III. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Verantwoordinghe van't proces van den ketteren niet te dooden,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."
"""Verantwoordinghe van't proces van den ketteren niet te dooden,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."


Verantwoordinghe van't
PROCES
Van den Ketteren niet te dooden,
tegen de drie Hooftstucken des vierden boecx
Iusti Lipsij, vande Politie of Burgerlijcke
Regheeringhe.

Ende

Wedelegginghe eens Boecxkens van
Den selven Lipsio, teghens den Schrijver van de
Tsamen-spraken.

In’t laetste sijns levens door den bysonderen ende uyt-genomen Liefhebber
vande vryheyt sijns Vaderlants Dirck Volckertsz.
Coornhert beschreven.

Esaie 10.
Wee den ghenen die ongherechtighe Wetten maken, ende boose
dinghen schrijven omme de saecken der Armen bederven.

[illustratie]

T’AMSTELDAM,
By Jacob Aertsz. Colom, Boeck-verkooper
op’t Water, in de Vyerighe Colom, 1631.



[leeg]


Verantwoordinghe
Van’t Procesvan den Ketteren
te dooden,

Tot den Lezer.

Hier hebdy goet-willighe Leser soomighe aentekeninghen, sonder Voor-reden of eenigh aengheknocht ofte vervolgende dieraet: Overmidts de noodt der Natuyren den Autheur (uyt desen leven tot de lang-gewenschte ruste vertreckende) tot het voleynden van dit sijn werck ’t vermogen benomen heeft. Die midtsdien maer alleenlijck dese aenteyckeninghen, die ghy hier siet, tot sijns Naestens nut naghelaten heeft. Antwoordende op’t eerste in’t begin des Boecx Lipsij, daer hy aldus aenvanght:

1. Justus Lipsius.
Is hy de Schrijver dien ick soude moeten antwoorden a een onrustigh oproerigh Mensch: b Die niet en soeckt dan alleenlijc te twisten, gelijc de Handen, &c.

Coornhert.
a Hier begint de listighe sachtmoedigheydt vanden Vreedsaemsten Lipsio, daer mede hy met bitter calumnieren d’onschuldige aen den H. Staten pooght te beschuldigen, maer hoe gheluckelijck het sal eynden salmen een weynigh hier na gewaer werden.
2.
b Heeft Godt of ick u, o Lipsij, gheseydt sulcx mijn eenighe oeffeninghe te wesen? Of dicht dit u ongunstigh argh-dencken? Seker dat heeft u de Liefde niet gheleert. Want elck werdt goedt gheacht soo langhe het teghendeel niet en blijckt. Maer is waerheyt spreken ter noodt, of het nutte berispen van schadelijcke dolinghen (so ick oock doe tegen u felle bloedt-doolinghen) met u * 1 1 *Twist. Litigare, soo bekenne ick sulcx mijn † 2 2 werck. studium oock te sijn.
Justus Lipsius. 2
Dit niet uyt rechten verstande, maer uyt passie schrijvende.
Coornhert.
Dat seghdy, niet en bewijsdy. Wie can sulcx van een ander oock niet segghen?
Iustus L. 3
Den welcken t’overwinnen, sonder Eere,ende van hem vercleynt te worden, vuyl wesen soude.

Coornhert.
Door hooghen staet zietmen u op anderen smalen. En soeckt van’t volck niet dan Plasdanck te behalen.
Soudy hier selfs niet wel mellen dat niet des waerheyts maer u eyghen Eere u schrijvens eynde ware? Hebtse. My ghenoeght met des Waerheyts Eere, alwaer die oock erghens tot mijnder schanden ende schade.

Iustus L. 4
Slecht, snaterigh, ende met een verwerpelijcke stijle begreepen.

Coornhert.
O lieve Boecxken! O! ’t Is nu ghenoegh, hebt ghy een treffelijcke stijl? De mijne is so ghy die ziet, ende sulcx ick die geoeffent hebbe. So nu de gheleerde stijl een gheleert verstandt ende recht oordeel gheeft, so triompheerdy niet alleen boven my, maer oock boven onsen Heere Christum ende sijne Apostelen, dat slechte ende ongheletterde Luyden waren.

Iustus L. 5
Ende daer beneffens vol valsch-wroegen ende Lasteringhen.


Coornhert.
Wat waerheyt ghy hier seght sal in u bewijsreden blijcken, ende ooc dat ick niet als ghy den persoon en lastere, maer dat ick dit u schrijven, raet ende wetten met ware bewijsredenen bestraffen, bewijsende de selve te zijn Tyrannisch, Bloedigh, ende Landtverderffelijck. Dit gheschiet u gheloof ick buyten uwe meyninghe, ghy die niet anders ghewoon zijnde dan den pluymstrijckers (die alles na den mondt ende niet na der waerheyt spreken, ende met welcker pluymstrijckinghe prijs briefken ghy wel beholpen zijt) u ooren te openen, achtet u om het vry berispen uwer schriften, ghelastert, ende gescholden te zijn. 1 1 Epist. 4. Lib. 22. Want soo Seneca seydt: Het woordt vande pluymstryckers ende der geenre die ‘tquade prysen, blyft eenen langhduerigher by dan het ghehoort wert. Ende noch: Ick heb liever met waerheydt yemandt te verstooren dan door pluymstrycken te behaghen. 2 2 Idem in Proverb.
Iustus. L. 6
Een vlietende Revier van woorden sie ick over al, een Druppel verstandts, nauwelijckx een stemme zijnde, ende anders niet, Pag. 1.
Coornh.
In u eerste Brief aen my (alhier met wille achter ghelaten) prijsdy mijn kortheyt int schrijven, die vermocht ick oock in mijn Proces, hadt my soo goet ghedocht, maer ick spreke daer met nodighe, niet overvloedighe woorden, ten eersten in sodanige wichtighen sake mijn sinne klaer uyte, maer ghy met duystere ende afghebroocken woorden, hebt u sin so verduystert dat u nodigh is gheweest uwe selfs schriften te gloseren, ende met meer woorden te ontdecken ende verklaren.
Iustus L. 7.
Laster ende schimp-redenen? ‘tis mijn doen niet.
Coornh.
Dat sulckx nochtans u werck is, daer ghy met spotten, lachen ende schelden poocht uyt u benautheydt te raecken, sullen die Leesers sien. Ende waer voor u achtbaerheyt te wenschen dat u maniere in desen wat min vinnich ende spinnigh ware, want ghy als een ander de L. Danneus, met sulcke konstbloemkens u gheheele gheschrift soo hebt gheciert, dat het eynde ‘teerste ghelijck is, daer van ick een deel stelle, beginnende van ‘teerste uwes schrifts aen:
Een onrustigh oproerisch mensch die niet en soeckt dan twist dien het ingheplant is, als sommighe honden sonder oorsaeck te bassen. Die een wreedt zuer verstant heeft met veel bitterheydts vermenght, pag. 8. valschwroeger 13. 33. Lasteraer 10. 11. Guychgelaer, 19. Logenaer, 33 58. Onghetrouw, 2. Aenblaser van twist of oproer 2. Onbeschaemt quaetspreker, 23. 14. Knibbelaer die altydt recht hebben wil, 6. Valschspreker, 9. benyder van geleertheyt, 13. Een ydel vrunt van ‘tghemeen volcxken, 14. Blintis, onbedacht 17. Bedrieger, 32 Die wel plach te verbleken maer hem niet te schamen, 28. Een loos boef of arch schalck, 35. Onbetemt, 28. Onsinnigh, 39. Valsch schryver, 40. Die al zyn verstant in zyn tonge heeft, 45. Een misbruycker zyns verstandts, quaedt, alderbooste, arger dan Kaf, dat uyt-
ghewandt wordt, 59. die onverdraechlycken doet, 59. Die van noden heeft met Coppen te laten om syn kranckhoofdigheydt te genesen, 33. Out man die een Boggel op ‘thoochste verdient heeft. Ende hier mede noch niet te vreden zynde poocht ghy my noch ter navolginge vanden Poeet Ovidius te vervormen in een bassenden hond, 2. Aenhuppelende water, een Soch, 2. Een Veryper 5. Een Nachtuyl, 13. VVater der boosheyt, 17. Een pispot of ydel tuyt, 36. Een dansende Kameel, of een Koe op stelten, 450. een Esel aen de HArpe, 44. Onsmakelycker dan een pepoene, of vooser dan een Rape, 15 Eem veelhoofdigen Draeck, 57. Ende dit is die man lieve Leser die my dies niet te min derf voorschrijven dat ick sonder schelden of schimpen op den persoone soude handelen, Pag. 8. Ende die den Staten vraeght of d’oude maniere van inde schouspelen vryelijck yemandt te moghen bespotten weder op ghekomen is, Pag. 33. Maer dit en zijn niet meer dan Lipsiaensche boerderyen ende jocredekens, de welcke niet meer esbatementische guyghelereyen, daer mede u gheschrift op Lipsi doorspeckt is, als een bedelaers mantel met lappen, so die met de historiael exempelkens wegh ghenomen waren, ende soude alsdan niet veel besonders in dese u gouden vruchten bevonden werden.
Iustus Lipsius. 8.
Ende ick hebbe tot noch toe alsoo gheleeft ende gheschreven, dat neiemandt over my, ende ick over niemandt en magh klaghen.
Coornh.
Soude sulcx wel zijn u sachtheyt totten levenden ende strengheyt tegen den gesterven: seecker die u benydelijcke maniere van schrijven ende u menippeysche bytschrift teghen soodanighen hebben ghelesen, konnen daer van oordeelen, ende sulck gheluck wacht ooc nu van my die afgheslooft, oudt, ende nu siec zijnde ter rusten haeste.
Al bitterder dan u wel betaemt, veracht ghy den besten, ende in allen manieren van gheleertheyt, ervaren man Ranum. Dit wonder over hem voort brenghende: Laet onse Ionckheyt dit van ons verstaen, nemmermeer en sal hy groot of achtbaer zyn in wiens oogen Ranus groot is. Op ghelijcker wijse handelt ghy Sambucum Lambinum, ende andere meer. Wat zijn in u daghelijckse Lessen al schampreden? Hoe menigh ghevecht met den dooden van Erasmo die een wonder van gantsch Europa gheweest is, wiens voetstappen ghy niet en vermoght te volghen, hebdy vermidts uwe nijdigheydt soo quaden ghevoelen dat ghy stoutelijc derft oordeelen, dat alle zijne schrift (uytghesondert alleenlijck zijn boeck vande ghemene spreeckwoorden) met hem te niete sullen gaen, doen ick dit hoorde most ick lachen daer over peynsende:

VVaer ons sulcken Sterre niet gheopenbaert
En oock de nootschicking om verwonderen,
Lipsius waer oock niet vermaert
Maer soude ghebleven hebben ten onderen.


Lipsius 9
Dese is d’eerste (o noodt ongheluck Lipsij) die met quaelijck spreecken sonder noodt my terght of uyt-eyscht.
Coornh.
Ghy sijt de eerste (o stoutheydt) die nu in dese onrustighe tijt hier in openbaren Druck door onsuyvere ende boose aenhitsingh tot Ketterdooden, alle vromen noodtlijck tot ’s Vaderlandts welvaeren voeghelijck daer teghen te spreken hebt veroorsaeckt.
Iust. L. 10
Sulcken onghetoomden moetwilligheydt bedwonghen te werden.
Coornh.
So vriendelijck noemdy (ghy die een afschricken hebt van alle twist) mijn redelijck ende noodelijck spreken teghen u bloedt-wetten. Ende seght my daer na leelijcke dinghen op, die ick noyt ghedacht noch ghedaen en hebbe.
Iust. L. 11.
Welcke oorsaecke bysonder my beweeght heeft tot wederschrijven.
Coornh.
Was in mijn schrift nauwelijck een droppel verstands, ende ick niet dan een stemme F. 1. Wat reden moght Lipsium porren, om uyt dit heele Boeck te antwoorden.
Iust. L. 12.
Ende ‘tselve zedighlijck.
Coornh.
Ja so onzedelijck. Duysterlijck, ende Calumnieuselijck is u gheschrift, dat het niet noodigh en is sulcx te bewijsen.
Iust. L. 13.
Want ghelijck een Zee-clip ’t aenspringhende Water sonder eenighsins beweeght te werden, breeckt, rc.
Coornh.
Met dees ghelijckenis prijsdy u self voor een standtvastighe steenclip, ende scheldt my voor driftighe aenvechtende golven, O zedighe ende ootmoedighe Man.
Justus Lipsius. 14
Alsoo behooren wy oock sulcke Lasteraers sonder eenighe bitterheyt of gramschap.
Coornhert.
Dat ick een lasteraer soude sijn, weet ick Neen, maer of Lipsio sulck een niet en is, of sonder bitterhey, toom, of spot, nae behooren antwoort, moghen dese Lesers Oordeelen.
Lipsius. 15
Nochtans hebben wy eenighe bootswoordekens ende klucht-redenen daer onder vermenght.
Ist dat ick hier oft elders met u eenighsins gheboertet oft ghejockt hebbe, dat suldy my vergheven. Pag. 16.
Coornhert.
In ernstighe saken te boerten, te spotten, ende te lachen, is gheen wijs mans werck, ghedenckt u niet Lipsi, dat ghy in u Brief, my met u doen beschuldigende schreeft, lieve boert ghy in so ghewichtighen sake? Maer sijn’t alleen boertwoordekens ende klucht-redenen die in dit u Boeck werden ghevonden? Wat sullen dan sijn u scheldt-woorden ende schip-redenen? Maer ziet u wel toe, dat ghy so doende niet getelt en wordt onder den ghenen daer Salomon van spreeckt: Al


Iustus L. 20.
Mijn aert ghewoonte, swackheyt, schricken van alle twist, ende indien ghy my biet en kendt, soo weet datter geen vreedtsamer verstandt en is in gheleel Hollandt, Pag. . ende 8.
Wt de natuere ben ick goetaerdigh ende sachtsinnigh tegen eenen yghelijcken, Cent. Epist. 2.
Coornhert.
Soudet niet wel zijn gheen roemer, noch eergieriger in ons gantschte Hollandt? Is Justus Lipsius God? kent hij alle der Hollandere harten? wie wie heeft oyt Hollander hem selven soo hoogh ende roemgierichlijck hooren prijsen? ende dat noch in openbare ghedruckte schriften? Heeft u niet eens inden sinne ghekomen het oude spreeckwoort van Cato segghende:

V selven en wilt laecken noch prysen,
VVant sulcx ist werck vanden onwysen. 1 1 Lib. de virtut.

