d’alder grootste sonde of misdaedt teghen Koninghen of Keyseren. Soudē dat niet wel zijn Draconiche bloetwetten? wat gierighe ick swijghe hatighe, nijdige mensche en souden daer na niet metter doot gestraft moeten worden?
24. Van Beza ende van zijn meester is geseydt dat zy subtijl zijn om bloet te storten: sulcke wijse van schrijven en bewijst heur onschuldt niet. Ist niet also dat u volck de Luthersche leerlinge van’t Nachtmael houden voor dolinghe?

W.B.

Gewisselijck, die oock wel grof is. Wat? te houden dat des backers broodt een God is? soude dat geen leelijcke dolinge zijn?

Coornhert.

Daerom seght ghy-luyden heur oock aen, dat zy een ghebacken God, een broodtGod, &c. hebben (kurtz bekent. D. Mar. &c. f. 5. verso. 6.) Immers Beza self noemt dat hier der Catholijckē een God van deech (S. 361.) seght ghy-luyden daer waerheydt aen: soo souden de Lutherschen wel Gods-lasteraers mogen zijn.

W.B.

Wy segghen niet dat zy dat niet en zijn.

Coornhert.

25. Sijn zy vanden uwen noyt van sulcke heure sware dolinghe vermaent?

W.B.

Hondert werven.


Coornhert.

Laten zy hun segghen?

W.B.

Dat’s verde. Sy verstijven meer ende meer in sulcke heure verdoolde Godtslasteringhe.


Coornhert.

Nae ick uyt u hoore so souden de Lutherschen niet alleen grouwelijck teghen Gode daer aen misdoen, dat zy sulcke dolinghe ghelooven, daer by blijven, anderen oock mede verleyden, maer souden oock hart-
neckighe ketters ende grove Godts-lasteraers, jae Godloosen (als een broodt-Godt hebbende) wesen.

W.B.

Dat en sullen d’onse niet weder-spreken.

Coornhert

26. Weder-spreken Calvijn, Beza, met vele van uwe Super-intendenten oock, dat d’Overheyt sodanighe ketters moet dooden?

W.B.

Gheensins. Immers Beza hier in dese zyne handelinghe niet.

Coornhert.

Soo en wil ick dan oock niet weder-spreken, dat de Luthersche Gode wel moghen bidden: dat God uwen Bezam ende u volck gheen macht na wille over hem en verleene: soo zy niet van hen-luyden ge-Servetiseert ende ghe-weder-doperiseert en begeeren te worden na u volcx concientie: want sy geen hart-neckige ketters en Gods-lasteraers; geacht in heuren oordeele; en souden mogen laten leven: als mette grootste misdaden tegen de oneyntlijke grootheyt Godes gesondight hebbende.
27. Want de Luthersche voeghen in dat stuck, nae Beza leere, tot heur lasteringhe ende God-losicheyt, oock ketterye (S. 339) met welcke heure ketterye zy oock anderen besmetten.

W.B.

Beza stelt zijn redene, segghende wat crijm maghmen doch vinden die groter is? wat straf maghmen oock vinden groot ghenoegh zijnde, nae grootheyt van die sonde (S.339.

Coornhert.

Wat is dit doch anders dan of de goede Godt nu niet meer barmhertigh en ware. Daeromme en soude Beza in wraec-gierigheydt niet behoeven te wijken voor Broer Cornelis, niet teghen-staende die in de felheyt seer excellent was, somē merckt in zyne sermonen, vande welcke hier een moet ghestelt zijn. Waer inne hy sich opte 8. Junij 1567. grootelijck beklaghende over de Placcaten slapheydt tegen den ketteren, sprack alsoo:
28. Ou, is dat een placcaet om alle bose vermaledyde Secten uyt te roeyen, ende te niet te doen? ba, het is dat ick segghen en wil. Hets, ten is maer schijterye. Iae die sectarissen sullender seecker veel oppassen. Y, ba, zy sullen van verschricktheyt in onmacht vallen van dit felle placcaet. Iae wie sagh oyt slechter dingh? Want ou, ba, heeftmense voortydts al levende aen een staecke ghebrandt, ba so behoortmense immers nu langsamigh met een kleen vyerken te verbernen of met een pallye uyt den vyere te laten op te trecken ende wederomme neder int vyer te laten, tot de beulingen of darmen al levende door hitte braden ende uytten buyck bersten.


29. Ba alsoo behoortmen de ghemeen ketter, die in heur heresie verherdt blyven, te tracteren. Maer over een Minister, over een Predikandt, ende over een Diaken, behoortmen dry of vier daghen te dooden, ende henluyder vleesch met gloyende tanghen vanden lyve al af te trecken tot den beene toe, ende houdense alsoo langhe in sulcke pyne levendigh alsmen kan of mach. Ba ou, men behoordt niet ghenoegh tormenten of pynen weten te versieren, om alsulcke ziel-moordenaers aen te doen. &c.
30. Men soude meynen dat die felle versieringhe Broer Cornelissens ghenoegh soude zijn om Beze wreetheydt opten verdoolden ketteren eenighsins te mogen versaden: so mede deser beyder felheydt bequaem soude zijn gheweest om beudels vanden Tyranne Tiberio te zijn. Want die en jonde den ellendigen geen korte pijne: so hy betoonde aen twee zijnre gevangenen: van welcke de een hem badt om een korte doodt, ende daer op voor antwoordt kreegh: du en biste met my noch niet versoent, als of de Tyran had willen segghen: ick soude dy jonste doen, so ick dy haest dede dooden. Ende de Tyran van d’ander vernemende dat hy sich self hadde om-ghebracht, riep hy: O, hy is my ontsnapt. Want hem was leedt dat hy niet een langh moort-spel met hem en hadde mogen houden voor zijn doodt.

W. B.

31. Hola. Hola. Laet ons daer af zijn. Beza seyt noch voor reden van der ketteren misdaets grootheyt, datmen de schade van doodt-slagh, overspel oft diefte, &c. mach waerderen: maer’t verderf der ketteren in de kercke van d’eeuwige verdoemenisse van ontallijcke zielen is al wat grooters, door dien de ware Godts-dienst oock verdorven ende de Godlijcke toorn ontsteecken wordt. Daerom en is geen volck strenger te straffen, dan ketters, blasphemeerders ende verachters van Religie (S. 339. 340.)

Coornhert.

Een ketter veracht so weynich de religie, dat hy sich op zijn religie laet dooden. Oock is hy so onschuldich van blasphemie, dat hy liever heeft te sterven, dan sich met een onwaerheyt vander doot te bevrijen. Dats nu wel verde van uyt spijt of moet-wil God te lasteren. Ende dese vescheyden saken menghelt Beza al onder een: ‘twelck wel dient om met zijn ware Godlosigheyt, gewaende dolinge vuyl ende hatelijck te maken.
32. Maer wat doet al dit vernufteliseren vande grootheydt des misdaets: sonder schriftuerlijck bewijs, datmen een ketter sal doden? heeft Beza schrift, waer toe bruyckt hy vernuft? heeft hy gheen schrift: wat helpt Beze vernuft? leest daer voort, daer kompt hy weder metten Heydenen voort. Salmen nu ’t vernuft sonder, jae teghen de H. schrift, geloven?

W. B.

33. ‘Tis waer Beza brengt hier drie Heydensche exempelen by, end sluydt daer uyt dat hem verwondert vander gheender oor-
deel die daer willen datmen in een Christen republijck het violeren van de religie lichter straffen soude, dan de Heydenen den gene straften die tegen heur superstitien ghesondight hadden. Dunckt u dat soo quaden bewijs-reden? (340.)

Coornhert.

34. Die schoone bewijs-reden staet inden grondt alsoo: de Heydenen die Godt-loos zijn (S. 313.) die het lichte Godes ontberen (S. 312.) jae welcker Goden duyvelen zijn (S. 68.) soo Beza selve seydt, straffen den ghenen metter doodt die heure superstitiën (dat is duyvelsche Gods-dienst) verachten: want de duyvel heur Godt is een doodt-slagher van aenbeginne (soo Christus seyt, Johan.8. 44.) dus behooren de Christen Princen den ketteren, (dat zijn verdoolde menschen die’t goet meynen) mede te straffen metter doodt, want onse Godt is soo henadigh dat hy des sondaers doodt niet en wil, maer sich bekeere ende leve (Ezec. 18. 32.) sluyt dat bewijs niet wel? sodanigh is Beza bewysinghe?

W. B.

35. Maer hoe doude een rechter soo onbedacht zijn, dat hy doodt-slagers, etc. soude doen dooden: ende levendigh laten de ghene die hy klaerlijck weet teghen Gode opghestaen te wesen, Gods woort vervalschende, des kercx autoriteyt verachtende, des Princen Placcaten hert-neckelijck verachtende ende anderen om sulcks mede te doen aenport? (S. 341.)

Coornhert.

36. Dits nu al voor-gheseydt ende beantwoordt, ende segghe hier noch boven dien, dat doot-slaghers &c. weten dat zy quaedt doen, ende de rechters weten dat zy strafwaerdigh zijn metter doot. Een ketter uyt misverstant dolende meynt dat hy recht doet ende sterft daer oock op. De doot-slaghers &c. belyden willigh haer misdaet, al weten zy dat zy des niet te min moeten sterven: de ketters en konnen met goeder conscientien niet belyden dat zy dolen (want zy wetens niet) ick swyghe quaet doen: al mochten zy door sulcx alleenlijck beveynsdelijck te seggen heur leven behouden, soo u volck self bekent in Servet gheschiet te wesen.
37. Boven dien blijckt van doot-slagers te dooden Godes wille, al langh voor Moyses wetten: (Gene. 9. 6.) maer van ketters te dooden en heeftmen geen gebodt Godes inde gantsche Bybel. Voorts en laet u Beza d’Overheyt het oordeel niet toe, vande leere of zy ketterye is dan niet: soo en magh hy dan oock niet seker zijn wie teghen de ware leere opstaet, wie een ketter is, wat de ware kercke is, wie des kercks aensien veracht ende andere tot sulcx aenport, immers oock niet wie alle sulcx hart-neckelijck ende mitsdien sondelijck, of wie sulcx stant-vastelijck ende derhalven deughdelijck doet.
38. Want men magh deughdelijck tegen een onware leere opstaen, ende teghen een valsche kercke, desselfs aensien verachten, oock anderen tot sulcx aenporren ende dat


oock stantvastelijck, dit blijckt alles aen d’apostelen selve, als zy nmet verbodt, (in plaetse van Placcaten) ghedreyght zijnde, standt-vastelijck seyden: men moet Gode meer ghehoorsaemen dan den menschen (Act. 5. 29.)
Wat doet nu al dat spiegel-vechten Beze tot bewys datmen de ketteren sal dooden? heeft hy bewesen dan zijn leere de waerachtighe is? neen, dat zijn kercke niet en mach dolen? neen: dat alle dolingh een ketter maeckt? neen: dat d’Overheyt so lichtelijck ende sekerlijck een hart-neckige ketter, als een doodt-schuldighe quaedt-doender mach kennen? neen: dat d’Overheyt op’t onseecker, met twijfel, jae in ongelove sulck groot werck mach doen sonder te sondigen? neen. Neen geenssins.
39. Dats noch al wijt te soecken, maer is hier voor nu al ontwijfelijck het rechte contrari ghebleecken. Want gheeft Beza dan doch anders allen omsichtigen menschen te bedencken met alle dese zijne gheblanckette onwaerheyden, dan dat hy gaerne onder sulcken valschen schijne van strenghe rechtvaerdigheydt den Princen ende rechters bloedighe Tyrannen soude maecken tot voor-standers van zijn ende zijner medeghesellen in desen onmenschelijcke wreedtheydt, eer-suchtighe authoriteyt ende rijcke weelde? is sulcks hier met zijn voornemen niet, dat waer hem goedt ick weet dat niet, ‘tis alleen Gode bekendt. Maer dese zijne bloedighe dolinghe en is allen menschen niet onbekendt, door dit zijn hart drijven met sulck openbaer misbruyck vande Godlijcke Schrifture ende alle menschelijcke redene om den Princen tot bloetstortingh te hetsen van onnosele verdoolde menschen.

W. B.

40. Ghy seght daer dat Beza het woordt Godes openbaerlijck misbruyckt in desen handel. Waer blijckt dat?

Coornhert.

Is u dat noch niet ghenoegh gebleken in desen Processe: daer siedy immers opentlijck dat by Beza alle ende elck der sproken ende exempelen des ouden Testaments door u uyt hem daer voort-gebracht, gantsch onbescheydelijck ende gheweldelijck van heur eygen, tot Beze vreemde sinne, werden ghebogen ende ghetogen. Ende hier hebdy nu immers met handen moghen tasten, dat hy alle menschelijcke reden meer dan groflijck misbruyckt, ende zijn sake met sulcke menschelijcke gissinghen (die doch meer dan valsch blijcken) desen hoog-wichtigen handel pooght te bewijsen.

W. B.

41. Beza seyt selve hier: Maer wat ist van noode den tijdt te verquisten om met menschelycke gissinghen te bewijsen, met wat straf sulck misdaet behoort ghestraft te worden: naedien wy de wille Godts daer af opentlijck verklaerdt sien te wesen in zynen woorde?

Coornhert.

Is dat segghen Beze ernst, heeft hy Godes woordt soo opentlijck daer af over zijn zijde: waerom bemoeyt hy hem soo ancxtelijck hulp te soecken aende menschelijcke gissingen die onseker zijn: aen zijn voortghehaelt somtijts wel gelucken, dat valsch is: aen zijne mede-ghesellen dat menschen zijn ende hem in desen selve oock eertijdts plat tegen hebben gheschreven: aenden exempelen der Heydenen, die hy self seyt Godlosen, duysterlingen ende duyvels dienaren te zijn: ende (soo hy noch hier na doet) aende kerckelijcke Historien, die hy selve seyt logenachtigh te zijn?
42. Heeft hy, segghe ick, de almachtighe waerheyt, te weten het woort Godes voor hem: wat noode wast hem om zijn voort-stel vastelijck te bewysen met sulcke onseeckere raminghen, Godloose exempelen, ende ydele loghenen het boeck te overladen? Soude hy wel soo onkonstighen rethorisien wesen, dat hy met het menghsele van sulcke onwaerheyt zijn waerheyt, die hy noch waende te hebben oock selve voor logen verdacht heeft willen maecken?
43. Dat magh hy weten, anderen mogent ramen. Maer wel is te verstaen dat hy wel verstaende gheen klare waerheydt maer alleen haer ydele schijn over zijn syde te hebben: dien losen schijn looflijck heeft willen groot doen schynen met menichte van bygevoegde sulcke valsche schynen van waerheydt: om soo ten minsten waerschijnlijck te spreecken, van’t ghene hy gheen waerheydt self en mochte spreecken, ende soo zijne gheloovers, schijn voor waerheyt te doen ghelooven.

XV. Hooft-stuck.

Van Moysi wet, of ende hoe die nu moet worden onderhouden, nopende het ketter-dooden.

Wolfaert Bisschop.

Nu eerst Coornhert, nu suldy te recht vernemen dat Beza zijn leere vant ketter-dooden oock metten woorde Godes selve bewijst. Dat en suldy, hoope ick, miet weder-spreecken.

Coornhert.

2. Daer voor behoede de Heere mijn tonghe, maer of ick Beze onrechte duydinghe der Schrift teghen spraecke, suldy dat oock achten of ick de H. Schrift weder-sprake?

W. B.

3. Wat reden soude dat zijn. Beze woorden en houden wy noch niet voor Godes woordt. Maer met Godes woort handelt Beza nu hier (S. 342.) in dit deel boecks, welcks op-schrift houdt alsoo: De tweede bewysinghe ghenomen uyt de authoriteydt van den woorde Godes, ende het begindt aldus:


4. Maer wat ist van noot, lieve, ons tijdt te quisten met menschelijcke raminghen te bewysen: met hoedanighe straffe de misdaet gestraft behoordt te worden: nadien wy daer af hebben Godes wille, die in zijnen woorde opentlijck ende klaerlijck is verthoont.

Coornhert.

5. Wonder ist dat Beza dus lange met al de voorgaende menschelijcke ramingen zijnen tijdt heeft willen verquisten, indien hy daer in tot zijns voornemens bewijs Godes openbaere ende klare wille heeft inde H. Schrifture. Brenghtse voort. Ick luystere.

W. B.

6. Exo. 22. 20. leestmen: wie den Goden offert, behalven den Heere alleene, die zy verbannet. Ende op een ander plaetse maeckt hy daer op sodanighen wet: dat wy inde gantsche schrift gheen straffer en strengher en souden moghen vinden. Schrijft Beza. (S. 342.)

Coornhert.

7. De woedighe herten verlustighen sich meer in bloedighe, dan goedighe wetten. Welcke zijn die?

W. B.

8. Deutronomium 13. ende 17. oock mede Levit. 24. 15. Exo. 31. 14. ende Num. 15. 30. Ick salse uyt hem lesen.

Coornhert.

9. Dats onnodigh. Deut. 13. stelt hy’t geheele cap. Deut. 17. een groot deel. Oock so d’anderen. Wy kennen de plaetsen oock ‘tgene daer wort verhaelt: het zijn vijf plaetsen, behelsende ses persoonen, die daer alle bevolen worden met lyflijcker doode te straffen, namentlijck 1 Af-god-eerdes, 2 valsche Propheten, 3 Droom-duyders, 4 aen-voerders met opset tot vreemde goden, 5 Blasphemeerders en 6 Sa bbath-brekers. Dese verhaelt oock H. Bullinger, huysboeck dec. ij. ser. viij. f. 63. 1.

W. B.

10. Daer hebdy nu geens menschen maer Godes woorden uyte wet-boecken Moysi selve.

Coornhert.

11. Sonder menschen glosen te bruycken magh Beza daer niet altoos uyt bewysen datmen ketters moet dooden. Wat nu de menschelijcke glosen daer toe sullen vermogen salmen vernemen. Daer toe vraghe ich voort eerst: of die wetten Moysi waren op die tijdt in of sonder een rijck, dat Overheyt hadde of gheen, die des wets over-treders nae die wetten strafte?

W. B.

12. Wat vrage is dat? het waren die wetten in het Jootsche rijck, dat eerst rechteren
ende na Koningen hadde, die sulcke wetten Moysi deden onderhouden.

Coornhert.

13. Christi wetten zijn mede in een rijck daer Christus Koning inne is, die zijne wetten doet onderhouden, ende dit is ghekomen na Moysi wetten ende het Jootsche rijck. Of houdyt anders?

W. B.

Neen trouwen, maer wy houden al dat mede alsoo.

Coornhert.

14. Is Moysi wet, rijck ende Overheyt het selve dat Christi wet, rijck ende Overheyt is, of zijn dees twee verscheyden?

W. B.

15. Daer is wel in Moysi wetten dat oock inden wet Christi is, als liefde, geloove ende anders meer: maer in ceremonien, in vele oordelighe wetten ende anders meer en zijn de Moysaische wetten, het Moysaische rijck ende de Mosysaische Princen niet een ofte het selve, dat Christi wet, rijck, ende heerschappie is.

Coornhert.

16. Christi wet, rijck ende heerschappie is in plaetse van het Moysaische gekomen.

W. B.

Alsoo.

Coornhert.

17. Daer rijck noch Koning en is, daer en zijn geen wetten, diemen daer onderhout.

W. B.

Dat magh niet zijn.


Coornhert.

18. So Beza, Calvijn, Bullinger met alle uwe andere leeraren dan de voorschreven wetten Moysi nu noch, na luyden des wets woorden, onderhouden willen hebben metten Joden: is heur voor al nodigh onder den Joden te soecken ende ons te wysen een Moysaisch uyterlijck rijck, mette voorschreven Moysaische wetten ende Koningen der Joden, die de selve wetten nu noch also doen onderhouden. Indien zy-luyden des vermoghen, men sal oock moghen waerschijnlijck vermoeden, dat in sulck Moysaische rijck, die voorschreven wetten noch heur oude kracht hebben: ende dat de Jootsche Princen nu noch de selve wetten, als voormaels, moeten hant-vesten ende van heuren ondersaten doen onderhouden.
19. Maer dan salmen oock moeten weten dat sulcks gheschiet byden Joden ende niet byden Christenen die een ander Koningh hebben, namentlijck Christus, die den zijnen


oock ander wetten heeft ghegheven, dan de Mosaische ende dat in een ander rijck, daermen de voorschreven en meer andere Moysaische wetten niet meer also en onderhout.
a Ende oock dat die twee onderscheydelijcke wetten, rijcken ende Princen nu noch beneden malkanderen hier op aerden bestaen ende gedueren, so dat Christus niet en is der Joden Koningh, die een ander Koningh, daer hy op zijn wyse wetten geeft ende heerschapt. Wat dunckt u nu, sal Beza met zijne andere Vaderen dat oock seggen?

W.B.

20. Gheensins, dat waer Christum ghelastert, de gantsche Schrift gelochent, ende argerdan ghe-Ebioniseert. Men moet bekennen Jesum den waren Koningh der Joden, Christum, dats de ghesalfde des Heeren, ende de beloofde Prins, Heere en wetghever zijnre nieuwe ondersaten te wesen. Moyses met zijn rijck, Koningh, Priesterdom ende wetten heeft uytghedient: ’tis alles als schaduwen voort wesen verdwenen: ende siet het is al nieu gheworden onder onsen nieuwen Koningh, eeuwige Priester ende Heere Chistum Jesum.

Coornhert.

21. So besluyte ick hier nu uyte, noch als voren, dat Beza met zijne aenhangen voorschreven, omme te bewysen datmen nu noch moet onderhouden die voorghemelde wetten vande Af-god-eerders, valsche Propheten met d’andere, voor al noodigh is ons voor oogen te toonen een Moysaisch rijck en Koningh alleen: of dat selve met een Christelijck rijck ende Koningh magh wesen sonder rijck, ende een rijck sonder ondersaten, daer een Koningh wetten magh doen onderhouden zijnen ondersaten, die hy geen en heeft. Hebdy daer moet toe?

W.B.

22. Ghy verwert my, daer toe behoeft tijt, ick wilt nadencken, ende besoecken, of uwe banden oock vast zijn. Ick moet kennen datter gheen wetten moghen zijn, dats min dan onderhouden worden, daer geen ondersaten en zijn: ick merck mede dat Christi en Moysi rijck niet ghemenght, veel minder een rijck moghen zijn. Moysi rijck maghmen nu niet metten vinger wysen. Wat sal ick seggen?

Coornhert.

23. Wie sal ons Chisti rijck metten vinger wysen onder alle dese kercken ende Secten, die elck roepen by ons is Christus? oft nu niet wel de tijdt soude zijn inde welcke Chistus selve verbiet sulcke roepers te gelooven? (Mat. 24. 26.) maghmen dan nu ter tijt niet versekertlijck Chisti rijck wysen, wie sal mogen gebieden buyten Christi rijck, ende buyten Moysi rijck, de voorsz. wetten Moysi metten swaerde te doen on-
derhouden? maghmen dat niet doen vande sondaren by Bezam uyt Moyse voort-ghehaelt: hoe vele te minder noch vanden ketteren: welcker name in alle Moysi boecken, ja inden gantschen ouden testamente nergens en wert ghevonden?

W.B.

24. Wat leyt daer aen. Men vint daer wel duysent-werf genoemt Af-god-eerder.

Coornhert.

Wijst ons eerst het rijck, soo voor gheseyt is, daermen nu noch moet onderhouden die wetten Moysi, namentlijck Moysi of Christi of heur beyder rijck te samen, of u seggen in desen en magh niet altoos helpen. Behalven dat soo bekendt Beza hier oock self (S. 358.) datter nu geene af-goden-dienaren inde kercke meer en zijn: om dat die uyterlijcke ceremonien nu een eynde ghenomen hebben. Sijnder sulcke nu niet, so en behoeftmē oock die wet noch desselfs straffe nu niet.

W.B.

25. Al hout nu sulcke afgoderije op, van sonne ende mane te aenbeden &c. so en hout nu niet op het af-keeren metter herten van Gode niet betrouwen opten schepselen. Die afgoderye noemen wy met Beza, in een algemeyne name ketterije te zijn. Die blijft ende gheduyrt noch. Dus en magh dan oock desselvens wet noch straffe niet ophouden.

Coornhert.

26. Niet hoe Beza, maer hoe de H. Schrift een werck noemt, moet by ons gelden. Beze nieuwe tale en magh der dinghen natuere niet veranderen. Langhsaem sal zijn benamen een mensch in een koe veranderen. So en sal hy mede een af-godt-eerder met zijn benamen niet veranderen in een ketter. Al waert oock dat hy den af-godt-eerder duysent-malen een ketter noemde.
27. Maer so yemant alle menschen noemde een dier, en oock alle koe een dier, hy salse voorwaer beyde te recht genaemt hebben. Want alle mensche is een dier, so is oock alle koe een dier. Maer daerom en maghmen nemmermeer met recht alle menschen koeyen, noch alle koeyen menschen, noemen.
28. So mede. Indien Beza alle af-godt-eerder noemt een sondaer, insgelijcx alle ketter: niemant en sal hem met reden weder-spreken. Want beyde zijnt sondaren. Maer daerom en machmen niet met waerheyt seggen, dat alle af-godt-eerder een ketter is: of dat alle ketters af-godt-eerders zijn. Ghy hout alle Doperen voor ketteren, soudyse daeromme wel altsamē derren voor af-god-eerders schelden? Beza hout sich self voor een sondaer (respons. ad defens.Bezae 1563. Henri Stepha. 189.) soude hy daerom na dese zijne wyse wel willen lyden dat hy een ketter is?
29. Wildy Bezam navolghen in dese zijne Babelsche werre-tale: wat mensche sal na dese wet Moysi ende sulcken werre-tael des lyflijcken doots straffe ontkomen? Want ghy luyden leert self dat alle menschen; so lange


zy hier leven; sondaren blyven. So zijn alle menschen ketteren. Moeten dan niet alle menschen als ketteren gedoodt worden naden lichame? siet daer de vrucht van Beze metten zijnen schrift-draeyen ende werretale met zijne veranderinghe van sonderlinghe, in alghemeyne woorden. Leestmen sodanighe felheyt oock erghens van Gode inde gantsche Bibel?

W. B.

Dat en segghe ick niet.

Coornhert.

30. Daer teghen leestmen wel dat Godt des sondaers doodt niet en wil (Ezech. 18. 32, 33. 11.) maer dat de bermhertighe Godt straffen wil der leeraren felheydt, die zijn volcks zielen dooden die niet sterven en souden (Ezech. 13. 19.) deser ghesellen felheyt behaeght de Geneefsche gheselle beter dan goedertierenheyt. Die en heeft by heur geen plaetse. Soude de lieve Godt nu wel wreedelijcker handelen met zijnen kinderen in Christi ghenadighe rijck: dan hy handelde mette hart-neckighe Joden in Moyses strenghe rijck?

W. B.

31. Maer wat seghdy van de valsche Propheten? Daer van H. Bullinghers huysboeck, fo. 63. seyt de schriftuere ghebiedt de Overheydt duydelijck dat zy de valsche Propheten niet en sullen sparen, ende op den Bibel tot Leyden anno 81. gedruckt op Deut. 18. 20. ende 13. is gheannoteert dat alle valsche leeraers des doodts waerdigh zijn.

Coornhert.

Dat sulcks niet beantwoordens waerdigh en is. Want na Beze klare woorden selve en zijnder nu sulcke niet meer (S. 358.) zijnder nu sulcke gheen meer daer die wet Moysi op sagh: hoe salmen die niet en zijn moghen dooden, of noch al sulck rijck, Koningh ende wet voor-handen waren, om onderhouden te moeten worden? nu is dit hier naest voor klaer ende vast bewesen, dat de Moysaische wetten in Christi rijck soo niet en moeten worden onderhouden. (xv. 11. 12. 13.) dus sietmen hier inne niet anders dan der Geneefsche Consistorianten stoutheyt in der schriftueren verkrachtingh ende verachtingh.

W. B.
Na ick bemercke, soudy my die selve antwoorde mede gheven opten derden doodtschuldighen sondaer, naementlijck van den Droom-duyder.

Coornhert.

32. Alsoo. Want die schrijft Beza daer oock (S. 358.) nu niet meer voor-handen te zijn, ende is daerom van sodanige met heur verdwynen, de straf mede verdwenen: maer niet Beze onschamelheyt die slucks sich niet en ontsiet voort te brenghen.

W. B.

Maer wat suldy segghen vande vierde, te weten van de Aenvoerders met opsedt tot vreemde Goden?

Coornhert.

33. Ick meynde dit al ghenoeghsaem beantwoort te hebben. Lieve seght watter u aen gebreeckt. Hebbe ick niet hier naest voor betoont dat geene ketters nu sulcx en doen?

W. B.

Alle ketters leeren anders van Gode gevoelen, dan waerheyt is, ende en stemmen de gesonde leere niet toe. (28, 1. Tim. 6. 8.) Dit zijnse die’t volck afleyden van den Heere, ende de H. schrift valschelijck uytleggen, daer door zy’t volck aensoecken om vreemde Goden te dienen (S. 365.) welck aensoecken tot af-val S. Paulus (1. Tim. 1. 3.) uytdruckt met die woorden: van anders te leren (S. 353. 354.) Dunckt u nu Coornhert, datter oock eenighe ketters zijn die niet opentlijck of heymelijck in heur ghemeenten, als leeraers, of ten minsten int heymelijck als sectarissen heuren naesten anders leren ende tot af-val soliciteren? het zijn dan oock aenvoerders met opsedt tot vreemde Goden. Ende hier sietmen dat de wet Godts beveelt te dooden alle de gene die daer valsche religie in voeren ende het volck van den rechten wegh wenden. (op Deut. 13. 4. Inden Bybel tot Leyden anno 81. gedruckt, met Geneefsche Annotatien. Item H. Bullingers huysboeck f. 63. Moetmen die dan niet dooden?

Coornhert.

34. Dat bloet-net is by na soo breet uytghespreyt, alst ander van den sondaren, soo hier voor is gehoort (xiiij. 26. &c.) Wat voghelken soude die doot-stricken mogen ontgaen? missen wy niet altsamen in veelen? d’Apostel seyt ja (Jaco. 3. 2.) heeft Martijn Luther nerghens in anders geleert dan de ghesonde leere met stemt: waerom stemdy zijn leere vant Nachtmael niet toe? hout ghyluyden hem daerom voor een soecker tot vreemde Goden ende doodens waerdigh te wesen?

W. B.

35. Dats verde van daer. Want wy Luther selve (O. 19.) de voorste int ghetal setten onser heyliger voor-vaderen: jae Beza oock self zijn schriften hier voor voort-brengende stelt Luther oock d’alder eerste vanden luyden van grooter wetenschappe: welcker achtbaerheyt van grooten gewichte is inde kercke Godes. Souden wy hem dan voor een aensoecker tot vreemde Goden ende een doot-waerdighe ketter achten?

Coornhert.
36. So is dan dit bewijs Beze ydel ende valsch, dat anders te leren sulcks soude zijn. Hoe soude men oock seker mogē weten wie anders leerde? sout ghyluyden de rechters daerinne zijn over uwe weder-spreeckers:


daer en waert ghy niet met te vreden, als de Ro. Cathol. Sulcks tegen u deden: so Calvinus (Inst. V.iij. 168.) seyt: Dat soo wie teghen henluyder uytlegginghe der Schrifturen dorste kicken: dat die voor een ketter wort gheoordeelt.
37. Souden naden selven regel Beze: van ander leeren: u Zwingel ende ghyluyden niet alt’samen, anders van’t Nachtmael leerende, dan de gesonde leere doet, na Luthers oordeel ende der zijnen, voor Sacramentschenders ende doot-waerdige keeters van henluyden geoordeelt moeten worden? souden zy macht na wille by d’Overheydt verkrijghende ende dese regel Beze navolgende u niet in u eyghen doodens grachte doen vallen ende versmoren?
38. De Luthersche waren in voornemen om u luyden, die heur Bergsche boeck niet en willen onderschrijven, noch maer uyt het rijck te doen bannen, dat’s minder dan levendigh te doen branden: ‘twelck, soo’t ghebeurde, seghdy dat geheel Duytschlant met een in-lantsch oorlogh af-ghebrandt soude werden: (O. 80.) Meynt Beza ende u volcxken, dat de Lutherschen ende alle d’anderen; erghens inne anders leerende dan ghyluyden; de Schrifture duydet, al goet-willichlijck van u sullen gedogen desen regel Beze, die hy noch van niemandt anders en wilt gheheughen?

