III. DEEL Van Dieryck Volckertsz. Coornherts WERCKEN.
Dirck Volckertszoon Coornhert 1522-1590
"""Die rijmere."""
"""Die rijmere."""


Die Rijmere .

DIt’s vander geloovigen uytganck mijn bediet ,
Inden Vader dis gheloofs wterlyck gheschiet .
Op dat wy , so Abram ghehoorsaem was Gode ,
Ghehoorsaem souden sijn ons Meesters ghebode ,
Daer hy , om, der sondaren salichmakinghe ,
Voor al beveelt onses selves versakinghe .
tVerstandt van dees uytganck leert ons oock wanderen ,
Niet om plaetsin , maer om herten te veranderen.
Men treckt uyt’s werelts moeyte , na d’Hemelsche ruste:
Wt de duyvelsche na de godlijcke luste .
Wt het belaechelijck vleesch , na des gheests veyligheyt ,
En uyt hate , na der Liefden heyligheyt ,
Dit’s den tocht nyt den gonste der Creaturen,
Wt ’s vleeschs armoet , dat’s wt ’s herten zot beruren ,
Wt gemeen gevoelen, wt doodlijcke zonden,
Wt quade gewoonte, vast aen thert gebonden,
En wt Babel, dat’s wt verwarringe van’t verstandt ,
Na’t vreedsaem Jerusalem , het beloofde Landt,
Om daer te leven sonder smertigheyd ,
In Broederlijcke liefde, in soete barmhertigheyd ,
In vasten gelove , in lydsaemheyd geduldigh ,
In vrye waerheyd , in deughtsaemheyd onschuldigh ,
In goede gewoonte, in rechte eenvuldigheden ,
In’t rijcke Christi , ons Conincx , Vorst des Vreden .
Tot dese reyse behoeftmen paerd noch waghen ,
Noch Schip, noch Schuyt , noch Teer-geld te bejagen,
Maer alleen een vast geloove en hope gewis ,
Dat God in sijn beloften waerachtigh is.
So wie nu in ’s duyvels rijcke treurt ellendigh ,
Die treck sonder omsien na Gods Rijcke inwendigh ,
Die soecke dat begeerlijck voor allen dinghen ,
En reyse heden spoedigh , snel, en geringhen .
Sydy maer op wegh , ghy sult Gods Rijcke erven,
Al quaemdy in d’eerste treedt uw’s wtgangcx te sterven,
So aen den moorder bleeck , die in ’s doods besuren
Wtginck , en in’t Paradijs quam ter laetster uren.
Slaet maer op wegh , elck spoede hem tot desin wtganck ,
Hier toe is niemand te oud, te arm, of te kranck ,
Want God besorght die sijn Rijck soecken spoedelijck ,
Met, wil macht, en toewerpsel overvloedelijck .


Abrahams uytgang.
Al blyft u lichaem kreupel of sieck binnenshuys ,
Ja binnin een toorn ghevangin onder ’ tkruys ,
’t En belet u des reyse in’t minste noch in’t meest,
Want min reyst niet inden lyve , maer indin gheest ,
Indin gheest can des Pelgrim din Hemel betredin ,
Al blijft sijn lichaem op ter aerden beneden.
Op desen wegh behoeftmen niet te vreesen
Van verleyt , bedrogin , of vermoordt te wesin ,
Want Godt heeft sijn zoon tot ons leydtsman gegeven,
Dit is self die wegh , self de waerheyd , self het leven.
Die brengt ons wt d’Egyptsche duystere swaerheyt
Inde lichte, lieflijcke Hemelsche klaerheyt .
wie sou niet gaerne koper of gout verlarin ?
wie schroomt voor ’ tsnoodste het best te aenvaren ?
wie blijft nu noch so zot en verkeert van sinnen ,
Die ’t niet al voor dreck acht, om Christum te winnen?
dit doet de werelt , maer weest niet meer wer’lt , wert Hemelen
Verlaet die geltsuchtige bult dir Hemelin :
Vermyde eygin boosheyd , volght Godlijcke goetheyt :
Vliet doodlijcke zond, soeckt deught om ’ slevens soetheyt ,
wijckt van u vernuft, aenkleeft Gods waerachticheyt ,
En gaet wt u kranckheyd , omhelst Gods almachticheyt .
Elck haest sich , dewyl dir genaden windt noch waeyt ,
Dewyl’t noch huyden heet, eer hem die Sonne draeyt ,
Dewyl die vruchtbare Somer noch is voor ooghin ,
Tot dees wtganck , in Gods, niet in ’s vleeschs vermogin .
So in sal u die buyten sluytende Nachte ,
d ’Onvruchtbare winter, dis wavhopens krachte ,
Noch ’ tverdoemlyck oordeel niet overvallin ,
Daer voor bescherme die goede God ons allin .

AMEN.

"""Die rijmere."""