Noch oock de goede Sententie Senece? houdende:

Van eyghen lof wilt u vermyden,
En eens anders eere niet benyden.

Waer aen weet ghy doch dat ghy so vreetsamigh zijt? die niet en is versocht en weet niet veel, Spr. 34. Ende ‘tis nodigh dat eenige tegenspoet het ghemoet beproeve: ende den dach opent (nu is dese saecke) de waerheydt.
Iustus L. 21
Ghy weet het: ende dat ghy niet heymelijck het houtken in dit vier ghestoockt hebt weten wy, Pag. 2.
Coornhert.
Dat ghy ende ick dat weten is beyde onwaerachtigh, maer dat ghy my hier doodtlijck ende valschelijck beschuldight, weet ick sekerlijck, reden: want dat niet en is noch en was mach niet gheweten werden. Noyt stoockte ick ‘thoutken inde Leytsche vlammen voor noch na, ende en heb ooc noyt oorsaecke om sulcx van my te vermoeden ghegeven: maer late anderen van Lipsio oordeelen of hy gheen nadencken ende quade suspicie ghegheven en heeft, met zijn schrijven aen den oproerschen ghebannen Saraviam 2 2 Leytsche a. van dat hy self schuldigh is aen de laetste oproerigheyt, luydende zijn schrijven aldus: Epist. 24. Cent. Ij. Medeghesellen hebben wy gheweest menichmael versaemt in ghespraeck ende raedt: ende hoe wel het nu so niet en is, (‘tbelieft God anders) wy sullen nochtans metter herten t’samen ghevoeght blyven, zijnder eenighe van die by my zijn met u oneens, daer en is niet aen gheleghen, lief hebben ende recht oordeelen vermach ick, noch ick en pryse voorwaer niet al dat ick met goeden oogen aensie. Ende vande eerste turbatie, doen ghy my te Haerlem versoeckende op mijn vrage, oft niet t’ontyde was dat de Magistraet van Leyden sich tegen den Predicanten nu stelden, antwoordet te rechter tijdt, hoe soo? om heurluyder oproersche ghemoeden te betemmen ende heur aensien te verminderen al eer sy heuren stoel vaster setten. Onthkendy dit, die noch leven end daer by waren sullen u beschamen? O vrunt veynsende man.

Lipsius 22
Heb ick tot dien eynde aen u gheschreven, dat ghy mijne brieven int licht sout brengen, ken had niet eens ghedroomt? onbedachte mensch. Ghy neemt wech d’onderhandelinghe, of voorwaer de vryheyt diemen met schrijven tot malcanderen is hebbende.
Coornhert.
Waerom? om dat wy soo groote vrunden waaen? om dat ick van een saeck ons int besonder alleen aengaende schreef? of om dat ick schreef (soo my niet vernoegde) die opentlijck in druck te handelen? of om dat het Cicero niet heeft ghedaen? noch Erasmus? Noch veele andere treffelijcke mannen? noch de besondere gheleerde Justus Lipsius selve niet?
Lipsius 23.
En of de oversettinghe waer ghedaen niet seer ghetrouwelijck, of niet uytdruckelijck ghenoegh?
Coornhert.
Dat oordeel ghy stelt aende ghene die beyde talen kondigh zijn. Maer hebt ghy in o schrijven ende dit u Boeck oock ghenoegh uytgedruckt? waer toe dienen u bygeclampte aentekeninghen? om u uytgedruckt schrijven te verduysteren.
Lipsius. 24.
Ghy wilt dat alle religie van een yegelijck aengevochten aengevochten sal moghen werden, het is t’alderwaerachtighste, Pag. 3.
Coornh.
‘tIs onwaerachtichste, brenght eens een woort voort daer ick sulcx wil, ick hebbe u in mijn brieven geschreven dat het op dese tijdt mach gheschieden, wilt ghy daer tegen zijn? is ‘tsegghen ick wil: of ‘tmach zijn (o woort konstenaer) met u: die moghelijck in mijn goedt Nederlants so qualijck geleert zijt als ick in u Latijn? een selve ding? dat het mach gheschieden (kan sulckx yemandt weeren) is mijn segghen, maer dat ick sulcx wil, is u calumnieren. Maer dat ghy wilt dat de menschen in heur oude dolinghen sullen blijven, ende daer in verstijven, sullen de lesers van u schriften mogen oordeelen.
Lipsius. 25.
Ende nu al eenighe jaren en doet ghy niet anders.
Coornhert.
Watte? waerheydt spreeck ick tot mijn Naesten na mijn meesters exempel ende leere tot vorderinghe vande ware religie, ende tot niemandts nadeel: wat hebben alle Martelaers vnders ghedaen? oock de vrome Euangelische op dese tijdt selve? suldyse daeromme oock als heur vervolghers ghedaen hebben onrustighe oproerighe twistige noemen? waer over hebben die meer gheklaecht, dan van waerheyts verdruckinghe? die vryheydt is gheworden alhier, gheen verbod heb ick daer teghen gesien, 3 3 In seecker request aē de Staten ja dat meer is de Leraers leeren selve in druck, datter inde kerck, nu so wel als inde oude valsche leere kan kruypen, etc. diemen onverbeurt mach ende behoort aen te wijsen, mach ooc yemant misdoen, int doen datmen behoort te doen, ende oock van de Overheydt gheboden was te doen?


O Lipsi, betoondy met sulcx niet d’oude Roomsche aert ende quade gheneghentheydt die my (sonder in het minste erghens teghen de Politie ghedaen te hebben) om Doolinghs berispen, ende Vry-spreecken, so bitterlijck scheldt, ende aen de H. Staten calumnieert? O hoe gheluckigh is Coornhert dat hy met u in Spangien, of dat de wreede Inquisitie hier te lande niet en is.
Justus Lipsius.
Als zyluyden (de Staten) swijghen, spreeckt ghy dan, ja als zy prijsen, misprijst ghy dan.
Coornhert.
Lieve wat prijsen de Staten, uwe Wetten ende Raden niet anders mede brengende dan de bloedighe dooling van dooden om geloofs-saken, die ick in mijn Proces Fol. 49. ende 50. (daer ghy de woorden uyt citeert) berispe, inde welcke Keyser Caerle ende Coning van Spangien hebben ghewandelt?
O Lipsi, hoedt u de wijsheyt deser Landen, onder decksel van prijsen, soo leelijck te calumieren? U marginale Spot-loghen, ende dat daer nae volght, en raeckt my niet, want daer sijnder meer die wijs sijn, ende mercken konnen waer toe uwen handel is streckende. Acht de Hollanders niet so zot.
J. Lipsius.
In mijn Boeck van de standtvastigheydt heeft hy my onlancx een ghevoelen ofte meeninghe willen op-dichten, die ick noyt en hadde gheseyt noch geschreven.
Coornh.
Hier van hebben wy over ende weder over met Brieven (de uwe noch by my sijnde) van u handt, ghehandelt, ghy voorstaende, ick wedersprekende, u segghen in u Boeck vande stantvastigheyt, Vrywilligh zondighdy, daerom oock nootelijck, Lib. 1. cap. 20. Ende bewees u dat vrywilligh ende noodtsakelijck niet in een werck of subject en moghten bestaen. Want wast vrywilligh, soo moghtet niet noodtsaeckelijck sijn, want het twee gheheel contrarie sijn, ghy hier niet uyt konnende, hielt op van schrijven, om by monde (soo ick eerst gheschreven hadde) afghehandelt te werden, ’t welck gheschiedende, ghy my voortbracht een beveynsde verclaringhe van dese woorden, te weten: Ghy moghet niet zondighen, of ghy moet noodtsakelyck vrywilligh zondighen. VVant sonder vrywilligheyt en zondight men niet. Ende op mijn teghen-segghen dat sulcke woorden soo niet verstaen en konnen worden, antwoordt ghy dat ghy’t soo gheschreven hadt, om de Ghereformeerden te vernoeghen. Derft ghy hier sulcx ontkennen? Wat soudy dan niet dorven bestaen.
Lipsius. 298.
Hoe duydelijck heb ick geschreven datmen d’oproerighe ende rumoersche Ketters behoort te straffen.
Coornh.
Hoe duydelijck dorst ghy segghen dat nerghens in u Boeck vande Politie een woordt ghelesen, u verholen brieven aen my door my uytgheperst, ende nerghens meer verhaelt, en achte ick niet ghenoegh. Want oproersche Ketters, ende die onder decksel van Religie misdaet bedrijven, sonder ick over al mijn Proces uyte. Dit wet en oock uwe vrunden (H.L.S. ende G.F.) die (oock misnoegen
hebbende in u argherlijck schrijven in desen) den 14. Julij lestleden by my comende, versochten om mijn schrijven te doen ophoeden, ‘twelck ick bewillighde mette conditie hier na ghestelt: Dat hy (Lipsius) mette straf, om Religions saken vermelt in sijn ses boecken vande Politie, niet en heeft verstaen menschen die vreedsamelijck, dat is Politijckelijc hare Conscientien met woorden ende wercken: Maer alleenlijck die met ghweldt ofte oproer een Religie bestaen inne te voeren teghens de Lamdts Wetten ende aengenomen Religion, diemen nae de beschreven Rechten doch behoort te straffen. Ende dat Lipsius sulcks sijn meeninghe te wesen, in druck soude uyt gheven eer langhe.
Wat dede Lipsius hier toe? Hy sweegh. Maer de voorschreven Vrunden souden my eene verclaeringhe wat beter bepaelt dan in die Politien (oock in dit laetste Boeck, daer mede zy van u bekout scheenen, ende hielt aldus: Myn gevoelen van eenighe Vrunden my afgevraeght sijnde, so betuyghe ick rondelyck ende uyter harten de meening van myn schryvē geweest te sijn, e n noch te wesen, datmē niet en sal straffen dan de Verstoorders inde Religie, dat is, die teghen VVetten ende Overigheyt met oproer ende gewelt een nieuwe Religie inne voeren. Ende datmen niet en sal ontrusten den ghenen die te vreden sijnde met den jeghenwoordighen staet des tydts in Vryheydt haerder Conscientien. Met haer Huysghesin, ende Gebuyren of Vrunden leven ofte spreken. Oock datmen niet en sal straffen die daer doolen, verleyt sijnde door bedrieghers of eenreley eenvoudigheyt ofte opinie, sonder boosheydt. Eyndelyck, soo waer niet en is staetsuchtigheydt, of de meyninghe van nieuweigheydt aen te rechten onder deckxsel van Religie, dat de Prince aldaer door de vingher sien sal.
Hoe ghelijck dese u verclaringhe is het gene ghy in dit u Boecxken Fol. 41. ende daer naer meer schrijft, dat soude een blinde mercken konnen.
Seghdy (in dese uwe aentekeninghen over die drie Hooftstecken uwes vierden Boecks vande Politie) oock een woort van oproerige Ketters? Of oock vande ghene die met ghewelt een nieuwe Religie inne voeren? Neen. Maer in dit Boeck het woordt: Verstoorders verclarende beschrijfdyse sodanigh, dat meest alle de Hollanders so rechtelijck straf-waerdigh sijn: Dat de Coning, haer machtigh sijnde, haer rechtelijck behoort sonder eenige goedertierenheyt te straffen, te bannen ende te dooden, met oock haer voorstanders. Of heeftmen hier niet openbaerlijck teghen de Wetten (jae Placcaten) teghen d’Overheydt een nieuwe Religie, met leeren, schrijven, ende vergaederinghe te houden inghevoert? Of handthaven des Landts Staten de selve niet.
Lipsius. 29
Waer spreeck ick een woordt van de Staten? Waer voeghe ick mijn gheschrift op dese jeghenwoordighen tijt of sake. Pag. 10. Ons gheschriften en gaen dees tijt niet aen.