W.B.

39. Wat andere meynen, is my niet kunt: maer ick weet wel dat ick die reghel Beze van’t anders leeren, noyt hebbe konnen toestemmen. Ick kan oock swaerlijck geloven dat yemant van de ghemeenen ketters deser tijden, het zijn dan Doperen of anderen, met op-set den menschen willen aenvoeren tot vreemde Goden: oock en hebbe ick mijndagen noyt ghehoort dat sulckx van eenighe ketter (soo vander doot-slagheren, moorderen, ende straet-schenderen opsettigh quaet doen daghelijckx blijckt) is beleden.

Coornhert.

Dat’s soo, want zy hebben eenen onwysen yver om ander menschen mede te trecken tot huere dolinghe: die zy wanen te wesen de wegh ter saligheydt ende de leere der waerheydt.

W.B.

a. Wy spreken nu anders niet, dan of ons volcx meeninghe ware, datmen alle ketters metter doodt moeste straffen. Neen dat is sulcx niet. Eenvuldighe verleyde ketteren, die anderen niet en leeren, en worden hier mede niet ghemeynt.


Coornhert.

Welcke dan? Verklaert selve wat de ketters zijn die zij houden voor doodens waerdigh?

W.B.

Die van heur doolinghen 1 1 1 1. behoorlycken overwonnen zynde, van heur eyghen a 2 2 2. con-
scientie veroordeelr zynde, (T. 247.) ende dan 3 3 3 3. noch herdt-neckigh zynde, d’uyterlijcke 4 4 4 4. kercken-vrede verstoren (T. 288. 168.a.)

Coornhert.

b Seght. Behoeven alle dese vier stucken teffens te wesen in een ketter, om hem dootschuldigh te maken: of is elck deser stucken alleen ghenoegh daer toe?

W.B.

Verklaert u vraghe wat duydelijcker.

Coornhert.

Gaerne. Houden de uwen oock datmen een ketter behoordt te dooden, als hy maer behoorlijck van zijne dolinghen is verwonnen, al en waer hy niet overtuyght van zijn eyghen conscientie?

W.B.

Dat is doo byden Romanisten, maer byden onsen niet.

Coornhert.

Maer of dit beyde in hem waer, ende hem liet ghesegghen?

W.B.

Men soude hem niet dooden, so de Papen immers doen, al weder-riepmen.

Coornhert.

c Ofdan een ketter waer behoorlijck overwonnen, overtuyght van zijn geweten, ende hardt-neckigh, maer sich voortaen stille hielt sonder zijn ketterye voort te leren ende de kercke liet rusten: wat soudemen hem dan doen?

W.B.

Men soude hem oock laten rusten.

Coornhert.

Soo hoorde ick wel dal alle dese vier stucken teffens souden moeten wesen in een ketter, souden die uwe hem een doot-schuldigh ketter oordeelen.

W.B.

Daer seghdy recht.

Coornhert.

Daer hebdy nu mijn vorighe vraghe wel beantwoort van de meeninghe uwer Consitorien ende Beze. Antwoort my voorder, believet u. Hoe sullen die vier voorschreven Merck-teeckenen eens doot-schuldigen ketters sekerlijck blijcken? verstaet my recht. Hoe salmen ghewislijck moghen weten dat een mensche behoorlijck overwonnen is? als zijne partyen ende klaghers self sulcks oordeelen?


W.B.

Neen. Soo deden de Romanisten.

Coornhert.

Calvijn, of Beza, of een vanden uwen beklaeght yemandt van kettersche dolinghen voor uwe Consistorien: houdy die in heur eyghen sake wettighe rechters over den beklaeghden welcks formel partyen zy alt’samen zijn?

W.B.

Dat machmen niet segghen. Sonder te segghen dat de Romanisten, sulcx doende, oock over den onsen mede wettige rechters zijn gheweest.
Coornhert.

Wat middel kondy dan anders voorwenden om sekerlijck te weten dat yemandt behoorlijck van dolinge is overwonnen? suldy de Luthersche kercke tot rechters nemen? of de Dopersche? of de Roomsche, Jootsche of Mahometaensche? noch souden dese niet onpartydigh maer elck der selver geneyght wesen tot die partye, die meest met zijn gheloof of opinie over-een stemde.

W.B.

‘Tis waer, elck soude zijn voor oordeel met brenghen, ick moet dat bekennen.

Coornhert.

d Weet ghy dan geen onpartydigh rechter te vinden, hoe kondy weten voor seker, wie behoorlijck van doling is overwonnen? oock mach yemandt met woorden verwonnen schijnen, sonder met waerheyt verwonnen te wesen: immers sonder dat hy sich verstaet verwonen te wesen. Soo en moghen zy dan geen ketters zijn, die noch in zijn herte weet of waent recht te hebben. Dats een. Segt voort. Weet oock eenigh mensch, wat in een ander mensche is?

W.B.

Neen. Dat weet niemant dan des menschen geest, die inden mensche is (1. Cor. 2. 11.) want Godt alleen is een kenner des herten ende der gedachten (Job. 42. 2. Psal. 93. 11. Ezech. 11. 5. Mat. 9. 4, 12. 25.)

Coornhert.

Belijdt oock eenigh ketter, daer in volhardende, selve, dat hy al in zijn conscientie veroordeelt is?

W.B.

Neen, dat is noyt gheschiet dat ick weet.

Coornhert.

Soo ist onmogelijck voor eenigh mensch om weeten (miraculen uytghesondert) wat ketter in zijn conscientie is veroordeelt.

W.B.

Men moet dat bekennen.

Coornhert.

e Daer blijckt dan oock u tweede merckteecken eens ketters gants onseker. Soo is oock het derde, te weten vande hartneckigheydt. Want waer by mooghdy die, ‘twelck sonde is, gewisselijck onderscheyden? uyte stantvastigheydt dat deuchde is?

W.B.

f Waer by anders dan dat de ketter ter doot toe by zijn voornemen blijft?

Coornhert.

Dat’s al een onseeckere seeckerheydt.

W.B.

Hoe soo?
Coornhert.

Hebdy niet bewillight gheen middel te weten, om onpartydighe rechters in desen handel te bekomen?

W.B.

Ick hebbe.

Coornhert.

So maghmen oock niet sekerlijck weten (ick meyn doo’t oordeel van partydighe rechters) wiens leere of opinie ketterye is.

W.B.

Dat volght.

Coornhert.

g Soo volght mede datmen door u merckteecken niet en magh sekerlijck weten, wie hert-neckelijck, dat’s ter doodt toe, blijft by zijn ketterye, of standt-vastelijck by de waerheydt. Want dit doen so wel de rechte Martelaren, als de valsche ketters. Sal een Jode niet soo wel hert-neckelijck, als een Ghereformeerde standt-vastelijck (in uwen oordeele) willigh in den doodt gaen, liever dan die zijn doolingh ende dese zijn geloof soude af-gaen?

W.B.

h Men machs niet lochenen.

Coornhert.

Men mach dan oock niet lochenen dat dit u derde merck-teken eens doodt-schuldighen ketters, niet min onseker is dan d’ander twee.

W.B.

Ick en lochene dat niet, maer wilt ghy lochenē dat het vierde merck-teken seker is?


met leeren, met predicken of met boecken schryven d’uyterlijcke kerken-vrede te verstoren. Dat zijn uyterlijcke wercken. Die maghmē immers sekerder dan seker weten.

Coornhert.

i. Dat is waer, so veel het werck aengaet, maer wat sekerheyt maghmen van de sake weten. Wildyse al als ketteren dooden die eenige vande voorschreven uyterlijcke wercken doen ende daer door de uyterlijcke kercke-vrede verstoren: soo moet ghy self bekennen dat de Catholijcken voormaels hier ende nu noch in Spangien ende elders, de uwen wel ende wettelijck als ketters ende verstoorders vande uyterlijcke kercken, jae lants, vrede ter doodt hebben veroordeelt ende noch veroordeelen.

W. B.

Neen, dat sluyt niet wel. Onse leer is de waerachtighe, alle der andern, niet met d’onse een zijnde, is valsche leere.

Coornhert.

k. Ghy merckt niet wel, mijn seggen sluyt wel: want uyt het geen bewesen ende bewillight is, blijckt ontwyfelijck, dat uyt sulck partydigh oordeel van elcke kercke teghen zijne aenvechters niet seekerlijck en magh worden geweten, wat leere ketterye is: hoe mogen die uwe dan gewis daer uyt weten dat anderen uwes sins niet wesende, van gelijcken oock de Catholijcken, dat heur leere de rechte, ende der anderen een valsche is? al blijckt dan de daet vant leeren ende vant vrede staren seeckerder dan seecker: so blijckt de saecke van sulcke daet gantsch onseecker. Hebben de Propheten, d’Apostelen, jae Christus selve (die sich selve seyde gekomen te zijn niet om vrede, maer om’t swaert op aerden te senden Mat. 10. 34. Luc. 23. 5. Act. 24. 5.) dat werck van leeren niet ghedaen? Is daer niet beroerte inde kerck uyt ghevolght? men weet wel ja. Waren daerom de Propheten, d’Apostelen ende Christus ketters?

W. B.

Dat zy verre.

Coornhert.

l Soo ist oock verde van daer dat dit u vierde merck-teken eens doot-schuldighen ketters, d’alderminste sekerheyt in sich soude hebben, maer is soo onseker als d’ander drie. Want na de sake ende meninghe wort het werck gheoordeelt.

W. B.

Wat sal ick segghen?

Coornhert.

Dat weet ick niet. Maer ick bewyse u met waerheyt dat Beza self: noch uwe Consistorien door zijne voorgemelde vier merckteeckenen opte wyse als voren selve niet se-
kerlijck en moghen weten, wie een doodtschuldigh ketter is. Mogen zijt niet weten? hoe sullen zy dat d’Overheyt doen weten?
m Hoe ist dan d’Overheyt moghelijck om te weten wat persoon een ketter is. Weet hy dan niet: hoe magh hy met seeckerheydt eenigh ketter dooden? nochtans roept Beza, het komt de kercke toe van de saecke of ketterye, maer d’Overheyt vanden persone of ketter te oordeelen. O Jootsch ende nydigh oordeel! O blinde ende moordelijcke executie! wat is dit roepen van Beza anders dan: waer dese geen ketter (zy seyden quaet-doender) wy en souden hem u niet gelevert hebben. (Joan. 18. 30.) doetmen soo d’Overheyt, niet blindelijck oordeelen ende ter doot verdoemen vanden menschen welcke hert, meninghe ende conscientien jae sake self, henluyden verborghen is?

W. B.

40. Maer wat weet ghy te seggen opten Blasphemeerders by Bezam mede ghesteldt (S. 369.)

Coornhert.

41. Dat Beza zijn oude onwegen bewandert in zijn stout misbruycken der Godlijker schriftueren. Want hy sich niet en ontsiet van den blasphemeerders al mede te maecken ketteren die hart-neckelijck inde leere dolen, ende anderen tot heur dolingen aenvoeren.
42. Daer toe voert hy, H. Bullinger ende de zijne inne de wet (Levit. 24. 15.) veroorsaeckt zijnde uyten Aegyptischen Jode: de welcke uyt toornigheyt van kijflijcke woorden Godes name gevloeckt hadde. Soude dat nu mede na Beze Babelsche werre-tael moeten heten, ander te leeren ende te dolen inden rechten verstande der H. Schriftueren? soude die lasteraer oock al moeten een ketter zijn?
43. Twee verscheyden dinghen, die d’een sonder d’ander mogen zijn, en mogen gheen een selve dingh zijn. Beza (S. 338.) gesproken hebbende van blasphemie met golosicheyt te samen op sich selven, seydt daer nae (339.) alsoo: Maer indien by de blasphemie ende godlosigheyt oock is de ketterye &c.
44. Daer sietmen opentlijck Beza self houden (wie macht oock lochenen) dat blasphemie magh zijn sonder ketterye, maer is wat anders. Soo en is dan oock alle blasphemeerder gheen ketter die arbeydt nochtans om sulcks te doen schynen. Lieve, wie magh sulcke ghedreyde, ghekromde ende gheboghene uytlegginghen van de H. Schrift uwen Beze toestemmen?
a Dit doet Beza noch al sonder te verklaren wat een blasphemeerder of lasteraer is, die hy nochtans nu ter tijt als onder Moysi rijck, oock ghedoot wil hebben. Wast hem dan niet de moeyte waerdigh van een halssake sulcks te openbaren?

W. B.

B Dat Beza niet en doet doen anderen, als Henricus Bullinger (om een uyt vele te noe-


men) in zijn huys-boeck dec. iij. ser. x. fo. 139. 1. seggende: Ist dat zy beneven dien
de leere die zy verachten, schelden ende lasteren, segghende dat het een kettersche tweedrachtighe op-roerighe ende duyvelsche leere is: so worden zy met recht lafteraers ghenaempt. Daer hebdy wel een breede ende klaere beschrijvinghe eens lasteraers ende dat noch van een onser hooft-leeraren, ende sulck een is oock Servet geweest. (Idem. f. 63. seyt hy,) De lasteraers ende verstoorders jae verdervers der ghemeenten maghmen met recht dooden. Ende Nicasius in zijn Institutie tot Gent anno 1580. ghedruckt pag.144. seydt: Heretijcken die den name Godts blasphemeeren (Levit. 24. 16.) oock die afgoderye (Deut. 13. 5. 17. 2. ) of leeren, zijn niet alleen te onderwysen of te vermanen tot afstant haerder dwalinge, maer volghende des Heerē woort ende het exempel Helie (3. Reg. 18. 40.) metter door te straffen.

Coornhert.

c. Een beschryvinghe int wilde ende die luyden selve voor lasteraers beschuldight, want hy spreeckt hier in genere of algemeyn dat woordt leere naecktelijck. Seght nu Wolffaert, schelden de uwe niet de Roomsche leere?

W.B.

Vryelijck: ende dat te recht.

Coornhert

d Van sulcks te recht doen, sullen wy af spreken. Maer ghy-luyden schelt de Roomsche leere immers voor sulck-danigh als Bullingher daer verhaelt in zijn beschryvinghe.

W.B.


e Ghewislijck, oock voor een Antichristische leere.

Coornhert.

f Soo hebben de Romanisten dan oock rechte saecke om al de Gereformeerde self voor lasteraers te veroordeelen ende te dooden.

W.B.

g. Neen wy schelden heur leere voor sulcx te recht, want wy doent met loutere waerheydt die wy oock blijckelijk bewysen. Dus zijn wy in dat stuck waerheydts tuyghen ende gheen blasphemeerders.

Coornhert
h Men magh dan een leere soo schelden als Bullinghers voorschreven vermeldet, sonder te zijn een blasphemeerder,
W.B.

Jae trouwen, alst met waerheydt wort ghedaen soo wy dat doen. So noemde onse
Heere den Pharizeen duyvels kinderen, om dat zy heur vaders aerdt in moorden slachten.

Coornhert.

k De beschryvinghen Bullingers hier, is dan valsch. Want men magh een leere soo schelden sonder een lasteraer te wesen. Maer dat ghy nu seght dat ghyt te recht doet: om dat verseeckertlijck te weten, most voor al blijcken dat de gescholde leere valsch ware. Immers als de Schelder van sulcke leere die valsch kan doen blijcken, dan blijckt immers dat hy geen lasteraer, maer een waerheydts tuyghe is.

W. B.

Dat moetmen bekennen.

Coornhert.

m Wie sal de rechter, of yemant gelastert heeft, zijn? de Pharizeen van Christo? Om dat hy sich self de soone Godes hadde ghenoemt? (Mat. 26. 65.) De Romanisten van de Gereformeerden? om dat die heur Sacrament des outaers een melis end ebroot-godt noemen: oock’t houwelijcks verbodt een duyvelsche leere? Calvijn van Servet? om dat hy Calvijns leere tegen-sprack, ende dat hy Christum een soone des eeuwighen Godes, maer niet een eeuwighen soone Gods noemde? Aen dit oordeel hanghet al. Wie sal de rechter zijn? elck partye die een ander aenklaeght? siet wat elck lichtvaerdelijck den zijnen toestemt?

W. B.

45. Dat doen al veele luyden, ick self hebt mede gedaen, doch meer jonstelijck dan omsichtelijck, soo ick nu begin klaerlijcker te sien dan te voren. Daerom mercke ick mede nu van selfs wel dat het niet anders en sal varen oock metten Sabbath-breker. Exo. 31. 14. Num. 15. 32.
46. Want niet teghenstaende Beza de selve als d’andere mede stelt als of dat mede diende tot bewijs van de ketter-doodinge, ende als of sulcke straf nae de wet Moysi nu noch inden Rijcke Christi duyrde: so lees ick hier by Bezam self (S. 349.) dat de Sabbath met meer andere ceremonien opghehouden zijn. Soo en magh dan huyden daer oock gheen straf des lyflijcken doodts meer af zijn inden Rijcke Christi.
47. Nochtans port Beza vermits dese gemelde Schriftueren allen Overheyden aen ter navolginge der selver justitie te doen in de saken de religie beroerende, ende desselvens verachters te straffen oock metter doot (S. 353. 355.) Dit sie ick nu, ende dit een versta ick niet voor rechte waerheyt.

Coornhert.

48. Loghen maghmen waerheyt wanen, maer niet weten. Is al’t voort-stel, daer op Beza hier siet, oock yet anders dan datmen ketters metten lyflijcken doode behoordt te straffen?


W. B.

Het is niet anders.

Coornhert.

49. Arbeyt Beza ende H. Bullinger mette voorsz. sondaren, als Af-godt-eerders, valsche Propheten &c. oock ergens anders toe dan om te bewysen, dat alsoomen sulcke sondaren na Moysi wetten moeste straffen metter doot: datmen nu oock den ketteren mede alsoo metter doot moet straffen?

W. B.

Neen, anders en benaerstight H. Bullin. daer ende Beza hier, ende door al dit zijn boeck niet.

Coornhert.

50. Ick heb daer teghen bewesen, dat by geen van al die voorschreven sondaren verstaen moghen worden, ketters, welck woort men niet en vint int gantsche oude testament. Menighte van sonden vindtmen daer met heure straffinghen punctelijck beschreven: nu is ketterie niet de minste der sonden, maer wel van d’alder swaerste, oock na Beza segghen selve. Soude d’Alwyse Godt dan versuymt hebben in zijn wet te stellen de ketterie metten straf der ketteren, indien zijn wille waer gheweest den ketteren metter doodt te doen straffen?

W. B.

51. Ick. Om waerheyt te spreken, en kan u seggen niet weder-leggen. My verlanght by ons volck te komen, om hooren, of zijt sullen vermoghen. Want op sulcker wysen als uwe laetste redene hier nu teghen my was, hebben wy oock selve geargumenteert tegen de Lutherschen (O. 57.) den welcken wy schreven aldus:
52. Ende naedemael ghyluyden op Godes woordt wilt steunen, soo bewijst ons in Godes woordt alle dese woorden staende: dadelijck, wesentlijck, lichamelijck, inden broode, onder den broode, metten broode, &c. het welcke so menighmalen van u lieden is ghevoordert gheworden, ende ghy en hebt dat tot noch toe niet ghedaen.

Coornhert.

53. So breeden bewyse en eysche ick hier alleenlijck van Beza niet, uyten woorde Godes, als ghyluyden daer vande Luthersche zijt begherende: maer ick en begheere anders gheen bewijs, dan u de Luythersche uyten woorde Godes vant Nachtmael voor haer opinie u teghen stellen, te weten: Dat is mijn lichaem.
54. Dat zijn naeckte uytgedruckte woorden Christi. Noch en vernoeghdy daer mede niet. Brenght soo mede voordt niet dan een eenige sproke uyten gheheelen Bybele, houdende dat d’Overheydt den ketteren sal dooden. Dit en vermagh Beza noch niemandt. Want ten staet nerghens inde H. Schrift.
55. Ghyluyden en wilt den Lutherschen
niet gelooven, die nochtans de woorden der Schrift self voor heur hebben teghen u: ten zy dat zy daeren boven alle d’ommestanden mede uyter H. schrift doen blijcken. Wat reden hevet dan dat Beza mette zijnen gelooft willen zijn in haer opinie, die niet een enigh woort en heeft inde H. Schrift, daer op die is ghegrondet?
56. Alle des niet tegenstaende roept Beza op sulck zijn weder-schriftelijck ende onbewesen voort-stel, niet anders dan of hy een heerlijcke victorie hadde bevochten, alsoo: Daer siedy wat ick segghe, Montfoort, daer siedy ‘tgheen dat ick wel stoutelijck derf roepen, als wesende ghesondeert opte waerheydt Godes ende ‘tghetuyghenisse van mijn conscientie.
57. Soo pleghen d’ouden tot een besluyt heurder bewyse-loose Predicatie nopte predick stoelen te roepen: ‘tis waerheyt, kinderen, dat ick segghe, geloovet op mijn conscientie, ick setter mijn ziele voor te pande. Maer waert quaedt waerheyts woordt tot een borghe te hebben, eer datmen soodanigher vermeteler menschen goedt-duncken gheloofde?

XVI. Hooft-stuck.

Hoedanigh der voorgemelder sondaren straf nu behoort te wesen nae den beschreven woorde Godes.

Coornhert.
Wy hebben ghehandelt vanden af-godt-eerders ende van andere derghelijcke sondaren. Ons hooft-gheschille is van de hoedanigheyt vander selver straf. Beza wil die sondaren ghedoodt hebben, andere niet de sondaren, maer de sonden. Beza, als of Moyses in Christi rijck noch heerschapte, wil nu noch Moyses stalen swaerdt daer toe bruycken: maer Beze weder-spreeckers ende voorneemlijck de Staten deser Landen (j. Proces. 16. 17. tot 25. incluys ende elders meer) segghen dat niet Moyses, maer Christus self in Christi rijck de Koning ende wet-gever is, het swaert zijns monts ghebruyckende. Is dit niet het gheschille?

W. B.

Het is.

Coornhert.

Willen wy hier oock een weynigh afhandelen?

W. B.

‘Tis my lief.

Coornhert.

2. Om’t selve so kort wy moghen te doen, soude ick goet vinden: dat wy sulcx af doen in een van de voorschreven sonden. Want


daer uyt dan licht valt om mercken wat van d’anderen ghevoelt te wesen.

W. B.

Alsoo.

Coornhert.

Wy sullen’t dan op-nemen inde sonde van af-goderye ende des selfs straf.

W. B.

Soo doet.

Coornhert.

3 De Godtlijcke schrift hout ons voor lichamelijcke ende geestelijcke af-goderye ende offerhande, te weten by Moysem, lichamelijcke (Exo. 32. 8.) als Israel sich een gegoten kalf ghemaeckt hadden ‘twelck zy aenbaden ende offerhande deden: ende by Paulum gheestelijcke (Ephe. 5. 5. Colos. 3. 5. Rom. 12. 1.) daer hy gierigheyt af-goderye noemt, ende daer hy seyt dat wy onse lichame sullen begeven tot een levende, heylighe ende wel-behagende offerhande.


W. B.

Die sproocken houden alsoo.

Coornhert.

4. Men doet nu niet meer alsoo lichamelijcke af-goderye int aen-beden van eenigh lichamelijck kalf, Zonne, Mane of dierghelijcken, maer is d’af-goderye uyt dat lichamelijcke rijcke Moyses, metten gheestelijcken rijcke Christi oock verandert voorneemlijck in een gheestelijcke af-goderye. Behooret dan oock niet dat de straffe mede verandere Mette gheestelijcke sonde in een gheestelijcke straffe?

W. B.

Dat en sal u mijn Heere Beza gheensins toe-laten.

Coornhert.

5. Hy moet de H. Schrift hier toe nu terstont by my inghebracht ende menighte van derghelijcke sproocken meer, die ick magh voort-brengen oock zijns ondancx wel toelaten; daer tegen magh ick niet toe-laten dat hy den Christenen nu noch het Moysaische juck opten halse wil legghen. Immers dat hebbe ick nu al onrecht, jae een rechte Ebionnerye of menghsele van Moyse met Christo te zijn bewesen (xv. 14. &c.)
6. Maer wel aen. Wil Beza noch immers daer aen, soo verschoont hem, kondy, daerinne, dat hy den Room. Catholijcken, niet en hout voor lijflijcke af-god-eerders.

W. B.

Dat en wil ick niet doen, want Beza seyt van heur also: (S. 361.) Want sonder te spreken van der Papisten beelden, ende van heur
deegelijcke God (of broot-God) &c. Maer hy seyt dat het vreemden zijn buyten de kercke, ende datmense daeromme lijt (260.)

Coornhert.

7. Neen. Calvijn selve en lochent niet dat der Papisten kercken, mede kercken zijn. Maer seyt opentlijck: Dat al-hoe-wel d’Antichrist daerinne zit (hy most daer in, niet buyten zijn, nae Calvijns eyghen segghen) zij onder zijn Tyrannie noch kercken blyven (Institu. viij. 33.) ende dat de Jootsche kercke die de waerheyt; Christum; hatede ende zijn leeringe verworp, noch al even wel een kercke was. (Insti. Viij. 60.) maghmen den Ro. Kercken yet arghers op segghen.
8. Soo is heur kercke dan noch al mede een kercke. Sy en zijn dan oock niet, als Joden, Turcken, of Heydenen vreemt van u kercken of daer buyten, maer daer binnen. Waerom straft ghy die openbaere afgoden-dienaren ende ketteren (na u eyghen leere) dan oock niet lichaemelijck metten sawerde of vlammen?

W. B.

9. Het zijn wel kercken, maer verdorven kercken (seydt Calvijn ter voorschreven plaetsen (Inst. viij. 33.) daer Christus als half begraven zijnde noch schuylt.

Coornhert.

Dat zy so. De kercke daer Christus noch inne is, die is immers een waere kercke. Heeftse verdorven ende vervuylde leden: soo moet ghy die af-god-eerende ende stinckende lidt-maten immers af-snyden van u lichaem dat’s van u kercke.
19. Van u kercke (segge ick noch of Christus, die in heur kercke noch is (soo Calvijn bekent) en is in u kercken niet. Is dat, hoe moghen uwe kercken sonder Christo kercken; dat’s sonder’t hooft ware lidt-maten; zijn? zijn uwe kercken dan oock ware kercken soo en zijn de Romanisten niet buyten, maer in u kercken. Mooghdy dese af-god-eerders ende ketters (so ghyse scheldet) laten leven: waerom d’andere niet?
11. Immers de Lutersche kercken bekendy oock opentlijck voor kercken Christi ende den Lutherschen voor uwe broeders. Dese leren anders int stuck vant Nachtmael, dan ghy, die u selve daer inne seght de ghesonde leere te hebben. So zijn zy ketters ende oock af-godt-eerders. Want ghy scheldt heur Nachtmaelsche Sacramendt oock voor een broot-god ende hen-luyden voor Canibalen ende Caphernaiten.
Waerom laet ghy dese dan onghestraft metten lichamelijkcen doot? ghebreecket u aen wille, of aen macht? of is dit kalf te loos dan dat het dien leeuwe of desen Beyr soude te vroegh willen bespringen? maer laet ons weder ter saken komen te weten opte lichamelijcke en geestelijcke af-goderye en straf.
12. Daer af hadden de weder-spreeckers Beze hen voor gheworpen dat: Ghelijck op’t maecken van een lichamelijck kalf, ghevolght was een lichamelijcke straffe: alsoo mede de straf van’t gheestelijcke kalf, oock gheestelijck behoordt te wesen. (360. b.)


W. B.

Dats waer. Maer wat antwoordt mijn Heer Beza henluyden daer op?
14. Seecker (seydt hy) Montfort, ick kenne nu in dy te wesen die fantastique gheest, die soo veele quaedts inde kercke heeft ghedaen door Origenem. Want dit is voormaels wel een wonderlijcke schalckheyt Satans geweest, die nochtans by niemandt vande ouden (heur eere behouden) ghemerckt en is gheweest soot behoorde. (360.)

Coornhert.

14. My dunckt ick hier oock wat mercke in Beza, dat weynigh van den uwen mercken.

W. B.

Wats dat.

Coornhert.

Dat Beza hier David Joriseert, of ten minsten Montaniseert.

W. B.

Noch zijn my u woorden duyster.

Coornhert.

Neemt verklaringhe. David Joris om gheseydt te hebben van eenighe saecken dat niemandt van den ouden, voor hem sulcks en hadde verstaen: wort van den uwen tot Babel in dat schrift naegheseydt, hoe David Joris hielt, dat de waerheydt etlijcke honderdt jaeren op een hoecxken in den Hemele verhoolen hadde gheseten die hy nu eerst vernomen soude hebben ghehadt.
15. Ende nopende Montanus: seyde de gheestelijckheydt in Vranckrijck anno 61. (C. 151. b.) voor den Koningh, Koningnne ende Staten Generael vanden vervormden dese woorden: Die zijn ontwyfelijck Montanisten, die daer derren seggen, predicken ende schryven, dat sedert acht hondert iaren herwaerts onse Heere ende Salichmaecker Iesus Christus niet verstaen en is gheweest tot nu toe. Dat is gheseyt, dat onse Godt Iesus Christus zijn belofte niet en heeft ghehouden, ende ons heel heeft verlaten, sonder ons te senden den gheest; vertrooster, ende leeraer der waerheydt. Dese vervloeckte ketterye en is niet nieu, (als oock gheen van alle d’anderen) dan zy is vernieuwt: maer begonnen van de voornoemde Montano, die daer seyde dat de gheest Godes noyt yemandt en was ghegheven dan hem alleen, oock den Apostelen niet. Dat zijn der gheestelijcken woorden vanden uwen.

W. B.

16. Wat achten d’onsen op sulcke openbare loghenen? wat ghemeenschap heeft dit oock met het seggen Beze voorschreven van de duyvelsche list met d’allegorien byden ouden niet ghemerckt zijnde gheweest?

Coornhert.

Dese. Dat d’Apostelen mede hebben geallegoriseert (dats gheestelijcke uytleggingen der schriftueren ghebruyckt) jae de Heere Christus selve, en magh Beza niet ontkennen. (Exod. 12. 46. Joan. 17. 36. Exod. 14. 22, 1. Cor. 10. 12. Gal. 4. 24. Gene. 16. 15. &c. Joan. 3. 14. Nu. 21. 9. Mat. 12. 39. Jonas. 2. 1. &c.)

W. B.

Hy en soudet oock niet willen ontkennen.

Coornhert.

17. Alsoo. Ist dan Satans gheest diens schalckheyt soo vele quaets door Origenem inde kercke heeft ghedaen doort alllegoriseren, sonder dat het niemandt van douden en heeft ghemerckt, soo Beza seyt: nadien zijt altsamen naghedaen hebben: soo soude men sulck quaedt oock wel verder moghen trecken, te weten totten Apostelen ende Christum selve, die zy ende oock Origenes daer inne hebben willen navolghen.
18. Denckt nu of Beza hier dan mede niet en David Joriseert, Origeniseert, ja Montaniseert. Hebdy nu genoegh verklaringhs mijnder woorden die u eerst duyster schenen?

W. B.

Maer so vele ons voor-nemen belanght, dat nu van d’af-goderye ende dierghelijcke sonden de straf niet de veranderinge vande selve, uyt vleeschelijck in gheestelijck soude verandert wesen: daer van de lichamelijcke figueren gheweest soude zijn: sulcks wederspreeckt Beza, ende seyt oock opentlijck hem niet te ghedencken dat hy oyt een woordt daer af heeft ghelesen. (361.)

Coornhert.

19. Ten is dat niet alleen niet, daer in Beza sich niet en schaemt openbare onwaerheydt te spreecken.

W. B.

Hoe soudy dat bewysen?

Coornhert.

