III. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Protest teghen den slaep."""
"""Protest teghen den slaep."""


PROTEST

Teghen den Slaep

ONs leven wordt een droevigh slaep beschreven,
Die een doodt: dien tvolck vreest, om ’t verlies van ’t leven,
Met welckx liefd ’, elck boven al is bevanghen .
Nu spoedt d’een zijn geld, d’ander zijn Landt te meeren ,
Dees arbeydt om saem , die om staet van eeren :
Maer wie is naerstigh om ’t leven te verlanghen ?
Dunckt dit yemandt boven ’ tmenschelijck vermogen:
Die neme de knaghende sorgh voor ooghen ,
De walghe nde satheydt , het slorpen en st orten,
d ’Wtgemergelde geylheyd , de dolle tooren ,
De quijnende droefheydt uyt boosheyd gebooren :
Een oordeel, of dees tleven niet en verkorten.
Waerom soude dan een leven van sorghen vry ,
Seecker , lustigh , sober, kuysch , vrolijck en bly ,
Hem selfs niet mo gen verlangen oft recken ?
Zoo veel als de gemeene zotheyt het leven krenckt ,
Werdt dat oock door het seltsame verstant ghelenght ,
’t Welck dat tot zijn volcomen eynde can strecken .
Men stel twee kaerssen van een lenghte , dickt ende smeer,
d ’Een in een windige tocht, voor een deur aen keer,
Datse verwaey , verdruyp , ende verloop in ’t branden:
d ’Ander in een stille besloten kamere ,
Zal dees niet lichten langer en bequamere ,
Door’t snuyten en reynighen van ’ smenschen handen?
Die dan ’ tleven so minnen, en ’ tsterven schroomen ,
Den Slaep aencleven , (die maer door athem en droomen
Ongelijck is de dood, der menschen kinderen,
Dies mense recht noemt Broeder vande dood)
Wat dwingt heur ? wat port heur ? wat ist nood,
Door ’t willligh sterven heur leven soo bemint,
datmen gheen schat op aerden so dierbaer en vint ,
Daer voor hy d’onsekere rest sou verkopen:
Maer wie bemint doch zijn leven met sulcker vlijt,
Dat hy zijnen lustigen ende sekersten tijdt
Met den doodelijcken slaep niet laet verloopen ?


Zes uren slapens is de sc h uld der naturen
Slaept ghy dan in u levens fleur twalef uren,
Zydy dan van ’ tvierendeel uws levens niet self een dief?
Noch schaemt hem niemant de natuer te beklagen,
Van de vliegende kortheyt der Menschen dagen,
Welcx lanckheyt elck verkort om des slapens gerief.
Oock is de slaep voor dees zat-slapers onlustigh
Met ey ss elijcke droomen beswaert onrustigh ,
Recht als den Respenden maegh , spijs met overvloed:
Maer gelijck spijse voor een hongerige knape ,
So valt den wackeren arbeytsman de slape ,
Door nootdruft lustigh ende rustigh , kort en goed.
Dus protesteer ick teghens u van desen daghe ,
O tijdt-rovende slaep , luy , swaer , en traghe ,
Plompe beeste die met spa berou bedroeft,
Dat ghy in my (dien ’ tleven gheensins en verdriet)
Van nu af niet meer rechts eyscht noch ghebiedt ,
Dan de vermoeyde natuer van selfs en behoeft .
Doetse slapen, gapen, sluymen , snorcken en quijlen ,
D iens verdrietige leven maeckt langhe wijlen ,
Sendt desen u Bode Mankop laet en vro na,
Begraeft die in u pluymige fluwijnen,
Kerckertse binnen u duystere gordijnen ,
Wt s luytsters vande goud-blinckende Aurora.
Bant uyt heur wooninghe de blaffende honden,
De ghekroonde vogels die den dagh verkonden,
En de vluchtige vloyen , der slapers verdriet:
Siet dat ghy Smids ende Kuypers , die vroegh wercken ,
De klinckende klocken , de zingende klercken ,
Oock ruysschende winden, het zwijgen ghebiedt .
So mooghdy u dienaers en willighe slaven,
Die levendigh als doode leggen begraven.
In u stomme, stille, blinde dromeryen ,
Soo veel van heur tijdt en leven ontstelen,
Als sy gaerne ontberen, en u willigh deelen ,
Om te ontgaen heur wroeghende fantasyen .
Maer neemt in my , niet boven u recht met liste ,
Want ick langh genoegh , buyten oft inde kiste,
Vergeten sal legghen uyt ’s volcx memorien ,
Tot dat my inde verrijsenis der dooden ,
Het leven met zijn levende geest sal nooden ,
In’t ghenadige gebruyck van zijnder glorien .

"""Protest teghen den slaep."""