Coornhert.
Waer? Int derde Hooft-stuck des vierden Boecx vande Politie. Alwaer ghy, dese onse tijden voor ooghen stellende, aldus segt: Omme van welcke sake te handelen, my aen drijft de ghemeyne welvaert, ende desen tegenwoordigen stant van Europa, etc. Wie sal hier swijghen? Ick niet, &c. Ende oock daer ghy, schijnende desen jeghenwoordigen staet van Europa met Crocodils tranen te beschreyen, also schrijft: Na myn vermoghen sal ick water gieten in desen Heyligen brant. Schijnende te beschreyen, seg ick, want soo Seneca (Lib. 8. Declam.) seydt: Niemandt en beweent nemmermeer ten enrsten moede ‘tgunt hy self begheert. Want dat yemandt waerachtelijck beschreyt, daer van haet hy uyter herten d’oorsaken ende middelen. Doet Lipsius dat? Gheensins, want na sijne beveynsde Tranen, Oly int vyer gietende, met sijn bloedighe Wetten ende Raden (die desen brandt over gantsch Europa aenghesteecken hebbende) op dese tijdt ziende, roept hy uyt: Laetse van u gestraft wordē, &c. verstoorders sijn altijt strafbaer. Genade hebbe hier gheen plaetse, Brandt, Snyt. Oock in dit sijn schrift: Ghy Coninghen straft de Ketters, &c. Te weten: Die van Godt ende d’aenghenomen Religie qualyck gevoelen, ende anderen om oock so te gevoelen aenporren. Sietmen u daer niet, ende oock in een bysonder Briefken tot uwen Vrient gheschreven, by u ondertekent, ende bevolen my te vertoonen Pag. 9. Luydende aldus: Wy en schrijvent niet al ten behoeve van dit Hollandt. Daer sijn andere Rijcken ende Provintien daer dese dinghen nut sijn sullen, (de wijse verstaent) het selve daen dat ghy hier lochent? Wat gheloof verdienen de sulcke?
Lipsius. 30
Ten eersten berispt ghy Pag. 10. Cap. 2. Die Coninghen sullen u Voedtsters sijn. Esaie 49.
Coornh.
Maer niet op sulcke wijse als ghy ongheluckelijck droomt. Betekent dit voeden der Kercken, Ketters te dooden? Dat en bewijsdy nimmermeer, dat de Princen de kerck (als ghy oock na self segt) voor ghewelt, oproer, overlast ende uyterlijck quaet, beschermen moet, en wort niet ontkent, want dat is sijn Ampt, ende wel ghedaen, maer wat gaet dit den Ketteren ende verborghen Ketteryen, ende den onnooselen Disputeerders aen? De ware Kerck beschermt heur Leere ende heur self, met de Almoghende Waerheyt. Dit is Christus ende sijnder Herderen Ampt, wat gaet dat den uyterlijcken Prince aen? Wat ghemeenschap heeft de Myter metten Helm?
Justus Lipsius. 31
Daer na begheefdy u gheheel tot lasteren, ende u ghewoonlijcke oeffeninghe.
Dircx ongebonden mondt over den Princen. Pag. 11.
Onbeschaemt quaet spreken vanden Princen. Pag. 14.
Coornhert.
Had ghy hier ende elders, o Lipsi, wel gelet op Vriemonds-persoon, die daer alle sulcx seydt, ghy soudt beleefder hebben gheantwoort, datter weynigh goede Princen gheweest sijn, tuyghen de Tijt-boecken, oock Lipsius self, seggende: Hoe weynigh sijnder
oyt ghevonden die dat Ampt Loflijck bedient ende uytghevoert hebben? .2. Ende: Het Ryck of Hof is een Schoole van bedrogh. Fol. 215: ende 219. Siet doch eens de Roosen daer mede Lipsius niet alleen der Princen Hoven, maer de Rijcken selve bestroyt. Dat zy meest blindt sijn, ende ’t oordeel in Theologische sake henluyden niet toe komt, tuygen eendrachtelijck u Kerckelijcke Overheden, wat beschermen, ghebieden ende straf konnen zy dan Wettelijck in desen hebben? Anders dan om blinde Dienaeren te werden van ander Luden wreedtheyt? Gebeurt dit niet noch meest by alle Overheden, die Onnoosele Menschen om suspitie van ketteryen dooden door de Kerckelijcke Mannen aenreytzen?
Iustus L. 32
In alle ghemeen besten, is de besorginghe der Godtlijcker saken het bysonderste. Pag. 12. Wat bestraft ghy hier inne? Niet inde sake self, noch inde woorden, maer dat ick die uyt Aristotele hebbe. Pag. 13.
Coornhert.
Dat’s onwaerachtigh, maer segghe sulcx van woordt tot woordt met Mat. 6. 33. over een te komen (Proces 19.) ende vraghe u of Aristoteles daer leert dat de Prince sijne ondersaten zielen nae zijn, teghen haer goedtduncken sal besorghen.
Iust. L. 33.
Ghy ende sommighe uwes gelijcken wilden wel dat zyluyden (d’oude Heydensche schrijvers) ende alle d’oude gheleertheydt gantsch wegh ende te niete waeren.
Ghy Nacht-uylen en kont dese Zonne niet verdraghen, 1 1 Haet tot gheleertheyt. ende gelijck de Philistinen voortijts den Hebreeren benomen hebben gehadt alle de Smeden ende Wapen-makers, op dat zy niet en souden strijden noch rebelleren moghen. So oock ghylieden dese Wapenen der gheleertheyt, &c. Pag. 13.
Coornhert.
Waer mede bewijsdy dese uwe valsche calumnie? met mijn naerstigh leeren vande Latijnsche Tale (daer alle andere prijselijcke konsten uyt voortkomen) in mijne bejaertheyt? Met mijn daghelijcxsche oeffeninghen oock inde alderoudste ende beste Philosophen ende Authoren, met in’t licht brenghen deur mijn van veele ghepresen Overzettinghe van Ciceronis Officien? Seneces benefetien, Beotij vertroosting der wijsheyt en sommige stucken uyt Platone, uyt Homero, en meer andere. Seght doch Lipsi, is dit doen der ghenen werck die wel wilden dat de gheleertheyt ende d’oude Heydensche Authoren uytgheblust ende wech genomen waren? Seker hebdy vermakinge int calumnieren, soo moet ghy’t waerschijnlijcker doen, wildy u authoriteyt ende gheloof behouden, maer dat ghy blindelingh als een Nacht-uyl hol over bol geruckt ende ghedreven wordt, blijckt uyt dese uwe gelijckenisse, want het is seker dat de Hebreen (alle Smeden ende Wapen-makers henluyden ontrocken sijnde, niet en moghten oorloghen noch rebelleren, overmits de middelen daer toe henl genomen waren. Maer lieve Lipsi, segt doch, ick bids u: Of alle Heydenen met heur Heydensche gheleertheydt ons ontrocken, ende alle heur wercken of geschriften gantschelijck wegh en te niet waren, soude ons daeromme dan ontbreken daer mede door wy heylichlijck ende gerechtelijck souden mogen leven?


Tot wat eynde soude Christus (den welcken te hooren den Hemelschen Vader bevolen heeft) ons dan ghesonden zijn, of waer toe soude dienen des Heylighen Geestes uytspraken. Of dese en soude niet ghenoechsaem zijn (na dien men de gheleerde of welspreeckende Heydenen daer beneffens te hulpe soude moeten nemen) of tot ghenen nut ende te vergheefs mosten ons die ghegheven wesen. Dese dingen moeten notelijck uyt uwe diepsinnighe ghelijckenisse volgen, maer met wat groter oneeringe der eere Christi ende der H. Schriftueren is onnodigh te segghen.
Lipsius. 34
Ende wilt ghy dat ick der Heydenen boecken hermaken, ende het woort Goden over al wegh nemen sal, Pag. 15.
Coornhert.
Neen geensins, maer dat ghy in Theologische saken der Heydenen authoriteydt niet misbruycken: maer eygentlijcker
Tot Christenen spreken sout. Maer o oprechte man verdraeyer Lactantij, die heir so schrupeloos zijnde, om in een woort een Letter te veranderen, u nochtans niet schaemt teghen u eyghen schrijven *8. Lactantio in so wichtighen saecke valsche woorden ende een ydele versierde meninghe op te dichten, ende Cypriam, oock Ciceronis wel segghen te buyghen ende verdraeyen.
Lipsius. 35
Noch men sal niet letten op der Egiptier Coningen die een verscheyden ende vermengde Religie inne ghevoert hebben, om heur Rijck (soo zy meynden) te bevestighen.
Eerstelijck let daer op ick hebbe gheseydt, niet dat sy verscheyden Religien ghedooght maer inghevoert hebben. Pag. 17.
Coornhert.
Laet het so zijn dat my verleyt heeft u maniere van schrijven, soo dat ick invoeren voor toelaten t’onrecht hebbe verstaen: dat is: (ick kent) mijn doolinghe, maer gheen vermetenheydt als de uwe in desen dat ghy die wijsheydt der Egiptischer Koninghen die heur Rijckx ende ghemeens bestens gheleghentyheydt doen ter tijdt beter inder daedt dan ghy nu uyt de boecken kennende, voor zotachtigh schelt, om datse verscheyden religien (die moghelijck minder valsch of schadelijk dan die aenghenomen was) invoerden tot een goet eynde als tot hun Rijcx vastigheydt, ende oproers vermijdinghe, etc. Polit. lib. iv. Cap. ij.
Daer ghy nu vermetelijck teghen schrijft dat uyt meer dan een Religie altijdt oproer ontstaet teghen de levende exempelen van onse tijden. Oock bekenne ick rondelijck dat ick int oversetten vande Godsdienst ende de Ceremonien te behouden in het samenbinden de woordeken. Ende door onachtsaemheyt ghedooldt hebbe ende niet door onconde of schalckheydt soo ghy my (Fol. 39. qualijck teghen werpt, ghemerckt sulcx gantsch niet ter saken en doet, ende my te beter af ghenomen behoort te worden. Nadien Maerten Everaerts de vlijtighe oversetter uwer policie, die u soo groot acht dat hy in zijn voorreden aen die raet van Amsterdam gheschreven noemt een perel onser Nederlanden) ter selver plaetsen ghestruyckelt heeft, Fol. 80.
of die nu daer inne al mede den name van zynen Lipsio by ’t ghemeen volcxken niet gekrenckt heeft?
Van mijn allegatien dat inde Ceulsche vredehandel de generale Staten seggen, 1 1 Van Diericx ghetuygen. ende D. Albada noch breder mer redenen ende uyt de rechten annoteert, sehgdy.
Lipsius 36.
De Staten seghdy hebbent goet ghekent, o van wat oprechter hart zijt ghy, hoe veele dinghen bekennen de Staten voor goedt, alleenlijck om dat die zijn gheschreven om des tijdts of dese jeghenwoordighe saken willen, etc. Pag. 20.

Coornhert.
Ja Lipsius hebdy doo gheleert de Heeren Staten eeren? zijn heure redenen aen den Coning maer voor eenen tijdt waer? Hebben zy willen bedrieghen? Ghelden de rechten ende ware redenen, daer by heur ende Albaden gestelt ende bewesen nu niet meer? of verandert met u in so korten tijdt recht in onrecht? waerheydt in loghen? of hout ghy dat de Staten alhier nu so onwijs ende verandert zijn dat sy des Konings vervolgen ende dooden om geloofs saecken recht ende behoorlijck achten souden? datse u Boeck, daer ghy des Konincx saken drijft tegen alle vrome Evangelisen recht gheven ende heur eyghen ende ons alder doen onrecht, ende met den viere strafwaerdigh achten houden? Dit schijndy hier niet duysterlijck te kennen te gheven oock Folio 5. met dese woorden: Spreeckt ghy nu sy swyghen: ja nu zyt prysen mispryst ghy’t.
Iust. L. 37.
Welck is doch dese stede Leyden. Die is my ende oock anderen ghenoegh bekendt: maer en heeft soo ick vermoede, haer niet eens hooren laten? maer een ander voor haer wie doch? wie? yemant u Vrunt zijnde, ende of ght self waert, ghy, etc. Pag. 20.
Coornhert.
Ghy wilt segghen dat ick die ghemaeckt hebbe, ende oft soo ware? Ist daeromme de Stede Van Leydens eyghen Remonstrantie ende Justificatie niet? Heeft die de Boecken niet doen maecken, drucken ende uytgheven? Segghen sulcx der Boecken Titulen niet? of wildyse henluyden nu uyt doen schrappen so wie door een ander wat doet, die werdt self sulckx te doen gheseydt ende ghehouden, oock na rechte, wat doet hier dan u spotlijcke uytvlucht? Dat ick de Justificatie te maken van de Magistraet (die my de stoffe oock leverden tot Haerlem) versocht ghemaeckt ofte by een gheschicvkt hebbe wil ick nu, (van u daer toe ghedronghen) opentlijck bekennen. Maer wat vordert u dat? zijn daeromme der Magistraten redenen daer inne oock in heur Remonstrantie, (die ick in mijn proces aenwijse) onwaerachtigh ende onrecht? bespot ende beschuldight ghy aldus: guychelende niet de Magistraet der stede daer ghy woont? Want vooren schrijfdy hier op wijsende, Fol. 2. VVant ghy weet dat ghy int heymelyc ‘thoutgen in dit vyer ghestoock hebt. VVy wetent.