Ten is niet te gheloven dat Beza Augustini schriften niet eens ten minsten soude hebben door-lesen: die schrijft van de daet Phineas (Nu. 25.) Dat daer by bekendt is, datmen degraderen ende excommuniceren oft bannen soude in dese tyden, als vermidts de disciplinen inde kercke. Het sichtbare swaerdt ophouden soude (Aug. de fide & oper. ca. 2.)

W. B.

Soudet u soo onghelooflijck duncken, of Beza juyst dat boeck niet en hadde gelesen?

Coornhert.

20. Is dat niet ongelooflijck, soo is nochtans dat voorsz. segghen Beze heel onghe-


looflijck, soo ghy selve hem niet ongheloflijck wilt maken in zijn eygen woorden; die hy beschrijft int tweede bladeken; na zijn voorschreven woorden; dat hem niet en gedenckt oyt een woordt daer af ghelesen te hebben. Siet daer staen zy self (364. b)

W. B.

21. Die luyden aldus: Want my gedenckt wel: dat Sint Augustijn erghens handelt dese allegorien vant sichtbaere ende onsichtbaere swaert. Maer men weet oock wel dat hy selve (‘twelck ick segghe behouden de eere van soo grooten personagie) een weynigh te veel nagevolght heeft de voet, inden handel der allegoarien. Hier sie ick inden lijst aenghetekent te zijn, het voorghemelde boeck Augustini, ‘twelck ick my liet terstont beduncken dat Beza moghelijck niet gelesen en hadde ende dat hy mitsdien wel waer mocht gheseydt hebben in zijn niet bedencken.

Coornhert.

Nu siedy opentlijck dat Beza daer aen onwaerheydt heeft gheseydt: maer dat hy waerheydt heeft gheseydt daer aen: dat hy bich niet waerachtigh en was gheworden. Niet teghenstaende hy self nu al anderen en 15. jaren langh den wegh der rechtvaerdigheyt hadde gewesen. Dit seyt Beza als met zijn sondelijckheyt pronckende ende tot wederlegghe van Castellions aenporren tot het volkomen af-sterven der sonden (B. resp. desens. & repre. S. Castal. In. 2. Timo. 3. 16)
23. Die sulcke blinde ende loghenachtige leyts-luyden (nae heur selfs bekentenisse) moet-willens navolgen: ist onrecht dat zy verleyt wordē end einder grachten vallen? Beza verstrickt sich selve dan aldaer in een openbare onwaerheydt, soo hebben oock vele vande zijne selve (waer af ick my met twee of drie sal laten vernoeghen) opentlijck van dese sake alsoo gheschreven te weten Brentius (Bellius 39.)
24. Daer hy spreeckt van tweereleye sonden ende swaerden, een geestelijck, ende een lichamelijck: Mette welcke elck zijns gelijcke sonden straft: als met het lichamelijcke swaert, laichamelijcke, maer met het geestelijcke, geestelijcke sonden. Welcke subtijlheyt oock soo weynigh met het grove lyflijcke swaert gequetst konnen worden, als de Leviathan selve (Job. 41.) diet yser als striy, ende metael als vermolsemt hout acht, &c.
25. So schrijft oock Matinus Borrhay zijn tijdt-ghenoot, ghesel ende naeghebuer (wiens schriften Beze doch niet onbekendt hooren te zijn) op dese plaetse (Deut. 13.) in zijne Commentarien, dese woorden selve:
26. Maer wat salmen in d’administratie des nieuwen verbondts metten ghenen doen, die op soodanighen sonde (te weten af goderye) werden bevonden? sullen de kinderen van heure ouders d’Overheydt worden aenghebracht? sullen die met heur huys-vrouwe ghestenight worden.
26.a Ons is een middel om den bosen wegh te doen uyt de kercke voor-ghesteldt van den Heere; houdt hem voor een Heyden. ‘tSelve is door d’Apostel gheusurpeert oft ghepleecht? Laet hem den Satan overghelevert worden tot verdervinghe des vleeschs, op
dat de gheest behouden worde, niet op dat die verdorven worde.
27. Dit zijn de wapenen der kercken, den welcken de gheest des nieuwen verbonts regheert, in ende door hem, die van sich selve seyt: ick ben ghekomen om de schapen Israels te behouden &c. met sulck ons segghen en benemen wy de burgherlijcke Overheydt zijn recht niet, vanden schuldighen te straffen ende den onschuldighen te belonen. Dat schrijft u luyder M. Borhay.
28. Immers ten is niet te ghelooven dat Beza niet en soude gelesen hebben Calvijns Institutien, die zijn meester was ende die hy de groote Calvijn noemt. Dese schrijft daer (xj. 28.) int maken vanden onderscheyt tusschen het oude ende het nieuwe testament, aldus:
29. Ghelijck als de Heere doe ter tijdt den gheloovighen zijn benevolentie of jonste betonende met teghenwoordighe goeden, door sulcke figueren ende schaduwen de eeuwighe saligheydt adumbreerde of bedenckelijck uytbeelde: soo gaf hy van ghelijcken mette lichamelijcke straffinghen te verstaen zijn oordeel van den verworpen, sulcks dat alsoo zijn wel-daeden doe meer blijckelijck waren inden aertschen dinghen, alsoo oock mede die straffinghen &c.
30. Volght terstont daer nae. Godt heeft voor die tijdt als hy het volck van Israel zijn testament, als noch bedeckt zijnde, gaf, betekenen end figuerlijck te verstaen gheven willen, soo wel de ghenade des eeuwighen saligheydts vermits de aertsche wel-daden: als de wichtigheyt des eeuwighen doots, vermits de lichamelijcke straffinghen.
31. Dat zijn Calvijns woorden. U Beza gae nu heen, ende segghe dat hy die noyt en heeft gelesen, of dat Calvijn daer niet opentlijck en schrijft dat die lichamelijcke straffingen int oude testament, betekent hebben die geestelijcke straffingen, te weten der zielen doot int nieuwe testament. Hy sal bevinden dat elck niet heel uyt partydigheyt verblint zijnde, Beze seer wel sal ghelooven, dat hy noch niet waerachtigh in zijn woorden en is geworden, ende dat hy hier openbare logen-tale schrijft.

XVII. Hooft-stuck.

Of de wet Moyses int stuck vant ketter-dooden nu verandert is of vermindert.

Wolfaert Bisschop.

Recht of de doodinge des vleesches (seyt Beza 363.) onder het oude testament alleen een schaduwe, ende oock niet gheoeffent en waer gheweest inder kracht van alle gelovigen. Was die doodinge waerachtigh, wat behoeft men de schaduwe, daer af de waerheydt heur teghenwoordigh was? of wast heur doe noch noodigh eenighe figure te hebben: waerom beneemdy ons die nu?

Coornhert.

2. De recht-gheloovighe, die der schaduwen waerheyt hadden onder Moysem, en behoef-


den de schaduwen doe ter tydt niet noch oock nu niet. Maer was Moyses met zijn schaduwen genoegh om heuren dienaren nader conscientie volkomen te maken: (Hebr. 9. 9.)Wat behoeven wy Christum met zijnen wet des gheests? (Rom. 8.2.) Hebben wy Christum die selve de waerheyt is. (Joan. 14. 6.) Wat behoeven wy Moysem met zijne nu onnutte ende lastige schaduwen?
3. Ist Euanghelisch dat Beza den menschen dit Moysaische jock, dat de Joden niet en hebben moghen dragen, den Christenen noch wil opten necken leggen. (Act. 15. 12. Ezech. 23. 25.) Heeft Christus dat eerste (lastighe jock) niet wech ghenomen: om het nae-volgende (zijn soete jock, Mat. 11. 29.) in te stellen?

W. B.

4. Ghyluyden (seyt Beza S. 363. c.) poogt met uwe allegorien d’oude wetten soo wegh te nemen: datmen nu het Crijm van ketterye onder den Christenen niet en soude moghen straffen, alst voor-tijdt gestraft is geweest onder den Joden. (363)

Coornhert.

Neen, zy poghent niet wech te nemen, want het en was daer noyt: maer Beza pooght met zijn lettersch verstandt van de vryen Christenen, argher dan Joden te maken: soo dat sy den ketteren, daer af onder Moysem geen wet en was, noch min straf, metter doodt souden straffen. Laet hen noemen een ketter die onder Moysem ghestraft is geweest, dit vermach hy niet, maer seydt sulcks vromelijck, nae zijn ghewoonlijcke waerheydt.

W. B.

6. Was die straf der valsche Propheten alleenlijck voor een tijdt: waerom is daer by gevoeght een eynde, dat altijt plaetse behoort te hebben? namentlijck op dat het al Israel hoore en vreese.

Coornhert.
Mach de straf oock plaetse hebben, van een misdaedt die niet meer en is?

W. B.

Neen.

Coornhert.

De valsche Propheten, daer op die straf ghestelt was, en zijn nu niet meer, na Beze eygen bekentenisse (358. c.) so moet de straffe oock op-houden.
7. Maer zijn de ketters; in eenighe leere dolende; sulcke valsche Propheten, als Moyses daer beschrijft ende gebiedt te dooden? dat suldy niet segghen. Wat wint dan Beza met sulck zijn verkrachten der heyligher Schriftueren, anders dan dat hy bethoont dat hy desselfs Auctoor, dat God is, niet seer en ontsiet.

W. B.

8. Ghy moet (seydt Beza 309.) bewijsen, dat Christus door zijn toe-komst van des
Overheyts macht yet wat heeft besnoeyt: (310.) of bekennen dat zy noch haer voorgaende macht (om ketters te dooden) hebben onder den Christenen.

Coornhert.

9. Beza willende bewijsen uyte wet Moyses (niet Christi) dat d’Overheydt nu noch last ende macht heeft om ketters te dooden: moet bewijsen dat d’Overheydt daer toe onder Moysem last ende macht heeft ghehadt: of hy moet bekennen dat zy onder Christum gheen last noch macht en hebben om ketters te dooden. Dit en vermach Beza int minste niet.
10. Nadien zy des dan gheen last of bevel en hebben ghehadt: hoe soude yemant mogen bewijsen (wat behoevet oock) dat Christus daer in d’Overheydts macht besnoeyt soude hebben? siet wat spotlijcker bewijs Beza met zijn stroeyen dilemma voordt brenght, daer met hy nochtans niet anders en proncker dan oft een Adamantijnsch Vulcani net waere.
11. Maer of Moyses noch al schoon van ketters hadde ghesproken (die hy nerghens en noemt) wetten daer af ghegheven, ende doot-straf-op-gestelt: ick neem dit schoon al sulcks (alst niet en is) souden dan noch die Moysaische wetten niet (ick segghe niet besnoeydt, maer) gantsch verdweenen ende wech ghenomen moeten zijn overmidts de wetten, die Christus door zijnen geest in zijnen rijcke daer af met uyt-gedruckte woorden heeft gegeven?
12. Diens wet hout datmē een ketterschen mensche nae d’eerste ende tweede berispinge sal mijden (Tit. 3.10.) is dat bevel of last op d’Overheyt van een ketter te dooden? of nu Moyses wet sulcx al hadde inne-gehouden. (Als neen) soudy dan noch Moysi, des knechts, neven Christi, des Konings, wet, willen staende houden? wie van beyden soude dan noch gevolght moeten worden?
13. Nu en hout Moyses wet niet een woort van ketterye, noch van een ketter, noch minder van een ketter te dooden. Christi wet van een ketter sprekende, gebiet datmen hem na de tweede vermaninge sal mijden. Noch heeft Beza so onschamelijck niet willen mijden, met zijn versierde wet Moyses teghen de klare wet des Euangeliums te strijden. Soo vele vermach dat onsinnighe ende rasende partyden.

XVIII. Hooft-stuck.

Van’t bewijs des ketter-doodens uyt d’exempelen des ouden testaments.

Wolfaett Bisschop.

Nu sa lick u bewijsen uytten exempelen des ouden testaments die Beza hier fo. 311. ende H. Bul. Huysboeck. f. 63. voortbrenghen om te bewijsen datmen den ketteren moet dooden.


Coornhert.

Sal dat u bewijs strecken, soo moster een ander bewijs voorgaen.

W. B.

Wat bewijs?

Coorn hert.

2. Dat Godt ons Christenen, erghens beveelt alle d’exempelen des ouden testaments nae te volghen.

W. B.

Dat en vermagh niemant.

Coornhert.

Soo en bewijsdy niet meer met u oude testament exempelen vant ketter-dooden (of daer noch al eenighe waren, als neen) dan of ghy seyde dese of die Jootsche Koningh heeft doe ter tijt dit of dat gedaen door dien God hem dat te doen hadde bevolen: Daerom moeten alle de Christenen Princen dat nu mede doen niet tegenstaende heur sulcks van Gode nu niet en is bevolen. Dunckt u sulcke bewysinghe oock vast te sluyten?

W. B.

3. Dat en segghe ick niet. Maer ick sal d’exempelen Beze voort-brengen, ende hooren wat ghy daer op sult weten te segghen.

Coornhert.

Soo doet, ende hoort dan. Maer hoort nu eerst Bezas meester seydt (Instit. xviij. 36.) nopende het stom consacreren: Ick bekenne (dat zy des ouden kercks exempel hebben) maer in soo grooten sake, waerinne men oock niet en doolt sonder groot pericule, en vindtmen niet sekerders, dan de waerheyt self nae te volghen. Seght, houdy dat segghen Calvijn voor recht?

W. B.

Daer en sie ick gheen reden toe.

Coornhert.

4. Houdy alle exempelen voor wetten?

W. B.

Neen. Maer hoordt mijn exempelen uyt Beza. Het eerst is van Moyse.

Moyses Exo. 32. 37.

Die seyt, hy was van seer soeter natueren. Nochtans handelde hy wel strengelijck met d’af-god-eerders vant kalf. Der welcker door zijnen bevelen drie duysent op eenen dagh ghedoot worden.

Coornhert.

5. Doort Godtlijcke bevel, ende dat noch af-god-eerders, en dat onder de wet. Volgt
daer uyt dat de Christen Princen, sonder Gods bevel onder’t Euangelie ketters (die gheen af-god-eerders zijn) dooden moeten? wat sluyt dat besluyt?
6. Beza en bethoont sich niet seer goedigh, maer veel eer bloedigh te zijn van herten, dat hy niet liever den Princen tot navolgelijcke exempelen de goedertierenheydt Nehemie (2. Esd. 13. 15. &c.) en de sachtmoedigheyt Ezechie (2. PAr. 30. 17.) ja de barmhertigheyt Moyses selve.
7. Die nerghens nae het drie-hondertste deel der doot-schuldighen ghestraft hebbende al d’ander menichte spaerde, Gode daer voor badt, ende om heur, tot Godes eere te behouden, sich self wenschte ghedaen te worden uyten boecke des levens? (Exo. 32. 31.) of is soodanighe goedertierenheydt, sachtmoedigheydt ende bermhertigheydt nu onder het rijck vant sachtmoedighe Lam; zijn sachmoedigheydt ons tot een naevolgelijck exempel stellende; verboden, ende des wets strengheydt gheboden nae te volghen?

Asa. 2. Par. 15. 13.

W. B.

8. Asa de seer heylighe Prince vernieude het verbondt metten Heere ende ‘tvolck, met protestatie dat zy al ghedoot souden worden vanden minsten totten meesten, man of vrou die den Heere niet en sochten.

Coornhert.

Wat kan Beza daer uyt besluyten tot bewijs van zijn doodinghe der ketteren? niet. Want die soecken altsamen Gode. Staet daer dat zy al ghedoodt sullen worden die int soecken nae Gode erghens inne dolen? neen. Waer toe dient dan dit misbruyck van de schriftuere. Maer dits oock een redit of weer-klanck ende voor (vij. 50.) al ghehandelt.
9. Maer om u Wolfaert te laten sien dat Beza van zijn partydighe bloet-sucht, soos eer benevelt is, dat hy niet en siet hem meest teghen te zijn, ‘tgeen self, dat hy waent voor hem te wesen: soo hebbe ick u noch maer dit willen aenwysen: dat de Koning Asa, die hy hier soo prijst, self openbaerlijck dede teghen de wet Moyses Deut. 13. Hebdy dat oock ghemerckt?

W. B.

10. Neen, ick mercke dat noch niet.

Coornhert.

Mercket nu dan. Men most nae de wet voorschreven gheen af-god-eerders sparen, maer dooden.

W. B.

Alsoo.

Coornhert.

Was dese Koninghs moeder Maecha niet een af-goden-dienaersse?


W. B.

Sy was, van Priapo (2. Par. 15. 16.)

Coornhert.

Doode hyse?

W. B.

Neen, maer settese af vande regeringhe.

Coornhert.

Was dat Moyses wet gehouden of ghebroocken.

W. B.

Gebrockē. Nu mercke ick wat ghy meēde.

Coornhert.

11. Leestmen dat Asa om dese zijne goedertieren bermhertigheydt vande Godlijcke goedertierenheydt berispt (ick swijghe ghestraft) is gheweest?

W. B.

Neen.

Coornhert.

Dit is dan een exempel vande Euangelische bermhertihjeyt, en niet van des wets hardigheydt: daer toe het Beza innevoert ende hem op’t hooghste tegen is.
12. Blijckt daer zijn groote partydigheyt ende benevelde bloedigheydt niet groflijck? doode de Koningh eenige af-god-eerders?

W. B.

Dat en leestmen niet.

Coornhert.

Hoe veele minder eenighe ketters: daer geen wet van dooden af en was, oock noch niet en is. O seltsaem bewijs uytten Exempelen.

Jehu. 4. Reg. 9. 6. 7. ende 10. 7. 15.

W. B.

Jehu verdellighde gantschelijck al’t geslachte Achabs om d’af-goderie wille, en dede metten scherpte des swaerdt dooden alle Baals offer-papen sonder een te sparen, als daer toe van Gode gesalft wesende.

Coornhert.

Siedy oock wat Beza hier doet?

W. B.


Wat?
Coornhert.

14. Om zijn logen waer te doen schijnen allegeert hy de schrifture ontrouwelijck. De H. Schrift seydt dat God dat dede doen om
de bloet-stortinghe zijnre dienaren ende Propheten. Dit diende Beza niet, maer was zijn opinie tegen. So stelt hy daer voor om af-goderye, die de schrift niet en stelt, noch vele minder om ketterye. Voor is bewesen dat niet alleen de Catholijcken, maer oock de Lutherschen selve, nae u luyder selfs oordeel, af-god-eerders zijn (xvj. 6. 11.) moet dit exempel nu noch gelden: soo hoort hy de Gereformeerde Princen aen te porren om al de Catholijcken ende Lutherschen met des swaerts scherpte te dooden.
15. Maer neen: Dit werck van Jehu gheschiet uyt een besonder bevel Godes 4. Reg. 9. 7. (soo Beza ende H. Bull. f. 36.) oock segghende) ende niet nae de wet Moyses, want anders most hy de Baals Papen hebben doen steenighen. Daer-en-boven verklaert God, nopende ’t geslacht Achabs, daer oock d’oorsake by, waerom hy dat doet vernielen.
16. Die en was niet om af-goderye, noch vele minder om ketterye, maer om moorderye ende om bloet-storterye, daer Beza den Princen toe aen-port. Is dat exempel nu oock niet plat tegen dit ketter-doden Beze? en ghy sult Achabs uwes Heerē huys slaen (seydt de Heere door den Propheet) ende ick sal van alle mijnre Propheten ende dienaren bloet gewroken worden. (4. Reg. 9. 7. 8.)
17. Wat mach dit exempel, so Beza dat invoert doch meer te schanden maken hier toe, te weten tot sulcke Achabsche ende Jehabelsche bloet-schuldigheydt raet Beze, met dit schrickelijck exempel. Is de man dan oock wel met zijne sinnen bewaert?

Iosias. 4. Reg. 24. 20.

W. B.

18. De goede Koningh Josias, offerde Baals offer-papen op heure outaren ende verbrande op heur der menschen gebeenten.

Coornhert.

Maer hy offerde geen ketters. Dat moster staen, ende dan soude men noch sien of de Christen Princen dat exempel moeten nakomen.
19. Dan soude oock gesien moetē worden of dit exempel Josie, dan of de voorschreven exempelen van Nehemia, van Asa, van Ezechia ende anderen ghelijckformiger zijn de bermhertige wetten Christi: om dan te ondersoecken of wy nu schuldigher zijn de bloedighe wetten Moyses, dan de goedighe wetten Christi na te volghen.
20. Item men soude dan noch moeten naspeuren of d’een of d’ander gesondight hebben, in’t dooden, of in’t sparen, d’welck de schrift beyde verswijght: maer staet te gheloven dat zy elck Godes in-geven gevolght hebben in sulck werck nae der saken ommestanden ende tijdts ghelegentheydt. Ende der valscher Propheten ende Baals Papen hoedanigheydt. Te weten soo zy door heur Princen ander luyden bloedt hadden vergoten ’t heur oock werde ghestort. Waert dan gheen moet-willigh dolen op’t onseecker na te volghem sulcke ongelijcke exempelen ons niet bevolen? doch is dese redijt voor (vij. 66.) ghehandelt.


Elias. 3. Reg. 18. 40.

W. B.

21. Elias van Gode verweckt wesende, en dese macht van Gode extraorinarie ont fangen hebbende, by ghebreck dat d’Overheydt niet en dede soo hy behoorde, doode de offer-papen Baals aende beke Hison.

Coornhert.

Is dat geen misbruyck vande schriftuerlijcke exempelē? Lieve na dien Beza hier self uyt de H. schrift stelt dat het een extraordinaris bevel was: wat dient dat tot een bewijs datmen de ketteren sal dooden?
22. Elias dode door Godes bevel af-god-eerders. Wil Godt nu sulcx mede van yemant gedaen hebben, hy sal’t hem oock sonderlingh bevelen, ende de selve macht daer toe geven. Sulck een sal’t dan met sekerheyt door sulck bevel ende macht doen, ende niet om dat het Elias heeft ghedaen.
23. D’onwijse yver der Apostelen wilden dit navolgen, (Luc. 9. 34.) maer die liet heur sulcx niet toe. Soo en beveelt het Christus oock desen Beza niet. Noch Moyses oock niet, maer zijn eyghen gheest.
24. In allen gevalle, en soudē geen Overheyden, maer allen Propheten sulck exempel mogen nadoen. Bewijst dit dan yet tot de last des Overheyts om de ketters te dooden? het bewijst Beze en Bullinger woeste begheerlickheydt om bloedt te doen storten. Maer dese weer-klanck hebbē wy hier voor (vij. 61.) al mede betoont ydelheyt te wesen.

Iojadas. 4. Reg. 11. 15.

W. B.

Jojadas mede verweckt zijnde vā Gode, en hanteerende extraordinarie des Overheydts ampt, dede dooden die bose Athalia.

Coornhert.

Dats gheseydt d’opperste Priester, niet d’Overheydt, dede dooden, niet door bevel van Moyses wet, maer extraordinaris van Gode, Athaliam; niet om af-goderye, ketterye, valsche Propheteringhe of blasphemeringe; maer om dat zy tegen recht het rijck ingenomen ende des gestorvens Koninghs stam vermoordt hadde: dus blijckt dat alle Overheyden ter na volginghe van des oppersten Priesters exempel den ketters in’t geloove dolende schuldigh is te dooden.
26. Suldy u luydē niet eens in u selve schamen van dit schandelijck misbruyck Beze en Bullinger, &c. vande H. schrifture, ende so sottelijck sulcke exempelen den Princen voor te stellen om heur macht te doen misbruycken int storten van onnosel bloedt?

W. B.

27. Merckt ghy oock al te recht hoe Beza dese exempelen tot bewijs zijns voort-stels te passe brenght?

Coornhert.

Ick meyne ja. Laet hooren hoe.

XIX. Hooft-stuck.

Oft een ander sake is metten ketters, dan metten af-god-eerders ende of des Overheydts macht belanghende de conservatie van des religions state, vermindert is door’t Euangelium.

Wolfaert Bisschop.

Beza bewijst dat aldus: het gene dat die excellente personen voor ghenoemt ghedaen hebben; ghebruyckende d’autoriteyt en macht der Princen; moetmen prijsen.

Coornhert.

De twee laetste waren gheen Princen: maer d’een was een Propheet ende d’ander een hooghe Priester, dus menghelt Beza na ghewoonte onghelijcke saken te samen: om te schijnen veel te seggen, als hy siet dat hy niet wel kan segghen.

W. B.

2. So moeten die weder-sprekers toe-laten, dat sulcx na te volgen den Christē Princen is toe-ghelaten: of zy moeten een van tween doen: te weten dat het een ander sake is metten ketteren dan met de gene, die in de voorsz exempelen ghestraft zijn: of dat de macht des burgherlijcken Overheydts in’t onderhouden vande religie door’t Euangelium is ghemindert. (371.)

Coornhert.

3. Toe-gellaten seyt Beza, waerom seydt hy niet gheboden? wat toe-ghelaten werdt machmen doen of laten sonder te sondigen: maer men mach niet laten te doen dat geboden is sonder te sondighen.
4. Beza sagh wel dat hem onmoghelijck is een eenigh gebod datmen ketters sal dooden uyten gantschen Bibel voort te brengē, wat nu in soo wichtighen handel daer’t doodens gelt, van God niet en is geboden, dat is niet toe-gelaten maer verboden. Want dat daer toe-gedaen tot zijnen woorde.
5. Nopende nu ‘tgeeyschte bewijs Beze, van dat het wat anders is metten ketters, dan’t is metten luyden die ghestraft zijn in zijn voor-gewende exempelen, moet gheanmerckt zijn hoe-danigh die waren. Dit zijn gheweest luyden die een sienlijck kalf voor God eerden ende aen-baden: die den Heere niet en soecken (doch leestmen niet datter sulcke gestraft zijn) die Gods dienaren ende Propheten gedoodt hadde, Baals offer-papen, ende eene die eens anders rijck innam, diens stam zy vermoorde. Daer onder is niet een van allen die een ketter genaemt is of van ketterye wert beschuldight.
6. Wil nu Beza zijn voortstel uyt zijn voorsz exempelen bewijsen: te weten dat de Christē Princen den ketters behoren te dooden, soo most hy voor al doen blijckē, dat alle wat na de wetten Moyses wel gedaen is gheweest in Moyses rijck: dat alle Christen Princen, dat schuldigh zijn na te doen in Christi rijck.


niet nae Christi maer nae Moysi wetten, is hem dat oock moghelijck?
7. Ende daer mede legghen alle dese qualijcken aenghetoghen exempelen Beze ende Bullingers inder asschen, ende want de gedoode luyden inden voorsz exempelen geen ketteren maer (als voor staet) anders ghenaemt worden: soo is Beza self (niet zijn weder-sprekers) gehouden te bewijsen, dat die voorsz gestrafte misdaders, ketters zijn geweest: of anders en heeft hy met alle sulcke exempelen niet altoos bewesen.

W. B.

8. Dit heeft Beza oock self wel gemerckt dat hy bewysen moste, daerom hy dat oock terstont daer aen (S. 372.) ghedaen heeft in deser wysen. Ick segghe ende handt-have dat soo haest men Godt aenschout buten zijn woort, dat sulcks is een af-godt in te beelden: ende soo wie yet van den zijnen inventeert inden dienst Godes, die is waerlijck een afgoden dienaer.
9. Ick affirmere mede, dat alle de ghene die omme-keerende de rechte ordine, in plaetse van heur te onder-werpen den woorde Gods, poghen Godes woordt te onder-worpen heur fantasie (‘twelck het eyghentlijcke werck is van alle ketteren) schuldigh zijn vant crym van ketterye. Ende daer in zijn zy argher dan d’ongheloovighen.
10. Om dat zy van de naeme religie ende waerheydt, een decksel maecken van heure loghenen. Maer ten is niet noodigh (soo ick gheloove) dit propoost meer int langh te verhalen. Want het ons ghenoegh hier bewesen te hebben dat alle’t ghene dese goede ende heylighe Koninghen ghepractiseerdt hebben teghen dese grove ende uytwendighe af-goderye, oock plaetse moet hebben teghen de ketterye, die daer af is als d’oorsprongh ende moeder.
11. Der hoordy nu hoe Beza die voorghemelde zijne exempelen te passe brenght, ende oock eensdeels hoe hy daer uyt bewijst ende besluyt.

Coornhert.

Dat hoor ick doch. Ick hoor wat Beza affirmeert: ick hoore wat Beza vernufteliseert, maer ick hoore niet dat hy yet mette H. Schrift beweert. Waert my nu genoegh alleenlijck te hooren wat Beza seyt, uyt zijn vernuft sonder alle schrift, om dat te ghelooven? Wie soude my, na dese allegorye Beze, niet met recht mogen schelden voor een aenbeder vanden wreden af-godt Beze: die hy hier buyten, jae teghen Godes woort heeft ghesmedet in zijne hersenen?
12. Al zijn seggen staet naeckt, sonder een woort bewysinghs uyter schriftueren. Ick segge ick maintenere (seyt hy) of hant-have. maer hoe staet hier Beza met sich selve?

W. B.

Waer inne?

Coornhert.

In zijn hulp soecken aende allegorien, die hy van anderen niet teghen hem wil lyden,
maer hy bespotse ende vervloecktse. Maeckt hy hier niet selve beneven de grove lichamelijcke ende sichtbare af-goderye, een ander die subtijl, gheestelijck ende onsichtbaer is?

W. B.

13. Jae hy. Maer vintmen die oock niet inde H. Schrift? staet daer niet van buyck-dienaers, te weten van leckere luyden of vraten, welcke Godt heur buyck is? (Phil. 3. 19. Rom. 16. 19.) oock van gierigaerts, welcker toe-verlaet of Godt het geldt is? (Col. 3. 5. Ephe. 5. 5.)

Coornhert.

14. Trouwen ja. Maer weet Beza dese sonde te onderscheyden, waer heur straf niet? verbergen de vraten of leckere luyden, oock die gierigaerts die heure sonde niet onder den matel van hypocrisie, d’een sich met een gesonde veel-behoeftighe, d’ander met een onghesonde swacke maghe, verschonende, soo de derde oock sich veynst vroedt ende orbaerlijck te wesen. Seggen dese onbeschaemdelijcke selve dat zy gulsich lecker, of gierigh zijn?

W. B.

15. Neen, maer elck verberght zijn sonden ende pooght de deughden te doen schynen.

Coornhert.

Also ist oock: lieve seght nu of d’Overheyt al moste ende wilde de voorsz geestelijcke of onsichtbare af-goderye inder herten schuylende metter doot straffen. Ist hem wel mogelijck sulcke af-goden dienaren te kennen? kent hyse niet hoe sal hyse dooden? sal dan ‘tghebodt hier niet vergheefs wesen?
16. Wil Beza dan in desen (nu hem de benautheydt daer toe dwinght) allegoriseren, ende de lijflijcke af-goderye onder Moyses wet, beduyden op een gheestelijcke onder Christi wet: so behoorde hy tot die geestelijcke af-goderye te ghebruycken, niet Moyses lijflijcke maer Christi geestelijcke swaert.
17. Desen onderscheyt was te recht ghemerckt by Augustinum (daer Beza wonder veel afhout, als hy voor hem schijnt) daer hy seydt: dat in desen tijdt, daert sichtbare swaert ophoudt, de ban moet ghebruyckt worden. Maer diens bescheydenheyt allegoriseert hier al te veel voor Beze onbermhertigheyt. Siet wat Beza dan noch al uytrecht met dese zijne qualijck voorghewende exempelen, als men hem noch al toe gheeft datmen d’af-goden-dienaers sal straffen, te weten niet met allen.
18. Maer hoe bewijst hy dan noch dat een af-god-eerder ende ketter een selve dingh is: soo dat alle de straf diemen den af-god-dienaren int oude Testamendt moste aendoen, oock aenghedaen moet worden den ketteren int nieuwe Testament? waer seydt de H. Schrift sulcks? nerghens. Sal Beze woordt nu komen inde plaetse van Godes woordt. Die dat daer voor aennemen, die en soude hy niet achten voor af-goden-dienaren: maer souden zijt daerom voor Gode niet wesen?


W. B.

19. Al brenght Beza daer toe geen schriftuere voordt, hy brenght reden, te weten: al war teghen grove af-goderye plaetse heeft, moet oock plaetse hebben teghen de ketterye, die daer af is als oorsprongh ende moeder (373.) soo verhaelt is.