Soo weet dan dat ghy niet my, maer de Magistraet tot Leyden van sulcx ghedaen ende veroorsaeckt te hebben beschuldight. Want de magistraet my tot sulcx aengesocht ende verwillight heeft, die my van dien oock vereert ende gedanckt hebben, soo heur stads Wapen on vier kanten sijnen goude ende heur schrijven (noch in mijnen handen zijnde) 1 1 Voer Art. 21. van Jan van Houten heur Secretaris aen my Anno 1579. moghen getuygen. Siet Lipsi hoe verscheyden u oordeel van’t hare is? want ghy nu Calumnieert dat de Overheydt doen ter tijdt, ja ghy self om sulcx der Overheyts doen prijsen, eere, danck, ende loon waerdich achtende. Maer ghy waent moghelijc dat de ware ende rechte saecken door d’onstadige veranderinghe der menschen in onware veranderen moghen daer toe (hoe wel te vergheefs) tot Leyden op den achthienden October 1590. door openbare uytroepimge (daer by de Magistraet op ‘tvalsch aengheven, by avontuyr van u of vanden ghenen die door u Achtbaerheydt verleyt zijn, sonder op de sake selfs te letten, mijn Boeck voor oproer is, ende het uwe voor heerlijck verclaert heeft) ghepooght ende ghearbeydt is. Maer veel vrome luyden ende Liefhebbers vande vryheyt des Vaderlants ende der conscientien (die tot noch toe sonder eenighe onwille, maer met alle dapperheyt der Staten bevelen, niet alleen int betalen der schattingen maer int stellen van heur eyghen Lichamen jeghens alle periculen ghedaen hebben) en hadden sulckx niet verwacht van die Magistraet contrarie haer eyghen loffelijcke beginselen (daer mede sy de Overheyt van andere steden voorghegaen ende om van ghelijcken te doen vermaent heeft,) 2 2 Inde conclusie van de Leytsche Iustificatie. maer beclagen hen daer over met grooter dorefheydt, voorsiende alrede het loon dat henluyden voor heur goede diensten, dapperheydt, ende vroom harte tot het Vaderlandt ghewerden soude evenverre de Staten (O Lipsi) u bloedighe Wetten ende Raden (dat God wende) ghehoor gheven wilden, ghelijck de Leytsche Magistraet met dese saemroovende afroepinghe eendeels schijnt te doen, O onstantvastigheydt. By welcke uytroepinghe doorgaens ende bysonder int eynde van dien, my soo doodtlijcke calumnien ende valsche opinien opgheleydt worden als oyt van den beginne des Wereldts af yemandt onverdient ghedaen is gheweest. O goede God, hoedanighe tijden beleven wy.

Lipsius. 38.

Maer nu en isser by den annoteerder niet gheschreven dat tertullianus, ende Epphanius verhalen datter ten tijden des Keysers Theodosy ten minsten hondert vreetsamige Secten waren: schrijft hy oock, ghy so? wie van u beyden heeft doch soo grof ende botlijck ghedooldt, dat wy sulckx sonder lachen niet en konnen leesen? want Tertullianus heeft wel moghen schrijven, maer ick geck daer mede, van des Keysers Theodosy tijden, hoe wel hy by na twee hondert jaren eerder dan Theodosius gheweest is.
Coornhert.
De strafwaerdighste zijn veel tijden de strenghste over anderen, ghy O Lpsi self van us self schrijvende: Ick bekenne niet alleen dat ick mach, maer oock dak moet vallen ende doolen ende die soo moetwillig in Lactantio hebt ghedoolt, iiij. Lib. ij. Cap. wilt hier den Splinter uyt D. Albadens ooghe trecken, die niet en verswijght zijnen Autoor daer uyt hy sulcx sonder na sien gheschreven mach hebben, namentlijck Joan Bodijn, die moghelijck een ander meynt of in een van beyde namen gedoolt mach hebben, dat licht gheschieden kan, maer bewijsdy hier mede dat Albadens annotatien inde Ceulsche vrede-handel met reden ende uyt de Rechten bevestight onwaerachtigh zijn, ende u boeck als het Euangelium selve in alles recht is? oock u segghen dat Augustinus den Raet van Micenas volghende gheen ware Christenen door sodanighe wetten: om datse so niet genaemt waren, Rom. 2. 29. gedoodt en heeft? geen van beyden het teghendel van, dese heb ick u vaster in mijn Brief bewesen, dan’t u Lief is, of moghelijck te wederlegghen.
Lipsius. 39.
Kindtsch is u dolinghe, ende vergheefs arbeydt ghy int ontschuldighen der selver, Pag. 4.
Coornh.
Na Lipsi oordeel, maer d’onpartijdighe Leesers sullen mede oordeelen.
Lipsius. 40.
De eene (Religie) is eenigheyts oorsake. Ick ende alle oprechte ende Heylige met my ghevoelen also, Pag. 20.
Coornh.
Ick mede wensche ick in mijn Proces niet, datter niet alleen een rechte religie in een rijck, maer inde heele Werelt ware? Wat doet u my een ander gevoelen op dichten hier ende op ander plaetsen in ander saken? om u teghenspreecken wat schijns te gheven of de ware Religie des eenheydts oorsaecke is, en is hier oock ‘tgheschil niet. Maer of in dese onse beklagelijcke tijden inde welcke ghy u wetten schrijft ende eene religie alleman niet alleen mishaghet, maer elck een ander yverigh aen kleeft, het gheweldigh beschermen ende houden van eene met uytroeden van alle andere altijdt eenheydts oorsaecke is? wie siet nu het jeghenwoordigh niet.
Justus Lipsius. 41
Ende van of uyt een vermengde Religie ontstaen altoos oproerigheyden. Och of gy yemant anders my sulcx met waerheyt ontkende? Pag. 21.
Coornhert.
Onnodigh dat ick of yemandt anders sulcx ontkenne, na dien ghy’t selfs ontkent, segghende stracx daer aen: Of ende wanneer verscheyden gheen oproer ende oorsaken: ende verscheyden exempelen voorthalende seghdy, dat by den Egiptenaren vier Secten in swang gaen sonder eenige tweedracht of oproer om drie oorsaken. Fol. 22. Soo en verstooren de verscheyden religien niet altijdt, soo ghe qualijck oordeelt, maer mogen door eenige middelen so bestiert werden datse vreetsaem zijn.


Leert dese (hebdy verstandt ende wildy nut sijn eenen d’aengesteken Fackelen van tweedracht uyt blusschen) de Princen nu in dees tijt, daer ‘tghedoghen van verscheyden Religien onrust tot rusten: of anders ’t verstooren der selver de grootste oproer ende verderflijcke oorloge tot verderf van gantsch Europen brenghen sal. Welckx staet ghy nu met beveynsde tranen schijnt te beweenen. Giet dit verkoelende water in sulcke vlammen, soo sullen de Lichaemen ende Zielen van veele menschen verschoont, ende in Landschappen rust ende Vrede weder op-ghericht werden.

Lipsius. 42.
Tot sijnder tijt nochtans, ja tot sijnder tijt (voorsegghe ick u) sullen die uyt-bersten, pag. 23.
Coornh.
Watte? Datter onrust ende verstooringe sal uytbarsten, soude dat niet wel sijn als d’overheydt aenraedt met hooghster gheweldt ende met een Duc d’Alsche wreedtheydt (soo zy ghesien hebben) maer een Religie alleen wilden beschermen? Werdt nu sulcks oock niet voorseydt van Spangien (daer men na u Raedt maer eene Religie met gheweldt houdt?) hebben sommighe Landtschappen, daer over Cxx. Jaeren maer een Religie was oock niet dese twist ende onrust ondervonden? Isser dan niet ghestadigheydt onder de Zonne? Of meyndt ghy Lipsij nu soo wijs te wesen dat ghy u Princen Heerschappyen soo soudt konnen schicken, datse gheen veranderingh souden onderworpen sijn.
Lipsius. 43.
In alle wijse ende tot allen tijden eert self Godt na de Vaderlandtsche Wetten, ende maeckt dat andere hem oock Eeren. Pag. 24.
Coornh.
Met wiens authorityet bewijst ghy dat? 1 1 De vrydom der conscientien is na de VVet der naturen. Met d’achtbaerheyt Tertulliani de Oudtste ende gheleertste vanden Oldt-vaderen suldy segghen. Leest hem dan oock wat hy daer teghen schrijft tot Schapulam de Vooght van Carthago, daer hy seyt: Het is een Menslijck recht ende natuerlyck vermoghen, te dienen oft Eeren ’t gunt een yeghelyck by hem goet dunckt ende belieft noch des eens Religie en baet noch en schadet, den anderen niet. 2 2 Inde Ceulsche Vredehandel Fol. 18. Ten betaemt oock de Religie niet de Religie te dwinghen, want die vrywilligh ende niet door ghewelt moet aengenomen worden, nadien oock d’Offerhanden van een goetwilligh herte geeyscht worden. 3 3 Dat de dwangh der consc. teghens Gods wet is.
De generale Staten representerende onser tijden wijsheydt, segghen: Ghelyck zy niet en willen dat heurluyder conscientien eenigh ghewelt aenghedaen werde: Dat het oock so Gods wet teghen is de conscientien van anderen ghewelt aen te doen. 4 4 Ceulsche Vredehandel Fol. 30. VVat ghy niet en wilt dat u geschiede, doet dat een ander niet.
Wat ick uyt Augustino desen aengaende 5 5 Totten gheloove behoort men niemant tegen sijnen wille te dwingen. teghen u aentekeninghen o Lipsijs oude moghen voortbrenghen (soo ick int tweede Proces teghens Bezam eensdeels heb ghedaen) ja meest uyt alle de Vaderen, dat soudy vernemen alsmen yet seeckers den gheloove aengaende met der selver achtbaerheydt moghte bewijsen, die doch by den Christenen gheen
aenzien moghen hebben nuyten veele min teghen de Goddelijcke Schrifture. 6 6 Aug. côt. Liter. Vetil. Lib. 2. Idē tem. 2 Epist. 16. Siet 2. Proces.
Dat ghy uyt henluyden van’t dwinghen der quaetdoenders (die daer weten haer misdaet, ende dat de straf rechtvaerdigh is) met sulcken geswens voortbrengt, is gantsch een ongelijcke sake om op mis of rechtgelovige onnoosele menschen te voeghen die daer wanen of weten datse wel-doen ende eerder loon dan straf verdienen, ende daerom door dwangh-macht meer verhardt dan versacht werden.
Lipsius. 44.
Maer den ghenen die inden Godtsdienst yet veranderen haet en de bedwinght. Hier eersselt ende wederspreeckt ghy: Maer te vergheefs, &c. Want de sulcke sijn by allen Volcken bedwonghen ende ghestraft. Ziet ghy onsen Griecken? Daer vindst ghy de Philosophen Socratem ende Pithagoram veroordeelt Anaxagoram ende Aristotelem beschuldight om nieuwigheydts wille in de Religie, &c. Niet anders hebben de navolghende Romeynen ghedaen, ende die Princen selve, wat deden de Joden? De Spangiaerts hebben ghestraft. Pag. 26. 27.
Coornh.
Wat bewijsdy hier ende raedt ghy onbedachte Lipsi de Princen? Wat doet ghy met alle dese Exempelen, die ghy uyt Heydenen, uyt Joden, naem-Christenen ende Spaensche Coninghen voort-brenght? Staet u bewijs-reden niet in heur grondt aldus? Alle eat eenighe NAem-Christenen of Spaensche Coninghen, de Afgodische ende Heydensche Griecken ende Romeynen, de Propheten ende Christ-moordende Joden goet ghedocht ende ghepleeght hebben ons aken der Religien: Dat behooren wy Christenen, ende die Christen Overheyden, toe te stemmen ende nae te volghen. De Spaensche Coninghen hebben, die niet Catholijck en waren, niet willen lijden, ende vervolghen oock noch dootlijc die anders sijn: Die Heydensche Afgodische Griecken hebben den alderwijsten ende besten Socratem gedoot, de Romeynen Apostelen Christi ende alle vroeme Martelaren, de Joden, de vrome Propheten ende Christum self, om nieuwigheydt in de Religie. Daeromme ghy Christen Princen behoort sulckx (alhoewel onse Meester Christus dat niet, maer het jeghendeel leert) nochtans te doen ende na te volghen. Wat naem-Christen (ick swijge waerachtich Christen) mach soo heyloosen Lipsiaenschen bewijs-reden toestemmen.

Seecker hebben de vreemde Volcken in sulcx behoorlijck ende wel ghedaen, soo sijn niet alleen Socrates, maer de Propheten, ende alle vrome, so Oude als onser tijden Martelaren, maer oock d’Apostelen ende Christus selve te recht als doodt-schuldighe ghedoodt, om nieuwigheydt inde Religie. Soo en is geen onbevleckt of onnoosel Lam maer een misdadighe Christus (O Godtloos ghevoelen) voor ons gheoffert.