Coornhert.

20. ’Tis ’toude. Beza begint met misbruyckte sproocken der H.
Schrift: maer hy besluyt met zijn verwaende vernuft. Waer leestmen inde Bijbel, dat de ketterye moeder zy van d’af-goderye? ende of dat al waer (als neen) soo blijckt dan noch dat de moeder wat anders is dan de dochter, te weten dat ketterye gheen af-goderije is. Ist wat wat anders: waerom soude de straf alleens moeten zijn?
21. Onverstant is moeder vande ketterye. moetmen daerom de moeder alleens als de dochter straffen: ende de ketterye mette lijflijcke doot: so moetmen alle onverstandighe menschen yet onverstandighs doende uyt onverstant, metter doodt straffen dat waer een brede bloedt-wet.
22. Maer hier tegen is Moyses self opentlijck tot veel plaetsen in zijne verhaelde sonde uyt onverstant met heure boeten (Levit. 4. 2. 22, 5. 17. Nu. 15. 27. 28. &c.) die kleyn ende licht zijn: wil Beza van alle onverstant ende dolinghe der menschen, die yet wat van den heuren dichten inden dienste Godes, af-goderye ende ketterye maken: wie van alle de ouden als Hylarius, Hieronymus, Augustinus, &c. oock van u nieuwe vaderen als Luther, Zwingel, Calvijn, ja Beza self ende u Consistorianten, sal vry zijn van ketterye ende vant strenghe swaerdt der Moysaische wetten?”
23. Beza en magh dan niet bewysen dat misdaden der geenre, die inde voorsz zijne exempelen metter doodt ghestraft zijn. Een selve saecke is als der ketteren dolinghe, die ick hebbe heel wat anders wesen bewesen. Ende daer door blijckt nu valsch te zijn het eerste deel zijns (niet des H. Schrifts) seggen: d’welck hier voor oock doorgaens tusschen ons al is ghebleken.
24. Maer als noch al Beze onwaerheydt plaetse mocht grypen in zijn dichtingh: dat sich niet Godes woordt te onder-worpen, maer Godes woordt zijn vernuft te onderwerpen ketterye siude zijn: wie sal de rechter daer af zijn? Beza? de Paus? of elck van de Secten over zijn partye? of segghen de ketteren selve dat zy soo doen? of salmen blindelijck daer van oordelen ende eer Christenen vande werelt, dan ketters voor sulcke gheoordeelt worden? merckt hier mede al Beze blinde bloedt-dorst.
25. Aengaende het ander deel, te weten van dat des burgherlijcke Overheyts macht int conserveren van de religie doort Euangelium gemindert soude zijn: is af gehandelt hier voor cap. xvij. want daer is dit oude liedeken al ghesongen, also men niet kan bewysen dat de burgerlijcke Overheyt onder Moysen oyt macht heeft ghehadt om ketters te dooden, ghemrckt int gantsche oude Testament niet een eenige wet noch exempel en wert bevonden.
26. Dus heeft Beza wel recht daer in dat d’Overheyts macht onder Moysen om ketteren te dooden door de Euangelische leere niet altoos en is besnoeydt, noch vermindert; maer daer inne mist hy groflijvk, dat die yewereldt onder Moysen eenighen macht, last of bevel gehadt soude hebben, want dat is openbare onwaerheydt. Magh’t ghene oock vermindert worden dat noyt en was?
27. Hier by blijckt dan oock desen aengaende, datmen met geen minder waerheyt magh segghen: dat Beza den Christenen uyten rijcke Christi weder te rugghe bestaet te voeren onder het oude juck Moysi: dan men recht magh seggen dat Beza den vryen Christenen bestaet te voeren onder Calvini ende Beze nieuwe juck, dat noyt in Moyses rijcke en is gheweest: te weten yemanden om eenighe ketterye, onverstandt ende dolinghe int gheloof (jae om het ware gheloof, in Beze ende der zijnen opinien ketterye schynende) te dooden.
28. Want dit laetste blijckt in Beze schriften, ende ’tgunt tusschen ons beyden nu is verhaelt, ontwyfelijcke waerheyt te wesen. Ende besluyt mits ’tghene nn is gheseydt, dat het besluyt Beze uyt dese verhaelde zijne exempelen ydel is. Dat d’exempelen niet ghemeens en hebben mette ketterye daer toe hyse inne voert: ‘twelck ofment hen al schoon toe-liet, alsmen niet en magh, sonder teghen de waerheydt te spreecken, soos oude noch de Moysaische wet vande ketters (die daer noydt en was) door d’Euangelische wet, diemen naeckt ende klaer leest vanden ketters te myden ende te bannen uyt de kercke, wech ghenomen ende te niet ghedaen blijcken te wesen.
29. Laet ons nu hooren wat Beza weet voort te brengen uyten nieuwen Testamente tot bewijs dat d’Overheyt is bevolen den ketters te dooden.

W. B.

Daer staen noch exempelen van eenighe Heydensche Princen uyten ouden Testamente by Beza hier ghestelt, die behoordy eerst te weder-leggen eer wy tot het Euangelium treden, namentlijck van Nabuchodonosor, Darius ende Artaxerxes, nopende heure placcaten.

Coornhert.

Neen Bisschop, ‘tis onnodigh, als voor (cap. vij. ende viij.) al gedaen wesende. Sullen wy om d’oneyntlijcke rediten Beze, altijt van nieus het gedaen wederomme doen?
30. Laet my van Nabuchodonosor alleen (om een voor al te nemen) dit noch maer hier int korte seggen. Soude Beza den Christen Princen oock derren bevelen Jootsche, ick swyghe Heydensche, tyrannen in heur doen nae te volghen?

W. B.

Neen.

Coornhert.

Was’t gebodt van Nabuchodonosor daer door de drie jonghelinghen inden vuyrighen


oven worden geworpen niet Godloos ende tyrannisch?

W. B.

Jae Calvijn selve noemt hem oock een tyran. (A. d. 32.)

Coornhert.

Oft hy dan uyt een goede meyninghe om Godt te eeren, dat selve gheboden heeft te doen, met by-voeginge van zijn aen-gewende tyrannye: soude sulcx daerom prijslijck en in die Heydensche tyran voor allen Christen Princen na te volgen zijn?

W. B.

Ick houdts niet.

Coornhert.

Siet in de notulen te rugge, ghy sult hier op ende op d’andere soo korten ende klaeren antwoorde vinden: dat u nae gheen ander meer en sal lusten.

W. B.

My ghedenckt daer nu af. Wy willen daerom nu gaen tot d’Euangelische exempelen.

XX. Hooft-stuck.

Bewijs uytten exempelen vanden nieuwen Testamente, diemen bruyckt tot voor-stants des ketter-doodens.

Wolfaert Bisschop.

Dese exempelen vindtmer twee in den wercken der Apostelen: naementlijck een van Anania met zijn wijf Saphira (Act. 5. 5. 10.) die door’t simpele woort Sint Peters storven: ende een van Elyma de tovenaer, die blint wert door’t woort van Sint PAulo (Actor. 13. 11.) diemen met oordeel moet te passé brenghen op dese teghenwoordighe questie.

Coornhert.

2. Dat’s wel bedonghen, ‘tsal u moeyte maecken, ende behoeft wonderlijcke konst met spits-vondigh vernuft, om die te doen schijnen datse ter saecken dienen. De Historie is bekendt, seght dan believet u: houdt Beza dat Sint Pieter heur dede sterven, om ‘tcrijm van ketterije?

W. B.

Hy self seydt neen, Maer dat het was om hypocrisie, om sacrilegie ende om heur onschamele logen. (S. 386.)

Coornhert.

3. Doode hyse metten swaerde of metten woorde?

W. B.

Alleenlijck metten woorde. sonder heur te slaen of te doen slaen.

Coornhert.

Behoort of moet d’Overheydt den Apostel dat soo nae doen?

W. B.

Neen, het wae een extraordinarisse macht in Sanct Pieter. Ende en is dit exempel daerom niet preciselijck nae te volghen noch voor de dienders des woorts noch voor d’overheyt: Immers die soudet alsoo niet mooghen naedoen, al wilde hy. (S. 386.)

Coornhert.

4. Was het voorsz misdaet voor den menschen kenlijck?

W. B.

Neen seydt Beza: die daer by noch self bekent: dat d’Overheydt niet en magh oordeelen, dat van openbaere sonden, door welcke blijckt dat het menschelijcke gheselschap gheoffenseert is ende gequetst. (S. 386.
5. Heeft Beza self u daer niet al vele te wille toe-ghelaten?

Coornhert.

Hy heeft niet dan waerheyt toe-gelaten: diemen hem met des heylighe schrifts klare ghetuyghenisse wel soude hebben zijn ondancks doen toe-laten.

W. B.

Nu doet hy’t self ghewilligh. Merckt voort, hoe hy uyt dat exempel zijn voornemen bewijst.

Coornhert.

Ick sal.

W. B.

6. Nademael Sanct Pieter metter doodt heeft gestraft een verachtinghe des religions die noch verborghen was: soo mach oock d’Overheydt, die in desen een ordinaris dienaer Godes is, metten swaerde wel slaen de ghene die wel verwonnen zijn te wesen verachters der religie, jae oock die secten en scheuringhen maecken.

Coornhert.

7. Soude dat het schoone bewijs zijn om op ghemerckt te worden? Heere God wat zijn daer al onwaerheyden, in een bewijsinghe van Beza?


W. B.

Welcke? thoont die.

Coornhert.

Was die wonderdadighe macht in d’Apostel extraordinaire: veele min is die ordinaire by d’Overheyt, selden Godvruchtigh, ick swijghe; metten H. Geest begaefde; Apostelen wesende. Wat roeret dan d’Overheyt om dit exempel Petri nae te volghen? Even soo veele als’t exempel van Elia te volgen, om’t vuyr vanden Hemel op zijn offerhande te doen vallen (3. Reg. 18. 36.) tot een segel dat hy Godes wil volbracht in’t dooden metten swaerde van Baals Papen. Dats een ydelheydt.
8. Ten anderen, so was die sonde Ananie soodanigh, dat gheen Overheydt ordinaris bevel heeft, oock self niet inde wetten Moysis, om die met ghelt-boeten te straffen, ick swijge te dooden. Want men vint daer geen burgherlijcke wet of straf op hypocriten, of die min geven dan zy willen schijnen te gheven, of die den H. Geest in heur herte liegen. Wat gaet dit exempel dan den ordinarisse Overheyt aen om na te volghen?
9. Ten derdē bekent Beza self dat d’Overheydt niet en mach oordeelen (noch vele min straffen, ick swijghe dooden) dan openbare sonden: Dese sonde Ananie was allen menschen (behalven den Apostel, diese indē geest kende) verborghen: wat gaet dit exempel dan de ordinarisse Overheyt aen, om nae te volghen? Beza self bekent dat het niet en was om ketterye: want gaet dit exempel de ordinarisse Overheydt aen, om met dooden der ketteren na te volghen?
10. Voordts ist alles sonde wat niet uyten gheloove, maer met twijfel gheschiet. d’Overheydt is nerghens bevolen; noch van Moyse, noch van Christo een ketter te dooden. Brenght een sulcke wet voordt kondy: ghy noch Beza noch niemandt en vermach dat. Hoe mach d’Overheydt, buyten Godes bevel een ketter dooden? ick neme nu of hy al sekerder dan seker waer, dat yemandt verwonnen ende een hert-neckich ketter waer?
11. Maer hoe sal d’Overheydt seker moghen weten dat yemant van ketterye overwonnen zy? dat yemandt een hert-neckigh ketter zy? wie sal de rechter in deser saecken zijn? de Party ende aen-klager selve? sal die oock een ander, dan hem selve, rechter daer over ghedoghen? Voorwaer neen hy, oock d’Overheydt selve niet, soo Beza uytdruckelijck hem dat beneemt (S. 442.)
12. So en mach dan d’Overhyt int oordeelen ende dooden van een ketter d’apostel in dit exempel niet navolgen: sonder sich te besondighen in’t doen dat hem niet en is bevolen ende sich in openbare onsekerheydt te stellen van een Christen voor een ketter te doden: alleenlijck op’t aen-geven der Predicanten, die selve dickmael ketters ende wolven zijn: daer zy ter contrarie int niet doen van dat Godt hen niet heeft bevolen, niet en mogen sondighen. Sijn dat nu niet veel leelijcke ydelheyden (behalven die icker noch meer soude konnen bewijsen) in dees ydele ende valsche bewijsinghe Beze?

W. B.

13. Maer Beza neemt zijn fondamendt uyt de ghelijckheydt van Ananie sonde ende vande ketterye. Want beyde, seyt hy, ist verachtinghe van religie, hypocrisie, sacrilegie ende een onschamele overdadigheyt van lieghen, (S. 387.)

Coornhert.

Beza neemt zijn fondament uyt een openbare loghen. Want een ketter heeft boven allen dingen een rechte religie (of hy schoon doolt) voor oogen, benaerstight die trouwelijck, ende soude soo ongaerne liegen, dat hy sich liever levendich laet verbranden: dan dat hy met een hypocrijtsche beveynstheydt tegen zijn conscientie spreeckende zijn leven soude behouden.
14. Hebben wy sulcx niet in ketteren van alreleye gesintheyden met onsen oogen ghesien? Sy dan van de onschamele logens daer met Beza den ketters soo leelijck als bottelijck pooght te beswaren.

W. B.

Die onderscheydt is alleen tusschen dit. Dat de sonde Ananie bestont in een daet, de ketterye bestaet inde leere.

Coornhert.

Die daet was voor den menschen verholen: sulcx is gheen Overheyt te straffen bevolen. Waer in magh dan d’Overheydt dit exempel navolghen? hout sich dan oock een ketter met zijn leeringhe sonder die anderen voort te leeren: so en magh d’Overheyt van zijn ketterye niet weten, veel min die straffen of weren. Breecktse dan openbaerlijck uyt in leeringhs daet, so en dient dit exempel van een verholen daet geensins tot een navolginge vande straf inden ketteren.

W. B.

15. Het perijckel is veel grooter alsmen doolt inde leere, dan alsmen een faute doet erghens inne: daerom hoortmen de ketterye veel strenghelijcker te straffen. (S. 387.)

Coornhert.

Dolen inde leere is mede niet anders dan daerinne een faute doen. Maer die inde lere doolt, doet de faute uyt onwetenheydt, meynende dat hy recht doet, maer die sulcken faut doet inder daet als Ananias, die sondight willens ende wetens tegens zijn conscientie sal nu niet Beza een faute uyt onverstandt onwetende te doen periculooser ende swaerder te straffen zijn, dan diemen met voordracht uyt wel weten doet? so heeft Beza zijnen Moysen (Nu. 15. 22. 27. 28. Levi. 5. 17. &c.) al verkeerdelijck ghelesen. Want die ter contrarien die fauten der onwetenheydt sachtelijck, maer de sonden uyt voorweten swaerlijck acht ende straft.

W. B.

16. Daerom (seydt Beza) dat oock een openbare misdaet (als ketterye) vele scha-


delijcker is, dan een heymelijck ghebreck, datmen verberght ende inwendigh blijft: overmidts men int doen van een openbaer misdaet (als ketterye) noch roem draeght. (S. 388.)

Coornhert.

17. In Beze; sich uyt zijn grimmighe bloet-sucht telcken verghetende; teelt altijt d’een loghen d’ander. Terstondt hier voor maeckte hy soo wel vanden ketters, als van Anania hypocryten. Die verborghen heur sonden. Nu seydt hy dat de ketters int doen van heur sonden glorieren. Weet ghy dese verwertheyden te accorderen?
18. Wat doet Beza met sulck doorgaende weder-spreken van zijn selfs woorden: dan waerachtigh te doen blijcken zijn beroemde onvolmaecktheydt, dat hy nae 15. jaren onderwysens van anderen, selve noch niet sover, milt ende waerachtigh en is geworden? (T. Bezae Resp. ad defen. &c. 187.)
19. Die nu wil bedroghen zijn magh een bekent loghenaer gheloven. Gheloven segghe ick in zijn segghen alleenlijck uyt zijn verwerde vernuft, sonder jae teghen de H. Schrift seght ghy selve Bisschop, wat brenght Beza hier tot bewijs van zijn opinie, om d’Overheyt dit exempel Petri tegen Ananiam te doen navolgen int ketter-dooden, dan zijn menschelijck goet-duncken, onredelijcke ja sotte reden, ende onware versieringhen?
20. Vindyer een eenighe schriftuerlijcke sproke hy hem voort-gebracht, daer hy zijn waen-duncken mede bestaet te bewysen, ick swyghe waerschynelijck bewijst? dat en mooghdy niet segghen. Maer wel dat hy onvernuftelijck zijn vernuft ende arghelistelijck zijn konst misbruyckt, dat dienstelijck is om onnosel bloet te doen storten.
21. Daer smaecktmen dese Besanissche felle barmhertigheydt, als een recht bitter moes ghesmoort inden Moysaischen vuyrigen doot-pot. Dit moes venynigen coloquintida vergadert Beza nu noch in zijn mantel van schijn-rechtvaerdigheyt voor een soete Euangelische sauce. Waer sal ons erghens een Elisens ter handen komen, die met het ware meel vant broodt des levens, wederomme dit bittere moes van sulck wilt kruyt; menschelijcks vernufts; versoeten sal ende eetbaer maken? (4. Reg. 4. 38.)
22. Dit is dan de bewijs-reden die Beza uyt dit exempel Ananie voort-brengt. Sant Peter gheen burgherlijcke Overheyt, maer een Apostel Christi ende leeraer wesende, heeft een verborgen, maer hem int seker bekende logē, extraordinare door de kracht des H. Gheests, die in hem was, die oock self, niet Petrus, de loghen strafte, metter doot, openbaer ende bekendt ghemaeckt: daer by blijckt dat de burghelijcke Overheyt gheen leeraer wesende, ordinaerlijck ketterye, die hy niet en kent noch af moet oordelen, hem oock soo weynigh als het lieghen, metter doodt te straffen is bevolen, door des beudels stalen swaerde schuldigh is uyt last van zijn ampt, metten lichamelijcken doot te straffen. Daer sietmen nu naecktelijck hoe verkeerdelijck Beza die H. Schriftuere handelt ende hoe onbeschaemdelijck hy die teghen de waerheyt besluyt.

W. B.

23. Dat u bewijs, van Beze quaedt bewijs en dunckt my al geen goet bewijs.

Coornhert.

Waeromme dat?

W. B.

Ghy doolt in twee saecken, namentlijck int onderscheydt maecken des persoons die daer doodet, ende int middel daer door hy doodet. Want ghy meynt, soo ick hoore, dat niet den politijcken maer den kerckelijcken Overheydt soude betamen dat werck van dooden nae te doen, alsmens noch al soude nadoen. Ghemerckt dat een Apostel self dede, gheen wereltlijcke Overheyt. Nopende het middel daer door Anania ende zijn wijf ghedoodt waren, seghdy en was niet een stalen, maer het gheestelijck swaerdt des woorts. Dat ick u daerinne segghe te dolen bewyse ick met Bullingers eyghen woorden (Huysboeck Dec. ij. Serm. viij. f. 63. ii. luydende aldus:
24. In het nieuwe testamendt hebben wy seer schone exempelen der uytnemenster Apostelen Petri ende Pauli. Want Petrus heeft Ananiam ende Saphiram, om de gheveynstheydt ofte loghen ofte ghedichte religie verslaghen. Paulus heeft Elimam den Tovenaer blint ghemaeckt, ghelijck of hy hem zijne ooghen uytghesteecken hadde.
25. Ende daer en is niet veel aen gheleghen of yemandt ghedoodt wordt met den swaerde, ofte met fenijn, ofte met woorden. Want dooden is dooden, op wat wyse of met wat instrument het magh gheschieden. Godt self hevet ghedaen door den Apostelen: de selve doet het oock door d’Overheyt. Want het is de wrake Godes, de welcke hy der Overigheydt ende den uytnemenden mannen geeft, dat zijse souden de misdaedighen ghebruycken. Dat alle zijn Bullinghers eyghen woorden. Hebdy daer wat teghen?

Coornhert.

26. Neemt tot uwen schoonsten dat ick mochte dolen in dese twee stucken qualijck hier in te passe te brenghen: hoe suldy u Bezam ende Bullinger moghen verschonen van al qualijck te passe te brenghen, dat noodigh is, soo dit exempel dienen sal moghen tot het ghen zy dat toe voeghen? is dat niet dusdanigh? alsoo Petrus metten woorde Godes die man ende vrou (Elimas sal volghen) aenden lijf heeft ghestraft om ketterye, soo macht oock de wereldlijcke Overheydt doen metten stalen swaerde of anders?

W. B.

Het is.

Coornhert.

27. D’eerste faute is dat zy beyde Beza ende Bullingher moeten bekennen dat die twee gheen ketters en waren


W. B.

Sy bekennent oock.

Coornhert.

28. Sy moetens heurs ondancx oock bekennē even soo wel te dienen tot heur voorschreven voornemen, als of zy seyden: d’Apostel doode die twee om heur hypocrytelijck lieghen datse met wel weten ende opset deden: dus magh d’Overheydt oock dooden ketteren onwetens ende onwillens dolende. Sluyt dat wel?

W. B.

Dat en soude ick niet willen segghen.

Coornhert.

29. Dats een. Bullinger schrijft self rechts daer voor (fo. 62. 4.) Dat d’Overheydt niemant sal straffen, eer hem openbaer is: Dat hy sulcke straf verdient diemen hem opleydt. Dats hier de lyflijcke doodt.

W. B.

Alsoo.

Coornhert.

30. Oock schrijft Beza self hier (S. 386.) Dat deser tween misdaedt voor den menschen onbekent was, ende dat de Overicheyt niet en magh oordelen dan van openbare sonden. Nu maeckt ketterye den ketter, ghelijck de dieverye den dief. Van ketterye en laet Beza d’Overheydt het oordeel niet toe (S. 422.) die en magh dan oock self niet weten wie een ketter is, ick meen niet seecker (‘toordeel moet seker zijn) ten waer doort valsch oordeel eenigher nieuwer Phariseen of wolf-herderen. Hem magh dan niet openbaer zijn wie een ketter is (of souden d’aenklaghers oock de rechters wesen?) magh hy des niet openbaerlijck seecker zijn, soo en magh d’Overheyt oock geen ketter dooden na Bullingers eyghen woorden selve. Dats twee. Of mooghdy daer yet teghen?

W. B.

Ick niet.

Coornhert.

31. Bullinger schrijft self mede ter naestgenaemder plaetsen (fo. 62. 4.) dat het d’Overheyt openbaer moet zijn, dat Godt gheboden heeft sulck quaedt te straffen. Dit quaet, van welcx straf men hier handelt, is ketterye. Dit is int heele oude testamendt nerghens ghenoemt, vele min yemanden te straffen gheboden.

W. B.

32. Wats dan? ketterye is meer-malen int nieuwe testament ghenoemt, ja oock van den Heere gheboden te straffen. Men moetse dan straffen.

Coornhert.

33. Jae. Maer dat met sulcke straf als Heer daer op ghestelt heeft diemen beschreven magh sien int eerste Proces tal 447. namentlijck der kercken Christi ban, sonder meer. Willen Beza ende Bulllinger datmen na d’Euangelische wet (de Moysaische melt daer niet af) den ketteren straffe: men straffe heur nae des Euangeli-wets inhouden voorschreven of zy toonen een ander gebodt Godes daer af: of blijckelijck bevel Godes, dat zy dat quaet na heur goet-duncken moghen doen straffen.

W. B.

Dat vermoghen zy niet, maer wel dat de twee voornoemde Apostelen de ketterye lijflijck ghestraft hebben, ende dat moghen de Princen heur oock rechtelijck nadoen. Nae ‘tschrijven Beze ende Bullingers.

Coornhert.

34. Sy vermoghen noch al meer onwaerheyden doen blijcken dan dese twee. Want onwaerheyt ist dat Ananias ende zijn huysvrouwe, oock de Tovenaer Elimasketteren waren. Soo ist mede onwaerheyt dat de Princen den Apostelen rechtelijck moghen nae-doen het lichamelijck dooden om ketterye, want, soo gheseydt is, dat waren gheen ketters, maer of zy al schoon ketters waren gheweest: hoe ist heur mogelijck om bewysen van Gode den Overheydt bevolen te zijn der Apostelen extraordinare ende miraculose exempelen na te doen. Of maecken nu alle exempelen wetten? Immers nadien dat werck der Apostelen self extraordinarie was: hoe salt den Princen ordinarie zijn ende heur ampt?
35. Alle die grove stucken en missen niet tot bewijs uyten woorden selve van Beze ende Bullinger datmen gheen ketter anden lyve magh wettelijck straffen om ketterye. Want elck deser stucken alleen toonen onlochbaerlijck dat zy in desen onwaerheyt leeren, ende tot sulcke loghen-leer dese exempelen so bottelijck als onschamelijck misbruycken. Dot is soo klaer dat my onnodigh waer by onpartighe verstanden een eenigh woordt te maecken, nopende ‘tonderscheyt in dese gheschiedenissen die daer beroert den persoon ende het middel die ende daer door d’Overheyheydt dese straf soude nadoen: het en waer dan saeke deser luyden nevelighe ontrou int schrift-duyden eenigher onwyser menschen oogen in desen hadde verblint. Seght daerom u meyninghe: soudy houden. Dat de waerlijcke Overheyden als navolghers komen inder Apostelen plaetse.

W. B.

36. Geensins. Anders mosten zy oock predicken ende Sacramenten uyt-delen dat is niet so. De kerckelijcke Overheyt komt inder Apostelen plaetse: ende niet de Princen.

Coornhert.

37. Recht. Niet den Princen, maer de leraren betamet dan den Apostelen in desen


exempelen nae te volghen, als men exempelen noch al naevolghen moste. So wynich als de leeraren, den Princen het predicken ende doopen met recht moghen op-leggen: even soo weynigh jae minder moghen zy den Princen het lijflijck dooden der ketteren op-legghen, want van’t predicken ende doopen was expres bevel (Matt. 28. 19.) opten Apostelen: maer van’t lijflijck ketterdooden, hebben noch Princen noch Apostelen, noch gheen mensch op aerden bvel Godes of Christi. Ende dit zy hier mede ghenoegh soo vele de persone hier aengaet, of begeerdy’s meer?

W. B.

38. Neen. Maer wat seghdy nu van’t middel. Ist niet allees hoe’t dooden gheschiedt, alst maer gheschiedt? Is dooden niet dooden, of yemandt ghedoodet wordt metten swaerde, ofte met fenijn, ofte met woorden soo Bullinger dat oock schrijft? wat is aen het middel, waer door’t geschiet, dan doch gheleghen?

Coornhert.

39. Met allen veel. Ten eersten isser dat aen gheleghen, soo’t niet metten stalen, maer gheestelijcken swaerde sal nae ghedaen worden, alst voor ghedaen is, ‘twelck soo, ende niet anders, behoort: soo en sullen gheen ketteren metten stalen swaerde lichamelijck ghedoodt worden. Want dan blijcket den Princen niet te betamen maer der leeraren werck te zijn. Dese en bruycken’t stalen swaert niet. Soo en soude noch waerlijcke noch gheestelijcke Overheyden den ketteren dooden.
40. Het doden der ketteryen en der logenleer is den leeraren bevolen. Dit is heur ampt. Met wat swaert anders, dan metten woorde der waerheyt? maer het dooden van dooders en quaet-doenders is den Princen geboden, met des beudels swaerde. Soudet oock dese elck na heur ampt betamen, dat zy de swaerden mengende, jae wisselden, os dat de Princen de ketteryen ende ketteren, ende de Predicanten quaet-doenders ende dootslaghers bestonden te dooden?
41. Onser geen en twijfelt aen Pauli ende Petri woorden, nopende des Overheydts macht metten swaerde tot bescherminghe der goeden ende tot straf der quaeden heur verleent (Rom. 13, 1. Pet. 2.) Maer vele en ick mede weder-spreken des Overheyts bevel van’t ketter-dooden. Immers de uwe selve hebben sulcx boven allen anderen weder-sproken: als zy noch gheen macht hadden om anderen te vervolghen, maer self vervolgingh leden.
42. Nu tot macht gekomen zijnde, om uwe mede-knechten te mogen slaen, krijgdy een ander opinie, leerende datmen den ketteren behoort met lijflijckē doode te straffen, waer mede bewijsdy’t? uyt Moysen? ten sluydt niet. Diens rijck is uyt, oock en straftemen doe geen ketters. Waer mede dan? int nieuwe testament wort het den Princen nergens bevolen, oock met een woort niet. S osouden nu dees twee exempelen dienen tot bewijs. Wort erghens den Princen bevolen die na te volghen? neen.
W. B.

Hebben’t Petrus en Paulus niet gedaen?

Coornhert.

43. Neen, die hebben geen ketteren aenden lijve gestraft. Maer van die selve straf die zy deden aenden lijven der voor-noemde drie personen, deden zy heur bevel van Gode daer toe openbaerlijck blijcken.

W. B.

Hoe dat?

Coornhert.

44. Metter daet selve. Heur woort worde daet, dat woort was krachtigh ende toonde dat het Godes wille was datter geschiede. So sprack mede Elias: thoont Heere God huyden dat du biste Godt van Israel, dat ick dijn dienaer ben, ende dat ick alle dese dinghen nae dijnen bevele hebben ghedaen, Godt antwoorde met vuyr ende beseghelde blijckelijck voor den volcke, dat hem sulcks was vanden Heere bevolen (3. Reg. 18. 36.) Soo bewesen d’Apostelen oock mette daedt self, dat God hen sulcx hadde bevolen. Hebben uwe leeraren waerheyt, zy thoonen soo mede metter daedt heur bevel, vermogen zy dat niet, zy thoonen sulcks met uyt-druckelijck bevel in de H. Schrift: of zy eeren de waerheyt met opentlijck bekennen van heur onwaerheyt. Want hier is geen ander gheschil, dan ofmen Beza, Bullinger, &c. sonder wettelijck bewijs, in sulck heur segghen behoort te gheloven.
45. Lieve seght doch, soude Bullinghers versieringh ghenoegh zijn. Van dooden is dooden, &c. soo soudet oock alleens moeten zijn met het levendigh maecken Christi van den dooden: te weten of hy dat dede in Beelzebubs dan in Godes krachte: als hyse maer levendigh maeckte. Want levent-maken is levent-maken, op wat wijse ende door wat middelen dat oock gheschiede, alst maer geschiede. Maer dat sulcx niet alleens en was, bethoont Christus met zijn krachtighe teghen-spraecke als die wil ghelooft zijn, dat hy alsulcks in Godes name dede, daer inne hem oock eenighe geloofden seggende: hoe mach een sondaer dese teeckenen doen? Joan. 9. 16.
46. So sprack oock de Heere (Joan. 11. 42.) int levendigh maken van Lazaro, ick weet Vader dat du my altijdt verhoortseten, maer dit hebbe ick gheseydt om het om-staende volck, op dat zy mogen geloven: dat du my hebste ghesonden. Dat seyde de Heere die oock hadde gheseyt totten Joden gheloofde my niet, soo ghelooft de wercken die ick doe (Joan. 19. 38.) op dat ghy mooght weten dat de Vader in my is, ende ick in hem.
47. Nu is het levent-maken een so benkenden werck Godes, als het dooden ghemeenlijck een bekendt duyvels werck is, die een moorder is van beginne. Dit duyvels werck vermoghen alle Princen wel metten stalen swaerde, maer d’Apostel vermoght dat sonder middel van’t stalen swaerdt met heur woordt alleenlijck. Dat moghen alle Princen niet.


48. Nadien ghy nu niet Mette schrift konde bewijsen dat dit lijflijck ketter-dooden noch u, noch den Princen is bevolen: so bewijset kondy, met d’Apostels werck dat ghy’t so hy’t voor heeft gedaē, oock na doet, ende niet metten stalen swaerde, of anders bewijsdy metter daedt wel, dat dooden is dooden, maer daer by mede dat duyvels kinderen heur vader slachten, ende wel dooden konnen nae den lichame, maer dat ghy niet en zijt kinderen Godes, die kinderen konnen teelen de welcke leven na de ziele. En geen dooden kont levendigh maken, maer wel levendighe dooden kont.

Elymas.

W. B.

49. Maer Beza brenght tot bewijs van des Overheyts last om ketteren te dooden, het exempel vā Elyma. Seggende (S. 388.) Dat Sint Lucas wel opendtlijck (soo Beza dunckt) seydt dat Sint Pauwels hem blindt maeckte ter saken van ketterye.

Coornhert.

Daer aen seyt Beza waerheydt, dat hem soo dunckt: maer hout ghy’t al voor waerheyt, dat Beza sulcx te wesen denckt? Niet al wat Beza dunckt, maer al wat de heylighe Schrift betuygt, houde ick voor waerheyt. Tuygt Lucas dat Elymas een ketter was? neen, maer dat hy een Tovenaer was.

W. B.

50. Blijcket niet (seydt Beza) dat Elyma sarbeyde om den Proconsul van’t gheloof af te wenden. Nu is dat der ketteren aert, dat zy door bedrogh ende arghelist anderen af leeden van’t ghelove. (S. 388.) Hier siedy lijf-straf om ketterye, soo moet dan d’Overheydt den ketteren aenden lijve straffen.

Coornhert.

Beza wil dan dit ende ‘t voorgaende exempel voor den Overheydt een naevolghelijcke reghel maecken: of wil hy sulcx niet, soo brenght hyse verghefes voort, ende doet verloren moeyten.

W. B.

51. Neen. Beza is daer selve opentlijck teghen segghende (S. 402.) Anders, indien ghy’t gheen dat een of twee extraordinaria hebben ghehadt, als een ordinaris recht ghegeve soude worden allen kerck-dienaren: soo suldy die burgherlycke jurisdictie met de kercke confuderen.

Coornhert.

Sijn d’exempelen by den twee Apostelen ghedaen sonder swaert, gheen naevolgelijcke regel voor den kercken-dienaren: metten swaerde des woordts: hoe vele te min voor de burgherlijcke Overheydt metten stalen swaerde: of soude die dat doende, sich der kercken-dienaren ampt niet veel eer onderwinden ende der kerckelijcke met de bur-
gerlijcke jurisdictie so doende confuderen?
52. Maer of men u dat noch al mocht (als neen) toe-laten, wie seydt dat Elymas een ketter was? Lucas? Neen die noemt hem een Tovenaer, dats wat anders dan een ketter en doot-schuldigh na den wet Moysi. Maer Beza seyt dat Elymas een ketter was. Die is wel stout ghenoegh, maer niet oudt ghenoegh om met zijne nieuwe versierde willekens tale, den heyligen Gheest wel te leeren zijn meyninghe uyt-spreecken. Meynde die met de name Tovenaer, een ketter ende niet een Tovenaer: die was wel so konstigh en ons oock soo jonstigh als Beza is, om ons niet te verwerren met tovenaer te segghen, daer hy ketter meende.
53. Maer laet dit Beza mede noch al te wille so ghenomen werden: so seydt u Calvijn (by Marlo. Eccle. act. 13.) van dese Tovenaer, dat hy arghelistelijck met op-set streedt teghen de leere der Godtsaligheydt. Waer blijckt sulcks in eenige (wy spreecken niet van openbare Godlosen maer van) ketteren? heeft? oyt eenigh keteer door pijnen, ick swijghe willigh, beleden dat hy met opset streedt tegen de Godsalige leere?

W. B.

Dat en meen ick niet.

Coornhert.

54. Hoe moghen’t dan uwe leeraren van eenige Doperen, ja van Serveto self geweten hebben? of beroemen zy sich nu de hertkennende geest mede te hebben, die in Petro ende Paulo blijckt gheweest te zijn?

W. B.

Dat en hebbe ick heur selfs sich niet hooren toe-schrijven.

Coornhert.

Hoe sullen uwe kercken-dienaeren, ick swijge de waerlijcke Overheydt, dan sekerlijck moghen weten wie sodanighen wederspreecker vande ware religie is met op-sedt ende arghelist, als Calvijn seydt desen Elymam gheweest te zijn?

W. B.

‘Tschijnt onmoghelijck.

Coornhert.

55. Onmoghelijck ist dan voor u ministers, veel min d’Overheydt, dit exempel van Elyma wel te moghen naevolghen, sonder blindelingh soo lichtelijck een Christen als en ketter te dooden.

W. B.

Nochtans machmen niet ontkennen dat Paulus hier oock met lichamelijcke straf Elymam heeft ghestraft.

Coornhert.

56. Niet Paulus, maer God, niet een ketter, maer een Tovenaer soo de H. Schrift


klaerlijck uytdruckt daer staet: (Acto. 13. 11.) siet nu de hant des Heeren (niet Pauli, noch veel min des Overheyts) is op dy ende du sulste blint zijn, de sonne niet siende tot een tijt. Dat en is niet, na Beze opinie gheseyt, ende du sulste als een verhart ketter met lijf ende ziele den doodt sterven nu ende eeuwelijck.
57. De handt (des Heeren) is hier ghestelt voor de kracht om de straf te doen: daer door verstaen wert dat Godt de werck-man daet af was (dit seyt Bullinger by Marlor. Eccles. In Act. 13.) thoont ghy leeraren self mede alsoo dat het Godts hant doe, niet u of des beudels handt.
Daer seyt oock Brentius (dit zijn Beze grootachtbare vaderen selve op dit exempel selve) dat nu dese Tovenaer niet met een eeuwighe maer met een tijtlijcke blintheydt werde ghestraft: gheeft te verstaen dat de lijflijcke straffinghen niet en zijn verderffenissen, maer vermaninghen tot beteringhe: want ick en wil niet (seydt de Heere, Ezech. 18. 23.) des sondaers doodt, maer veel meer dat hy sich bekerende leve.

W. B.

58. Wt die woorden Brentij selve blijckt nochtans oock datmen den ketters wel met lichamelijcke straf magh straffen.

Coornhert.

Niet alleen uyt Brentij maer oock uyt Sant Lucas woorden selve blijckt dat (wie lochent dat?) maer wie dede die straf? d’Overheydt? neen maer Godt selve met zijn hant, soo Paulus seydt.

W. B.

Maer dat door Paulum als een wercktuygh Godes, soo Bullinger seyt.

Coornhert.

59. Paulus sprack Godes vonnisse uyt Godes kracht volvoerdet dadelijck. Maer of Paulus dat werck al schoon gedaen hadde ende dat Elymas gheen Tovenaer maer een ketter waer gheweest: soo mosten u ministers, niet d’Overheyt, Paulum dit werck na-doen.

W. B.

De miraculen houden nu op.

Coornhert.

Godes kracht houdt nu niet op soot zijn wille waer.

W. B.

60. Godes wille is dat het gheschiede, maer dat door de Christelijcke Overheydt.

Coornhert.

Dat seghdy, dat ontkenne ick, dat staet inde gantsche Bibel nerghens geschreven, ende dat is ons geschille selve: soude dat ge-
noeghsaem bewijs zijn, soo ist genoegh dat Beza sulcx maer seyt. Houdy dat voor recht?

W. B.

Dat en segghe ick niet.

Coornhert.

Soo seghdy dan niet met allen.
61. Maer ghenomen of noch yemant u al wilde toegheven, dat Elymas als een ketter van Paulo gheblindet was, dat sulcks oock naghedaen moste werden, niet door de kercken-dienaren, oock niet metten woorde Godes, maer door d’Overheydt ende dat metten beudel. Soude Beza oock meer moghen begheren?

W. B.
Neen hy. Maer soudy dan oock zijn meninghe vant ketter-dooden meer moghen weder-spreecken?

Coornhert.

Immers soo krachtigh als te vooren.

W. B.

Hoe dat doch: laet hooren. d’Overheydt soude immers dan moeten dan exempel navolghen int straffen van den ketteren met lijf-straf.

Coornhert.

62. Alsoo, maer souden zy oock verder mette straf moghen gaen of de selve breeder uytstrecken, dan nae’t voor-beeldt van dat exempel?

W. B.

Trouwen neen.

Coornhert.

Soo en soude dan immers gheen Overheydt een ketter metter doodt moghen straffen maer alleenlijck hem d’oogen uytsteken, of uyt-doppen met sulcken ghedinghe nochtans dat hy maer voor eenen tijdt blint soude zijn, om namaels vande Overheydt weder siende gemaeckt te worden. Want Elymas was maer voor een tijdt blindt ghemaeckt, nae luyt vande klaren vonnisse by d’Apostel uytghesproken.

W. B.

Dat is onmoghelijck.

Coornhert.

63. Merckt ghy dan oock niet hoe onmoghelijck het voor Beza is, dat hy dese zijne valsche ende bloedighe opinie; vant ketterdoden ende heur lijf-straf aen te doen; bewysen soude waerachtigh te zijn: ende dat met dese Euangelissche exempelen; by hem selve daer toe onwijslijck voordt-ghebracht, ende ontrouwelijck misbruyckt: nadien nu


blijckt dat de selve al schoon tegen de waerheyt na zijn selfs beduyden toe-gelaten wesende, zijn opinie voorsz opt alder hooghste teghen zijn?

W. B.

64. Maer Beza seyt (S. 389.) nadien dat de Majesteyt Godes zedert Moyses tyden niet en is vermindert: dat alsoo oock des Overheydts macht niet minder en behoort te wesen dan zy was onder de wet ten tyden Moyses.

Coornhert.

Dit liedeken is hier voor (xvij. 8. 9. &c.) al uytgesongen: daer bewesen is dat de Overheyt noyt macht om ketteren te dooden ghehadt en heeft, daerom zijn macht in dat stuck niet vermindert en is noch en magh zijn.
65. Immers nadien de wet Christi vanden ketters, houdt datmen den ketters sal myden (dats niet doden) so moste des Overheyts macht in dat stuck, net alleen gemindert, maer oock gheheel ende al wech genomen zijn geweest: ten waer dat Beza Christum een dienaer Moyses, ende niet Moyses een dienaer Christi wilde maecken, ende ons van onsen Koningh Christo, totten knecht Moysen af-voeren wilde. Maer wie wil Beze dat ghestaden? geen vrome Gereformeerden ick mede niet: Soo M. D. aen aen my heeft bevonden, binnen weynigh jaren: als hy Judaiserende vergheefs bestont my dat Vroet te maecken.

W. B.

66. Men moet mercken opten tijdt der Apostelen (seyt Beza S. 389.) doe sant hyse sonder wapenen ende bloedt van wereltsche macht, tegen alle de werelt: om te betoonen dat d’Euangelissche seghe of victorie inder waerheydt Hemelsch was.

Coornhert.

67. Also. Daer behaelde de waerheyt self alleen (niet der Princen macht) de eere. Dit is voot my, dit hebbe ick self hier voor (xiiij. 20, vj. 47.) gheseyt ende bewesen sulcks te wesen. Ist nu des waerheydts macht vermindert? Wil nu Godt zijn eer den menschen gheven?

W. B.

So vele aengaet de dienaeren des woorts int generael (seyt Beza S. 389.) wapentse Christus meer met gedult, dan met swaert ende schilt.

Coornhert.

68. Laet hem dan, als Christi schapen vervolght zijnde, oock ghedult thoonen, maer gheensins als Antichrists wolven anderen doort woedigh vervolghen gheduldigh maken. Of versuymt de Heere nu den zijnen te voorsien mette waepenen heurder Ridderschap? die zijn niet vleesschelijck maer een mogentheyt van Gode tot vernielinge der sterckten als wy vernielen de raet-slaghen
ende alle hoogheydt die sich verheft teghen de kennisse Godes, ghevangen nemende alle verstant onder de ghehoorsaemheyt Christi, 2. Cor. 10. 4. &c.
69. Of hebben dese wapenen Christi nu heur snede ende kracht verloren? Of soude de waerheyt nu in zijne beloften lieghen? in zijne beloften, segghe ick, (Luc. 21. 15.) dat hy den zijnen eenen mondt ende wijsheydt gheven sal, den welcken alle heur wederspreeckers, niet en sullen konnen wederspreken noch weder-staen? Of thoont Beza mette zijne met dit hulp-soecken aen d’overheyts swaert (niet teghen gheweldighe moorders, of Donatisten, maer tegen weerlose ketters) dat Christus heur Koningh niet en is, dat zy zijn wapenen niet en kennen, hebben noch betrouwen, maer sic hopten arm ende hulpe des vleeschs verlaten? ende dat zy voorstanders van eē wereltsche Secte, maer niet vande schaeps-koye Christi zijn?

W. B.

70. Ghy en let (dunckt my noch) niet ghenoegh opte verscheydentheydt vande tyden. Want (seydt Beza, S. 390. noch) als Godt somtijdts voorstandt gheeft van de Overheyt, soo en maghmen die niet versmaden of weygheren, sonder Gode groote smaetheydt aern te doen.

Coornhert.

Dan laet u met heur beschuddinghe vernoeghen, sonder heur aen te porren om anderen te dooden. Weest beschermde schapen, maer gheen verschorende wolven.
71. Maer te propoost van Elyma, daer of wy spreken: ‘tIs wonder (seyt Bullinger by Marl. Act. 13. 11.) nadien vele vande Papisten dese Tovenaer in Godtlosigheydt te boven gaen, waeromme dat hen-luyder stoutheydt onghestraft blijft, inde welcke zy luyden sich soo onmatelijck beroemen. Of heeft Godts handt nu begonnen swacker te worden? of gaet hem nu zijn glorie minder ter herten? &c.
Of gaet u luyden Godes eere nu minder ter herten dan Paulo doe ter tijdt? Of betroudy Christi beloften niet so wel als Paulus dede?
72. Als die Cardinael van Tournon (J. 258.) inde grote vergaderinge der drie Staten poghende den Koningh af te weren van uwe leer, die ghy de waerachtighe te wesen hout, den Koningh hadt dat zy Beze woorden gheen gheloof en soude gheven, die hy seyde dat blasphemien waren, van ghelijcke afradinge der Cardinalen ende geestelijcken leestmen daer mede (273.) soudet doe gheen tijt ende plaetse zijn gheweest voor Beza, om dit exempel Pauli self na te doen, den Cardinael voorsz met blintheyt te slaen, ende soo te betoonen dat hy Gode betroude ende dat zijn leere de waerachtighe is?
73. Dat en dede Beza niet, maer wel soude hy gedaen hebben ten exempele Quintine woort-houder voor de Fransche geestelickheydt aenden Koningh al daer inde voorsz vergaderinge, so hy, Beza, ghelijcke middelen voor oogen hadde gezien: so men ontwyfelijcken siet uyt dit segghen Beze daer hijt


acht voor een verachtinghe Godes alsmen zijn hulpe des Overheyts niet aen en soeckt ofte veracht.

W. B.

Die geschiedenisse is my uyten hoofde.

Coornhert.

Ick sal u die daer weder inne brenghen.
74. Die vande vervormde religie hadden aenden Koning eē request doen over-geven. Daer op komende seyde de voor-noemde Quintijn inden name der gheestelickheydt voorsz alsoo: Dat sulck over-gever vande requeste (dit was d’Admirael van Vranckrijck) als fauteur der ketteren, oock self ghehouden ende verklaerdt behoorde te worden voor een ketter: ende dat teghens hem als sodanigh wesende, gheprocedeert soude worden nae de rigeur (of strengheydt vande Canonijcke ende wereldtlijcke in-settinghen, ut auferatur malum de medio nostri, dat is, op dat het quaede uyt het midden van ons wech ghedaen werde (I. 149.)
75. Dat exempel der gheestelijcvken voorsz soude Beza, segghe ick noch, hadde hy den Franschen Koningh over zijn zijde gehadt, niet versuymt hebben meer nae te volghen tegen den Cardinael van Tournon voorsz, oock teghen den Cardin ael van Loraynen ende anderen die daer arbeyden den Koning af te weeren vande leere Beze: dan hy wel willigh is om nae te volgen dit exempel des Apostels Pauli: dat nu tusschen ons in gheschille is.

W. B.

Ghy doolt groflijck Coornhert, ghy doolt.

Coornhert.

Dat en mercke ick niet. Maeckt dat icx mercke, kondy.

W. B.

Lichtelijck. Sergius de landtvoorght en was gheen Christen, voor den tijdt dat Elymas met blintheydt was gheslagen. Soudet dan niet vergheefs zijn gheweest Sergij hulp aen te soecken om die Godloosigheyt van den Tovenaer te straffen?

Coornhert.

77. Ghy doolt Wolfaert, ick niet, dat wil ick u lichtelijck doen mercken. Elymas de Tovenaer hadde zijn werck al ghedaen, om den landtvooght vande ware lere af te werē, al eer dat hy geloofde. Ist nu datmen na de wet Godes een valsche Propheet of ketter (soo Beza seydt dat dese Tovenaer was (S. 388.) moet straffen metten lichamelijcken doodt, soo en was die wet met des ketters tydelycke blintheydt alleenlijck niet voldaen. So behoorde dan d’Apostel (na de opinie vā Beza) voor alle werck den landtvooght; nu Christen gheworden zijnde, soo dat mitsdien Paulus nu een Christen Overheydt na de wille verkreghen hadde; vermaendt te hebben
den Godt-losen ketter metter doot te straffen, anderen ten exempele.
78. Soo Paulus dat hadde ghedaen, soude hy schijnen mitsdien een sekere ende gheduyrighe leere van’t ketterdoden den kercke aengewesen te hebben ghehadt: ende daer mede oock den Christen Overheyden tot het doden ende gesamentlijck de kercken-dienaren tot het hulp-soecken aen d’Overheydt, met sulck zijn exempel vermaent te hebben. Dit soude Paulus oock alsoo ghedaen hebbē, so de opinie van Beze warachtigh waer. 79. Lieve, waer heeft oyt yemandt van d’Apostelen beter gheleghentheydt ghehadt om met zyne exempele de twyfele van soo wichtighen handel te verklaren ende ’t gheschille daer af te eyndighen? soude Paulus vol vanden H. Gheest versuymt hebben de kercken die nae hem souden komen van sulcken wichtighen twyfel met zijn exempel te verlossen?
80. Hier wast voor Paulo tijdt om met klare woorden ende metter daet te bethonen dat Moyses wet noch most in Christi rijck ghelden: datmen ketteren most dooden: ende dat de leraren des Overheydts macht om hulpe aenroepen mosten. Niet van alle sulcx en heeft Paulus ghedaen. Wat seghdy hier toe Bisschop?

W. B.

81. Ich hoore vele dinghen die ick noyt ghehoordt en hebbe: ende bevinde my niet heel onschuldigh van gheoordeelt te hebben in desen: voor dat ick d’ander party eerst wel hadde ghehoort: dat magh ick nu beter doen dan te vooren. Want ick sie meer stofs om dese saecke scherper te overweghen.

Coornhert.

82. Soo neemt dit daer noch toe: ghenomen of dat uytverkoren vat Paulus so vele sorghs voor de kercke Christi niet ghedraghen en hadde, als Beza nu wil schynen te draghen sengaende dese haere bescherminghe, de Christen Overheyden metten stalen swaerde, met vlammen ende basten: soo en machmen (sonder Christum te lasteren onsen getrouwen Koning ende hooft der kercken) Christum geensins toe betrouwen: dat hy zijnder ondersaeten ende broederen minder besorght soude hebben dan zijn dienaer Moyses de Jootsche kercke en heeft besorgt gehadt. Of houdy’t anders.

W. B.

Neen maer alsoo.

Coornhert.

83. Moyses woorden kinderen Israels sorghe draghende wel vier hondert jaren al eer zy een Koning (te weten Saul) hadden, heeft henluyden al gegeven en voor-geschreven (Deut. 17. 18.) de Koninghlijcke wetten daer de Koningen sich na schicken ende die zy onderhouden souden. Heeft ons Koningh Christus niet geweten datter na hem Christen Koningen souden komen? heeft hy niet geweten datter ketteren om zijn kercke te oeffenen souden komen? heeft hy wetten


eens Koninghs ghemaeckt dat zy metten swaerde zijn kercke beschermen, ende de ketters dooden souden.

W. B.

Dat ick ghelesen hebbe niet.

Coornhert.

84. Soo moetmen segghen dat Christus onvoorschtiger is gheweest dan Moyses, of dat hy die lidt-maten zijns lichaems niet soo lief ende qualijcker besorght heeft ghehadt, of; wil men aen sulcke lasteringhen niet; soo moetmen segghen, ‘tgheen dat de waerheydt is, te weten, dat hy machtigh ghenoegh is om zijnen gheest der waerheydt ende wijsheydt zijn kercke te beschermen, dat zijn almoghende waerheydt daer toe gheen menschelijcke arm of swaerdt en behoeft, ende dat hy den ketteren of onkruyt niet ghedoodt of uytgheruckt en wil hebben van menschen, maer die sondaren ende verdoolde schapen (Mat. 18. 12. 13.) welcker doodt hy niet en wil, maer heur bekeringhe ende leven (Eze. 18. 23, 2. Pet. 3. 9.) wil ghespaert hebben (Rom. 2. 4.) op hope van beteringhe totten ooghst, als de Enghelen; best een ketter ende ’tonkruydt uyt een gheloovighe ende terwe kennende, sulcks van den anderen sullen scheyden, Mat. 13.
85. Seght Bisschop heeft Beza of ghy meer exempelen dan dese twee uyten nieuwen testamente hier toe by te brenghen?

W. B.

Ick niet, noch Beza oock niet soot schijnt, want die voor-komende den tegen-werp dat het wel luttel exempelen zijn, seyt, (S. 389.) Datmen moet aenmercken datse al niet en zijn gheschreven die in dien tijden zijn gheschiedt.

Coornhert.

86. Dats al een blauwe reden. Al beter reden van dat sulcks weynigh gheschiet is, gheeft Bullinger (self een voor-stander wesende van dit ketter-dooden) in dit exempel self als voren blijckt seggende alsoo Marlorat. Act. 13. 11. Aenghesien dat de miraculen Christi natuere behoorden uyt te beelden. Die heel ende al menschelijck was, soet, goetdadigh ende bermhertigh: soo heeft hy weynigh exempelen van ander macht door zijne Apostelen willen voor ooghen stellen.
87. (Dat seydt Bullinger ende ick segghe daer by) maer veele exempelen van bermhertige goedigheyt, als oock voornamenlijck door hem selve, die noyt een eenigh wreedt exempel aen eymanden en heeft ghethoont, noch een gekroockt riedeken gebroken maer wel de verdoolde schaepkens ghesocht, op zijn schouderen geladen, ende in zijn schaepskoye ghebrocht.
88. Merckt doch eens, lieve Bisschop in wat grooter benautheyt dese wreede opinie vant ketter-dooden Bezam, Calvijn, Bullingherum, ende zijns ghelijcken stelt; om heur te mogen ontwerren uyt heure oneyntlijcke dool-
hoven; de H. Schrift soo opentlijck te misbruycken: dat d’exempelen die zy met subtyle duydinghen poghen voor hen te doen schynen, self heur opinie valsch te wesen bethoonen. Dit is voor int exempel Ananie ghebleken ende blijckt noch hier in dit exempel van Elyma.
89. Want alsoo argumenteert Beza daer uyt: Paulus een dienaer des Euangeliums heeft Elymam een Tovenaer met blintheyt gheslaghen voor een tijt langh: soo behoort dan oock de waerlijcke Christen Overheyt een ketter lichamelijck te dooden. Sluyt dat oock wel?

W. B.

My dunckens niet.

Coornhert.

90. Hoort dan of uyt dit selve exempel over mijn zyde beter besluyt gemaeckt kan worden op dese wyse. Door dien Paulus een dienaer des Euangeliums Godes vonnisse uytsprack over Elymas den Tovenaer, is hy met blintheyt gheslgen voor eenen tijtlangh, ende heeft daer mede den Landtvooght ende in zijnen persoone allen Christen Overheyden vermaendt of te verstaen ghegheven: dat zy heur seysem niet en souden slaen in een anders kooren. Also de straf der menschen die inden gheloove dolen, niet henluyden, maer Gode ende den dienaren zijns woordts aengaet. Laet d’Overheyden met heur swaert den nisdadighen, maer de Consistorien metten woorde den misgheloovers straffen. Oordeelt nu wat bewijs beter sluyt.

XXI. Hooft-stuck.

Bewijs van’t ketter-doden uyt de exempelen van de kerckelijcke Historien.

Wolfaert Bisschop.

Volghende mijnen Heere Beza kome ick vande nieu testamentsche exempelen op d’exempelen van de kerckelijcke Historien. (S. 413.)

Coornhert.

Soo d’exempelen uyten Bybele by Beza aenghetogen hem selve ghenoeghsaem schenen tot vast bewijs van zijne ketter-doodens opinie: wat van noode waert hem geweest met dese exempelen voort te komen? Nu blijcken de Bybelsche exempelen niet met allen daer toe te dienen, immers meest daer teghen te strijden. Helpen hem dan d’exempelen niet die waerachtich zijn (maer niet ter saken n dienen) wat sullen hem dese die oock niet te passe en komen ende twijfelijck, immers (na Beze eygen segghen (S. 415. b.) loghenachtich zijn, moghen helpen tot bewijs zijns voort-stels?
2. Ende of die noch al waerachtigh waren


(als neen) wat wet hebben wy om die nae te volghen? Of wil Beza nu van alle exempelen wetten maken? zijn de Bybelsche exempelen al navoghelijck? soo sal een man gheen Overheyt wesende hoereerders mogen dooden sonder voorgaende oordeel vande Overheydt (Nu. 25. 8.) soo sal yeghelijck navolghende niet alleen Abraham, ende Jacob voor, maer oock Helcana ende meer andere heylighe mannen onder Moyses wet twee huys-vrouwen of meer teffens moghen hebben (Gen. 16. 3, 29. 23. 28, 1. Reg. 1. 1. 2.) ende soo sullen vele ongheoorlofde dinghen na-ghedaen moghen ja moeten worden diemen niet weynigh in ghetale en vint inde H. Schriftuere.

W. B.

3. Neen, dat en wil Beza niet segghen.

Coornhert.

So wil hy dan met dese exempelen niet met allen seggen, maer alleenlijck een schijn maken of hy wat daer met seyde. Wel aen. Laet hooren dese schoone exempelen ende waer toe dat zij dienen.

W. B.

4. De Keyser Constantinus beval datmen Arrij boecken soude verbranden op doodt-straf. (S. 413.)

Coornhert.

Heeft hy yemandt om dat niet ghedaen te hebben doen dooden?

W. B.

Dat en leestmen niet.

Coornhert.

Hy maght wel tot een af-schrik bevolen hebben.

W. B.

Dat en weet ghy niet.

Coornhert.

5. Maer dat hy Arrium selve niet en doode, immers dat hy hem weder int landt liet komen, leestmen in die selve Historien. Soude de Keyser yemant alleen omt hebben van Arrij boecken, dat wel mocht zijn byden genen die noch self geen Arriaensche ketters en waren, doen dooden: ende den Aertz-ketter selve laten levendigh blyven?

W. B.

Hy beval oock dat d’Af goden-dienaren, met oock de Lant-vooghden diese gespaert hadden, onthooft souden worden.

Coornhert.

Wat gaet dat den ketters aen? wat bevel hadde die Keyser van Gode om dat te doen? gheen.

6. Maer moetmen dit exempel nu noch na volghen, so moeten uwe Overheyden alle de Roomsche Catholijcken, daer zyse bekomen konnen onthalsen. Of houden Beza ende de uwen die niet voor af-goden-dienaren?

W. B.

Ja zy. Maer die zijn buyten de kercke.

Coornhert.

Dit is hier voor (xvj. 6. 7. etc.) al anders gebleken. Wildijs meer, so antwoort my.
7. Houdt ghyluyden den Paus niet voor den Antichrist met zijne lidtmaten?

W. B.

Jae wy.

Coornhert.

U. Heere van Plessy in’t negende cap. van zijn Tractaet vande kercke, seydt wel duydelijck dat Antichrist zijnen stoel inde kercke heeft ende daer inne zit (193. 194.) soo mooghdy dan niet seggen dat hy daer buyten is. Moeten uwe Overheyden dan ter naevolginghe van dit exempel, hem (vermooghdyt) of ten minsten zijne lidt-maten als af-goden-dienaren niet onthalsen?

W. B.

8. De Keyseren Valentiniaen, Gratiaen, ende Theodose hebben teghen d’Af-godteerders oock gheordonneert sulcken straffe, daer weynigh aen gebreeckt. (S. 414.) H. Bullinger Huysboeck f.. 63.

Coornhert.

Daer ghebreeckt dan noch wat aen, soo ick hoore. Anders mosten mede nae heur exempel uwe Overheyden oock de Roomsche Catholijcken doen onthoofden.

W. B.

Aengaende de Weder-doperen, stelden zy straf op, swaerder dan de doodt selve. (S. 414.)

Coornhert.

Sy en gebodense dan niet te doden. Eñ of dat al ghedaen waer by henluyden: so hebdy hier voor wel moghen verstaen, dat hen sulcx niet van Gode en is bevolen. Soudemen sulck heur doen dan moeten navolgen?

W. B.

9. Martianus stelde doot-straf opte ghene die ongheoorlofde dingen leerden, ende Justiniaen opten ghenen die des ketters Severus boecken bewaerden. Idem H. Bull. huysboeck f. 63. vers.

Coornhert.

Nu komt het boeck der Rechten Codex gheheeten voort. Is dat Euangelie: Heere


Godt hoe weynigh moe heeft Beza ende zijn ghesellen ghehadt om heur doodelijcke opinie mette Godtlijcke schrift te moghen bewijsen, nademael zy heur bewijs gaen bedelen uyte menschelijcke schriften ende exempelen: die doch niemants conscientie en moghen verbinden.
10. Seght doch Bisschop met rechten ernst, souden Beza metten zijnen wel voor gheloof-waerdigh bewijs willen aennemen d’exempelen der kerckelijcken Historien ende dergelijcke menschelijcke schriften, die heurluyder opinie vant ketter-dooden pladt teghen zijn?

W. B.

Beza stelter selve twee.

Coornhert.

Welcke.

W. B.

11. Van de keyseren Gratiano ende Theodosio. Waer van d’eerste een Ordonnantie maecte, dat een yeghelijck sodaninghen religie volghen mocht, alst hem gheliefde: ende dat zy altsamen sonder eenige vrese kerckelijcke vergaderinghen mochten celebreren . Wtghenomen de Manicheen ende de Photiners. Maer d’ander en heeft gheene ketterye vervolght noch yemanden tot een ghemeente ghedwonghen, maer liet veel eer toe dat elcke ketterye ende Secte op sich self vergaderinghen maecken mochten soot hun goet dochte, ende dat oock elck nae zijn begrijp vant gheloove ende van Christo ghevoelen ende opinien hebben mochte. (414. 415.)

Coornhert.

12. Dat is nu opt hooghste teghen Beze ghevoelen. Prijst hy dat oock? seyt hy oock datmen die exempelen moet na volghen?

W. B.

Neen. Maer hy seydt: Dat gheen dingh waerachtiger is: dan datmen openbaerlijcken merckt de ydelheydt, of loghenachtigheyt der Griecken, in henluyder verhael van dese (kerckelijcke) Hystorien &c.

Coornhert.

13.Om die ydelheydt nackter te sien, soo mooghdy believet u te sien inde seste Sessie van mijn Synodo, daer suldy vinden aenwysinghe der plaetsen uyt dese kerckelijcke storien; niet heel in dit deel ongelijck de ware storien Lucianijck; van dat Maria ons Heeren moeder Narsi beval te stryden, dat de Keyser sich beklede met een vuyle sack eens dooden Bisschops, om zijn heyligheyt deelachtigh te worden, van een Symeon die den pylaernen dede danssen met meer andere schoone ongheloof-waerdige exempelen.

W. B.

14. Hy Beza en prijst oock den voorsz Keyseren daden niet, segghende dat in heur wel
te wenschen waer gheweest, meerder yvers ende wetenschaps. (S. 415.)

Coornhert.