streckt sulcx oock tot eere Christi, tot der Christenen gheloofs achtbaerheyt? Want de Joden die niet hebben willen in den Godtsdienst yet vernieuwen maer blyven by der Voorouderen insettinghen 1 1 Polit. 4. b. ij. cap. , Godtsdiensten ende Ceremonien, by de goede ende oude ghewoonte (soo der Joden was) ende der Vaderlantsche wyse, &c. zijn wijser gheweest ende hebben voorsichtigher ghedaen, dan d’Apostelen ende andere die sesselve verwerpende Christi wet hebben aenghenomen.
Iustus L. 45.
Dat segh ick kort af, ende met een woort, datter altoos dwang gheweest is over den ghenen die wat nieus hebben willen aenrichten, etc. pag. 28.
Coornhert.
Sulcx is niet dan te overvloedigh geweest eylaes! Oock in onse bloedighe tijden: Ist daerom behoorlijck ende recht ghedaen, dit laest staet u te bewijsen.
Iust. L. 46
Dit ist dat onsen Vader der gheleertheydt (Mecenas) aenradet die van u soo boven maten gheribsackt ende ghespot is, Pag. 28.
Coornhert.
Die uwe ende der consten of gheleertheyt Heydensche Vader is, de Hemelsche Vader Christi niet. Die uwes Vaders raet hebben ghevolght hebben veel onschuldigher menschen (die niemant onrecht of eenig bedroch ghedaen en hebben) bloet vergoten, soo oock de Princen. Door u boos aenraden verleydt zijnde, doen sullen. Maer die de Vader Christi in zijnen raedt ende wetten navolgen geensins. Zijn soodanighe Heydensche wetten van een naemChristen den Christen Princen oock Christelijck.
Iust. L. 47.
De sulcke porren veel aen tot veranderinghe der dinghen. Ernstelijck vermane ick, o ghy Princen wacht u, Pag. 28.
Coornhert.
Maer waerom soude de vernieuwinge of beteringhe inde religie quaet ende strafbaer zijn? want seghdy van gheen dingh en staet de regering ende hoogheyt meer ghevaerlyckheyts te verwachten, &c. Fol. 28. Is nu allen menschen welvaren minder dan dees of dier Princen? oft liever (ick seght sonder verachten) eens arm ellendighen menschen heerschappie. Is de vernieuwinghe der vromen Euangelischen te verachten, ja Christi, ende der Apostelen strafbaer? om dat sy die herten des volcx hebben beweegt ende door de ware Godtsaligheyt ghedreven waer sy ghewelt hebben om dat eenighe heerschappyen daer door verandert zijn? Is alle veranderinghe ‘tgemeen beste schadelijck.
Neghen bysondere exempelen by u verhaelt zijnde, o Lipsius van dt onder Godsvruchtiheyts schijn eenighe verleyders onbehoorlijck tot heerschappen ende eens anders rijck in te nemen hebben ghepoocht vraegdy.
Lipsius 48
Wat seghdy hier toe Diederick? Dat wy soodanighen perijckel op desen tijdt niet en hebben te verwachten ’t en weets niet, Pag. 31.
Koornh.
Dat ghy uyt sulcke bysondere ende ongelijcke Heyndensche, Joodtsche, Turcksche, ende maer eens naem-Christus exempelen
niet cont besluyten dat alle aenporders tot vernieuwinghe, misdadighe verleyders, ende schoontigende hypocrijten zijn, die tot heerschappen poghen. Is Christus (die doemen hem Coning wilde maecken vloot) ooc sulcx gheweest? oock alle Propheten. Sint Jan Baptista ende d’Apostelen? Alle Euangelischen onser tijden end alle Doperen, om dat eenighe (oock Jan van Leyden) sulckx was? Men weet neen. Weten of leerdy de Princen dese te onderscheyden vande bedrieghelijcke staet-soeckers? Seecker kennen sy die niet ende wilmen die niet toe laten, maer alle vernieuwers of aenproders tot veranderinghe inde Religie haten, dwinghen, ende straffen, etc. Volghens u ende uwes godloosen Mecenatis raedt, so salt moeten ghebeuren datmen de goede vernieuwers ende waerheyts tuygen tot der menschen verbetering ende saligheyt hoogh nut ende nodig, mede dootlijck sal vervolghen ende mette alderwreetste doodt om brengen, ende dat uyt vermoeden ende vreese vande gevaerlijkheyt over de regeringe ende hoocheyt, so Herodes, Pilatus, de Phariseen, ende de Heydensche, 2 2 Matt. 1. Ioā. II. 42. oock andere Tyrannen over haer onderdanen hebben ghedaen. Waeromme doch?

Lipsius. 49.
De gebreecken van veelen schuylen int verborghen om dat heurluyder verstanden noch onsterck ofte kranck zijn. Doch en sullen die niet min derven bestaen, als sy heure crachten daer toe ghenoechsaem te zijn sullen achten, Pag. 31.
Voorwaer dese sachticheyt ende barmhertigheydt sal u ist dat sy de wapenen aengrijpen in groote swarigheydt veranderen, Pag. 44.
Coornh.
Tot dien eynde dede Herodes de grouwelijcke 3 3 Matth. 2. moordt van sulcke menichte onnoosele kinderen om Jesum daer onder mede te dooden uyt waen van zijn Rijckx verstooring en verandering, soude sulckx rechtvaerdigheyt ende Justitie wesen daer soodanighe afgrijselijcke, ja meer dan Beestelycke straf voor de misdaet ghehaet? Ende daer men met onkunde oyt onseker uyt waen ende vreese van perijckel straft: soo machmen oock in sommighe Landen de Kinderkens dooden, uyt vreese datse Dieven of Moorders souden worden.
Lipsius 50.
Gheen andere Religie dan des eenighen Gods en behoortmen te houden. Welcke is die? De Christelijcke, van waer haeldtmen die? uyt de Heylighe Boecken, Pag. 31.
Coornhert.
Welck de ware religie is ist geschil nu by elck een: salmen elck in zijn seggen dat die by hem is, geloven?
Maer waer wijsdy die uwe Princen? by de 9. Fessionisten, Doperschen, Ghereformeerden, of Roomsche Papisten? na wiens wijse sal u Prince maeken dat het volck God eere, na de Vaderlantsche Wetten, seghdy, etc. Hier steeckt de Romanist zijn Hoornen op ende stemt (latende sich beduncken dat hy niet dan Peperkoeck en smaeckt) met u gantschelijck over een, seggende tot dit u segghen ja ende Amen.


Hier hebben alle Euangelische ’t proces verlooren zijnde, met alle de heure sake voorstaen te recht strafwaerdigh, ende de Coning heedt het recht ghewonnen, want ghy seght hoort. Ende behoort ghehouden te werden na d’oude maniere. Het staet een wys man toe der Ouderen insettinghen te beschermen, int behouden vanden Gods-diensten ende Ceremonien, ende de Vaderlantsche gebruycken te verwerpen of schenden, wort by alle volckeren voor misdate gehouden.
Lipsius. 51
De goede ende oude zede behoort men te houden, daeromme behoortmen oock in d’alderkleynste dinghen, het minste vande oude gewoonte t’onderhouden. Int iiij. boeck der politie ‘tnegende Cap.
Coornhert.
Hier seghdy niet vande oude Religie maer dat de goede ende oude ghewoonte gehouden moet werden. Hier ben ick meer dan bedrieghelijck na u oordeel, om dat ick op de Religie trecke, ‘tgunt ghy vande authoriteyt segt, waer mede bewijst ghy doch dat ghy ‘tvoorverhaelde vande autoriteydt ende niet vande religie schrijft? daer men alle, ja ooc de minste dingen seyt sluyt men daer de religie uyte, hoe suldy u hier doch uyt redden konnen? voren hebdy geseyt dat onder alle menschelycke dinghen niet waerdigher en is dan de Religie, ende datmen die met ‘thoochste gheweldt behoort te beschermen, &c. daer en is niet meerder dan de Religie, Pag. 36.
Is nu de Religie minder dan de minste dinghen? Of hebben d’oude eertyds op alle dinghen beter ende ghevoeghlycker voorsien, soo dat den dinghen die verandert worden in arger verkeeren. Int vierde Boeck Cap. 9. Behalven inde Religie? of dient sulcx mede niet tot behoudinghe vande autoriteyt daer ghy schrijft: Eerst om uwer bescherminge wille, Pag. 14.
O Lipsi meent niet dat alle Hollanders Esels zijn, die niet met redenen maer met eynden houts gheleert worden. Sy konnen u onrechte meninge hoe seer ghy u vermomt, uyt u politien naeckte woorden wel verstaen, als oock de volghende in dit Boeck, Folio 34.
Verghevelycker dooltmen met een aengenomen ende oude opinie door een omsichtige beschroomtheydt dan teghen ghewoonlycke zeden ende vermetelheyt, geefdy niet opentlijck met al sulcx te kennen, dat ghy leert dat de menschen inde oude dolinge blijven? de Leser macht oordelen.
Lipsius. 52
Daer inne yet te verbeteren is behoorlijck meer dan te veranderen.
Maer wie sal dat doen? een ghemeen man niet, ja oock de Prince niet dan met raet ende goetduncken der geenre die met leven ende gheleertheydt daer toe bequaem zijn, daer tot dienen de Concilien, Pag. 32.
Coornhert.
Wie zijn de bequame? wie sal oordeelen welcke die zijn? de Roomsche Doctooren? Soo hebben veele Coninghen, Princen, ende Overheyden oock ander Luyden, na onse tyden (na u besluyt) qualijck ende strafwaerdelijck ghedaen. Maer of de Leeraren van d’aenghenomen Religie die niet wilde corrigheren maer de Concilien, (als de Romani-
sten partydelijck tot Trenten deden) tot dien eynde misbruyckten, wat dan? De menschen in doodtlycke doolinghen te laten blijven? O gheleerde Liefhebberen der waerheydt.
Lipsius. 53.
Selve heeft hy aldus tot eenen in een ghespraecke gheseyt, dat hy’t my al soude moghen vergheven, uytghesondert alleen de uytghenomen groote valscheydt die ick over Lactantium ghepleeght hebbe, Pag. 35.

Coornhert.
Dat is onghetwijfelt gheweest Buycken van Amsterdam u Discipel, ende van u O Lipsi opghemaeckt, die meermaels met my int vruntlijck ghesproocken ende van dese plaetse Lactantij ghehandelt heeft, maer niet siende eenigh middel, daer mede hy u, zijnen Meester van sulcken louteren valscheyt soude moghen ontschuldigen ghedrongen is geweest te bekennen dat ick u te recht berispt hadde? Heeft voorts seer hertelijck van my begeert een exemplaer van mijn Proces, hoe wel noch onvolmaeckt ick weygerdet om dat het niet voldruckt en was, hy hielt aen, ende my eene fraye logene inde hant stekende, seyde hy op Francfort te willen reysen, ende dattet hem onderweghe tot vermaeckelyckheyt dienen soude beloovende seer hoochelijck dat hy’t niemandt alhier soude verthoonen. Door dese beloften (met hant-tastinghe bevestight) ick verblint zijnde hem eenige quaternen liet volgen: de welcke dat soete manneken, sonder vertreck, ende sonder te letten op zijne beloften (dat een rechtsgeleerde geensins en betaemt) al te samen aen u sant, op dat ghy’t tydelijck soudet hebben, dat ghy t’ondijde daer teghen sout moghen segghen, ende u sachtsinnigh, soethartigh ende alder vreetsamichste verstant van ons gheheel Hollant een yeghelijck bekent sout maken. O twee deughdelijcke mannen, maer dat ic u al soude konnen vergheven behalven alleen dese valschedt over Lactantium, heeft hy u even soo ghetrouwelijck over ghedraghen, als hy mijn zijn belofte ghehouden heeft, ‘t is seker beklaghens waerdigh uwe boose wetten, Lipsi ende den prickel mijns ghewetens hebben dit mijn nootelijck teghen schrijven my af ghedronghen.
Lipsius 54.
Datter onder de menschelijcke dingen niet waerdigher en is dan de religie ende dat die met hooghster gheweldt beschermt behoort te werden, Pag. 35.
Daer en is niet meerder dan de Religie niet hooger dan’t gheloove. Pag. 36.
Coornhert.
Wie ontkent dat? is dit al weder na u ghewoonte, als of ick sulcx teghen ware, my op ghedicht: ’t gheen ick over al self segghe ende opentlijc voor recht houde om wat schijns te hebben ende u schaduwe te bevechten? Neen Lipsius niet dat, maer de woorden, bevecht ick ende dat die met hoochster gheweldt behoort beschermt te werden, oock Lactantius self wiens autoriteyt ghy soo ontrouwelyck ende schandelijck misbruyckt teghen zijne naeckte sinne ende meninghe oock teghen u vermaninghe tot de welcke (als een oprechte Toetsteen) ghy den Leeser so dickwils aenwijst.