Dat is waer. Beza seydt daer oock (S. 415.) dat de Heydensche Princen vele naerstigher gheweest zijn ende strengh, om heur superstitien te hant-vesten, daer toe invoerende een exempel uyt Tito Livio van Heydensche Romeynen. Nu gheve ick u te bedencken wat dat voor een Christlijck bewijs magh zijn; dat hy uyten Heydenen gaet soecken, die hy self voor godt-loos scheldt (S. 68. 93. 313.) ende wiens boecken Calvinus (Inst. ij. 37.) vol monstrose logenen seyt te zijn. Immers d’Overheyt tot navolginghe aenwijst vanden exempelen der kerckelijcken Hystorien, die hy selve seydt vol ydelheydt te wesen.
15. Magh sulcx van hem geschieden met goeder conscientien te weten, dat hy de H. Schrift tegen zijn ketter-dooden vindende dese zijne opinie bestaet te bewijsen met logenachtighe exempelen oock met der godlosen doen: dat gheve ick u ende hem selve te bedencken. Nu komē wy opte Antichristsche ende Christelijcke wapenen der kercken.

XXII. Hooft-stuck.

Vande middelen so valsche als oprechte om ketters te beteren ende ketterye te vernielen.

Coornhert.

V Luyden was naghegheven dat ghy int beginne onmachtigh ende vervolgt zijnde u over de vervolghers klaeghde: maer dat ghy daer na tot macht gekomen wesende, anderen wredelijck met vyer ende swaert vervolghde: soo dat ghy doe de wapenen Christi verworpt ende daer voor der Phariseen wapenen aenvaerde (S. 287.)

W. B.

2. Dat hout Beza voor qualijck, booslijck ende valschelijck gheseyt te wesen.

Coornhert.

Maer hy bewijst sulcks niet met een eenigh woordt.

W. B.

Dat seyt Calvijn vande Papisten. (Instit. viij. 146.) die beschermden haer leere eerst met schriften, maer nu ter tijt metten swaerde ende vlammen.

Coornhert.

Is dat al goedt bewijs? de Papisten doent, ergo wy niet? macht niet wel zijn dat u volck heur voet-stappen navolgende ‘tselve mede doet? voorwaer jae, men siet het voor ooghen.


W. B.

Hola. Waer hebben oyt eenighe van onse kercken-dienaren of Consistorien yemanden naden lichame ghedoodt?

Coornhert.

Waer heeft de Paus of zijne geestelijcken jae oock de Spaensche Inquisitie selve oyt yemant naden lichame ghedoot?

W. B.

4. Dat zy selve niet en deden, dat deden zy door de licht-gheloovige Keyseren ende Koninghē, die zy tot heur beudels misbruyckten.

Coornhert.

Mooghdy dan oock recht seggen dat het die gheestelijcke deden?

W. B.

Maghmen niet recht segghen dat de Schoudt ende Schepenen de misdoenders dooden: dat zy sulcx niet door heuren, maer door des beudels handen doen? diet oordeel dse doodts gheeft, met ghebiedende macht, dat is de ghene diemen recht seyt te dooden. Soo doode David Uriam niet met zijnen handen door zijn velt-overste Joab (2. Reg. 11. 15.) ende so doode Jesabel Naboth niet met haeren handen, maer door des volcks handen (3. Reg. 21. 8.) dede, daerom Joab ende ‘t volck de doot-slagh ende niet David ende Jesabel?

Coornhert.

5. Neen. Ick verstae wel dat elck geseyt wert dat te doen, dat hy door een ander doet. So seytmen dat Princen landen ende steden winnen, die zy door heur Capiteynen winnen ende dickmael noyt selve en hebben ghesien.

W. B.
Dat is al te mael recht gheseyt van u, die daer mede oock selve bevestight (buyten u weten) dat ick terstont seyde: te weten, al ist dat de Paus of zijne geestelijcken selve metter hant den gheloovigen niet en hebben gedoot, dat zijt nochtans deden door d’onwyse Keyseren ende Koninghen, die zy tot heur beudels misbruyckten.

Coornhert.

6. My dunckt dat ghy, niet buyten u weten, hier nu self bevestight ‘tghene ghy terstont mettē woorden Beze weder-spraeckt, als valschelijck geseyt te wesen. Want ghy en mooght niet ontkennen dat Calvijn met zijn mede kercken-dienaren ende andere Ministeren Servet ten doode veroordeelt hebben, derhalven d’Overheydt van Geneven hem door des beudels handen levendigh deden verbranden.
7. Also dooden hem Calvijn metten zijnen door d’Overheydts, ende die door des beudels handen. So mede d’onghelijckheyt die daer is tusschen Servet ende den Heere ter
zyden ghestelt, ende opte ghelijckheyt vande dooders ende heure wapenen (dat hier onse sake is) ghelet wesende: so dooden de Phariseen door Pilatum, ende die door’t krijchsvolck onsen Heere aenden kruyce.
8. Mooghdy nu oock meer lochenen waer te wesen het voorschreven aen segghen dat ghyluyden in plaetse van de wapenen Christi, der Phariseen wapenen ter handen hebt ghenomen? Calvijn (Instit. 8. 145.) verhaelt hebbende die woorden Pauli van der Christenen wapenen (2. Cor. 10. 4.) seyt dat de herders daer mede de schaepen moeten weyden ende de wolven dooden.

9. Montluck de Bisschop van Valence; een groot personagie, Catholijck selve, maer van grooten verstande ende gheleertheydt, oock inde H. Schriftuere; seyde in Vranckrijck voor den Koningh ende Staten (anno 1560. I. 88.) dat die Concilien van Nicenen, van Constantinopolen, van Ephesen, ende van Calcedonien, den Arrianen, Macedonianen, Nestorianē ende andere veroordeelden van ketteryen, ende van blasphemie teghen de heylige Drievuldigheyt ende noyt ander wapenen en wilden gebruycken dant woordt Godes.

W. B.

10. Sijnder eenighe onder den Catholijcken, die de voorschreven wapeninghen Godes de rechte houden te wesen: daer zijnder onder den onsen die nu d’Overheyts wapenen nodigh achten te wesen, in desen krijghshandelinge. Want zy seggen: dat d’onschamele stoutheydt ende de kijf-lust van eenighe nu soo ondrachlijcken is; dat het van noode is: de selve meer met ander wapenen, dan alleen het woort Godes te bedwinghen.

Coornhert.

11. Dat zijn de woorden van een uyt uwen volcke, namentlijck Iacobo Acontio (lib. Tertio Satanæ strata pag. 97.) Wildy dat ick (seydt hy) segghe wat dat is? niet anders voorwaer dan of een krijghs-man seyde, die sich in krijghs-handel allen anderen krijghs-luyden het duncken te boven te gaen: dat zijn vyant soo dapperlijck ende strenghelijck vocht: dat hy ghenootsaeckt ware zijn spietse van hem te werpen, ende zijnen vyandt te wille te wesen. O uytghelesen krijghs-man. Ende noch een weynigh daer nae.
12. Nadien dan dat hy (de Satan) boven allen dinghen dat benaerstight: sullen wy daeromme hem te wille wesen daer inne, dat wy van ons werpende de wapenen, mette welcke alleen wy moghen verwinnen, inde hant nemen sodanighe, daer mede wy terstont onder moeten legghen, ende die ons stracks opten keele sullen komen?

13. Ende een luttel daer voor noch. Maer ist saecke dat de Herders of Pastoren dat eenmael verwerven (van de Overheydt) dat de ghene die yet wat derf kicken, de beudel terstont gheroepen wert, om metten swaerde alleen alle gheschillen te solveren: waer toe sal dan voorts het studeren inde Godtlijcke schrift vele van noode wesen? want alle wat zy dromen, sullen zy het arme volcxken voorbrocken, ende des niet te minder haer grootachtbaerheydt beschermen.


14. Wee onser, wee onser naekomelinghen: ist dat wy die wapenen daer mede alleen ons gheoorloft is te strijden ende daer mede wy altijdt moghen verwinnen, van ons werpen. Dan ist gedaē. Dan verwint hy, die d’Overheyts macht so tot zijnen wille heeft, dat die willigh executeert zijn oordeel ende roepen opten Predick-stoelen: man solt sie uber die klinghen thun springhen: dat is men soudese een stalen wint door den necken doen waeyen, soo Musculus vertelt van eenighe Ministeren gheroepen te zijn geweest over eenighe arme ghevangen Doperen. (Musc. De Hæret. 1528.)
15. Seght doch Bisschop, kont ghy dat oock houden voor de rechte wapeninghen Godes, om den ketteren te overwinnen ende de ketterye; de ketter levendigh blyvende; te dooden?
W. B.
Voorwaer, om mijn meyninghe klaer uyt te belyden, soo en hebbe ick dat ghevoelen noyt ghehadt. Ende hoe wel mijn verstant al wat te verde af-gheleyt was van de wapeningen Godes (so ick nu wel mercke) tot d’Overheyts swaert: so hebbe ick nochtans altijt meer toeverlaets ghehadt, opt ghenesen der zielen, dan op doodens vernielen.
16. Ick weet oock dat Beza self met d’onse, immers oock Meester Jan Calvijn die meyninghe ghehadt hebben. Wildy blijck? leest (I. 274.) daer-suldy vinden dat Anno lxj. Beza met zijn mede-ghesellen Ministeren, in een requeste aen den Coningh van Vranckrijcke verklaerden: Dat om alle dolinghen ende misbruycken van over lange tijt geplant ende ghewortelt in de kercke door den Paus ende zijn Suppoosten, gantschelijck uyt te roeden, is het eenighe middel het woordt Godes, als een vlammigh swaert, &c.

17. Nu verstaetmen licht naedien dat het eenighe middel is tot uytroedinghe van dolinghe uyt de kercke: datter oock gheen ander middel en kan wesen, om sulcks heel uyt te roeden van elck litmaet der kercken ende verdoolt mensche, hy zy dan een ketter of schismatijck.
Coornhert.
18. Ghy seght al wel. Maer ist so dat Beza metten zijnen tot voordeel van heure gheloovens ghenooten in Vranckrijck ondert kruys sittende waerheyt uyter herten spraken: waerom misbruycken zy nu, ende raden anderen tot het misbruyck, van een ander middel, te weten d’Overheydts macht ende des beudels swaert ende vlammen?
19. Maer hebben zy oock doe ter tijt des beudels swaerdt in heur herte al voor een goet ende recht middel ghehouden tot uytroedinghe der dolinghen ende ketters, soo opentlijck blijckt van Beza in dit zijn boeck by hen voor dien tijt in druck wesende: wat maghmen anders seggen (immers van Beza) dan dat hy anders sprekende ende anders denckende, ende onder een schaepsvacht een wolfs herte draghende uyt gheweest is om den koningh, metten gantschen lande te bedrieghen: ende hem de tyranninghe bloetstortinghe om’t gheloof niet heeft willen ge-
heel doen verwerpen, maer veranderen int verwisselen van een oude Roomsche om een nieuwe Geneefsche tyrannie?
W. B.
20. Ick moet dat bekennen dat ick altijt wel verstondt, dat de outste vaderen inde kercke gantsch vreemt zijn geweest van dit vreemde (niet het Godlijcke) vyer ende vyerrigheydt daermen mede handelt teghen den ketters. Altijt quelde my het schryven Hieronimi (in Ose. 2. Cap.) daer hy seyt totten ghenen die in Christo gheloofden ende waren, soo uyten Joden als uyten Heydenen.

21. Seght vanden gebroken tacken ende vanden eersten volcke dat verworpen is het is mijn volck, want het is u broeder; ende zy is u suster. Want als der Heydenen volheydt in sal zijn gegaen, dan sal al Israel saligh worden.
22. Dat selve wert ons gheboden, dat wy niet gantschelijck van den ketters en sullen wanhopen, maer tot berouw verwecken ende heur saligheydt uyt broederlijcke herten wenschen. Maer hoe sal hy moghen gheseyt worden van des ketters saligheydt niet te vertwyfelen? hoe sal hy hem tot berouw verwercken? hoe sal hy moghen segghen zijn saligheydt te wenschen? de ghene (segghe ick) die hem d’Overheydt om ghedoot te worden overlevert? of die in alder wysen trachtet om hem om den halve te brenghen?

23. Die redenen Hieronimo stieten my altijt teghen’t herte, ende dede my een onghenoeghen hebben in dese meyninge Beze, hoe wel datse by na d’overhant in my hadde.

Coornhert.
U vermanen van Hieronimo doet my gedencken een middel om den ketters met het rechte swaert salighlijck te dooden by hem aenghewesen(in Comment. In Isai. cap. 13. ad finem) met dese woorden:

24. Maer och of wy vandē Heere verweckt worden, ende dat ons dese macht ghegheven worde wy gheen goudt noch silver des wel-spreeckenheydts noch wereldtswijsheydts en sochten: maer dat wy naerstigh waren om der ketteren ende aller bedroghenen kinderen te dooden met gheestelijcke pylen, dat is metten ghetuyghenissen der schriftueren: ende dat de kinderen die ghevoet worden met de melck der dolinghen, soo sonder eenigh mede-lyden ghedoodt worden op dat zy door een bermhertighe wreedtheydt verdorven &c.
25. Het is hooglijck te verwonderen, Bisschop, dat Beza ende Calvijn, sulcke ende vele meer andere dergelijcke plaetsen by dē ouden Vaderen, niet alleen wel ghelesen, maer oock mede grootelijck gepresen. Immers oock selve sulcx geschreven ende voor goet aenghewesen hebbende: so gheheel een weder-wertighe opinie, opt uyterste daer teghen strydende hebben konnen aennemen ende voor goet toe-stemmen, dat zy nu de waerachtighe ende krachtige wapenen Godes teghen den ketters uyter handt gheworpen hebben, ende heur kercke bestaen te beschermen met heur duyster vernuft daer door zy sich nu aende macht der Overheydt houwen ende die betrouwen, hebben


zy dat niet sien mislucken inden Roomschen Catholijcken? hebben zijt in hen niet berispt ende gelastert? leest Calvijn teghen den Libertynen int laetste vant vijfde capittel.

26. Daer seydt hy van de Catholijcken: dat zy meynen met swaerden ende vlammen heur voor-nemen te volbrenghen. Maer zy zijn bedroghen. Want al wat zy oock bestaen ende doen, het woordt Godes sal stercker wesen ende alle de hindernissen te boven gaen, die om zijnen loop te beletten hem teghen gheworpen worden, ende de kercke sal daer door midden in de vervolginghen vermeerderen.
27. Ende stracks daer aen noch: Want daer en is gheen ander bequaem middel om de Godt-lose secten ende ketteryen uyt te roeden dan da men plaetsgheve de loutere waerheyt Godes, die alleen deur heur klaerheydt de duysternissen doet verdwynen. Dit leerdt de experientie self opentlijck.Leest H. Bullinger huys-boeck dec. v. ser. j. f. 214. ende Calvinum oock in zijn Commentarien op Titum 2. 9. Item Institut. viij. 20. 129. etc. Ende om met noch maer een plaetse uyt Calvijn hier te vernoeghen, soo Commenteert hy op die woorden Isa. 11. 4. hy sal den God-loosen dooden metten gheest sijns mondts ‘t ghene volght:
28. Een herder en behoort niet alleen de kudde te weyden, maer oock te bewaren ende teghen alle schade te beschermen, dit volbrenght Christus. Daeromme is hy mette wapenen daer toe noodigh zijnde voorsien. Sulcx dat hy d’overhandt hout tegens Sathans loghenen, teghens der tyrannen wreedtheydt ende tegen alreleye aerdt van vyanden.
29. Dese plaetse heeft inne een uytghenomen leringhe. Want indien wy een middel soecken om wel ende salighlyck te leven: wy sullen ons van Christo laten onder-wysen, ende sulcx sonder twyfele verwerven. Indien wy voorsien begheren te zyn, hy sal ons alreleye aerdt van wapenen doen hebben. Hier blijckt dat de god-loose leringhen niet anders en mooghen verjaeght worden, dan metten Euangelio.
30. Te vergheefs bruyckt d’Overheydt het swaerdt (‘t welck hy seker niet en behoordt te doen) om de godt-loose leraren ende valsche Propheten te bedwinghen. Te vergheefs segghe ick is al ‘t bestaen, ten zy dat dit swaerdt des woordts voor ga, ende dat staet naerstelijck inden Papisten waer te nemen, dat wanneer heur Godes woordt ghebreeckt, soo nemen zy heur toevlucht tot nieuwe wapenen: midts welcke zy hopen d’overhant te behouden. Immers zy zijn soo onschamel dat zy segghen, dat de ketters doort woort niet en moghen verwonnen worden: niet teghenstaende dese Propheet ende Paulus stellen gheen ander middel altoos &c.
31. Dit alle seydt Calvijn selve teghen den Catholijcken. Seght men’t selve tegen hem, hy wert toornigh, seyt datmen calumnieert, lieght ende lastert. Ist dan loghen dat hy’t selve ghepractiseert heeft teghen den Spangaert Servet? wast woordt Godes hem daer teghen wapens ghenoegh: waerom misbruyckte hy daer d’Overheyts wapenen, te weten het vuyr des beudels? ghebrack hen doe oock het woordt Godes, soo hy seydt van de Catholijcken, waerom dede hy henluyden nae’t gheen hy in heur
lastert? ick meyn mette mutsaerden te disputeren?
32. Wat wapenen Beza, zijnen meesters voet-stappen in desen navolgende, oock best betrout ende gebruycken wil, heeftmen hier voor al ghesien: daer hy den raet Zwinglij vanden Doperen te dooden voor so seer goet prijst: dat deur henluyden de kercken nu al verdruckt souden zijn geweest soo die bloetraet niet ghevolght en ware gheweest (S. 274.) ende oock daer hy uytdruckelijck seyt (S. 296.) dat de kercke in openbaren pericule is van ruine (of vervallinge) so de Magistraet door de vinger siet ende zijn behooren niet en doet (te weten om de kercke metten swaerde te beschermen.)

33. Daer hebdy nu genoegh met open ooghen moghen sien, ja met handen tasten, de wanslachtighe ende manslachtighe opinien van Calvino, Beza, Bullinger ende sodanige vande valsche ende oock rechte wapenen diemen hoort te ghebruycken tot beteringhe van de ketters ende tot vernielinghe van de ketteryen. Hoort nu het ghevoelen daer af vande alghemeene Nederlantsche wijsheyt uyt enckele versochtheyt voort-ghekomen, ende niet min heylsaem ende waerachtigh, dan kort gheseyt, maer krachtigh wesende.
34. Siet daer het segghen der ghenerale Staten van der Neder-landen tot des Konings van Spangien gesantē opten Vredehandel tot Colen (pag. 54.) alsoo luydende: De Christelijcke Religie is een groote mysterye. Om de welcke te voorderen Godt niet en gebruyckt godt-loos krijghs-volck, noch boge noch swaert, maer zijnen gheest ende herders van hem ghesonden. Daer siedy de valsche ende daer siedy de ware wapenen om valsche leere te weren, ende de ware leere te voorderen so eygentlijck met weynich woorden voor ooghen gestelt: dat die alleen ghenoegh zijn (wel ter herten getrocken zijnde) om beyde die boecken Calvini ende Beze eñ van anderen vant ketter-doden te schanden te maecken ende voor dat zy zijn (dats voor valsch) te doen kennen. Ende daer mede willen wy dit nu besluyten: ten zy dat u belieft noch yet daer teghen te segghen.

W. B.

Neen, Maer willen nu eens komen aen ons laetste gheschille in desen, om dan onse t’samen-spraken te besluyten.

Coornhert.

Welck is dat laetste?

XXIII. Hooft-stuck.

Of d’Overheyt niet en moet oordelen vande leere, of zy ketterye is dan niet.

Wolfaert Bisschop.

Beza en verwerpt de ware wapeninghe Christi niet, neen gheensins, maer wil datmen die gebruycke, de ketters roepe voor de Consistorie, heur mette H. schrift berispe


ende onderwyse. Maer wat helpt dat als zy niet en verschynen ende de Consistorie verachten: of als zy schoon al komen, maer segghen dat zy de Consistorie, voor heur rechteren niet en willen kennen. (S. 293.)

Coornhert.

Heben zy daer onrecht inne? zijt ghyluyden int Trentsche Concilium verschenen?

W. B.

2. Wats dat gheseyt, dat waren onse partyen ende aenklagers: mogen die ons rechters wesen?

Coornhert.

Als een Doops-ghesinde, ja oock eenighe van den uwen een ander verstandt in eenigh stuck uwer leere verkregen hebbende voor u Consistorie wert geroepen: magh die oock met waerheydt niet segghen (soo ghy dedet totten Rooms. Cathol. tot Trenten) wy en mogen u, die ons aenklagers ende partyen zijt, voor onse rechter niet kennen? of hebt ghy meerder rechts teghen den Roomsch. Catholijcken dan de Doops-ghesinden, of sodanighe van uwen volcke teghen u hebben?

W. B.

3. Dats een ander questie. Maer te propoost, als eenigh ketter; alsoo gheroepen zijnde niet en verschijnt, maer de kercke veracht: wat sal de Consistorie dan doen? (S. 294.)

Coornhert.

De wapenen Christi (indien zy die heeft) ghebruycken, hem bannen ende met die heur uyterste straf vernoeghen.

W. B.

Hy sal, seyt Beza (S. 294.) niet beter begheeren, den ban verachten, ketter schoolhouden, aenhangh vergaren ende Secten maecken. Moet de kercke dat qauet niet in tijts voor-hoeden, den ketter d’Overheydt over-leveren, ende dat schurft schaep slachten, op dat al de kudden hem niet in schurftheyt en slachten ende bederven?

Coornhert.

4. Nae wiens oordeel sal dan sulck ketter ghedoodt worden?

W. B.

Nae d’Overheyts oordeel.

Coornhert.

Is u dat ernst? ick meyn Beza u dat niet ghestant en sal doen.

W. B.

Hy sal, want hy seydt dat selve, siet daer (S. 200.) Wy stellen de kennisse (oft oordeel)
van de ketters, aenden dienaer Godes, dats te segghen aenden Magistraet.

Coornhert.

5. Schone bloemen sonder vruchten; schijn sonder wesen. Salighe man merckt ghy niet beter?

W. B.

Het zijn Beze eyghen woorden.


Coornhert.

Dats waer, maer hebdy daer af oock Beze eyghen sinne? de naest-voorgaende woorden behoorden u wel een ander verstant daer af ghegheven te hebben. Want daer staet alsoo. ‘tIs wat anders de kennisse te nemen vant ketteryen ende wat anders van de ketters (S. 199. a.) leest hem daer voort ende ghy sult sien dat hy met uytgedruckte woorden rechters maeckt vande ketterye, niet de werelt, maer het woort Godes (S. 200.) te weten de kercke. (S. 200.)
6. Ist u daer wat bewimpelt ende met wil niet heel klaer ghenoegh gheseydt: soo leest hem hier, daer hy sich self wel naecktelijck verklaert met dese woorden. (S. 422.) Want inden eersten moeten zy (de Princen) sich sorghvuldelijck wachten, dat zy de grensen ende palen van haer machte niet en overtreden: dat is dat zy-luyden sich niet een onderwinden te oordeelen, of een leere ketterye is dan niet: want de kennisse daer af komt de kercke toe, ende niet den Princen. Siedy nu wel dat ick u recht hebbe gheseyt?

W. B.

7. Ja, in dat deel, dat de Princen niet oordelen en moeten vande ketterye: maer hier en beneemt hy d’Overheydt het oordeel niet vanden ketters.

Coornhert.

Noch merckt ghy langhsaem.

W. B.

Hoe soo?

Coornhert.

Kentmen oock erghens anders aen wie een ketter is, dan aende ketterye die in hem is?

B. W.

Neen. Ghelijckmen gheen Constenaer en kent, sonder de konst, of gheen Schelm sonder de Schelmerye te kennen, die in hem is.

Coornhert.

8. Also. Moet dan d’Overheyt niet oordelen vande ketterye, noch daer kennisse af nemen: hoe magh hy sonder ketterye te kennen, weten dat yemant een ketter is? wat weet hy of die ketterye in hem is, al saghe hy die al naecktelijck in yemant? want hy kentse


niet. Syluyden, zy; ick meen de Consistorie; nemen inder daet dat oordeel aen sich; maer laten den ydelen naem daer af by d’Overheyt.
9. Sy kennen (seggen zy) de ketterye, ende veroordeelen den genen daer zy die inne bemerckē voor ketters. Dat heurluyder, maer niet zijn eygen, oordeel, volght dan d’Overheydt. Die levert hem dan den scherp-rechter over om ghedoot te worden. Dit is des Overheydts werck in desen, maer het oordeelen wie een ketter is, is der Consistorien werck.
10. Dat heeftmen voormaels licht daer aen moghen mercken, dat gheen Schepenen macht hadden vry te wysen yemandt: al en konden zy niet verstaen dat hy een ketter ware: wanneer yemant maer d’aflaten, zielmissen of veghevuyr veracht hadde: ‘twelck de rechters dick self voor onwaerheyt aensaghen. Want de Theologanten hadden sodanige voor ketters verklaert ende daer op de Princen te dooden bevolen.
11. Merckt ghy nu wel dat die voorsz woorden Beze maer schoone bloemen zijn nde niet dan bedrieghelijcke listen om bloet te storten? de Overheyt soude met groote reden tot sodanige ghesellen moghen segghen, wildy ons van den ketteren het oordeel niet toelaten: wy en willen wederom u blinde executeurs of beudels niet wesen.

XXIIII. Hooft-stuck.

Dat elcke ghemeente sich rechter maeckt over al d’andere, ende niemandt anders oordeel over hem wil lyden.

Wolfaert Bisschop.

De Catholijcken en hebben mede ‘toordeel van de ketterye ende ketters d’Overheyt niet toe-ghelaten. So ghy self daer seght. Dus en zijnt d’onse niet alleen.

Coornhert.

Dat is waerachtigh. Maer waren die uwen daer wel mede te vreden?

W. B.

Wat vraeghdy dat? men weet wel neen.

Coornhert.

2. Deden zy u recht daer aen, hoe mocht ghy rechtelijck daer over klagen? deden zy u dan oock onrecht daer aen, maeckt ghy, sulcx anderen doende, niet, dat zy oock rechtelijck over u klaghen, in sulck onrecht te moeten verdraghen? of hebben alle d’andere kercken of Secten de uwe alleen het oordeel vande leere ende ketterye ghegheven, ende u tot heur alder rechter daerinne ghekoren?

W. B.

4. Dats verde van daer: immers de Catholijcken, ja oock de Lutherschē willen elck
over ons oordeelen. Der Catholijcken voornemen is ghebleken int Concilio van Trenten: maer der Lutherschen bestaen van sulcx blijckt (B. 14. 14.) daer wy dē Lutherschen aen-seggen: Dat zy hebben voor-ghenomen te verdoemen alle die ghemeynten: die met henlieden in sommighe artikulen niet overeen stemmen.

Coornhert.

Wilt ghy-luyden dat lijden?

W. B.

Geensins. Dat blijckt beyde waerlijck. B. 82.
4. Daeromme laten wy u dit naerstelijcken overwegen ende oordeelen, of het oock recht ende redelijck is: dat uyt Luthers qualijck accorderende leere, ses Theologhen; oock qualijck met malkanderen accorderende; souden die macht hebben; om ses duysendt andere Theologen, die met malkanderen wel accorderen ende eens zijn te verdoemen?
5. Ende ofmen niet met goeden rechte soude den selven moghen voor-werpen: alle ‘tghene dat hier te vooren den Paus van Romen is voor-gheworpen worden doe met zyne Cardinalen hem vermeten woude, over een yeghelijck zijn oordeel ende vonnisse te gheven.
6. Daer sietmen dat wy sulck oordeel van heur beyden over d’onsen, voor onrecht houden ende vermetelheydt.

Coornhert.

Is sulck verdoemen van dese of die kercke over allen anderen kercken in uwen oordeele onrecht: soo en hout ghy-luyden oock niet dat de Princen recht doen en prijslijck, die den raedt van de Luth. van de Rooms. of van ander kercken daer inne na-volghen en heur oordeel onbedachtelijck executeren.

W. B.

7. Vryelijck neen. Dat sietmen mede wel inden voorsz sent-brief, daer wy (pag. 89.) schrijven aenden Lutherschen, dat soo eenighe vorsten sulcke heur-luyder onghelucksalighe raedtslaghen met ghewapender handt na-volghden, dat geheel Duytschlandt met een grousaem in-lantsch oorlogh af-gebrant soude worden.

Coornhert.

Daer en prijsent die uwe niet. Maer daer inne zijn zy teghen Bezam.

W. B.

Hoe soo?

Coornhert.

8. Die wil dat de Princen dan zone sullen kusschen (Psa. 2. 11. 12.) dat is de religie sullen voorstaē, al souder oock uyt volgen d’uyterste verwoestinghe van’t gansche respublijck, ende een verderffenisse van d’ondersaten. (S. 306.) Denckt nu als de Catholijcke


de Luthersch ende de Gereformeerde Princen, die elck inden heuren sulcke stoke-branden als Beza hier blijckt te wesen tot raden hebben, der selver landt-verderflijcke raetslaghen na-volghen int geweldich vernielen van elck anders religie: soude niet gantsch Europa haest branden ende sich selfs verwoesten metten vlammen eens algemeynen Madianitischen moorderie?

W. B.

9. Daer voor behoede ons Godt dat de Princen heur macht so jammerlijck souden laten misbruycken tot verderf van landen ende luyden.

Coornhert.

‘Tis niet verde van daer, wortmens niet by tijts gewaer. So behoede God dan den Princen voor sulcke raets-luyden als u Beza, Calvijn, Bullinger, &c. in desen te geloven ende te doen al dat zy raden uyt eenen goeden yver, somen’t noemt.

W. B.

10. Is dat een goede yver? Calvijn noemt het een verwoede yver. (Ad. 23.)

Coornhert.

Jae inden Catholijcken Princen.

W. B.

Ende dat te recht. Want die hebben een valsche religie.

Coornhert.

Dits ‘toude. Elck seyt dat van d’anders Godts-dienst: elck hout de zijne voor de oprechte: en elck volght daer inne zijnen yver, ende die volgt het oordeel van heur leraers.
11. De Catholijcken oordelen alle d’anderen voor ketters: de Lutherschen verschonen daer inne oock niet den Catholijcken, Zwinghelschen noch Doperen: de Zwingelschen gheven ghelijck oordeel over den Catholijcken ende Herdopers, den Lutherschen noch (quantsuys) houdende voor heure broeders..
12. Maer nadien Beza self voor ketters hoet alle die anders leren (voren xv. 33. 34.) ende de Lutherschen in dat hooft-stuck vant Nachtmael anders dan zy leeren, so moeten al die dese Bezanissche leere van anders leeren geloven, in heuren gront de Luthersche voor ketters houden. Aengaende de Doperen en houden niet alleen den Catholijcken, Lutherschen ende Zwinglianen, voor wereltsche menschen ende buyten de ghemeenschap Christi, maer bannen daer oock af elck onder huer-luyden (die veelreleye zijn) alle die ergens inne anders ghevoelt.
13. Alsoo maecken elck van dese drie den Paus verdoemende om dat hy elck als heur aenklager ende rechter vereordeelt ende verdoemt heur self een Paus, aenklagher ende rechter over al d’ander, die zy sonder rechte rechter ende verantwoordinghe verdoemen voor ketters.

XXV. Hooft-stuck.

Dat niet alleen d’Overheyt maer oock elck magh oordelen van de leere ende dat wel of qualijck.

Coornhert.

Wy spreken nu van oordelen, daer toe is nodigh te weten wat het zy. Believet u te segghen?

W. B.

Segghet ghy.

Coornhert.

Ick houdet te wesen een vrye toe-stemminghe tot een uyt twee of meer ongelijcke saken. Of, wildijt anders, oordelen is delen, of scheyden uyt het gehoor aen weder-zyden van twyfelijcke saecken, door waen of ware kennisse: Of int korte gheseyt, redeniserende waerderen tusschen’t goede ende ’t quaede. Vernoeght u daer mede?

W. B.

Jae het is een menschelijck werck dat men magh wel of qualijck doen.

Coornhert.

2. Alsoo wel wort gheoordeelt uyt weten maer qualijck uyt waen. Het eerst is altijt recht, maer’t ander altijdt onrecht alsmen het oordeelen magh laten met redene.

W. B.

Hoe dat?

Coornh ert.

3. Om dat int oordelen het wetē altijt siet op bekende waerheydt: maer de waen heeft int oordelen soo wel waerheydt als loghen, maer beyde onbekent zijnde, voor ooghen.

W. B.

4. De waen magh dan oock by wylen recht oordeelen.

Coornhert.

5. Sy magh. ‘Tgheschiedt selden; maer by haes-aerdt op’t onseker. Maer weten oordeelt seecker ende dat altijdt.

W. B.

6. Men magh dan oock door’t navolghen der ghewaende waerheydt ter begheerder plaetsen komen, ende so doet menigh mensch int navolghen van zijn waen dan noch wel.

Coornhert.

Neen, niemandt, ten waer dat uyt noot?


W. B.

Hoe meyndy dat?

Coornhert.

7. Al die onghenootsaeckt uyt waen oordeelt die sondight, ende stelt sich moetwilligh in pericule van dolen. Soo ist niet daer die noot dringht. Gelijck of yemant staende op een schey-wegh van doot vyanden nagejaeght wert die hem sekerlijck souden doden indien hy bleef staen wachten nae yemant die hem ontwyfelijck den rechten wegh aenwees.
8. Dese; soo ter noot uyt twyfelijcke onsekerheyt de ghewaende rechte wegh verkiesende; soude moghen, maer wachtende niet mogen, den doot ontgaen: ende waer mitsdien onschuldigh in sulck zijn waen-oordeel overmits een voorgaende waerachtich oordeel, namentlijck dat minder quaedt is, een twyfelijck, dan een seker verderf, anders ist al sonde dat niet uyt seeckerheyt dats uyten gheloove en gheschiet. Rom. 14. 23.

W. B.

9. Ick versta u meyninge nu, ende houde die voor recht. Adam ende Eva deden onrecht in heur onnodigh oordelē vande boomvruchts kracht. Want zy mochten van alle bomen des paradijs, oock vanden boom des levens, eten ende ghevoet zijn.

Coornhert.

10. Also. Niet alleen om dat het hen onnodigh was, maer het was hen oock verboden van Gode ende mitsdien voor henluyden quaet gheoordeelt. Wat Godt quaedt oordeelt ende verbiedt, en moghen wy niet oordeelen, maer moeten ghelooven dat het quaedt zy.

W. B.

‘Tis waer.

Coornhert.

Wy zijnt nu daerinne dan eens, datmen dat werck van oordeelen magh doen wel, ende oock qualijck.

W. B.

Recht.

Coor nhert.

11. Lieve Wolfaert seght my naecktelijck u ghevoelen van mijn vraghen?

W. B.

Wat?

Coornhert.

Ick meen dat door u predicatien een Catholijck in twyfel waer ghebracht, dat der Catholijcken leere valsch, ende de uwe oprecht ware: maer dat hy noch in eenighe
stucken twyfelende tot u quame dat seggen ende bericht begheerde van die stucken op zijnder twyfelen oorsaecke. Soudijt hem weygheren?

W. B.

12. Geensins, maer begeerlijck ende vlytelijck hem antwoorden ende onder-rechten.

Coornhe rt.

Ick neem hy u toestemt in alles ende sich begheeft in u gemeente. Sult ghy sulck zijn doen prysen of schelden?

W. B.

Prysen.

Coornhert.

Magh sulck toe-stemmen oock recht ende onsondelijck geschieden sonder oordelen van beyde die leren, te weten van die hy laet ende van die hy aenneemt, dat d’een valsch zy ende d’ander waerachtigh?

W. B.

Gheensins.

Coornhert.

13. Sulck zijn oordeel en soudy hem dan niet verbieden?

W. B.

Neē, want dat is recht. So oordeelden die Beroensers van der Apostelen leere voordt aennemen van de selve (Act. 17. 11.) ende voort verlaten vande lere die zy hadden. Wie derf seggen dat zy daer onrecht aen deden?

Coornhert.

Ick houde dat oock soo. Want soo de gemene luyden niet en mosten oordeelen vande leere of zy oprecht is, dan valsch: so waren ons te vergheefs gedaen alle die sorghvuldige ende menighvuldighe waerschouwingen Godes, voor den valschen Propheten in beyden Testamenten (Deut. 13. 3, 18. 2. Jere. 23. 16, 27. 9. 14. 16, 29. 8. Col. 2. 4. 8. Mat. 7. 15. 16. 24. 26, 1. Joan. 4. 1. immers de Here stelt ons daer by noch mercktekenen daer by men den valschen Propheten soude moghen kennen.

W. B.

‘Tis waer.

Coornhert.

14. Indient so waer, dat God den verleyders der verleyden zielen af soude yeschen alleenlijck maer niet vanden verleyden: men soude licht het onder-soecken nae’t verstant der H. Schriftueren het oordeelen welck de ware of valsche leere is, laten varen, ende de vogelkens (somen seydt) laten sorghen, sonder ons met dat anckstigh nae-sproren


te bekommeren. Maer nu daer by staet dat sulcke bedroghene oock selfs in heur eyghen ongerechtigheyt gevangen sal werden (ende sterven Ezech. 33. 6.) ende het mijn leven niet en magh verschoonen, of schoon mijn bloet mede van zijnen handen sal geheyscht worden: duncket u niet recht te wesen ende van Gode ghewilt jae (soo voor-gheseydt is) geboden: dat wy alle vande leere sullen oordeelen welcke valsch is: om die (zijn wy daer inne) te verlaten, of voor te hoeden: ende die ware leere nae voorgaende kennisse der waerheyt te oordeelen ende aen te nemen?

W. B.

15. Ick en wil, noch magh daer niet tegen seggen. Want alsoo niemant in een anders ghelove en sal leven: soo sal elck in zijn eyghen ongheloove sterven.

Coornhert.

Elck ghemeen mensche magh ja behoort dan te oordeelen vande leere of die waerachtigh zy dan valsch.

W. B.

16. Recht. Daerom verbiedt ons oock d’Apostel allen gheesten te ghelooven: ende beveelt ons daer beneven de gheesten te beproeven, of die oock uyt Gode zijn. 1. Ioan. 4. 1. ende want (schrijft Calvinus daer op) d’Apostel dat vergeefs soude bevelen, so wy gheen vermoghen en hadden om sulcks te oordelen: so moetmen houden dat den Godtvruchtighen nimmermeer en sal ghebreken den geest der wijsheydt, voor soo veele heur noodt is, soo zy die maer vanden Heere begheren. Dat schrijft daer op CAlvinus, ende komt daer inne over een Mette woorden Jaco. 1. 5.
17. DAer schrijft oock op Marlorat. dat de d’Apostel hier oock spreeckt tot elkce ghelovighe bysonder. Ende nadien de gheloovige leeft uyt zijnen gheloove (Habac. 2. 4. ende Rom. 1. 17.) dat elck Christen van zijn religie behoort verseeckert te zijn, Christi stemmen te hooren, ende der vreemden stemmen te vlieden. Joan. 10. 5.
18. De selve schrijft noch op d’Apostels Pauli woorden: Proevet al, ende dat goet is behoudt: dat daer veel soude moghen worden gehandelt van des Paus hovaerdie ende tyrannie: die daer wil dat zijn leere met zijne menschelijcke insettingen van allen menschen aenghenomen sal worden, sonder eenigh ondersoeck. Voorwaer die sich van sulcken monster ghedoghen te worden gheregheert, heur onwetenheyt is moetwilligh.
19. Ende op ons Heeren woordem: Hoet u voor de valsche Propheten Mat. 7. 15. Commenteert Joannes Calvinus ditte: Daerom zijn de Papisten te seer stinckende: de welcke om ons hatelijck te maecken, sonerlinghe die woorden Christi roemen, datmen sich voor den valschen Propheten moet hoeden: daer door zy maecken, met heur roepen, dat d’onverstandighe sonder kennisse van saecken vermetelijck voor ons vervaert zijn.
20. Maer soo wie Christi raedt begheert te ghehoorsamen, dien ist noodigh voorsichtelijck ende met by-ghevoeghder wille-keur, te oordeelen. Want wy voorwaer belyden niet
alleen gaerne, datmen sich voor den valschen Propheten moet hoeden; maer wy vermanen oock ernstlijck ende hertelijck den eenvuldigen daer toe, dat zy sich wachten. Dat seydt Calvijn op Christi woorden.
21. Ende met dese onses Heeren woorden komen Salomonis oock gantsch over een, daer hy seydt: Een voorsichtigh man siet het ongeluck, ende hy verberght sich, daer tegen gaen d’onbesinden door ende lyden schade. Pro. 27. 12.

Coornhert.

22. Daer inne zijn wijt nu eens. So volght daer uyte. Nadien elck gemeen onder-saet wettelijck magh oordeelen vande leere: dat oock d’Overheydt ’t selve magh doen ende behoort te doen als mede mensch zijnde, ten waer ghy hem minder wilde in desen toelaten, dan een gemeen mensch, ende dat hem minder gheoorloft ware zijn ziele wel te besorghen, dan alle’t volcke.

W. B.

23. daer seyt Beza neen toe (S. 422.)

Coornhert.

Bruyckt hy daer reen toe? wat leyt aen dit zijn bloodt neen segghen sonder reden: teghen zijn selfs voorgaende jae segghen ghegrondt zijnde niet alleen op reden maer op de wet der natueren ende der schriftueren soo hy daer selve seydt. Leest daer (S. 351. S. 304. a.)
24. Daer seyt hy dat Asa de hooghten af dede. Ende dat hy die ketters (soo noemtse Beza) niet en sant totten Priesters (om heur oordeel te halen) maer wiste dat hy hadde het uytghedruckte woordt Godes van datmen alleen offeren soude opte plaetse die Godt verkooren soude hebben. Ende met het uytroeden van de ketteryen (dits Beze dichtinghe) ende af-goderien noch niet vernoeght zijnde, ghebiet hy den Godt Israels aen te roepen &c.
25. Dede hy dit al sonder kennisse, waerom prijst Beza sulck vermetel ende ongheloovigh werck? dede hijt oock met kennisse vant uytgedruckte woort Godes: hoe magh Beza segghen dat hy niet en oordeelde van’t quaede dat hy vernielde ende van de ware Godts-dienst die hy gheboodt?
26. Dese Koningh prijst Beza hoogh: om dit zijn werck prijst hy hem te weten vant oordeelen vande leere. Hoe magh hy nu wel segghen dae inne, dat de Princen niet en moeten oordelen vande leere, of die ketterye is dan niet: so hy recht daer aen schrijft, dat de Koningh Asa in sulck zijn oordeelen van de leere prijslijck ghedaen ende sich voor allen Christelijcke Princen daer inne tot een navolghelijck exempel ghestelt heeft?
27. Beza seyt hier dan onwaerheyt sonder schrift, uyt zijn partydigh vernuft tegen de H. Schrift: of hy misbruyckt willens ende wetens daer de H. Schrift van Asa teghen de waerheyt, ende oock plat teghen sich selve. Wat seghdy hier toe Bisschop?

W. B.

Ick hoore u


Coornhert.

Maer ick en hore u niet. Segt doch. Heeft de Hertogh van Sassen Luthers leere aenghenomen ende in zijn lant toe-gelaten sonder of met voorgaende oordeel?

W. B.

Men mach sodanigen Christelijckē vorst gheensins toe-betrouwen, sulcken hooghwichtighen werck, lichtvaerdelijck ende onbedachtelijck ghedaen te hebben, sonder een rijp ende wel-beraden oordeel.

Coornhert.

28. Was dat zijn oordeel niet vande leere, te weten, of de Roomsche Antichristschs was, so Luther: dan niet, so de Paus seyde: insghelijcx of Luthers leere ketterie was, so de Oaus: dan niet, so Luther seyde?

W. B.

Onghetwijfelt.

Coornhert.

Beschuldight, of prijst ghy dien Vorst om dat zijn werck van oordeelen?

W. B.

Wy alt’samen, oock Calvijn ende Beza self prijsen hem daerom als een wijs ende Christelijck Vorst.

Coornhert.

29. Segt noch, hebben de Staten van Hollandt met zijne Excellentie niet belooft te handt-houden de oeffeninghe alleen van de Ghereformeerde Euangelische (soo noemen die uwen de hare) religie?

W. B.

Ja. Dat segghen wy in onse ghedruckte antwoorde (d. iiij. verso) opte Leytsche Remonstrantie.

Coornhert.

30. So moet ghy nu notelijcken hier mede seggen een van drien: te weten dat de Prince metten Staten ende Steden sulcx belooft hebben, blindelijck en sonder oordeel welck de beste leere was, te weten de Roomsche, de Zwingelsche, de Luthersche of de Dopersche: of seght dat zy vande leere geoordeelt hebben welcke de ware was, ende welcke de valsche waren, ende dat zy sulcx doende buyten heur palen hebben ghetreden ende qualijck aen sulck heur oordeelen ghedaen: wildy dit gheen van beyden segghen, soo bekent dat d’Overheydt wel magh oordeelen vande leere, ende dat Beza sulck oordeel den Overheyden verbiedende argh-listelijck, bedrieghelijck ende valschelijck leert.

W. B.

31. Het lant stont doe ter tijdt in een valsche leere. Daer af mocht d’Overheydt oor-
deelen, die verwerpen ende die ware leere (te weten d’onse) aennemen. Dat was gheoorloft, ja ’t is van Gode gheboden. Maer gantsch anders ist nu de ware leere Godes hier is. Wat mensch, swijghe, wat Overheyt, magh nu daer van oordeelen?

Coornhert.

Elck, dien zijn heyl ter herten gaet. Maer waer blijckt u leere wettelijck by onpartydighe rechters in volkomen vryheyt wedersproken zijnde na vol ghehoor, voor de ware leere geoordeelt te wesen? segget ons weet ghy’t? dit roemdy u altijdt, maer nemmermeer doedy’t blijcken. Maer ofmen u dit noch al toeliet, (teghen recht) so seght doch, mach d’Overheydt maer eens van een selve leere oordeelen, te weten int eerste aennemen vande selve, ende voordts naemaels nemmermeer?

W. B.

Verklaert dat naerder.

Coornhert.

32. Ghenomen dat de voorgaende leere valsch ende dese leere int aennemen heel oprecht was. Soo oordeelde nochtans de Overheydt, of ten minsten het volck dat de vorige lere valsch ende de uwe oprecht was. Dit heur oordeel liedt ghy heur gaerne toe. Dat is nu eens gheoordeelt.
32. Neemt nu dat het sich naemaels bevindt dat daer grove dwalinghen in dese leere ingebroken zijn: sal d’Overheydt siende dat der kercken-dienaren die dolinghen niet en mercken maer voorstaen, ende niet vervormen willen: dan weder vande leere moghen oordeelen of niet?

W. B.

Sal u Beza wel willen ghestandt doen, datter dolinghen inde ware kercke moghen sluypen?

Coornher t.

Sal Beza wel dorven seggen dat in d’Apostolische kercke dolinge was ten tyde der Apostelen?

W. B.

Neen.

Coornhert.

33. Is zy oprecht ende in hare eerste suyverheydt vande leere ghebleven?

W. B.

Oock niet.

Coor nhert.

Daer is dan dolinghe in-ghekropen.

W. B.

Men moet sulcx bekennen. Oock schrijvet H. Bull. Huysboeck dec. v. ser. j. f. 214.


Coornhert.

Daeromme bekennent u Delfsche met-Predicanten naecktelijck (in heur gedruckte Remonstrantie aenden Staten van Hollant teghen D.V. Coornhert, p. 8.) met dese selve woorden.
34. Wy bekennen wel gaerne dat van oudts grove dwalinghen in de Christelijcke kercke in-ghebroocken zijn, ende dat niet min hogelick te prysen is den yver ende ghetrouwigheyt der genen, diese ghestraft ende ghesocht hebben wech te nemen: als de uytsinnigheydt der genen, die teghen haer vermaners zijn opgestaen, is te verfoeyen.
35. Even gheerne belyden wy oock, dat in de Ghereformeerde kercke so wel valsche leere kan in-kruypen, alsse in d’oude kercke ingekropen is, ende staet over sulcks nu soo wel als eertijdts op de leere te letten. Inde welcke soo yemant onsuyverheydt bevint, hy onverbeurt de selve mach ende behoort aen te wysen. Dat schrijven uwe met-broeders. Dat mach dan een gemeen man doen. Waer om niet d’Overheyt selve? mach dat geschieden sonder oordeelen vande leere? d’Overheydt mach dan daer van oordeelen.
36. Neemt dat eenigh Christelijcke Overheydt de leere Calvini voor oprecht gheoordeelt ende in zijn ghebiedt aengenomen hadde: soo die was metten eersten, als hy leerde (somen hier voor, oock in al zijn ende der zijnen eerste onveranderde schriften leest) datmen neimandt en behoordt te dwinghen in zijn conscientie ende om gheloovens saecken te dooden.
37. De selve Overheydt bevint hem, mette Consistoriantē namaels met heure schriften ende wercken pladt anders te leeren. Soude hy niet vande valscheydt van desselven Calvijns ende der Consistorianten leere moghen oordeelen?

W. B.

Beza en soude hem sulck oordeel gheensins toe-laten.

Coornhert.

Soo zijn Arnoldus ende Donterklock al veel bescheydener, of noch onmachtiger dan Beza, die’t niet alleen toe-laten, maer oock behoorlijck achten voor eyghelijck die de dolinghe merckt.
37. Merckt doch Bisschop de grove ongheschicktheyt die uyt niet willen toelaten Beze moeten volghen.

W. B.

Welcke?

Coornhert.

De Princen (seydt Beza 422.) moeten wel toesien dat sulcker saken kennisse (te weten of een leere ketterye is dan niet) heylighlijck beleedt werden na de suyvere ende rechte bedieninghe des woordts.

W. B.
Seydt hy onrecht daer aen?

Coornhert.

38. Kennen de Princen die suyvere leere niet, hoe mogen zy die heylighlijck doen beleden? kennen zy die dan wel, soo kennen zy oock de valsche leere: wat behoeven zy dan u oordeel? waerom beneemdy heur het oordeel? Laet ons dit op-nemen inden oorspronck van dese Calviniaensche ketterdoodinghe selve, te weten inden handelinge van Servet.
39. Segt dan, geviel daer tusschen hem en Calvijn geen disputatie van servets ketterye voor dat hy wert ghebrandt?

W. B.

Vryelijck jae.

Coornhert.

Alleen tusschen ende in’t by-wesen van Servet ende Calvijn metten zijnen: of oock mede ten by-wesen ende aen-hooren vande Geneefsche Overheydt?

W. B.

Oock ten aenhoren vande justicie of Overheyt (Ad. pag. 89.)

Coornhert.

40. Die was daer teghenwoordigh om te horen sonder verstandt, ende vander saecken niet te oordelen: of om kennisse vande sake te nemen, die te verstaen en om daer af te oordelen, te weten of de leere Calvini, dan of de leere Servets ketterye was. Segdy’t eerst, so en was d’Overheyt Servets rechter nier maer Calvijn met zijne mede-Ministers: te weten zijn aen-klagers ende partyen selve.

W. B.

Dat en sal u niemandt vanden onsen toestaen.

Coornhert.

41. So moeten dan alle de uwen oock Beza selve sich dat schamende toestaen en bekennen dat d’Overheydt tot Geneven in Servets sake rechters zijn gheweest, ende mitsdien dat tegen Beze leere, zy vande leere, of zy ketterye is, dan niet, gheoordeelt hebben. Ende self Beze leere voor onrecht houden of hielden immers doe ter tijdt.

W. B.

42. Men ontkent niet dat d’Overheydt tot Geneven Servet veroordeelt hebben, te weten na zynen persone voor een ketter.

Coornhert.

Wist d’Overheydt dat Servet een ketter was, sonder te weten dat hy kettersche opinien in sich hadde ende leerde?

W. B.

Neen.


Coornhert.

Kenden zy die zijne ketterye soo grouwelijck ende doodens-waerdigh of niet?

W. B.

Hadden zy die niet doodt-waerdigh ghekendt, nemmermeer en souden zy hem voor een doot-waerdigh ketter veroordelt hebbē.

Coornhert.

43. D’overheyt oordeelden dan van Servets ketterye, te wetē voor doot-schuldigh.

W. B.

Alsoo.

Coornhert.

Na Beze leere hier, als geseyt is, so tradt dand’Overheyt tot Geneven buyten de palen van heur macht, inder kercken macht. Wildy hier teghen segghen?

W. B.

Ick en vermaghs niet, Beza leeft, hy macht doen.

Coornhert.

44. Na Beze leere, dat de Overheydt niet en vermagh te oordeelen van een leere of die ketterye is dan niet, moet ghy, al de uwen ende daer onder oock Beza bekennen een van beyden, te weten dat Servet t’onrecht veroordeelt is gheweest van d’Overheydt, alsoo dat hen-luyder amot niet en is, noch in heur machte: of s hy niet van d’Overheydt, maer van Calvijn met zijn mede-Ministeren veroordeelt, soo is hy van zijne beklaeghers ende partyen selve (dat onrecht is) veroordeelt: ende in allen ghevalle hoemen dat draeyt of buyght Servet onwettelijck veroordeelt ende ghebrandt is gheweest.
45. Was dan Calvijn door zijn benevelde hatelijckheydt soo gantsch verblindt dat hy selfs belijdt oorsaeck ende beleder te zijn geweest van desen onredelijcken ende wreeden handel, ende heeft hy in sich selfs self niet konnen mercken dat hy hier trat inde voetstappen vande Roomsche Catholijcken? dit moste hy gewaer worden zijns ondancks te laet, van die godlose daedt.
46. Want na Servets doodt, om dat zijn leelijcke werck aen Servet te verschoonen, schrijft Calvijn (Ad. 24.) Dat den Princen van node is wijsheyt ende mate te houden: op dat zy niet int wilde en schermen om een onbekende sake te beschermen. Soude dat met Beza heten niet te moeten oordeelen vande leere of die ketterye is dan niet.
47. Daer schrijft Calvijn: Dat de Princen niet uyt de kerf en moeten gaen om onmatelyck menschelyck bloedt te storten. Heet dat met Beza blindelijck alleen op der aenklagers tuyghnisse een beklaegde te doden? daer verklaert Calvijn, Dat de superstitie wonderlyck stout ende wreet is: ist met Bezag heen vermetele felheydt sonder kennisse te
hebben van saken eenen mensche ten brande te verwysen? Ende daer betuyght Calvijn dat alle ongheloovighen ghelijcken den duyvel heur vader die een moordenaer ende logenaer is van aenbeginne.
48. Magh Beza sulck veroordeelen ende dooden sonder voorgaende gewisse kennisse van waerheyt, ende van Godes bevel (soo hy den Princen leert) oock eenighsins van loghen ende moort veronschuldighen?

W. B.

Dat spreeckt Calvijn daer vander Papisten moorderye ende niet van zijn werck aen Servet.

Coornhert.

49. Daer spreeckt Calvijn buyten zijn meyninghe oock van zijn daet aen Servet. Want het blijckt dat hy heur doen soo volkomelijck naghevolght heeft (behalven alleen dat Servet weder-roepende zijn leven behouden mocht hebben) dat hy hem self van loghen ende moort moet beschuldigen, indien hy aen sulck zijn segghen den Catholijcken niet valschelijck beschuldight.

W. B.

50. Siet toe dat ghy Calvijn niet valschelijck en beschuldigt. Want Calvijn seyt daer wel uytdruckelijck dat de waere dienaren Godes (hy meynt de Princen) sich horen te wachten van een onbekende sake te beschermen, ende van al te groote strengheyt.

Coornhert.

So behoorde hy dan na dese lere van Beza den Overheyt tot Geneven van die wrede doot int levendigh verbranden Servets af-gheraden te hebben.

W. B.

Waerom dat?

Coornhert.

51. Kan d’Overheyt de sake van ketterye oprechtelijck oordeelen: soo verbiet hy heur ‘tonrecht sulck oordeel. Kan die sulcx niet so en konde de Geneefsche Overheydt oock Calvijns saecke niet oprechtelijck oordeelen, ende heeft een onbekende sake beschermt.

W. B.

52. Calvijn houdt self ter voorsz plaetse voor ontrou ende eerloos een rechter die in aertsche saken sich ghedraecht aent segghen of wanen van anderen, sonder te onder-soecken vande daet of vant recht: hoe veele te onlydelijcker (seydt hy) zijnse dan de onachtsaem zijn ende heur hooft niet en willen breecken int onder-soecken om te onder-scheyden de dinghen die de glorie Godes betreffen?

Coornhert.

53. Wat des aengaende de Geneefsche Overheydt heeft ghedaen, thoont Calvijn


klaerlijck in dit selve boeck. Ende dat Beza in desen zijnen meester Calvijn pladt teghen is, sietmen hier opentlijck, want Calvijn seydt self stracks aen de voorsz zijne woorden (Ad. 24.) Naedien God scherpelijck gebiedt, dat elck op sich selve de waerheydt sal soecken, om seker ende gheresolveert van zynen gheloove te wesen. Hoe sullen de ghene die met publijcke autoriteyt sententie moeten pronuncieren, als zy niet vele gheacht en sullen hebben, om wel geresolveert te zijn in’t ghene dat zy doen?
54. Daer sietmē dat Calvijn wil dat d’Overheyt oock naerstigheydt behoort te doen om de waerheydt te kennen, op dat hy in saken vande leere en ketterye (hier af handelt hy) sekerlijck souden mogen vonnissen. Immers daer toe voert Beza oock self inne van Moyse bevolen te zijn dat de Koningh het wet-boeck sal lesen (S. 299. Deut. 17. 19.) is dat om Godes wet niet te verstaen, of ist om dat hyse wel verstaende, daer af niet en sal oordeelen? blindelijck eens anders oordeel in desen volghen?
55. Of isser gheen ghevaerlijckheydt in sulck blint ten doode veroordelen ghelegen? of zijn alle Predicanten ware leeraers?

W. B.

Dats verde. Beza bekent self dat de herders wolven moghen worden, jae dat sulcx alle daghe gheschiet. (296.)

Coornhert.

56. Wel aen dan. Is sulcker wolven aert niet fel ende gierigh, dorstende ende hongerende nader schaepkens bloet ende vleesch?

W. B.

Onghetwijfelt.

Coornhert.

Als dan de Princen, Beze Leere naevolghende; sich niet en onderwinden het oordeel vande leere, of die ketterye is, dan niet, maer dat de kercke; dat is veel tijdts sulcke wolf-herders die naeder schapen vleesch ende bloedt staen, de schapen voor wolven of ketters beklaghen; dat oordeel over den schapen bevelen om nae sulcker wolf-herders voor-oordeel de onnosele schapen voor ketters ten doode te veroordelen, ende door den beudel doen dooden; sullen zy niet blindelijck, wreedelijck en tyrannighlijck meest den schaepkens Christi voor wolven, ende voor den wolven, dtas om der wolven wille dooden, ende daer teghen de wolven (want d’een wolf bijdt d’ander niet) sparen, voorstaen ende beschermen?

W. B.

57. Dat en wil ick niet ontkennē. Immers Beza en ontkent selve niet dat sulcx wel geschiedt, daerom wil hy dat de Princen sulcke saken sullen beleden na de suyvere bedieninge vanden woorde Godes: Op dat (seyt hy) by faute vande saecke te verstaen, zy (de Princen) heur self niet en maecken dienaren van eens anders wreetheydt. In plaetse van
beschermers te wesen ende yveraers van der waerheydt Godes.

Coornhert.

58. Bezag heen waerheydt met hem hebbende in dese zijne loghen-leere moet nootsaeckelijck tot vele plaetsen de waerheyt teghen zijn valsche opinie spreecken, als oock hier: seydt hy niet dat de Princen niet en moeten oordeelen vande leere of die ketterye is dan niet? (S. 422.)

W. B.

Jae dat zijn sijn woorden selve.

Coornhert.

59. Soo moeten de Princen met dat oordeel laten begaen alleen den Predicanten of Herders.

W. B.

Dat volght.

Coornhert.

Als die dan in wolven zijn verandert, dat dagelijcx gebeurt (so Beza self bekent) ende de Princen de voorsz zijn leere navolgende, de wolf-harders dat oordeel bevelen ende ‘tselve executeren: worden zy dan niet dienaren van eens anders wreetheydt? Beza seyt self jae. Worden zy dan niet der papen (ende der nieuwe papen) beudels, so Calvijn seydt? Eplā. 255.
60. Siet daer de vrucht van dese Bezanische lere van’t ketter-dooden, ende siet daer de jammerlijcke mensch-moorderye veroorsaeckt uyte blintheyt der Princen ende volckeren: vermits der Schrift-geleerden duyvelsche swarte konsten: waer door zy hoogh ende lage betoverende het oordeel vande leere benemen, rechts of die niemandt aen en gingh dan sulcke verkeerde gheleerden.

W. B.

61. Nu ghy daer af roert, en magh ick niet laten, tot een besluyt deser saecken, noch te verhalen ‘tgeen de voorneemste onser H. Vaderen daer af heeft gheschreven teghen den Koningh Henricum van Enghelandt, ick meyne Martijn Luther, soo ick noch onlanghs hebbe gelesen inde 2. Tom. Jenens. fo. 562. daer aldus staet:
62. Vande leere kennisse te nemen ende te oordelen betaemt alle Christenen ende elcken bysonder: ende dit betaemt also, dat hy oock vervloeckt moet zijn, die dat recht een hayrken quetset. Want Christus selve heeft dat inghesteldt, met onverwinnelycke ende verscheydene sententien Matth. 7. Hoedt u voor valsche Propheten, die tot u komen in schaeps-kleederen.
63. Seecker dat woordt spreeckt hy totten volcke teghen den leeraren, end beveelt heur datse heur valsche leeringhen sullen myden. Maer hoe sullen zy die vermyden soo zy die niet en kennen. Hoe sullen zy die kennen, ten zy dat zy macht hebben om daer af te oordeelen.


Nu heeft hy heur niet alleen macht maer oock bevel ghegheven om te oordelen: soo dat dese authoriteydt alleen ghenoeghsaem mach zijn teghen aller Pausen; aller Concilien, aller Scholen ende te onderscheyden zy den Bisschoppen ende dienaren alleen hebben ghegheven: ende die Godloselyck ende kerck-rovelyck den volcke; dat is den Koninginne-kercke hebben benomen.
Want daer staet Christus segghende: hoedt u voor valsche Propheten. Dit onderteeckenen by nae alle der Propheten syllaben. Want wat doen de Propheten anders dan dat zy den volcke vermaenen datse den valsche Propheten niet sullen gheloven. Ende wat is dat vermanen anders, dan te verklaren ende te bevestighen; dat het recht om de kennisse te nemen ende te oordelen by den volcke zy; ende heur allen heurs wercks te doen ghedencken ende te verwecken, teghen aller heurder Priesteren ende Leeraren leeringhen.
Daeromme besluyten wy hier uytte, soo dick als Moyses, Iosue, David ende alle de Propheten in de oude wet den volcke af-roepen van den valschen Propheten, ende vermanen, dat zy oock soo dickmael bevelen, bevestighen, aen-porren tot het recht vande kennisse te nemen ende te oordeelen heur aller leeringhen. Nu doen zy dat tot oneyntlijcke veele plaetsen. Heeft hier onse Henrick of eenigh vuyle Thomist oock yet in te bespotten? Hebben wy niet verstopt den mondt; die daer spreeckt onbillycke saecken?
Laet ons weder keeren totte nieuwe wet. Christus seydt (Ioan. 10.) myne schapen horen myn stemme, maer des vreemden stemme en horen zy niet, dan zy vlieden van hem. Maeckt Christus hier niet de schapen rechters ende gheeft hy hier niet den hoorders den macht om de kennisse te nemen? Ende Paulus totten 1. Corint. 14 seggende: Een segghe, d’andere oordelen; indien den fitter geopenbaert wert soo swyghe d’eerste. Wil hy oock hier niet, dat het oordeel zy by den hoorder. Also mede, soo wat Christus Matth. 24. ende spreeckt vande valssche leeraren: alsoo wat Petrus, ende Paulus vande valsche Apostelen ende meesters ende Ioannes van de gheesten te proeven bevelen: streckt alles daer toe, dat d’autoriteydt van’t oordeelen, van’t proeven ende van’t verwerpen zy by den volcke, ende dat seer rechtvaerdelijck.
Want elck ghelooft wel of qualijck tot zijn selfs pericule: daeromme oock elck voor sich self sorghe moet dragen dat hy recht ghelove, so dat oock het ghemeyn ghevoelen, ende des saligheydts nootsakelijckheyt veroorsaken dat het oordeel van de leere noodtlijck zijn moet by den hoordere. Anders soudet vergheefs geseydt zijn: proevet al ende behoudt dat goedt is. Ende noch: De gheestelycke oordelet al, ende en wordt van niemanden geoordeelt. Nu is elck Christen gheestelyck vermits de gheest Christi. Het is alles uwe, seydt hy, het zy dan Apollo, of Paulus, of Cephas. Dat is van ons alder woorden ende wercken hebdy macht om te oordeelen.
Du mooghste nu sien wiens gheest die hey-
loose ende vervloekte Concilien zijn: die sich verstoudt hebben teghen soodaenighe blicxemen der gantscher Schriftueren ende alder-klaerste sententien, sich self ende den Pausen toe t eyghenen, den macht om te oordeelen ende kennisse te nemen, ende oock daer en boven om te ghebieden ende wetten te maecken. Dit zijn onghetwyfelt Satansche ghedachten gheweest, door welcke hy de werelt heeft doen overvloeyen die werckinghen der dolinghen ende den grouwel inde heylighe plaetse ghestelt, oock een veylighe Tyrannye: na dat den volcke was benomen de macht om te oordeelen, daer voor de valsche Doctoren souden hebben moeten vresen. Ende den wegh gheopent worde tot plompe oock superstiose onderdanigheydt ende lijtsaemheydt des volcks om in alle dolinghen ende grouwelen te vallen.