Ick hebbe die ghelesen ende wel verstaen: dit zijn uwe woorden: daer staet alleenlijck op te letten, datter niet tot een oprechte meninghe verdraeyt en worde, maer hoe ghy dese uwe gheheel wel gheseyde woorden self met voeten tredet heb ick u krachtelijck ende klaerder dan den dach uyt Lactantio bewesen, wat doedy hier, eerdy de waerheyt? geensins. Maer pooght desen sachtmoedighen ende gants onbloedigen man in u bloetraet mede trecken, seggende, etc.
Lipsius. 55
Ghy doolt noch meer daeromme dat ghy meynt dat Lactantius dat ghevoelen verwerpt, valsch ist. Hy seyt dat de Romeynen so ghevoelen, noch vande bescherminghe, waer vande onvoorsichtighe bescherminghe, want sy een quade ende ydele religie, ende daerom de selve oock qualijck beschermden.
Daerom heeft hy voor hen gheseyt: O met wat een oneerlijcken wille doolen die ellendighe menschen, daerom is die wille om te beschermen goet, ist dat die een goede Religie beschermen wil, Pag. 36.
Coornhert.
Waer met bewijst uwe gheleertheydt dat met Lactantij eyghen woorden ter voorschreven plaetsen, Lib. v. Cap. xx. houdende:
Maer ghelijck als sy bedroghen zijn inde Religie self, so zijn oock bedrogen inde wijse des beschermens. De Religie moetmen beschermen niet met dootslaen, maer met vermanen: niet met wreetheyt maer met lijdtsaemheyt: niet met boosheyt maer met gheloof. Dat zijn de quaden dit der goeden daden. Want so ghy met bloet, met pijnigen, ende met het quade den Godsdienst wilt beschermen, soo en sal die niet beschermt maer geschent worden. Daer en is niet so vrywilligh als de Religie, de welcke gants wech ghenomen ende te niet is, indien het gemoet des geens die offert daer van is af ghekeert. Het is dan de rechte middel datmen de Religie bescherme, of met lijdtsoemheyt, of metter doot te lijden, etc. ’t Is niet nodigh met ghewelt ende met onrecht te handelen, want de Religie niet en mach ghedwonghen worden, etc. Waer toe ghebruycken sy dan de wreetheydt, op dat sy willende heure dwaesheydt verminderen, de selve vermeerderen soude, gheheel verscheyden zijn de buelsche handelinghen, ende de Godsaligheyt: noch waerheyt en mach mettet ghewelt, noch de rechtvaerdigheyt mette wreetheyt te samen gevoegt werden, etc.
Prijst Lactantius hier met u gheweldigh beschermen der religie? of wil hy datmen de valsche Religie mette voorschreven goede middelen maer de ware met de boedel sal beschermen of dees laetste manier van bescherminghe u gheen van beyden. Dat de ware Religie behoort te beschermen en twijfel niemant, maer niet met sodanige wreede ende gheweldighe middelen, als ghy O Lipsi mette vervolgers Christi voor gheeft, ende Lactantio pooght op te dichten. O stoute onbeschaemde ende onbeleefde vertaelder Lactantij. 1 1 Pag. 36.
Is dit u groote const diemen meer benyden dan navolghen kan? 2 2 Folio 36. Wech Lipsi be-
hout sulcke uwe konst voor u alleen. O subtijle ende woortkonstigh gheleert man, die anderen een meninghe; Dese wedervechten, ende met so klare redenen ende naeckte woorden wederspreecken, gants contrarie op can dichten: ende wederom anderen stoutelijck op dicht, datse calumnieren, u sin vervalschen ende u mening niet verstaen, om datse alleen na klare luyt uwer woorden u schriften verstaen ende oordeelen. Is u ghevoelen als u woorden leuyden: waerom soeckt ghy uytvlucht ende ontkent sulcx roepende: Een ander meyninghe dicht ghy my op, etc. een gevoelen verscheyden van mijn gevoelen, etc. Pag. 7.
Is u meynighe anders waerom schrijft ghy anders? of ontbreecken u gheleerthedt konsten ende woorden, u meyninghe naeckt uyt te spreecken? ‘tIs onghelooflijck, ist oneerlijck anders te spreken, ende anders te meynen? Hoe veel oneerlijcker ist dan anders te schrijven, ende anders te meynen?
Justus Lipsius. 56
Ick gheve raet ende gheen wetten, 3 3 Sen. Epist. II. Lib. 3. noch ick een bevestighe niet, maer stelle het maer voor. Hier omme spot ghy mijnder seggende dat ick ‘teen teghen ‘tander gheschreven hebbe. Om dat oock inde voorreden tot den Leser gheseydt hebbe, dat ick gheve eenighe ghemeyne gheboden, ende als wetten, Pag. 38.
Oprechtelijck ende warachtelijck soo heb ick soo wel ‘teen als ‘tander gheseyt, ende ’t eerste doorgaens int gheheele Boeck, Pag. 38.
Coornhert.
Ja inden schijn van oprechtigheyt schrijft ghy hier wel: dies te onschuldighlycker om dat ick raedt, ende gheen wetten voort en brenghe, noch dat niet en bevestighe maer simpel voor ooghen stelle. Maer waer toe dienen dan uwe ghebiedende woorden ende uytroepinghe? Te weten: Ghenade hebben hier gheen plaetse: Brant, snyt: Laetse van u ghestraft worden, &c. oproerighe zyn altoos strafbaer, ende dat noch na dat ghy die jegenwoordigen stant ende gelegentheyt van Europa op’t alderscharpste ondersocht hebt, ende oock hier Fol. 41. Ghy Coningen straft de Ketteren. Is dit het water dat ghy om desen Heyligen brant te lesschen aen brengt? Dat moghen ghelooven alle die op u achtbaerheydt meer dan u op de saecke self sien.

Justus Lipsius. 57
En waerom en soud ick hier niet twijfelen? Het is een Theologische saecke: die ick met recht onderwerpe den ghenen, etc.
Coornhert.
Betaemt u dan wrede raden op twijfele in so wichtighen sake te gheven? behoorde ghy in sulcx u aen de goedertierenste niet te buyghen? of liever te rusten ende te swijghen: Van twyfelijcke saken en verclaert niet seeckers maer hout uwe meninghe daer van op, (Seneca int vierde boeck van Deughden) dat is wijsheyt, maer ghy geeft desen aengaende uwe onwijsheyt te kennen.
Iustus L. 58
Niet alleen dat ick mach, maer dat ic moet struyckelen ende dolen ist so ick verwonder my u uwe ontsinnigheyt, Pag. 34.


Coornhert.
God als alleen al wetende: mach niet alle menschen moghen, maer niemandt en moet doolen. Int geen dat verborghen is, en men niet en weet, mach, ja moet elck dolen, als hy soo ghy in desen toestemt saken hem niet seeckerlijck bekent zijnde, hier uyt als uyt een Fonteyn vloeyen ende ontstaen alle doolinghen. Soude sulck onbehoorlijck werc behoorlijck moghen gheseydt worden? dit (niet u zedigheyt) berisp ic, dat sulcken moet doolder ongheroepen, aen Keyser, Koninghen, ende Princen, so ongoedertierentlijck raedt geeft ende roept uyt twijfele, ja buyten ende sonder alle kennisse van saken, niet tegen quaedtdoenders maer teghen menschen die met woort oft daet heur Conscientien beleven. Is dat gheen onbehoorlijcke doling van sodanigen man die uyter natueren sachtsinnigh ende lieffelijck is teghen eenen yeghelijck, ende boven den welcken gheen vreedtsamer en is in ons gantsche Hollandt, ende soo inborstigh goet?
Iustus L. 59.
Dit voortspruytende ghebreck hebben wy uyt de menschelijckheyt verkreghen. Want als een mensche doolt, soo doolt hy menschelijck, Pag. 39.
Coornhert.
Hy doolt oock wel Duyvelijck als de gene die God een oorsaecke van’t quaedt maken. Hoort liever wat Seneca zeyt, die soo dickmael van u voortghehaelt wort: De natuere maeckt ons niet ghebreckelyck, maer heeft ons sonder eenigh ghebreck voort ghebracht, wy zyn met eene goede conditie gheschapen, so verre wy die niet en verlaten Seneca inden selfen brief des veerthienden Boecx, oock int Boeck van de vertroostinge tot Albenum. En geeft niemant dan u selven den schulde van u dolinghe ende sonde, want God ende de natuere daer vry af zijn.
Iustus L. 60
Onse kortheyt wort bespot.
Coornh.
Neen niet u kortheyt maer ghesochte duysterheyt (die verklaringhe behoefde) in sulcke wichtighe saken berispe ick, met oock u nabootsen van Socrates segghen van Heraclati boec, * 8. dat ick verstaen hebbe is goet ende gheloof daeromme dat ick niet en heb verstaen, daer met ghy den Lesers afeyscht om ghelooft te zijn, al en verstaen zyt niet.

Lipsius 61
De Ketteren zijn tweederley, te weten, die by hem selven doolen ende wijs zijn, ende die anderen aenraden, Pag. 40. 41.
Coornhert.
Hier sietmen immers klaerlijck int deelen der geenre die teghen die Religie misdoen, dat ghy niet en meynt oproerige Ketters die de Rechten van self, niet op u aengeven straffen soo ghy vooren Fol. 7 ende doorgaens wilt schijnen te doen, maer dat ghy vorder pooght ende roept.
Lipsius. 62.
Laetse van u gestraft zijn, op dat ghy voor henluyden niet ghestraft en wordt van u zijt: Ghy Koninghen straft de Ketters, pag. 41 O Prince merckt ende geeft ghehoor liever dese wyse dan de sulcke die eyghelijck by den weghen naroepen, der welcker verstant niet
dan inde Tonghe en is gheleghen. Maer ist dat mijne raden oock plaetse vinden ken salt benijden, Pag. 45.
Coornhert.
Dir roept ghy in desen onrustighen tijdt, dit beveeldy heur te doen, maer hoe sullen syt doen opt onseker sonder voorgaende oordeel of kennisse van saken? 1 1 De Theologanten laten de princē het oordeel van Ketteren niet toe. soude sulck straffen rechtvaerdigh zijn? verstaen de Koninghen ende Princen nu de verborgentheydt vande Theologie, weten sy wat Ketterye is, die een ketter maeckt, wie een Ketter is, ende wie anderen verleyden wie een quaedt gevoelen van God heeft: Weten alle Princen dat heur Lants aenghenomen religie die rechte is, ende die anders ghevoelen ende anderen aenporren met ghewisheyt te straffen, alle sulcx wert in desen nootelijck vereyscht so ghy of sy anders Christum (die mede onder die quaetdoenders is ghestraft) nich in zijn lidtmaten niet willen vervolghen ende dooden: O Lipsi wildy nu noch niet bedaren ende mercken in wat ghevaer ghy den Princen, so sy u in sulcken blintheydt volghen met gants Europa soudt stellen? betaemt sulck roepen den genen die hem selven de vreetsaemste van gants Batavia, ende so sachtmoedigh ende lieffelijck tegens eenen yegelijck so verfoeyelijck beroemt te zijn, maer lieve seght doch, na wiens oordeel sullen de Princen de Ketteren straffen? elck na zijn Lants Papen of Theologanten oordeel? of na der Roomsche Catholijcken wetten: hoe ghy kalt ghy maeckt den Koninghen ende Princen Dienaers ende executeurs van ander luydē wreetheyt: ende heel Europa vol strafwaerdighe Ketters. Want na de Roomsche Doctoren oordeel, zijn alle de andere Religie aencleven Ketters, ende veroordeelt elck een ander ende dat om verscheyden verclaringhen der Schriftueren, ende ghebruyck van eenighe Ceremonien.
Lipsius 63.
Aldermeest indien sy verstoringe aenrichten, wie zijn dese verstoorders? na mijn oordeel, tweederley. Die eerste die openbaerlijc teghen de wetten, teghen d’overheyden een nieuwe religie inne voeren, met leeren, schrijven, vergaderinghe maecken. D’andere die niet soo seere een nieuwe religie inne voeren, als te kennen gheven, ende d’aenghenomen Religie door disputatien ende subtijlheyden swacken.
Coornhert.
Hier openbaerdy u selven ende de waerheyt verklaert haer, oock tegen uwen wille, want hoe wel ghy in uwe Boecken vande Politie ende oock op sommighe plaetsen van dit u Boeck, met den naem van verstoorders die met ghewelt ende gewapender hant onder decksel van religie nieuwigheydt aenrichten, nochtans heeft de waerheyt u ghedronghen u contrarie ende bloedighe opinien alhier t’openbaren en hebben dan sodanighe verstoorders vande Wetten niet geweest niet alleen Moyses, Elias, Sint Jan Baptistt, maer oock onsen Heere ende Meester, met syne Apostelen: en hebben die niet openbaerlijck, teghen de wetten ende Magistraten een nieuwe Religie inghevoert, met leeren, schryven, voort leeren, ende dat met versamelingh van volck.


Dese zijn dan als misdadige verstoorders rechtvaerdelijck ghedoodt. Is sulck ghevoelen Christelijck? sullen de Joden ende Turcken sulck ghevoelen, niet eer dan eenige naem-Christenen toestemmen, so zijn oock meest d’Euangelische Martelaren, mede te recht als verstoorders gestraft, so de Roomsche segghen, ende soo zijn d’Euangelische gereformeerden, 1 1 iij. Lib. Cap. iiij. Luterschen ende Doopers hier alle sulckx ghedaen hebbende dootlyck te straffen, ende roepen de Jesuwijten ende minoriten te recht aen den Koningh, met een gheheel Slachoorden moetmen so overwinnen.
Lipsius 64
Oordeelt ghy, wesende na u eygen bekentenisse een ongheleert mensch van sulcken geleerden gheschrifte.
Coornhert.
O woortconstighe man die u self om eenighe uytghesochte ende opghepromckte Latijnsche woordekens soo seer behaecht ghedenckt u niet dat ghy alhier in my veracht, daer over ghy u in anderē verwondert? want dus schrijft ghy in uwe aenteeckeninghe van Philips van Comenee, dit vermeerdert ooc zijn lof dat hy gants ongheleert zijnde, soo groote dinghen ghedaen ende een bysonder goet oordeel of onderscheyt van saken. 2 2 Alleenlijc door d’ervarētheyt Gaet nu henen ghy neuswijse ende behangt u selven door eene kleyne wetenschap van talen. Maer ghy hout u oude maniere want het is al goet soo wat hy doet, 3 3 I. L. berispt ende bespot sigh selven. die is bemindt, het is al quaedt, die is ghehaedt, want hy begint.
My aengaende hoe wel ick my selven geen groote gheleertheyt toe en schrijve, soo vermach ick nochtans ’t oordeelen van u geleert gheschrifte, waert dat wy oneens waren over de gheleertheyt der Talen ende de sierlijcheydt der Latijnsche spraecke, wie maer eenighe kennisse daer van hebbende, en soude my met recht niet oordeelen verwaent te zijn, die my selven soude stellen derven tegen eenen man (en verheft u niet Lipsi) die soo geleert ende daer inne ervaren is? maer en acht my soo plomp ende d’kuntschap der Talen soo ongunstigh niet, of ken soude u toe gheven, dat sodanighen gheleerdthedt waerdigh is. Maer na dien wy vande sake self (daer inne ghy met groot perijckel voor anderen doolt, soo wijt als Hemel ende Aerde verscheyden zijn) handelen ende wiens ghevoelen van ons beyden meer tot der menschen heyl, de Conscientien vryheydt, ende des Vaderlants nut is streckende, so en mach ick: ghelooft my, u niet wijcken dan met groote quetsinge mijnre conscientien ende verwerpinge vande sorge die ick mijnen Naesten schuldigh ben. Alle gheleerden en zijn niet wijs, noch alle onderscheyt ende oordeel en is, den tael-ongheleerden niet benomen, so ghy waerachtelijc van Philips van Comene bekent.
Want men vint onder den Taelgheleerden soo Latijnsche, als oock Griecksche, ende Hebreeusche eersuchtige waen ende neuswijse ick laet staen Narren ende halve Gecken. Het is een wijs mans werck niet gheleerdelijck, maer uyt een warachtigh ende oprecht oordeel te schrijven.
Veele bekennen dat ghy gheen ongeschicten stijl en hebt, maer bedroeven sich dat ghy ghelijck de Meerminne: soo heerlijcken gave misbruyckt tot een vuyle ende vreeslijcke
moorderye van onnosele menschen, Godes levende Tempel wesende ende tot een verderflijcken brant van gheheel Europa wenschende dat ghy sulckx streeft daer aen warachtelijcker blijcken mocht, dat ghy meer gesocht hebt nut te zijn dan te behaghen, *4. ende dat ghy niet langher voort en voert met Keyser, Koninghen, ende Princen te pluymstrijcken den welcken, om u doen henluyden aenghenaem te maken, ghy niet anders dan ‘tghewelt over der menschē conscientien toe en eyghent, met groot onrecht teghen God die so doende uyt zijn stoel ende rijcke gheslooten wert, u onderwindende dat u niet toe en comt het is voorwaer een doodtlijcke wreede ende onsalighe welsprekentheydt die den Princen (die ghemeynlijck onder den deckmantel der gheleertheyt, bedrogen worden) tot sulcke beestelijcke moorderye ende vleyshouwerye aenheft: Wederomme ist een salighe ende Hemelsche Tonghe, die den Coninghen een oprecht ghemoedt leert, ende des Rechters gramschap bevredight, besonder na dien nu een yeghelijck bekendt is, wat bittere vruchten sulcke wreetheydt voortghebracht heeft. Leeren ende onderwijsen is altoos prijsselijc gheweest, maer ‘tzijn (helaes) nu sulcke tijden datmen alle sachtmoedigheydt ende den Christelijcken geest onderdruckt zijnde: niet anders dan met duymysers, boeyē, kerckers, buedels ende branden en handelt, als oft wat heerlijcx waer, eenē mensch die doch onlancx door de Wet der natueren sterven moet, om eenighe seltsame spreucken oft wonder redenen die hy niet verstaen en kan, int vier te werpen.
Iustus. L. 65
Ghenade en hebbe hier gheen plaetse. Te vergeefs worden wy beschuldicht van ongenadigheyt, Pag. 43.
Coornh.
Niet anders en can nochtans uyt uwe schriften verstaen worden.
Iustus L. 66
Ghy verwondert u datter eenige met yser ende vier ghenesen worden, Pag. 43.
Coornhert.
Ghenesen ende gedoodt te werden is by u een selve ding.
Iustus Lipsius 67
Brandt, snijdt, een maniere van spreken, ghenomen uyt d’oude maniere van ghenesinghe, Pag. 44.
Coornh.
Hadt ghy van die Medecijn konst geschreven soo mocht ghy vryelijck sodanighe Figuerkens ghebruyckt hebben. Maer die soo argerlijck te verdraeyen buyten der Autoren zin ende meninghe op der Ketteren straf (die van hier verdreven zijnde elders niet figuerlyck maer dadelijck als met branden ende snyden noch plaets heeft) alwaer dat het yemant mochte ghevoeght hebben, ten voegde nochtans Lipsium niet, die soo strenghen berisper is alsmen zijn woorden na haren sin verstaet of de puntuering niet wel en merct, of dunckt u O Lipsi dat ghy der Autooren konstwoordekens misbruyckende in so wichtigen saken, daer mede uwe grote ende wonderlijcke gheleertheyt blycken Laet? O wel sprekenden man, men behoeft alhier uwe so verderffelijcke constwoorden niet.


Lipsius 68
Vierderley maniere van straffe bekenne ick over sulcke verstoorders, ghelst straffe, schantstraffe, ballingschap, de doodt, etc. Pag. 45. d’Oude hebbent oock ghedaen, Pag. 46.
Coornh.
Hier steldy u verscheyden straffen ende dat teghen de verstoorders voorschreven, dat die alle ghebruyckt zijn by eenighen gelooftmen wel: maer van datse alle behoorlijck ende recht zijn verwachten wy als noch bewijs van u, uyt welcke ende oock uyt u voorgaende voortstellinghe dese redeneringhe ontstaet: ‘tIs by Keyser, Koninghen, ende volckeren ghedaen daeromme sullen wy’t altsamen op dese onse tijdt oock met alle vlijdt soo doen? Wildy dan altijdt ‘tbehooren met voorgaende geschiedenissen bewijsen? wat salmen dan niet beweren moghen?
Alle straf siet op overtredinghe, dese op een Wet: die is elck van natueren aengheboren, of van Overheydt ghesteldt, ‘tzy van Gode of van mensche.
De aenghebooren Wet mach, ende behoordt elck te weten, ende is die niet weter strafbaer so hy die overtrade. De gestelde Wet mach elck niet weten, ende is eener in sulck niet strafbaer so hy die overtrede: maer is sulcke onwetenheydt inden ghenen diese mocht ende behoorde te weten, schuldigh ende mitsdien oock strafbaer: maer diese niet en mocht weten, oock hem niet aen en ging is onschuldigh, ende niet strafbaer.
Elck tot redens gebruyck zijnde gecomen mach ende behoort te weten de Wet der natueren, namentlijck dat hy anderen doe, soo hy wilde dat hem geheschiede. Hier door comt als yemant daer teghen heeft ghedaen, met Dieft, Roof, Ghewelt, of anders, dat de misdaders self noch oock de Rechters (als de misdaet blijckt) niet en twijfelen of daer is straf verschuldt, maer so en ist niet altijdt met de Wet Godes, noch oock met des Overheyts wetten, in saken niet zijnde begrepen inde voorsz. Wet der natueren, te weten inde gheboden Gods zijne ware kennisse ende Ceremonien beroerende, als wesende buyten de Wet der Natueren.
In dese wetten Gods doolen veele menschen, maer gheen van allen willens ende weten, uytghenomen alleen dat willigh werck van het toestemmen van saken heur onbekent zijnde. Doch doolen sy in desen buyten heur weten van dat sy quaet doen.
So doolen vele onoososele ondersaten, overmidts der Princen gheboden van de valsche ende onrechte Godsdiensten die inde Landtschappen gheoeffent worden.
Daeromme staet nu te bedencken of yemant wetende (niet wanende) dat een Lants Religie doolt, ende dat (laet ons grove stellen) int Ketterdooden ende dwang der conscientien die ghy Lipsi schijnt wederom uyt der Hellen te willen voortbrenghen, soo datmer doot menschen (so men helaes tot veel plaetsen noch siet gheschieden) die niemandt met woorden noch wercken schade noch quaet en hebben ghedaen, maer arbeyden elck daer sy moghen nutte zijn ende goet te doen, niet alleen uyter Natueren, maer oock uyt Godes beschreven Woordt, Matth. 7. 12. Prov. 24. 11.
Sondight vraegh ick sulck weter vande schadelijcke doolinghe in des Lants religie, ende is hy strafwaerdigh met sodanige Lipsiaensche straffen: om dat hy spreeckt, disputeert, ende schrijft opentlijck teghen sulcken valsche opinie, ende botte dolingen inde aenghenomen Lants religie, uyt gheen ander voornemen of meyninghe dan om die te vernieuwen ende te verbeteren door’t afraden van sulck Landt-verderffelijck quaedt.
Ende ghenomen d’Overheyts wet sulck een opten halse het swijghen ghebiedt, wien sal hy ghehoorsamen menschen of Gode, die hem sulcx te spreken ghebiet, Act. 5. 29. zijn d’ondersaten oock ghehouden aen sodanighe geboden, die teghen d’Opperste Wetgever, ende zijne Wetten strijden.
En of sulck aenghever ende berisper vande Landts Doolinghe, volghens der natueren ende Godes Wet, noch al self doolden, wanende des Lants religie int ghene hy berispt te dolen: salmen hem daeromme so straffen of dooden? straf siet op misdaet of sonde: hier is maer doolinghe: wie sal oock de Rechter zijn dat yemant doolt? en oft soodanighe dolinghe is die men so moet straffen? of is alle doling strafbaer? hoe sal Lipsius ontgaen die seyt ick moet dolen ende die hier so vermetelijck als bloedelijc doolt, daeromme dat hy openbaerlijck disputerende ende schrijvende den Princen aenport om te gaen op den bekenden doolwech, levende tot der Landen ende menschen verderven? Lipsius antwoorde sich dat hy alhier gheen bloetdorstigh Ketter ende verstoorder vande vryheyt des gheloofs ende der conscientien en is, want de Leere van’t Ketterdooden is self een Ketterye, ende die oock bloedigh. Seecker sal partye self rechter zijn, wie sal onveroordeelt blijven? maer om wat saken salmen in sulcker manieren straffen? om sonde ende misdaet? ‘tis gheen, hy en heeft noyt wil ghehadt om yemandt quaedt maer een yeghelijck goedt te doen. Vermach hy’t niet zijn goede wil is te prijsen, ende want hy doolt onwillens die doling hoortmen hem te wijsen. Voor de straf most zijn doling blijcken, zijn hardtneckigheyt most blijcken na dat hy de waerheyt verstaen hadde teghen hem te zijn, ende sulckx bekendt, niet uyt vreese maer vrywilligh: eer hy een Ketter gheoordeeldt mach worden.
Nu hy zy een Ketter, wie sal mette Heylighe schrift doen blijcken of met reden datmen een Ketter moet dooden ‘tsy heymelijck of openbaer? Ist ghenoegh te roepen:
Ghy Koninghen straft de Ketters van u, van u segh ick, die een Coninck of Prince zyt, is u ‘tSwaert niet ghegheven om ‘tgeestelycke ende waerlyck beyde te beschermen? LAetse van u ghestraft zyn, op dat ghy voor hem niet ghestraft en wordt, ghenade hebbe hier geen plaetse, brandt, snyt, O Prince merckt, &c. vierderley manieren of Trappen van straffe bekenne ick over sulcke verstoorden geltstraf, schantstraf, ballingschap ende de doodt. Ist ghenoegh Lipsius te roepen: Ick wil, ick rae ick bekenne ende te segghen ’t is hier of daer ghedaen, d’oproerders strafmen wettelijck na rechte, maer oock mede alle verstoorders? oock die om religions saken verstoringhe maecken met Disputeren ende Leren tegen Slants religie? Wee dan den Catholijc-


ken, in Enghelant ende elders daer de Gereformeerden ende Confessionische Magistraten, dese Lipsiaensche Raden niet alleen met woorden, maer metter daet bewijsen. Wee den gereformeerden? ende veel vrome Euangelische ende Dooperen, ende alle die in Europen der Roomsche Catholijcke Religie, Vaderlantsche ghebruycken der Voorouderen insettinghen, Godsdiensten ende Ceremonien. De goede ende oude maniere (soo de Romanische achten) tegen de Wetten Placcaten ende Magistraten, met disputeren int openbaer ghekrenckt ende verstoort, ja oock een nieuwe Religie, met leeren, schrijven, ende vergaderinghe maken, ingevoert hebben, wee oock alle nieuwe oock oude Martelaren ende d’Apostelen Christi ende Sint Jan Baptist, die oock alle sulcx teghens des Overheydts ghebodt ghedaen hebben, Actor. 5. 25. 26. Ja wee Christo self, of is die niet ghekomen om ‘tvier ende zwaert inde Jootsche Kercke te senden, ende oneenigheyt tusschen der huysghenoten? Matth. 10. 34. of beroerde hy ’t volck niet openbaerlijck door heel Judeen? 1 1 Matth. 20. 10. Luc. 25. 5. Is hy daer over niet (rechtelijck na Lipsij droomen) veroordeelt ende ghestraft met spot ende schande, ja oock de aldersmadelijckste doot der Cruycen? Wee alle Christenen die soodanigen Christum dat nootlijck uyt Lipsi Leringhe volghen moet) voor een onbevleckt onnosel Lam, een Sone Gods hout, sal hy met Sonde ende misdaedt u des Wereldts Sonde wegh nemen?
Of Wee den Politike mannen die sodanighe quade wetten ende raden geven. 2 2 Joan. 18. Daer door sy Christum het licht der gherechtigheydt des levens Autoor, den oorspronck alles goedts, met zijne lidtmaten onder de misdadighe ende strafwaerdige stellen, maer of sulcke verstandighe menschen of disputeerders die ghy weet ghestraft hebben gheen gelt en hadden? wat dan? En heeft hy gheen gelleken, straft hem aen zyn velleken.