Coornhert.

Seght nu Bisschop, of Luther daer recht dan onrecht heeft gheschreven?

W. B.

Wie moet niet bekennen alle sulcx waerheyt te wesen ende trouwelijck geschreven?

Coornhert.

So meot ghy oock self bekennen dat Beza niet alleen den volcke, maer oock uytdruckelijck d’Overheydt selve het oordeel van de lere benemende (S. 422.) daer aen onwaerheyt ende bedrieghelijck heeft gheschreven. Lieve is dat niet het selve padt bestaen inne te treden, dat Luther soo grouwelijck schelt inden Pausen?

W. B.

Ick sal hooren of andere vande onse dat konnen weder-spreken. Die macht noch wil en hebbe ick niet.

Coornhert.

Soo doet. Want vele van uwe voorneemste Consistorianten dit lijck-sangh met heure Vaderen singhen. Ende hebber gheen vernomen van de uwe die hier sulcke bloedighe ende verderflijcke opinie opentlijck hebben weder-sproocken, maer swygende toestemmen, jae dat meer is opentlijck de Politie ende kerckelijcke discipline der Stadt Geneven loven ende wenschen dat sulcke in veel plaetsen ghevonden mocht worden. (Int kort verhael fo. 131.)
Hoe wel datter vele (so ick vast gheloove) vande leden der gemeenten zijn die een mishaghen hebben in soo moordelijcke dolinghe die inde kerck sluypt. Ende my dies sullen danck weten dat ick die aengewesen, valsch te zijn bewesen, ende nae behooren ghedaen hebbe tot suyveringh der kercken, der lantsaten heyl in tijdtlijcke ende eeuwighe saligheydt. Amen.


Vervolginghsschade.

Dat onse sonden een oorsake zijn soo 1 1 Jorghen Kleynverghen. Wat schade de vervolging de wereldt brenghen. f. 108. vande ketterē, etc veler schaden, oneenigheyden, ende krijghen: met welcken op den huydighen dagh die gantsche wereldt, ende bysonder dat Duytschlandt (ende nu Nederlant ende Vranckrijck) geplaeght ende ghestraft wordt, daer aen en twyfelt gheen recht-sinnige, van welcker de sondē de voornaemste oorsaken zijn, daer vragen weynigh nae. Ick meyne dattet die Tyrannie ende verwoetheyt is ende waerom ick dat meyne is dit die oorsaeck. God heeft ghesproken: So wie dat menschen bloet vergiet, diens bloedt sal weder vergoten werden. Gen. 9. Want de mensche is na den beelde Gods geschapen, 2 2 Matt. 26. 52. Apo. 13. 10 ende Christus spreeckt, die metten swaerde slaet die sal met dē swaerde omkomen. Jacobus seyt: 3 3 Jac. 2. 13. Mat. 18.33 Een onbermhertigh oordeel sal hem gheschieden die gheen bermhertigheyt en oeffent ende derghelijcke sproken zijn veel die daer kennen gheven dat bloedt met bloedt gestraft wordt: sulcx bewijsen oock die exempelen. Abimelech hadt met hulp en bystandt der Sichemyters zijn broeders doodt gheslaghen, maer God heeft die Tyrannie aen beyde haerder bloedt ghewroken. Jud. 9. Saul hadt getyranniseert uyt gonst der Israeliten tegen de Gabaoniters ende om dier oorsaken willen heeftmen groten honger geledn drie jaer lang, welcke oock niet en heeft willē ophouden tot dat het gheslachte Sauls om quam. 2. Reg. 21. Die Israeliten hadden ghewoedet tegen die Propheten ende zijn derhalven den vyanden tot deel ghevallen, derghelijcke exmpelen hebbē wy gantsch veel, met welcken te kennen ghegheven werdt, dat niet alleen die gestraft worden, die daer Tyranniseren, maer oock die, welcke over alsulcke Tyrannie sich verblijden ende niet treuren, &c. 4 4 Psal. 137. Apoc. 11. 9. 10. Ende dat wy ghelijcker wijse gestraft worden, is klaerder aen den dach, dan men het uyt spreken kan. Hadden wy geen bloedt vergoten, soo mochten wy gheloven, het waer een ander saeck, maer nu dewijl soo veel bloedts tot onsen tijden vergoten is gheworden, dat ik nau gheloof, dat oyt gheschiedt is, soo en is gantsch gheen twijfel, dan dat wy even daerom gheplaecht worden, niet alleen doch en spreeck ick vanden bloede, dat inden krijge is vergoten worden, van welck doch (soo het teghen recht ende billickheydt gheschiet is) oock moet rekeningh ghegeven worden, maer ick spreke sonderlinge van dat bloedt, het welcke om die religie ende geloofs wille is vergoten worden, welcke gheloof dewijle het voor sich selfs een sulcken aert ende eygenschap heeft dattet dat bloet wtillet (want zy sullen spreeckt hy (Isa. 2. 3. Mich. 4. 3.) uyt haeren swaerden ende spiessen, sickelen ende ploegh-ysers smeden) en kan ick doch niet weten, uyt wat verkeerden sin der menschen alsulcks gheschiedt, dat niemandt dat meer en vergietet dan even die, die sich daer voor uyt-gheven, als hadden zy den rechten gheloove, &c.
Wat sal ick segghen van die stadt Munster, in welcke stadt, gheloof ick, dat ons Godt opentlijck heeft willen te kennen gheven (als wy anders niet blinder dan aerdt-
mollen en warē) hoe dat hem alsulcke lieden grotelick mishagen, die daer metten sweerde den geloove en religie handelen ende voeren. Den eersten heeftmen ghetyranniseert tegen den Weder-doperē, waer uyt een nieu waesende Sect, ende grouwel des woedens ontsprongen is, daer teghen hebben sich die Weder-dopers met wapeninghe oock beschermt, ende veel haer weder-partye doodt geslagen. Daer is bloet met bloet gewroken worden, daer teghen zijn oock gantsch ellendelick , te voren waren oock sommige geweest die daer verwoeden, tegen de weer-lose, en welcke dat aldergrouwelickste is, hebben zy noet alleen met den sweerde teghen haer geraset, maer oock met boecken, daer mede sich de grousaemheydt des te breeder uytspreyden mochte, en des te langher duren, ja van tijdt tot tijdt blijven, &c. ende in de gheheele werelt tot in eeuwigheyt dodet, dat is doch een sulck dingh, dat ick gelove, wie alsulcks niet en beweene dat hy gheen menschelick hert en heeft, Godt heeft sonder allen twijfel willen te kennen geven, hoe hen dit behaeght daer hy ghemaeckt heeft, dat even die aen-vangher deser meninghe, 5 5 D. Zwing. een gheleert man, wijdt in die werelt vermaert, niet lange na dat sommighe weer-lose menschen zijn ghedoodet worden, is selfs inder slach-ordeninghe om-komen met vele, welckes dan vele, ende vrome Godtvresende lieden gheloven, dat hem van deser daedt weghen gheschickt is. Het soude ons doch dese soo openbaer exempel beweghen, maer ick duchte dat sommighe haer herten verstockt hebben. Sy varen even op den selven wech voort ende laten boeckē van den grousamen Tyrannie, dat is brandt in de gheheele werelt uyt gaen, dat immers des doodt slaens gheen eynde en worde, tot dat ons die Heer, (nu) wy metten sweerdt ende bloedt onser 6 6 J. C. T. B. broederen bloedigh gemest ende vet worden zijn, met zijnder toekomste overvalle, en totten geveynsden sette Mat. 24. 48. 49. Even die, de welcke ten eerstē haer weder-partye, om des willen bysonder omghedreven ende ghequelt hebben, dat zy met den swaerde disputeerden, daer zy dat metter waerheydt niet en konsten, die, segh ick, nae dien dat zy die kracht ende den gewelt verkreghen hebben, volgen zy haer tegen-partyders na, en nadien zy die met haren boecken, van welcken zy ghestraft zijn met langhsamen viervlammen, ghebraden hebben, varen zy toe, ende gieten die asschender selvigher quadelijck uyt, gewisselijck dat zy die doden overwinnen, het welcke zy niet doen en konden, doen de selvige noch by den leven waren, en dat zy teghen die asschen der boecken disputeren moghen alles nae haren wile, sonder yemandts teghen-strijden, hier ende ginder wenden ende buygen. Een over-schoon oordeel is dat als men een mensche eerst doodt slaet, eer datmen bekent of hy oock te doden zy, ende als men oock maer zijn boecken niet en vergont, dat zy nae zijnen doodt, den handel genoegh doen ende beschermen. Ende daer nae willen wy die aen-klagen, welcken den beklaeghden die tonge af-houwen, soo doch wy hem die boecken, ende dat leven nemen daer mede niet alle dinck beweert en dat goedt is behouden werde. Och wat bloet-dorstigher herten, och hoe is doch dat


soo een noyt ghehoorde grousaemheyt. Wie is opt soo neerstich geweest in des menschen leven behoudinghe, als in zijnder verdervinghe? O Christe, o du stercke Godt, o du Vader des toekomstige werelts, o du Vorst des vredes, o du licht der werelt, verlicht de ooghen der Vorsten ende Overheeren, op dat zy niet voort aen knechten der grousamer tyrannie en zijn: maer sich na bermhertighheydt ende goetheyt stellen. O ghy Vorsten ende Overrigheyden alle metten anderen, doet op u oogen, doet op u oogen, vreest God ende denct dat ghy eenmael rekenschap sult gheven van uwen ampts weghen, veel zijnder ghestraft geworden van haerder tyrannie wegen, maer niemant van zijnder sachtmoedicheyt wegen. Vele sullen ten jongsten daghe verdoemt worden, dat zy de onschuldighe omghebracht hebben, maer niemandt sal verdoemt worden, dat hy niemandt en heeft doot gheslaghen. waer om en zijt ghy niet liever goetdadig, dan dat ghy volget dē ghenen die u tot dooden anrissen? Want zy en sullen u niet mogen helpen zoo ghy u voor God wilt ontschuldigen, want zy sullen met hen selfs ghenoegh te doen hebben. Gelooft my vryelijc, wen Christus selver by u waer, hy en soldt u gewisselijck niet raden dat ghy al sulcke sout om t’leven brengen, die zijnen name bekennen, wen zy al schoon in etlijcke stucken dwalen, of ons dunckt dat zy dwalen. Want so zy selfs also gepijnigt worden, zo en solden zy nimmermeer alsulcks raden, ghelijck huer oock sommighe anders ghezeydt ende gheraden hebben doen zy selfs in die vervolginghe waren, ende lijden mosten. Maer volght veel meer den ghenen die u tot barmhertigheydt aenstichten, dat ghy dat onkruyt staen laet tot den dagh des oogsts. Want die dat onkruyt uytroeyen, die roeyen dat ghebodt Christi uyt, het welck wil datmen t’onkruydt laet staen etc. 1 1 f. 114. vers. (Ende noch) Ghy behoort lijf ende leven der vromen met den lijflijcken swaert te bewarē, dat swaert en kan dat herte niet afgewinnen noch verheeren. Zijt vernoeght, ende latet blyven by den zwaerdt dat u Godt bevolen heeft, dat ghy de moorders, veraders, ende valsche tuyghen ende andere quaedtdoenders straffen, maer dat die religion aentreft, zoo sult gy den vromen beschermen, van aller onbillijcheydt, dat is u ampt, dat woordt Godes en laet sich niet met den zwaert leeren ende tracteren. Want soo onse schrift gheleerden
dat van u mogen verkrijgen dat ghy de leere met zwaert ende wapenen onderholden solt, so solde billycker wijse dat een medecijnmeester oock konnen doen, dat hy van u begeerden, datmen een ander Meester, met den zwaert solt keren, soo die selvighe een ander meyninge yet wat voor hem hadde, dan hy. Wordet doch wijs en volget den raet Christi ende niet Antichristi. Noch die u raden dat ghy bloet vergieten solden, van des gheloofs wegen, op dat ghy niet haer henckers en zijt. Zo dat niet en is, so sult ghy weten, dat het oproer ende krijgen geen eynde zijn en sal, tot dat zy alle jammerlijc verderven, die so wreventlijc bloet vergoten hebbē. En denct niet dat ghy met uwen verwoeden, die oproer te stillen meynt etc. (ende noch) Dat zien wy tot onsen tijden ooc. Want so waer vervolginge zijn, daer ist vol onrustigh wesens: maer daer geen vervolginge en zijn, of alschoon veelderley geloven zijn, so isset doch altemael rustich ende zedigh. Ic weet etlijcke steden daer in een yegelijc kop schier zijn 2 2 Duytschlandt. eygen meninge heeft, doch ist daer alles rustigh dewijl daer gheen vervolginghe en is, maer so der de vervolginge begonst, so soldet oock groote verwerringhe ende alarme geven. Daer zijn tot Constantinopel Turckē, Christen, Joden, drie Nation, die gantsch niet te samen en zijn in der religion, die leven doch rustigh onder den anderen, het welcke doch niet zijn en mochte, zoomen aenvinghe malkanderen te vervolghen. Men overweghe de zake wel, zo salmen begrijpen dat die vervolginghe alle weghe, grooten jammer ende ongeluck hebben te weghe ghebracht. Daerom O lieve Vorsten, Overheeren ende Overheyden, zoo ghy in ghoeden ruste ende vrede wilt leven, zo en volgt den genen niet die u aenritsen tot vervolghinghe, want alzulcke zijn oproerisch, hoe wel zy ander liedē beklagen als oproerders, so de Joden Christum deden, en doch selver den oproer maecten, ende willē dat huys des Heeren Christi (dat alleen met liefde zoldt ghebout werden) met haet ende bloet bouwen, wan ghy u nu wachten en zult, zo ziet toe, want ghelooft my, dat zy zolden u rijck, die ghemeyne Politie, ende ghemeyne nuts staet, u ziele, ende u lijf eeuwelijck verderven, ende zouden u even in dat ongheluck brenghen daer in die schriftgheleerden ende Pharizeen dat Joodtsche volck met haren doorachtighen ende bloedighen raetslagh ghebracht hebben.

FINIS.


Kenteeckenen van Ghereformeerde ende Ghedeformeerde Consistorianten.

I.

DIe leeren dat het gheloove met desselfs oeffeninge behoort vry te wezen. Welck zoo kenlijk is, dat zulcx te bewijzen verloren moeyte waer.

II.

Welcke vryheyt die zy niet en hadden noch bel oo ft en was, zy versochten, eerst aen den Coningh, met groote beloften van geen oproer te verwecken. B.d.g., 4. verso.

III.

Ende dae nae aen zijne Hoocheyt ende aende Rade van Staten die zy verworven. R. A. 8. 17.

IV.

Verklaren dat de Catolijcken te sullen verseeckeren, ende dat zy gheen dingh minder en begheerden dan huer Religie met gewelt uyt te roeden ende huer goederen te nemen. R. A. 8.

V.

Zegghen, naedien de Catolijcken self in haer conscientie niet en willē gedwongen zijn, dat zy, na de wet Christi (Matth. 7. 12.) anderen daer niet in en horen te dwingen. A. P. 30.

VI.

Schreven dat gheen mensch macht en heeft om wetten te maecken over de conscientie. T. 39. ende dat het is een onlijdelijcke tyrannie inde kercke. Calvinus, Comment. 2. Cor. 1. 24.

VII.

Leerden datmen t’ghelove niet en mag dwinghen, Beza epist. 5. pa. 20. dat on
I.

DIe leeren dat niet elck magh gel oven wat hy wil, ende dat niemandts dan haer gheloofs oeffeninghe alleen vry en behoort te wesen. Huysboec f. 63. 64. R. t . c. pag. 13.

II.

Welcke vryheydt zy tot Antwerpen versoeckende, die huer tot Gendt niet en was toegheseydt, zy int versoecken dreyghden metter daet te nemen. R. A. 9. Zoo sommighe te voren in Hollandt ende ander plaetsen al hadden ghedaen, die daer om oock recht segghen, dat zy huer vryheydt, d’Overheydt niet en hebben te dancken. A. r. l, c. iiij. ende verso.

III.

Misbruycken d’overheyts goetheydt, doende een ander (huer Religie diese te voren hadden ende belooft was te houdē, behinderende) datse van anderen niet souden willen lijden.

IV.

Handelen plat anders.

V.

Veroorsaecken dwangh inder conscientien, midtsdien zy ontraden toelatinge van exercitie van ander Religie; dwelck sy selve seggen te wesen religions d w ang A. r. l, e.j. verso.

VI.

Schryven, dat het is een Duyvelsche leere elck toe te laten, dat hy verderve, indien hy wil, Beza eplan. 1. pa. 20. daer mede Beza zijn meesters ende oock zijn eyghen ende der Ghereformeerde leere scheldt voor een Duyvelsche leere.

VII.

Leeren datmē den mensch mach dwingen de waerheydt te volgen teghen haer


moghelijck is den mensch door dwangh tot het gheloof te brengen. T. 198. ende dat het des Magistraets ampt niet en is totten gelove te dwingen. T. 48. 188.

VIII.

Bewesen zy dat dwangh sorglijck is, vermidts de Ghereformeerde d’exercitie metter daet sullen nemen soo men huer laet sonder religie, of Atheisten worden. Het eerst is verderflijck voor t’landt, het ander maeckt deyling ende vernielet inden gront. R. A. 9. 10.

IX.

Deden waerachtelijck blijcken, dat de twee voorsz religien met huer gebruyck wel moghen vredelijck zijn ende blyven in een selve landt, Stads, jae oock kercke. R. A. 12.

XI.

Betonen met ondervonden waerheydt dat huer Staet in groten pericule hebben gestelt, die een der voorsz twee r eligions hebb ē bestaen te vernielē. R. A. 13.

XII.

Beklaghden sich datmen der Catolijvk e n leere niet en moste tegen spreecken. Calvijn Inst. viij. 168. Immers dit schryven die van Leyden het eenige merckteken te zijn geweest van tyrannie, als men zijne gedachten niet vry uytspreecken en moste R. v. L, b. iiij. verso.

XIII.

Zeyden dat gheweldt geen Religie en mach beschermen. A. P. 30.
wille; diemen also dwi n gende tegen haer wille, wil doet hebben. T. 176. ende dat elck niet hoort te ghelooven dat hem belieft. R. t. C. pag. 13 so moet elc gelooven dat een ander gelieft. wie? de Consistorianten. soude dat zijn de gehoopte, beloofde ende dier gekochte vryheyt des geloofs.

VIII.

Benaerstigen om te doen benemen religions exercitie, anders dan de huere, ende op swarer straf te verbieden. soude dan nu Christenen, eendracht ende veyligheyt maken tegen des lants verdervē.

IX.

Spreken ende doen zy nu recht anders so spraken zy eerst waerheyt van herten, of beveynsdelijck, om door waerheydts schijn te bedriegen, of zy doen nu onbeveynsdelijc tegen de waerheyt by huere, self uyt d’experientie vastelijck bewesen zijnde.

X.

Spreken metter daet daer teghen oock tegen huer belofte.

XI.

Leeren ende doen plat anders.

XII.

Houden datmen de wedersprekers van huer leere (als verstoorders huerder kercken vredē, want niemant dat metter daet en bestaet) ooc aenden lijve hoort te straffen. Leytsche Iustif. h. ij. verso. Musculus (om. in Gen. cap. ii. obser. 5.) bekent sich te zijn eē stoorder vande R. kerckenvrede. so warē ooc Luter, Zwingel, Bullinger, Calvijn &c. Die zy niet doodtwaerdigh maer heylige vaderē noemen. S. d. D, b. ij.

XIII.

Schryven dat sonder den raet, dat de Princen den Wederdooperen soude dooden, door huer de kercke nu al verdruckt waer gheweest. T. 274.


XIIII.

Hielden dat de Placcaten vande verboden boecken tyrannye was, om de waerheydt aen licht komende te verduysteren ende te muylbanden. Dit weet elck. Maer dit seydt de Stede van Leyden te schijnen een Religions dwangh, ende en wil daer niet toe verstaen. R. v. L, b. iiij. verso.

XV.

Schrijft, dat de Catolijcken, ziende de wapenen der Heylige Schrifturen tegen huer te wesen, huer toevlucht nemen opt kerck-hof, van datmen metten ketteren niet en sal disputeren. August. Malo. Exposi. Excclesi a stica. Super Act. 9. 22.

XVI.

Hebben, merckende op handen te zyn in Duytsch-landt datmen huer volck van daer soude jaghen, aenden Luyterschen versocht een ghespreck, S. d. D., 18. 96. Ende beroemden huer op de waerheydts wapenen: begheerende dat soo wie yet op huer leere te segghen hadde, die soude vryelijc berispen; sy wouden haer leere met de H. schrift verdedigen.

XVII.

Beklaghen de Catolijcken, dat zy den Princen het oordeel benamen vande leere, ende sich self dat toeeyghenden; segghende dat het niet huer, maer den Coningh toequam. B. d. g. 7. 34. 35.
XIIII.

Benaerstight dat aen d’Overheydt Beza. T. 280. 412. Oock benaerstigt zu l cx Calvijn C. T. S. D. 12. Zulck verbodt veynzen zich de P. P. hier, onbehoorlijck te wesen. A. r. l, e. Daer sy sulcx verbodt benaerstighen met het niet toelaeten dat yet ghedruckt werde, dan by den hueren toeghelaten wesende; Die sich wel wachten sullen waer schriften huer onwaerheyden ondeckende, te laten drucken.

XV.

Schryft Beza mede zulcx als yemandt telcken weder hier of daer inne huer leere in twyfel stelt, sorghende datmen vande kercke een kijf-school zal maecken. Epla. 5. 48. Daer voor en zorghden niet Augustinus, Hieronimus, &c. die wisten wel dat zy hier waeren, niet in triumpherende, maer strydende, kerck. Zorght Beza oock dat hy zoo doende vande kercke zal maecken, niet een kijf-school, maer een vleysch-huys of moortkuyl?

XVI.

Zijn sy hier, ghedronghen zijnde tot een ghespreck, daer uyt ghescheyden. waer nae sy in huer Synodo met een missive van C. vermaendt waren tot volvoeringhe van t’selve begonnen ghespreck, hem van huer afwijzen totten Staten, die, zoo zy zelf schryven (A. r. l, e.) ghehouden zijn, alst de noodt vereyscht (zoot nu valt) met spreken of met schryvē (dats niet met macht, met verjaeghen, of uyt de Stede doen gaen, soo my is ghedaen) de leere te doen verantwoorden. Dats der Predicanten ampt (Titus I. 9.) Hebben zy dan over huer zyde de waerheydt, soo verlaten zy die ontrouwelijck; Hebben zy die niet, soo verleyden sy t’volck bedriegelijck.

XVII.

Beza heeft niet willen lyden dat sich d’Overheydt bemoeye met het oordeel vande leere ende ketterie, maer schrijft dat den Ministeren toe; Welcker blinde scharprechters hy maeckt de Magistraet; Die sonder kennis te hebben van dees alderwichtighste saecke, der Ministeren oordeel souden executeren. T. 422.


XVIII.

Beklagen de Catol. die selfs oock menschen zijnde mede mogen dolen, jae ooc in veele dolen (Iacobi 3, 2.) dat zy alle voor ketteren veroordeelt, die herdtneckelijck anders leeren dan zy, zoo zy betoont hebben aen Luter, Zwingel, Calvin, &c.

XIX.

Beklaghen datse vande Catolijcken, huer onverhoort zijnde, veroordeelt zijn geweest. B. d. g. 32. oock P. pag. 224. zy bidden de Luterschen dat sy huer niet onverhoort en oordelen. S. d. D. 18. 19.

XX.

Beschuldighden de Catolijcken dat zy waren in huer eyghen sake klagers ende rechters. B. d. g. 34. verso. ooc den Luterschen, vragende wie huer macht heeft ghegeven om dander kercken te veroordelen. S. d. D. pag. 35.

XXI.

Beschuldighen de Catolijcken, dat zy niet hebbende het swaert der waerheyts, om hulpe aenroe pē des Overheyts swaert of macht. dit en behoeft gheen bewijs, want de daet is versch ende de klachten openbaer des gantschen volcx, ende daer onder mede der Ghereformeerden. die oock self leerden dat d’Overheyts macht niet en helpt, de sake arghert, ende elck druppel bloedts eender Chris t ens saet is, vermeerende der selver getal. R. A. l.

XXII.

Ende sy klaegd ē dat de Catolijcke hielden, datmen de ketteren, dat zijn die anders leeren dant Concilium van Trenten, dooden moet, ende als verrotte lidtmaten afsnyden met des boedels swaerde, Dit heeft de daet int onderhouden der placcaten opentlijck betuyght. Wie riep daer niet jegens van huer allen? Wie van huer allen seyde sulcx niet te zijn hooft-oorsake van dit bloedige oorlog? men lese B. d. g. 33. 34. &c.
XVIII.

Oordeelt Beza wederomme al die voor ketters, die anders leeren dan hy met zijn aenhangers. T. 26, 28, 365, 354. Nu leren de Luyterschen vant Nachtmael, ende de Zurchers vander Heydenen salicheyt, ende de Dopers &c. in veel verscheyden saken anders dan Beza met zijn aenhangh. Dit zijn dā ooc ketteren, na t’oordeel Beza, die hier inne den Catolijcken na-aept.

XIX.

Veroordeel ē zelf de Luyterschen voor Canibalen &c. den Catolijcken voor Antichristenen, de Doopsghesinde voor ketters ende valsche leeraers, sonder dat zy oyt voor een onpartydig rechter verhoort swyge verwonnen zijn gheweest, ende maek e n sich self alsoo schuldich int ghene zy anderen beschuldigen. Rom. 2. 21.

XX.

Wie was tot Geneven Servets aenklagher? Calvijn; Wie Servets rechter? Calvijn. Wie sijn hier der Catolijcken ende der Doperen aenklaghers ende rechters? niemandt dan de Consistorianten selve.

XXI.

Schrift Beza dat de kercke in grooten pericule is, so de Magistraet door de vinger siet. T. 296. 185. 170. 207. ende wil datmē huer macht tot bescherming aenroept. so opentlijc mistrouwet hy zijn logen-leer teghen de waerheydt, door yemanden voortkomende. Hier inne volghen dese ghedeformeerden hem na, segghende dat d’Overheydts ampt is d’uyterlijcke kerckenvrede te beschermen met straf, (artic. xij.) Als die behoort met haer macht den waren Godsdienst voor te staen. Predicāten in Ondersoecker A. 8.

XXII.

Leert nu mede Besa datmen als ketteren moet dooden, die anders dan hy met sijne Ghedeformeerde leren. T. 26. 28. 185. 167. 168. 249. ende en schaemt sich niet sulck zijn moorden te noemen, den zone kussen. Zoude sulck kussen niet wel zijn des verraders moort kusse aen den zone Godes? Matth. 24. 49. Zoo hetst hy doorgaens oock tot ketter-moorden. T. 70. 7. 131. 308. 403. 426. 427.


Daer maghmen nu zien ende tasten wat voordeel dese landen gedaen zullen hebben (zoo God ende de wyze Overheyt hier inne niet en voorziet) in goet, bloet ende gemoet, behalven dat het oorlogh vergiet, dat hier noch om ghestort zal worden, doort stadelijck aenblasen van sodanighe Ghedeformeerde. Die bedecken noch, zo zy best mogen, dese moortdolinghe: hoewel zy des niet te min ernstelijck daer door benaerstighen met raet ende daet, zoomen nu bevint in der daet (diemen boven woorden moet gheloven) eenen nieuwen dwanck ende tyrannie over de conscientien, betuyghende met eenen valschen woordtschijn in huer ghedruckte antwoort opde Remonstrantie der Stede van Leyden, c. ij. Dat zy de ware vryheydt der conscientie hopen voorte staen, tot den laetsten druppel huers bloets: ende dat huer noyt inden zinne en is gekomē eenige Pauslijcke tyrannie ende dwang inde conscientie, inne te voeren. Welck heur zegghen wel verstaen zijnde, licht is om ghelooven. 1 1 j. Proces 75. tal. Ghemerckt zy de Pauslijcke houden voor valsche, maer huer of de Besanische voor een ware of Godlijcke dwang inder conscientien: ende oock mede de Pauslijcke (quaem die weder, dat Godt wende) huer stoten uyt, maer de Geneefsche huer vesten inde stoel der heerschappiē. daer door hier alzo met jammerlijck verderf van luyden ende landen ghevochten zoude zijn niet om verlossinghe maer om verwisselinge van d’oude om een nieuwe, dats vande Roomsche om Geneefsche dwangh ende Tyrannie over der arme Landtzaten conscientien, zomen breeder van eenighe voorsz articulen in twee boecxkens Synoden genaemt magh lezen ende breeder zien bewezen oock int eersten Proces Poli. boven twelcke noch oock alle dit voorgemelde, zich tot Godes eere, der menschen zaligheyt ende der landen vryheyt erbiedt, daer ende zoot zal behoren krachtelijck ende warachtelijck te bewijsen.

D. V. Coornhert,

Verclaringhe
Van d’aengeteeckende boecken of schriften in desen tafele ghebruyckt, te weten, dat hier beteeckent.

R. A. De requeste tot Antwerpen byde Gereformeerden overghegheven 1578.
A. r. l. Der dienaren antwoorde opte Remonstrantie van Leyden ghedruct tot Delft. 1582.
B. d. g. Bekentenisse des gheloofs, der gheloovigen in Nederlandt ghedruckt 1566.
C. Commentaires de l’estat de la Religion & Respublicq en France . 1565.
Institu. Institutio &c. Ioanne Calvino Authore. Genev æ 1550.
D. C. Declaration Calvini pout maintenir la vraye foy contre &c. Servet. Genevæ 1554.
S. d. D. Sentbrief der Dienaren &c. aen die ghemaect hebben het Berghsche boeck &c. Tot Antwerpen 1580.
T. Traicte de l’autorite de Magistrat en la punition des heretiques, par Theodore de Bez æ 1560.
A. P. Acta pacificationis &c. Coloniæ habita Lugduni 1580.
R. t. C. Remonstrantie aenden H.H. S.S. teghen Coornherts brief &c. tot Delft 1583.
R. v. L. Remonstrantie der Stede Leyden aenden H.H. Staten.

"""Proces van't ketter-dooden, ende dwangh der conscientien."" ""Het tweede deel, kerckelijck."" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1630."