Item.
Brantekens int voorhooft of op den rugghe na d’oude maniere salmen soo met vrye menschen teghen alle rechten ende Wetten handelen? maer wat? of sy na bekeerden suldy dan haer voorhoofden villen om de schandelijcke brant-tekenen wech te nemen? So veel aengaet de tekenen int voorhooft doetmē oock de Mooren in Spaengien. Ende eenige Ketters gheeftmen tot een schant-teecken een Roexken, Sanbenito ghenaemt, maer dit laetste acht Lipsi sachtmoedicheyt, beclaechlijck ende te licht om sulcke verstanden te bedwinghen. Sullent dese uwe strenger straffen oock vermogen, sullender vele niet mede proncken ende blyde zijn, datse onschuldelijck ende om wel doen vande sotte werelt bespot, versmaet, ende alle vuylicheyt verstoten werden? Heeftmen in onse tijden niet eene groote menichte menschen inde wreede ongoddelijcke straffen, heur by des werelts Overheyden aenghedaen, zien gloriëren ende verblijden: achtende sylieden daer mede hen selven heuren Heere Christo die bespot ende onmenschelijck ghegeesselt was niet gelijckformigh te wesen? sulckx sal noch ghebeuren.
Lipsius 69.
Want hoe wel de doodt over sulcke verleyders 3 3 Deut. 13. ende valsche Propheten gheordonneert ende ghebruyckt is gheweest, nochtans eertijdts vande Christenen selden, Pag. 48.
Coornhert.
Vergetende dat hy een scijryver van Burgerlijcke regeringe zijt maeckt ghy u hier selven Theologant, wapenen uwe Prince met de ghetuychenisse der H. Schriftueren, maer hoe verderflelijck dese sproke verdraeyt wert tot het verboden Ketterdoden (daer hy gantschelijc niet toe en dient) heb ick genoegsaem bewesen in mijn u Proces tegen T. Bezam.
Lipsius. 70
Niet dat syne meyninghe was te straffen, maer henlieden een vreese aen te jaghen, om dat sy inden Godes dienst eendrachtigh souden worden, int selve bladt.
Coornhert.
Niet eendrachtigh, maer beveynst soo ghy selve bekent int 4. Boec, 4. Cap. 7. Dist, segghende: Want sulcx veynsinghe inbrengt ende maeckt luyden die meer u kostelyck kleedt dan God eeren.
Lipsius. 71
Of indien de straffe metter doot geschiet: dat sy slecht ende sacht ja (hoort wat verborghen) oock heymelijck ende int verborghen, int selve bladt.
Coornhert.
Soo heeft op’t laetste de Coninck van Spaengien het werck aengheleyt, maer wat heeft hy gevordert? niet. Hebbense openbaerlijck strafwaerdelijck misdaen, laetse ooc ten exempel van anderen openbaerlijck ghestraft worden, maer dit onradi seggende:
Lipsius. 72
Het is nodigh als andere boosheyden gestraft worden, dat sulcx openbaerlijc geschiede, dese misdaedt int heymelijck ende verborghen.
Coornhert.
Segghende voor reden op dat ghy het met lijden wech sout nemen ende ´tspreken minderen om der selver oorsake sal dan nodigh zijn, dat het verwijsen oock int heymelijck gheschiede, want soo suldy dese misdaet verberghen konnen (so noemdy de Ketterye, etc. soment openbaerlijck vonnist? want ghy niet alleen de straffe, te weten het doden wilt hebben verborghen, maer oock de misdaet, waer dit niet een wijde deur gheopent om door den verborgen nijdt ende haet de Phariseen ende conficati geerigen Overheyden, menichte van onnosele menschen onder Ketters ende verstoorders deckmantel heymelijck te moorden, is sulckx niet al te grouwelijck gebeurt, sal sulckx niet meer ghebeuren alsmen met soo aenlockelijck aes: van (straft de sulcke aen den gelde, Pag. 46. berooftse van alle erfenisse) so verderffelijcken den Overheydē ende Princen aenport, als ghy o onbedachte Lipsi met u heymelijcken raet doet? Waerom doch?
Iustus L. 73.
Op dat ghy het met lijden wech neemt, ende ´tspreken belettet.
Coornhert.
Het beletten van spreken vande persoonen diemen wilde straffen, is oock in onse ongeluckighe tijden niet weynigh ghebeurt met verscheyden montsluytinghen als met bal/


len (O wreet te aensien) met toeschroeven, ende tong af te snijden of doorboren. Is daerom het medelijden des volcx wechgenoemen? gheensins. Ghemerckt sy verstonden oock na der natueren Wet, datmen de quaetdoenders te recht, maer dusdanighe t´onrecht straft, ´tzy heymelijck of openbaerlijck, waer door sy oock sulck metlijden over dese hebben ghehadt, ende soodanighen haet tegen die onmenschelijcke wreetheyden, dat daer door aldermeest dit bloedigh ende verderffelijck Oorlogh by den Lantsaten ter hant ghegrepen ende soo behartight is, dat ons ellendighe Vaderlant seer swaerlijck daer van ghereddert sal konnen worden. Sonder dat van sulcke onbehoorlijcke straffinghe de Ketteryen oock eenighsins vermindert zijn, ja hoemendese saecke listiger heeft willen benevelen hoe des volcx klappen te meer vermeerdert is, ende meynt ghy Lipsi nu listelijck Jan allemen ´tcallen te behinderen? Waerlijck ghy doolt, ende hier moet ghy doolen, want ´tvolcx roepen daer door mette Ketteryen oock vermeerdert zijn.
Iust. L. 74.
God heeft selve voorseyt datter Ketteryen wesen sullen, etc. Ick bidde God o Prince, dat hy u een ghematight ghemoedt ende henlieden een oprecht ende berouwigh hert wil gheven. Pag. 49.
Coornhert.
Dat en raet ghy heur niet, maer het tegendeel, iiij. Lib. iij. Cap. Ghenade en hebben hier gheen plaetse, etc Brant, snijt.
Iustus L. 75
So wanneer de verstoorders sonder meerder beroerte gestraft mogen worden den loop der Wetten moet somtijds in stilstant ghehouden worden, Pag. 49.
Coornh.
So raedt ghy dewijle u wille macht ontbreeckt want so ghy seght:
De menichte der misdoenders neemt weg of verjaeght de straffe, Pag. 53.
Iustus L. 76
Fatael of nootlijck is dese schurftheyt der verstanden. Ende dese peste is voorwaer van Hemel, of eenighe ghesternte.
Coornhert.
Ist fatael vanden Hemel of eenige sterre, waeromme wildy die nu so ghestraft hebben? sal hy met beschaemtheyt verwonnen blijven die daer teghen strijden wil.
Iustus Lipsius 77
Mannen, Vrouwen, oude ende jonge spelen en bedrijven dertelheydt met vraeghstucxkens voort te stellen, merckt merckt.
De Theologie was een verborgentheydt, maer is nu gheworden des gemeenen volckx spel ende vermakelijckheyt.
By ons zijn de verborghentheyden ooc onder de Ambachts luyden uytghegooten, Pag. 47.
Coornh.
Sijt ghy o Lipsi de ghene die de H. schrift ‘tvolc benemen wilt? 1 1 Deut. 6. 7. 20 Mat. II. 25 19. 14. 1. Cor. 1. 26. 27. gaet dese den Ambachtsluyden niet aen? of sullent de geleerde ende hooghe beroemde snorckers alleen moghen doen? dat leert ons de Wet noch Christus in zijn Euangelie niet. Maer dat het den clenen gheopenbaert is, wie sal u dese dolinghe toestemmen, anders dan de Roomsche Bisschoppen ende Theologanten als by Hosim.
Lib. 2. ende Brentium te sien is, maer geen verstandighe, noch oock d’aldergeleertste Erasmus (den eenighen Phenicx van gants Europa) al is die by u kleyn gheacht in zijn voorreden of vermaninghe voor ’t nieuwe Testament niet.
Lipsius 78
Maer alle disputatien int openbaer, ende onder den volcke soude ick seer * misprijsen, Ten * ware dat het den Prince of Overheyden anders goet dochten.
Koornh.
Den Prince van Orangien H.l. memorie, ende de Heeren Staten heben selve hier twee mael openbare disputatie gheordonneert, Lipsius merckte nu dat zijn wetten ende raedt sulcx, ende midtsdien der Princen ende Staten doen berispte om ‘twelck te versachten hy (looflijck) op de cant des bladts ghestelt heeft: * ten ware het den Prince, etc. op dat hy daer mede schijnen soude sulckx toe te laten. Dit ware dan winst soo des mans wetten gelden souden.
Lipsius 79
Want verwerpen sy ‘toude ende den ouden, wat redene of kloeckheyt sal henluyden overwinnen konnen.
Coornh.
D’oude, soo verre die waer is: indien niet gheensins.
Lipsius 80.
Maer de Turcken ende Moscoviters zijn wijs in desen: by den welcken het disputeren vande Religie ende Godsdienst metter doot ghestraft wort.
Coornhert.
Dit prijsen is meer goet Turcx dan goet Christus, soo daer een ware Christen noch quame, als voormaels de Martelaren Christi ende disputeerden vande ware Religie ende predickten Christum den Turcken, ghy sout den Turcken dan oock seghhen in dese wijs te zijn datse u ende uwen Godlosen Mecenatis raet volghen daer ghy roept: den ghenen die inden Godsdienst yet vernieuwen haet ende bedwinght 4. boeck. ij. Cap. Dist. 11. ende de Vaderlantsche sedē te verwerpen of schenden wort by alle volckeren voor boosdaet gehouden, Dist. 4. daerom straftse die verstoren, &c. Dist. 15
O Lipsi is dan alle vernieuwinge of verstoornighe Lantschadelijck? is de reformatie van een valsche in een ware Godsdienst of religie den heerschappyen altijdt schadelijck? Soude de Turck in zijn heerschappie schade lijden, so zijn ondersaten by verandering totten Christen gheloove quamen? gewisselijck neen. Want die alsdan uyt ware Godsvruchtigheyt heur Overheyt meer souden ontsien en eeren dan onghelovigh zijnde, en of nu sulcke verandering den Prince in zijn heerschappye schadelijck ware: behoortmen dan de verbeteringe der Lantsaten om des Princen schade inde heerschappye te beletten? Is de Prins beter dan’t Lant ende ‘tvolck? of is het volck beter dan de Prince ende ‘tLandt? Ist volck (als die meeste ende beste wesende, ende om de welcke d’ander twee zijn) soo is immers ‘tvolcx saligheyt, na lijf of ziele boven alles te achten. Moghen de menschen oock salich worden die blijven ende sterven in een valsche Godsdienst? Die nu in soodanigen Landt zijn, daer de Religie valsch is, ende


daer men op straffe niet en moet disputeren noch met waerheyts onderwijs yet vernieuwen inde Religie, so moetmense immers inde valsche verstijven ende onsalich blijven, of zijn alle Religien even goedt, om dat het Va-
derlandtsche wetten, etc. ende by een Landt of Prince aenghenomen zijn? Vele Godloose ende onchristelijcke meyninghen gheefdy den Lesers t’uwer onwijse schriften, van u ende u schrijven te bedencken.

Tot den Leeser
1 1
Dit zijn de aentekekeeninghen (goede Leeser) van Dirck Volckertsz. Coornhert, geheel sieck gaende, ende swac zijnde, meest te bedde legghende, die hy u ten goeden ghedaen heeft, teghen Iusti Lipsi Boeck teghen den Dialogist, ’twelck van woorde te wederlegghen hy voorghenomen hadde, soo men aen de mercken op’t voorschreven Boeck ghetekent kan mercken, so syn noot eynde hem den 29. October Anno 1590. ter rusten roepende, dat niet verhindert en hadde, latende in dees onrustighe Wereldt andere ernstighe waerhyedts Lievers ’tverderffelyck Ketterdooden, ende heyloos Conscienti-dwinghen, teghenstaen ende verdelghen teghen dusdanighe Prins ende Overheydts aenhitsers ende der selver practidinighr na-Apers, daer van een in zijn burgerlyck leven heeft derven schrijven: Of de religie nodich is. Dat sommighe die voor een onnutte quellinge, daer de Lieden van ons malcanderen altijdt mede gheplaeght hebben, houden, achtende de Religie alleen voor versierde reetschap, bequam om de Gemeente daer door in dwanck te houden, &c. ende tonende als of hy vande sommige een ware, seydt hy voorts: Die gheen Religie en willen, of die de selve gantschelijck na de ordeninghe des Landts daer sy woonen verstaen, doen Burgherlijck, niet altoos vermanende van de ware of de valsche Religie, als of elck Burgher sulcx niet aen en ginghe, ende aen der menschen salicheydt niet ware geleghen. Maer sulckx de sielsorghers bevelende, schrijft hy voorts, dat de ghene die haer gevoelen tegens ‘sLandts Religie (daerse woonen) vorderen onburgherlyck zyn, ende datse behooren te trecken in andere plaetsen, in Bosschen en wildernissen, of na Parias, Sipange, Callensuam, by de wilde luyden, &c.
O onschriftelijcke, onbedahcte, ende ongeroepen raetgevers ende Overheydts pluymstrijckers ende verderflijcke doolingen


ende des Vryheydts vyandt onrecht schrijvet ende veroordeeldt de saecke van alle vroome, Oude, ende Nieuwe Martelaren, ende veel Godtvruchtighe Euangelische, ende vrome Vaderlanders, die van u luyden gheterghtwerden om met waerheydts reden soo vreemden Godtloosen, ende wilden vier te blusschen, ende t’onderdrucken tot voorstandt van des gheloofs vryheydt der Landsaten heyl, ende der onnoselen scherm, op dat eyntelyck tot ons wederkeeren d’eendracht ende vrede, zijnde ‘tbeste verre boven alle dingen daer vande mensche oyt kennis is gegeven, wiens lof alleen boven veel triumphen gaet dringen, doen de Burgers in welvaert ende ruste leven.

Den Leser sal hier vermaent zijn dat Dirk Volckertsz. Coornhert zijn Proces geschreven heeft, tegen die Politica van Iustus Lipsio die tot Leyden inde Winckel van Plantyn by Frans Rapheling gedruckt zyn in forme van achten, duysendt vijfhondert negen-en-tachtich, ende dese zyne aenteeckeningen tegen ’t Boecxken van den selven, geintituleert tegen den Dialogist, mede gedruckt aldaer ende by den selven Raphelingen in Forme van vieren, int Iaer duysent vijfhondert tnegentigh.

EYNDE.

"""Verantwoordinghe van't proces van den ketteren niet te dooden,"" Impressum: Amsterdam, Jacob Aertsz., 1631."